Search our collection of 12.012 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 2.650 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 87 books

We found 201 news item(s)

BEUSEKAMP Willem, SCHOONBROOD John
De overval van Elsevier op Kluwer
Pb 157 pp.
€ 10.0

BUY

BODDAERT François, LAMPO Jan, LOMBAERDE Piet, MEEWIS Wim, VAN REETH Inge
750 jaar Sint-Bernardusabdij
Gebrocheerd, 4to, 127 pp., rijkelijk geïllustreerd, detailplans, met bibliografische referenties en verwijzingen naar archiefstukken. Lombaerde bespreekt de verkoop van de abdij als nationaal goed (via stroman Tops aan Couvreur, die op zijn beurt doorverkocht) op 19/3/1797 en schetst de context (165 openbare verkopen in de Twee Neten tussen 1797 en 1800). De eerste kopers ontmantelden de abdij grotendeels. Van 1809 tot 1814 diende het als marinehospitaal, nadat de overheid het complex had teruggekocht. Later werd het een graanopslagplaats en een gevangenis.
€ 20.0

BUY

BUYENS Frans, DE HAES Leo, HOGENKAMP Bert, MEYNEN Alain
Vechten voor onze rechten. 60-61 De staking tegen de Eenheidswet.
Wrappers, ill, 119 pp. Fotoboek en getuigenissen van Joz Wijninckx, Louis Melis, over het begin van de staking bij Cockerill-Ougrée, Eduard Schulpen, Frans Christiaenssens, Albert De Bruyne, over de betoging van 6 januari 1961 te Luik, Ernest Mandel, Jacques Yerna, Georges Debunne. De film van Frans Buyens - tevens een eerbetoon aan cineast Joris Ivens - legt een uitdrukkelijke link tussen het failliet van de Belgische koloniale politiek (Congo) en de (gezochte?) troebelen in de binnenlandse politieke economie. Bevat de integrale filmtekst.
€ 10.0

BUY

CAMPAGNAC Elisabeth & NOUZILLE Vincent
Citizen Bouygues - L'Histoire secrète d'un grand patron.
Paperback 514 pp. 15,5x24cm Avec une chronologie 1922-1988 de l'ascension du 'tycoon' de presse et des médias.
€ 10.0

BUY

CAMPE René, DUMON Marthe, JESPERS Jean-Jacques
Radioscopie de la presse belge
Wrappers, broché, 600 pp. L'analyse incontournable de la presse belge: histoire, propriétaires, groupes, tirages, problèmes. Ce fut la toute première analyse de ce genre.
€ 20.0

BUY

CAMPE René, DUMON Marthe, JESPERS Jean-Jacques
Radioscopie de la presse belge
Wrappers, broché, 600 pp. L'analyse incontournable de la presse belge: histoire, propriétaires, groupes, tirages, problèmes. Ce fut la toute première analyse de ce genre.
€ 20.0

BUY

CAMPERT Remco, GEERAERTS Jef, BLAMAN Anna, e.a.
Aan zee. Sfeervolle strandverhalen van -
Pb, in-8, 232 pp., bibliografie
€ 10.0

BUY

CHAMPIGNEULLE Bernard
Promenades dans Fontainebleau, sa Forêt, ses villages
Broché, petit in-8, cartonnage editeur, 307 pp., illustrations, grande carte dépliante, régistres. Guide inédit comportant une anthologie des textes historiques et littéraires inspirés par le château et la ville, l'école de Fontainebleau, la forêt, les villages, les peintres de Barbizon, illustré d'estampes anciennes, de plans, de peintures et des premières photographies des fresques restaurées de la galerie François Ier, accompagné d'une carte de la forêt spécialement mise à jour et realisée par l'Institut géographique national.
€ 12.0

BUY

CHAMPIGNEULLE Bernard
Perret [Auguste Perret, architecte & urbaniste]
Broché, jq illustrée, petit 4to, 159 pp., photos en NB. Auguste Perret (1874-1954) fut l'apôtre du béton armé avec son immeuble de la rue Franklin à Paris (1903), son garage de la rue Ponthieu (1905) et son église de Raincy (1922). Le plus important architecte de France.
€ 50.0

BUY

DE SCHAMPHELEIRE Hugo, DHONDT Luc, DESSERANO Dominique, LAMBRECHT Kris, DESCHOUWER Luc
Historische schets van 200 jaar vrijzinnigheid in Vlaanderen.
Tentoonstellingcatalogus met ruime commentaren bij elk item. 4to, polycopie, Geen paginering (ca. 300 pp.), illustraties in ZW en enkele in kleur. Inhoud: A. De periode voor 1790. B. 1790-1850 C. 1850-1914 D. 1918-1940 E. De periode na 1945: Deconfessionalisering van de partijen, onderwijs en vrijzinnigheid. F. Vrijzinnige organisaties en standpunten. Noot LT: 1980 was het jaar van de Vrijzinnigheid; de rondreizende tentoonstelling waarbij dit boek hoort, was zeker een lovenswaardig initiatief om de vz uit haar steriel isolement te halen en aan te tonen dat antiklerikalisme geen ongelovigheid inhoudt maar wel een anders-geloven. Het fanatieke karakter van de katholieke, slaafs ultramontaans geöriënteerde, kerk mag als oorzaak aangeduid worden voor de radicalisering van de standpunten van de vrijzinnigen in België. Het ene fundamentalisme lokt het andere uit. In dit werk wijst Desserano op het grote grondbezit van de kerk op het einde van de 18de eeuw: in sommige departementen tot 60%, in geheel Vlaanderen gemiddeld 10 à 20%.
€ 10.0

BUY

DESCHAMPS J.
Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaamse bibliotheken, tentoonstelling ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis. Catalogus bewerkt door J. Deschamps.
24,5 x 16 cm - XX + 303 + (5) pgs + 72 platen - originele omslag. De catalogus bevat 101 besproken items.
€ 20.0

BUY

GOBYN Ronny (Editor), Reynebeau Marc, GERARD Emmanuel, VANDENBROEKE Chris, VERAGHTERT Karel, VANTHEMSCHE Guy, SIMON Frank, VAN LOO Anne en ZAMPA Frederica (stedebouw en architectuur), LAMBRECHTS Marc, VAN DEN WIJNGAERT Mark
De jaren '30 in België. De massa in verleiding.
Geïllustreerde hardcover, 4to, 318 pp. Overvloedig geïllustreerd met foto's en repro's van (politieke) affiches, chronologie (pp. 229-308), bibliografische noten, bibliografie, index, statistische tabellen. Interessant overzichtswerk dat de nadruk legt op de staatsinterventie (werkloosheidsuitkeringen, ziekteverzekering, kinderbijslag, infrastructuurwerken, Plan De Man), massificatie, fascisme. Ook ruime aandacht voor pers, radio, transport, bioscoop, kunstvormen, sportmanifestaties. In het hoofdstuk architectuur o.m. foto's van huizen van Gaston Brunfaut (ook sanatorium te Tombeek van Maxime Brunfaut) en Marcel Leborgne, Robert Braem, Charles Colassin, Gaston Eysselinck, flatgebouw aan de Louizalaan te Brussel van Stanislas Jasinski, woning Canneel van Louis Herman Koninck (buiten- en binnenaanzicht), boekentoren Gent van Henry van de Velde. Aandacht voor het 3de CIAM-congres (Brussel, 27-29/11/1930): hier werd gekozen voor hoogbouw i.p.v. voor tuinsteden (p. 235).
€ 50.0

BUY

HONEGGER Gottfried, VAN DE KAMP Peter
De onmetelijke ruimte
Pocket 120 pp. Illustraties in kleur
€ 10.0

BUY

HULSENBECK C., LOUMAN J., OSKAMP A.
het rode boekje voor scholieren
Derde druk (56ste tot 75ste duizendtal) gebrocheerd, minipocket, 128 pp. De eerste druk van dit boekje werd in september 1970 uitgebracht op 35.000 ex. door een groep kritische Nederlandse leraren in navolging van "Den lille rode bog for skoleever" (1969 Kopenhagen), die het schoolleven van binnenuit wilden veranderen door leerlingen autonomie in denken en handelen bij te brengen. Drie maanden na de eerste druk was men reeds bij de 7de druk! In het nog zeer katholieke België (c.q. Vlaanderen) werd de volledige (niet-verkochte) oplage in 1970 in beslag genomen door de gerechtelijke instanties omdat het als "zedenschendend en subversief" werd beschouwd. De toenmalige reactionaire en ultra-conservatieve socialistische minister van justitie, Alfons Vranckx (1907-1979; MvJ 1968-1973), werd in de senaat geïnterpelleerd over deze zaak; volgens hem was deze inbeslagname echter in overeenstemming met de wet en grondwet. Het boekje had net daardoor nog meer aantrek en invloed en werd vanuit Nederland het land ingesmokkeld. Noteer dat de uitgeoefende censuur de zoveelste gemiste kans was voor de socialistische partij om electoraal te scoren bij jonge progressieve Vlamingen. Deze partij bezit een aanzienlijk talent om zich te laten leiden door blinde arrivisten.
€ 20.0

BUY

LAMPO Jan
Matrozenpaleis. Internationaal Zeemanshuis Antwerpen 50 jaar
Pb, 4to carré, 32 pp., illustraties.
Goed gedocumenteerd werk over het Zeemanshuis, zowel over het oude (1884-1954) als het nieuwe (1954-).
Het IZA werd in 2013 afgebroken.
€ 10.0

BUY

MAMPAEY Tjen
De Zwarte Hand. Het verzet tegen de nazi's in Klein-Brabant en de Rupelstreek
Pb, in-8, 108 pp., foto's. Non-fictie.
€ 10.0

BUY

MARLEY Lord, [EINSTEIN Albert], KERNKAMP G.W. Prof Dr
Bruinboek van de Hitler-terreur en den Rijksdagbrand voorbereid door het Wereld-comité voor de slachtoffers van het Hitler-fascisme.
Met voorrede van Prof.Dr.G.W. Kernkamp, hoogleeraar aan de Rijks-universiteit te Utrecht. Tweede druk. Softcover, geïllustreerde stofwikkel (bloederige swastika), grote in-8, xvi + 334 pp., uitvoerig geïllustreerd met ZW-foto's en facsimile van documenten.

Noot LT: Een belangrijk en vroeg document dat de misdaden van het nazi-regime uitvoerig beschrijft en documenteert. Bevat voor die tijd unieke foto's, getuigenissen en bewijsmateriaal. Bevat tevens een chronologie van politieke moorden en namenlijsten van slachtoffers. Albert Einstein en Paul Langevin waren erevoorzitter van het overkoepeldende Comité International d'aide aux Victimes du Fascisme Hitlérien.

Noteer dat in het Biografisch Woordenboek van Nederland de betrokkenheid van Kernkamp (1864-1943) bij dit boek onvermeld blijft.
In Nederlands Indië was het boek verboden omdat het van communistische signatuur was. Henk Hoetink (1900-1963), die aanvankelijk door Hitler gefascineerd was, werd na lezing van het boek een overtuigd anti-fascist. (zie Petrus Benedictus Maria Blaas: Henk Hoetink (1900–1963), een intellectuele biografie. Verloren, Hilversum 2010, p. 61).
Ondanks de uitgebrachte misdaden van het Hitler-regime lieten de Europese staten en de USA begaan, omdat er (financiële) belangen mee gemoeid waren. We mogen daaruit besluiten dat buitenlandse politiek en diplomatie in de eerste plaats rekening houdt met het eigenbelang.
€ 150.0

BUY

SAMPSON Anthony
De nieuwe Europeanen (vertaling van The New Europeans)
1ste druk. Gebonden, geïllustreerde stofwikkel, register/index, 416 pp. Noot LT: Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004) was bekend journalist van 'The Observer' en 'The Economist'. In 1973 verscheen zijn ophefmakend boek 'The Sovereign State. The Secret History of ITT'; in 1975 ging hij op de ingeslagen weg door met 'The Seven Sisters', een boek over de macht van de olie-industrie. Sampson gunt ons een kijk achter de 'democratische' façades.
€ 10.0

BUY

SAMPSON Anthony
De wapenindustrie - een onthullende blik achter de schermen van de internationale wapenhandel - Vickers, Krupp, Lockheed
Pb, in-8, 416 pp., noten, index. Beschrijving van het militair-industrieel complex. Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004) was een bekend journalist van 'The Observer' en 'The Economist'. In 1973 verscheen zijn ophefmakend boek 'The Sovereign State. The Secret History of ITT'; in 1975 ging hij op de ingeslagen weg door met 'The Seven Sisters', een boek over de macht van de olie-industrie.
€ 10.0

BUY

SAMPSON Anthony
De anatomie van Brittannië. De Britse leeuw aan touwtjes.
uit het Engels vertaald door Hans De Vries, Oorspronkelijke titel: Anatomy of Britain. Hardcover met geïll. stofwikkel, 447 pp. Noot LT: Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004) was bekend journalist van 'The Observer' en 'The Economist'. In 1973 verscheen zijn ophefmakend boek 'The Sovereign State. The Secret History of ITT'; in 1975 ging hij op de ingeslagen weg door met 'The Seven Sisters', een boek over de macht van de olie-industrie. Sampson gunt ons een kijk achter de 'democratische' façades.

Quote: The church is Britain's biggest landowner after the Forestry Commission and the Crown.
€ 10.0

BUY

SAMPSON Anthony
De geldschieters: De macht van de banken en de economische crisis (vert. van The Money Lenders - 1981)
Pb, in-8, 373 pp., met bibliografische noten.
Sampson's boeken gaan overwegend over de 'big players' op de internationale scene: Groot-Brittanië (1962 en meermaals geactualiseerd), Europa (1968), Multinationals (in casu ITT)(1973), Olie (1974), Wapenhandel (1977), internationaal bankieren (1981).
Over het IMF (bedisseld in Bretton Woods) en Latijns-Amerika: "Het Fonds wilde alleen geld aan een land lenen op voorwaarde dat de regering ervan snel in de openbare uitgaven snoeide en een drastische deflatie afdwong, waardoor de lonen daalden en de werkloosheid toenam." (113)
En: "Ze (de top van het IMF) wisten dat een minister van financiën hun dikwijls zou vragen bepaalde maatregelen dwingend af te kondigen die hij zelf wel had willen, maar niet had durven afkondigen." (118) Noteer dat de EU deze rol grotendeels overnam met haar Richtlijnen over budgettaire orthodoxie en de schuldgraad.

Pagina's 170 e.v. bespreken de manier waarop Citibank geld leende aan Zaïre/Congo en dus aan Mobutu. De terugbetaling van de schuld bleef uit en dus leende men meer aan Mobutu. Het land mocht niet kapseizen. Toen de Wereldbank zich met de zaken bemoeide en een delegatie o.l.v. een Nederlands econoom stuurde, werd diens huis overvallen door soldaten en zijn twee jonge dochters verkracht. Daarna gaf de WB geen leningen meer.
€ 20.0

BUY

SAMPSON Anthony
De zeven zusters. Macht en invloed van de 7 grootste oliemaatschappijen. (vert. van The seven sisters:The great oil companies & the world they shaped)
vertaling Adeleide H. van Loon. ing. 383 pp. Onthullende analyse van de grootste macht ter wereld: het oliekartel van Esso (Exxon), Gulf, Texaco, Mobil, Socal, Shell en BP. Opkomst van OPEC. Citaat: "De wetenschap dat de maatschappijen het OPEC-kartel steunen, zal een voortdurende bron van verontwaardiging blijven bij het publiek." (p. 375) Het boek stelt voortdurend de vraag: wie gebruikt wie?
Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004).
De term 'Zeven Zusters' werd gelanceerd door de Italiaan Enrico Mattei (ENI/Agip), 29/4/1906 – 27/10/1962, die omkwam in een vliegtuigcrash (geen overlevenden), hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een bomexplosie. Dit werd de roemruchte Il Caso Mattei (Gouden Palm Cannes 1972), in 1972 verfilmd door Francesco Rosi (1922-2015). In de tweede helft van de jaren 90 werd de zaak Mattei heropend en werden sporen van explosieven gevonden op de bewaarde wrakstukken. Het ging dus niet om een vliegtuigongeluk maar om een aanslag.
Commentaar LT: Wanneer we de analyses van Sampson op de huidige situatie (2015) in het Midden-Oosten loslaten dan kunnen we zeggen dat de Syrische burgeroorlog een gevolg is van het ontbreken van een overwicht van of de USA of Rusland. In de perfide geopolitieke logica laten de belanghebbenden die in een patstelling geraken, de chaos in het conflictgebied voortduren en voeden zij de destabilisatie. Dat in zo'n situatie de burgerbevolking het voornaamste slachtoffer wordt, hoeft geen betoog.
€ 20.0

BUY

SAMPSON Anthony
De zeven zusters. Macht en invloed van de 7 grootste oliemaatschappijen. (vert. van The seven sisters:The great oil companies & the world they shaped)
vertaling Adeleide H. van Loon. ing. 383 pp. Onthullende analyse van de grootste macht ter wereld: het oliekartel van Esso, Gulf, Texaco, Mobil, Socal, Shell en BP. Opkomst van OPEC. Citaat: "De wetenschap dat de maatschappijen het OPEC-kartel steunen, zal een voortdurende bron van verontwaardiging blijven bij het publiek." (p. 375) Het boek stelt voortdurend de vraag: wie gebruikt wie? Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004).


De term 'Zeven Zusters' werd gelanceerd door de Italiaan Enrico Mattei (ENI/Agip), 29/4/1906 – 27/10/1962, die omkwam in een vliegtuigcrash, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een bomexplosie. Dit werd de roemruchte Il Caso Mattei, in 1972 verfilmd door Francesco Rosi (1922-2015).
Noteer dat Socal en Texaco samen Caltex gingen vormen.
€ 20.0

BUY

SAMPSON Anthony
The New Europeans - A guide to the workings,institutions and character of contemporary Western Europe
Hardcover with dj. First. 462 pp. Bound in original black waxed cloth with title in gilt on spine. Contains index and 10 diagrams, including endpapers. Includes sections on "Eurocrats"; "Defence"; and "Languages". Maps. This book tries to answer the question of just how far the New Europeans are coming together. The author looks at the way the Common Market has changed the everyday lives of the European people. However the Common Market is only a small part of the change. This is a guide to the workings of Western Europe. The author believes it is vital to the intelligent general reader, and also an informed enquiry into the kind of society into which all Europeans are being drawn. Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004).
€ 10.0

BUY

SAMPSON Anthony
De wapenindustrie - een onthullende blik achter de schermen van de internationale wapenhandel - Vickers, Krupp, Lockheed
Pb, in-8, 416 pp., noten, index. Beschrijving van het militair-industrieel complex. Sampson (3/8/1926 – 18/12/2004) was een bekend journalist van 'The Observer' en 'The Economist'. In 1973 verscheen zijn ophefmakend boek 'The Sovereign State. The Secret History of ITT'; in 1975 ging hij op de ingeslagen weg door met 'The Seven Sisters', een boek over de macht van de olie-industrie.
€ 10.0

BUY

VAN CAMP Bart, TESSENS Lucas
DEBAT TUSSEN BART VAN CAMP (NVA/BAM) en LUCAS TESSENS OVER Oosterweelverbinding en tolvrij maken van Liefkenshoektunnel – Oktober 2009
copie van de e-mails (9 pagina's); in mei 2010 werd Bart Van Camp aangesteld tot regeringscommissaris bij de BAM






€ 10.0

BUY

VAN OVERSTRAETEN R. (général), Aide de Camp de S.M. le Roi des Belges
Journal de paix et de guerre Albert I - Léopold III. Vingt ans de politique militaire belge. 1920-1940
Softcover, broché, in-8, 750 pp, cartes dépliantes, photos de documents.
€ 25.0

BUY

The covers of the following books are not yet photographed

AMP, Internationale Lijst der Bijzonderste Dagbladen en Periodieken, Bruxelles, Agence et Messageries de la Presse, 1960.

BARNES Margaret Campbell, Een enkel uur van klatergoud. De tragedie van Anna Boleyn. (vert. van Brief Gaudy Hour: A Novel of Anne Boleyn - 1949), Den Haag, Stok, s.d..

BELCAMPO, De fantasieën van Belcampo. Liefde's verbijstering. Sprongen in de branding. Nieuwe verhalen. Verhalen., Antwerpen, Kosmos, 1958.

BEUKENKAMP W., HESSELINK H.G., Tramweg Stichting 1965-1990. Een uit de hand gelopen hobby ..., s-Gravenhage, Tramweg Stichting, 1990.

BORCHERT Till-Holger, AINSWORTH Maryan W., CAMPBELL Lorne, NUTTALL Paula, KLEIN Peter (dendrochronologische tabel), [MEMLING], De portretten van Memling, Gent, Ludion, 2005.

BUYSSE Paul, BEYSEN Ward, BIJL Willy, CAMPO Lode, CROLS Frans, DAEMS Rik, DE CLERCK Lou, DE CLERCQ Willy, DE BERGEYCK Daniel graaf, Liber Amicorum Hugo Ceusters, Antwerpen, IMP, 1990.

CAMPBELL Steuart, The Loch Ness Monster. The evidence, Edinburgh, Birlinn, 1991.

CAMPBELL Tony, Hoogtepunten uit de wereld van de cartografie. Oude kaarten en hun makers., Amsterdam, Becht, 1981.

CAMPERT R., VAN KEULEN M., MEIJER I., SAGAN F., TAYLOR E., e.a., Nog verder van huis. Verhalen vol vakantiepech., Rijswijk, Elmar, 1997.

CAMPS Hugo, Constant vanden Stock. Eén Leven, twee Carrières, Leuven, Kritak, 1993.

CAMPS K., HIMLER A., VAN DEN BROECK P., DAEMS G., TIJS R., HERMAN D., Antwerpen 1830 - 1980, Antwerpen, Stad Antwerpen , 1980.

CAMPS K., HIMLER A., VAN DEN BROECK P., DAEMS G., TIJS R., HERMAN D., Antwerpen 1830-1980, Antwerpen, Stad Antwerpen , 1980.

CAMPS K., HIMLER A., VAN DEN BROECK P., DAEMS G., TIJS R., HERMAN D., Antwerpen 1830 - 1980, Antwerpen, Stad Antwerpen , 1980.

CHAMPIGNEULLE Bernard, Degas, Dessins., Paris, Editions des deux mondes, 1952.

CHAMPIONNIERE M. & RIGAUD M. , Traité des droits d'enregistrement, de timbre, d'hypothèques et des contraventions à la loi du 25 ventôse an XI - Tômes I à V, Paris, Charles Hingray, 1839.

DAMPIER Sir William Cecil, A shorter history of science, Cambridge, University Press, 1944.

DAS Veena, KLEINMAN Arthur, LOCK Margaret, RAMPHELE Mampphela, REYNOLDS Pamela, Remaking a World. Violence, Social Suffering, and Recovery, Berkeley, University of California Press, 2001.

DE DAMPIERRE Eric, Un ancien royaume Bandia du Haut-Oubangui., Paris, Plon, 1967.

DE MEYER Gust, SCHAMP Wim, Politiek niet correct, Antwerpen, Cover Books, 2002.

DESCAMPE E., Contribution à l'étude de la question Royale, événements - documents, 2 volumes, Bruxelles, Groupement National Belge & Centrale Belge de Documentation, 1947.

DESCHAMPS Luc, Volwassen anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse Gewest., Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003.

DI LAMPEDUSA Giuseppe Tomasi, De Tijgerkat (vertaling van Il Gattopardo - 1958), Brussel, Reinaert (licentie Veen), 1970.

DI LAMPEDUSA Giuseppe Tomasi, De Tijgerkat (vertaling van Il Gattopardo - 1958), Brussel, Reinaert (licentie Veen), 1970.

DONNAY P., LONEUX L., REMOUCHAMPS R. (voorwoord), De Luikse steenkolenmijnen. Het einde van de steenkolenmijnen., Liège, TFPL, 1980.

DUMONT Prof. Dr. M.E., SCHOKKENKAMP J., SIJMONS A.H., Winkler Prins-redactie, Elsevier Wereldatlas., Amsterdam, Elsevier, 1960.

GILISSEN John Prof., DE SCHEPPER Hugo, DOUXCHAMPS-LEFEVRE C., BEKERS J., HANSOTTE G., COPPEJANS-DESMEDT H., MAES J., MAES L. Th., NOTEBAERT A., DE BESLUITVORMING VROEGER EN NU. TENTOONSTELLING 15 APRIL - 17 MEI 1975, Brussel, ARA, 1975.

HAMPSON Norman, La Période Révolutionnaire (1776-1815) Traduit de l'anglais par Jean-Louis Faivre d'Arcier et Hélène Seyrès, Paris, Flammarion, 1970.

HARLE Diane Sarofim, CHAMPOLION Hervé (fotografie), Egypte. Het verleden in een gouden licht., Rijswijk, Atrium, 2003.

HARSKAMP Jaap, Hoeren en Heren in de 19de-eeuwse literatuur , Utrecht, HES, 1988.

HOLLENKAMP, Geschiedenis der Kleederdrachten, Amsterdam, Hollenkamp, .

J. Anthierens,, H. De Schampeleire, H. Gijsels, J. Willems en C-J Toornvliet, De VlaamSSche Kronijken, Berchem, EPO/HALT vzw, 1987.

JAMPOLSKI Gerald G. M.D., Love is letting go of Fear, Berkeley, Celestial arts, 1979.

JONGERDEN Joost ir, RUIVENKAMP Guido dr, Patronen van verscheidenheid. Een verkennend onderzoek naar de afname van agro-biodiversiteit in Nederland en naar diverse initiatieven om agro-biodiversiteit binnen en buiten agro-industriële productieketens te bevorderen., Wageningen, Landbouwuniversiteit Wageningen , 1996.

JOURNE Maurice & DESCHAMPS P-N , Manuel de pathologie médicale, Paris, Masson & Cie, 1935.

KAMPA Theo, VANDERSMISSEN Hans , Atlas van de Monumenten in de Zeeuwse Delta, Alphen a/d Rijn, Sijthoff, 1983.

KRYSKAMP Dr. C., Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal met een uitvoerig supplement. Deel I A-N; Deel II O-Z., s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1970.

LABUSCHAGNE R.J., CAMPBELL T. (ill), Voëls van die Krugerwildtuin en ander nasionale parke, vol 1, Pretoria, Raad van Kuratore vir Nasionale Parke, 1958.

LAMPO Hubert, Een geur van Sandelhout. Roman (1976), Amsterdam, Meulenhoff, 1976.

LAMPO Hubert, De verdwaalde carnavalsvierder (1990), Amsterdam, Meulenhoff, 1990.

LAMPO Hubert, De komst van Joachim Stiller - Roman (1960), Leuven, Davidsfonds, 1975.

LEUPEN Bernard, GRAFE Christoph, KÖRNIG Nicola, LAMPE Marc, DE ZEEUW Peter, Ontwerp en analyse. , Rotterdam , 010 Publishers, 1995.

Madame CAMPAN, Mémoires sur la vie de Marie-Antoinette, Reine de France et de Navarre, Paris, Nelson, s.d..

MAMPAEY Sam, Glopie Kopie Wereldbol. Globalisering voor beginners., Berchem, EPO, 2003.

MENTEN Theodore (selection of examples), The Art Deco Style in household objects, architecture, sculpture, graphics, jewelry. 468 authentic examples., New York, Dover Publications, 1972.

POLASKY, JANET L. Prof. (Univ. of New Hampshire), Emile Vandervelde, le Patron, Bruxelles, Labor, 1995.

REMOUCHAMPS L. Prof Dr, [BUYSSE Cyriel], Hulde aan CYRIEL BUYSSE, Gent, Julius Vuylsteke-Fonds, 1960.

RUNDERKAMP Lex & SALVERDA Feike, De elite zwijgt - Onderzoek naar het vermogen van Nederlanders, Houten, Unieboek-Het wereldvenster. , 1987.

RUNDERKAMP Lex & SALVERDA Feike, De elite zwijgt - Onderzoek naar het vermogen van Nederlanders, Houten, Unieboek-Het wereldvenster. , 1987.

SAMPSON Anthony , De anatomie van Brittannië. De Britse leeuw aan touwtjes., Den Haag, Stok. , 1963.

STEENKAMP J., Inleiding tot de wapenkunde., Naarden, A. Rutgers, s.d..

STEENKAMP J.C.P.W.A., Heraldisch Vademecum. Wapenkundig register van de meest voorkomende heraldische benamingen, termen, figuren, enz., Amersfoort, Melchior, s.d..

STEENKAMP J.C.P.W.A., Heraldisch Vademecum. Wapenkundig register van de meest voorkomende heraldische benamingen, termen, figuren, enz. Tweede deel, Amersfoort, Melchior, s.d..

UNGER Hellmuth (vert Molanus-Stamperius), Roeping en geweten, Antwerpen, Die Keure, s.d..

VAN CAMP Gaston, Sicilië, , , .

VAN CAMP K.J. Dr Prof, 19de-eeuwse wetenschappelijke en didactische instrumenten in bezit van de Stad Antwerpen. Elektriciteitsleer en Röntgenologie, Antwerpen, EBES, 1988.

VAN DER MERWE N.J., CAMPBELL T. (ill), Voëls van die Krugerwildtuin en ander nasionale parke, vol 4, Pretoria, Raad van Kuratore vir Nasionale Parke, 1965.

VAN DER MERWE N.J., CAMPBELL T. (ill), Voëls van die Krugerwildtuin en ander nasionale parke, vol 3, Pretoria, Raad van Kuratore vir Nasionale Parke, 1962.

VAN DER MERWE N.J., CAMPBELL T. (ill), Voëls van die Krugerwildtuin en ander nasionale parke, vol 2, Pretoria, Raad van Kuratore vir Nasionale Parke, 1959.

VEERKAMP Joost (tekst en tekeningen), WERKHOVEN Ton (fotografie), Gebroken lichtval, Amsterdam, Thomas Rap, 2004.

VISSER M.B.H., AMPTMEYER H., BOSGRA S.J., KORVER A.P.E., DE VRIES F., EIJBERSEN R.R., De kwestie Vietnam. Feiten en achtergronden., Amsterdam, Polak & Van Gennep, 1966.

nws
Premier verdedigt via Facebook zijn vluchtelingenbeleid - Eéntalig in het Frans -Een kreet van onmacht, volgens Carl Devos
Edited: 201801022244
Le sens de la nuance et des responsabilités
CHARLES MICHEL· Mardi 2 janvier 2018
Le gouvernement applique depuis 3 ans une politique migratoire humaine et ferme.
Il n’y a pas en Belgique de jungle de Calais sur la route de la Grande Bretagne. Tout est mis en œuvre pour qu’il n’y en ait pas.
Il n’y a pas de situation non maîtrisée comme dans d’autres pays. Mettant en danger la cohésion sociale et alimentant toutes les formes d’extrémisme.
Le gouvernement a pris ses responsabilités. Nous accueillons ceux qui sont dans les conditions du droit d’asile. Et nous travaillons sur le plan européen pour contrôler les frontières et éviter une situation d’appel d’air qui deviendrait rapidement ingérable.
Malgré la grave crise de l’asile depuis 2015, la situation a été gardée en permanence sous contrôle dans notre pays.
C’est le fruit de l’action coordonnée et résolue du gouvernement et de l’ensemble des services administratifs et policiers.
La Belgique met un point d’honneur à respecter les obligations européennes et internationales.
La politique menée est humaine et appuyée par le respect des décisions des juridictions administratives et judiciaires.
Les campagnes de désinformation régulières m’amènent à mettre les points sur les « i ». J’ai délibérément choisi de le faire avec le recul nécessaire.
La politique de retour en particulier vers le Soudan est un sujet sensible qui appelle de la nuance. Et mérite mieux que les simplismes ou les caricatures dans un sens ou dans un autre.
Je veux ici rétablir quelques vérités très éloignées de la perception que d’aucuns tentent de créer.
- Tout d’abord, cette question est européenne. De nombreux pays appliquent la même politique. Le Royaume-Uni, la France, l’Italie et la Norvège organisent également des missions techniques d’identification avec le Soudan. En 2016, l’Italie a renvoyé 40 ressortissants soudanais, la Suède 15, l’Irlande 5. La Norvège en a renvoyé 60 entre 2015 et 2016 (source: Eurostat). Le Haut Commissariat des Nations unies pour les réfugiés (HCR) a commencé, ce mois de décembre, les rapatriements volontaires vers le Soudan et indique travailler directement avec le gouvernement soudanais pour mener à bien ces opérations de réintégration (source: UNHCR).
- Ensuite les décisions, qu’elles soient administratives ou judiciaires, se prennent toujours au cas par cas, sur base des éléments qui composent le dossier individuel de la personne et son parcours personnel.
Les décisions d’éloignement sont prises par l’Office des étrangers. À cette occasion, l’Office des étrangers est chargé de réaliser une analyse du risque éventuel de violation de l’article 3 de la Convention européenne des droits de l’homme (CEDH) interdisant les traitements inhumains et dégradants. Tout retour doit faire l’objet d’un examen de conformité à l’article 3 de la CEDH, cela a été confirmé par le Directeur général de l’Office des étrangers. Il a aussi précisé que les retours n’ont pas lieu vers des régions jugées dangereuses par le CGRA.
Concrètement, suite à la mission technique d’identification, l’Office des étrangers a décidé du renvoi de 9 ressortissants soudanais (un départ volontaire, trois sans escorte et cinq avec escorte).
- Les décisions sont susceptibles de recours devant des juridictions indépendantes. La personne qui fait l’objet d’une décision d’éloignement peut introduire un recours devant le Conseil du contentieux des étrangers. En cas de recours en extrême urgence, la décision d’éloignement sera suspendue. Si cette personne fait état de sa crainte de subir des répercussions à son retour dans son pays d’origine, elle peut, y compris après la décision d’éloignement de l’Office des étrangers et après identification, introduire une demande d’asile, ce qui aura pour conséquence de suspendre l’éloignement.
Le 20 décembre dernier, la Cour d’Appel de Liège a donné gain de cause à l’Etat en réformant l’ordonnance du Président du Tribunal de Première Instance qui interdisait à l’Etat belge de rapatrier des personnes soudanaises, à la suite d’une procédure introduite par la Ligue des Droits de l’Homme.
- Le Commissaire général aux réfugiés et apatrides a, par ailleurs, analysé la situation spécifique du Soudan dans une récente note d’octobre. Cette note est bien plus nuancée que l’interprétation unilatérale qui en a été donnée. Elle distingue, tout d’abord, différents types de dossiers de personnes d’origine soudanaise et précise le traitement réservé généralement aux demandes d’asile pour chacun des cas. En substance, pour 11 états (provinces), soit la grande majorité du territoire soudanais, la protection subsidiaire n’est pas accordée. Mais bien entendu, comme pour toute autre nationalité, la personne soudanaise qui fait preuve d’une crainte individuelle pourra se voir reconnaitre le statut de réfugié.
Il découle donc de cette note que toute personne d’origine soudanaise n’a pas d’office droit à une protection internationale. Preuve en est, le taux de reconnaissance pour les personnes d’origine soudanaise est en 2017 de 54,7%.
En outre, comme l’indique aussi la note, la question d’une alternative d’asile dans d’autres régions du Soudan est, dans certains cas, évaluée par le CGRA. Ce qui démontre encore que la situation de conflit n’est pas étendue à l’ensemble du territoire, mais concerne uniquement certaines régions.
- Les personnes concernées, pour la plupart, trompées par des passeurs sans scrupules, choisissent de ne pas introduire de demande d’asile en Belgique parce qu’elles souhaitent se rendre au Royaume-Uni. Dans certains cas, l’introduction d’une telle demande impliquerait, conformément au Règlement Dublin, un retour vers l’Italie qui autorise aussi, dans certains cas, le renvoi vers le Soudan.
- Enfin, la Belgique assume largement sa part de solidarité dans un souci de dignité et d’humanité. La protection internationale a en effet été accordée chez nous à (source: CGRA) :
- 10.783 personnes en 2015 ;
- 15.478 personnes en 2016 ;
- 12.679 personnes de janvier à novembre 2017.
En outre, le gouvernement depuis 3 ans délivre bien davantage de visas humanitaires que sous les législatures précédentes : 1.616 en 2017 jusqu’à fin septembre ; 1.185 en 2016 ; 849 en 2015 (contre 208 en 2014 ; 270 en 2013 ; 211 en 2012 ; 270 en 2011 et 357 en 2010).
Voici les éléments objectifs très éloignés des caricatures et simplismes, dans tous les sens, qui peuvent abîmer l’image et la crédibilité de notre pays. Chaque fois que je l’ai jugé nécessaire, j’ai appelé cette exigence de responsabilité et de nuance qui vaut pour l’opposition et la majorité.
En 2016 aussi, un autre dossier de migration avait suscité de vifs débats et des attaques dures contre le gouvernement. Une famille syrienne avait introduit une demande de visa court séjour expressément motivée par l’objectif de venir en Belgique pour y introduire une demande d’asile. Dans une affaire similaire, la Cour de justice de l’Union européenne a rendu un arrêt en mars 2017 en donnant raison sur la toute la ligne à la position défendue par le Gouvernement belge. La Commission européenne et 13 pays européens avaient d’ailleurs soutenu la Belgique dans cette procédure. Cette décision a été suivie... du silence assourdissant des acteurs comme des commentateurs qui avaient pourtant nourri avec hargne la polémique contre le gouvernement quelques semaines plus tôt.
La presse a rapporté des faits de maltraitance et de torture lors de retours au Soudan. Mesurant la gravité de ces allégations, le lancement d’une enquête a été immédiatement décidé. Elle doit être indépendante et à dimension européenne et internationale. Il s’agit de faire la clarté et de permettre l’information transparente pour le Parlement. Ce n’est - fort logiquement - qu’après le résultat de cette enquête que les appréciations politiques pourront être évaluées en connaissance de cause. Dans l’attente des résultats, espérés pour janvier, j’ai annoncé qu’il n’y aurait pas de rapatriements vers le Soudan.
Je souhaite aussi saluer le travail des différents services administratifs, policiers et judiciaires confrontés au quotidien à des situations humaines souvent douloureuses et complexes. Je sais qu’ils veillent à appliquer de bonne foi les lois belges, européennes et internationales. Ils sont les moteurs de notre Etat de droit.
La dignité des personnes concernées doit être au cœur de toutes les décisions. Dans un souci de justice et d’humanité.
C’est dans ce cadre que chaque semaine, le gouvernement rend compte au parlement.
Nous maintiendrons le cap pour une politique humaine et ferme. Avec le sens de la nuance et des responsabilités.
Vous pouvez compter sur ma détermination.
Charles Michel
Premier Ministre
Libération/Laurent Joffrin
Gaat Corsica Catalonië achterna? De verschillen.
Edited: 201712041813
De Barcelone à Ajaccio
La Corse comme la Catalogne ? Cela y ressemble, mais c’est très différent. Certes, les nationalistes ont remporté un succès éclatant en frisant la majorité absolue au premier tour de ces élections régionales (avec une très forte abstention, toutefois) ; certes, l’idée d’indépendance progresse sans cesse en Corse ; certes, les autonomismes et les dissidences émergent partout en Europe ; certes, la Corse n’est pas tout à fait en France (elle est loin, près de l’Italie, elle a gardé sa personnalité malgré l’annexion violente survenue un peu avant la Révolution) ; deux siècles d’intégration républicaine minée par le clientélisme clanique ne l’ont pas effacée comme tant de régions françaises.
Mais les différences sautent aux yeux. A l’inverse de la Catalogne, la Corse est plus pauvre que le reste du pays ; les aides venues de Paris jouent un rôle important dans son économie, même si elle n’est pas «sous perfusion», comme on le dit abusivement (son économie progresse, notamment grâce au tourisme) ; aussi bien, malgré le vote d’hier, personne ne peut affirmer que les Corses veulent couper les ponts avec la France ; il y faudrait un référendum, que les nationalistes sont loin d’avoir gagné d’avance pour la bonne raison qu’on peut parier, dans ce cas, sur une participation beaucoup plus importante ; enfin les vainqueurs, Talamoni et Simeoni, sont des indépendantistes… qui ne veulent pas l’indépendance. En tout cas pas maintenant. Ajaccio est loin de Barcelone…
Pas de panique républicano-patriote, donc. Le grand avantage dans cette affaire, c’est que le nationalisme corse a déposé les armes. Comme toujours, le terrorisme a échoué : c’est l’action politique qui permet aux revendications d’avancer. L’île n’est pas pacifiée pour autant : le banditisme y sévit à un niveau extravagant. Mais au moins, il n’y a plus d’attentats. Les nationalistes vont maintenant pousser les feux vers une plus grande autonomie, ce qui peut se comprendre : la majorité des grandes îles de la Méditerranée ont un statut à part. Langue corse, transfèrement des prisonniers, statut de résident corse : on va négocier. Les mots remplacent les balles, les orateurs sonores – il y a une éloquence corse, spécifique – prennent la suite des tueurs microcéphales. Dans cette approche réformiste, l’indépendance reste un mythe lointain qui laisse l’avenir ouvert. Si le triomphe nationaliste ne débouche pas sur une intolérance c oupable à l’égard de ce qui n’est pas corse (les musulmans, les pinzutti, les étrangers) et qu’on sent parfois dans les motivations des électeurs on aura progressé. Indépendance ou pas.
Et aussi
On dit parfois que les élections n’ont guère d’effet sur la marche des nations, que la politique n’a plus guère d’influence sur la société. En remportant son premier succès législatif, Trump démontre le contraire. Sa réforme fiscale, qui a passé l’obstacle du Sénat et devrait franchir sans trop de mal celui de la Chambre de Représentants, marquera l’histoire économique et sociale du pays.
Baisse de l’impôt sur les sociétés, simplification fiscale profitant d’abord aux plus hauts revenus : le capitalisme américain est exonéré massivement ; les plus riches seront à terme encore plus riches ; la lutte contre les paradis fiscaux est affaiblie. Au passage, Trump et les républicains ont dézingué un peu plus l’Obamacare (qui ressemble désormais à une peau de chagrin), ont autorisé les forages en Alaska et introduit quelques clauses protectionnistes bien senties. Les Etats-Unis, au terme de ce traitement de cheval, seront plus que jamais le continent des milliardaires et des inégalités. Trump est un Reagan isolationniste. Décidément, le clown de la Maison Blanche ne fait pas rire. Pendant la campagne, Trump devait aider la classe moyenne et les oubliés de la mondialisation : il vole au secours du capital et des classes supérieures. Le populisme, décidément, est le moyen le plus sûr de tromper le peuple.
Avaaz
stop de ivoorhandel. Laat je stem horen !
Edited: 201712031035










Europa heeft net een openbare hoorzitting gelanceerd over een totaalverbod op ivoorhandel!

Geldbeluste ivoorhandelaren doen hun best om de handel levend te houden, maar als we massaal oproepen tot een verbod kunnen we dit winnen.

Avaaz zal onze reacties via de officiële weg inzenden. Iedere stem telt! Door genoeg reacties in te sturen kunnen we een verbod op de ivoorhandel afdwingen -- en voorkomen dat deze prachtige dieren uitsterven.



stem hier door een simpele klik
LT
Biechtgeheim: strafrecht botst met kerkelijk recht
Edited: 201711151431
Art. 422bis. Met gevangenisstraf van acht dagen tot (een jaar) en met geldboete van vijftig [euro] tot vijfhonderd [euro] of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen.
Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was.
(De straf bedoeld in het eerste lid wordt op twee jaar gebracht indien de persoon die in groot gevaar verkeert, minderjarig is of een persoon is van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was.)

Art. 422ter. Met de straffen in het vorige artikel bepaald wordt gestraft hij die, hoewel hij in staat is het te doen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, weigert of nalaat aan iemand die in gevaar verkeert, de hulp te bieden waartoe hij wettelijk wordt opgevorderd; hij die, hoewel daartoe in staat, weigert of nalaat het werk of de dienst te doen of de hulp te verlenen waartoe hij wordt opgevorderd bij ongeval, beroering, schipbreuk, overstroming, brand of andere rampen, evenals in geval van roverij, plundering, ontdekking op heterdaad, vervolging door het openbaar geroep of van gerechtelijke tenuitvoerlegging.

Art. 422quater. In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en 422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.











Bron: Codex Juris Canonici



Pietro Longhi (Venezia, 1702-1785), La Confessione, Firenze, Uffizi
Avaaz
Petitie Avaaz tegen belastingparadijzen. Hebt u al getekend?
Edited: 201711111054

Aan president Mauricio Macri en alle leiders van de G20:
De economische ongelijkheid heeft een ontstellend niveau bereikt -- 8 mensen bezitten evenveel vermogen als de helft van de wereldbevolking.

En deze kloof wordt steeds groter, mede dankzij de obscure wereld van belastingparadijzen waarin miljarden aan onze economieën worden onttrokken. De rijken worden rijker en de rest betaalt de prijs.

Acht jaar geleden sprak de G20 af een einde te maken aan deze praktijken. Het is tijd om deze afspraak na te komen. Wij roepen u op om onmiddelijk een einde te maken aan belastingparadijzen en ervoor te zorgen dat zij die ze mogelijk maken verantwoordelijk worden gehouden.

Niemand zou mogen ontkomen aan de plicht om belasting te betalen en bij te dragen aan het algemeen belang. Het is uw verantwoordelijkheid om daarop toe te zien. Wij, burgers van over de hele wereld, eisen dat u in actie komt.

Hoogachtend,

teken hier



TESSENS Lucas
Postpunten kunnen vloed van pakjes niet langer aan
Edited: 201711091209
Gisteren werd er in het postpunt van Carrefour Pulhof (Berchem/Antwerpen) gestaakt tegen de overlast die het postpunt in de supermarkt veroorzaakt.
Wij zijn persoonlijk getuige van de onhoudbare toestand. Het postpunt kraakt in zijn voegen en dat is al een paar jaar zo. De kassiersters zien het postpunt als een strafkamp van 12 (twaalf!) vierkante meter.
Bpost, bij monde van woordvoerster Barbara Van Speybroeck, zegt verbaasd te zijn. Voor mij betekent dat dat Bpost zijn eigen infrastructuur/distributieketen niet kent. Maar ja, het kind moet ook maar zeggen wat ze haar voorkauwen.

Avaaz lanceert campagne tegen ivoorhandel Hong Kong
Edited: 201710310049
Aan de Wetgevende Raad van Hong Kong:
Wij roepen u op om de verkoop, handel en export van onbewerkt ivoor per direct te verbieden. De overlevingskans van wilde olifanten hangt af van het per direct sluiten van Hong Kongs ivoormarkt!

Hong Kongs ivoorhandel heeft een treurig dieptepunt bereikt: voor één scheepslading werden 1000(!) olifanten gedood. En dat allemaal voor snuisterijen op een boekenplank.

Hong Kong is een soort olifantenkerkhof -- waar de handel in hun lichaamsdelen booming business is. En zolang dat legaal is zullen nog veel van deze adembenemende dieren sneuvelen -- ze zouden zelfs over 10 jaar van de aardbodem verdwenen kunnen zijn!

De overheid van Hong Kong wil deze bloederige handel nu verbieden, maar lobbyisten gooien alles in de strijd om dit tegen te houden. Als wij ons allemaal uitspreken kunnen we de lobbyisten overstemmen, en de overheid de steun geven die ze nodig heeft. Dit zou duizenden olifanten kunnen redden.
LT
France 2 brengt nieuwe reportage van Benoît Collombat over de affaire Boulin. De minister van arbeid werd vermoord in de nacht van 29 op 30 oktober 1979.
Edited: 201710262207
De Bende van Nijvel is een enigma in de Belgische criminele (en politieke?) geschiedenis. De diefstal van De Rechtvaardige Rechters en de moord op Lahaut zijn twee andere voorbeelden van zaken die de media blijven beroeren.

De affaire Boulin is zeker en vast een afrekening binnen het rechtse kamp van de Franse politiek. Het onderzoek werd in 2015 heropend maar intussen zijn een aantal kroongetuigen overleden. De familie Boulin blijft aandringen op een snelle afhandeling. Het gerecht talmt.

zie ook

chronologie affaire Boulin
Nieuws
Alstom en Siemens fuseren rail-activiteiten (MOU) - Grote brok voor grote appetijt?
Edited: 201709301214


Volgens de 1M van Frankrijk, Edouard Philippe, moet de fusie leiden tot een grotere Europese rail-groep die moet kunnen opboksen tegen de concurrentie van China.
Commentaar: Ik zie niet in hoe een schaalvergroting een voordeel zou kunnen zijn, gegeven de significant lagere productiekosten in China. Het conglomeraat Siemens/Alstom wordt eerder een aantrekkelijker prooi voor de grote appetijt van de Chinese investeerders (of Big Players die zich voor Chinezen laten doorgaan). En dus is het best mogelijk dat Siemans/Alstom binnen enkele jaren opgeslokt wordt door het netwerk van de Big Players.

Hieronder het perspericht van Alstom, vrijgegeven op 26/9/2017.

Siemens and Alstom join forces to create a European Champion in Mobility
26/09/2017
Signed Memorandum of Understanding grants exclusivity to combine mobility businesses in a merger of equals
Listing in France and group headquarters in Paris area; led by Alstom CEO with 50 percent shares of the new entity owned by Siemens
Business headquarter for Mobility Solutions in Germany and for Rolling Stock in France
Comprehensive offering and global presence will offer best value to customers all over the world
Combined company’s revenue €15.3 billion, adjusted EBIT of €1.2 billion
Annual synergies of €470 million expected latest four years after closing
Today, Siemens and Alstom have signed a Memorandum of Understanding to combine Siemens’ mobility business including its rail traction drives business with Alstom. The transaction brings together two innovative players of the railway market with unique customer value and operational potential. The two businesses are largely complementary in terms of activities and geographies. Siemens will receive newly issued shares in the combined company representing 50 percent of Alstom’s share capital on a fully diluted basis.

“This Franco-German merger of equals sends a strong signal in many ways. We put the European idea to work and together with our friends at Alstom, we are creating a new European champion in the rail industry for the long term. This will give our customers around the world a more innovative and more competitive portfolio”, said Joe Kaeser, President and CEO of Siemens AG. “The global market-place has changed significantly over the last few years. A dominant player in Asia has changed global market dynamics and digitalization will impact the future of mobility. Together, we can offer more choices and will be driving this transformation for our customers, employees and shareholders in a responsible and sustainable way”, Kaeser added.

“Today is a key moment in Alstom’s history, confirming its position as the platform for the rail sector consolidation. Mobility is at the heart of today’s world challenges. Future modes of transportation are bound to be clean and competitive. Thanks to its global reach across all continents, its scale, its technological know-how and its unique positioning on digital transportation, the combination of Alstom and Siemens Mobility will bring to its customers and ultimately to all citizens smarter and more efficient systems to meet mobility challenges of cities and countries. By combining Siemens Mobility’s experienced teams, complementary geographies and innovative expertise with ours, the new entity will create value for customers, employees and shareholders,” said Henri Poupart-Lafarge, Chairman and Chief Executive Officer of Alstom SA. “I am particularly proud to lead the creation of such a group which will undoubtedly shape the future of mobility.”

The new entity will benefit from an order backlog of €61.2 billion, revenue of €15.3 billion, an adjusted EBIT of €1.2 billion and an adjusted EBIT-margin of 8.0 percent, based on information extracted from the last annual financial statements of Alstom and Siemens. In a combined setup, Siemens and Alstom expect to generate annual synergies of €470 million latest in year four post-closing and targets net-cash at closing between €0.5 billion to €1.0 billion. Global headquarters as well as the management team for rolling stock will be located in Paris area and the combined entity will remain listed in France. Headquarters for the Mobility Solutions business will be located in Berlin, Germany. In total, the new entity will have 62,300 employees in over 60 countries.

As part of the combination, Alstom existing shareholders at the close of the day preceding the closing date, will receive two special dividends: a control premium of €4.00 per share (in total = €0.9 billion) to be paid shortly after closing of the transaction and an extraordinary dividend of up to €4.00 per share (in total = €0.9 billion) to be paid out of the proceeds of Alstom’s put options for the General Electric joint ventures of approximately €2.5 billion subject to the cash position of Alstom. Siemens will receive warrants allowing it to acquire Alstom shares representing two percentage points of its share capital that can be exercised earliest four years after closing.

The businesses of the two companies are largely complementary. The combined entity will offer a significantly increased range of diversified product and solution offerings to meet multi-facetted, customer-specific needs, from cost-efficient mass-market platforms to high-end technologies. The global footprint enables the merged company to access growth markets in Middle East and Africa, India, and Middle and South America where Alstom is present, and China, United States and Russia where Siemens is present. Customers will significantly benefit from a well-balanced larger geographic footprint, a comprehensive portfolio offering and significant investment into digital services. The combination of know-how and innovation power of both companies will drive crucial innovations, cost efficiency and faster response, which will allow the combined entity to better address customer needs.

The Board of Directors of the combined group will consist of 11 members and will be comprised of 6 directors designated by Siemens, one of which being the Chairman, 4 independent directors and the CEO. In order to ensure management continuity, Henri Poupart-Lafarge, will continue to lead the company as CEO and will be a board member. Jochen Eickholt, CEO of Siemens Mobility, shall assume an important responsibility in the merged entity. The corporate name of the combined group will be Siemens Alstom.

The envisaged transaction is unanimously supported by Alstom’s board (further to a review process of the preparation of the transaction by the Audit Committee acting as an ad hoc committee) and Siemens’s supervisory board. Bouygues fully supports the transaction and will vote in favor of the transaction at the Alstom’s board of directors and at the extraordinary general meeting deciding on the transaction to be held before July 31, 2018, in line with Alstom board of director decision. The French State also supports the transaction based on undertakings by Siemens, including a standstill at 50.5 percent of Alstom’s share capital for four years after closing and certain governance and organizational and employment protections. The French State confirms that the loan of Alstom shares from Bouygues SA will be terminated in accordance with its terms no later than October 17, 2017 and that it will not exercise the options granted by Bouygues. Bouygues has committed to keep its shares until the earlier of the extraordinary general meeting deciding on the transaction and July 31, 2018.

In France, Alstom and Siemens will initiate Works Councils’ information and consultation procedure according to French law prior to the signing of the transaction documents. If Alstom were not to pursue the transaction, it would have to pay a €140 million break-fee. The transaction will take the form of a contribution in kind of the Siemens Mobility business including its rail traction drives business to Alstom for newly issued shares of Alstom and will be subject to Alstom’s shareholders’ approval, including for purposes of cancelling the double voting rights, anticipated to be held in the second quarter of 2018. The transaction is also subject to clearance from relevant regulatory authorities, including foreign investment clearance in France and anti-trust authorities as well as the confirmation by the French capital market authority (AMF) that no mandatory takeover offer has to be launched by Siemens following completion of the contribution. Closing is expected at the end of calendar year 2018.

de geschiedenis van Siemens

histoire d'Alstom France
La France Insoumise
Paris: marche du 23 septembre contre le coup d'État social
Edited: 201709231400


Le samedi 23 septembre 2017, 150 000 personnes se sont rassemblées place de la République pour s'opposer au coup d'État social d'Emmanuel Macron. Jean-Luc Mélenchon a expliqué que la bataille contre les ordonnances de Macron ne faisait que commencer et a appelé la jeunesse à se mobiliser. Il a lancé un appel aux organisations syndicales pour qu'elles prennent la tête d'une ample mobilisation à laquelle les insoumis apporteront leur appui.

In het Nieuws van de VRT geen woord hierover !
Statista
Australië kampt met overbevolking ... van kangoeroes
Edited: 201709160010
MÉLENCHON : «M. MACRON EST LE PRÉSIDENT DES RICHES»
Edited: 201705301250
Le mardi 30 mai 2017, Jean-Luc Mélenchon tenait une conférence de presse sur les élections législatives. Il a regretté que, dans cette campagne, les débats de fond ne puissent être traités. Il a en particulier évoqué l'augmentation de la CSG prévue par Emmanuel Macron, qui va ponctionner 20 milliards d'euros dans les poches des Français. Jean-Luc Mélenchon a également décrit le « système poutinien » qui s'articule autour du nouveau président de la République, avec la présence de nombreux oligarques issus des lobbies installés dans les cabinets ministériels.
Lettre de Jean-Luc Mélenchon
Edited: 201705061061
Sans être forcément d’accord sur tous les sujets, je crois que nous réagissons de la même façon : on ne peut vivre heureux au milieu d’une marée montante de misère ou de gêne. On ne peut vivre content quand des ouvriers qui défendent leur emploi sont condamnés à de la prison ferme. Surtout quand de puissants personnages restent impunis. On n’accepte plus l’aveuglement dans le productivisme alors que le réchauffement climatique a commencé. On n’aime pas baisser les yeux quand on voit notre pays à la remorque des États-Unis d'Amérique entrer dans la logique de guerre tous azimuts. Ou quand nos dirigeants se font mener par le bout du nez par madame Merkel. Ou quand la France doit demander la permission d’adopter son budget à d’ineptes bureaucrates à Bruxelles. Nous ne supportons plus qu’on se paye de mots avec la République et ne voir partout que des monarques, petits et grands, usent du pouvoir comme d'un privilège personnel. Monarchie présidentielle, richesses produites par le travail de tous accaparées par une poignée d’oligarques, inégalités révoltantes, communautarisme haineux, l’argent maître de toutes décisions, non, ca ne peut plus durer. Nous nous rebellons. Notre vote peut profondément changer le cours des choses. Sinon quoi ?
L’action collective est notre force. Nous allons affronter d’acides campagnes de dénigrements et de falsifications, des flots d’argent, des pluies de sondages improbables, un concert médiatique permanent pour faire de cette élection une nouvelle fois une comédie personnalisée sans perspectives. Tout sera fait pour nous écarter du seul but qui nous motive : permettre à chacun de mener une vie vraiment humaine, libérée de l’angoisse du lendemain, sur une planète respectée, et dans un monde pacifique. Une utopie ? Non, c’est le seul projet raisonnable compte tenu de la situation actuelle et du futur qui nous est annoncé. On peut y parvenir. Cela dépend de nous. Nous ne nous laisserons pas voler l’élection la plus importante de notre pays. Nous ne voulons pas permettre qu’elle se résume à une nouvelle comédie de querelles superficielles entre gens qui, de toute façon, appliquent les mêmes politiques et adoptent les mêmes mœurs monarchiques dès qu’ils sont au pouvoir.
Les malheurs dans lesquels s’enfonce le pays ne tombent pas du ciel. Ce sont les résultats concrets de politiques froidement décidées. Elles sont menées au service de la finance dans toute l’Europe, sous la main de fer de la Commission européenne, en application des traités européens imposés aux Français par supercherie ! Nicolas Sarkozy hier, avec ses gouvernements du centre, de la droite et des transfuges du PS, est coupable. François Hollande, ensuite, avec ses gouvernements PS/EELV où siégeaient notamment MM. Macron, Valls et autres, qui ont mutilé la vie de millions de personnes, sont coupables. Ils ont abaissé le pays et piétiné nos principes républicains les plus essentiels. Le coup de balai a commencé. Les deux anciens présidents ont été sortis. Ne laissons pas leurs anciens ministres et premier ministre continuer leurs politiques ! Tous comptent sur l’épouvantail Le Pen pour vous faire abandonner vos convictions à la porte du bureau de vote au premier comme au deuxième tour. Ils sont très forts quand tout le monde a peur. Peur de tout, et même d’eux quand le dégoût qu’ils inspirent pousse à l’abstention.
Agir dès maintenant c’est refuser de se laisser intimider.
L’année 2017 est propice à l’action. Nous votons le 23 avril et le 7 mai, nos voisins allemands en septembre. Tout peut changer. Surtout que les présidents de l’Europe ont décidé de rédiger un nouveau traité européen…Et que cette année verra aussi présenter la ratification des accords de libre-échange avec le Canada (CETA) et les Etats-Unis (TAFTA).
Mettons-nous donc au travail. Il s’agit d’enraciner solidement notre rebellion. Pour cela il faut accumuler des fonds et des participants à l’action. N’attendez pas les consignes pour agir. Faites ce que vous trouverez de plus utile et convaincant pour élargir le nombre de ceux qui peuvent nous rejoindre et nous aider. Chacun peut rejoindre un groupe d’appui dans son quartier, son entreprise, son université ou en constituer un s’il n’en existe pas encore. Bref là où on vit sa propre vie, là où l’on rencontre les autres. Rejoindre un groupe d’appui n’est pas obligatoire. Mais c’est indispensable pour que vous soyez informés des actions et initiatives à côté de chez vous.
Mais vous pouvez aussi trouver sur ce site des idées à mettre en œuvre, des projets auxquels participer. N’oubliez pas de proposer vos talents ou vos savoirs faire professionnels, tout cela est très précieux. Plus il y aura de signataires plus nous serons forts en ressources, imagination, dévouement. Plus nous aurons de dons, mêmes petits, plus libres nous serons. Car s’ils ont les millions, nous sommes nous des millions !
Il nous faut à la fois convaincre et entraîner. L’idée essentielle c’est de s’adresser au plus grand nombre de ceux qui nous entourent. Notre but est de leur rendre le goût du futur.
Fidèlement,


PEETERS Koen
De mensengenezer
Edited: 201704070961
De Bezige Bij
256 pp.
19,99 EUR
Over zijn nieuwe boek: "Ik geloof dat de mens een sympathiek defect wezen is, getekend door Eros en Thanatos en dat er - helaas voor ons - amper progressie is. Elke generatie begint opnieuw met het uitvinden van de mensheid en elke cultuur, ook de westerse, heeft zijn gebreken. Toch zijn er mensen die dat inherente gebrek op een juiste manier kunnen bolsteren, waardoor ze meer zichzelf zijn en anderen naar hen luisteren. Geen grote wereldverbeteraars dus, maar kleine mensengenezers." (Sdl, 6, 7/4/2017)
ERDOGAN
'Neem niet drie, maar vijf kinderen'
Edited: 201703171265
Die boodschap had Erdogan vrijdag tijdens een campagnebijeenkomst in het westen van Turkije aan landgenoten die in Europa verblijven. Volgens de Turkse president kunnen Turken zo hun invloed vergroten.
'Daar waar u werkt en woont, daar is nu uw vaderland. Richt meer bedrijven op. Stuur uw kinderen naar betere scholen. Laat uw familie in betere wijken wonen. Stap in de beste auto's. Ga in de mooiste huizen wonen', zei Erdogan nog.
wiki
PAN renaît
Edited: 201703111267
PAN était un hebdomadaire satirique belge en langue française paraissant le mercredi à Bruxelles. Le 11 mars 2017, son propriétaire a annoncé sa reparution à partir du 15 avril 2017. Il paraîtra désormais le vendredi.

Créé en 1945 sur le modèle du Canard enchaîné dont il avait gardé les couleurs, le rouge et le noir, mais en quatre pages seulement, Pan paraissait le mercredi et abordait avant tout les questions politiques belges sous l'angle de la satire. Au contraire du Canard, toutefois, les journalistes de Pan ne signaient leurs articles que d'un pseudonyme - comportant le mot "pan" (Pandémonium, Pantalon, Pandecte, Pan Bagnat, etc.) Parmi les fondateurs, le chansonnier Léo Campion, libre-penseur, anarchiste et franc-maçon. Mais celui-ci dut assez vite se séparer du journal, sa carrière de chansonnier l'emmenant à Paris.

Cependant, en partant, Léo Campion léguait à Pan un esprit irrévérencieux qui ne quitta jamais le journal. Malgré cela, ou sans doute à cause de cela, les hommes politiques se plongeaient tous les mercredis dans les quatre pages de Pan où foisonnaient les caricatures, les plaisanteries et les jeux de mots (certains inspirés par le dialecte bruxellois, ce qui les rendait compréhensibles d'une catégorie restreinte d'initiés). Dans ses dernières années, Pan dut affronter une dissidence qui se mit à publier Père Ubu. Sans doute, pour garder sa prééminence, Pan se mit alors à organiser chaque année la cérémonie de remise des "Pandores", des prix qui allaient aux diverses têtes de turc que le journal s'était choisies. C'est de bonne grâce que les victimes se pressaient à cette parodie des Oscars et autres Césars, car être cité dans Pan était un brevet de célébrité. Ce phénomène est le même que celui qui faisait se précipiter la classe politique et le public sur le Pourquoi Pas?, autre hebdomadaire satirique, représentatif d'une presse belge qui n'avait pas encore subi l'influence du style "international".

En 2004, Pan fut racheté par Dominique Janne. Il se sépara rapidement du rédacteur en chef André Gilain, et le journal redéfinit sa ligne éditoriale avec l'arrivée de Nicolas Crousse, un ex-journaliste du quotidien progressiste Le Matin disparu en 1998. Par la suite, Crousse laissera sa place de rédacteur en chef à Thomas-Pierre Gerard.

Le 14 mai 2010, l'hebdomadaire belge Trends-Tendances annonçait le rachat de Pan par son concurrent Père Ubu et la fusion des deux titres en un seul, à savoir Père Ubu, sous le slogan "Père UBU, l'hebdo qui fait PAN dans le mille tous les jeudis". Le titre se modifia ensuite en "Père Ubu - Pan"

Le 11 mars 2017, le propriétaire des marques Père Ubu et Pan a annoncé qu'il mettait fin à l'hebdo Ubu-Pan qu'il n'était « jamais parvenu à débarrasser […] de cette image d’extrême droite anti-PS et anti-immigrés » et qu'il relançait le magazine PAN, désormais aussi en numérique, à partir du 15 avril, sous la direction de l'écrivain, blogueur, chroniqueur et scénariste Marcel Sel.

voir notre collection Pan et le livre sur l'histoire de Pan


Pan selon le CRISP
Nieuws
België/Gent: een huis kraken is geen inbraak.
Edited: 201703111209
Gevolg: u kunt maar beter niet meer op reis gaan.

Burgemeester Termont beweert dat hij niks kan doen.
Dan kan je maar beter opstappen, zou ik zo denken.
Als zijn huis gekraakt wordt, gaat hij dan op een camping wonen?

De stelling van de burgemeester is er een van plat legalisme: als er geen wet over bestaat dan kan ik niks doen. Hij vergeet dat het zijn wettelijk voorgeschreven taak is de orde te verzekeren en de veiligheid van de burgers te garanderen. Voor elk optreden zich willen laten indekken door een uitspraak van de rechterlijke macht (in dit geval de vrederechter) getuigt niet van politieke moed.

In de berichtgeving over deze zaak wordt zonder enige bewijsvoering geponeerd dat de krakers het slot van de woning niet hebben geforceerd. Welk type onderzoek werd er gedaan om die bewering hard te maken?


FILLON François
Fillon blijft gaan - LR schaart zich unaniem (?) achter hem
Edited: 201703070013
Een en ander mag niet verwonderen: het campagnegeld - zo'n 6 miljoen euro - is immers opgesoupeerd.
Affaire Bygmalion : Nicolas Sarkozy renvoyé en procès dans l'enquête sur le financement de sa campagne de 2012
Edited: 201702071118
FRance 3
Jean-Luc Mélenchon: documentaire
Edited: 201701302040
Lundi 30 janvier, était diffusé sur France 3 le documentaire «Jean-Luc Mélenchon, l'homme qui avançait à contre courant», réalisé par Gérard Miller et Anaïs Feuillette. Ils ont pu suivre Jean-Luc Mélenchon pendant plusieurs mois de campagne (dès juin 2016) pour faire ce portrait du candidat de la France insoumise. Ils montrent comment dans cette campagne, Jean-Luc Mélenchon mène sa stratégie politique pour fédérer le peuple autour de «L'Avenir en commun», programme de la France insoumise.
KAREL CAMBIEN17 JANUARI 2017
ISABEL ALBERS VAN HOT NAAR HER
Edited: 201701171861
De carrière van de West-Vlaamse Isabel Albers in de media maakt gekke sprongen. Maar sowieso blijft het hard gaan. De voormalige hoofdredacteur van De Tijd gaat aan de slag als redactiedirecteur bij Mediafin, uitgever van De Tijd. Terug naar haar oude liefde dus. Ze moet de publicaties vooral digitaal en multimediaal begeleiden. Ze neemt haar nieuwe functie op per 1 februari. Mediafin is de uitgever van de zakenkranten De Tijd en L’Echo en de beleggersbladen De Belegger/L’Investisseur. De positie van redactiedirecteur was vrij sinds Frederik Delaplace op 1 januari Dirk Velghe opvolgde als CEO van Mediafin. Isabel Albers is de voormalige hoofdredactrice van De Tijd maar ging het voorbije jaar aan de slag bij De Persgroep (uitgever van onder meer Het Laatste Nieuws). Isabel Albers is karig met haar commentaar: “Frederik Delaplace vroeg me om hem op te volgen als redactiedirecteur van De Tijd en L’Echo toen hij zelf CEO werd. Ik heb mijn hart gevolgd. Ik zal ook een aantal projecten voor de groep blijven begeleiden.

Haar passage als hoofdredacteur bij Het Laatste Nieuws zal finaal van korte duur zijn geweest. Na amper drie weken werd ze binnen De Persgroep ook overkoepelend zakelijk-journalistiek directeur van Het Laatste Nieuws, De Morgen, Humo en Topics, ofte journalistiek directeur bij De Persgroep, dat voor 50 procent aandeelhouder is van Mediafin. Albers zegt nog dat er bij de Persgroep “een mooi afgerond plan op tafel ligt waarop verder kan worden gebouwd”.

Bron: Made-in-West-Vlaanderen (20170117)

zie ook
World inequality
Edited: 201701161104
In the run-up to the Davos meeting hosted by the World Economic Forum in Switzerland, observers have pointed out that the success of nationalist populism around the world might be connected to rising inequality. According to Oxfam, the richest eight people own as much as the whole poorer half of the world’s population.

Infographic: The World's Staggering Wealth Divide | Statista
ONFRAY Michel
Décadence
Edited: 201701111111

Chacun connaît les pyramides égyptiennes, les temples grecs, le forum romain et convient que ces traces de civilisations mortes prouvent... que les civilisations meurent - donc qu'elles sont mortelles ! Notre civilisation judéo-chrétienne vieille de deux mille ans n'échappe pas à cette loi.

Du concept de Jésus, annoncé dans l'Ancien Testament et progressivement nourri d'images par des siècles d'art chrétien, à Ben Laden qui déclare la guerre à mort à notre Occident épuisé, c'est la fresque épique de notre civilisation que je propose ici.

On y trouve: des moines fous du désert, des empereurs chrétiens
sanguinaires, des musulmans construisant leur « paradis à l'ombre des
épées», de grands inquisiteurs, des sorcières chevauchant des balais,
des procès d'animaux, des Indiens à plumes avec Montaigne dans les rues
de Bordeaux, la résurrection de Lucrèce, un curé athée qui annonce la
mort de Dieu, une révolution jacobine qui tue deux rois, des dictatures de
gauche puis de droite, des camps de la mort bruns et rouges, un artiste
qui vend ses excréments, un écrivain condamné à mort pour avoir écrit
un roman, deux jeunes garçons qui se réclament de l'islam et égorgent
un prêtre en plein office - sans parler de mille autres choses ...

Ce livre n'est ni optimiste ni pessimiste, mais tragique car, à cette heure,
il ne s'agit plus de rire ou de pleurer, mais de comprendre.
(src = Amazon)
Turkish Minute / BOZKURT Abdullah
Erdogan’s fifth column in Europe
Edited: 201612040965
Abdullah Bozkurt

The plain, simple and bitter truth is that Turkey’s Islamist rulers have supported and maintained parallel networks in Europe; thrown political, diplomatic and financial support to front NGOs whose role is to promote hatred; and run a campaign of intimidation and curtailed free speech in European nations that are home to large Turkish and Muslim expatriate communities.

Delivering a very passionate speech last month at the European Parliament, Guy Verhofstadt, president of the Alliance of Liberals and Democrats for Europe, called this a fifth column that is being operated by the cronies of autocratic president Recep Tayyip Erdoğan to undermine Europe from within. He called on lawmakers to fight for European values and send a strong message to Erdoğan by freezing the accession talks with Turkey, which will most likely threaten this autocrat’s economic lifeline.

Turkey’s top Islamist has been secretly organizing clandestine networks in Europe to extend his influence and to create a network of supporters among Turkish and Muslim communities (especially from Egypt, Syria, Somalia and the Balkans) that could be called to serve the political goals of Erdogan. Just last week, we saw how this network was mobilized by Erdoğan in Germany, Belgium, Austria and Luxembourg where crowds gathered to show their support for this autocrat’s goals. The drive ran in parallel with similar rallies held by youth and women’s branches of the ruling Justice and Development Party (AKP) in front of the embassies of these countries in Ankara. With this showdown, Erdoğan hopes that the EU will give in on critical issues where the EU has shown resistance.

As opposed to a constructive engagement that would help Turkish and Muslim immigrant communities to better integrate with host nations, Erdoğan’s plan is rather based on playing a “spoiler card” in the heart of Europe by creating a groundswell of public support that will be difficult to restrain when push comes to shove. For that, he funds shell companies to run the fuel line for these networks and even pours in cash from a secret stash of state discretionary funds using the diplomatic pouch. It is not surprising to see that some European politicians including several EU lawmakers were hooked by this. Some have already been exposed by name and shamed publicly, while others are waiting their turn as confidential investigations close in. These Erdoğan apologists, who are now paying their dues by taking a position against his critics and opponents, will be sidelined and marginalized.

The heavyweights in Erdoğan’s fifth column in Europe comprise three major organizations that were set up on political and religious grounds to cater to different constituencies. There are hundreds of other NGOs clustered around these big boys that move in unison when given orders. In addition to raising funds and local recruitment, they are well financed by the Turkish government and supported diplomatically and politically. To volunteers they offer perks such as facilitation of their business and family dealings in the motherland, or positions in the Turkish government or government-linked institutions for their relatives. For Erdoğan critics, they run an intimidation campaign by profiling them and alerting authorities back in Turkey so that friends and families face repression and even jail time.

The easiest way to discern the pattern among these NGOs and Erdoğan’s political machinations is by looking at how they quickly pile on when Erdoğan wants. The first organization is the Union of European Turkish Democrats (UETD), founded in Germany in 2004 but later expanded to other European countries — France, Belgium, Austria, Netherlands and the UK. It has been totally transformed into an Islamist grassroot base for Erdoğan. The organization, working closely with Turkish embassies, is an important vehicle in delivering results for Erdoğan from get-out-to-vote campaigns to lobbying activities in European capitals. Turkish government officials are encouraged to spare time to meet and attend events organized by the UETD when they go to Europe. President Erdoğan’s travel itinerary often includes a meeting with UETD officials on the sidelines of his official visits.

While the UETD focuses exclusively on Turkish expat communities, the Union of NGOs of the Islamic World (UNIW), another NGO set up by Turkish Islamist rulers in 2005, actively works among Muslim communities in Europe and other continents. Among its members are controversial charity groups such as International Humanitarian Relief (IHH), accused of arms smuggling to rebels in Syria, and the Ensar Foundation, which was involved in a spree of rapes of dozens of children in the conservative Turkish district of Karaman. Erdoğan orchestrated the coverup of criminal investigations into both and protected them from prosecution. The UNIW has been running various schemes in Europe, linking up with Muslim groups in order to secure their loyalty to the undeclared Caliph Erdoğan.

The leaked emails of Erdoğan’s son-in-law Berat Albayrak, authenticated inadvertently by a court complaint, revealed that both the UETD and UNIW have worked together in Europe to promote goals set up by the Erdoğan family. In an email dated Jan. 21, 2013 and sent to Albayrak, a man named İsmail Emanet, then head of the youth branches of the UNIW, sent a detailed report to Erdoğan’s son-in-law on activities in Europe. In the 19-page report, Emanet, who is now advisor to Energy Minister Albayrak, said the UETD must be overhauled to better realign with the Islamist government’s goals and suggested that the Turkish-Islamic Union for Religious Affairs (DİTİB), the wealthy organization that is run by imams and was sent by the Turkish government to Europe, work closely with the UETD.

The DİTİB, which used be an apolitical religious network that was relied upon by secular governments in the past, has for some time now been transformed into an instrument of hate-mongering and anti-Western political machinations by President Erdoğan. With its control of so many mosques in Europe and the huge financial resources at its disposal, the DİTİB presents serious challenges to the integration policies of all European countries that host sizable Turkish communities. In November 2015, the UETD awarded DİTİB-affiliated imams in Germany certificates of appreciations for their role in the Nov. 1 elections, which restored the parliamentary majority to Erdoğan’s AKP.

As European politicians are hobbled by internal divisions, Erdoğan sees a moment of opportunity to advance his fifth column in the heart of Europe. Using the front NGOs and transformed grassroot networks, his intelligence operatives have stepped up their intel collection efforts, run clandestine schemes, plan false flags and even plot assassinations and murders of dissidents and critics. Using the migrant deal to blackmail the EU, Erdoğan is twisting arms and threatens Europe with a flood of refugees. It is not hard to imagine what he is planning secretly.

With this trajectory of boosting radicals and hooligans among the Turkish and Muslim communities of Europe, Turkey’s Islamists have set relations with the EU back further. What is more troubling is that Erdoğan’s xenophobic and anti-Western policies give more ammunition to far-right Islamophobic European politicians at the expense of moderate conservatives, liberals and social democrats. In other words, Erdoğan is undermining European values not just by advancing the fifth column of Islamist zealotry in the midst of Europe but also by giving a huge impetus to the extreme right. In the meantime law-abiding and peaceful Turks and Muslims in Europe find themselves under greater suspicion from the larger majority because of closer scrutiny as European authorities are scrambling to defuse the risk of Erdoğan’s fifth column from developing effectively.

As a result, Turkey’s autocratic president has not only migrants to mobilize in order to destabilize Europe but also an Islamist fifth column in the heart of Europe to march forward when the time comes. The militant religious networks are already mushrooming in Europe on fertile ground provided by this fifth column’s clandestine activities.
ERDOGAN Asli
Même le silence n'est plus à toi
Edited: 201611220961
Actes Sud : Communiqué – Aslı Erdoğan
Publié le 22 novembre 2016
Dans la nuit du 16 au 17 août 2016, l’écrivaine et journaliste Aslı Erdoğan a été arrêtée à son domicile et incarcérée. À ce jour, elle est toujours emprisonnée à Istanbul et risque la prison à vie.

« Je continuerai à rapporter tout ce qu’il se passe dans les « Marches pour la Liberté », et cela devant comme derrière les barreaux — y a-t-il encore une différence entre les deux ? »


Le 4 janvier 2017 paraîtra Même le silence n’est plus à toi, recueil de chroniques traduites du turc par Julien Lapeyre de Cabanes.
Ce recueil rassemble vingt-sept textes d’Aslı Erdoğan parus au cours des dix dernières années dans le journal Özgür Gündem, quotidien soutenant les revendications kurdes et dont la 8ème cour criminelle d’Istanbul a ordonné le 16 août, la fermeture et l’arrestation des collaborateurs.

Ces chroniques politiques, réflexions sur l’écriture et l’exil, essais sur les actions gouvernementales, les pesanteurs archaïques et les clichés à l’œuvre dans la vie quotidienne en Turquie, éclaireront le profil d’essayiste engagée d’Aslı Erdoğan et permettront de comprendre pourquoi l’auteur, victime de la chasse aux sorcières déclenchée en juillet 2016, est actuellement en prison.

Son écriture toujours soignée et traversée de fulgurances poétiques trouve ici un autre terrain d’expression que le roman, non moins convaincant.

Relations presse : Emanuèle Gaulier

– e.gaulier@actes-sud.fr – 01 55 42 63 24

« L’écriture est soit un verdict, soit un cri… L’écriture, comme cri, naissant avec le cri… Une écriture à même de susciter un grand cri qui recouvrirait toute l’immensité de l’univers… Qui aurait assez de souffle pour hurler à l’infini, pour ressusciter tous les morts… »

Aslı Erdoğan (dont le patronyme, courant en Turquie, n’a pas de lien avec le président du pays) est née en 1967 et vit à Istanbul. Physicienne de formation, elle a travaillé au Centre européen de recherches nucléaires de Genève. Elle a vécu et travaillé deux ans à Rio de Janeiro.

Romancière et nouvelliste, lauréate de nombreux prix et traduite dans plusieurs langues, Aslı Erdoğan incarne le rayonnement de la nouvelle littérature turque, celle de la génération d’après Orhan Pamuk.

À ce jour, cette intellectuelle engagée est toujours en détention dans la prison stambouliote pour femmes, Barkirköy, et le parquet a réclamé sa détention à vie pour des chefs d’accusation accablants : « propagande en faveur d’une organisation terroriste », « appartenance à une organisation terroriste », « incitation au désordre ».

La date de son procès n’est pas encore connue.

L’arrestation d’Aslı Erdoğan a provoqué une vague d’indignation en Turquie et dans le monde, relayée par de nombreux artistes, intellectuels et écrivains.

Une pétition a été lancée après son arrestation sur le site change.org et a récolté, depuis, plus de 39 000 signatures.

Audrey Azoulay, ministre de la Culture et de la Communication, dans le cadre d’un entretien accordé à Livres Hebdo le 10 novembre, a qualifié « d’intolérable » son maintien en détention.

« CETTE LETTRE EST UN APPEL D’URGENCE ! »
Depuis la prison de Bakırköy où elle est détenue, Aslı Erdoğan a fait passer le 1er novembre 2016 un appel d’urgence que voici :

Chers amis, collègues, journalistes, et membres de la presse,

Je vous écris cette lettre depuis la prison de Bakırköy, au lendemain de l’opération policière à l’encontre du journal Cumhuriyet, un des journaux les plus anciens et voix des sociaux démocrates. Actuellement plus de 10 auteurs de ce journal sont en garde-à-vue. Quatre personnes dont Can Dündar (ex) rédacteur en chef, sont recherchées par la police. Même moi, je suis sous le choc.

Ceci démontre clairement que la Turquie a décidé de ne respecter aucune de ses lois, ni le droit. En ce moment, plus de 130 journalistes sont en prison. C’est un record mondial. En deux mois, 170 journaux, magazines, radios et télés ont été fermés. Notre gouvernement actuel veut monopoliser la « vérité » et la « réalité », et toute opinion un tant soit peu différente de celle du pouvoir est réprimée avec violence : la violence policière, des jours et des nuits de garde-à-vue (jusqu’à 30 jours)…

Moi, j’ai été arrêtée seulement parce que j’étais une des conseillères d’Özgür Gündem, « journal kurde ». Malgré le fait que les conseillères, n’ont aucune responsabilité sur le journal, selon l’article n°11 de la Loi de la presse qui le notifie clairement, je n’ai pas été emmenée encore devant un tribunal qui écoutera mon histoire.

Dans ce procès kafkaïen, Necmiye Alpay, scientifique linguiste de 70 ans, est également arrêtée avec moi, et jugée pour terrorisme.

Cette lettre est un appel d’urgence !

La situation est très grave, terrifiante et extrêmement inquiétante. Je suis convaincue que l’existence d’un régime totalitaire en Turquie, secouerait inévitablement, d’une façon ou d’une autre, aussi l’Europe entière. L’Europe est actuellement focalisée sur la « crise de réfugiés » et semble ne pas se rendre compte des dangers de la disparition de la démocratie en Turquie. Actuellement, nous, – auteurs, journalistes, Kurdes, Alévis, et bien sûr les femmes- payons le prix lourd de la « crise de démocratie ». L’Europe doit prendre ses responsabilités, en revenant vers les valeurs qu’elle avait définies, après des siècles de sang versé, et qui font que « l’Europe est l’Europe » : La démocratie, les droits humains, la liberté d’opinion et d’expression…

Nous avons besoin de votre soutien et de solidarité. Nous vous remercions pour tout ce que vous avez fait pour nous, jusqu’à maintenant.

Cordialement,

Aslı Erdoğan

1.11.2016, Bakırköy Cezaevi, C-9

Traduit du turc par Kedistan

Soirée de soutien

Le 12 décembre 2016 à 20h, La Maison de la Poésie accueillera une soirée de soutien et de solidarité à Aslı Erdoğan en présence notamment de Mine Aydoslu, la mère d’Asli Erdoğan, Françoise Nyssen, présidente d’Actes Sud, Timour Muhidine, son éditeur, Pierre Astier, son agent littéraire. Cette soirée sera animée par le journaliste Christian Tortel et la comédienne Sophie Bourel lira des textes du recueil à paraître Même le silence n’est plus à toi.

À lire en avant-première, deux extraits du recueil :

Le Silence même n’est plus à toi

(parution janvier 2017)

Nous sommes coupables

Que faut-il écrire ? Que peut bien faire l’écriture (la tienne), que peut-elle bien mettre en « mots », et au nom de quel monde peut-elle transformer celui-ci ? Jusqu’où peut-elle se baser sur la réalité ? Trois heures du matin, la pluie tombe par intermittences, bientôt à verse. Comme si c’était le bruit des secondes qu’on entendait battre sur le pavé. Je suis à ma place habituelle, dans ma nuit où j’entre comme on se faufile dans une tente. Problèmes « éternels », s’obscurcissant à mesure que l’ombre s’étend, pris dans l’étroit défilé qui coupe toute issue… « L’écriture est soit un verdict, soit un cri. »

Mot tant de fois prononcé, il lui arrive parfois de s’accrocher à l’homme telle une anaphore, de l’éparpiller entre ciel et terre. Puis il le jette subitement dehors, et l’abandonne sur les rives du silence. L’écriture, comme cri, naissant avec le cri… Une écriture à même de susciter un grand cri qui recouvrirait toute l’immensité de l’univers… Qui aurait assez de souffle pour hurler à l’infini, pour ressusciter tous les morts… Quel mot peut reprendre et apaiser le cri de ces enfants arméniens jetés à la fosse ? Quels mots pour être le ferment d’un monde nouveau, d’un autre monde où tout retrouverait son sens véritable, sur les cendres de celui-ci ?

Les limites de l’écriture, limites qui ne peuvent être franchies sans incendie, sans désintégration, sans retour à la cendre, aux os et au silence… Si loin qu’elle puisse s’aventurer dans le Pays des Morts, l’écriture n’en ramènera jamais un seul. Si longtemps puisse-t-elle hanter les corridors, jamais elle n’ouvrira les verrous des cellules de torture. Si elle se risque à pénétrer dans les camps de concentration où les condamnés furent pendus aux portes décorées et rehaussées de maximes, elle pressent qu’elle n’en ressortira plus. Et si elle en revient pour pouvoir le raconter, ce sera au prix de l’abandon d’elle-même, en arrière, là-bas, derrière les barbelés infranchissables… Face à la mort, elle porte tous les masques qu’elle peut trouver. Lorsqu’elle essaie de résonner depuis le gouffre qui sépare les bourreaux des victimes, ce n’est que sa propre voix qu’elle entend, des mots qui s’étouffent avant même d’atteindre l’autre bord, avant les rives de la réalité et de l’avenir… La plupart de temps, elle choisit de rester à une distance relativement sûre, se contentant peut-être, pour la surmonter, de la responsabilité du « témoignage »…

Aussi excessivement facile, tardif et vain que cela soit, il faut le dire explicitement : nous sommes coupables. Nous avons commis, dans ce pays, un crime atroce ; ceux qui en ont été les victimes ont trouvé ces mots pour le nommer, « Grande Catastrophe », nous avons éradiqué un peuple. Après avoir appelé les hommes à combattre dans nos armées, nous avons massacré à la pelle leurs femmes et leurs enfants, en les faisant marcher le ventre vide sur des routes interminables. Mais le crime des hommes est dans leurs actes autant que dans leur façon de les assumer. En niant nos agissements, nous avons commis un crime plus grand encore, en refusant de regarder cette femme qui nous appelait à l’aide, cette pauvre femme prise dans l’un des cortèges qu’on envoyait à la mort, cette femme qui depuis 99 ans nous fait désespérément signe… Voilà le pire crime, car c’est voler à un être humain jusqu’à ses traumatismes. Accuser la victime de mensonge, c’est rejeter le crime sur ceux qui en sont les martyrs… Voilà sans doute pourquoi nos terres sont couvertes de fosses, que nous creusons et refermons sans cesse. Jonchées d’os, de cendres, de silence… Nous ne sommes pas capables ni de regarder dans les yeux cette femme battue à mort puis jetée sur le bord de l’autoroute, ni les restes du squelette du partisan… Nous vieillissons pour oublier, oublions en assassinant, et oublions sans cesse que ces cadavres, nous les portons en nous.

Faire face est tout autre chose qu’accepter. C’est être capable d’affronter le regard des victimes, savoir leur laisser la parole. Il est peut-être trop tard, bien trop tard pour les morts, mais laissons ceux qui en ont réchappé nous la raconter, cette Grande Catastrophe. Nous, qui sommes désormais un autre « nous ».

Un dernier mot avant le 1er mai : la place Taksim est à nous, ceux qui y sont morts à tout le monde… Chaque fois que nous marcherons vers cette place méconnaissable, malgré les matraques, les canons à eau, les lacrymos, chaque fois que nous en prendrons le chemin, elle sera « à nous ».
Council of Europe
MSI-MED (2016)09rev2 - Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership - Second revised draft
Edited: 201609201696
MSI-MED (2016)09rev2
Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership
Second revised draft
Preamble

1. Media freedom and pluralism are crucial components of the right to freedom of expression, as guaranteed by Article 10 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (ETS No. 5, hereinafter “the Convention”). They are central to the functioning of a democratic society as they help to ensure the availability and accessibility of diverse information and views, on the basis of which individuals can form and express their opinions and exchange information and ideas.
2. The media play essential roles in democratic society, by widely disseminating information, ideas, analysis and opinions; acting as public watchdogs, and providing forums for public debate. In the present multi-media ecosystem, these roles continue to be fulfilled by traditional media, but are also increasingly performed by other media and non-media actors, from multinational corporations to non-governmental organisations and individuals.
3. Pluralist democratic societies are made up of a wide range of identities, ideas and interests. It is imperative that this diversity can be communicated through a range of independent and autonomous channels and outlets, thus creating an informed society, contributing to mutual understanding and fostering social cohesion.
4. Different types of media, along with different genres or forms of editorial content or programming contribute to diversity of content. Although content focusing on news and current affairs is of most direct relevance for fostering an informed society, other genres are also very important. Examples include cultural and educational content and entertainment, as well as content aimed at specific sections of society, such as local content.
5. In the present multi-media environment, online media and other internet platforms enable access to a growing range of information from diverse sources. This transformation in how media content is made available and used creates new opportunities for more and more people to interact and communicate with each other and to participate in public debate.
6. This technological evolution also raises concerns for media pluralism. While variety in media sources and types can be instrumental in enhancing diversity of media content and exposure to such diversity, it does not of itself guarantee it. Individuals still have to select what media to use and what content to watch, listen to or read among vast quantities of diverse content distributed across various media. This may result in them selecting or being exposed to information confirming their existing views and opinions, which can, in turn, generate fragmentation and result in a polarised society. While limited news resources and self-imposed restrictions on the choice of content are not new phenomena, the media and internet intermediaries may amplify their inherent risks, through their ability to control the flow, availability, findability and accessibility of information and other content online. This is particularly troubling if the individual users are not aware of these processes or do not understand them.
7. As new actors enter the evolving online market, the ensuing competitive pressures and a shift in advertising revenues towards the internet have contributed to an increase in media consolidation and convergence. Single or a few media owners or groups acquire positions of considerable power where they can separately or jointly set the agenda of public debate and significantly influence or shape public opinion, reproducing the same content across all platforms on which they are present. Convergence trends also lead to cost-cutting, job losses in journalism and media sectors, and the risk of financial dependencies for journalists and the media. These developments may cause a reduction in diversity of news and content generally and ultimately impoverish public debate.
8. Fresh appraisals of existing approaches to media pluralism are called for in order to address the challenges for pluralism resulting from how users and businesses have adapted their behaviour to technological developments. New policy responses and strategic solutions are needed to sustain independent, quality journalism and diverse content across all media types and formats.
9. There is a need for an enhanced role for independent public service media to counteract on-going processes of concentration and convergence in the media. By virtue of their remit, public service media are particularly suited to address the informational needs and interests of all sections of society, as is true of community media in respect of their constituent users. It is of utmost importance for public service media to have within their mandates the responsibility to foster political pluralism and awareness of diverse opinions, notably by providing different groups in society – including cultural, linguistic, ethnic, religious or other minorities – with an opportunity to receive and impart information, to express themselves and to exchange ideas.
10. In light of the increased range of media and content, it is very important for individuals to possess the cognitive, technical and social skills and capacities that enable them to critically analyse media content, and to understand the ethical implications of media and technology. Media literacy contributes to media pluralism and diversity by empowering individuals to effectively access, evaluate and create diverse types of content; by reducing the digital divide; facilitating informed decision-making, especially in respect of political and public affairs and commercial content, and by enabling the identification and countering of false or misleading information and harmful and illegal online content.
11. The adoption and effective implementation of media-ownership regulation plays an important role in respect of media pluralism. Such regulation should ensure transparency in media ownership; it should address issues such as cross-media ownership, direct and indirect media ownership and effective control and influence over the media. It should also ensure that there is effective and manifest separation between the exercise of political authority or influence and control of the media or decision making as regards media content.
12. Transparency of media ownership, organisation and financing help to increase media accountability. Transparency and media literacy are therefore indispensable tools for individuals to make informed decisions about which media they use and how they use them, to search for, access and impart information and ideas of all kinds. This makes them practical instruments of effective pluralism.
13. Against this background, the present Recommendation reaffirms the importance of existing Council of Europe standards dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership and the need to fully implement them in democratic societies. The Recommendation builds further on those standards, adjusting, supplementing and reinforcing them, as necessary, to ensure their continued relevance in the current multi-media ecosystem.
Under the terms of Article 15.b of the Statute of the Council of Europe (ETS No. 1), the Committee of Ministers recommends that governments of member States:
i. fully implement the guidelines set out in the appendix to this recommendation;
ii. remain vigilant to, and address, threats to media pluralism and transparency of media ownership by regularly monitoring the state of media pluralism in their national media markets, assessing risks to media freedom and pluralism and adopting appropriate regulatory responses, including by paying systematic attention to such focuses in the on-going reviews of their national laws and practices;
iii. fully implement, if they have not already done so, previous Committee of Ministers’ Recommendations and Declarations dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership, in particular those specified in the guidelines appended to the present Recommendation;
iv. promote the goals of this recommendation at the national and international levels and engage and co-operate with all interested parties to achieve those goals.

Appendix to Recommendation

Guidelines

In the context of this Recommendation, unless otherwise specified, the media are generally understood as including print, broadcast and online media.
I. A favourable environment for freedom of expression and media freedom

1. The principles of freedom of expression and media freedom, as grounded in the Convention, must continue to be developed in a way that takes full account of the features of the present multi-media ecosystem, in which a range of new media actors have come to the fore.
2. States have a positive obligation to foster a favourable environment for freedom of expression, in which everyone can exercise their right to freedom of expression and participate in public debate effectively, irrespective of whether or not their views are received favourably by the State or others. States should guarantee free and pluralistic media for their valuable contribution to robust public debate in which societal diversity can be articulated and explored.
3. National legislative and policy frameworks should safeguard the editorial independence and operational autonomy of all media so that they can carry out their key tasks in democratic society. The frameworks should be designed and implemented in such ways as to prevent the State, or any powerful political, economic, religious or other groups from acquiring dominance and exerting pressure on the media.
4. Relevant legislation should ensure that the media have the freedom at all times to provide accurate and reliable reporting on matters of public interest, in particular concerning vital democratic processes and activities, such as elections, referenda and public consultations on matters of general interest. Adequate safeguards should also be put in place to prevent interference with editorial independence of the media in relation to coverage of conflicts, crises and other sensitive situations where quality journalism and reporting are key tools in countering propaganda and disinformation.
5. In a favourable environment for freedom of expression, media regulatory authorities and other authorities or entities entrusted with responsibility for regulating or monitoring other (media) service providers or media pluralism must be able to carry out their remit in an effective, transparent and accountable manner. A prerequisite for them to be able to do so is that they themselves enjoy independence that is guaranteed in law and borne out in practice.
6. The independence of the authorities and entities referred to in the previous paragraph should be guaranteed by ensuring that they: have open and transparent appointment and dismissal procedures; have adequate human and financial resources and autonomous budget allocation; work to transparent procedures and decision-making; have the power to take autonomous decisions and enforce them, and that their decisions are subject to appeal.

7. States should ensure transparency of media ownership, organisation and financing, as well as promote media literacy, in order to provide individuals with the information and critical awareness that they need in order to access diverse information and participate fully in the present multi-media ecosystem.
II. Media pluralism and diversity of media content

General requirements of pluralism
1. As ultimate guarantors of pluralism, States have a positive obligation to put in place an appropriate legislative and policy framework to that end. This implies adopting appropriate measures to ensure sufficient variety in the overall range of media types, bearing in mind differences in terms of their purposes, functions and geographical reach. The complementary nature of different media types strengthens external pluralism and can contribute to creating and maintaining diversity of media content.
2. States are called upon to ensure that there is periodic independent monitoring and evaluation of the state of media pluralism in their jurisdictions based on a set of objective and transparent criteria for identifying risks to the variety in ownership of media sources and outlets, the diversity of media types, the diversity of viewpoints represented by political, ideological, cultural and social groups, and the diversity of interests and viewpoints relevant to local and regional communities. States are further urged to develop and enforce appropriate regulatory and policy responses effectively addressing any risks found.

Specific requirements of pluralism
Diversity of content
3. States should adopt regulatory and policy measures to promote the availability and accessibility of the broadest possible diversity of media content as well as the representation of the whole diversity of society in the media, including by supporting initiatives by media to those ends.

States should encourage the development of open, independent, transparent and participatory initiatives by social media, media stakeholders, civil society and academia, that seek to improve effective exposure of users to the broadest possible diversity of media content online.

Wherever the visibility, findability and accessibility of media content online is influenced by automated processes, whether they are purely automated processes or used in combination with human decisions, States should encourage social media, media stakeholders, civil society and academia to engage in open, independent, transparent and participatory initiatives that:

- increase the transparency of the processes of online distribution of media content, including automated processes;

- assess the impact of such processes on users’ effective exposure to a broad diversity of media content, and

- seek to improve these distribution processes in order to improve users’ exposure to the broadest possible diversity of media content.

4. States should make particular efforts, taking advantage of technological developments, to ensure that the broadest possible diversity of media content, including in different languages, is accessible to all groups in society, particularly those which may have specific needs or face disadvantage or obstacles when accessing media content, such as minority groups, children, the elderly and persons with cognitive or physical disabilities.
5. Diversity of media content can only be properly gauged when there are high levels of transparency about editorial and commercial content: media and other actors should adhere to the highest standards of transparency regarding the provenance of their content and always signal clearly when content is provided by political sources or involves advertising or other forms of commercial communications, such as sponsoring and product placement. This also applies to user-generated content and to hybrid forms of content, including branded content, native advertising and advertorials and infotainment.
Institutional arrangement of media pluralism
6. States should recognise the crucial role of public service media in fostering public debate, political pluralism and awareness of diverse opinions. States should accordingly guarantee adequate conditions for public service media to continue to play this role in the multi-media landscape, including by providing them with appropriate support for innovation and the development of digital strategies and new services.
7. States should adopt appropriate specific measures to protect the editorial independence and operational autonomy of public service media by keeping the influence of the State at arm’s length. The supervisory and management boards of public service media must be able to operate in a fully independent manner and the rules governing their composition and appointment procedures must contain adequate checks and balances to ensure that independence.
8. States should also ensure stable, sustainable, transparent and adequate funding for public service media in order to guarantee their independence from governmental, political and commercial pressures and enable them to provide a broad range of pluralistic information and diverse content. This can also help to counterbalance any risks caused by a situation of media concentration.
9. States should encourage and support the establishment and functioning of community, minority, regional and local media, including by providing financial mechanisms to foster their development. Such independent media give a voice to communities and individuals on topics relevant to their needs and interests, and are thus instrumental in creating public exposure for issues that may not be represented in the mainstream media and in facilitating inclusive and participatory processes of dialogue within and across communities and at regional and local levels.
10. States should facilitate access to cross-border media, which serve communities outside the country where they are established, supplement national media and can help certain groups in society, including immigrants, refugees and diaspora communities, to maintain ties with their countries of origin, native cultures and languages.

Support measures for the media and media pluralism
11. For the purpose of enhancing media pluralism, States should develop strategies and mechanisms to support professional news media and quality journalism, including news production capable of addressing diverse needs and interests of groups that may not be sufficiently represented in the media. They should explore a wide range of measures, including various forms of non-financial and financial support such as advertising and subsidies, which would be available to different media types and platforms, including those of online media. States are also encouraged to support projects relating to journalism education, media research and innovative approaches to strengthen media pluralism and freedom of expression.
12. Support measures should have clearly defined purposes; be based on pre-determined clear, precise, equitable, objective and transparent criteria, and be implemented in full respect of the editorial and operational autonomy of the media. Such measures could include positive measures to enhance the quantity and quality of media coverage of issues that are of interest and relevance to groups which are underrepresented in the media.
13. Support measures should be administered in a non-discriminatory and transparent manner by a body enjoying functional and operational autonomy such as an independent media regulatory authority. An effective monitoring system should also be introduced to supervise such measures, to ensure that they serve the purpose for which they are intended.
III. Regulation of media ownership: ownership, control and concentration

1. In order to guarantee effective pluralism in their jurisdictions, States should adopt and implement a comprehensive regulatory framework for media ownership and control that is adapted to the current state of the media industry. Such a framework should take full account of media convergence and the impact of online media.
Ownership and control
2. Regulation of competition in the media market including merger control should prevent individual actors from acquiring significant market power in the overall national media sector or in a specific media market/sector at the national level or sub-national levels, to the extent that such concentration of ownership limits meaningful choice in the available media content.
3. Media ownership regulation should apply to all media and could include restrictions on horizontal, vertical and cross-media ownership, including by determining thresholds of ownership in line with Recommendation CM/Rec 2007(2) of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and diversity of media content. Those thresholds may be based on a number of criteria such as capital shares, voting rights, circulation, revenues, audience share or audience reach.
4. States should set criteria for determining ownership and control of media companies by explicitly addressing direct and beneficial ownership and control. Relevant criteria can include proprietary, financial or voting strength within a media company or companies and the determination of the different levels of strength that lead to exercising control or direct or indirect influence over the strategic decision-making of the company or companies including their editorial policy.
5. As the key democratic tasks of the media include holding authorities to account, legislation should stipulate that the exercise of political authority or influence is incompatible with involvement in the ownership, management or editorial decision-making of the media. The incompatibility of these functions should be recognised as a matter of principle and should not be made conditional on the existence of particular conditions. The criteria of incompatibility and a range of appropriate measures for addressing conflicts of interest should be set out clearly in law.
6. Any restrictions on the extent of foreign ownership of media should apply in a non-discriminatory manner to all such companies and should take full account of the States’ positive obligation to guarantee pluralism and of the relevant guidelines set out in this Recommendation.
Concentration
7. States are also encouraged to develop and apply suitable methodologies for the assessment of media concentration. In addition to measuring the availability of media sources, this assessment should reflect the real influence of individual media by adopting an audience-based approach and using appropriate sets of criteria to measure the use and impact of individual media on opinion-forming.
8. Media ownership regulation should include procedures to prevent media mergers or acquisitions that could adversely affect pluralism of media ownership or diversity of media content. Such procedures could involve a requirement for media owners to notify the relevant independent regulatory authority of any proposed media merger or acquisition whenever the ownership and control thresholds, as set out in legislation, are met.
9. The relevant independent regulatory authority should be vested with powers to assess the expected impact of any proposed concentration on media pluralism and to make recommendations or decisions, as appropriate, about whether the proposed merger or acquisition should be cleared, subject or not to any restrictions or conditions, including divestiture. Decisions of the independent authority should be subject to judicial review.
IV. Transparency of media ownership, organisation and financing

1. States should guarantee a regime of transparency regarding media ownership that ensures the availability of the data necessary for informed regulation and decision-making and enables the public to access those data in order to help them to analyse and evaluate the information, ideas and opinions disseminated by the media.
2. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure/transparency obligations for media in a clear and precise way. Such obligations should, as a minimum, include the following information:
- Legal name and contact details of a media outlet;
- Name(s) and contact details of the direct owner(s) with shareholdings enabling them to exercise influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet. States are recommended to apply a threshold of 5% shareholding for the purpose of the disclosure obligations.
- Identity and contact details of natural persons with beneficial shareholdings. Beneficial shareholding applies to natural persons who ultimately own or control shares in a media outlet or on whose behalf those shares are held, enabling them to indirectly exercise control or significant influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet.
- Information on the nature and extent of the share-holdings or voting rights of the above legal and/or natural persons in other media, media-related or advertising companies which could lead to decision-making influence over those companies, or positions held in political parties;
- Name(s) of the persons with actual editorial responsibility or the actual authors of editorial content;
- Changes in ownership and control arrangements of a media outlet.
3. The scope of the above minima for disclosure/transparency obligations for the media includes legal and natural persons based in other jurisdictions and their relevant interests in other jurisdictions.
4. High levels of transparency should also be ensured with regard to the sources of financing of media outlets in order to provide a comprehensive picture of the different sources of potential interference with the editorial and operational independence of the media and allow for effective monitoring and controlling of such risks.
5. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure of the following information:
- Information on the sources of the media outlet’s income, including from State and other funding mechanisms and (State) advertising.
- The existence of structural relationships or contractual cooperation with other media or advertising companies, political parties or the State, including in respect of State advertising;
6. Legislation should set out clear criteria as to which media are subject to these reporting obligations. The obligations may be limited with regard to factors such as the commercial nature of the media outlet, a wide audience reach, exercise of editorial control, frequency and regularity of publication or broadcast, etc., or a combination thereof. Legislation should also determine the timeframe within which reporting obligations must be met.
7. Such legislation should also require the maintenance of a public, online database of media ownership and control arrangements in the State, with disaggregated data about different types of media (markets/sectors) and regional and/or local levels, as relevant. Those databases should be kept up to date on a rolling basis and they should be available to the public free of charge. They should be accessible and searchable; their contents should be made available in open formats and there should not be restrictions on their re-use.

8. Reporting requirements relating to media ownership should include the provision of:
- A description of media ownership and control arrangements for media under its jurisdiction (including media whose services are directed at other countries);
- A description of changes to the media ownership and control arrangements within the State during the reporting period;
- An analysis of the impact of those changes on media pluralism in the State.
9. Legislation should provide for the publication of reports on media ownership to be accompanied by appropriate explanations of the data and the methodologies used to collect and organise them, in order to help members of the public to interpret the data and understand their significance.
10. States should issue clear, up-to-date guidance on the interrelationship and implications of the different regulatory regimes and on how to implement them correctly and coherently. That guidance could take the form of user-friendly guidelines, handbooks, manuals, etc.
11. States should also facilitate inter-agency cooperation, including the relevant exchange of information about media ownership held by media regulatory authorities, competition authorities and company registers. Similarly, the exchange of information and best practices with other national authorities, both within their own jurisdiction and in other jurisdictions, should be facilitated.
V. Media literacy/education

1. States should introduce legislative provisions or strengthen existing ones that promote media literacy with a view to enabling individuals to access, understand, critically analyse, evaluate, use and create content through a range of legacy and digital (including social) media.
2. States should also develop a national media literacy policy and ensure its operationalisation and implementation through (multi-)annual action plans. A key strategy for that purpose could be to support the creation of a national media literacy network comprising a wide range of stakeholders, or the further development of such a network where it already exists.
3. In the multi-media ecosystem, media literacy is essential for people of all ages and all walks of life. Law and/or policy measures promoting media literacy should thus help to develop the teaching of media literacy in school curricula at all levels and as part of lifelong learning cycles, including by providing suitable training and adequate resources for teachers and educational institutions to develop teaching programmes. Any measures adopted should be developed in consultation with teachers and trainers with a view to ensuring a fair and appropriate integration of relevant activities in work-flows. Any measures adopted should not interfere with the academic autonomy of educational institutions in curricular matters.
4. States should encourage all media, without interfering with their editorial independence, to promote media literacy through policies, strategies and activities. They should also promote media literacy through support schemes for media, taking into account the particular roles of public service media and community media.
5. States should ensure that independent national regulatory authorities have the scope and resources to promote media literacy in ways that are relevant to their mandates and encourage them to do so.
6. States are encouraged to include in their national media literacy programmes focuses on media pluralism and transparency of media ownership in order to help citizens to make an informed and critical evaluation of the information and ideas propagated via the media. To this end, States are called upon to include in their strategies for ensuring transparency in the media sector educational content which enables individuals to use information relating to media ownership, organisation and financing, in order to better understand the different influences on the production, collection, curation and dissemination of media content.
Lucas Tessens
de grap om Belg te zijn
Edited: 201604241048
België (en vooral Brussel) heeft steeds een aantrekkingskracht uitgeoefend op Nederlandse kunstenaars en Oranjes die eens onze bossen bezaten. Belgen weten wel waarom maar kunnen het doorgaans niet uitleggen. Nederlanders kunnen het wel uitleggen maar komen vaak niet verder dan het aanhoren van de door henzelf uitgestote klanken met bezuiniging op de medeklinkers. De verklaring zit dus in iets diepers dan het louter cognitieve. Tussen Amsterdam en Parijs ligt voor Nederlanders een voor hen begripvol kruispunt van culturen, een tussenland, een vertaaldoos, een medicijn voor de ziekte van de eigendunk, een ruimte voor twijfel over het eigen grote gelijk, en om de 500 meter een café met paljassen en niet veraf een frietkot. In België wordt niet meer gezocht naar het ultieme Antwoord, de opperste Waarheid, de ontbrekende komma. Nu de Grote Schrift ook hier geen dictaat meer is, groeit de verwarring waaraan wij gewend zijn. Want dit land heeft leren leven met zijn Tradities: dwingelanden uit andere landen, schijnheiligen, bedriegers, lafaards, plunderaars, folteraars, verzetslui van het laatste uur, politiekers van alle slag, grote en minder grote denkers, gelijkhalers vooral, zwemkampioenen en zoetwatermatrozen, uitstellers, aanstellers, bedenkers van problemen en oplossers van niets. Voor het toejuichen van koningen zijn we georganiseerd: wij hebben speciale kinderbataljons met vlaggetjes en achter overbodige dranghekkens gecoiffeerde bomma's met boeketten. Koningen die te lang in de Zwitserse Alpen blijven golfen hebben pech want hier wachten de linten op hun scharen. Overstroomden en journalisten willen vorsten in gummilaarzen zien. Als het hard regent kunnen we het ook met een regent wel stellen, tot een bevend kind met een sabel de monarchie komt redden. Dit land leverde zoeaven aan de Paus, helden voor Den Ijzer, communisten voor de Spaanse burgeroorlog, Oostfronters van zeventien, ISIS-strijders, poolreizigers, Congo-ambtenaren, pedofiele assistent-gewestbeheerders, een paar Nobelprijswinnaars, pedalentrappers, gerstenatbrouwers, leprozenverzorgers en enkele schrijvers. Slechts weinigen overleven zichzelf want dit volk dat er geen is heeft een kort geheugen en veel dorst. En zo te leven als Vlaming, Brusselaar, Duitse Oostkantonner of Waal is niet allen gegeven. Gelukkig is in dit land de bloedvermenging na tomeloze kermissen groot geweest. Het begon al lachend en lallend, de al dan niet gewillige deerne op een ladder vastgebonden als in een passiespel, als een vlezige Maria rondgedragen in een nachtelijke processie. Zo is het bloed der anderen ook telkens ons bloed en daarom vergieten we het in de onderlinge strijd met mate, een beetje schuchter en altijd per ongeluk. Wie België betreedt, weze gewaarschuwd.
Learning to Code Yields Diminishing Returns - The future of jobs - A review of Rushkoff's book
Edited: 201604011318

Looking for job security in the knowledge economy? Just learn to code. At least, that’s what we’ve been telling young professionals and mid-career workers alike who want to hack it in the modern workforce—in fact, it’s advice I’ve given myself. And judging by the proliferation of coding schools and bootcamps we’ve seen over the past few years, not a few have eagerly heeded that instruction, thinking they’re shoring up their livelihoods in the process.

Unfortunately, many have already learned the hard way that even the best coding chops have their limits. More and more, "learn to code" is looking like bad advice.

CODING CAN’T SAVE YOU
Anyone competent in languages such as Python, Java, or even web coding like HTML and CSS, is currently in high demand by businesses that are still just gearing up for the digital marketplace. However, as coding becomes more commonplace, particularly in developing nations like India, we find a lot of that work is being assigned piecemeal by computerized services such as Upwork to low-paid workers in digital sweatshops.

This trend is bound to increase. The better opportunity may be to use your coding skills to develop an app or platform yourself, but this means competing against thousands of others doing the same thing—and in an online marketplace ruled by just about the same power dynamics as the digital music business.

Besides, learning code is hard, particularly for adults who don’t remember their algebra and haven’t been raised thinking algorithmically. Learning code well enough to be a competent programmer is even harder.

Although I certainly believe that any member of our highly digital society should be familiar with how these platforms work, universal code literacy won’t solve our employment crisis any more than the universal ability to read and write would result in a full-employment economy of book publishing.

It’s actually worse. A single computer program written by perhaps a dozen developers can wipe out hundreds of jobs. As the author and entrepreneur Andrew Keen has pointed out, digital companies employ 10 times fewer people per dollar earned than traditional companies. Every time a company decides to relegate its computing to the cloud, it's free to release a few more IT employees.

Most of the technologies we're currently developing replace or obsolesce far more employment opportunities than they create. Those that don’t—technologies that require ongoing human maintenance or participation in order to work—are not supported by venture capital for precisely this reason. They are considered unscalable because they demand more paid human employees as the business grows.

TRAINING OUR ROBO-REPLACEMENTS
Finally, there are jobs for those willing to assist with our transition to a more computerized society. As employment counselors like to point out, self-checkout stations may have cost you your job as a supermarket cashier, but there’s a new opening for that person who assists customers having trouble scanning their items at the kiosk, swiping their debit cards, or finding the SKU code for Swiss chard. It’s a slightly more skilled job and may even pay better than working as a regular cashier.

But it’s a temporary position: Soon enough, consumers will be as proficient at self-checkout as they are at getting cash from the bank machine, and the self-checkout tutor will be unnecessary. By then, digital tagging technology may have advanced to the point where shoppers just leave stores with the items they want and get billed automatically.

For the moment, we’ll need more of those specialists than we’ll be able to find—mechanics to fit our current cars with robot drivers, engineers to replace medical staff with sensors, and to write software for postal drones. There will be an increase in specialized jobs before there's a precipitous drop. Already in China, the implementation of 3-D printing and other automated solutions is threatening hundreds of thousands of high-tech manufacturing jobs, many of which have existed for less than a decade.

American factories would be winning back this business but for a shortage of workers with the training necessary to run an automated factory. Still, this wealth of opportunity will likely be only temporary. Once the robots are in place, their continued upkeep and a large part of their improvement will be automated as well. Humans may have to learn to live with it.

HIGH-TECH UNEMPLOYMENT

This conundrum was first articulated back in the 1940s by the cybernetics pioneer Norbert Wiener, whose work influenced members of the Eisenhower Administration to start worrying about what would come after industrialism. By 1966, the United States convened the first and only sessions of the National Commission on Technology, Automation, and Economic Progress, which published six (mostly ignored) volumes sizing up what would later be termed the "post-industrial economy."

Today, it’s MIT’s Erik Brynjolfsson and Andrew McAfee who appear to be leading the conversation about technology’s impact on the future of employment—what they call the "great decoupling." Their extensive research shows, beyond reasonable doubt, that technological progress eliminates jobs and leaves average workers worse off than they were before.

Yet it’s hard to see this great decoupling as a mere unintended consequence of digital technology. It is not a paradox but the realization of the industrial drive to remove humans from the value equation. That’s the big news: The growth of an economy does not mean more jobs or prosperity for the people living in it.

"I would like to be wrong," a flummoxed McAfee confided in the same article, "but when all these science-fiction technologies are deployed, what will we need all the people for?"

When technology increases productivity, a company has a new excuse to eliminate jobs and use the savings to reward its shareholders with dividends and stock buybacks. What would've been lost to wages is instead turned back into capital. So the middle class hollows out, and the only ones left making money are those depending on the passive returns from their investments.

It turns out that digital technology merely accelerates this process to the point where we can all see it occurring. It's just that we haven't all taken notice yet—we’ve been busy coding.

"It’s the great paradox of our era," Brynjolfsson explained to MIT Technology Reviewin 2013. "Productivity is at record levels, innovation has never been faster, and yet at the same time, we have a falling median income and we have fewer jobs. People are falling behind because technology is advancing so fast and our skills and organizations aren’t keeping up."

[This post is based on Douglas Rushkoff’s new book, Throwing Rocks at the Google Bus: How Growth Became the Enemy of Prosperity and originally appeared in Fast Company.]
The Local (daily)
'We can't be like Sweden': Norway's integration minister
Edited: 201603310752
Norway's integration minister has called for tighter immigration policies – to avoid the country becoming like Sweden.
Sylvi Listhaug used Sweden as the cautionary tale when speaking about recent terror attacks in Europe, as well as a package of asylum reforms due before the Norwegian parliament shortly.

“Many of those who have carried out terror attacks in Europe are born and raised in France and Belgium. It shows how important it is to succeed with integration and that is again connected to how many come to Norway. Therefore a tight immigration policy is important,” she said.

In the aftermath of the terror attacks in Brussels, there has been a debate in Norway on so-called parallel societies and neighbourhoods where the police don't dare to patrol. Listhaug acknowledged that the problem exists.

“We have foreign fighters who have left Norway and [we have] radical environments. We should not stick our heads in the sand and say that everything is good here. But fortunately we are a long way from the conditions we see in some other countries, for example Sweden,” she told NTB.

It was revealed earlier this month that a man with suspected links to radical group Isis, who was shot dead in a Brussels raid just days before the terror attack, had previously lived in Sweden.

Sweden has attempted to crack down on foreign fighters, with the security service saying that up to 300 Swedes are believed to have travelled to Syria or Iraq to fight in the past three years. Around 40 are thought to have died in battle and around 125 are understood to remain in the Middle East.

New anti-terror legislation is set to come into effect on Friday, with Sweden criminalizing trips abroad, or the financing of such travels, to participate in acts of terrorism.

From April 15th the country is also tightening restrictions on passports, with people only being able to apply for three passports in a five-year period, to prevent the use of forged identity documents.

But Sweden has struggled to cope with the record 163,000 asylum claims it received last year, and is seeing increasing divides between different ethnic communities in troubled suburbs in the big cities.

Listhaug said that a major reason that Norway doesn't have the same ghetto problems as its Nordic neighbour is that asylum seekers in Norway cannot decide for themselves where they should live. (territorium)

She said that the terror attack in Brussels has created fears and worries that an attack could also hit Scandinavia. But she also stressed that Islamists were not responsible for the terror that struck the nation in 2011, when far-right sympathizer Anders Behring Breivik shot dead several dozens of teenagers on Utoya island.
teken de Avaaz-petitie tegen het besnijden van vrouwen
Edited: 201603151054
Aan Hassan Mohamoud, president van Somalië, Omar Sharmarke, premier, en Zahra Samantar, minister van Vrouwenzaken en Mensenrechtenontwikkeling:
Als wereldburgers zijn wij bezorgd over de rechten van meisjes en vrouwen, en willen wij u feliciteren met uw inzet voor een verbod op vrouwelijke genitale verminking (VGV) in Somalië. Wij staan volledig achter het totale verbod zoals voorgesteld door de regering van Puntland en moedigen de centrale overheid aan om met spoed de introductie van uitgebreide wetgeving te overwegen. Als Somalië nu een volledig verbod instelt, en dat opvolgt met grootschalige publieke voorlichtingscampagnes, kan het als voorbeeld voor de wereld dienen in de strijd tegen VGV.
Op 17 maart 2016 om 12.00 uur hadden meer dan 980.000 bewuste mensen de petitie getekend.

teken de petitie
Islamization and Demographic Denialism in France
Edited: 201603141661
by Michel Gurfinkiel
PJ Media
March 14, 2016

Excerpt of an article originally published under the title "Latest Survey Finds 25% of French Teenagers Are Muslims."

One of the most striking cases of reality denial in contemporary France is demography: issues like birthrate, life expectancy, immigration, and emigration. On the face of it, you can hardly ignore such things, since they constantly reshape your environment and your way of life. Even without resorting to statistics, you are bound to perceive, out of day-to-day experience, what the current balance is between younger and older people, how many kids are to be found at an average home, and the ethnicity or religion of your neighbors, or the people you relate to at work or in business.

The French elites, both on the right and left, managed for five decades at least to dismiss the drastic demographic changes that had been taking place in their country, including the rise of Islam, since they clashed with too many political concepts – or fantasies – they had been brainwashed into accepting: the superiority of the "French social model;" the unique assimilative capacity of French society; equality for equality's sake; the primacy of individual values over family values; secularism; francophonie, or the assumption that all French-speaking nations in the world were a mere extension of France, and that all nations that defined themselves as "Francophone" did speak French or were subdued by French culture; and finally la politique arabe et islamique de la France, a supposed political and strategic affinity with the Arab and Muslim world.

Until 2004, compilation of ethnic, racial, and religious statistics was prohibited under French law.

One way for the elites to deny demographics was to reject ethnic-related investigation on legal or ethical grounds. Until 2004, ethnic, racial, and religious statistics were not allowed under French law – ostensibly to prevent a return of Vichy State-style racial persecutions. Even as the law was somehow relaxed, first in 2004 and again in 2007, many statisticians or demographers insisted on retaining a de facto ban on such investigations.

The issue turned into a nasty civil war among demographers, and especially within INED (the French National Institute for Demographic Studies) between a "classic" wing led by older demographers like Henri Léridon and Gérard Calot and then by the younger Michèle Tribalat, and a liberal or radical wing led by Hervé Le Bras.



Michèle Tribalat
In a recent interview with the French weekly Le Point, Tribalat dryly observed that the "well-connected" Le Bras described her as "the National Front Darling," an assertion that "destroyed her professional reputation." The son of a prestigious Catholic historian, Le Bras is indeed a very powerful man in his own right, who managed throughout his own career to accumulate tenures, honors, and positions of influence both in France and abroad.

The irony about his accusation against Tribalat is that, while intent to discuss the issue of immigration, she is an extremely cautious and conservative expert when it comes to actual figures. She has always tended to play down, in particular, the size of the French Muslim community.

In 1997, I observed in an essay for Middle East Quarterly that figures about French Islam were simply chaotic: there was too much discrepancy between sources:

The Ministry of Interior and Ined routinely speak of a Muslim population in France of 3 million. Sheikh Abbas, head of the Great Mosque in Paris, in 1987 spoke of twice as many – 6 million. Journalists usually adopt an estimate somewhere in the middle: for example, Philippe Bernard of Le Monde uses the figure of 3 to 4 million. The Catholic Church, a reliable source of information on religious trends in France, also estimates 4 million. Arabies, a French-Arab journal published in Paris, provides the following breakdown: 3.1 million Muslims of North African origin, 400,000 from the Middle East, 300,000 from Africa, 50,000 Asians, 50,000 converts of ethnic French origin, and 300,000 illegal immigrants from unknown countries. This brings the total to 4.2 million. One can state with reasonable certainty that the Muslim population of France numbers over 3 million (about 5 percent of the total French population) and quite probably over 4 million (6.6 percent).
Nineteen years later, accuracy has hardly improved in this respect. All sources agree that France as a whole underwent a moderate demographic growth: from 57 to 67 million, a 15% increase. (Throughout the same period of time, the U.S. enjoyed a 22% population increase, and China, under a government-enforced one-child policy, a 27% increase.) All sources agree also that there was a much sharper increase in French Muslim demographics – and that, accordingly, the moderate national growth may in fact just reflect the Muslim growth.

For all that, however, there are still no coherent figures about the Muslim community. According to CSA, a pollster that specializes in religious surveys, 6% of the citizens and residents of France identified with Islam in 2012: about 4 million people out of 65 million. IFOP, a leading national pollster, settled for 7% in 2011: 4.5 million. Pew concluded in 2010 a figure of 7.5%: 4.8 million. The CIA World Factbook mentioned 7% to 9% in 2015: from 4.6 to almost 6 million out of 66 million. INED claimed as early as 2009 an 8% figure: 5.1 million. Later, INED and French government sources gave 9% in 2014: 5.8 million.

Over two decades, the French Muslim population is thus supposed to have increased by 25% according to the lowest estimations, by 50% according to median estimations, or even by 100% if one compares the INED and government figures of 1997 to those of 2014, from 3 million to almost 6 million.

This is respectively almost two times, three times, or six times the French average population growth.

An impressive leap forward, whatever the estimation. But even more impressive is, just as was the case in 1997, the discrepancy between the estimates. Clearly, one set of estimates, at least, must be entirely erroneous. And it stands to reason that the lowest estimates are the least reliable.

First, we have a long-term pattern according to which, even within the lowest estimates, the Muslim population increase is accelerating. One explanation is that the previous low estimates were inaccurate.

Second, low estimates tend to focus on the global French population on one hand and on the global French Muslim population on the other hand, and to bypass a generational factor. The younger the population cohorts, the higher the proportion of Muslims. This is reflected in colloquial French by the widespread metonymical substitution of the word "jeune" (youth) for "jeune issu de l'immigration" (immigrant youth), or "jeune issu de la diversité" (non-European or non-Caucasian youth).

According to the first ethnic-related surveys released in early 2010, fully a fifth of French citizens or residents under twenty-four were Muslims.

Proportions were even higher in some places: 50% of the youth were estimated to be Muslim in the département (county) of Seine-Saint-Denis in the northern suburbs of Paris, or in the Lille conurbation in Northern France. A more recent survey validates these numbers.

Once proven wrong, deniers do not make amends. They move straight from fantasy to surrender.

An investigation of the French youths' religious beliefs was conducted last spring by Ipsos. It surveyed nine thousand high school pupils in their teens on behalf of the French National Center for Scientific Research (CNRS) and Sciences Po Grenoble.

The data was released on February 4, 2016, by L'Obs, France's leading liberal newsmagazine. Here are its findings:

38.8% of French youths do not identify with a religion.
33.2% describe themselves as Christian.
25.5% call themselves Muslim.
1.6% identify as Jewish.
Only 40% of the young non-Muslim believers (and 22% of the Catholics) describe religion as "something important or very important."
But 83% of young Muslims agree with that statement.
Such figures should deal the death blow to demographic deniers. Except that once proven wrong, deniers do not make amends. Rather, they contend that since there is after all a demographic, ethnic, and religious revolution, it should be welcomed as a good and positive thing. Straight from fantasy to surrender.

Michel Gurfinkiel, a Shillman-Ginsburg Fellow at the Middle East Forum, is the founder and president of the Jean-Jacques Rousseau Institute, a conservative think tank in France.
RT news
NY women fight ‘tampon tax’ in court, accuse state of discrimination
Edited: 201603050013
In Frankrijk haalden de vrouwen in december 2015 hun slag thuis met een taksverlaging. zie ons bericht van 13/12
HGR
ADVIES VAN DE HOGE GEZONDHEIDSRAAD nr. 9235 Nucleaire ongevallen, leefmilieu en gezondheid in het post-Fukushimatijdperk: Rampenplanning Nuclear accidents, environment and health in the post-Fukushima era: Emergency response Versie gevalideerd op het College van Februari - 2016a
Edited: 201603021501
1. Een ernstig kernongeval kan ook in België voorkomen en vereist snelle herziening van de noodplanning
2. Let op achterliggende oorzaken van een ongeval en vermijd belangenvermenging
3. Er is nood aan kwetsbaarheidanalyses van complexe technologieën met oog voor de menselijke interactie zeker bij noodplanning
4. Maatschappelijke structuren in getroffen gebieden kunnen voor lange perioden zijn verstoord
5. Er is nood aan een transdisciplinair en participatief leerproces bij noodplanning
6. Er is nood aan evenwichtige, tweezijdige communicatie over risico’s
7. Er is aandacht nodig voor de rol van sociale media in crisismanagement
8. Adequate noodmaatregelen zijn het sluitstuk van het nucleaire veiligheidsbeleid
9. Complexe maatregelen in een dichtbevolkt gebied dienen voorbereid ook voor langere duur en grotere afstanden
10. Er is meer aandacht nodig voor medische coördinatie en kwetsbare mensen in crisissituaties
11. Voorzie beschermingsmaatregelen voor externen bij interventie- en opruimingswerken
12. De veiligheidsbenadering dient vervolledigd met ongevalsscenario’s niet voorzien bij het ontwerp en revisie van de installaties
13. Er is aandacht nodig voor bevolkingsdichtheid en mobiliteit
14. Interactie van nucleaire en andere industriële risico’s kunnen een crisis verergeren
15. De structuur en werking van de crisiscentra dient periodiek geëvalueerd
16. Neem scenario’s in acht voor verspreiding van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
17. Voorzie een aanpak voor kernafval bij langdurige nucleaire crisis
18. Elk groot nucleair ongeval vereist een internationale aanpak van noodmaatregelen
19. Er is een geharmoniseerde EU aanpak nodig van noodplanning en verzekeringen
20. Een adequaat nucleair veiligheidsbeleid vereist een voorzorgstrategie met verruimde participatieve aanpak ook in de noodplanning.

Noot LT: Ik lees dit rapport als volgt: De kerncentrale van Doel had nooit zo dicht bij Antwerpen mogen gebouwd zijn, omgeven door een zeer kwetsbare petrochemische industrie want die brengt een kettingreactie op gang. Als er een nucleair ongeval gebeurt, kan je slechts wensen dat je niet in Antwerpen - enfin, ik bedoel Vlaanderen en Zeeland - bent.


lees het volledige rapport
news
Algerijns journalist en schrijver Daoud trekt zich terug uit islam-debat
Edited: 201602250117
De Algerijn Kamel Daoud (45) trekt zich terug uit het publieke debat. De schrijver is beticht van „islamofobie” en „koloniaal paternalisme”.

Hij had o.m. geschreven: "met de instroom van migranten uit het Midden-Oosten en Afrika, doet de pathologische relatie van sommige Arabische landen met vrouwen zijn intree (sic, LT) in Europa".

lees het volledige bericht in NRC

lees het bericht in le Quotidien d'Oran

lire l'article osé de Kamel Daoud dans Le Monde 31/1/2016


lire la lettre ouverte des 'scientifiques' dans Le Monde du 11 février 2016
Et voici les noms de ces 'scientifiques': Noureddine Amara (historien), Joel Beinin (historien), Houda Ben Hamouda (historienne), Benoît Challand (sociologue), Jocelyne Dakhlia (historienne), Sonia Dayan-Herzbrun (sociologue), Muriam Haleh Davis (historienne), Giulia Fabbiano (anthropologue), Darcie Fontaine (historienne), David Theo Goldberg (philosophe), Ghassan Hage (anthropologue), Laleh Khalili (anthropologue), Tristan Leperlier (sociologue), Nadia Marzouki (politiste), Pascal Ménoret (anthropologue), Stéphanie Pouessel (anthropologue), Elizabeth Shakman Hurd (politiste), Thomas Serres (politiste), Seif Soudani (journaliste).


lire la réponse de Kamel Daoud dans Le Monde du 20 février 2016

Commentaar LT: Kamel Daoud neemt de vrijheid om het onderdrukkende element van de islam aan te klagen. Hij maakt gebruik van de vrijheid van meningsuiting. Hij wil vrij zijn. Dat zegt en schrijft hij ook uitdrukkelijk en met verve. Hij spreekt vanuit zijn eigen ervaring, zijn doorleefd verlangen naar een leven met zin, een zinvol leven waarin hij eigen accenten mag leggen. Je kan niet zeggen dat deze man het zichzelf gemakkelijk heeft gemaakt. Dat is nu eenmaal het lot van zij die vrij willen zijn en er ook iets aan doen. Dat hij daarmee tegen de kar rijdt van diegenen die geen enkele ingenomen egelstelling willen verlaten, is normaal.
Er is een schrijnende parallel met het zwijgen van Albert Camus. Camus plooide voor de haatcampagne van Sartre en De Beauvoir (Les Mandarins de Paris) en trok zich terug in Lourmarin.
Zoals bij Camus zit ook hier weer waarschijnlijk veel jaloezie in het spel: te vlug een ster-auteur, teveel media-aandacht, teveel prijzen, te bekend. Dan slaat het academisch gespuis vanuit de ivoren toren terug met bakken pseudo-wetenschappelijk gewauwel. Dat er een diepe kloof bestaat tussen een vrouw-onderdrukkende islam en een gelaïsciseerd Westen, is zonder meer waar. Wie dat ontkent maakt zichzelf wat wijs, maar erger ... wordt medeplichtig aan de onderdrukking. Er is een kafkaiaanse toestand ontstaan rond het begrip 'progressief'. De gelijkheid tussen man en vrouw erkennen en propageren, dat noem ik progressief vooruit-gaan. Gisteren (en vandaag) was het nodig de rooms katholieke kerk daarover aan te pakken, waarom zouden we dan onze mond houden als de islam in hetzelfde bed ziek is?
Het is mogelijk dat mijn mening niet de uwe is, maar weet dat ik de uwe respecteer zelfs al vergist u zich.



RT news
Duitse politie gaat Trojan virus gebruiken om verdachten te volgen
Edited: 201602230144
The German Interior Ministry has approved a measure allowing federal police to use a special Trojan virus to hack the computers and smartphones of their suspects, giving them almost unlimited opportunities to conduct surveillance on them.

read more
RT news
Oekraïne kiest liedje over Krim-deportaties onder Stalin voor deelname aan Eurosong
Edited: 201602221250
Ukraine is apparently courting trouble by choosing a song with politically loaded lyrics for the upcoming Eurovision contest, which explicitly bans participants from using the event for promoting any political agenda.
The song by Jamala called “1944” is dedicated to the deportation of Crimean Tatars by Soviet dictator Joseph Stalin. The singer was born into a mixed Tatar Armenian family and was inspired to write the lyrics by her grandmother’s account of those tragic events, she told the media. A record number of over 300,000 Ukrainians voted in the national selection for the contest.

RT maakt enkele interessante vergelijkingen

zie ook de geschiedenis van het Stalinisme
wSIECI 17 februari 2016
rechts Pools weekblad gaat wel zeer ver in propaganda-voorstelling 'Rape of Europe'
Edited: 201602170944



De compositie is beslist niet nieuw en werd vaak gebruikt in oorlogstoestanden. Een treffende illustratie is die van Titiaan die Europa in een mythologische scene laat ontvoeren door een witte stier.


Lees de bespreking van Stephen Campbell

Een diepgravende analyse van het misbruiken van vrouwen tijdens (en onmiddellijk na) de Eerste Wereldoorlog vinden we bij Hirschfeld . Beide kampen voeren een haatpropaganda, gebaseerd op het beeld van de vrouw als oorlogsbuit. De Duitse karikaturisten stellen Frankrijk en Engeland voor als oorden waar de rassenvermenging schering en inslag is. Tijdens de bezetting van het Rijnland werd dit schrikbeeld opgehangen om de Duitse bevolking te mobiliseren. Frans Masereel illustreert de rol van de pers tijdens de oorlog met een treffende karikatuur.
The Center for Public Integrity
Ford gaf 40 miljoen $ uit om mesothelioom (longvlieskanker) door asbest-remblokjes 'weg te schrijven' - Fordgate
Edited: 201602162013
Science for Sale - Ford spent $40 million to reshape asbestos science - Stung by lawsuits, the automaker hired consultants to change the narrative on the risks of asbestos brakes.
In 2001, toxicologist Dennis Paustenbach got a phone call from a lawyer for Ford Motor Company.

The lawyer, Darrell Grams, explained that Ford had been losing lawsuits filed by former auto mechanics alleging asbestos in brakes had given them mesothelioma, an aggressive cancer virtually always tied to asbestos exposure. Grams asked Paustenbach, then a vice president with the consulting firm Exponent, if he had any interest in studying the disease’s possible association with brake work. A meeting cemented the deal.

Paustenbach, a prolific author of scientific papers who’d worked with Grams on Dow Corning’s defense against silicone breast-implant illness claims, had barely looked at asbestos to that point. “I really started to get serious about studying asbestos after I met Mr. Grams, that’s for sure,” Paustenbach testified in a sworn deposition in June 2015. Before that, he said, the topic “wasn’t that interesting to me.”

Thus began a relationship that, according to recent depositions, has enriched Exponent by $18.2 million and brought another $21 million to Cardno ChemRisk, a similar firm Paustenbach founded in 1985, left and restarted in 2003. All told, testimony shows, Ford has spent nearly $40 million funding journal articles and expert testimony concluding there is no evidence brake mechanics are at increased risk of developing mesothelioma. This finding, repeated countless times in courtrooms and law offices over the past 15 years, is an attempt at scientific misdirection aimed at extricating Ford from lawsuits, critics say.


read more on CPI

zie ook de Eternit-case en het proces in Italië

Belga - commentaar: Lucas Tessens
Prof em Urbain Vermeulen, verketterde islamoloog, overleden. R.I.P.
Edited: 201602161414
Het Belga-bericht is natuurlijk braaf en neutraal. Maar ... deze paragraaf uit zijn verguisde boek moeten we toch onthouden:
'Aan de echte dialoog moet nog hard gewerkt worden en het zal lang duren voor een mentaliteitswijziging, in de eerste plaats bij de moslims, een einde zal stellen aan de hypocrisie die er nu heerst. Hopelijk leidt het gesprek tot meer begrip. Er wordt wel gesproken, maar elk zegt het zijne: dat is geen dialoog, dat zijn twee monologen. Of daar in de toekomst verandering in zal komen, is nog de vraag.' (slotparagraaf uit 'Islam en christendom. Het onmogelijke gesprek?' - 1999)

Vermeulen kreeg bakken kritiek over zich uitgestort en werd beschuldigd van racisme. 'De Morgen' was daarin de kampioen. De zogenaamd 'links-progressieve' redacties hadden niet begrepen dat Vermeulen een strijd voerde tegen een RECHTSE en FUNDAMENTALISTISCHE islam. Overigens is het hoog tijd dat wij inzien dat het debat over de islam al jaren op een volledig FOUT SPOOR zit. Het Vlaams Belang - toch een ultra-rechtse partij - valt een rechtse godsdienst en een rechtse maatschappijvisie aan; de zogenaamde 'progressieven' namen de islam en zijn aanhangers in bescherming. Dat is pure Kafka !
De laatste tijd is het bij de SPA en bij Groen wat stilletjes. Het zou immers een bocht van 180 graden vergen wanneer men nu zou gaan zeggen dat de islam reactionair is. Politici, journalisten en pseudo-intellectuelen hebben een hekel aan het toegeven van het eigen ongelijk. Ze zijn immers getraind om op te treden als alweters. Zelfs een eerlijke en onderlegde professor zoals Urbain Vermeulen kon niet tegen zoveel LAFFE hypocrisie op.


Petitie
Avaaz lanceert petitie 'Stop de verkoop van wapens aan Saoedi-Arabië'
Edited: 201602141122
Ze bombarderen scholen, ziekenhuizen, en zelfs huwelijksfeesten. Wat Saoedi-Arabië in Jemen doet is walgelijk -- en ze doen het met wapens die ze van Europa, de VS en Canada kopen. Maar in 48 uur kunnen wij het ondenkbare doen -- een historische beslissing binnenslepen die de stroom van wapens naar Saoedi-Arabië zou kunnen indammen.
Het Europees Parlement zal over twee dagen al beslissen om over een EU-breed wapenembargo te stemmen -- maar onder zware druk van Saoedi-Arabië beginnen sommige politici te aarzelen.
Nu meer dan ooit moeten deze politici zien dat mensen overal ter wereld van hen verwachten dat zij naar voren stappen en "NEE" zeggen tegen de wreedheden van Saoedi-Arabië. Teken de urgente petitie waarin wij oproepen tot een wapenembargo -- laat aan de Europese kampioenen zien dat wij hen met overweldigende aantallen steunen.


Aan leden van het Europees Parlement, en politici van het Verenigd Koninkrijk, de VS, Canada, Duitsland, Frankrijk, en alle andere landen die wapens verkopen aan Saoedi-Arabië:
Als betrokken burgers van over de hele wereld verzoeken wij u met klem om de wapenhandel met Saoedi-Arabië volledig op te schorten totdat zij een einde maken aan hun aanvallen in Jemen en een legitiem vredesproces op gang brengen. In een recent VN-rapport zijn 119 schendingen van het internationaal humanitair recht gedocumenteerd. Het is daarom onacceptabel om de andere kant uit te kijken terwijl Saoedi-Arabië wapens uit onze landen zou kunnen gebruiken om zonder onderscheid burgers te bombarderen.

teken hier de petitie

Op dit ogenblik (201602141126) hebben reeds meer dan 208.000 personen de petitie getekend; 344.000 personen (201602141645); 532.000 personen (201602151428)
het gebeurde op 14 februari ...
Edited: 201602140016
1014: Rome: Duitse koning Hendrik II tot Rooms-Duits keizer gekroond door paus Benedictus VIII

1130: Innocentius II (Gregorio Papareschi) tot nieuwe paus verkozen, na de dood van paus Honorius II

1313: Vrede van Angleur tussen Luikse adel en Willem van Gulik, na Sint-Maartensramp op 13120804; bij de zgn. Sint-Maartensramp, ook Luikse Metten genoemd, werden 200 edelen levend verbrandin de Sint-Maartenskerk, na een aanval op Luik waarbij ze verslagen werden door Willem van Gulik

1718: Moskou: Russische tsaar Peter de Grote dwingt zijn opstandige zoon Aleksej afstand van opvolging te doen en werpt hem in de gevangenis

1742: München geeft zich over aan de Oostenrijkse troepen, onder generaal Khevenhüller

1797: zeeslag bij kaap St-Vincent met Engelse zege van Nelson op de Spaanse vloot

1853: Turkse troepen ontruimen het opstandige Montenegro, na eis van Rusland en Oostenrijk

1859: Oregon als 33ste staat in de USA opgenomen

1876: Alex Graham Bell vraagt octrooi aan voor de door hem uitgevonden telefoon. De Amerikaan Elisha Gray, uit Chicago, vraagt 2 uur na Bell eveneens een octrooi aan.

1912: Arizona treedt als 48ste staat toe tot de USA

1917: België: Kardinaal Mercier protesteert bij Willem II tegen de deportatie van burgers

1931: start van de radiozender Vatikaanstad

1938: Singapore als de sterkste vlootbasis ter wereld ingehuldigd door de Britten

1939: Hamburg: Duits slagschip 'Bismarck' loopt van stapel

1942: Rotterdam: opening van de Maastunnel

1943: Russen heroveren Rostov op de Duitsers, door hen veroverd op 19420724

1945: grootste geallieerd luchtbombardement op Dresden (DEU) waarbij 135.000 doden (volgens onze bron 99990108:27)

1946: luchtvaart: KLM maakt luchtverbinding met West-Indië

1949: Portugal: generaal Carmona herkozen tot president (tot 19510722)

1950: Moskou: 30-jarig Russisch-Chinees alliantie-verdrag getekend

1956: 20ste Congres van de Communistische Partij (tot 19560223) met veroordeling van het Stalinisme door Chroetsjev

1958: Irak en Jordanië vormen Arabische Statenbond als reactie op de V.A.R., gesticht op 1 februari 1958

1961: Zuid-Afrika voert decimaal stelsel in: Rand als munteenheid

1963: Amerikanen lanceren communicatiesatelliet 'Syncom' vanuit Cape Canaveral
DS
Ikea vermijdt minstens 1.000.000.000 euro aan belastingen
Edited: 201602132330
Het gaat om een combinatie van franchisevergoedingen, onbelaste intellectuele eigendomsrechten ofte royalties, ruling-afspraken in Luxemburg, een ommetje langs Liechtenstein, kopen met dure leningen van de verkoper, de inzet van een coördinatiecentrum, de Belgische notionele belastingaftrek, ondoorzichtige Stichtingen in Nederland en Liechtenstein, etcetera.

Enkele namen:
Inter Ikea Systems BV (Nederland)
Interogo Finance (Luxemburg)
Interogo Foundation (Liechtenstein)
Ikea Service Center NV (coördinatiecentrum in België tot 2010)
Inter Finance SA (Luxemburg)
Stichting Ingka (Nederland)


Het wordt tijd dat de modale burger beseft dat wat de Groten niet betalen, de kleintjes wel moeten ophoesten om de begroting van vadertje staat te laten kloppen. Misschien iets om over na te denken terwijl u een Ikea-kast voor uw dochtertje in mekaar knutselt. Bedenk dan dat Ikea u met kastenschema's laat werken terwijl zij met belastingschema's goochelen. U kent dat wel: een pijltje naar boven, eentje naar rechts, een factuur voor levering van know how, een vette creditnota, een recuperatiebonus, een overlopende rekening, een doorgeschoten aftrekpost, een in de verf gezet goed doel, ...

De familie Kamprad vaart er wel bij en betaalt met plezier het (uiteraard aftrekbare) belastingadvies.

Staat uw kast er nu bijna?


zie ook het dossier LuxLeaks
VERMEERSCH Etienne in De Standaard
De vluchtelingencrisis: Ad impossibile nemo tenetur - Niemand is verplicht tot het onmogelijke
Edited: 201602131804
Professor Etienne Vermeersch is een enkeling die durft te zeggen waar het op staat.
Kan Europa een ongelimiteerde stroom vluchtelingen aan? Neen.
Hij argumenteert dat noch de sociale zekerheid noch de psychologische draagkracht van de bevolking dat kunnen torsen.
Hij wijst op de verantwoordelijkheid van politici en journalisten: 'zodra het ongenoegen een bepaald peil heeft bereikt, moeten beleidsmensen en journalisten ermee stoppen anderen betweterig te diaboliseren, vertrekkend vanuit hun torenhoog onbevlekt geweten.'
En dan is er het probleem van de islam.
Vermeersch verwijst naar het onderzoek van PEW Research Center in 2013.
We hebben het onderzoek waarnaar Vermeersch verwijst opgezocht en onderaan vindt u de link naar het complete rapport (226 pp.). Daaruit "blijkt dat 91% van de Iraakse moslims vindt dat de sharia de wet van het land zou moeten zijn. Volgens 92% moet de vrouw altijd haar man gehoorzamen en slechts 22% aanvaardt dat dochters hetzelfde erfrecht hebben als zonen. Bijna de helft (42%, LT) is van mening dat geloofsafval de doodstraf verdient," citeert EV.
En Vermeersch vraagt zich dan ook terecht af: "Zijn onze mensen dom als ze intuïtief vrezen dat opinies en gedragingen niet zomaar verdwijnen als mensen een voet op Europese bodem zetten?"
Tenslotte herhaalt V. zijn voorstel: "Een optimale tijdelijke opvang in de kampen en een snelle beëindiging van de oorlog door troepeninzet tegen IS (ISIS/DAESH, LT), vormen de enige mogelijke oplossing. Maar daar pleiten we al heel lang voor."

Totdaar Vermeersch.
En nu de kranten. Wat de redacties eens zouden moeten doen (zij zeggen zo vaak wat anderen moeten doen en denken!) is twee pagina's besteden aan de kernvragen rond de islam. In de zin van: 'Klopt het dat ...?"
Nu vinden we allerlei kletspraat en feiten door mekaar gehaspeld en de lezers krijgen absoluut geen klare kijk op het type godsdienst dat aan de orde is of die de bestaande rechtsorde wil hervormen.
Twee pagina's met feiten is toch niet teveel gevraagd, me dunkt. Niet om de discussie stil te leggen maar om af te raken van de cafépraat.
Wat mij stoort is dat diegenen die vochten tegen een achterlijk katholicisme nu zwijgen over een verdrukkende islam zonder de mogelijkheid tot emanciperende invulling. Alsof het doel niet hetzelfde zou zijn: boetsering van de geesten, onderdrukking van de vrouw en dominantie door een mannelijke kaste. De stilte is stuitend en wijst op het onvermogen om feitengerichte kritiek uit te brengen. Alsof de Verlichting in Europa niet heeft gewerkt !

LT

Hier kunt u het volledige rapport van PEW lezen - 20130430

Herlees de stellingnamen van Vermeersch dd. 20150905

het gebeurde op 7 februari ...
Edited: 201602070118
1561: eerste steenlegging van het stadhuis van Antwerpen, voltooid op 15650227; zie in dit verband Antwerpen & de scheiding der Nederlanden; zie ook het referentiewerk van Soly

1831: Belgische grondwet wordt afgekondigd te Brussel; voor een grondige bespreking van de grondwet verwijzen wij naar het werk van Wouter Pas, e.a.

1833: Griekse koning Otto I, verkozen op 18320830, doet zijn plechtige intrede in Griekenland, te Nauplia; hij een zoon van koning Lodewijk I van Beieren; Griekenland was in 1832 onafhankelijk verklaard door het Congres van Londen; ook de Nederlandse prins Frederik kreeg de Griekse troon aangeboden, maar hij bedankte voor de eer; Otto moest in 1862 gedwongen afstand doen van de troon.

1856: Engeland annexeert Voor-Indië (koninkrijken Agra en Oudh)

1921: tijdens een conferentie te Parijs bepalen de geallieerden de Duitse herstelbetalingen: 11,3 miljard £ sterling; lees in deze context De Zwarte Obelisk van Erich Remarque

1942: Japanse troepen landen te Singapore, dat zich overgeeft op 19420215

1943: Amerikaanse troepen veroveren Guadalcanal eiland (sleutelpositie in de Pacific) op de Japanners

1962: mijnramp te Völklingen, in het Saargebied, waarbij 299 doden en 70 gewonden vallen; de oorzaak van de ramp in de mijn van Luisenthal was de ontploffing van opgehoopt methaangas; Wiki heeft een uitgebreide Duitse pagina over de Grübe Luisenthal.
news
De Belgische postgroep Bpost neemt netwerk van 220 krantenwinkels (Press Shop) + mediaverdeler AMP over van het Franse Lagardère.
Edited: 201602050820



COMMUNIQUÉ DE PRESSE LAGARDERE
Paris, le 5 février 2016
Cession par Lagardère Travel Retail de ses activités de distribution de presse en Belgique
Lagardère Travel Retail poursuit son désengagement de l'activité de distribution de presse et de retail intégré, et annonce la signature d'un accord en vue de la cession de sa filiale de distribution belge au groupe bpost.
Cette opération constitue une nouvelle étape de la stratégie annoncée visant à se concentrer sur les activités en croissance du Travel Retail.
Cet accord permettra à bpost de poursuivre sa stratégie de croissance, basée notamment sur la diversification avec de nouvelles activités, dans le secteur du commerce de détail de proximité et de commodité.

Les réseaux actuels de bpost et de Lagardère Travel Retail garderont leurs spécificités et leurs gammes de produits. Un accord de franchise pour la distribution et l'exploitation des marques du Groupe Lagardère (Relay, Hubiz, So Coffee...) en Belgique sera également conclu entre les deux parties concernées.

Les activités concernées par ce projet de cession ont représenté en 2014 un chiffre d'affaires consolidé d'environ 440 M€.
La finalisation de cette cession est subordonnée principalement à l'obtention de l'accord des autorités de la concurrence.


À PROPOS DE LAGARDÈRE TRAVEL RETAIL :
Lagardère Travel Retail, une des quatre branches du Groupe Lagardère, est un leader global du travel retail Lagardère Travel Retail exploite 4 300 points de vente, en Travel Essentials, Duty Free et Restauration, dans les aéroports, gares et autres concessions, dans plus de 30 pays. Lagardère Travel Retail génère un chiffre d'affaires de 3,6 milliards d'euros (1).
Lagardère Travel Retail a une approche globale unique, qui vise à surpasser les attentes des voyageurs durant tout leur voyage et à optimiser les actifs des concédants et des marques partenaires.
(1) Ventes consolidées à 100% - Vision 2014 Pro-forma incluant les ventes de Gerzon, d'Airest et de Paradies de l'année fiscale 2014.
Voetbalprimeur
'Eurostadion kost belastingbetaler 432 miljoen euro, zware kost Anderlecht is weg'
Edited: 201601291514
vrijdag 29 januari 2016 om 06:19
De eerste steen van het Eurostadion is nog niet gelegd of er is opnieuw ophef omtrent het bouwcomplex. De belastingbetaler krijgt een groot deel van de rekening voorgeschoteld. Terwijl Anderlecht profiteert van een fiscaal voordeel. Dat onderzocht Het Laatste Nieuws.

Het nieuwe Eurostadion en alles wat daarmee te maken heeft kost geld, heel veel geld. De stad Brussel, het Brussels Gewest en de Vlaamse Regering pompen samen 432 miljoen euro in het project. Het gaat onder meer om kosten voor exploitatie, aanleg van de parking en de verbreding van de Ring. Dus niet zozeer voor de bouw van het stadion. Het geld wordt voor het grootste gedeelte gehaald bij de belastingbetaler.

Daarnaast zal de stad Brussel de veiligheidskosten financieren. Vanaf 2019 trekt het daarvoor jaarlijks 1,1 miljoen euro uit. Deze beslissing kwam er na een brief van Brussels begrotingsminister Guy Vanhengel (Open Vld) en minister-president Rudi Vervoort (PS) aan de stad Brussel. Daarin stond de eis: "Deze kosten zullen dan geenszins via retributies of lokale belastingen op de organisatoren van sportgebeurtenissen worden verhaald." In mensentaal Anderlecht moet niet opdraaien voor de veiligheidskosten. Dit is een fiscaal voordeel voor de club. Anderlecht zal wel jaarlijks een huurbedrag moeten betalen om in het stadion te spelen.

"Het is niet meer dan logisch dat we die voorwaarde opleggen", stelt minister Vanhengel. "Het gewest wil niet dat de stad ons geld recupereert bij de organisatoren van events, waaronder Anderlecht."

Commentaar: een constante: collectivisering van de lasten, privatisering van de winsten. Ondertussen kampt Brussel wel met het zware probleem van het onderhoud van zijn tunnels. Maar ja, dat is het algemeen belang en daar is niemand mee bezig.
De Standaard 20160127
Lijst van de 36 multinationals die sinds 2005 gebruik maakten van de Excess Profit Rulings (EPR) - Artikel 185 §2 WIB92
Edited: 201601270901
Atlas Copco Airpower nv: 517 mEUR
BP Aromatics Ltd nv: 164,3 mEUR
AB Inbev: 163,7 mEUR
Ampar: 129,8 mEUR
Celio International nv: 127,2 mEUR
Wabco Europe bvba: 126,6 mEUR
BASF: 110,8 mEUR
Belgacom International Carrier Services (nu Proximus): 95,8 mEUR
St Jude Medical CC bvba: 81,3 mEUR
VF Europe bvba: 64,8 mEUR
Pfizer Animal Health sa: 62,6 mEUR
Flir Systems Trading bvba: 60,3 mEUR
Eval Europa nv: 44,4 mEUR
Capsugel Belgium nv: 44,4 mEUR
Chep Equipment Pooling nv: 32,5 mEUR
Ontex bvba: 31,4 mEUR
LMS International: 31 mEUR
Soudal: 23,5 mEUR
Tekelec International sprl: 22,2 mEUR
The Heating Company: 20,1 mEUR
Dow Corning Europe sa: 14,1 mEUR
Kinepolis Group nv: 12,4 mEUR
Bridgestone Europe nv: 11,8 mEUR
Puratos: 10,3 mEUR
Noble International Europe: 10,2 mEUR
Esko Graphics bvba: 8,2 mEUR
Trane bvba: 8 mEUR
Knauf Insulation: 7,6 mEUR
Delta Light nv: 5,4 mEUR
Evonik Oxena Antwerp nv: 4 mEUR
Luciad: 3,9 mEUR
Omega Pharma International: 3 mEUR
Magnetrol International nv: 2,1 mEUR
Punch Powertrain: 1,7 mEUR
Nomacorc: 1,1 mEUR
Mayckawa Europe nv: 0,9 mEUR
De hierboven genoemde cijfers zijn de miljoenen euro's die niet belast werden. In totaal werd ruim 2 miljard euro aan winsten niet belast. Tegen een tarief van 34 procent vennootschapsbelasting komt dat overeen met 700 miljoen euro. België wordt door de Europese Commissie verplicht om dat bedrag bij de bedrijven bijkomend te innen.

Pro memorie:
Afdeling II : Belastinggrondslag
Artikel 185, WIB 92
§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.
§ 2. Onverminderd het tweede lid, voor twee vennootschappen die deel uitmaken van een multinationale groep van verbonden vennootschappen en met betrekking tot hun grensoverschrijdende onderlinge relaties:
a) indien tussen de twee vennootschappen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke vennootschappen, mag winst die één van de vennootschappen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die vennootschap;
b) indien in de winst van een vennootschap winst is opgenomen die eveneens is opgenomen in de winst van een andere vennootschap, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die deze andere vennootschap zou hebben behaald indien tussen de twee vennootschappen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke vennootschappen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van de eerstbedoelde vennootschap op passende wijze herzien.
Het eerste lid vindt toepassing bij voorafgaande beslissing onverminderd de toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436) van 23 juli 1990 en de internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting.

§ 3. Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en die gelegen zijn in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, blijft buiten aanmerking voor het vaststellen van de belastbare basis, tenzij voor wat betreft het proportioneel gedeelte van deze verliezen waarvoor de vennootschap aantoont dat dit niet is afgetrokken van belastbare winsten van deze inrichting in de Staat waar deze gevestigd is, en niet verrekend is met in België vrijgestelde winsten van andere buitenlandse inrichtingen van de vennootschap.
Petitie
Avaaz lanceert campagne tegen ivoorhandel via Yahoo - Redt de olifanten
Edited: 201601211004
Aan CEO van Yahoo Marissa Mayer, CEO van Yahoo Japan Manabu Miyasaka, en alle andere bedrijven die de online verkoop van ivoor toestaan:
Als wereldburgers schokt het ons dat u bijdraagt aan de uitsterving van olifanten door de verkoop van ivoor op uw website/platform toe te staan. Grote merken zoals Google en Amazon hebben al op verantwoordelijke wijze geweigerd om deel te nemen aan deze bloederige handel. Wij roepen u met klem op om de verkoop van ivoor op uw websites/platformen stop te zetten in Japan en alle andere markten.

teken de petitie tegen de ivoorhandel via Yahoo

Op dit ogenblik (201601211048) hebben reeds meer dan 312.000 personen de petitie getekend. De petitie kent een groot succes: 515.000 personen (201601211503); 724.000 personen (201601220016); 1.025.348 personen (201601240125); 1.037.000 personen (201601241357); 1.082.039 personen (201601260246); 1.125.000 (201601311225); 1.199.000 (201602030107).



zie ook onze nota van 26 december 2015
SEJNOWSKI Terry, BARTOL Tom
Memory capacity of brain is 10 times more than previously thought - Data from the Salk Institute shows brain’s memory capacity is in the petabyte range, as much as entire Web
Edited: 201601200915
LA JOLLA—Salk researchers and collaborators have achieved critical insight into the size of neural connections, putting the memory capacity of the brain far higher than common estimates. The new work also answers a longstanding question as to how the brain is so energy efficient and could help engineers build computers that are incredibly powerful but also conserve energy.

“This is a real bombshell in the field of neuroscience,” says Terry Sejnowski, Salk professor and co-senior author of the paper, which was published in eLife. “We discovered the key to unlocking the design principle for how hippocampal neurons function with low energy but high computation power. Our new measurements of the brain’s memory capacity increase conservative estimates by a factor of 10 to at least a petabyte, in the same ballpark as the World Wide Web.”

Our memories and thoughts are the result of patterns of electrical and chemical activity in the brain. A key part of the activity happens when branches of neurons, much like electrical wire, interact at certain junctions, known as synapses. An output ‘wire’ (an axon) from one neuron connects to an input ‘wire’ (a dendrite) of a second neuron. Signals travel across the synapse as chemicals called neurotransmitters to tell the receiving neuron whether to convey an electrical signal to other neurons. Each neuron can have thousands of these synapses with thousands of other neurons.
“When we first reconstructed every dendrite, axon, glial process, and synapse from a volume of hippocampus the size of a single red blood cell, we were somewhat bewildered by the complexity and diversity amongst the synapses,” says Kristen Harris, co-senior author of the work and professor of neuroscience at the University of Texas, Austin. “While I had hoped to learn fundamental principles about how the brain is organized from these detailed reconstructions, I have been truly amazed at the precision obtained in the analyses of this report.”

Synapses are still a mystery, though their dysfunction can cause a range of neurological diseases. Larger synapses—with more surface area and vesicles of neurotransmitters—are stronger, making them more likely to activate their surrounding neurons than medium or small synapses.

The Salk team, while building a 3D reconstruction of rat hippocampus tissue (the memory center of the brain), noticed something unusual. In some cases, a single axon from one neuron formed two synapses reaching out to a single dendrite of a second neuron, signifying that the first neuron seemed to be sending a duplicate message to the receiving neuron.

At first, the researchers didn’t think much of this duplicity, which occurs about 10 percent of the time in the hippocampus. But Tom Bartol, a Salk staff scientist, had an idea: if they could measure the difference between two very similar synapses such as these, they might glean insight into synaptic sizes, which so far had only been classified in the field as small, medium and large.
To do this, researchers used advanced microscopy and computational algorithms they had developed to image rat brains and reconstruct the connectivity, shapes, volumes and surface area of the brain tissue down to a nanomolecular level.

The scientists expected the synapses would be roughly similar in size, but were surprised to discover the synapses were nearly identical.

“We were amazed to find that the difference in the sizes of the pairs of synapses were very small, on average, only about eight percent different in size. No one thought it would be such a small difference. This was a curveball from nature,” says Bartol.

Because the memory capacity of neurons is dependent upon synapse size, this eight percent difference turned out to be a key number the team could then plug into their algorithmic models of the brain to measure how much information could potentially be stored in synaptic connections.

It was known before that the range in sizes between the smallest and largest synapses was a factor of 60 and that most are small.

But armed with the knowledge that synapses of all sizes could vary in increments as little as eight percent between sizes within a factor of 60, the team determined there could be about 26 categories of sizes of synapses, rather than just a few.

“Our data suggests there are 10 times more discrete sizes of synapses than previously thought,” says Bartol. In computer terms, 26 sizes of synapses correspond to about 4.7 “bits” of information. Previously, it was thought that the brain was capable of just one to two bits for short and long memory storage in the hippocampus.

“This is roughly an order of magnitude of precision more than anyone has ever imagined,” says Sejnowski.

What makes this precision puzzling is that hippocampal synapses are notoriously unreliable. When a signal travels from one neuron to another, it typically activates that second neuron only 10 to 20 percent of the time.

“We had often wondered how the remarkable precision of the brain can come out of such unreliable synapses,” says Bartol. One answer, it seems, is in the constant adjustment of synapses, averaging out their success and failure rates over time. The team used their new data and a statistical model to find out how many signals it would take a pair of synapses to get to that eight percent difference.

The researchers calculated that for the smallest synapses, about 1,500 events cause a change in their size/ability (20 minutes) and for the largest synapses, only a couple hundred signaling events (1 to 2 minutes) cause a change.

“This means that every 2 or 20 minutes, your synapses are going up or down to the next size. The synapses are adjusting themselves according to the signals they receive,” says Bartol.

link to Salk Institute




half a brain ...
Bloomberg
daling grondstoffenprijzen kan immigratie nog massaler maken, zegt Klaus Schwab (WEF)
Edited: 201601200104
As the crash in commodities prices spreads economic woe across the developing world, Europe could face a wave of migration that will eclipse today’s refugee crisis, says Klaus Schwab, executive chairman of the World Economic Forum.
“Look how many countries in Africa, for example, depend on the income from oil exports,” Schwab said in an interview ahead of the WEF’s 46th annual meeting, in the Swiss resort of Davos. “Now imagine 1 billion inhabitants, imagine they all move north.”
Commentaar LT: Schwab gaat er blijkbaar van uit dat bij hogere olieprijzen de Afrikaanse bevolking wél een deel van de koek krijgt. Dat valt nog te bezien ! Het grootste probleem in grondstoffen-landen zijn de corrupte regeringen die het Westen (de zogenaamd democratisch verkozen regeringen) daar in het zadel houdt. Zij bestelen hun eigen bevolking en gooien het op belasting-akkoorden met de grote maatschappijen.

zie onze nota over Chodiev en Kubla

zie onze nota over de omkoping van de Congolese premier door Serge Kubla
RT
Turkije heeft 12 academici aangehouden omdat ze de militaire campagne tegen de Koerden aanklagen
Edited: 201601151529
LT
Tom Naegels (ombudsman DS) ontkent bestaan van zelfverklaarde media-elite. Kom nou, Tom !
Edited: 201601141339
Verder heeft TN het over de manklopende reactiemogelijkheid op de website van De Standaard, iets dat al tien maanden aansleept. Dat is te wijten aan een 'technisch euvel'. Misschien is het raadzaam een extern bureau naar de problemen te laten kijken. Die zitten niet 'in-the-box'. Dat laatste is altijd al een probleem geweest voor de pers: het krampachtig navelstaren, het onaantastbare eigen grote gelijk en het missen van opportuniteiten.
De Standaard heeft indertijd naast 'De Tijd' gegrepen en dat laat zich voelen.
********************************************************
We kregen volgend antwoord van Tom Naegels:
Dag Lucas,

Bedankt voor je mail.

Zoals ik al schreef: de cultuurstrijd tussen een "vrij en onafhankelijk denkend volk" tegen een wereldvreemde en manipulatieve media-elite is een van de archetypische verhalen in de hedendaagse Westerse cultuur. Zoals ook de strijd tegen een "rechtse elite", een "blanke elite", een "economische elite", een "culturele elite", een "Europese elite", een "Franstalige" of "Belgicistische elite" of in sommige kringen misschien zelfs nog "een joodse elite" populair is. Een en ander hangt af van waar je je politiek positioneert, maar sowieso ziet de hedendaagse Westerse mens ziet zichzelf als een vrijgevochten individu die alle gezag wantrouwt, en die zich permanent, publiek en met veel retorisch gedruis verweert tegen de kuiperijen van een selecte kring hoge omessen - en je kan dus kiezen wélke selecte kring. De retoriek die jij gebruikt, en die ik al ontelbaar keren heb mogen lezen (krampachtig navelstaren, onaantastbaar, groot gelijk, nieuwe clerus ben je nog vergeten), hoort bij dat verhaal. Zoals ik zei: het is een sterk archetype, erg wervend en gemeenschapsvormend ook. Wie wil er immers een elite verdedigen? Je zou wel gek zijn.

Ik hoop binnenkort weer met je over boeken te kunnen praten.

Zeer hartelijk,
TN
********************************************************
Ons antwoord:
Dag Tom,

Je komt nog niet in de buurt van de essentie van mijn betoog.
25 jaar geleden schreef Frans Crols, hoofdredacteur Trends: "Schandelijk verwaarloosd is de mediakritiek in België. Een handvol scribenten fluit of joelt bij het vertoon op de beeldbuis, maar jaarlijks verschijnen 2,5 miljard kranten en tijdschriften zonder kritische begeleiding. Niemand kraakt in dit land de journalistieke produktie publiekelijk. Absurd is dit."
Ik heb nog een concreet voorstel: verklein de foto’s in jullie krant; die zijn nu belachelijk groot; je krijgt dan plaats voor enkele relevante lezersbrieven. Daar zal toch geen ‘technisch euvel’ in de weg staan, zeker?
Tenslotte schrijf je: "Ik hoop binnenkort weer met je over boeken te kunnen praten." Ik hoop dat je daarmee niet bedoelt: "Lucas, blijf jij maar bij je boeken en hou je weg van kritiek."
Mvg,
Lucas
*********************************************************
En dan weer zijn antwoord:
Nee, dat bedoel ik niet Lucas. Alleen dat ik met je kritiek niet veel kan. Maar dat zal wel aan mijn onverbeterlijk elitarisme liggen.
Groeten uit de ivoren toren.
Tom Naegels
Ombudsman De Standaard
*********************************************************
Nee Tom, dat ligt aan het feit dat je maar de helft van mijn mails leest.
Mvg,
LT
*********************************************************
Hier de mening van prof Paul Janssens:
Erg grappig, die wederzijdse ironie! Maar nu ter zake. Kranten zoals DS lijden aan dezelfde euvel als een aantal VRT-journalisten: ze zijn onverholen tendentieus. Nu vind ik wel dat een krant mag opteren voor de systematische verdediging van de eigen vooroordelen. Uiteindelijk kiezen de lezers zelf of ze de krant blijven kopen of niet. Veel erger is het gesteld met de VRT. De journalisten zijn er voor het leven benoemd. Ze misbruiken de openbare omroep ongegeneerd om de actualiteit dag na dag met hun eigen opinie te verpakken en aan indoctrinatie te doen. Sinds enkele maanden ben ik naar de berichtgeving op VTM overgestapt.
Met beste groeten,
Paul
*********************************************************

News
BEL: MR wil als enige partij 'Mein Kampf' laten verbieden.
Edited: 201601131253
Beter onderwijs en een leescultuur bevorderen zouden positievere signalen zijn van een partij die enkel met zichzelf bezig is.

zie ook onze nota over de heruitgave door Fayard
news
Mein Kampf heruitgegeven in Duitsland
Edited: 201601081130
Het werk wordt heruitgegeven met een paar duizend voetnoten.
Zie ook onze nota over de heruitgave door Fayard.

Een nederlandstalige uitgave vindt u hier.
WEBB Simon
British Concentration Camps - A brief history from 1900 - 1975
Edited: 201601051416
For many of us, the very expression 'Concentration Camp' is inextricably linked to Nazi Germany and the horrors of the Holocaust. The idea of British concentration camps is a strange and unsettling one. It was however the British, rather than the Germans, who were the chief driving force behind the development and use of concentration camps in the Twentieth Century. The operation by the British army of concentration camps during the Boer War led to the deaths of tens of thousands of children from starvation and disease. More recently, slave-labourers confined in a nationwide network of camps played an integral role in Britain's post-war prosperity. In 1947, a quarter of the country's agricultural workforce were prisoners in labour camps. Not only did the British government run their own concentration camps, they willingly acquiesced in the setting up of such establishments in the United Kingdom by other countries. During and after the Second World War, the Polish government-in-exile maintained a number of camps in Scotland where Jews, communists and homosexuals were imprisoned and sometimes killed.This book tells the terrible story of Britain's involvement in the use of concentration camps, which did not finally end until the last political prisoners being held behind barbed wire in the United Kingdom were released in 1975. From England to Cyprus, Scotland to Malaya, Kenya to Northern Ireland. The book details some of the most shocking and least known events in British history.
Independent
Turkey: Erdogan cites 'Hitler's Germany' as example of an effective form of government
Edited: 201601020354
News
Koerden vragen autonome regio binnen Turkse grenzen
Edited: 201512272256
Dit is het gevolg van de aanhoudende aanvallen op Koerdische doelwitten.
De regering in Ankara wijst elke opsplitsing van het land af.

meer info
JOYE Pierre
Pierre Joye - portret & biografie
Edited: 201512261615


Lieux et dates de naissance et de mort : Ixelles, 25 janvier 1909 - Bruxelles, 29 février 1984.
Métiers :
Economiste et journaliste Engagement politique : Membre du PCB (1933),
Membre de la Direction Fédérale du PCB,
Rédacteur du Drapeau Rouge,
Rédacteur en chef de La Voix du peuple (1936),
commandant des Partisans armés,
membre du Comité central du Parti communiste belge,
Coopté au Comité Central du PCB (1957-1982)
Engagement syndical : /
Mandats politiques : Conseiller provincial du Brabant (1936)
Autres : Déporté au camp du Vernet d’Ariège (1940),
Fondateur du Front de l’indépendance,
Fondateur des Partisans Armés (1943),
Déporté à Breendonck, puis à Sachsenhausen,
9 juillet 1943, à Breendonk,
Contribue à la parution des Cahiers Marxistes (1969)
NGO Coolproducts
gesjoemel met lichtwaarden lampen: producenten vermelden tot 25 procent te hoge lumen-waarden op verpakking
Edited: 201512171129
Lobbies hielden strengere Europese regels tegen.
En, geen verrassing: de gedupeerde, dat bent u.

GOETHALS Maarten
150 JAAR NA KRONING VAN TWEEDE KONING VAN BELGIË | ‘Leopold II met Hitler vergelijken gaat niet altijd op’
Edited: 201512170802
De Standaard | 17 DECEMBER 2015 | Maarten Goethals
Een koloniaal genie of een ordinaire misdadiger? De figuur en de erfenis van koning Leopold II blijven de natie verdelen. Ook de directeur van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika weet het niet ‘na uren en uren discussiëren’.
Exact honderdvijftig jaar geleden volgde Leopold II zijn vader op als koning van België. Anderhalve eeuw later roept de lange, rijzige figuur met de volle grijze baard nog steeds felle reacties op.

‘Ofwel krijgt hij het epitaaf bouwmeester van België, die prachtige constructies neerpootte in Oostende en Brussel en het land internationaal, industrieel en cultureel op de kaart zette; een man met visie en daadkracht, een staatkundig genie dus. Ofwel krijgt hij meteen hitleriaanse trekjes. Maar niets daartussen’, zegt Jan Vandersmissen, historicus aan de universiteit van Luik en gespecialiseerd in de figuur van Leopold II. Niet dat Vandersmissen de ‘humanitaire ramp’ en de ‘gruwelen’ in de voormalige kolonie Congo minimaliseert, maar hij pleit wel voor een meer ‘neutraal debat over de vorst, om een juister inzicht te krijgen in diens beleid en persoon. En vergelijkingen met de Duitse Führer drijven de zaken op de spits, en kloppen vaak ook niet. Zo had Leopold helemaal geen uitroeiingsprogramma voor ogen.’

Naast meer nieuw wetenschappelijk onderzoek (dat in eigen land eigenlijk al een paar jaar stil ligt) pleit Vandersmissen ook om nieuwe archieven en bronnen aan te boren. ‘Zoals het archief van zijn privésecretarissen, dat duizenden handgeschreven briefjes bevat, vaak over geld en financiën, en moeilijk leesbaar: de zinnen van Leopold lijken op een horizontale lijn met af en toe een reliëfje.’

Maar toch, meer informatie (lees: meer contextualiseren en meer internationale vergelijkingen maken met andere koloniale machten zoals Frankrijk of Portugal) gaat allicht niet minder polemiek veroorzaken. Leopold II is en blijft omstreden: de Brusselse MR-schepen Geoffroy Coomans, die vandaag een optocht en een lezing wilde organiseren ter ere van het staatshoofd, kreeg de wind van voren en zegde alles af.

Ook het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika worstelt momenteel met de kwestie: was Leopold II een massamoordenaar of een wereldverbeteraar?

Kopzorgen

‘Het museum blijft voor renovatie dicht tot 2017, en die werken gaan goed vooruit’, vertelt directeur Guido Gryseels. ‘Wat ons echter kopzorgen bezorgt, is de opbouw van de nieuwe tentoonstelling. Ik kom net uit een vergadering van drie uur waar de vraag voorlag: hoe Leopold typeren? Eerlijk gezegd: ik weet het niet.’

Gryseels denkt ook nooit een definitief antwoord te kunnen geven. ‘Maar ik weet wel dat bij de opening van het museum honderden buitenlandse journalisten gaan kijken hoe België in de 21ste eeuw omgaat met zijn koloniaal verleden. Voor alle duidelijkheid: de voorstelling gaat de wandaden van de vorst allerminst minimaliseren of goedpraten – ook in de tijd dat hij leefde waren trouwens al kritische geluiden te horen over zijn tomeloze ambities en onstilbare geldzucht, vooral in Angelsaksische landen. Het parcours gaat alle elementen op tafel leggen en het publiek moet dan maar zelf zijn mening vormen.’

Gryseels hoopt enerzijds dat de nieuwe tentoonstelling (waarvoor hij samenwerkt met de Congolese gemeenschap) de jeugd iets bijbrengt over de ‘schaduwzijde van het Belgische succes’. En dat het anderzijds ook het maatschappelijke, ethische debat over de koloniale geschiedenis in alle hevigheid doet losbarsten.

Een hoop die hij deelt met Groen-politicus Bruno De Lille, verder in deze krant, en met VUB-historica Els Witte: ‘Media en politici moeten het onderwerp terug op de agenda plaatsen. De vraag luidt immers niet: was Leopold II een grote of een slechte koning? Maar wel: hoe kon dat gebeuren? Welke systemen lagen aan de basis? Als koning probeerde hij immers, tegen de wil van het parlement, zijn macht te handhaven, en hij leefde in kapitalistische tijden.’

De grootmacht België

‘Niet vergeten’, werpt Gryseels als laatste argument op om het debat te openen. ‘In België wonen ongeveer 70.000 Congolezen, en die worstelen nog dagelijks met dat trauma. Zo vinden velen dat alles wat momenteel misloopt in Congo nog steeds de schuld is van Leopold, wat natuurlijk ook weer niet klopt. En veel Belgen denken nog steeds met veel nostalgie naar die tijd toen ons land nog een grootmacht was. Ook niet gezond.’
RT
Role of Saudi-led ‘military alliance’ put to question as some members reject participation
Edited: 201512162318
On Tuesday, Saudi Arabia announced the creation of an ‘Islamic military alliance’ with a mission to fight terrorism. Deputy Crown Prince Mohammed bin Salman said the coalition of 34 Muslim states would fight the scourge in Iraq, Syria, Libya, Egypt and Afghanistan.
read more
Commentaar:
Kroonprins Salman oogste in zijn campagne tegen Yemen al geen geweldig succes.
Nu blijkt de communicatie binnen de Arabische Liga ook niet effectief.
Bujumbura News - Boubacar Sanso Barry
Van extreem geweld over burgeroorlog naar genocide? Honderden doden. Gaat Burundi de weg op van Rwanda?
Edited: 201512151426
"Comme jadis avec le Rwanda, l’humanité se trouve désormais interpellée par ce qui se passe au Burundi. Surtout après ce que la capitale Bujumbura a vécu ce week-end. Après les images horribles de corps jonchant les rues de la capitale que le régime s’est dépêché d’enterrer, on ne peut plus tergiverser, au risque de pécher pour non-assistance à personnes en danger. Parce qu’avec la répression sanglante et sauvage qui s’est abattue sur les quartiers contestataires de Bujumbura, après les attaques armées menées contre trois camps militaires de Bujumbura, aucun doute n’est plus permis. A ce rythme, Nkurunziza et les siens sont partis pour exterminer tous ceux qui sont politiquement ou ethniquement différents d’eux. Et, possédés par le diable en personne, ils ne semblent vouloir céder à aucune pression."
lees meer
News
Frankrijk verlaagt na protest de BTW op tampons van 20 naar 5,5 procent
Edited: 201512130242
Georgette Sand est fière mais reste vigilante. C’est maintenant vers les industriels et les distributeurs que son œil se tourne : à eux de répercuter cette réduction sur les prix des protections périodiques afin qu’elle profite aux consommatrices dès le 1er janvier.
#NoTaxOnTampons
Laurent Bègue⁎, Véronique Bricout, Jordane Boudesseul, Rébecca Shankland, Aaron A. Duke
Some like it hot: testosterone predicts laboratory eating behavior of spicy food in: Physiology & Behavior, december 2015
Edited: 201512121248
abstract article
In the present study, we analyzed the relationship between eating behavior of spicy food and endogenous testos-terone. Participants included 114 males between the ages of 18 and 44 recruited from the community. They were asked to indicate their preferences regarding spicy food and were then asked to season a sample of mashed potatoes with pepper sauce and salt (control substance) prior to evaluating the spiciness of the meal. A positive correlation was observed between endogenous salivary testosterone and the quantity of hot sauce individuals voluntarily and spontaneously consumed with a meal served as part of a laboratory task. In contrast, significant correlations were not observed between testosterone and behavioral preference for salty foods. This study suggests that behavioral preference for spicy food among men is related to endogenous testosterone levels.
(...)
From the Conclusion: (...) it may be the case that consuming spicy foods produces elevated levels of testosterone. (...)

As a recent study showed, individuals who chosered in a lab-based experimentasa symbol color to representthemselveshad higher testosterone levels and rated their color as having higherlevels of certain characteristics, such as dominance and aggression,than did those participants who chose blue. (Farrelly, 2013)


BAUWENS Michel (interview in De Standaard Weekblad 20151212)
‘De Belgische regering kiest voor een trek-uw-plansamenleving’
Edited: 201512120903
CYBERFILOSOOF MICHEL BAUWENS EN DE ECONOMIE NA HET KAPITALISME
12 DECEMBER 2015 | Yurek Onzia, foto’s Fred Debrock
Het laatste boek dat wijlen Jean-Luc Dehaene cadeau deed aan zijn partijvoorzitter Wouter Beke, was De wereld redden van Michel Bauwens. Dat is de Belgische peetvader van de peer-to-peerbeweging – een vraag-aanbodeconomie tussen particulieren – vooralsnog niet gelukt, maar zijn alternatieve model maakt wel opgang. ‘Ja, ik ben een wereldverbeteraar.’
Een maandagmiddag in het Grand Café van het Antwerpse kunstencentrum deSingel. Michel Bauwens drinkt een espresso in het gezelschap van vier dames van Actueel Denken en Leven, een vereniging die sinds de jaren 70 voordrachten voor vrouwen organiseert over tendensen in de samenleving. Bauwens is voor deze lezing overgevlogen vanuit Berlijn, waar hij een van de hoofdgasten was op UnICommons, een tweedaagse rond gemeengoed. Straks vertrekt hij voor een tournee naar Nieuw-Zeeland en Australië, in het voorjaar is hij gastdocent aan de universiteit van Madison in de Amerikaanse staat Wisconsin.

Vandaag verwacht Bauwens maar ‘een man of 50, wat oké is, want ik spreek ook graag voor kleinere groepen’. Blijkt dat de Blauwe Zaal bomvol zit, 750 bezoekers, allemaal vrouwen. Ze smullen van zijn met voorbeelden gelardeerde verhaal over de peer-to-peer-economie, met als pijlers open en gedeelde kennis, duurzaamheid en solidariteit. En zij niet alleen. Bauwens’ boek De wereld redden is ook een Franse bestseller, de Engelse en Spaanse vertalingen staan op stapel. Verwante geesten als Jeremy Rifkin en Douglas Rushkoff steken hun appreciatie niet onder stoelen of banken. En in 2012 al nam het Post Growth Institute Bauwens op in de (En)Rich List, een lijst met de 100 meest inspirerende figuren voor een duurzame toekomst. Hij staat er te blinken naast Vandana Shiva, Mahatma Gandhi en Martin Luther King.

Terug naar het Grand Café, waar het gesprek geanimeerd is, jolig bij momenten. Bauwens is zijn bescheiden-charmante zelf, met anekdotes en grapjes over de boeddhistische gewoontes in Thailand. Hij woont al vijftien jaar in Chiang Maimet zijn Thaise vrouw en hun twee kinderen. Vandaaruit trekt hij de wereld rond om zijn visie op een nieuw maatschappijmodel uit te dragen. ‘Mijn vrouw begrijpt het allemaal niet zo goed’, lacht hij. ‘Telkens als ik vertrek, vraagt ze hoe het mogelijk is dat er mensen naar mij komen luisteren en daar nog voor willen betalen ook.’

Op het tandvlees

Het engagement van Michel Bauwens wortelt in de late jaren 90. Terwijl hij kampte met een burn-out, zag hij ook hoe het helemaal verkeerd ging met de wereld. Meer ongelijkheid, meer ecologische problemen. ‘Het leek alsof ons systeem er maar niet in slaagde om daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Dertig jaar geleden hadden we een ozonprobleem. Dat hebben we grotendeels opgelost, dankzij het Montrealprotocol van 1987 en de belofte van 197 landen om geen ozonschadelijke stoffen meer te produceren. Maar een gezamenlijke aanpak van de opwarming van de aarde en de klimaatverandering, dat lukt blijkbaar niet.’

Er was nog een motivatie. Bauwens had gewerkt als kaderlid voor British Petroleum en als e-business-strateeg voor Belgacom, had gezien hoe het er daar aan toe ging, hoeveel stress en burn-outs er waren en hoe kortzichtig het beleid van grote bedrijven was geworden. ‘Een verziekte werksfeer waar zelfs de elite van het kapitalisme vandaag niet aan ontsnapt’, zegt hij. ‘Vijftig jaar geleden gingen de Engelse aristocraten vrolijk naar de gentlemen’s clubs, om te socializen. Nu werkt een kaderlid 80 uur per week. Mensen zitten op hun tandvlees, ze zijn niet gelukkig.’

Bauwens dacht: dit kan toch niet het model voor de toekomst zijn? En ook: was hij een deel van het probleem of van de oplossing? ‘Het antwoord was duidelijk’, zegt hij. ‘Binnen zo’n structuur bleef ik een deel van het probleem. Ik heb toen beslist om me actief bezig te houden met systeemveranderingen. Ik nam een sabbatical, trok twee jaar uit om te lezen, onder meer over de val van het Romeinse Rijk, en reisde een halfjaar rond om dingen van nabij te bestuderen. De neerslag daarvan werd De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, het boek dat ik schreef met Jean Lievens.’

Peer-to-peer is een begrip dat oorspronkelijk uit de computerwereld komt, het betekent ‘van gelijke tot gelijke’. Wellicht was Bauwens niet de eerste, hij denkt aan het werk van iemand als Yochai Benkler, maar hij was wel een van de eersten die het p2p-principe hebben toegepast als sociale structuur op andere vlakken van de samenleving. Fundamenteel gaat het over de capaciteit van mensen om als gelijken onder elkaar samen waarde te creëren, via speciale licenties die het delen mogelijk maken. Het internet en de nieuwe technologieën laten meer dan ooit toe om makkelijk met elkaar in contact te komen en samen te werken. Zonder de normale hiërarchische structuren, maar door onderlinge coördinatie, op een globale schaal. ‘Peer-to-peer is dus niet zomaar een spelletje’, zegt Bauwens. ‘Het is het verhaal dat onze planeet nodig heeft.’

Parasitaire P2P

Centraal in dat verhaal staat het begrip commons, gemeengoed. Bauwens legt uit. ‘In de middeleeuwen al hadden boeren vaak een gemeenschappelijk stuk eigendom. Daarover maakten ze afspraken, om bijvoorbeeld op bepaalde tijdstippen vruchten te plukken.Commons is geen privaat goed en ook geen eigendom van de overheid, maar wordt beheerd door een gemeenschap van burgers, gebruikers en producenten, die er de voordelen of gevolgen van ondervinden.’

‘In de westerse wereld heeft het kapitalisme dat gemeengoed proberen af te breken. Het evenwicht tussen privé- en gemeenschappelijk bezit werd, zeker in de voorbije decennia, steeds ernstiger verstoord. Maar via het internet is het doodeenvoudig om samen op grote schaal gemeengoed te realiseren. Op die manier komencommons opnieuw in de kijker. En leiden ze naar een nieuwe manier van denken en aanpakken.’

zie onze nota over eigendom en staat

Kunt u daar voorbeelden van geven?

‘Eerst was er de vrije software, Linux. Een groep mensen creëerde die nieuwe software, maar privatiseerde hem niet en begon hem met iedereen te delen. Eén voorwaarde: als je er gebruik van maakt en er iets aan verandert, moet je die verbetering ook delen met de andere gebruikers. Wikipedia is nog een voorbeeld: een digitale bundeling van kennis op basis van vrijwillige bijdragen, die de oude encyclopedieën zo goed als overbodig heeft gemaakt.’

‘Momenteel evolueren we van een kapitalistische economie, gebaseerd op arbeid en kapitaal, naar een p2p-economie, gebaseerd opcommons en een vrijere taakverdeling. Maar omdat het allemaal nog gefragmenteerd is, zien mensen het volledige plaatje niet. Als onderzoeker kijk ik met de P2P Foundation naar die nieuwe initiatieven en vormen waarmee mensen bezig zijn, probeer er de onderliggende structuur en logica van te begrijpen en die inzichten naar het grote publiek te brengen.’

Commons, samenwerken, deeleconomie: het klinkt allemaal goed. Maar wat met bedrijven als Uber en Airbnb? Ze laten uitschijnen dat ze deel uitmaken van die sociaal gedreven p2p-economie, maar zijn evengoed gericht op winstmaximalisatie en beurswaarde.

‘Dat is inderdaad een probleem. In de nieuwe deeleconomie overheersen Uber en Airbnb, en Facebook zwaait de plak over de sociale media. Vandaag heeft het 1,3 miljard actieve gebruikers en het verandert de samenleving door de manier waarop het, via peer-to-peercommunicatie, mensen met elkaar in contact brengt. Maar zonder gebruikers heeft Facebook geen waarde. Het maakt gigawinsten door onze aandacht, het schaarste-element, te verkopen aan andere bedrijven. Wij creëren dus 100 procent van de marktwaarde, maar de opbrengsten gaan integraal naar Mark Zuckerberg. In het kapitalistische systeem betaal je de mensen tenminste nog voor hun arbeid, de toegevoegde waarde. Airbnb en Uber faciliteren, maar voegen zelf niets toe en nemen geen enkele verantwoordelijkheid. Op die manier werken ze veel goedkoper dan hotels en taxibedrijven, kunnen ze de markt innemen en grote winsten maken. Zo’n systeem kan niet blijven werken, want het is parasitair, ook voor het kapitalisme zelf. De p2p-dynamiek kan het huidige maatschappijmodel dus ook enorm verstoren.’

Coalition of the Commons

Hoe los je dat op? Michel Bauwens kijkt naar de politiek. Partijen en overheden die de kracht van het nieuwe model inzien en ermee aan de slag gaan. ‘Zo kun je in Gent of Antwerpen perfect een eigen gemeengoedversie van Uber oprichten en de winst ervan verdelen onder de chauffeurs. Waarom doen we dat niet? De rol van stedelijke overheden kan daarbij cruciaal zijn, door als facilitator van een deeleconomie op te treden.’

Bauwens stelt een Coalition of the Commons voor. ‘Door de digitalisering wordt traditionele arbeid steeds schaarser en kunnen we geen sociale compromissen meer sluiten enkel op basis van klassieke loonarbeid. Het moet wel mogelijk zijn om een nieuwe sociale en politieke meerderheid te creëren rond het idee van de commons. Je hebt het succes van de Piratenpartijen – in IJsland worden ze volgens recente peilingen de grootste partij – die de digitale cultuur vertegenwoordigen. Je hebt de Groenen, die de natuur als gemeengoed vertegenwoordigen. Je hebt nieuwe progressieve partijen, zoals het Griekse Syriza en het Spaanse Podemos en Barcelona en Comù (‘Barcelona Samen’, nieuw burgerplatform dat bij de laatste verkiezingen een meerderheid behaalde en met Ada Colau de nieuwe burgemeester leverde, red.), die zijn voortgekomen uit de Occupy-, de 15 mei- en Syntagma Squarebewegingen: allemaal groeperingen die sterk de peer-to-peer-principes hebben toegepast. Ik denk ook aan de grote mobilisatie die politici als Bernie Sanders in de VS en Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië teweegbrengen en aan nieuwe burgerbewegingen zoals Hart Boven Hard/Tout Autre Chose in België.’

(op dreef) ‘We hebben vandaag een negatief sociaal contract. Wat is onze belofte aan onze jongeren? Dat je, áls je een geschikte job vindt, harder en langer zal moeten werken. Dat studeren steeds duurder zal worden, dat je je volwassen leven zult beginnen met schulden. Dat je geen huis zult kunnen kopen, als je geen rijke ouders hebt. De huidige Nederlandse en Britse regering, en ook de Belgische, kiest voor een trek-uw-plansamenleving. Een gevaarlijk model, want het vernietigt in ijltempo de solidariteitsmechanismen en het sociale weefsel. Het nefaste Europese austeritybeleid, gedicteerd door dezelfde grootbanken die ons met hun roekeloze gespeculeer en hebzucht in de crisis hebben gestort, drijft landen naar de bedelstaf. Willen we dat veranderen, dan zullen we, zoals de arbeiders ooit een arbeidersbeweging hebben opgebouwd, een commonsbeweging moeten creëren.’

Ziet u dat zonder slag of stoot gebeuren?

‘Dat moet uiteraard op een democratische manier gebeuren, maar het gaat wel om radicaal andere politieke keuzes – je kunt die niet alleen bewerkstelligen door op je eentje microfabrieken te bouwen. Je moet dan denken aan het grondig veranderen van instituties en instellingen, aan méér democratie en burgerparticipatie. Of dat een gewelddadig proces is of niet, hangt niet van ons af. Wel van het feit of het systeem soepel genoeg is om die innovaties te accepteren. Een systeem wordt pas gewelddadig, als het niet meer kan veranderen zónder geweld. Dat moeten we absoluut vermijden. Ik pleit voor evolutie en samenwerking, in plaats van voor revolutie en onderlinge verdeling.’

Dat de veranderingen volop bezig zijn, toont u in uw boek aan via een reeks succesvolle cases.

‘Ja, ik denk aan Fora do Eixo, een groot p2p-cultuurnetwerk in Brazilië dat erin is geslaagd een grote alternatieve muziekeconomie te creëren. Je hebt er ook Curto Café, een alternatieve koffiegemeenschap die heel wat peer-to-peer-principes gebruikt: openheid in de productie en de boekhouding, een open recept en wie investeert, wordt terugbetaald met gratis koffie. Of het Broodfonds in Nederland, een mooi voorbeeld van onderlinge solidariteit bij ziekte of ongeval tussen kleine zelfstandigen, freelance kenniswerkers en kleine ondernemingen – het nieuwe precariaat, dat zouden de vakbonden dringend moeten beseffen. En in Zwitserland heb je WIR, een p2p-organisatie van 62.000 ondernemers die werkt als een soort ‘nieuwe gilde’ en haar leden helpt en versterkt door kredietverstrekking via een alternatieve munt, de WIR franc, buiten de traditionele banken om. Allemaal dingen die de arbeidersbeweging in de 19de eeuw al deed, maar nu in een nieuw technologisch jasje zitten.’

VAN TINA NAAR TAPAS

U reist vanuit uw thuisbasis in Thailand vrijwel continu de wereld rond, met een onvermoeibare, haast apostolische bevlogenheid. Wat houdt u gaande?

‘Als je iets wilt veranderen, moet je mensen hoop geven en die energie mobiliseren. Misschien lukt het niet, maar als je begaan bent met sociale rechtvaardigheid en de planeet, en iets wilt bereiken, kun je gewoon niet anders. Tijdens mijn burn-out werd het me duidelijk dat een engagement met mijn medemens, van gelijke tot gelijke, een essentieel deel van mijn leven moest zijn. Het peer-to-peer verhaal was daar de logische uitkomst van.’

‘In The Varieties of Religious Experienceheeft Harvard-filosoof William James het over de ‘once born’ en de ‘twice born’. Er zijn mensen die geboren worden en onmiddellijk hun plaats vinden. Je hebt er ook die een strijd moeten leveren, een crisis doormaken. Als die erin slagen, zegt James, om later in hun leven erbovenop te komen, zijn dat de mensen die de wereld veranderen. Ik was als jongeman niet gelukkig. Vond mijn plaats niet, heb moeten worstelen om zingeving te creëren. En dan gebeurt er iets waardoor alles samenvalt en je weet: dit is mijn weg. Ik doe dit dus omdat ik het móét doen.’

Beschouwt u uzelf als een wereldverbeteraar?

(resoluut) ‘Ja.’

Ik vraag het omdat het een woord is dat mensen nauwelijks nog in de mond durven nemen.

‘Ja, maar dat is net het probleem. Dat heersende cynisme, in combinatie met het dominante neoliberale denken. Sommige politici proberen de mensen wijs te maken dat er geen andere opties zijn dan het beleid dat we nu voorgeschoteld krijgen. Dat is een verschrikkelijke onderdrukking van de mens en van het menselijke potentieel. Ik zeg het vaak: we moeten van TINA (There Is No Alternative, red.) naar TAPAS (There Are Plenty of Alternatives’, red.), want er zijn wel degelijk alternatieven.’

‘Momenteel zijn miljoenen mensen hun leven aan het veranderen. Ze accepteren steeds minder het dominante neoliberale economische denken en willen ethisch, duurzaam en solidair handelen. Uit een onderzoek in Finland is gebleken dat maar liefst 95 procent van de Finse designstudenten wil meewerken aan duurzaamheidsinitiatieven. Mensen zetten zich in voor hun wijk en voor natuurbehoud, organiseren repair cafés, zetten coworking spaces en FabLabs op, delen hun wagens en materiaal, en produceren alternatieve energie, geïnspireerd door de succesvolle burgercoöperatieven in Duitsland, waar 96 procent van de hernieuwbare energie wordt geproduceerd buiten de energiemaatschappijen om. Op die manier ontstaat er een tegenmacht die de bestaande macht uitdaagt, met solidariteit, duurzaamheid en gedeelde kennis als belangrijkste pijlers.’

Er is nog hoop?

‘Er is zeker hoop. En het is belangrijk om hoop te hebben. Niet omdat mensen die de wereld willen verbeteren, daar altijd volledig in slagen. Maar beeld je in dat je zelfs niet meer probeert. Dan boer je zeker achteruit.’
DS
Gent weet geen raad met jeugdbende(s) - Antwerpen plant campagne tegen ongewenste intimidatie van meisjes en holebi's
Edited: 201512091205
Wellicht moet burgervader Daniël Termont eens op studiereis naar Napels om het Gomorra te aanschouwen dat daar is ontstaan. Op de terugreis kan hij enige ervaring opdoen in Marseille.
Bart De Wever - altijd goed in metamorfoses en verkleedpartijen - raden wij aan eens als bevallig jong blond meisje door zijn koekenstad te paraderen. Succes verzekerd!
We mogen dan een Zweedse regering hebben, Zweedse toestanden wil niemand.
Lucas Tessens
De nachtmerries van SA en de USA: Hormuz en Aden, niet Syrië
Edited: 201512050133
Terwijl alle ogen gericht zijn op Syrië, ligt de aandacht van de USA en van Saoedi-Arabië aan de Arabische Zee: de Golf van Aden en vooral de doorsteek naar de Perzische Golf nabij Hormuz. Hormuz is de achilleshiel (chokepoint) van het Saoedische subcontinent. Een escalatie in de relaties met Iran zou catastrofale gevolgen hebben. De pacificatie over het atoomprogramma van Iran (20150402, P5+1, Joint Comprehensive Plan of Action - JCPOA) moet in dat licht worden gezien. De belangen van de USA liggen daarom minder in de Middellandse Zee en de strategische positie van Israël is geslonken. Het Suez-kanaal kan al lang niet meer tippen aan de Straat van Hormuz als het om de afvoer van olie met supertankers gaat.
De toegang tot de Rode Zee wordt door de USA beveiligd vanuit Djibouti. Camp Lemonnier is er de enige permanente US-base is op het Afrikaanse continent.
Syrië en de Middellandse Zee zijn veel belangrijker voor Rusland en Europa.




zie ook: The geo-politics of the Strait of Hormuz


France 5 - Yves Calvi
Le double jeu de la Turquie - Emission du 20151202
Edited: 201512030003


Les experts autour de la table:
Dorothée Schmid, Chercheuse spécialiste de la Turquie à l'IFRI;
Frédéric Encel, Docteur en géopolitique;
Pierre Servent, Expert en stratégie militaire et spécialiste des questions de défense;
Jean-Dominique Giuliani, Président de la fondation Robert Schuman.
Présentation: Yves Calvi
Sommaire:
C’est un pacte inédit. Alors que la guerre des mots continue entre Moscou et Ankara, une semaine après que des chasseurs turcs ont abattu un bombardier Soukhoï russe à la frontière syrienne, les Européens ont scellé dimanche un plan d'action avec les Turcs pour freiner le flux de migrants vers l'Union européenne. Trois milliards d’euros vont être accordés à la Turquie pour l’aider à accueillir les 2,2 millions de réfugiés syriens qui sont sur son territoire. En échange de l’engagement d’Ankara à endiguer le flot des migrants, les 28 ont également accepté de faciliter l’obtention de visas pour les Turcs souhaitant séjourner en Europe tandis que le processus d'adhésion de la Turquie à l'UE, ouvert depuis 2005 mais au point mort depuis des années, va être "redynamisé". Est-ce que l’on peut parler d’ "une journée historique", comme l’a fait le Premier ministre turc ? Un nouveau chapitre s’ouvre-t-il dans les relations avec la Turquie ?

Principale porte de sortie des migrants, à commencer par les Syriens, la Turquie est devenue un allié incontournable d’une Europe divisée, inquiète des risques terroristes et déstabilisée par l’afflux des réfugiés. Mais rarement, la Turquie ne s’est montrée aussi ambiguë et aussi imprévisible. Que ce soit sur le dossier des réfugiés, la lutte contre l’Etat islamique ou sur le règlement du conflit syrien, comme l’a montré la semaine dernière la destruction de l’avion russe, qui complique toujours sérieusement la donne d’une coalition élargie contre Daech.

Le groupe Etat islamique contrôle désormais un territoire vaste comme la Grande-Bretagne et poursuit son ancrage hors de la zone irako-syrienne, notamment en Libye "le grand dossier des mois qui viennent", a averti hier le Premier ministre Manuel Valls. "Le terrorisme, cette idéologie totalitaire, mute en permanence", a assuré le chef du gouvernement laissant entendre que des combattants de l'organisation EI ont quitté l’Irak et la Syrie pour poursuivre le combat sur le sol libyen. Un pays où les djihadistes ont mis la main sur la ville de Syrte et profitent du chaos qui y règne pour étendre leur influence. Lundi, on a appris que deux Français qui voulaient rejoindre les camps libyens de Daech ont été arrêtés en Tunisie et remis aux autorités françaises, le 13 novembre 2015.

Remarques:
Giuliani: je suis contre l'adhésion de la Turquie à l'Union européenne; il faut savoir que la Turquie touche 1 mia d'euros par an dans le cadre de la pré-adhésion; Erdogan est en train d'effacer le Kemalisme.
Servent: Poetin va vers le tsarisme, Erdogan rêve de l'empire ottomane; il faut attaquer ISIS/DAESH en Lybie (Syrte) même SANS mandat de la communauté internationale.
Les experts sont d'accord sur le fait qu'une contrebande de pétrole existe entre la Syrie et la Turquie.



France 5 est une chaîne de télévision généraliste française de service public
International New York Times
Thaise drukker censureert INYT
Edited: 201512021623
De Thaise drukker vond het raadzaam een artikel over de collectieve depressie en de rampzalige economische in Thailand weg te laten.
Sinds de staatsgreep van 22 mei 2014 leeft het koninkrijk Thailand onder een militaire dictatuur, o.l.v. generaal Prayut Chan-o-cha (°1954).

lees meer over de schending van mensenrechten en censuur op de site van HRW


Het reisadvies van het Belgische ministerie van buitenlandse zaken luidt als volgt: "Sinds de staatsgreep van 22 mei 2014 wordt Thailand de facto bestuurd door het leger. Op grond van artikel 44 van de interim grondwet beschikt de eerste minister over ruime bevoegdheden om de openbare orde te handhaven en de vrijheid van meningsuiting en vereniging te beperken. Kritiek geven op de staatsgreep, het koningshuis of de regering is strafbaar. Blijf weg van samenscholingen en leef steeds de instructies van de lokale autoriteiten na. Het risico op geweld blijft bestaan."
Press Release of the Kurdistan National Congress: Stop Turkish Aggression!
Edited: 201511271624
Stop Turkish Aggression!
November 23, 2015

To The International Democratic Opinion: Stop Turkish Aggression!

While the International Coalition, democracies and many decent people around the world are preoccupied with ISIS´s terrorist activities far beyond Syria and Iraq, Turkey is deepening its war against the Kurdish people as never before. Turkey’s war against the indigenous people in the Middle East comprises prohibiting the mother-tongue, culture and music of these people. Displacements, confiscating properties, imprisonment, persecution and committing preplanned crimes are characteristics of Turkey’s outright war.

On July 23rd Turkey declared that it would become a part of the International Coalition against ISIS, but unfortunately Turkey’s overall support for ISIS has since been intensified rather than reduced. Instead of fighting ISIS, Turkey started to attack Kurdish guerrilla forces, the only forces which are fighting and have fought successfully against ISIS/DAESH.

Turkey has been fighting Kurds despite the Kurdish people’s wish for peace and a political solution. The PKK’s leadership has extended the hand of peace and reconciliation to the Turkish people, presented a road map and concrete models for political solutions and made the proposal for countries and organizations such as the US and EU to mediate. In addition, the HPG (Kurdistan People’s Protection Force) has announced and put into practice many unilateral ceasefires, but Turkey has so far refused to enter into a bilateral ceasefire.

Turkish aggresssion, which intensifies day by day, is not only through its support for ISIS.

Repeated suicide bombs against Kurdish peaceful demonstrators, even in Ankara, gunning down children, women and the elderly, destroying Kurdish cemeteries, burning Kurdish shops and homes and enforcing arbitrary curfews are among the Turkish atrocities. The Turkish special military forces [“police”] are everywhere in Kurdistan. These forces are supported by paramilitary gangs whose identities are unknown. They use tanks, armored vehicles, cannons and helicopters. Kurdish cities such as Diyarbakır, Cizre, Gever, Şırnak, Silopi, Hakkâri and Van are turned into war-zones. The city of Nuseiybin is under Turkish military siege now for the 10th day. Only in Nuseiybin at least 8 civilians have been killed.

At the same time Turkey is attacking Rojawa Kurds (Syrian Kurds), specifically in the areas of Gire Spi and East of the Euphrates river. Turkey wants to provoke a war with Kurds inside Syria too. Its aim is to find “security” excuses to go inside Rojawa (Syria´s territory) and occupy an buffer area.

Turkey is denying the existence of the Kurdish people and waging an extermination war through assimilation and barbaric oppressive policies and ignoring the Kurds’ cry for peace. The AKP government has a problem-focusing approach not a problem-solving perspective, and therefore it does not respond for calls for dialogue and negotiation.

The Kurdish people’s call for peace, democracy and justice must not go unheard. We call on everyone who believes in peace, stability, friendship, justice and democracy to support Kurds and make a stand against this brutal campaign waged to suppress Kurds into silence and surrender. We ask everyone to contribute to a peaceful solution.

Rebwar Rashed
Co-Chairman of the Kurdistan National Congress/ KNK
November 23nd, 2015
Anthony Sampson
De 7 zusters (uittreksel)
Edited: 201511201649


"Maar de Amerikaanse maatschappijen wilden nu graag een compromis aangaan en na drie jaar van onderhandelen kwamen alle partijen eindelijk in 1928 in Oostende tot overeenstemming.
Daar niemand precies wist wat nu eigenlijk het vroegere Ottomaanse rijk was, trok Gulbenkian (1869-1955) met een rood potlood een lijn op de kaart om het enorme gebied dat hij bedoelde en dat alle grote toekomstige olieproducerende gebieden omsloot, behalve Iran en Koeweit. Zo kwam de merkwaardigste verdeling in de geschiedenis van de olie tot stand, die sindsdien bekend is geworden als de Rode Lijn-overeenkomst."

zie ook 1928 Red Line Agreement
wiki
Historique du Groupe Rossel - Le Soir
Edited: 201511111111
Historique
1887 : Pierre-Émile Rossel, avec trois amis, crée à Bruxelles un journal gratuit appelé "Le Soir".
1920 : « Rossel & fils » devient « Rossel & Cie ».
1921 : « L'Agence Rossel » (régie publicitaire) s'installe rue Royale à Bruxelles.
1957 : le siège social est installé 120 rue Royale à Bruxelles.
1966 : Rossel devient un groupe avec l'acquisition des titres de presse de «La Meuse» («La Meuse», «La Lanterne», «La Flandre libérale» et «Le Matin»).
1968 : acquisition des titres de presse de «La Gazette de Charleroi» («La Nouvelle Gazette» et «La Province»).
1970 : le groupe Rossel acquiert la marque «Vlan».
1983 : Robert Hersant entre au conseil d'administration du groupe.
1987 : Robert Hurbain succède à la présidence du groupe Rossel.
1987 : Socpresse (Robert Hersant, France) acquiert 40% du capital du groupe.
1987 : participation dans RTL Belgium (alors TVI SA) au travers d'Audiopresse.
1999 : constitution de la société Sud Presse SA (regroupant les titres La Meuse, La Capitale, La Nouvelle Gazette de Charleroi, et La Province).
2000 : Rossel met un premier pied dans « La Voix du Nord ».
2001 : Patrick Hurbain succède à Robert Urbain.
2003 : en Belgique, lancement du quotidien gratuit Metro en collaboration avec Concentra Media.
2004 : rachat avec De Persgroep de «l’Echo».
2004 : Sud Presse rachète Nord Eclair sur la Belgique.
2005 : prise de contrôle du groupe de presse «La Voix du Nord».
2005 : rachat avec De Persgroep de «De Tijd».
2005 : rachat des 40% du groupe détenus par la Souplesse.
2006 : Sudpresse lance l'hebdomadaire gratuit «7Dimanche ».
2006 : le groupe investit dans l’Internet en rachetant les sites de services www.netevents.be,www.ticketnet.be et www.cinenews.be.
2007 : Rossel déménage au 100 rue Royale à Bruxelles.
2007 : le groupe Vlan lance Fulai à Shanghai.
2007 : rachat du 1er site de rencontre en ligne belge www.rendez-vous.be et lancement d'un site consacré à l’automobile www.carchannel.be.
2008 : Rossel lance sa régie web interne.
2010 : le groupe Rossel acquiert Belgium-iPhone.
2011 : S²media rejoint le groupe Rossel.
2013 : acquisition des journaux français «l’Union», «l’Ardennais», «Est Eclair», «Libération Champagne», «l'Aisne Nouvelle» et de la radio «Champagne FM» auprès du groupe Hersant Media (GHM)4.
2014 : rachat de dix titres de presse à Lagardère Active, France, au sein du consortium 4B Media par Groupe Rossel et Reworld Media 5,6 : Psychologies magazine et Première reviennent à Rossel.
2015 : rachat de 50% de 20 Minutes, quotidien gratuit national français.
YouTube
The Forgotten European Slaves of Barbary North Africa and Ottoman Turkey
Edited: 201511081161



Gepubliceerd op 8 nov. 2015
Ohio State University history Professor Robert Davis describes the White Slave Trade as minimized by most modern historians in his book Christian Slaves, Muslim Masters: White Slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast and Italy, 1500–1800 (Palgrave Macmillan). Davis estimates that 1 million to 1.25 million white Christian Europeans were enslaved in North Africa, from the beginning of the 16th century to the middle of the 18th, by slave traders from Tunis, Algiers, and Tripoli alone (these numbers do not include the European people which were enslaved by Morocco and by other raiders and traders of the Mediterranean Sea coast), 16th- and 17th-century customs statistics suggest that Istanbul's additional slave import from the Black Sea may have totaled around 2.5 million from 1450 to 1700. The markets declined after the loss of the Barbary Wars and finally ended in the 1830s, when the region was conquered by France.
Hundreds of thousands of Europeans were captured by Barbary pirates and sold as slaves in North Africa and the Ottoman Empire between the 16th and 19th centuries. These slave raids were conducted largely by Arabs and Berbers rather than Ottoman Turks. However, during the height of the Barbary slave trade in the 16th and 17th centuries, the Barbary states were subject to Ottoman jurisdiction and ruled by Ottoman pashas. Furthermore, many slaves captured by the Barbary corsairs were sold eastward into Ottoman territories before, during, and after Barbary's period of Ottoman rule.

The Barbary Muslim pirates kidnapped Europeans from ships in North Africa’s coastal waters (Barbary Coast). They also attacked and pillaged the Atlantic coastal fishing villages and town in Europe, enslaving the inhabitants. Villages and towns on the coast of Italy, Spain, Portugal and France were the hardest hit. Muslim slave-raiders also seized people as far afield as Britain, Ireland and Iceland.

In 1544, the island of Ischia off Naples was ransacked, taking 4,000 inhabitants prisoners, while some 9,000 inhabitants of Lipari Island off the north coast of Sicily were enslaved.870 Turgut Reis, a Turkish pirate chief, ransacked the coastal settlements of Granada (Spain) in 1663 and carried away 4,000 people as slaves. In 1625, Barbary pirates captured the Lund Island in the Bristol Channel and planted the standard of Islam. From this base, they went ransacking and pillaging surrounding villages and towns, causing a stunning spectacle of mayhem, slaughter and plunder. According to Milton, ‘Day after day, they struck at unarmed fishing communities, seizing the inhabitants, and burning their homes. By the end of the dreadful summer of 1625, the mayor of Plymouth reckoned that 1,000 skiffs had been destroyed and similar number of villagers carried off into slavery.’871 Between 1609 and 1616, the Barbary pirates ‘captured a staggering 466 English trading ships.’

In 1627, Pirates went on a pillaging and enslaving campaign to Iceland. After dropping anchor at Reykjavik, his forces ransacked the town and returned with 400 men, women and children and sold them in Algiers. In 1631, he made a voyage with a brigand of 200 pirates to the coast of Southern Ireland and ransacked and pillaged the village of Baltimore, carrying away 237 men, women and children to Algiers.

The barbaric slave-raiding activities of the Muslim pirates had a telling effect on Europe. France, England, and Spain lost thousands of ships, devastating to their sea-borne trade. Long stretches of the coast in Spain and Italy were almost completely abandoned by their inhabitants until the nineteenth century. The finishing industry was virtually devastated.

Paul Baepler’s White Slaves, African Masters: An Anthology of American Barbary Captivity Narratives lists a collection of essays by nine American captives held in North Africa. According to his book, there were more than 20,000 white Christian slaves by 1620 in Algiers alone; their number swelled to more than 30,000 men and 2,000 women by the 1630s. There were a minimum of 25,000 white slaves at any time in Sultan Moulay Ismail’s palace, records Ahmed ez-Zayyani; Algiers maintained a population of 25,000 white slaves between 1550 and 1730, and their numbers could double at certain times. During the same period, Tunis and Tripoli each maintained a white slave population of about 7,500. The Barbary pirates enslaved some 5,000 Europeans annually over a period of nearly three centuries.
Pervenche BERES Députée européenne S&D, membre de la Commission spéciale TAXE , Karine BERGER Députée socialiste , Jean-Paul Fitoussi Economiste , Yann Galut Député socialiste , Pierre-Alain MUET Député socialiste , Thomas Piketty Economiste , Romano PRODI Ancien Premier ministre italien et ancien président de la Commission européenne , Sergio Cofferati Rapporteur du Parlement européen sur la directive droits des actionnaires , Emmanuel Maurel Député européen S&D, membre de la Commission spéciale TAXE , Gianni Pittella Président du Groupe S&D au Parlement européen
Lettre ouverte: Un an après LuxLeaks, rien n’a changé. L’Union européenne a besoin d’un nouveau départ pour lutter contre la fraude et l’évasion fiscales.
Edited: 201511041427
Le 5 novembre 2014, un groupe de journalistes internationaux révélait que plus de 300 multinationales avaient conclu entre 2002 et 2010 des accords secrets - rescrits fiscaux -au Luxembourg dans le but de réduire drastiquement le montant de leurs impôts.

Le scandale LuxLeaks est né ce jour-là. L’ampleur de la tromperie a suscité l’indignation dans le monde entier. Des géants économiques qui réalisent des milliards d’euros de chiffre d’affaires sont parvenus à payer jusqu’à moins de 1 % d’impôts sur les bénéfices transférés au Grand-Duché alors que le petit commerçant ou le citoyen européen - qui n’a pas la chance de bénéficier de tels avantages - subissait de plein fouet cette concurrence déloyale.

Au sein de ce grand marché intérieur, les Etats membres de l’Union européenne pratiquent donc allègrement la concurrence fiscale. Leur imagination est débordante lorsqu’il s’agit d’offrir une variété d’avantages fiscaux pour attirer des entreprises. Ils augmentent ainsi artificiellement leurs revenus et siphonnent une partie des revenus fiscaux de leurs partenaires européens. De l’argent que ces pays auraient pu investir dans des services publics de qualité, des hôpitaux ou des écoles.

Un an s’est écoulé. Rien n’a vraiment changé à l’exception de quelques annonces. L’Europe déçoit. Elle déçoit ses citoyens et ses entreprises. Le 6 octobre, par exemple, les ministres européens des Finances avaient l’opportunité de tirer enfin les leçons du LuxLeaks. Las, leur accord sur l’échange automatique des rescrits fiscaux est bien en-deçà des ambitions de la proposition originale de la Commission européenne. La transparence sur ces accords secrets n’aura donc pas lieu.

Cette situation sape grandement la base fiscale des Etats membres et met à mal le projet européen. Le temps presse. Le marché intérieur ne peut fonctionner de manière efficace qu’en s’appuyant sur un système d’imposition des sociétés transparent et coordonné. Le statu quo n’est pas une option.

L’Union européenne doit s’assurer que les multinationales paient leurs impôts là où elles réalisent leurs profits. Nous demandons des réformes ambitieuses pour réduire la fraude fiscale, combler les trous dans la législation, sanctionner les paradis fiscaux et pour combattre la corruption et le blanchiment d’argent. Nous devons améliorer la transparence et la coopération transfrontière.

Dans ce contexte, nous appelons les Etats membres à soutenir la proposition de «reporting pays par pays» actuellement en discussion dans le cadre de la directive sur les droits des actionnaires. Il s’agit d’obliger les entreprises cotées en Bourse à rendre publiques des informations sur leurs activités et les impôts qu’elles paient dans tous les pays où elles sont actives. Cette mesure permettrait aux autorités fiscales, aux investisseurs, y compris aux citoyens, d’agir en cas de comportement inapproprié ou illicite. Les banques européennes sont aujourd’hui soumises à ces exigences de transparence. Elles n’ont pas entamé leur compétitivité comme l’ont démontré les recherches conduites par la Commission européenne.

Un an après le scandale LuxLeaks, les citoyens européens et les entreprises attendent des résultats concrets. Un accord sur le «reporting pays par pays» représenterait un pas en avant important dans la lutte contre l’évasion et l’évitement fiscaux. Il est grand temps de mettre en place un système fiscal plus juste et plus transparent en Europe. Il s’agit là d’une condition essentielle pour que l’Europe retrouve le chemin d’une croissance économique soutenue. Les enjeux ne sauraient être plus importants.
Avaaz
Persbericht: Stop de Nederlandse vriendjespolitiek - Pleidooi tegen enge partijpolitiek
Edited: 201511022351
Beste vrienden,

Sinds decennia worden de burgemeesters, leden van adviesraden and hogere ambtenaren grotendeels benoemd in achterkamertjes, waarbij de grote politieke partijen bepalen wie de baan krijgt. Dit is in strijd met onze meest basale democratische principes.

We zien het steeds opnieuw. Wanneer een baan in het openbaar bestuur open komt, kan iedereen solliciteren, maar “Als je geen partijlid bent, maak je geen schijn van kans” -- hoe gekwalificeerd of ervaren je ook bent.

Maar er is een oplossing. Meer Democratie heeft een campagne gelanceerd om de juridische loopholes te schrappen en een onafhankelijke commissie in te stellen die de eerlijkheid en openheid van alle benoemingen bewaakt. Volgens peilingen steunt 70% van de Nederlanders deze hervorming.

Als we nu op korte termijn 40.000 handtekeningen indienen, dan is de Tweede Kamer verplicht om ons voorstel te bespreken en erover te stemmen -- dit is de beste kans die we hebben om ervoor te zorgen dat onze stem luid en duidelijk wordt gehoord. Klik hieronder om een einde te maken aan deze vriendjespolitiek die in strijd is met onze grondwet.


Slechts 2,5% van de volwassen Nederlanders zijn lid van een politieke partij. Wij, de overige 97,5%, worden vanaf het begin uitgesloten. Dat is niet alleen oneerlijk, het is ook een verspilling van talent, omdat de overheid de skills mist van een enorme hoeveelheid hoog gekwalificeerde mensen.
Laten we eens de burgemeesters bekijken. Van de circa 400 gemeenten hebben er niet minder dan 336 een CDA-, PvdA- of VVD-burgemeester (in 2014). De lokale partijen kregen 24% van de stemmen in 2014, maar slechts 3% van alle burgemeestersposten.

Het is ook slecht voor de onafhankelijkheid van alle adviesraden en onderzoekscommissies. Er zijn er honderden -- van de Raad van State en de Nationale Rekenkamer tot aan het Commissariaat voor de Media. Zij moeten de regering onafhankelijk advies geven en hun daden controleren. Het is niet goed als zij gevuld zijn met mensen die allemaal uit dezelfde partijen komen, die elkaar persoonlijk kennen en die elkaar aan banen helpen.

Onze Grondwet zegt dat alle Nederlanders op gelijke voet in openbare dienst benoembaar zijn en dat discriminatie op politieke gronden is verboden. Maar een weinig bekend artikel 5.4 in de Wet Gelijke Behandeling maakt opeens een uitzondering voor publieke benoemingen. Op die manier kunnen zelfs rechters niets doen voor mensen die vermoeden dat zij werden gediscrimineerd.

Deze juridische loophole moet worden afgeschaft. In plaats daarvan zou Nederland het Britse systeem kunnen volgen, dat sinds 150 jaar een Civil Service Commission heeft wiens belangrijkste taak is het voorkomen van partijpolitieke benoemingen en het zorgen voor eerlijke en open benoemingen die zijn gebaseerd op verdienste.

Laten we dit systeem nu veranderen en onze democratie naar een hoger niveau tillen.

Avaaz is een internationaal campagnenetwerk van 41 miljoen mensen en streeft ernaar dat internationale besluitvorming wordt bepaald door inzichten en waarden van de wereldbevolking. ("Avaaz" betekent "stem" of "lied" in veel talen.) Avaaz heeft leden in alle landen van de wereld; ons team is verspreid over 18 landen in 6 werelddelen en werkt in 17 talen.
News
Rik De Nolf (19491101) stopt op 1 januari 2016 als CEO van Roularta
Edited: 201510311152
Hij wordt opgevolgd door schoonzoon Xavier Bouckaert (40).


Hierboven een jonge en ontspannen Rik De Nolf (midden) op 28 oktober 1981 in restaurant La Pérouse te Antwerpen op het Avondmaal ter gelegenheid van de tweede vergadering van de Kongreskommissie van het 24ste Wereldkongres van de FIPP aangeboden door het bestuur van de Nationale Federatie der Informatieweekbladen (NFIW).
Op het menu: Turbotin Edouard Berghaud, Faisan du marquisat, Soufflé glacé et mousse au café, Moka, Pousse-café, overgoten met: Champagne Laurent Perrier, Pouilly Fumé-Chateau de Tracy M.O. 1979, Chateau Classe Spleen (Médoc Jeroboams M.D.C. 1976). (bron: menu gezeefdrukt op houten blokje met logo NFIW).
Links op de foto Luk Hiergens (Femmes d'Aujourd'hui/Rijk der Vrouw), rechts Nico Drost (Voorzitter FIPP). (foto LT)

organogram top Roularta

Raad van Bestuur


geschiedenis Roularta-groep

tijdlijn
GERARD Emmanuel, DE RIDDER Widukind, MULLER Françoise
Wie heeft LAHAUT vermoord? De geheime koude oorlog in België.
Edited: 201510302153
Op 11 augustus 1950 wordt de eedaflegging van Koning Boudewijn door communisten verstoord met de beruchte kreet “Vive la République!”. Een week later wordt de populaire communistische partijleider, Julien Lahaut, voor zijn deur doodgeschoten. Het is de belangrijkste politieke moord in de Belgische geschiedenis, maar ze wordt nooit opgehelderd. Wie heeft Lahaut vermoord? werpt een kritische blik op het gerechtelijk onderzoek en gaat op zoek naar nieuwe sporen.

Zo vonden de auteurs in een archief een ‘vergeten’ document dat verwijst naar André Moyen, een spion die een anticommunistisch netwerk uitbouwde in het naoorlogse België. Het boek bijt zich vast in de levensloop van Moyen en zijn ondergronds netwerk. De auteurs komen een web van leugens en fouten in het gerechtelijk onderzoek op het spoor. Ze leggen de redenen bloot waarom de moord nooit werd opgelost en plaatsen die in de ruimere context van de geheime Koude Oorlog in België.

Het CEGESOMA, het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij, doet al sinds 2011 onderzoek naar de moord op Lahaut.
Het onderzoek naar de moord op Lahaut werd in opdracht van CEGESOMA geleid door Emmanuel Gerard, historicus en gewoon hoogleraar aan de KU Leuven. Hij werd bijgestaan door de historici Widukind De Ridder en Françoise Muller.
Uit Humo van 20150512:
In de schemering van die mooie zomeravond stonden ze met zijn tweeën voor de deur van de nieuwbouwwoning, rue de la Vecquée 65, Seraing. De grootste van de twee kondigde zich bij Lahauts vrouw aan als ‘Hendricks’ – zo heette een vriend van Lahaut uit het concentratiekamp Neuengamme. Het moordcommando was goed voorbereid. Vijf kogels uit een automatisch pistool Colt kaliber .45, een dode man op de dorpel.

Wanneer het onderzoek naar de moord in 1972 zonder gevolg werd afgesloten, hadden vier onderzoeksrechters niet één verdachte naar de rechtbank weten te brengen. Het waren een tv-maker en een historicus, Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer, die in 1985 de daders aanwezen (toen nog met een pseudoniem). Leider van het commando was François Goossens (toen 40), een verzekeringsagent uit Halle – ‘de zot van Halle’, zo kenden ze hem daar. Naast hem stond stadsgenoot Eugeen Devillé (toen 25). ‘Ik was het die schoot,’ vertelde deze aan een tv-ploeg van Canvas in 2007, Goossens zou zich niet aan de afspraak gehouden hebben gelijktijdig te schieten. Ook zijn broer Alex Devillé (30) en zijn toekomstige schoonbroer Jan Hemelrijck (24) waren in de buurt. Ze kwamen weg in een auto met gestolen nummerplaat, 100.109.


In een interview met Emmanuel Gerard (Cegesoma, 2015/1) verklaart deze dat in het archief van Albert De Vleeschauwer 'een dik pak inlichtingenrapporten van André Moyen zit.' Over De Vleeschauwer verscheen in 2012 een biografie van de hand van Bert Govaerts (zie ons boeknummer 201508141656).
Libé 20151028
Frankrijk houdt BTW op tampons en maandverbanden op 20%. Worden niet beschouwd als 'produits de première nécessité' die aan 5,5 % kunnen worden belast.
Edited: 201510291143
Dat zoiets in de 21ste eeuw nog tot een parlementair debat moet leiden !
In België wordt het tarief van 6 % toegepast maar dat ging ook niet zonder slag of stoot.
Libé 20151027
Uitgeverij Fayard plant een heruitgave van 'Mein Kampf'
Edited: 201510270955
In januari 2016 zal het haatboek van Adolf Hitler tot het publiek domein gaan behoren. Fayard plant een heruitgave met commentaar. Het debat over de wenselijkheid en de ethische toelaatbaarheid van zo'n heruitgave breekt nu al los.
Onze mening: 'Mein Kampf' is een geschrift dat in de juiste historische context moet worden geplaatst. Het komt er vooral op aan die historische context niet te laten wederkeren. In een democratische en gelukkige maatschappij met kansen voor alle groepen, maakt het boek geen kans op diepgaande invloed. Een gewetenloze leider kiezen we zelf, een boek neemt die verantwoordelijkheid niet van ons weg.
Het probleem voor historici ligt hierin: hoe is het mogelijk dat Hitler aan de macht kon komen met een ideeëngoed dat gekend en ethisch verwerpelijk was? Welke groepen (nationaal en internationaal) hebben hem daarbij geholpen?
Een boek verbieden is geen oplossing. Het maakt de menselijke soort niet op slag beter of slechter. Wij kennen nog wel een paar boeken die men dan zou kunnen verbieden omdat hun auteurs of hun volgelingen vreselijke dingen hebben gedaan.
Tenslotte: het zijn de maatschappijen die drijven op en dwepen met slechts één boek in de 'bibliotheek' die we moeten vrezen. De bijbel, de koran, het rode boekje van Mao, ... Mein Kampf.
BRAAMBOS
MINISTER GATZ DOET LICHT UIT BIJ BRAAMBOS
Edited: 201510221234
Persbericht Braambos
Minister Gatz heeft beslist dat vanaf 1 januari 2016 de levensbeschouwelijke verenigingen niet langer zendtijd krijgen op de VRT. Dit betekent dus dat de uitzendingen van Braambos, zowel op radio als televisie ophouden te bestaan.
Uiteraard betreuren wij dat in de Vlaamse regering geen meerderheid kon gevonden worden om die uitzendingen te laten bestaan. Uiteindelijk wordt op die manier slechts 1.153.921 euro bespaard (voor alle levensbeschouwingen samen, zowel op radio als televisie), een peulschil als je dat afzet tegen het geheel van de Vlaamse begroting.
Merkwaardig is dat amper een paar weken gebleken het Vlaamse parlement een resolutie stemde tegen radicalisering. Het zijn juist de erkende levensbeschouwelijke verenigingen die de beste dam opwerpen hiertegen blijkt uit onderzoek.
Met de collega s van de andere levensbeschouwelijke organisaties hebben we tot nu toe in een opbouwende samenwerking gestreefd om bij te dragen aan een open en verdraagzaam Vlaanderen door positief te berichten over geloof en levensbeschouwing. Die opdracht is ons nu ontnomen.

Bekijk brief overheid:

Commentaar LT:
De afschaffing van de zendtijd voor levensbeschouwelijke 'derden' lijkt ons terecht in een staat waar men kerk en staat gescheiden wil houden. De openbare omroep, gefinancierd door de belastingbetaler, mag geen plaats zijn om achterhaalde boodschappen te verspreiden. Overigens vinden wij dat elke subsidiëring van godsdiensten moet stoppen. De secularisering mag geen dode letter blijven.
VRT Nieuws
elektriciteitsfactuur, Turteltaks of Freyafactuur: alleenstaande betaalt 415 keer meer dan grootverbruiker per MWuur.
Edited: 201510220951
De ene minister oversubsidieert, de volgende minister haalt het geld bij de zwakken. Twee keer fout beleid.
Daarover werd gisteren in een warmgestookt Vlaams parlement ruzie gemaakt. De brave burger zet ondertussen zijn verwarming lager, plaatst nog een LED-lamp, doet het licht op de gang uit, en zucht.
Telegraaf
De ramp met het aangevaren en olie lekkende vrachtschip Flinterstar bij Zeebrugge blijkt een forse meevaller voor beleggers. De verzekeraar keert €13 miljoen uit, bijna de nieuwwaarde.
Edited: 201510191413
VRT
VRT-nieuwsdienst in crisis
Edited: 201510161322
Zaak Younnes Delefortrie slechts alibi voor interne afrekening.
Op de Medialaan knallen de champagnekurken.
News
Merkel en Hollande voor Europees Parlement: inhoudloos toneelstuk met Verhofstadt in krijsende en armenzwaaiende bijrol.
Edited: 201510081100
Verhofstadt: 'We beleven een polycrisis: de vluchtelingen, de economie, de euro, het duidelijk verlies aan geopolitieke invloed.'
Die analyse kan een klein kind (een 'joengk') maken.
Dat er ook een verregaande lafheid bij politici bestaat door hét probleem van de ongelijkheid niet aan te pakken en de rijken niet mee te laten betalen voor de kosten van de staat, zover kwam Verhofstadt niet want daarvoor is eerlijkheid nodig.
Alle begrotingen bestaan uit inkomsten en uitgaven. Dat is een axioma. Besparen op de uitgaven omdat je de inkomsten niet eerlijk int, is dubbel onrechtvaardig.
De neoliberale taktiek heeft er steeds in bestaan de inboedel van de staat te verkopen om de begrotingen te doen kloppen. Verhofstadt was de kampioen van dat perfide spel. En nu zitten we met private oligarchen die de bevolking naar hartelust kunnen uitzuigen. Zonder democratische controle. En na enige tijd kunnen de politici dan intreden in de raden van bestuur van de geprivatiseerde (nuts-)bedrijven. Als beloning wachten hen dan royale zitpenningen en mega-bonussen.
RTL Nieuws en VTM Nieuws 20150408 meldden:
Zo zit Verhofstadt in de bestuursorganen van APG (NL), Exmar en Sofina (dat belangen heeft in o.a. Danone en GDF/Suez, nu ENGIE). Bij Sofina trok V. in 2014 voor vier vergaderingen zitpenningen ten belope van 138.000 euro.
DS 20151008
72% van de vluchtelingen vlucht voor Assad, 32% voor IS - van statistiek naar statistrik
Edited: 201510080940
Dat blijkt uit een onderzoek van WZB Social Science Research Center in Berlijn op vraag van enkele Syrische activistengroepen. Er waren 889 bevraagden.
De Standaard noemt het onderzoek 'uniek'.
Enkele bedenkingen. Ten eerste is een onderzoek in een oorlogssituatie altijd scheefgetrokken door de sociale druk van de groep.
Ten tweede wordt niet duidelijk uit welk gebied de vluchtelingen afkomstig zijn. Een weging van de resultaten is dan ook niet mogelijk.
Het onderzoek kan dus geen uitspraken doen over het vraagstuk: 'Zou u ook gevlucht zijn uit een door IS gecontroleerd gebied?'
Ook wordt niet gepeild naar de kansen om uit het bedreigde gebied te ontsnappen. Waren die klein, groot of onbestaande?
Toch trekt De Standaard volgende conclusie: 'Als zo'n driekwart vooral op de vlucht is voor Assad en zijn regime de crisis aanwrijft, kunnen de vluchtelingencijfers door de militaire steun van Rusland aan Assad alleen verder oplopen.' Ook de Pool Donald Tusk ventileert nogal voorspelbaar die mening.
Deze redenering raakt kant noch wal. Zij suggereert dat een nederlaag van Assad - met als direct gevolg een overwinning van IS - de zaken in Syrië zou oplossen.
Zoals in elke oorlog draait de propaganda op volle toeren. Dat De Standaard zo naïef meesurft op de desinformatiegolven, is veelzeggend voor het gehalte van deze 'kwaliteitskrant'.

Speciaal voor de redactie van De Standaard dit toemaatje:
Stel: je hebt twee concentratiekampen.
Uit het ene kamp raakt niemand weg; elkeen die wil ontsnappen wordt aan de prikkeldraad neergekogeld. Het kamp heet 'DAESH'.
Uit het andere kamp, dat 'ASSAD' heet (om een beetje in de sfeer te blijven), kunnen 100 mensen ontsnappen.
Op 5 kilometer van de kampen staat een waarnemer op een kruispunt waar alle ontsnapten wel moeten passeren. Die rapporteert: 'Iedereen gaat lopen uit het kamp 'ASSAD', het moet er dus wel heel slecht zijn.'
OK, het is een extreem voorbeeld maar het illustreert hoe relatief statistiekjes zijn.

Ik denk dan: er zijn geen asielzoekers uit Noord-Korea, het zal er dus goed om leven zijn.
En tijdens WO II kwamen er op een bepaald ogenblik geen joodse vluchtelingen meer uit Duitsland ... 'Alles zal er opgelost zijn', hebben de mensen toen gedacht. Inderdaad, Die Endlösung'.

News
Zoveelste moordpartij op Amerikaanse campus. Deze routine is mensonterend, zegt Obama.
Edited: 201510031201
De routine: het feit, de verontwaardiging, het tonen van de verdrietbeelden, de officiële veroordeling, de media-heisa, het bestormen van het huis van de ouders, het pseudo-debat over de wapenwet en de 'constitutional rights' in de pers, de protesten op straat en op Facebook, de dolle Twitteraars, de holle verklaringen in het Congres, de verhuis van het voorval naar pagina 17, het vergeten ... tot de volgende moordpartij.
Je abnormaal gedragen in een zieke maatschappij behoort tot de normaliteit.
News
Na Volkswagen-affaire krijgt nu ook energieverbruik-labeling in de electrosector een ferme knauw
Edited: 201510030124
Is gesjoemel een evidentie en een gewoonte geworden in de zakenwereld? Of is het altijd zo geweest?
Overigens blijken de zogenaamde 'Medaille d'or' op wijnflessen fake.
Ook in de geneesmiddelenindustrie rammelt het langs vele kanten.
Er is moeilijk een sporttak te bedenken waar doping afwezig is.
De mainstream-media worden geplaagd door afluisterpraktijken en gebrek aan eerlijkheid.
De politici "zijn er altijd mee bezig" of zeggen "we zullen zien".
Presidentskandidaten worden gekozen op basis van verzamelde campagnegelden.
Er zijn verhoogde veiligheidsrisico's bij vliegtuigen omdat de kosten van onderhoud en inspectie daarvan de winstmarges drukken.
De voedselkwaliteit blijft een problematisch terrein; bvb. de Genetically Modified Organisms (GMO).
Er is een serieus probleem met hormonenverstoorders of EDC's (parabenen, ftalaten, Bisfenol A, pesticiden, ...).
De belastinginning gebeurt 'à la tête du client' (LuxLeaks) en onthullingen brengen geen actie op gang.
News
Tijdens de hadj in de Saoudische stad Mina, nabij Mekka, zijn meer dan 700 doden en bijna 800 gewonden gevallen. De meeste slachtoffers werden vertrappeld.
Edited: 201509251342
De hadj eiste in het verleden al meermaals doden door vertrappeling.
In Mina werpen de moslims stenen naar de Jamarat, symbool van de duivel.
De Saoudische regering wijdt de ramp aan de gelovigen die de consignes niet opvolgden. Anderen zeggen dat het de wil van Allah is geweest.
William Pfaff on the Middle East
The Wrath of Nations - 1993
Edited: 201509161527
'There is no Arab nation, as such. The historical experience and reference of the region is not to nation but to religion, commune, empire, caliphate. The states which exist there today do so because it is now considered appropriate that people live in nation-states, not in multiconfessional and multinational empires.' (111)
'The identification of religion with civilization in Islamic society blocks a solution to its contemporary problems.' (123)




link to website William Pfaff does not function anymore

William Pfaff (December 29, 1928 – April 30, 2015) was an American author, op-ed columnist for the International Herald Tribune and frequent contributor to The New York Review of Books. (wiki)
Detachment (2011)
Edited: 201509051817


Henry Barthes: How are you to imagine anything if the images are always provided for you?
Henry Barthes: Doublethink. To deliberately believe in lies, while knowing they're false.
Henry Barthes: Examples of this in everyday life: "Oh, I need to be pretty to be happy. I need surgery to be pretty. I need to be thin, famous, fashionable." Our young men today are being told that women are whores, bitches, things to be screwed, beaten, shit on, and shamed. This is a marketing holocaust. Twenty-fours hours a day for the rest of our lives, the powers that be are hard at work dumbing us to death.
Henry Barthes: So to defend ourselves, and fight against assimilating this dullness into our thought processes, we must learn to read. To stimulate our own imagination, to cultivate our own consciousness, our own belief systems. We all need skills to defend, to preserve, our own minds.
Henry Barthes: 'Some of us believe we can make a difference. And then sometimes we wake up and realise we failed. (...)
Henry Barthes: We have such a responsability to guide our young so that they don't end up falling apart, falling by the wayside, becoming insignificant. (...)'
src: IMDb
VERMEERSCH Etienne, interview: Wouter Woussen,foto: Michiel Hendryckx
INTERVIEW ETIENNE VERMEERSCH OVER DE VLUCHTELINGENCRISIS | ‘Het is flauwekul om te zeggen dat we die vluchtelingen nodig hebben’
Edited: 201509050903
De Standaard | 05 SEPTEMBER 2015 |
De tijd dat vluchtelingencrisissen in België opgelost werden in overleg met Etienne Vermeersch, is voorbij. Maar dat de huidige staatssecretaris nog niet gebeld heeft, wil niet zeggen dat de 81-jarige filosoof geen plan klaar heeft.

Hebt u die foto gezien van die Syrische kleuter die dood is aangespoeld op een Turks strand?

‘Ja, maar ik schrik er niet van. Wie schrikt van deze foto, heeft geen verbeelding. We weten dat daar kinderen verdrinken. Maar ik begrijp de emoties wel, het is een zeer aangrijpend beeld.’

Guy Verhofstadt hoopt dat die foto Europa wakker zal schudden. Volgt u hem daarin?

‘Als die foto mensen wakker schudt, is dat goed. Maar je mag hem niet gebruiken om een moraliserend vingertje op te steken tegen goedmenende politici, die worden terechtgewezen alsof ze geen enkele ethiek hebben en de rechten van de mens niet kennen. Het probleem met moralisten is dat ze soms haalbare oplossingen in de weg staan omdat ze een ideale oplossing willen.’

Wat is volgens u een haalbare oplossing?

‘We moeten af van het verdrag van Dublin, dat nu bepaalt dat je asiel moet vragen in het land waar je Europa binnenkomt. Iedereen die de situatie in Griekenland en Italië kent, weet dat dat waanzin is. Er moeten Europese opvangcentra komen en criteria welke vluchtelingen aanvaard en over de landen verdeeld worden volgens quota.’

Hoe stel je die quota op?

‘Door rekening te houden met de situatie van elk land. Spanje heeft een jeugdwerkloosheid van 50 procent. Als je daar nu nog eens een massa mensen naartoe stuurt, maak je dat alleen maar erger. Slovakije en Hongarije hebben dan weer een probleem met moslims.’

Dat is xenofobie. Moet je daar rekening mee houden?

‘We leven niet in een ideale wereld. Ik praat graag over hoe de wereld is en niet over hoe je zou willen dat hij is. Ook onterechte angsten moet je zo veel mogelijk reduceren. Je zou die landen beter kunnen overtuigen om hun deel te doen, als je vluchtelingen een apart, tijdelijk statuut zou geven. Dat is mijn tweede voorstel.’

U bedoelt: vluchtelingen geen volledige burgerrechten toekennen.

‘Vluchtelingen hebben de hoop en de plicht om terug te keren als de oorlog voorbij is. Een statuut dat dat erkent, heeft ook voor hen voordelen, want dan vallen ze bijvoorbeeld niet onder wetten die zeggen dat ze hier geen sociale woning kunnen krijgen als ze in Syrië een huis bezitten.’

Als een conflict zo lang duurt dat hun kinderen ingeburgerd zijn in België, wilt u hen daarna alsnog terugsturen?

‘Dat kun je dan opnieuw bekijken. België heeft na de Kosovo-crisis zulke mensen teruggestuurd. Ik heb daar de grootste problemen mee. Ik heb dat meegemaakt. Dat is hartverscheurend. Het enige wat je kunt doen, is zorgen dat die problemen zich nu niet opnieuw stellen.’

Kunnen die vluchtelingen niet meer bijdragen aan onze samenleving als ze uitzicht hebben op een duurzaam verblijf?

‘We vangen die mensen op om hen te helpen. Het is flauwekul om te zeggen dat we ze nodig hebben. In België hebben we 600.000 werklozen. In Brussel bedraagt de jongerenwerkloosheid 35 procent. Zeggen dat we extra arbeidskrachten nodig hebben, is cynisch.’

Denkt u dat de oorlog in Syrië snel opgelost zal zijn?

‘Een ander deel van mijn plan is dat de Syrische president Bashar al-Assad onmiddellijk gedwongen wordt te stoppen met burgers te bombarderen en dat IS verpletterd wordt. De tweede Golfoorlog was een kapitale stommiteit, maar dit is iets totaal anders. IS is veel gevaarlijker dan Saddam Hoessein. Dat komt door de manier waarop ze hun aanhang werven: met hun militaire successen en hun letterlijke interpretatie van de Koran. De vereniging van 56 moslimlanden zou een vergadering van godgeleerden moeten samenroepen, die gezamenlijk verklaren dat IS de Koran onjuist interpreteert en dus bestreden moet worden. Zij kunnen oproepen tot jihad. Laat een coalitie met Egypte er korte metten mee maken. President al-Sisi zal daar graag aan meewerken. Daarna kunnen de vluchtelingen terug, al kun je misschien een uitzondering maken voor christenen en jezidi’s.’

Waarom?

‘Omdat de situatie voor hen daar misschien nooit meer leefbaar wordt.’

De reden is niet dat u de moslims liever niet in Europa houdt?

‘Hun integratie zal misschien gemakkelijker zijn, hoewel de Europese bevolking met die jezidi’s ook weinig gemeen heeft. Maar het is wel een kleine groep. Homogeniteit van een bevolking is belangrijk. Het is gevaarlijk grote bevolkingsgroepen met een andere cultuur op te nemen. De islam speelt een rol in samenlevingsproblemen in Europa, kijk maar naar die hele discussie over het onverdoofd slachten. De Italiaanse gastarbeiders waren met veel meer, maar herinnert u zich grote samenlevingsproblemen met Italianen?’

Wat zijn de grote samenlevingsproblemen met moslims?

‘Het is een gevaarlijk voorbeeld, maar ik zou kunnen verwijzen naar de verkrachtingscijfers in Zweden. Die zijn op korte tijd spectaculair gestegen. Er zullen altijd verscheidene factoren zijn, maar één van de verklaringen is de instroom van grote groepen moslims, onder meer uit Somalië.’

Maar u kunt dat niet bewijzen?

‘Het is tendentieus om die ene factor eruit te lichten en daarom is het een gevaarlijk voorbeeld. Wat ik wil zeggen is: grote groepen nieuwkomers integreren is zeer moeilijk. We spreken hier nu over die paar miljoen vluchtelingen uit Syrië, maar er staat ons nog iets te wachten. Afrika heeft nu 1,1 miljard inwoners. Volgens de VN zullen er dat in 2050 2 miljard zijn. Nu komen ze al in stromen naar ons toe. Wat moet er met dat miljard gebeuren?’

U hebt daar wellicht ook een plan voor.

‘Een gigantische campagne voor geboortebeperking. Het is niet rechtvaardig dat wij, die ons geboortecijfer onder controle houden, de dupe worden van de ongebreidelde bevolkingsaangroei elders. Waarom heeft Duitsland de minste werklozen? Omdat daar het minste kinderen zijn geboren.’

Dat is toch niet het gevolg van een bewuste campagne?

‘Nee, van een mentaliteit.’

Leidt welstand niet tot geboortebeperking?

‘Als je bevolking explodeert, kun je die welstand niet creëren. Als een bevolking explodeert, krijg je grotere armoede, opstanden en oorlog. Dat is ook waarom de Arabische lente is losgebroken. Syrië had in 1970 zes miljoen inwoners, in 2011 waren dat er 22 miljoen. De Arabische lente is een crisis die is ontstaan door een mislukte oogst in Rusland, waardoor er niet genoeg graan was in Noord-Afrika. Als er volgend jaar nog eens een Russische oogst mislukt, staat er ons nog iets te wachten.’

U wees net op het belang van de homogeniteit van een samenleving. Is de wereld niet sowieso complexer aan het worden?

‘Het is geen gezonde situatie wanneer je in een land groepen hebt die getto’s vormen. De Verenigde Staten waren lang een voorbeeld van een geslaagde meltingpot, maar zij krijgen een steeds grotere instroom van hispanics, waar ze ook geen antwoord op hebben.’

Die instroom is een gevolg van ongelijkheid, precies zoals de migratiedruk op Europa vanuit Afrika. U voorspelt zelf dat die niet zal afnemen. Hoe stelt u voor dat het Europa daarmee omgaat?

‘Ze moeten verdorie stoppen met de bevolking zo te laten groeien! Dat schrijf ik al dertig jaar.’

En doen ze het?

‘Neen.’

U praat graag over de situatie zoals ze is, en niet zoals ze zou moeten zijn. De Afrikaanse bevolking groeit. Wat wilt u doen, een muur bouwen om ze tegen te houden?

‘Die muur staat er al. Er wordt schande gesproken over dat hek in Hongarije, maar rond de Spaanse enclaves in Marokko staan er al lang zulke muren. Dat wordt nu omzeild met bootjes, wel, ze zullen ervoor moeten zorgen dat er niet één bootje meer vertrekt. Waarom verdrinken ze op zee? Omdat ze geloven dat er altijd wel een paar door geraken.’

Moet je dan stoppen met mensen redden, uit angst voor een aanzuigeffect?

‘Natuurlijk niet. Je redt ze, haalt de oorlogs- en politieke vluchtelingen eruit en zet de rest weer aan land waar ze vandaan komen.’

Is het op zich al niet cynisch dat echte oorlogsvluchtelingen hier pas asiel krijgen als ze hier geraken, waardoor ze met duizenden verdrinken in de Middellandse Zee?

‘Het zou al heel wat zijn als we voldoende kunnen doen voor die zes procent Syriërs die hier geraken.’

Iemand die verhongert, maar niet uit een oorlog komt, vliegt terug. Dat is op zich toch al onmenselijk?

‘Dat onderscheid is inderdaad niet humaan, maar de Conventie van Genève naleven is nu al met moeite haalbaar. Als er morgen een oorlog uitbreekt in China, zullen we de grenzen zelfs moeten sluiten voor oorlogsvluchtelingen. We hebben hier een mooi sociaal systeem opgebouwd. Als dat straks onbetaalbaar wordt, zullen de slachtoffers niet de professoren zijn die nu met een opgestoken vingertje opiniestukken schrijven. Het zullen de zwaksten zijn.’

Dan laat je in 2050 iedereen achter die muur verhongeren?

‘Je hebt altijd de morele plicht om dat leed te beperken, maar niet door je eigen bevolking in de miserie te storten. Als je de mensen dwingt om rechten af te staan, drijf je ze tot racisme en xenofobie.’

U had het in het begin van dit gesprek over goedmenende politici die hun best doen. Vindt u dat België genoeg doet?

‘Niet zolang er mensen buiten moeten slapen. Ik denk ook dat we meer mensen kunnen opvangen. Ik passeer vaak aan het station van Melle. Dat staat al jaren leeg. Met een paar aanpassingen kunnen daar drie gezinnen wonen.’

U woont ook vrij ruim.

‘Ik weet dat het duurzamer is om in de stad te leven. Ik heb het ook geprobeerd, maar ik kon niet leven met het lawaai van mijn buren. Voor mij persoonlijk is dit een zeer gezonde manier van leven, maar ik ben er mij van bewust dat je die niet kunt veralgemenen voor de hele bevolking.’

Het zou een metafoor kunnen zijn voor de situatie van Europa in de wereld.

‘Ja. Natuurlijk.’
DS 20150826
Filip Reyntjens bepleit vermogensbelasting en doet oproep tot CD&V
Edited: 201508261119
FR rekent zichzelf bij de vermogenden.
LT: Ook tijdens de Franse Revolutie waren er tal van vermogenden die op tijd van kamp wisselden om de guillotine te ontlopen.
GEUZE Adriaan, Nederlands landschapsarchitect
Tussen de steden is een corridorarchitectuur ontstaan. Dat is een aanslag op onze leefwereld. Wie heeft dat gewild? Het is onomkeerbaar en dat brengt in mij paniekgevoelens naar boven.
Edited: 201508251019
Deze uitspraak deed Geuze in het VPRO-programma 'Zomergasten'. Geuze fotografeerde de kilometerslange mik-mak-bebouwing langs Nederlandse wegen. 'Nederland is een klein land en we bouwen het lelijk vol. Ruimtelijke ordening is een ramp in Nederland. We hebben in het verleden voortdurend ministers gehad die geen voeling hadden met de materie.'
Grondspeculatie is de hoofdoorzaak van het verkwanselen van ruimte en onze behoefte aan visuele schoonheid is aan flarden geschoten. De dimensies kloppen niet, de kleuren 'vloeken' met elkaar, we modderen maar wat aan.

We hebben geen visie ontwikkeld die wortelt in de traditie.
Hoe goed is ons dijkenstelsel en hoe kwetsbaar is Nederland? 'Dat is iets waar ik liever niet over praat, het lijkt mij geen thema voor dit programma.' Geuze liet echter uitschijnen dat enkele strategisch gerichte aanslagen op het dijkenstelsel een nooit geziene ramp kunnen veroorzaken.

P.S. In Frankrijk is onlangs een wet van kracht geworden die de publicitaire vervuiling van het landschap moet tegengaan. Reclameborden nabij gemeenten van minder dan 10.000 inwoners zijn voortaan verboden. De toepassing van de wet wordt een harde noot om kraken. De handelaars hadden vijf jaar de tijd om de toestand te regulariseren maar weinig borden werden verwijderd.
LT
Rober Boulin assassiné le 29 octobre 1979: Crime d'état
Edited: 201508130233
“Robert Boulin en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République”


La démonstration est implacable, la conclusion sans appel : pour Pierre Aknine, réalisateur du téléfilm-choc Crime d'Etat, (diffusé sur France 3 ce mardi 29 janvier 2013) Robert Boulin, ministre du Travail et de la Participation sous la présidence de Valéry Giscard d'Estaing a été assassiné pour des raisons politiques. Balayée, la thèse du suicide : le résistant et gaulliste de la première heure, dont le corps a été retrouvé dans un étang de la forêt de Rambouillet le 30 octobre 1979 a été éliminé parce qu'il en savait trop sur les dossiers sulfureux de la Ve République...
Quelle réalité derrière cette fiction passionnante aux allures de film noir ? Pour nous éclairer, Benoît Collombat, journaliste à France Inter et auteur d'Un homme à abattre : contre-enquête sur la mort de Robert Boulin, a accepté de décrypter deux scènes-clé du film, en retissant les liens entre la fiction et la réalité plus que troublante exhumée au fil de ses recherches au long cours.

« Avant sa mort, Robert Boulin avait bien conscience que son propre camp politique, le RPR, tentait de le déstabiliser politiquement en instrumentalisant dans la presse une affaire “bidon” de terrain à Ramatuelle. L’ancien résistant gaulliste savait aussi qu’il avait en face de lui des adversaires dangereux, prêts à utiliser des hommes de main du SAC, le service d’ordre du parti gaulliste, alors en pleine dérive sanglante. Robert Boulin était menacé physiquement.
Pour répliquer, il disposait de dossiers susceptibles de faire taire ses adversaires. Ce recordman du nombre d’années passées dans les ministères de la République (quinze ans) en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République.
Secrétaire d’Etat au budget lors de la création en 1965 de l’ERAP (Entreprise de recherches et d’activités pétrolières) puis d’Elf, ministre délégué à l’Economie et aux Finances de 1977 à 1978, Robert Boulin avait connaissance du montant des commissions (légales) dont il autorisait les versements lors de la passation de contrats liés aux affaires pétrolières et africaines. Mais il connaissait aussi l’envers du décor, l’“argent noir” de la Françafrique et les turpitudes de sa propre famille politique : Elf, le Gabon et les réseaux Foccart au service du RPR de Jacques Chirac, à la fin des années 1970. Des mallettes de billets transitent entre Paris et Libreville. Les fonctionnaires des douanes qui connaissent l’intégrité de Boulin font remonter les informations dont ils disposent.
Au cœur du dispositif se trouve une tirelire : la FIBA, la banque d’Elf et du régime gabonais. Or, le conseiller pour la presse de Robert Boulin, Patrice Blank (qui a joué un rôle extrêmement trouble la nuit de la disparition en se rendant au domicile du ministre) était justement membre du conseil d’administration de la FIBA. Autrement dit, un relais important des intérêts qu’entendait dénoncer Boulin se trouvait dans son entourage très proche.
Le corps de Robert Boulin a été retrouvé à proximité de la maison du “monsieur Afrique” de Giscard, René Journiac, comme si Boulin avait voulu “négocier” avec cet ancien bras droit de Jacques Foccart. René Journiac trouvera la mort quelques mois plus tard, en février 1980, dans un accident d’avion suspect en Afrique. L’avion utilisé par Journiac avait été prêté par Omar Bongo…
Aujourd’hui, des témoins sortent de leur silence et confirment la conclusion de mes investigations.
Par exemple, l’ancien assistant parlementaire du suppléant de Boulin, à l’époque, explique qu’avant que les archives de Boulin ne soient toutes détruites par le SAC, il a pu lire une partie de ces documents : Boulin parlait de répliquer en évoquant Elf-Gabon. La fille d’Alexandre Sanguinetti (co-fondateur du SAC) raconte que son père lui a tout de suite dit qu’il s’agissait d’un assassinat et que Boulin voulait contre-attaquer en menaçant d’évoquer le financement occulte des partis. L’ancien “monsieur Afrique” du RPR, Jean-François Probst, estime, lui aussi, que Boulin a été assassiné et fait le lien avec le Gabon.
Avant sa mort en 2005, un homme du sérail m’avait éclairé sur le sujet. L’ancien proche de Foccart et du mercenaire Bob Dénard, Maurice Robert, (ex-responsable du service Afrique des services secrets, espion chez Elf puis ambassadeur de France au Gabon), a clairement parlé devant moi de “crime” en parlant de l’affaire Boulin. Il était bien placé pour le savoir. »

« Dès la découverte du corps, de nombreux témoins expliquent que Boulin avait plus une tête de boxeur qu’une tête de noyé. Le visage est traumatisé, avec du sang sous le nez (or un noyé ne saigne pas du nez), le bras droit est recroquevillé avec une entaille au poignet visible sur certains clichés de l’identité judiciaire.
Les gendarmes sont les premiers à se rendre sur place, à l’étang Rompu. Le colonel de gendarmerie Jean Pépin pense immédiatement qu’il est impossible que Robert Boulin ait pu arriver seul dans cet étang. Un élément médico-légal va d’ailleurs le prouver : le corps du ministre a été retrouvé “dans la position du musulman qui prie”, la tête face au sol de l’étang. Logiquement, les lividités cadavériques, c'est-à-dire les marbrures qui se fixent sur les parties basses du corps après la mort, auraient dû se trouver sur le ventre et les jambes de Boulin. Or, elles se dont fixées sur le dos ! Cela signifie, de manière certaine, que le corps de Boulin a bien été transporté dans l’étang, après sa mort.
Un “bristol d’adieu” grandiloquent avec deux encres différentes est retrouvé dans la voiture du ministre, mais il est truffé d’incohérences, comme les lettres posthumes attribuées à Boulin. Il y a des mégots de cigarette, alors que Boulin ne fumait que des cigares. Les gendarmes n’ont pas le temps d’en savoir plus. L’affaire leur est immédiatement retirée au profit des policiers du SRPJ de Versailles par un personnage trouble : le Procureur général de la Cour d’appel de Versailles, Louis-Bruno Chalret.
Cet homme était, à l’époque une “barbouze judiciaire” au service des réseaux Foccart et du SAC. Il avait déjà fait libérer des truands sur ordre, comme le prouve des écoutes téléphoniques.
Au cours de mes investigations, j’ai établi que ce Procureur très spécial a été prévenu de la découverte du corps de Robert Boulin plus de six heures avant la découverte officielle, à 8 heures 40 du matin. Certains services de l’Etat ont également été prévenus dans la nuit. Le Procureur Chalret s’est immédiatement rendu sur place avec une équipe d’hommes “sûrs”, sans doute pour “arranger” la version officielle du suicide.
L’autopsie du corps est sabotée : il n’y a pas d’examen du crâne, sur ordre du Procureur. Officiellement, pour ne pas “charcuter” le corps à la demande de la famille Boulin qui n’avait pourtant rien demandée. Le corps est ensuite embaumé illégalement. Quant aux prélèvements d’organes du ministre, qui auraient pu faire l’objet de contre-expertises, ils sont tous détruits dans des conditions rocambolesques dans les années 1980.
En 1983, une deuxième autopsie démontre pourtant l’existence de fractures importantes (“traumatisme appuyé du massif facial”) du vivant de Robert Boulin. L’assistant de ces légistes m’explique qu’il avait alors constaté un hématome derrière le crâne du ministre, consécutif à un objet contondant, et une coupure au poignet droit correspondant, selon lui, à un lien.
Ce témoin, comme beaucoup d’autres, attend toujours d’être entendu par un juge d’instruction, indépendant du pouvoir politique. Mais il faudrait pour cela que la justice accepte, enfin, de rouvrir le dossier Boulin. Il est encore temps, puisque l’affaire ne sera prescrite qu’en 2017. »
(1) Publié chez Fayard en 2007


Libération 20150630
En collaboration avec WikiLeaks, «Libération» et «Mediapart» révèlent comment la NSA s'est penchée, dès 2002, sur les intérêts commerciaux français.
Edited: 201506301328
Après les écoutes politiques, l’espionnage économique. Les nouveaux documents publiés par WikiLeaks, en partenariat avec Libération et Mediapart, dévoilent l’ampleur des opérations menées par les services de renseignement américains contre les intérêts français. Cinq rapports de synthèse de l’Agence nationale de sécurité (NSA) montrent que des responsables et diplomates ont été espionnés entre 2004 et 2012, notamment Pierre Moscovici et François Baroin lors de leur passage à Bercy. Une stratégie offensive qui apparaît dans un document secret fixant les objectifs prioritaires des Etats-Unis dans le domaine économique. Baptisée «France : développements économiques» et datée de 2012, cette note constitue la doctrine de la NSA en la matière. Elle vise à recueillir toutes informations pertinentes sur les pratiques commerciales françaises, les relations entre Paris et les institutions financières internationales, l’approche des questions liées au G8 et au G20 ou encore les grands contrats étrangers impliquant la France. Ce dernier point, un des plus sensibles, est détaillé dans une sous-section intitulée «Contrats étrangers-études de faisabilité-négociations». Il s’agit de récupérer toutes les informations possibles sur les contrats d’envergure impliquant des entreprises françaises, notamment ceux dépassant les 200 millions de dollars. Des révélations qui risquent de jeter un froid sur les négociations autour du Tafta, le traité de libre-échange entre l’Europe et les Etats-Unis, dont le prochain round est prévu mi-juillet, à Bruxelles. La plupart des secteurs stratégiques sont visés par la NSA : technologies de l’information, électricité, gaz, pétrole, nucléaire, transports, biotechnologies, etc. Toutes les informations recueillies sont ensuite partagées avec les principales administrations américaines : département de la Sécurité intérieure, département du Commerce, département de l’Energie, agence de renseignement de la Défense, Réserve fédérale, Trésor et même commandement des forces américaines en Europe. Jamais la preuve d’un espionnage économique massif de la France, orchestré au plus haut niveau de l’Etat américain, n’avait été établie aussi clairement.
Codetaal ?
Edited: 201506242356
De mannen van de NSA
Zij begrepen het niet goed
Daar in de Avenue Gabriel deux

J'arrive en vespa
Had Hollande gezegd

Welk nieuw wapen had de Fransman?
Ging hij rafales sturen naar Assad?

De drone vloog laag over de Champs-Elysées
En ontdekte op 48.869622, 2.308368
Wat een Vespa is

Libération 20150619
Une commission chargée par le Parlement grec d’établir un audit des finances du pays estime que les plans d’aide des institutions internationales n’avaient pas vocation à sauver Athènes, mais seulement les banques étrangères.
Edited: 201506221119
MARCHAL Jules (1924-2003), [interviewer: Syp Wynia]
Interview 13/4/1994 afgenomen door Syp Wynia
Edited: 201506040909
Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.
De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003).
Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

Ik bezocht Marchal op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest.
Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula (Bellings, LT) ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen: ‘De ruiten worden hier anders ingegooid’. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de foto’s, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd. (waarom vertelt Wynia er niet bij, LT)

Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant ‘Het Belang van Limburg’ werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten.
Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten.

‘Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland’
door SYP WYNIA (°1953)

De voormalige Belgische koloniën in Centraal-Afrika zijn ten prooi gevallen aan massale moordpartijen, volksverhuizingen, bestuurlijke chaos, honger en armoede. De volstrekt corrupte staat Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, dreigt voortdurend uiteen te vallen nadat dictator Moboetoe het land eerst tientallen jaren uitzoog en gaandeweg zijn greep op het land kwijtraakte.
Het aan Zaïre grenzende, voormalige Belgische mandaatgebied, Roeanda-Boeroendi, werd gesplitst in de republieken Rwanda en Burundi waar de Tutsi’s en de Hutu’s elkaar nu om beurten afmaken. De moordpartijen waarbij Rwandese Hutu’s de afgelopen maanden honderdduizenden Tutsi’s het leven benamen kennen nauwelijks een gelijke in de recente geschiedenis.

De Belgische diplomaat Jules Marchal (69) kwam er twintig jaar geleden tot zijn schrik achter het hoe en waarom van de Belgische aanwezigheid in Afrika. Na twintig jaar als koloniaal ambtenaar en overheidsadviseur in de Kongo te hebben gewerkt geloofde hij nog rotsvast in de Belgische vaderlandse geschiedenis, die wil dat koning Leopold II aan het eind van de vorige eeuw slechts met de beste bedoelingen de Kongo-staat had gevestigd en dat de Belgische aanwezigheid de zwarten niets dan goed had gebracht.
Nadat Marchal, in 1972 Belgisch ambassadeur in Ghana, geen reactie uit Brussel kreeg op zijn verzoek om informatie, zodat hij onmogelijk een door hem als schandelijk ervaren krantenartikel over de Belgische koloniale geschiedenis kon bestrijden, begon bij hem de twijfel te knagen. Sindsdien is Marchal verbeten op zoek naar de waarheid.

Sinds 1985 publiceerde hij onder pseudoniem (‘A.M. Delathuy’) zes, veelal dikke boeken over de eerste 25 jaar van de Belgische aanwezigheid in Kongo: over de trucs die koning Leopold toepaste om dit gigantische gebied in Centraal-Afrika in handen te krijgen, over de bloedige uitbuiting van het land die Brussel grote weelde bracht maar miljoenen Afrikanen het leven kostte. En over de bedenkelijke rol van veel missie-organisaties.

In Marchals zevende boek, dat volgend jaar verschijnt, komt de latere periode aan de orde, die al evenmin zo brandschoon is als Marchal net als de meeste Belgen lange tijd wilde aannemen. Marchal: ‘Sommige Belgische historici willen nu wel toegeven dat Leopold II het te bont gemaakt heeft. Maar, zeggen ze dan, vanaf 1908, toen de Belgische staat de Kongo overnam van de koning, is het net zo geworden als in alle kolonies. Maar dat is niet waar. Hetzelfde koloniale personeel bleef. En België heeft er nooit ene frank in willen steken – anders mocht de regering de Kongo-staat namelijk niet van de koning overnemen. Dat systeem is dus doorgegaan, zij het ontdaan van de scherpste kanten, maar wel met de dwangarbeid en de terreur.’ Na de Tweede Wereldoorlog werd het wel beter, vindt Marchal. ‘Ik kwam er in 1948. Ik ben ervan overtuigd dat het toen begon een normale kolonie te worden. Er was immers overal uitbating, er waren overal dwangcultures.’
In eigen land kregen de boeken van Marchal nauwelijks aandacht, naar hij zegt omdat het thema van de onderdrukking van de Kongo nog steeds taboe is en het Belgische establishment actief poogt hem uit de publiciteit te houden. Oud-kolonialen voeren een lastercampagne tegen hem en zorgden er dit voorjaar nog voor dat ‘Het Belang van Limburg’ afzag van een bijlageartikel over hem en zijn werk. Een uitgever deed zo weinig voor een van zijn boeken, dat Marchal de voorraad uiteindelijk maar zelf opkocht.
In het buitenland lokten zijn studies tot dusver al evenmin veel reacties uit, ook al omdat hij er aanvankelijk voor koos zijn boeken slechts in het Nederlands te publiceren. Daar ziet hij nu van af: zijn eerste boek, ‘E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat’, verschijnt dit najaar bij een Parijse uitgever in het Frans. In België was er geen Franstalige uitgever te vinden voor het werk van deze ‘nestbevuiler’.

Ik ontmoet hem de eerste keer in het voorjaar, als de kersenbloesem grote delen van Belgisch Limburg overdekken. De Rwandese presidentiële troepen hebben dan net het grootste deel van de regering vermoord en en passant tien Belgische VN-militairen afgeslacht. De massale moord op de Tutsi’s is dan net begonnen. Marchal wil wel praten over België en Rwanda, als ik er maar niets over opschrijf, want hij vreest als een landverrader af te worden geschilderd als zijn kritische kanttekeningen over de Belgische aanwezigheid in Rwanda naar buiten komen. Dat de Belgische VN-soldaten die het afgelopen jaar in Somalië beschuldigd werden van te hard optreden verbaasde hem niet: hij denkt dat het voortvloeit uit de neerbuigende Belgische traditie ten opzichte van de inheemse bevolking. De Fransen, er al honderd jaar op uit om de Belgen in Afrika te vervangen, krijgen ook een veeg uit de pan. Maar de bandrecorder moet voortdurend uit: ‘Ik moet geweldig voorzichtig zijn, het is een hysterie in België. De ruiten worden hier ingegooid, zeker als ik dat ook nog eens tegen een buitenlandse krant zeg.’
Inmiddels zijn de kersen rijp en Marchal heeft de meeste krieken rond zijn landhuis geoogst. Zijn angst om voor landverrader uit te worden gemaakt is wat geslonken.
Marchal: ‘België kreeg Roeanda-Boeroendi na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied toegewezen, nadat ze tijdens de oorlog samen met de Engelsen de Duitsers daar hadden verdreven. Het maakte tot dan toe immers deel uit van Duits Oost-Afrika. Dat de Belgen daar überhaupt aan begonnen, was weer die grootsheidswaanzin, nadat eerder de Kongo was doodgebloed door de exploitatie door Leopold II. In plaats van in die uitgebloede Kongo wat te gaan doen en de mensen te beschermen, gingen ze vandaar nog eens Duits Oost-Afrika helpen veroveren.’

Al die tijd lieten de Belgen de Tutsi-minderheid als heersers aan de macht in Rwanda. Maar in 1959 kwam de Gentse kolonel Guy Logiest met zwarte koloniale troepen vanuit Stanleyville in oostelijk Kongo de rust herstellen in Rwanda. Hij is daarna hogelijk geprezen, omdat hij toen alle Tutsi-chefs heeft afgezet en vervangen door Hutu’s, met de goede bedoeling dat de Hutu’s onderdrukt werden. ‘Maar dat was een dommigheid,’ zegt Marchal. ‘Dat blijkt nu wel. Hij heeft die hele samenleving daar ontwricht. En kijk, diezelfde Hutu’s die alles aan de Belgen te danken hebben, beginnen nu meteen Belgische blauwhelmen te vermoorden.’
Marchal denkt dat Frankrijk altijd al probeerde een voet aan de grond te krijgen in Zaïre, Rwanda en Burundi. Het zinde de Fransen vanaf het begin al niet dat de Kongo aan de Belgische koning Leopold toeviel. Maar de Fransen moesten het lijdelijk aanzien omdat de andere grootmachten van die dagen geen toestemming aan Parijs gaven de kolonie van de Belgische koning alsnog in te pikken.
Marchal: ‘Maar de laatste jaren waren de Franse para’s al steeds eerder dan de Belgen in Zaïre als daar onrust was, net zoals dit voorjaar in Rwanda. Het is natuurlijk geen toeval dat Rwanda en Burundi net als Zaïre deelnemen aan de door Frankrijk georganiseerde conferenties over de francofonie. En de Tutsi’s die terugkwamen uit Oeganda om de macht weer in handen te nemen spreken alleen maar Engels.’

Zijn vrouw Paula moet per se mee op de foto. Zij tikte 45 jaar geleden al de processen-verbaal uit, op grond waarvan Marchal als jong koloniaal ambtenaar rechtsprak. Zij maakte soms de wonden schoon van de inlanders die in zijn opdracht zweepslagen toegediend kregen, geheel in de koloniale geest van het Belgisch Kongo van na de Tweede Wereldoorlog. De chicotte van dunne repen nijldierhuid speelde steeds een centrale rol in de Belgische geschiedenis in Afrika.
Zijn vrouw tikt nu op de computer zijn boeken uit, die in twintig jaar van dagen, avonden en weekenden thuiswerk na tijdrovend en kostbaar archiefonderzoek tot stand kwamen. Marchal had na zijn pensionering voor boer willen spelen in het huis dat hij de afgelopen dertig jaar tussen zijn posten als ambassadeur in Afrikaanse landen door liet bouwen nabij het Belgisch-Limburgse Hoepertingen. Het kwam er niet van, ook al heeft hij dan fruitbomen, ganzen en de ezels. Soms sust Paula hem als hij zich al te druk maakt over alle ongeloof, onbegrip en tegenwerking.

Op zijn eigen koloniale verleden kijkt Marchal zonder schuldgevoel terug. Dat geldt ook voor de lijfstraffen die hij zelf toe liet dienen aan de Kongolezen die de katoen die ze verplicht moesten verbouwen onvoldoende verzorgden of andere herendiensten verwaarloosden. Wie de chicotte kreeg moest plat op de grond gaan liggen, waarna de straf in aanwezigheid van de andere dorpelingen werd toegediend.
Marchal: ‘Dat katoen dwangarbeid was, ontging ons. Dat was overal zo, dus daar zie ik geen graten in. Ik heb die lijfstraffen toegediend en ik heb de katoen doen planten. Dat was ook in de Franse Kongo zo, denk ik, en in andere kolonies. Maar tot 1945 was dat allemaal veel erger, veel harder. Ze hebben rond 1930 de spoorlijn langs de watervallen aan de Beneden-Kongo helemaal moeten herbouwen. Dat hebben ze gedaan door dwangarbeiders op te roepen uit de ganse Kongo. Er zijn daar duizenden mensen gestorven, als vliegen. Daar is nooit een woord over geschreven. En weet ge dat de Belgen in de Tweede Wereldoorlog de zwarten opnieuw de bossen ingestuurd hebben om wilde rubber et oogsten, nadat de Japanners de uitvoer van de Indonesische rubber hadden afgesloten? Onze mensen hebben toen gezegd: “Wij gaan u helpen, wij hebben daar nog oerwoud. Wij weten wat rubber is”.’ Hij lacht ongemakkelijk, met een pijnlijke grimas.
Marchal: ‘En toen was het weer hard. Niet meer zoals onder Leopold II, toen ze mensen doodschoten die met te weinig rubber terugkwamen uit het bos, waarna ze de handen afhakten om aan te tonen dat ze goed tekeer waren gegaan. Ze moesten die handen roosteren omdat ze anders onderweg verrotten. Met manden vol handen kwamen ze terug uit de brousse. Zo was het in de jaren veertig niet meer, maar het was weer hard. Dat wil gewoon zeggen dat de Belgen nooit beseft hebben wat ze ginder gedaan hebben. Het is een eeuwige schande. Als ik dan Willy Claes en Jean-Luc Dehaene hoor over de mensenrechten in Zaïre, dan krimp ik in van schaamte – dat wij daarover durven spreken. Dat is een schande als ge zo’n verleden hebt. Dat zouden mijn boeken moeten leren aan de Belgische gezagsdragers, maar ik word niet gelezen. Niemand kent mijn boeken, niemand is daarin geïnteresseerd. Men leeft hier in België in de mythes en legenden van die filantropische Leopold II, die de Arabische slavendrijvers zou hebben vernietigd. Dat terwijl Leopold juist nauw samenwerkte met die slavenhandelaren.’
Ik opper dat de verdringing van het koloniale verleden niet iets typisch Belgisch is. In Engeland en Frankrijk gaat het net zo. Is het in Nederland misschien beter?
‘Ik denk het niet,’ zegt Marchal. ‘Ik verwijs naar professor Jan Breman in Amsterdam, die heeft hetzelfde probleem als ik. Die wordt ook niet geloofd en wordt ook niet gelezen. Gij hebt hetzelfde probleem als wij. Ik weet het, bij u wordt meer aan ontwikkelingssamenwerking gedaan dan in België. En Multatuli was dan wel een Nederlander en hij werd wel een literaire held. Maar ik geloof niet dat de Nederlanders door hem overtuigd zijn. Indonesië heeft nu geweigerd nog iets aan te nemen van Nederland. Ik vind dat fantastisch. Maar Mobutu weigert nog geen hulp, die is zo ver nog niet.’
‘En dan hadden wij nog Rwanda, zoals u Suriname had had, zo’n klein kroonkolonietje waar je alles kon doen wat je wilde. Maar Nederland hoeft niet voortdurend de Nederlanders weg te halen uit Suriname, zoals wij de Belgen bijna jaarlijks moeten evacueren uit Afrika, waarna ze stilletjes met hun duizenden binnen enkele maanden weer terugkeren als Sabena weer gaat vliegen.
In Rwanda hebben we nooit iets verdiend, het heeft alleen geld gekost aan België. Maar in de Kongo hebben we kolossaal fortuin gemaakt. Rwanda was een kolonie zoals alle kolonies, die waren er voor de exploitatie, dat was de geest van de tijd, maar het koloniale verleden is daar heel normaal verlopen. Maar de Kongo, dat is een speciaal geval. Vooral die eerste jaren onder Leopold II. Dat was het wrede systeem dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw in Indië toepasten.’

Toen Marchal er eenmaal achter was dat hij net als de andere Belgen met leugens zoet was gehouden over het Kongolese regime van Leopold II – de twijfels over het vervolg kwamen pas later – gebruikte hij zijn periodieke terugkeer in Brussel om de koloniale archieven in te duiken, voor zover ze tenminste niet waren vernietigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel was daartoe een prima uitvalsbasis: Marchals bureau stond vijftig meter van de koloniale archieven.
Marchal: ‘Dat is wel een van de redenen waarom ik niet gelezen wordt. Ik heb nooit propaganda kunnen maken. Als ik als diplomaat mijn pensioen wilde halen moest ik een beetje opzij leven en een pseudoniem nemen. Dat werd A.M. Delathuy, net als mijn overgrootmoeder. En ik kon geen persconferenties te geven. Tot ik in 1989 met pensioen ging wist niemand wie Delathuy was. Ook al omdat het in het Nederlands verscheen en het dus niet gelezen werd in Zaïre. Bij Buitenlandse Zaken liet men mij begaan, omdat ik me zo kalm hield en me niet als stokebrand gedroeg. Men kon mij weinig verwijten. Door die andere naam, Delathuy, is de minister nooit in moeilijkheden gebracht. En ik zocht er geen glorie mee.’
‘Een andere reden is, dat ik me niet op kon trekken aan de boodschap die ik breng,’ zegt Marchal. ‘Daar ben ik beschaamd over, daar kan ik het land niet mee afreizen. Ge moet van mij niet verwachten dat ik in Rotterdam ga spreken of naar Amsterdam kom om over het banditisme van die Belgen te spreken. Dat kan toch niet? Het is nu bij mijn laatste boek voor het eerst dat ik me op een perspresentatie heb laten zien.’

Marchal lijdt onder de aanvallen van zijn collega’s van vroeger, de oud-kolonialen die zich ook in Belgisch-Limburg gegroepeerd hebben in een club. ‘Die kunnen maar niet begrijpen dat een Limburger zoiets doet, Leopold II zwartmaken. Toen de krant over de presentatie van dat laatste boek schreef, zijn de oud-kolonialen van Hasselt naar de hoofdredacteur gelopen. Ze wilden een rechtzetting. Een rechtzetting van een verslag van een persconferentie? Ik zie dat niet zo goed. Die reporter was enthousiast over mij. Die zei: ik maak een weekendportret. Zodra die mannen van Hasselt daar achter kwamen zijn ze naar de redactie en de directeur gelopen. “Als ge nog iets durft publiceren van die Delathuy, dan verliest ge 5000 lezers,” dreigden ze. Die reporter is weer bij mij gekomen en heeft mij dat verteld. Die zegt: hoe zit dat met die 5000 lezers? Nu ben ik zelf lid van die club geweest. Ik was het 129ste lid. Maar het gevolg is wel: er is niets meer verschenen in Het Belang van Limburg.
‘En als dat laatste boek nou tegen de missie zou zijn, maar dat boek is vóór de missies, het is zelfs gesubsidieerd door een missiecongregatie. Nou ja, de eerste grote ordes die onder aanmoediging van Leopold II naar Kongo gingen, die komen er niet zo mooi uit, dat waren echte potentaten, daar kun je moeilijk wat goeds van vinden. Maar de kleinere ordes, zoals de paters van Mill Hill bij u vandaan, uit Roosendaal – uw paters komen er toch prachtig uit? Die hebben ook niet de internationale propaganda voor de Kongostaat gevoerd waar Leopold op hoopte. En die hebben ook niet deelgenomen aan het met duizenden kidnappen van kinderen die uit dorpen werden gehaald, soms nadat de rest van de bevolking was uitgemoord of de bossen in waren gejaagd, om vervolgens door het koloniale leger over gigantische afstanden te worden vervoerd om in concentratiekampen van de missie te worden opgeleid. Veel kinderen overleefden de tocht niet eens. Tienduizend gekidnapte kinderen stierven op de missies, een veelvoud onderweg daarheen. Meisjes, vaak heel klein nog, werden onderweg verkracht. Duizenden volwassenen werden door paters gekocht om gedoopt te worden als ze al op sterven lagen. Bij de inheemsen leidde dat tot de reputatie dat de doop tot de dood leidde.’
Marchal: ‘Kijk, Leopold II was zijn Kongostaat begonnen voor te stellen als een paradijs. Hij zou er een internationale kolonie, een vrijhandelsstaat, van maken waar iedereen welkom was. Daarom zijn er ook zoveel protestantse zendelingen op afgekomen, lang voor de katholieken. Die protestanten mochten naar binnen, maar dat was dan ook alles. Tot ze begonnen tegen het koloniale regime te schrijven, toen kregen ze geen enkele concessie voor een zendingspost meer. Leopold moest de katholieken er echt naar toe sleuren. Hij moest de missionarissen hebben om te zeggen dat de protestanten lasteraars waren, hij had ze nodig als bondgenoten. Dat kidnappen is alleen in de Kongo gebeurd. Dat was geen praktijk van het Vaticaan, dat was een praktijk van de Kongostaat.’

Voor Marchal was de gewelddadige, gedwongen kerstening in de Kongo een eye-opener. Hij besefte plotseling dat het in West-Europa niet anders gegaan is. ‘Dat is voor mij zo klaar als een klontje. Alle godsdiensten zijn door de staat opgelegd. Allemaal! Waarom zijn er in Nederland zoveel protestanten – omdat het bestuur protestants was! De Spanjaarden hebben ons katholiek gehouden. En waarom zijn wij christelijk? Omdat keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarde. Op school werd ons verteld dat wij hier gekerstend zijn door Willibrord en Bonifatius, dat die hier begonnen te preken en mirakelen te doen. Allemaal larie! Die mannen zijn hier wel geweest, daar niet van. En denk niet dat ik een goddeloze ben, haha. Maar als ge een boek als dit gemaakt hebt begint ge eindelijk lucide te worden. Anders denkt een mens er niet over na hoe zijn voorouders katholiek zijn geworden.’
Net zoals u er tot 1972 niet aan twijfelde dat Leopold II een voorbeeldig, belangeloos koloniaal heerser was geweest?
Marchal: ‘Natuurlijk, waarom niet. Ik ben geen speciale. Ik heb mijn plicht gedaan als koloniaal ambtenaar – ik heb al een koloniaal pensioen sinds 1967 en dat kwam nog eens bovenop mijn wedde van ambassadeur. Ik heb een mooie carrière achter de rug, hoor. Ik geef toe, dat ik geen man ben die iets tegen het establishment had. Ik zit er, zonder te stoefen, eigenlijk volledig in. Ik ben veel hoger van graad dan die mannekes van Hasselt die mij aan het belagen zijn. Maar ik las toen in Ghana verontwaardigd – zoals elk normaal mens zou doen – dat er tien miljoen zwarten kapot zijn gemaakt in de Kongo. Pas toen ik geen antwoord kreeg is het begonnen. Het is werkelijk ongelooflijk. Hier in België hebben historici honderden boeken geschreven over de tijd van de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, die de Kongo optrok en naderhand nog voor Leopold II werkte. Maar je vindt in België nauwelijks een woord over de campagne van de journalist Edmund Morel, die tien jaar lang actie voerde tegen de Kongostaat van Leopold II. Die man stond elke dag met berichten over de terreur, de strafexpedities en de dwangarbeid in de internationale kranten. The Times, dat was bijna zijn spreekbuis. Morels beeld van het koloniale België leeft nog steeds in Engeland en de Verenigde Staten.’

Dat het koloniale verleden van België en dan nog speciaal het koloniale regime van koning Leopold II onbespreekbaar is, verklaart Marchal deels door de betrokkenheid van het koningshuis bij Zaïre, Rwanda en Burundi – een betrokkenheid die tot de dag van vandaag doorgaat. ‘Het is het enige onderwerp dat in België nog onbespreekbaar is. En als die boeken van mij iemand aangaan is het Albert II. Hij zit toch in het kasteel van Laken, dat met koloniaal geld omgebouwd is, zoals Leopold zijn Kongolese goudmijn gebruikte om ook een reeks andere luxeprojekten in België, handelsprojekten in China, een leger op de Nijl en Franse kastelen voor zijn lief te financieren.’
‘Leopold II was gefascineerd door de rijkdom die van Java naar Nederland was gegaan. Toen de Belgen zich van Nederland af hadden gescheurd, was dat tot ongenoegen van Belgische fabrikanten die aan Indonesië leverden. Daarom wilde Leopold II een kolonie hebben – dat brengt fortuin op! Dat heeft hij kunnen flikken door zich als filantroop voor te doen, en dat deed hij onder de vlag van die fictieve Association Internationale Africaine.’
‘In de dorpen in de Kongo weet men nog wat er allemaal gebeurd is,’ zegt Marchal. ‘Ik ben ooit een vrouw tegengekomen die de overlevering nog kende, dat de soldaten bij de mannen de penissen afsneden. Maar mensen als Moboetoe en Loemoemba die bij de paters gestudeerd hadden en niet meer in de dorpen kwamen, die wisten dat niet. Tot de laatste ruzie tussen België en Moboetoe was het grootste compliment dat de zwarten aan Moboetoe konden maken dat hij nu net zo groot was als Leopold de Tweede.’
‘Loemoemba heeft in 1960 met een speech in aanwezigheid van de koning en de eerste minister het spel op de wagen gezet. Dat de Belgen deugnieten waren, dat ze hen geslagen hadden en dat ze niets mochten. Maar Loemoemba had het niet over de periode van de rubber, die had het over de jaren vijftig. Want bij ons in de Kongo was volledige apartheid. De zwarten mochten niks. Die mochten niet in hotels komen, die hadden hun eigen vervoer, ze mochten geen hogere studies doen en ze kregen hongerlonen. De zwarten konden niks, zeiden wij, en die mochten niks. En er wordt hier dan wel afgegeven op de dictatuur van Moboetoe, maar weet goed: in 1959 was in Kinshasa de eerste opstand tegen de blanken en die zijn ongenadig neergekogeld. In onze tijd was er geen kwestie van betogen, hoor. Tegen de grond!’
‘Nu zegt men: de tijd van de Belgen was fantastisch, de Gouden Eeuw. Ja, voor sommigen was het de Gouden Eeuw, zoals voor de oud-kolonialen waarvan de meesten blij zijn dat het ginder nu zo slecht gaat. Het zijn geen deugnieten, hoor, die mensen zijn te beklagen. Hun carrière is daar gebroken toen de onafhankelijkheid kwam. Die smart is gebleven, dat hart is verscheurd en daarom zijn die mensen zo onevenwichtig in hun beoordelingen. Daarom zetten ze mij in hun blaadje neer als iemand die een formidabel koloniaal ambtenaar was, maar een post-koloniaal syndroom heeft gekregen. Ik ben in hun ogen een nestbevuiler, een halve zot.’
‘Ik ben wel teruggegaan naar de Kongo, maar louter als raadgever. Het was gedaan met het chicotte geven. Ook de apartheid was voorbij. Die mensen kwamen toen bij mij over de vloer en ik bij hen – ik vond dat veel aangenamer. Daarmee was ik mentaal voorbereid op de ontdekking die ik later deed, omdat ik de zwarte niet alleen als kolonialist heb gezien maar ook als mens. Dus geloof ik dat ik eigenlijk in de wieg gelegd ben om die boeken te schrijven. Ik heb de tijd van voor 1960 gekend en die van daarna, nadien ben ik diplomaat geworden in Afrikaanse landen. Ik heb gezien wat de Fransen gedaan hebben en wat de Engelsen gedaan hebben. Ik ben geen rijk mens, maar ik ben financieel onafhankelijk, dus ik hoef het niet na te laten om een job te krijgen. Weelde heb ik niet, want ik heb al mijn geld in die opzoekingen gestoken en tot het laatste boek heb ik nooit financiële ondersteuning gehad.’

‘Mijn vrienden, de oud-kolonialen, verwijten mij dat ik niets goeds kon zien in de tijd van Leopold II. Maar wat kan ik daar goed in zien? Dat systeem was slecht, daar was geen enkele goede kant aan. Achteraf is de verdienste van Leopold II dat hij de stichter van Zaïre was. Dat is dus positief, als daar iets positiefs aan is, zo’n groot land dat waarschijnlijk uiteen gaat vallen. Maar goed: dat is hem niet af te nemen, net zoals het hem niet af te nemen is dat Zaïre dankzij Leopold II vandaag de dag het grootste katholieke land van Afrika is. Maar op zich was dat alles geen verdienste: hij had een groot land nodig om veel bos te hebben om veel rubber te kunnen plunderen. Dat was dus gewoon hebzucht, vraatzucht. Overigens begrijp ik imperialisten als hij wel. Wij zijn allemaal imperialisten. Een groot land maken, dat is toch fantastisch?’
(overgenomen van http://www.sypwynia.nl/archief/interview-jules-marchal/)
Treinramp Philadelphia (USA): infrastructuur slecht onderhouden en trein reed te snel
Edited: 201505140151
Thill Ern.
Les paysages Belges - La Campine - Zinkfabriek te Lommel
Edited: 201505140108
MARCHAL Jules
Poursuite du travail forcé après Léopold II
Edited: 201505031615
Interview de Jules Maréchal
TOUDI
JULES MARCHAL
Toudi mensuel n°42-43, décembre-janvier 2001-2002
Histoire de la monarchie belge

Les faces cachées de la dynastie belge.




TOUDI - Jean Stengers prétend qu'à partir de la reprise du Congo par la Belgique en 1908, les abus ont cessé?

JULES MARCHAL - Rien n'a changé. Et d'ailleurs c'est le même personnel qui est resté sur place. Si la Colonie a été administrée convenablement ce n'est qu'après 1945 voire 1950...

TOUDI - Pourtant on entend tant de coloniaux dire qu'ils sont été déçus parce que le Congo avait été merveilleusement équipé de routes, de chemins de fer, d'hôpitaux et que la décolonisation a détruit tout cela...

JULES MARCHAL - Tout cela a été fait pour les Blancs pas pour les Noirs. Ces routes ont été construites dans les années 1920 et 1930 par des gens qui n'étaient même pas payés. Ou alors 50 centimes par jour, ce qui est à comparer au prix du pain plusieurs fois supérieur ou d'une simple couverture qui coûtait 115 f en 1945. Le chemin de fer Matadi-Kinshasa a été reconstruit dans les années 1920. On a recruté des gens dans tout le Congo et on les a contraints à venir y travailler la corde au cou. Ce sont les soi-disant chefs coutumiers qui étaient chargés de désigner les gens à prendre pour ces besognes. Bien sûr ces travailleurs forcés tentaient de s'enfuir mais ils étaient exilés loin de leurs régions natales... Beaucoup moururent.

TOUDI - Mais le régime n'était-il pas aussi dur dans les autres colonies?

JULES MARCHAL - Certaines sociétés payaient 1 F par jour, dans les années 40 au Kivu. Le maximum était de 3 F à l'Union Minière du Haut Katanga. Mais à la même époque, au Kenya, les gens étaient payés un shilling par jour ce qui signifie sept fois plus. Bien sûr l'employeur était obligé de loger et de nourrir des travailleurs aussi peu payés, mais cela se faisait dans de misérables conditions. Et pourtant les maintenir en bonne santé était quand même un minimum. En fait de logement, les travailleurs recevaient un jour de congé pour construire leur hutte. C'est à partir du plan décennal 1950-1960 que les gens ont commencé à être mieux payés.

TOUDI - Les chemins de fer ont fait combien de morts?

JULES MARCHAL - Dans mon livre Travail forcé pour le rail, j'ai établi un nécrologe où apparaissent 3684 noms. Ces gens mourraient des conditions de travail qui leur étaient imposées. Il y avait tellement de morts partout où les gens étaient soumis au travail forcé que le gouverneur général a demandé que l'on en établisse des listes mensuelles. Le total des morts est le double de ceux figurant sur les listes..

TOUDI - Quel était le nombre de morts. Morel parle de 10 millions de morts durant l'époque de Léopold II (1985-1908) ou de l'État indépendant du Congo...

JULES MARCHAL - La dépopulation du Congo a causé de l'inquiétude jusqu'en 1950. Quand la Belgique a repris le Congo on a fait l'estimation d'une population de 7 millions et par après on a monté l'estimation jusqu'à 10 millions, ce qui était la population en 1960. Maintenant, on estime la population au Congo à 30 à 40 millions d'habitants. Je sais que l'on parle toujours de la misère du Congo après la décolonisation. Mais le Congo n'a jamais été aussi peuplé. On parle aussi actuellement d'une mise en coupe réglée du Congo par les sociétés étrangères mais le pillage était bien plus grave sous la domination belge.

TOUDI - Hochschild parle lui aussi de 10 millions de morts...

JULES MARCHAL - Tout ce qu'il dit est exact, il n'y aucune exagération. Ni dans les affirmations de Morel selon lesquelles la colonisation belge - dans son premier stade - a été la plus effroyable des colonisations après celle des Espagnols en Amérique indienne au 16e siècle. Quand Stanley a pénétré la première fois au Congo il a estimé la population - on ne peut jamais faire que des estimations à l'époque - à 40 millions d'habitants. Puis les estimations ont été revues à la baisse: à 17 millions. Au premier recensement de 1910, on a compté 7 millions d'habitants. La différence donne le chiffre de Morel de 10 millions de morts. J'estime que, durant les 30 ou 40 ans qui suivent la reprise du Congo par la Belgique, il y a eu encore d'innombrables milliers de morts à cause du travail forcé et des conditions générales de vie imposées par la colonisation. C'est à peine si la population a augmenté durant toute la colonisation alors que depuis 60 elle s'est multipliée par trois, passant de 10 à 30 millions d'habitants.

TOUDI - Vous avez été fonctionnaire colonial et donc vous avez vécu toutes ces réalités-là sur le terrain mais comment vous documentez-vous?

JULES MARCHAL - Depuis 25 ans, je vais constamment consulter les archives à l'ancien ministère des colonies. Aucun autre historien ne réalise ce travail.

TOUDI - Y avait-il une telle différence entre le Congo et les autres colonies?

JULES MARCHAL - Dans de nombreux coins d'Afrique poussaient autour des villages des palmeraies naturelles ou semi-naturelles. Dans les colonies britanniques les Anglais laissèrent les Noirs les exploiter. Au Congo, l'État s'en déclara propriétaire et les attribua e.a. à Unilever qui devint un grand exportateur d'huile de palme. Non seulement les Noirs étaient privés du fruit de cette culture mais encore étaient-ils recrutés pour y travailler dans des conditions très pénibles. Au Nigeria par exemple, le gouvernement britannique a laissé l'exploitation de ces palmeraies aux Noirs et le Nigeria a été longtemps le premier exportateur d'huile de palme. Cela fait toute une différence...

TOUDI - Si vous avez été fonctionnaire colonial, vous avez dû être le témoin direct du système léopoldien (ou des traces qui en demeuraient peut-être), puis de ce qui a suivi?

JULES MARCHAL - Quand je suis arrivé au Congo en 1948, il y avait déjà une amélioration. Le travail forcé avait cessé. On commençait à payer un peu mieux les gens et on traitait mieux la main d'oeuvre. Mais vous savez, même à mon époque, la contrainte existait encore. Je l'avoue, comme fonctionnaire, j'avais les pouvoirs d'un juge de tribunal de simple police. Et en tant que tel je condamnais les Noirs, dont se plaignait la société cotonnière, à quelques jours de prison. Je les condamnais à la suite d'un dialogue de ce genre : - Pourquoi n'as-tu pas fait ton champ de coton? - Ma femme était malade. - Ce n'est pas ta femme qui doit le faire. Sept jours de prison. Et je le mettais en prison. C'était une prison ambulante. Chaque matin on sortait trois ou quatre prisonniers à qui on donnait la chicotte pour effrayer les autres Noirs astreints aux travaux dans les champs de coton. La chicotte, c'était un instrument de torture tellement c'était douloureux. De mon temps, on en donnait encore 8 puis quatre coups de chicotte par séance. À l'époque, on en donnait jusque 100, entraînant parfois la mort. Et le coton que les Noirs étaient obligés de récolter, c'était payé à vil prix par les Belges. On comprend que dans ces conditions le Congolais n'a pas pu s'épanouir. Nous l'avons pillé.

TOUDI - Vous avez participé à ce système?

JULES MARCHAL - J'étais fier de ce que je faisais. Je ne me rendais pas compte à quel système je participais. Lorsque j'ai été ambassadeur au Liberia, j'ai lu dans un journal ce qui est bien connu dans tous les pays de langue anglaise à savoir que la colonisation du Congo par Léopold II y a diminué de moitié la population, entraînant un nombre de morts estimé à 10 millions. J'ai aussitôt cherché à rassembler les preuves que ce n'était qu'un mensonge, et cela pour défendre la réputation de la Belgique dont j'étais responsable en tant qu'ambassadeur. Mais les preuves que c'était un mensonge, évidemment, je ne les ai jamais trouvées. Je me suis mis alors à chercher, chercher et j'ai écrit plusieurs milliers de pages sur le Congo en compulsant à l'infini les archives. Quand Hochschild a eu le projet d'écrire son livre sur le Congo de Léopold II, il a contacté l'un des grands historiens belges spécialistes de la colonisation, Van Sina qui enseigne à l'Université du Wisconsin. Van Sina n'a pas recommandé ses propres collègues à Hochschild, ni Stengers, ni Vellut (etc.), mais il a dit à Hoschild d'aller me trouver. L'histoire, la recherche scientifique sur le Congo... Ces gens devraient s'offusquer de ce que j'ai fait leur travail. Car tous ces historiens n'ont jamais exposé le système à l'exception de Jean-Philippe Peemans mais qui n'a écrit que sporadiquement. Savez-vous que l'Union Minière finance encore aujourd'hui une chaire africaine à Louvain-la-neuve?

TOUDI - Comment expliquer qu'un tel silence se soit maintenu durant la colonisation, du moins en Belgique?

JULES MARCHAL - Il y a tout de même quelqu'un qui s'en tire avec honneur, c'est Émile Vandervelde qui n'a cessé de dénoncer les atrocités avant et après la reprise du Congo et encore en 1931 par exemple. Mais les gouvernements belges, après Léopold II et les rois qui lui ont succédé se sont faits les complices de l'exploitation. La Belgique s'est vantée de sa mission civilisatrice, d'avoir libéré le Congo de l'esclavage alors qu'elle l'a plongé dans une forme de travail forcé qui est encore pire que l'esclavage.

TOUDI - Mais qui pouvait couvrir cela?

JULES MARCHAL - La hiérarchie des missions catholiques. Les sociétés l'aidaient à construire des églises et des écoles pour l'évangélisation. Les missions étaient subsidiées par l'État et ceux qui arrivaient piller le Congo et, derrière la façade missionnaire, l'exploitation a pu se poursuivre. Quand Vandervelde dénonçait, les évêques le démentaient. En revanche, les missionnaire protestants, ne jouissant pas de subsides, étaient libres de ce qu'ils pouvaient dire. Les missionnaires catholiques ont couvert les crimes de la colonisation. C'est grâce aux missionnaires protestants que Morel a pu dénoncer la politique néfaste de Léopold II et qu'une Commission internationale a pu la constater, forçant le roi à céder le Congo à la Belgique qui devait y mettre bon ordre, ce qu'elle n'a pas réellement fait... À noter que le missionnaire catholique individuel, travaillant avec beaucoup d'abnégation, n'est pas à blâmer. J'ai toujours été son ami au Congo.

TOUDI - Peut-on utiliser le mot d'holocauste?

JULES MARCHAL- Faites attention d'utiliser ce terme, car il fait penser à génocide. Ce mot fait partie du vocabulaire juif et il n'est pas approprié à la décimation des Congolais (même si Hochschild l'utilise). Léopold II n'avait pas du tout l'intention d'exterminer les Congelais, mais il voulait se faire beaucoup d'argent sur leur compte et financer sa colonie et c'est ainsi que des millions de gens sont morts, mais uniquement pour l'argent pas en fonction d'une idéologie.

TOUDI - Les Congolais sont-ils conscients de tout cela?

JULES MARCHAL - Je crois, comme on le voit dans le discours de Lumumba du 30 juin 1960, qu'ils ont été conscients des humiliations infligées. Vous savez, le Congo belge c'était l'apartheid. Cet apartheid était aussi grave qu'en Afrique du Sud. Les Congolais ne pouvaient venir en Belgique, car ils y auraient vu des Blancs moins riches, des misérables, de pauvres diables etc. Et cela aurait cassé l'image de supériorité du Blanc qu'on voulait donner aux Congolais. Les Congolais ne sont pas conscients de l'exploitation effrénée dont ils ont été l'objet.

TOUDI - On se souvient que les coloniaux ont terriblement critiqué la venue de Noirs à l'exposition de 1958, visite considérée par eux comme la première erreur ayant mené à une certaine émancipation des esprits ou prise de conscience. Les Belges sont-ils plus conscients que les Congolais?

JULES MARCHAL - Les Belges n'en sont pas plus conscients. On sent même percer cela chez Colette Braeckman à l'occasion de ses reportages: elle se montre nostalgique des réalisations du Congo belge, tout en condamnant le régime de Léopold II. Les Belges ont le sentiment, à cause des mensonges de l'époque coloniale, qu'ils ont apporté au Congo tout un système sanitaire et scolaire entre autres. Mais ce système scolaire n'a été mis en place que pour l'enseignement primaire: on ne peut parler de réussite sociale dans le système que je vous ai narré.

TOUDI - Pourtant on souligne souvent que le Congo a été une réussite sociale ou matérielle mais un échec politique, notamment parce que l'on n'a pas formé d'élites.

JULES MARCHAL - Les " réussites matérielles " profitaient uniquement aux Blancs. Il y a avait un hôpital par territoire (correspondant à la moitié de la Belgique) au Congo, vous trouvez que c'est une réussite cela?

TOUDI - Pensez-vous que le personnage de Kurz dans Au coeur des ténèbres de Joseph Conrad serait un bon représentant de ce qu'a été la colonisation du Congo?

JULES MARCHAL - Kurz avait entouré sa maison de piquets auxquels étaient accrochées des têtes humaines décapitées. Il montre que l'environnement colonial peut créer un homme capable d'aller jusqu'au bout du crime et de l'horreur, c'est ce que veut faire sentir Joseph Conrad. Mais il n'est pas à considérer comme représentant de la généralité des Blancs.

TOUDI - Mais enfin cela, c'est les débuts de la colonisation?

JULES MARCHAL - Je voudrais bien insister ici. c'est vrai que le Congo léopoldien a été terrible, mais seulement la Terreur inaugurée par l'État indépendant du Congo a prolongé ses effets très loin sous le régime proprement belge. Vous comprenez, les Africains n'y touchant que des salaires de famine, n'avaient aucune envie d'aller travailler dans les plantations, les usines et les mines de cuivre, de diamants etc. La Terreur instaurée du temps de l'État indépendant du Congo a été soutenue jusqu'en 1950 par des méthodes qu'on appelait (par gradation): 1. les occupations militaires 2. les opérations militaires. On est même allée jusqu'à tirer sur des hommes désarmés avec des mitrailleuses comme chez les Pende au Kwilu en 1931. Ce dernier fait, le ministre des colonies Paul Tschoffen l'a reconnu à la Chambre le 21 juin 1932.

Il faut bien le voir: après la cession du Congo à la Belgique par Léopold II, le régime est resté pratiquement le même jusqu'en 1945, le nombre de morts diminuant quantitativement, mais l'exploitation étant demeurée la même sur le plan qualitatif d'un nouvel esclavagisme.

Le texte de cette conversation a été établi par Jules Marchal et la rédaction de la revue TOUDI.

Très bonne actualisation (ajout du 9/12/2009): Des millions de morts au Congo, l'avis d'un médecin en 1930.

link
RAND, JOHN B.
The History of Camp Tophat:The Story of an American City that grew on the Banks of the Schelde - and of the personalities that made it grow.
Edited: 201504300156
Hard Cover, 340x210mm. Copied typoscript, letters are sometimes difficult to read. Unique document on the camp on the river banks near Antwerp where 16.500 American soldiers and 2500 German prisoners lived from July 1945 until april 1946. ' By May 1945, Tophat was a pretty luxurious place with her five movie theaters, good food, a gift PX, officer’s and enlisted men’s clubs, an ice-cream bar, a 20-seat barber shop where the haircuts were free (but you were encourage to tip the barber on your way out), and excellent English-speaking Belgian service personnel.' Ills. and map that show, together with the text, how life in Camp Tophat was. Decorative cover with tophat in gilt in the middle of the front cover. 86 p. Exceptional!. Belgisch of Nederlands posttarief naar keuze. Very Good.
Ambulant Antikwariaat Othello
Book number: 000298
€ 250.00
Augustinus
Belijdenissen: een visie op journalistiek en romans
Edited: 201504280130
Maar wat heeft tenslotte dat medelijden te betekenen bij gefantaseerde gebeurtenissen, die op een toneel worden voorgesteld? Tot hulpverlening immers wordt de hoorder niet aangezet! Hij wordt alleen maar uitgenodigd om verdriet te voelen, en hoe meer verdriet hij voelt, des te meer waardeert hij degene die die beelden ten beste geeft. En wordt die door mensen ondergane rampspoed, uit het verre verleden genomen of gefantaseerd, zo gespeeld dat de toeschouwer geen verdriet voelt, dan gaat hij er verveeld en vol kritiek van weg; wordt hij echter smartelijk aangedaan, dan blijft hij, vol aandacht en genoegen.
de Pradel de Lamase, Paul (1849-1936)
Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Edited: 201504070912
L'extrait qui fait suite, est tiré de l'ouvrage de Paul de Pradel de Lamase (1849-1936), "Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution". Il illustre une bien courte partie de la vie du château d'allassac (mais pas que lui) sur lequel je faisais quelques recherches.

Malgré le caractère "conséquent" de la citation, j'ai tenu pourtant à garder ce chapitre intact et complet car sa richesse et son contenu donne un éclairage très particulier, que je n'ai pas souvent rencontré, de la révolution Française dans son ensemble et une vue précise de l'agonie du château d'allassac.

Il me semble évident qu'une certaine forme de partialité concernant la période révolutionnaire se dégage de ce texte, même si les faits exposés semblent avoir été vérifiés et prouvés, il n'en reste pas moins que les actions décrites mettent surtout l'accent sur le vandalisme de la révolution, et laissent plus largement sous silence les motivations souvent justifiées de certains de sortir d'un régime que nous n'avons toutefois jamais vraiment quitté. N'ayant pas souvent sous les yeux la vision qua pu avoir l'auteur il m'a semblé interessant de la partager.

A plusieurs reprises lors de la lecture, l'auteur se livre à des analyses qui semblent pertinentes et il sait mettre en avant les arguments que nous utiliserions encore aujourd'hui. De même, une fois passé le vocabulaire tranchant qu'il utilise pour qualifier certains groupes on découvre une personnes avisée et clairvoyante sur la nature humaine.

Pour le reste, la description des biens et de l'histoire de leur disparition est une pure merveille de rédaction et de précision qu'il m'est difficile de couper. Jugez en par vous même :

La curée

Le plus important est fait; la famille de Lamase est en exil; ses grands biens sont privés de l'oeil du maître ; il s'agit maintenant de les priver du maître lui même, de les nationaliser, en un mot. Pour cet objet, il n'y a plus qu'à laisser le plan révolutionnaire se développer dans toute sa beauté. Ce plan est simple : les propriétaires dont la fortune est adjugée d'avance aux affiliés sont d'abord contraints de sortir de France ; on les empêchera ensuite d'y rentrer; on les punira de la confiscation pour être sortis ou pour n'être pas rentrés, et le tour sera joué.

L'Assemblée Constituante accomplit en deux ans la première partie du programme. Elle provoque le désordre, elle encourage l'émeute, l'assassinat et le pillage; elle renverse les lois et coutumes établies depuis des siècles; elle anéantit les parlements et les anciennes juridictions indépendantes; elle les remplace par des tribunaux dont les juges sont à la nomination du pouvoir politique, par conséquent à sa dévotion. Toutes les institutions garantissant la vie et les propriétés des sujets du roi sont supprimées en théorie quand cette assemblée de malheur passe la main à la Législative, au mois d'octobre 1791. Les bons citoyens ne peuvent plus se faire aucune illusion. Le roi, avili et sans force, est incapable de les protéger; plus de cent mille familles vont chercher à l'étranger le minimum de protection auquel a droit tout homme civilisé.

Il ne faut qu'un an à la Législative pour exécuter la deuxième partie du programme, pour ouvrir l'ère des injustices les plus criantes, des scélératesses les plus effrontées.

Quand elle aura terminé son oeuvre, toutes les victimes désignées seront solidement ligotées; la Convention et le Directoire n'auront plus qu'à frapper dans le tas, les yeux fermés. Il ne sera même plus nécessaire de disposer de tribunaux dociles pour priver les citoyens de leur liberté, de leur fortune, au besoin de leur tête. Celle-ci sera parfois à la discrétion des geôliers qui s'amuseront à massacrer vingt-cinq ou trente mille prisonniers dans les premiers jours de septembre 1792; les survivants, on les laissera mourir de faim au fond des geôles puantes, ou on les guillotinera. Le résultat sera le même. Ni les uns ni les autres ne viendront réclamer leurs biens, et c'est le seul point essentiel.

J'ai dit que la Législative avait rétabli la loi de confiscation et aboli le droit naturel d'aller et de venir dont les Français avaient toujours joui.

L'acte d'émigration ayant passé « crime » digne de mort et de confiscation, l'heure avait sonné en Limousin de faire main basse sur le patrimoine du plus incontestablement riche et du plus bienfaisant seigneur de la contrée. Dès le mois de septembre 1792, mon bisaïeul fût inscrit sur la liste des émigrés. De quel droit ? Ses bourreaux ignoraient le lieu de sa retraite et ils ne firent aucune démarche pour la découvrir. M. de Lamase vivait à l'écart; dès que les jours devinrent très sombres, il avait pris un correspondant à Strasbourg, et toutes les lettres qu'il fit parvenir de sa retraite à ses compatriotes sont datées de cette ville alors française. Les prescripteurs devaient présumer qu'il n'avait pas franchi la frontière .

En l'inscrivant, sans plus ample informé, sur les tablettes de l'émigration, les administrateurs du district d'Uzerche, préjugeant le « crime » sans le constater, commettaient une première forfaiture. Je la signale ici pour mémoire, le chapitre suivant devant établir que le « coupable » ne fut jamais émigré, au sens que les lois homicides de l'époque attachaient à ce mot.

Les scellés furent apposés sur ses meubles et ses biens-fonds placés sous séquestre. C'était la première formalité de la dispersion aux quatre vents d'une fortune acquise par dix générations, au prix de mille efforts d'intelligence et d'économie.

Deux des frères de Jean de Lamase et un de ses fils, qui tous trois étaient restés dans leur province ou y étaient revenus, essayèrent d'obvier aux effets désastreux de cette mesure préparatoire en opposant à son exécution des moyens dilatoires, soit en revendiquant leur légitime sur les héritages, soit en se faisant nommer séquestres de quelques domaines, soit encore en rachetant aux enchères les meubles auxquels ils étaient particulièrement attachés.



Pauvres moyens ! Au jeu de l'intrigue les honnêtes gens en lutte avec les malfaiteurs ont toutes chances de succomber, car il est écrit depuis trois mille ans que « les enfants des ténèbres sont mieux avisés que les enfants de lumière dans la conduite des affaires temporelles ».

On le fit bien voir à ces infortunés. Les persécutions qu'ils endurèrent sur place furent parfois plus amères que celles de l'exil. Ils furent aussi bien et aussi complètement volés que le chef de famille... et bernés, par-dessus le marché ; ce qui est plus humiliant que d'être assassiné.

Quand on voulut mettre en vente les immeubles séquestrés, aucun acquéreur sérieux ne se présenta, tout d'abord.

C'était au commencement de 1793. Les fermiers seuls auraient eu l'audace de s'approprier les terres qu'ils avaient le cynisme de faire valoir, pour le compte de la nation; mais comme ils ne croyaient point à la durée de l'orgie; comme, d'autre part, ils ne payaient au département qu'un prix de fermage dérisoire, ils préféraient de beaucoup profiter de l'aubaine pour épuiser les champs et les vignes, en tirer le plus possible de revenus annuels et mettre ces revenus, convertis en numéraire, à l'abri des retours de la fortune.

Les paysans, les vrais, ceux qui mangent leur pain à la sueur de leur front, éprouvaient une horreur invincible à se souiller d'un vol perpétré à la face du soleil.

Leur conscience était restée et reste encore foncièrement respectueuse de la propriété d'autrui. Il existait, sur la question, un précédent qui leur fait trop d'honneur pour que je m'abstienne de le raconter ici où il trouve naturellement sa place.

Vers le commencement du seizième siècle, un Pérusse des Cars avait consumé sa fortune en fondations d'hôpitaux et d'autres bonne oeuvres. Afin de subvenir aux besoins de ses onéreuses créations, il avait hypothéqué la part de patrimoine que la loi lui interdisait formellement d'aliéner, sous n'importe quelle forme.

Ses dettes étaient donc nulles légalement ; mais le pieux seigneur n'entendait point rendre des créanciers confiants victimes de libéralités exagérées. En un testament admirable de piété et d'honneur il rendit compte à ses enfants de la situation, les suppliant, en vue du repos de son âme, de tenir pour bons et valables les engagements prohibés qu'il avait pris.

Ceux-ci cherchèrent à se conformer à ses désirs, mais ils rencontrèrent, pour l'exécution, une résistance opiniâtre dans la volonté des créanciers qui ne voulaient pas être payés et dans le refus des habitants d'acheter les terres qui servaient de gages aux créances. De guerre lasse, les des Cars abandonnèrent les domaines engagés, purement et simplement.

L'un de ceux-ci consistait en une vaste prairie attenant au fief de Roffignac. Pendant cent ans et plus cette prairie resta close comme lieu sacré, tabou. La cloture tomba enfin d'elle-même et l'enclos devint, par la force de l'habitude, bien communal où chacun menait, à son gré, paître son bétail ; c'était, plutôt qu'un bien communal, une prairie nullius. Elle a traversé même la révolution dans ces conditions, et ce n'est qu'après 1860 qu'elle a trouvé un acquéreur, lequel a déposé le prix d'achat dans la caisse municipale.

Si les vrais paysans persistaient dans leur aversion du bien d'autrui, les autres, les petits bourgeois des environs et les passe-paysans, pour qui la révolution semblait avoir été faite, témoignaient encore de la méfiance.

Les propriétés de mon arrière-grand-père étaient d'ailleurs offertes en bloc, et j'ai pu me convaincre qu'à cette époque, il en avait été de même dans presque toute la France.

En refusant de morceler les latifundia, la république montrait ainsi qu'elle entendait ne rien faire pour le menu peuple et qu'elle désirait simplement présider à la substitution de riches par d'autres riches... Mais allez faire comprendre cette claire vérité aux malheureux enivrés des mots sonores de Liberté et d'Egalité !...

En attendant que la Convention autorisât le morcellement, d'abord en gros lots, puis en lots minuscules, on s'attaqua aux divers mobiliers qui garnissaient les châteaux ou les simples maisons de l'exilé.

Je ne m'occuperai que du mobilier de Roffignac et de celui d'Uzerche.

L'invasion de Roffignac, le 25 janvier 1790, par les émeutiers et les gardes nationaux de Brive, complices du désordre et du pillage, avait considérablement détérioré les richesses amoncelées dans l'antique demeure. Les procès-verbaux officiels, rédigés quelques jours après l'événement, ne parlent que de placards éventrés, d'étoffes lacérées, de barriques de vin et d'eau-de-vie défoncées, de glaces brisées, et sont muets d'ailleurs sur le nombre et la nature des meubles emportés, quoiqu'il fût notoire que chacun des envahisseurs en eût pris à sa convenance, sans être le moins du monde inquiété !

Les chaumières des environs et aussi nombre de maisons bourgeoises s'étaient largement approvisionnées de lits, de couvertures, de draps, de serviettes, de fauteuils, de chaises, de tableaux de prix et de miniatures représentant de petits amours devant lesquels les femmes des voleurs s'agenouillaient pieusement, les prenant pour des Enfants Jésus.

Cependant la conscience des paysans se tourmente facilement ; elle est plus craintive que celle des messieurs ; la peur d'un retour offensif de la justice humaine les talonnait. Ils se défirent, moyennant quelques sous, des objets de valeur qu'ils étaient d'ailleurs incapables d'apprécier.

Les beaux meubles ne tardèrent pas à orner les logis bourgeois de la contrée ; ce fut bientôt un luxe à la mode, parmi les familles comme il faut et inclinées dans le sens de la révolution, de se faire honneur d'objets artistiques ayant appartenu bien authentiquement au château de Roffignac.

Cette mode n'est pas tout à fait éteinte au bout d'un siècle révolu.

Je sais un grand prêtre du droit, aujourd'hui mort, forcé de son vivant, — fait unique dans les annales de son Ordre — de vendre sa charge pour y avoir exécuté des tours de sa façon, qui s'est rendu acquéreur, au prix de 400 francs, d'une vaste armoire armoriée et sculptée, laquelle vaut vingt fois plus, au cours actuel des meubles anciens. Mais un de ses parents pauvres la détenait, et il a saisi l'occasion de faire la bonne affaire, à ses dépens et aux miens. Car ce meuble m'appartient toujours, il n'y a pas de révolution qui tienne.

Si je m'étais avisé pourtant de la réclamer à ce ruffian, il m'aurait répondu certainement que « possession vaut titre. »

Nous verrons bien !

Quoique découronné de ses pièces les plus belles et les plus apparentes, le mobilier de Roffignac, où l'utile était mêlé au somptueux, avait de quoi satisfaire encore bien des cupidités et bien des curiosités.

L'administration républicaine en jugea ainsi, espérant que les amateurs se présenteraient aussi nombreux que les acquéreurs des biens-fonds se faisaient rares. Voler un meuble ne semble pas, en effet, aussi coupable ni surtout aussi accusateur que voler un champ. Le meuble se détruit à l'usage, et quand il est usé il n'en est plus question ; un champ reste, au contraire, et le blé qu'il produit chaque année reproche son crime au larron, et ceci à perpétuité.

Le calcul était juste. On commença par le mobilier d'Uzerche. Celui-ci était intact ou semblait intact, car je dirai tout à l'heure ce qu'il y manquait d'essentiel.

Il fut divisé en huit cent soixante lots, sauf légères erreurs dans mes additions,car j'ai la nomenclature sous les yeux et je tiens à être précis. Ces huit cent soixante lots furent adjugés pour la somme totale de 7.083 livres 8 sols 3 deniers.

Cette vente, présidée par le citoyen Roume,semble avoir été effectuée en un seul encan, le 25 mars 1793, ce qui montre à quel point on avait hâte d'en finir avec cette opération véreuse.

Les prix s'en ressentirent. Les acheteurs payant en assignats, et les assignats étant tombés déjà à ce moment à 50 p. 100 de leur valeur nominale, il convient de fixer à 3.500 francs environ la somme réellement perçue par le Trésor.

Quant à l'estimation véritable de tous ces objets, dont la possession allait embellir et empoisonner tant de maisons, on s'en fera une idée quand j'aurai noté que deux fauteuils en bon état et recouverts de velours d'Utrecht furent vendus 8 livres en assignats; et une excellente bergère 10 livres de la même monnaie.

En évaluant à 50.000 francs le prix marchand de notre mobilier meublant d'Uzerche, je crois rester au-dessous de la vérité.

Que de noms on relève dans cette longue liste d'acheteurs, qui seraient étonnés de s'y voir couchés tout vifs ! Mais il me plaît d'être discret.

Il est d'ailleurs probable, qu'un certain nombre d'entre eux, obligés de donner des gages de civisme, avaient, en s'appropriant certains objets, la bonne intention de les rendre plus tard au légitime possesseur et même de s'en faire accroire à ses yeux, au cas où la contre-révolution eût été victorieuse et où M. de Lamase serait revenu en maître.

Mais voilà ! Le contraire s'est produit et l'enfer est pavé de bonnes intentions. Presque tous ces enchérisseurs ont pensé que ce qui est bon à prendre est bon à garder... et ils ont tout gardé! Peut-être en est-il encore, parmi leurs descendants, qui se couchent dans nos draps et s'essuient avec nos serviettes, tant, dans les anciennes maisons, le linge était abondant et de qualité durable.

Je ne connais, dans l'espèce, que deux cas de restitution.

En 1837, un de mes grands-oncles, accablé par l'âge, désira mourir sinon dans le lit, du moins dans le fac-similé du lit à baldaquin où il était né. Il connaissait le paroissien qui, moyennant 17 livres 10 sols, se l'était approprié et, depuis un demi-siècle, y étendait tous les soirs ses membres maintenant engourdis par la vieillesse.

Mon oncle lui demanda par lettre de permettre à son ébéniste d'en prendre le dessin et la mesure. Le bonhomme, qui était devenu dévot, non par crainte de dieu mais par peur du diable, répondit en envoyant l'objet et ses accessoires, regrettant que tout cela ne fût plus très neuf. J'ajoute qu'il restituait un vieux lit, mais qu'il retenait une terre importante qui n'avait pas vieilli.

En 1910, un pauvre artisan d'Uzerche l'a imité, en rendant spontanément un papier de famille; c'est un diplôme de l'Université de Bordeaux, concernant un de mes ancêtres; ce parchemin n'a aucune valeur, même à mes yeux; le geste ayant été honnête, je tiens à le noter.

L'opération de la vente d'Uzerche s'étant effectuée sans trop de scandale, on procéda à celle de Roffignac, mais celle-ci fut singulièrement plus longue et ne dura pas moins de dix décadis consécutifs.

La valeur en était beaucoup plus importante, tellement importante que le citoyen Lavergne, commissaire du district de Brive, vint s'installer au château pour y diriger l'encan et y vivre grassement aux frais de la princesse, assisté des citoyens Chicou et Deyzat.

Commencées le 1er septembre, les enchères ne furent terminées qu'en décembre et produisirent un total d'environ 50.000 livres en assignats, équivalant à un peu plus de 25.000 en numéraire, ce qui porte la valeur marchande aux alentours de 300.000.

Et une bonne partie de la marchandise avait été abîmée par le passage des barbares.

Les réflexions suggérées par les opérations effectuées à Uzerche s'imposent au sujet de celles d'Allassac. J'userai d'une égale discrétion en ce qui concerne les noms des profiteurs d'occasion, évidemment plus nombreux... cinq ou six cents ! Je ne me permettrai qu'une observation au point de vue de l'art.

Mon arrière-grand-père, jaloux de moderniser Roffignac et de lui imprimer le cachet de distinction alors à la mode, avait orné l'escalier d'honneur d'une rampe magnifique en fer forgé. Ce chef-d'oeuvre était calqué exactement sur la rampe du palais ducal de Nancy qui passait pour une merveille de ferronnerie et qui est réputée de nos jours encore pour une chose remarquable. Les brutes officielles la cassèrent en vingt et un morceaux et la subdivisèrent en autant de lots qu'achetèrent vingt et une autres brutes sans épithète.

Qu'ont-ils fait de ces lots ? Quelques-uns sans doute portèrent les leurs au forgeron qui dut les transformer en instruments aratoires. Mais j'en soupçonne d'autres, déjà messieurs quoique sans-culottes, de les avoir gardés jusqu'à des temps plus calmes pour les revendre à bénéfice, car la belle orfèvrerie de fer a toujours été prisée des connaisseurs.

Je ne dois pas terminer ce rappel de la venté nationale de nos mobiliers sans faire une constatation d'ordre général, car elle s'applique à toutes les rapines du même genre, sur toute la surface du territoire de la république.

Dans les inventaires interminables qui défilent sous mes yeux, je vois bien aligner des lits, des draps, du linge, des fauteuils, des canapés, des chaises, des pots de chambre, des balais, des bahuts, des bois de bibliothèques, des ustensiles de ménage et de cuisine, etc., etc.; je ne vois jamais figurer de bijoux, d'argenterie, de tableaux et de livres précieux. Et Dieu sait si mon arrière-grand-père était fourni de ces objets de luxe, aussi bien d'ailleurs que la plupart des châtelains, des bourgeois et même des campagnards aisés de son temps ! Rien que son argenterie de table représentait une fortune. Et cependant on ne met en vente ni un seul couvert ni un seul plat d'argent. Tout cela est évanoui. L'invasion bestiale des émeutiers de Roffignac a mutilé et brisé des meubles qui se voient, des pendules, des glaces, laissant intacts l'or et l'argent rangés dans des coffres qu'ils ont négligé d'éventrer. Mais à l'invasion des rustres en blouse et en sabots ont succédé plusieurs invasions de gens bien mis et bien chaussés, qui, sous prétexte d'apposition de scellés ou de formalités d'inventaires, ont clandestinement pénétré dans les riches demeures, fracturant les serrures et emportant le solide; tout ce qui, sous un volume médiocre, représente la forte somme réalisable à toute heure et dont personne ne s'avise de demander compte. Ils laissent les miettes du festin au menu peuple, fabriquent ainsi des milliers de complices et, grossissent la responsabilité de ces complices, dans le but de les déterminer à persister à jamais dans l'hérésie révolutionnaire ; ils se dissimulent dans l'ombre et s'emparent de l'or et de l'argent, sûrs que la possession de ces métaux les mettra à l'abri des réclamations futures; car l'argent ni l'or ne portent avec eux la marque du possesseur légitime, ou, s'ils la portent, il est facile de l'effacer.

Ce phénomène, encore une fois, s'est produit partout, d'abord secrètement, puis ouvertement, à la face du soleil. Les grands guillotineurs forcent les détenteurs de numéraire et d'orfèvrerie à les déposer, sans reçu, entre leurs mains. Ils volent les calices et les ciboires des églises, brûlent les chapes sacerdotales pour en extraire les fils précieux.

Fouché, après son proconsulat de Nevers, entasse les produits métalliques de ses exploits dans quatre fourgons qu'il expédie tranquillement vers sa maison de Paris. Lequinio fait faire des perquisitions domiciliaires à Rochefort et remplit trois tonnes d'écus de six livres, qui constituent ses petits profits. On verra plus loin qu'on allait jusqu'à fouiller dans les poches pour en extraire la monnaie.

Cette raréfaction de l'or et de l'argent, opérée par les chefs de la révolution et à leur avantage exclusif, produisait fatalement la disette, laquelle occasionnait les accaparements du blé et, finalement, déterminait la banqueroute. Ces trois dénouements, faciles à prévoir, devaient être trois nouvelles sources de lucre pour les bandits. Ils les escomptaient, et ce calcul odieux n'est pas un des côtés les moins intéressants de la philosophie révolutionnaire.

La France, on ne saurait trop insister sur cette vérité, possédait cinq milliards de métaux d'échange en 1789, beaucoup plus proportionnellement qu'aujourd'hui, étant donnés les besoins décuplés du commerce. La moitié de ce trésor national était monnayée; l'autre était convertie en objets d'art. Cette joaillerie était la réserve de la France, car, dans un besoin pressant de l'Etat, ses détenteurs n'hésitaient jamais à la porter au trésor public pour y être traduite en numéraire.

La révolution n'avait pas sévi trois ans qu'il ne circulait plus en France une seule pièce d'or et d'argent, et qu'on ne mangeait plus que dans des assiettes de faïence avec des fourchettes de fer.

Les divers hôtels des Monnaies, autrefois et depuis si actifs, tombèrent en sommeil comme les Loges. C'est à peine s'il a été frappé, de 1790 à 1801, pour quinze millions de numéraire jaune et blanc. La frappe du billon, dont la valeur intrinsèque est insignifiante, fut seule intarissable, comme l'impression des assignats.

Où avaient donc passé ces cinq milliards ? Evidemment dans les poches des chefs de la conspiration.

Aussitôt l'ordre matériel rétabli et la Banque de France instituée, on vit s'engouffrer dans ce réservoir national tous les métaux précieux naguère introuvables. Après les avoir liquidés les fripons éprouvaient le besoin de les solidifier à nouveau ("Sarepta dicitur Gallia, ubi metallis rapiendis et liquandis" Exégèse rabbinique de la Bible). Si, de 1790 à 1802, la Monnaie n'a fabriqué que quinze millions de pièces métalliques, elle en a jeté en circulation pour plus de quatre milliards dans les dix années qui suivent.

Il semble bien que voler soit le propre de l'homme, presque autant que forniquer. Il faut une grande vertu naturelle et beaucoup de religion pour résister à la tentation de pratiquer ces deux vices, quand le diable les présente dénués de danger et abrités contre la honte.

En 1793 vertu et religion étaient également bafouées.

Quand les gens demi-honnêtes eurent compris qu'on pouvait, en prenant quelques précautions légales, s'approprier le mobilier d'autrui, sans éprouver de trop cuisants remords et sans être montrés au doigt par le voisin aussi peu innocent qu'eux-mêmes, ils estimèrent que la prise de possession des maisons et des terres du prochain ne tirerait pas beaucoup plus à conséquence.

Il se présenta donc des acquéreurs pour concourir aux adjudications des biens-fonds.

On avait vite renoncé à former des lots considérables auxquels seuls auraient pu prétendre les gros bonnets du pays, du moins ceux qui ne refusaient point de se déshonorer mais prétendaient y mettre des formes.

Il convenait donc de laisser les paysans s'engager les premiers dans cette opération malhonnête. Ils en auraient la honte et, plus tard, on s'arrangerait pour racheter leurs petites parcelles, d'autant plus aisément que les cahiers des charges contenaient une clause de rescission de vente en cas de non-paiement dans les délais stipulés. En outre, il fallait payer comptant le premier dixième de l'adjudication; c'était un moyen de vider à fond les bas de laine des cultivateurs et de « liquider » tous les métaux de France, jusqu'au dernier louis, jusqu'au dernier écu de six livres, conformément au programme.

D'ailleurs, le conventionnel Cambon, le receleur en chef de tous les biens volés, criait misère. Les biens, dits nationaux, étaient les gages des assignats et les assignats baissaient, baissaient toujours.

La Convention ordonna alors de diviser les latifundia en plusieurs lots, de vendre chaque parcelle à n'importe quel prix et d'accorder aux acheteurs de grandes facilités de paiement.

En ce qui concerne les domaines de mon arrière-grand-père, les administrateurs de la Corrèze décidèrent qu'il serait politique de commencer par la mise en vente d'une vaste prairie qui s'étendait au pied de sa maison patrimoniale d'Uzerche, et qui, par sa situation en contre-bas des anciens remparts, était d'une fécondité rare. Constamment arrosée par la Vézère et engraissée par les eaux de la ville, elle excitait la convoitise des sans-culottes peu délicats.

La prairie, d'une contenance de 24.800 toises carrées d'après l'inventaire officiel, c'est-à dire de dix hectares environ, fut divisée en huit lots.

Sept furent vendus le 19 ventôse de l'an II, ce qui correspond au 9 mars 1794.

Oh ! par cher. Cette propriété, qui vaut certainement aujourd'hui plus de 100.000 fr. en bloc, pouvait être évaluée à cette époque 60.000 livres. Elle fut cédée aux amateurs pour le prix de 15.925 fr.

Un peu plus du quart, dira-t-on. Il est donc exagéré de prétendre que les biens nationaux ont perdu sur le marché 95 p. 100 de leur valeur.

Attendez ! Le prix de 15.925 francs existe bien sur le papier officiel, mais la somme effectivement versée au Trésor fut réduite au chiffre plus modeste de 1.218 fr. 55. La dépréciation réelle subie par notre prairie d'Uzerche fut donc de 98 p. 100.

Par quel miracle d'opération mathématique et de rouerie fiscale en est-on arrivé à ce résultat fantastique ?

Oh ! bien simple. Les acquéreurs avaient la faculté de se libérer en assignats reçus à leur taux nominal, et ils en usaient avec d'autant plus d'enthousiasme que l'assignat était déjà tombé au commencement de 1794 à 40 p. 100 de sa valeur fiduciaire ; mais ils avaient aussi le droit d'anticiper les payements fixés à dix échéances annuelles, toutes égales.

Ils en usèrent de même ; cependant ce ne fut point par excès de zèle.

Je prends comme exemple l'individu qui se rendit adjudicataire du lot n° 1 au prix officiel de 2.400 francs. Le jour de l'enchère il versa deux cent quarante livres en assignats, soit quatre-vingt-dix francs convertis en numéraire. L'année suivante, cent francs d'assignats ne valaient plus que vingt francs. Il donna encore deux cent quarante livres, soit cinquante francs en numéraire. Au commencement de 1796, la troisième année de l'acquisition, un vent de ruine soufflait sur toute la France. On achetait couramment mille livres en assignats avec un louis d'or authentique ou avec quatre écus de six livres.

Tous les acheteurs du pré Lamase jugèrent le moment favorable pour anticiper les payements. Ils acquittèrent huit annuités d'avance. L'adjudicataire du premier lot paya donc les 1.920 francs qu'il devait encore en monnaie de singe, je veux dire avec huit ou dix écus de six livres, en sorte que sa nouvelle propriété, si elle lui coûta son honneur et peut-être le salut de son âme, ne l'appauvrit que de 161 fr. 55, pas même la valeur de la moitié d'une récolte de foin.

Cette spéculation était à la portée de toutes les intelligences. Parmi les soixante-dix à quatre-vingts voleurs de nos immeubles je n'en ai remarqué qu'un seul n'ayant pas su profiter de l'occasion. C'était un sot qui paya cher sa sottise. En effet, vers la fin de 1796, les grands chefs de la révolution, ayant jugé que la vaste escroquerie des assignats avait procuré le maximum de profit qu'ils pouvaient raisonnablement en attendre, décrétèrent leur première banqueroute. Disqualifiant eux-mêmes les quarante-sept milliards de petits papiers revêtus de leurs signatures, ils décidèrent que ceux-ci ne seraient plus reçus, à aucun taux, dans aucune caisse publique. Il fallut payer en numéraire et bon nombre d'acheteurs de biens nationaux en étant démunis furent déchus de leur acquisition. Le vol leur coûta au lieu de leur rapporter, et beaucoup de paysans apprirent à leurs dépens qu'il en cuit parfois de s'acoquiner avec les fripons des villes.

Les bourgeois et les gentilshommes dévoyés attendaient ce moment-là pour reprendre, à meilleur marché encore qu'en 1793 et 94, les parcelles qu'on avait abandonnées aux miséreux et arrondir les gros lots dont ils étaient déjà nantis. Ce mouvement tournant et enveloppant leur fut facilité par le gouvernement du Directoire qui décida dès lors qu'on ne mettrait plus les biens nationaux aux enchères mais qu'on les céderait de gré à gré.

On peut imaginer la nouvelle gabegie à laquelle donna lieu cette mesure.

Voici pourquoi les latifundia, qu'on ne voulait plus souffrir aux mains des nobles, se reconstituèrent entre les griffes des clercs d'huissiers, hommes de loi, secrétaires de mairie, magisters de villages, prêtres défroqués et autres espèces qui composèrent l'immense majorité des gros acheteurs, et dont quelques-uns ont fait souche d'honnêtes gens, défenseurs du trône, de l'autel, surtout partisans irréductibles du principe sacro-saint de la propriété. Leurs descendants croiraient manquer à toutes les traditions de la chevalerie s'ils n'ornaient point leurs noms de la particule, s'ils ne le flanquaient point même parfois d'un titre ronflant.

Cette note historique et philosophique m'a éloigné un peu du sujet principal du chapitre. Aussi bien, dois-je supposer que les digressions de cette nature offrent un intérêt plus général que la nomenclature un peu sèche des biens ravis, alors même que j'imprimerais tout vifs les noms des personnages qui ne rougirent pas de s'enrichir de ces dépouilles, noms qui sont au bout de ma plume mais qui n'en sortiront pas encore. Il me suffit, pour l'instant, de troubler leurs héritiers dans une possession... moralement irrégulière.

Je me suis étendu assez longuement sur la vente de la prairie d'Uzerche, afin de mettre à nu les procédés de liquidation de l'époque révolutionnaire, et pour expliquer pourquoi l'immense vol des biens nationaux ne constitua finalement qu'une opération financière des plus médiocres. Cinq cent quarante millions seulement sont tombés dans les poches du détrousseur en chef, Cambon, et l'on estime à vingt-cinq milliards la valeur marchande des propriétés qui furent confisquées, soit huit milliards au clergé tant régulier que séculier, quinze milliards aux émigrés et deux milliards aux décapités. Cela fait à peine du 3 p. 100, moins que les brocanteurs louches ne donnent aux cambrioleurs et moins que les banqueroutiers frauduleux qui se respectent, après fortune faite, n'attribuent à leurs clients.

Il semble d'ailleurs que ce soit un prix fait. Le milliard des congrégations, je l'ai dit dans la préface, ne produit que trente millions, soit 3 p. 100 de l'estimation, et les prolétaires septuagénaires n'en tirent pas plus de profit que les pauvres de 93 n'ont tiré de revenant-bon de la spoliation des nobles et des prêtres. C'est le métier des déshérités de la fortune d'être toujours dupes.





Si le pré Lamase n'a procuré que 1.218 fr. 55 net au Trésor, la belle terre de Roffignac a rapporté moins encore proportionnellement. En 1789, elle était estimée un million environ. Sa valeur s'est beaucoup accrue depuis, tant à cause de la bonification de la culture qu'en raison de l'exploitation d'ardoisières d'un excellent rapport (Ces ardoisières sont exploitées par une société en actions, en sorte qu'un nombre notable de mes compatriotes se partagent nos trésors souterrains. On trouve parmi les actionnaires, non seulement la quantité mais parfois aussi la qualité, je veux dire certains noms qu'on aimerait autant ne pas rencontrer sur la liste). Jusqu'en 1796 c'est à peine si l'on en avait détaché quelques lambeaux, achetés par des paysans ambitieux d'agrandir le champ dont ils étaient riverains. En 1795 on divisa le bloc en quatre lots qui furent acquis par trois petits bourgeois d'Allassac et un ancien valet de chambre du château. Celui-ci consacra à l'accomplissement de sa mauvaise action les économies de ses gages; ce qui constitua un placement avantageux, car ses descendants vivent encore sur la terre plantureuse acquise ainsi par l'ancêtre, en bons rentiers, craignant Dieu et les gendarmes. Je respecte leur quiétude en ne les nommant pas. Par charité je tais aussi le nom de ses trois camarades qui expièrent, de leur vivant, par des fins lamentables, leur faute jugée par Dieu impardonnable en ce monde.

Les quatre gros lots et les petits furent adjugés au prix global de 252.000 livres, payées sur-le-champ ou en deux termes, avec des assignats valant un louis les mille livres, — mettons deux pour faire bonne mesure — ce qui ramène la somme versée au Trésor au maximum de dix ou douze mille livres — un peu plus de 1 p. 100.

La terre de Vignols fut divisée en neuf lots. L'un d'eux fut généreusement abandonné à mon grand-père qui, n'ayant pas émigré, avait droit au quart des biens de son père, c'est-à-dire au septième du quart, puisqu'il ne représentait qu'un septième de la descendance. Mais on lui rogna quand même ce vingt-huitième de portion. Après ventilation, il n'obtint qu'une maison d'habitation et une quinzaine d'hectares de prés, terres, bois et vignes. Il dut s'en contenter, car il y allait de la vie de protester, et j'ignore s'il ne fut pas même contraint de dire merci! Coûte que coûte, il importait de sauver du naufrage universel ce lopin de l'héritage des Maulmont, l'illustre famille qui a eu l'honneur de donner deux papes à l'Église, Clément VI et Grégoire XI.

Les terres possédées sur le territoire de la ville d'Uzerche, y compris la prairie Lamase, furent adjugées au prix total de 262.000 livres, qui rapportèrent à Cambon dans les trente mille francs ; ce qui fait presque du 9 p. 100 sur l'adjudication; mais pour obtenir la valeur réelle il faut, comme dans les autres cas, multiplier 262.000 par 4.

Dans la commune de Vigeois, huit cents hectares environ, subdivisés en vingt-cinq ou vingt-six domaines et constituant cinq seigneuries, Roupeyroux, Haute et Basse-Mase, Charliac, Charliaguet et La Nauche évitèrent le morcellement à l'infini. Il semble que chacune de ces propriétés ait été adjugée à un seul enchérisseur, et les prix atteints furent relativement élevés. C'est ainsi qu'on paya la Haute-Mase 31.000 livres et la Basse-Mase 32.000. La Nauche fut adjugée à un métayer, nommé Lacroix, qui emprunta à un usurier l'argent qu'il jugeait utile à la faisance-valoir. Au bout de deux ans le prêteur le fit exproprier, et Lacroix, sans ressources, se fit bandit et coupeur de routes, estimant ce métier plus honorable que celui de voleur de biens. Les gendarmes le massacrèrent dans un chemin creux, en 1799, au cours d'une de ses expéditions nocturnes. Un des domaines de Charliac fut laissé à mon grand-père, soit disant pour compléter, avec les quinze hectares de Vignols, la part de sa légitime.

Le reste de la propriété de Charliac fut morcelé, mais les divers acquéreurs subirent, plus ou moins, la fâcheuse destinée de Lacroix. Leurs premiers successeurs ne furent pas plus heureux. Quand les drames parurent oubliés, un spéculateur patient fit masse de tous les morceaux et en constitua, en les joignant à la terre et au château de la Nauche, une des plus belles propriétés du pays.

Le Roupeyroux fut adjugé à un ancien huissier, le nommé B..., celui-là même qui a rendu en 1837 le lit à baldaquin. Il l'a transmis à ses enfants et c'est maintenant son petit-gendre qui l'occupe, quand il n'occupe pas au tribunal.

Le domaine de Fleyniat à Lagraulière fut adjugé au prix officiel de 25.000 livres. Les beaux et nombreux domaines de Perpezac-le-Blanc, de Perpezac-le-Noir, d'Orgnac, de Voutezac, du Lonzac, etc., furent vendus à des aigrefins dont j'ai la liste (Un des acquéreurs, sans le sou, se porta adjudicataire d'un domaine pour le prix de 30.000 livres. II courut à sa nouvelle propriété, en détacha une paire de boeufs et s'empressa de les vendre à la foire voisine au prix de 40.000 livres en assignats. Il en donna 30.000 au fisc, et avec le reste acheta deux veaux. Je défie bien les apologistes les plus déterminés de la révolution de démontrer qu'une propriété constituée de cette façon repose sur des bases inébranlables.).

Je me dispense de la divulguer; mais j'exprime un regret cuisant en songeant à la perte de la terre de Montéruc, au demeurant d'assez mince valeur. Elle nous venait des Roffignac qui la tenaient eux-mêmes, par suite de trois alliances consécutives, du cardinal Aubert de Montéruc, neveu du pape Pierre Aubert des Monts, connu dans l'histoire sous le nom d'Innocent VI (1352-1362) (Si Montéruc n'avait pas grande importance, en tant que terre régie par le seigneur, elle en avait une inappréciable par le nombre des redevances auxquelles étaient astreints les habitants du pays. Je n'ai pas compté moins de trois cents de ces tributaires, payant qui une géline, qui une douzaine d'oeufs, ou une gerbe de blé ou une gerle de vin, etc. Ces redevances ou servitudes provenaient de ventes régulières ou de donations à titre légèrement onéreux; elles servaient à maintenir un lien très ténu mais indéchirable entre le maître primitif et les familles de ses anciens tenanciers ; c'était un rappel de propriété. En détruisant tous ces titres dans la fatale nuit du 4 août, l'Assemblée Constituante a donc commis un attentat contre le bien d'autrui, premier crime qui a facilité les autres.).

Avant de clore ce chapitre des spoliations, il est juste de consacrer quelques pages à la destinée du château de Roffignac, dont les conjurés du Bas-Limousin ne pouvaient considérer l'aspect majestueux sans qu'une basse envie ne pénétrât leurs âmes cupides et n'échauffât la haine qu'ils avaient vouée au châtelain.

Aucun cependant n'avait osé l'acheter pour s'y prélasser en maître. Même aux heures de complet bouleversement et de travestissement de toutes les conditions sociales, les usurpateurs les plus osés reculent devant certains ridicules.

En sus des quatre gros lots du bloc domanial, il existait une réserve assez importante entourant la demeure seigneuriale. L'administration de l'enregistrement l'avait affermée à un sans-culotte qui était, en même temps, un sans-soutane, car c'était un prêtre défroqué (J'ai longtemps cru que ce malheureux était le curé d'Allassac, mais des renseignements plus précis m'ont appris qu'il était curé d'une paroisse voisine où nous avions aussi des biens. Le scandale reste d'ailleurs le même.).

Cet apostat y faisait bombance tandis qu'une affreuse disette sévissait sur toute la contrée, et il s'efforçait de donner tous les jours des gages de plus en plus irrécusables de son sans-culottisme. Les novices du crime ont toujours peur de n'y être point enfoncés assez profondément pour étouffer leur conscience et pour donner aux professionnels des preuves suffisantes de leur sincérité. Ce double sentiment explique pourquoi les plus forcenés terroristes furent généralement des prêtres ou des ex-dévots.

Le spectre du vieil exilé, dont il dévorait audacieusement les revenus, hantait ses rêves. Il lui aurait volontiers fait couper le cou, mais la victime était hors de portée. Ne pouvant lui prendre la tête, il résolut de s'en prendre à son château et de détruire ainsi une demeure de gens de bien.

La démolition de Roffignac ne pouvait rien rapporter à personne. Le peuple criait la faim : on lui offrait des pierres. Il paraît que le système a du bon puisqu'il réussit encore quelquefois.

Quand l'ex-curé proposa à la municipalité de la commune d'Allassac de découronner le château, celle-ci fut choquée qu'il prît une initiative aussi radicale. L'apostat menaça alors les officiers municipaux de porter contre eux une accusation de modérantisme. Epouvantés, ils le supplièrent de faire du moins les choses régulièrement, de présenter une requête officielle sur laquelle ils prendraient une délibération conforme à ses désirs. Le déprêtrisé s'exécuta, mais comme c'était un prévoyant de l'avenir le texte de sa pétition a totalement disparu.

Il reste pourtant les procès-verbaux des actes officiels auxquels donna lieu ce document.

C'est d'abord le récit des événements qui provoquèrent la première réunion du conseil municipal d'Allassac :

La pétition avait été transmise par l'intermédiaire de deux jacobins de la commune et renvoyée à une commission; mais sans attendre que la municipalité eût statué sur sa demande, l'apostat avait ameuté deux fois le peuple, et le peuple avait menacé de procéder sans autorisation à la démolition. On l'avait calmé en le « pérorant », et en promettant d'envoyer sur-le-champ deux commissaires à Brive, chargés de solliciter des administrateurs du district, « seuls investis du pouvoir d'ordonner la destruction d'un bien national, la permission d'abattre Roffignac ».

Manifestement, les officiers municipaux ne cherchaient qu'à gagner du temps. Mais ils n'avaient pas eu la main heureuse dans le choix des commissaires expédiés au district de Brive. L'un de ceux-ci, fesse-mathieu de la localité, était capable de marcher sur le cadavre de son père pour parvenir à faire parler de lui.

Les bruits les plus sinistres couraient sur l'autre, tout jeune homme, étranger au pays. Il y était apparu depuis six mois à peine, amené de très loin par un marchand roulier qui, le sachant réfractaire à la conscription, l'avait caché dans le chenil de sa carriole pour le dérober aux recherches des gendarmes. On assurait que, levantin d'origine et conduit en France par un officier de marine qui l'avait fait instruire, il avait livré son libérateur au bourreau. Audacieux et bavard intarissable, il n'avait pas tardé à prendre la tête des sans-culottes du pays, et les honnêtes gens le redoutaient.

La municipalité d'Allassac lui avait donné, ainsi qu'à son collègue, l'instruction secrète de rapporter à tout prix un arrêté du district de Brive prescrivant de surseoir indéfiniment à la démolition du château.

Par la lecture de l'arrêté qui suit on va voir comment les deux drôles s'étaient acquittés de cette mission de confiance.

Je passe sur les préliminaires, rappelant la pétition du mauvais prêtre R...

"L'administration du district, n'entendant pas contrarier la voix du peuple pour la démolition du cy-devant château de Roffignac, déclare recommander à la loyauté du peuple de la Commune d'Allassac la conservation du mobilier et des denrées, tant en vins qu'en grains, qui sont dans les bâtiments de ce cy-devant château, dont le peuple serait responsable tant collectivement qu'individuellement, en cas de dilapidation ou dégradation; sous la même responsabilité, de pourvoir à la sûreté des dits objets, soit par le moyen des scellés sur les portes des bâtiments qui les contiennent, s'ils ne doivent pas être démolis, soit par le déplacement, s'il y a lieu, après en avoir préalablement constaté les quantités et qualités par un procès-verbal énumératif régulièrement fait, avec recommandation expresse à la dite municipalité de prendre toutes les autres mesures de précaution que sa prudence lui suggérera suivant les circonstances, pour la conservation des dits objets.

Fait au conseil d'administration du district de Brive, le 1er germinal, an II, de la Rép. fr., une et indivisible.

Suivent cinq signatures."

Il n'y avait plus qu'à s'exécuter et, dès le lendemain, la municipalité d'Allassac faisait procéder à la nomenclature du mobilier restant encore dans le château.

Cet inventaire n'offre point par lui-même grand intérêt ; il témoigne seulement de l'inquiétude des malheureux obligés de le dresser et des précautions qu'ils prennent pour accroître, le plus possible, le nombre des responsables. Neuf signatures, en effet, sont apposées au bas de ce long document, et l'une d'elles a même été, ultérieurement, grattée frénétiquement. A ces neuf noms sont ajoutés ceux de douze commissaires désignés pour surveiller les travaux de la démolition et prendre garde que les matériaux ne soient point détériorés. Tout le long du papier, ces infortunés officiers municipaux protestent qu'ils agissent ainsi à leur corps défendant.

La destruction méthodique dura quatorze jours, du 4 au 18 germinal de l'an II. La population, que les citoyens R... et X... avaient représentée comme désireuse d'accomplir au plus vite cet acte de vandalisme, fit preuve, au contraire, d'une remarquable tiédeur, et il fallut menacer les paysans poulies forcer à coopérer à l'enlèvement gratuit et obligatoire de pierres qui ne serviraient plus à rien. Beaucoup se demandaient si c'était pour aboutir à pareil résultat qu'on avait supprimé la corvée avec tant de fracas (la corvée avait été abolie en Limousin par Turgot, dès 1761 ; elle le fut également pour toute la France en 1789, non seulement la corvée seigneuriale mais encore la corvée publique, autrement dite « prestation ». Elle fut rétablie le 20 prairial an II, sous le nom de réquisition, et dans les conditions les plus abusives, puisque les citoyens furent contraints de travailler les uns pour les autres, sous peine de déportation).

Les tyranneaux des départements trouvèrent moyen d'exaspérer encore l'arbitraire de la Convention. J'ai sous les yeux une circulaire des administrateurs d'Uzerche adressée par eux à tous les maires du district en leur transmettant le décret du 20 prairial. A la peine de déportation édictée par la Convention contre les ouvriers agricoles qui se déroberaient à l'obligation de la corvée, ils substituent, de leur propre autorité, la menace de la guillotine, et ce n'était point un vain épouvantail ; le men-

Enfin la partie du château condamnée à mort était tombée le 18 germinal, comme le constate une pièce officielle datée de ce jour et revêtue de la signature du maire et de deux de ses officiers municipaux. Le défroqué requis de signer également s'y refusa avec énergie. Ce n'était pas seulement un misérable, c'était un roué. On ne peut rien invoquer contre une signature authentique, mais on peut toujours nier avoir participé à un acte criminel quand la culpabilité ne laisse pas de témoignages décisifs.

Toujours harcelé par l'esprit de prudence, il ne voulait pas se rendre acquéreur des restes du château et des jardins, quoiqu'on lui offrit le tout à vil prix. Cependant; il fallait que le décret des Loges fût exécuté. Mes parents, quoi qu'il advînt, ne devaient pas rentrer en maîtres dans leur vieille demeure, même en ruinés, et c'est pour cette raison — rien que pour cette raison — qu'on les fit languir dix-huit mois à Paris.

Un petit bourgeois d'Allassac se laissa tenter, en 1802, par l'esprit de Spéculation.

Il morcela les terrains aplanis par la démolition de germinal, an II, ainsi que les beaux jardins escarpés qui grimpaient jusqu'au mur d'enceinte de là petite ville. On a construit sur ces emplacements des masures, maintenant lamentables de vétusté;

Le corps du château, en dépit de son émasculation vandalique, gardait encore belle apparence avec sa tour carrée centrale décapitée, abritant à droite et à gauche deux corps de logis.

N'en pouvant rien tirer et n'osant l'habiter de peur d'être l'objet des moqueries de ses concitoyens, le premier spéculateur le céda à un second.

Celui-ci emprunta de l'argent à un homme qui avait le plus grand intérêt moral à faire disparaître les derniers témoins muets de ses hypocrisies d'antan.

Cet homme n'eut garde de faire exproprier son débiteur, mais il avait assez d'influence sur le conseil municipal pour le déterminer à acheter le monument, sous le prétexte de bâtir une maison d'école. Le marché fut conclu. Le créancier commença naturellement par se rembourser avec les deniers publics; puis Roffignac fut rasé et la maison d'école, telle qu'on la voit encore aujourd'hui, a été construite sur les fondements du château.

En l'édifiant on avait évité, par motif d'économie, de défoncer les caves voûtées qui témoignaient toujours de l'importance et de la solidité des antiques constructions.

En 1897, la municipalité d'Allassac, composée d'ailleurs de braves gens, gênée par ces voûtes pour ses opérations de voirie, en décréta l'effondrement ainsi que la suppression d'une porte gothique, dernier reste des fortifications de la petite ville.

...etiam periere ruinae.

Il n'y a plus rien !... rien de ce Roffignac qui fut, suivant les traditions les mieux accréditées, le berceau du christianisme dans les Gaules; qui aurait abrité saint Martial; qui, sûrement, a donné l'hospitalité au pape Innocent VI, à quatre rois de France, au duc d'Anjou, vainqueur de Jarnac et de Moncontour, à Henri IV, au duc de Bouillon et à son illustre fils, le maréchal de Turenne, à nombre d'autres personnages éminents;... qui avait étendu, à travers les siècles, son ombre bienfaisante sur toute la contrée.

Il existe encore à Allassac une grosse tour ronde ayant toujours dépendu du fief seigneurial. Edifiée par Pépin le Bref, lors de ses guerres contre les aquitains, elle est d'une allure imposante et constitue un beau joyau pour son propriétaire, — sans utilité pratique d'ailleurs.

Elle n'avait pas été vendue et, depuis 1814 jusqu'en 1846 environ, mon grand-père et ses frères avaient exigé de la ville d'Allassac un fermage de deux francs, établissant leur droit de propriété et interrompant la prescription. A cette dernière date, le maire du lieu, sous couleur d'ardente amitié, confia à mon père, avec des tremblements dans la voix, qu'il aurait la douleur de lui faire un procès au nom de la commune, s'il ne renonçait pas à sa rente de quarante sous. Mon père, qui n'était pas processif, céda.

Je fais mention de cette tour parce que les voyageurs la remarquent dans le trajet du chemin de fer de Paris à Toulouse, dominant la plaine, et parce que je ne dois rien oublier de nos revendications.

On l'avait rendue à mon arrière-grand-père, après le décret d'amnistie de 1802, mais il n'en pouvait rien faire.

On lui avait aussi rendu sa maison d'Uzerche, mais dans quel état ?

Diminuée des trois quarts comme son château de Roffignac. Pendant la période jacobine, l'administration d'Uzerche avait, elle aussi, pris un arrêté prescrivant de la démolir sous prétexte qu'elle affectait les allures d'une forteresse et qu'elle flanquait la porte « Pradel », ce qui constituait évidemment une double injure à la liberté.

Ce qu'on voit maintenant de notre vieille demeure ne représente pas même l'ombre de son aspect d'autrefois, quand elle était rapprochée du mur d'enceinte, ornée de tours à ses quatre angles, entourée de murs et de fossés, rendant l'accès de la ville presque impraticable à l'ennemi.

Il est extrêmement probable qu'elle avait été bâtie par mon premier ancêtre limousin, Géraud ; son style architectural est indiscutablement du quinzième siècle, comme on peut s'en assurer par la photographie publiée ci-contre, qui reproduit une gravure ancienne conservée à la mairie d'Uzerche.

La partie de la maison laissée debout, et servant autrefois de communs, avait été convertie en prison où l'on entassa, sous la Terreur, les femmes suspectes du district, et Dieu sait si elles étaient nombreuses !

C'est à cause de cette particularité qu'elle n'avait pas été mise en vente et qu'elle fit retour à son légitime possesseur, mais aussi nue qu'au jour lointain où le maître « ès-art maconnerie » l'avait livrée à son premier propriétaire.

Impossible en 1802 d'acheter des meubles, faute d'argent; donc, impossible de l'habiter.

Mes parents furent réduits à accepter l'hospitalité de l'un de leurs proches.

Ces deux vieillards, qui avaient été les rois de leur pays, rois par l'opulence et la dignité de leur vie, rentrèrent chez eux dénués des ressources les plus élémentaires. La révolution les avait contraints à cette détresse, parce qu'ils auraient commis le crime d'émigration, inexistant en droit pur et rayé expressément du code au mois de septembre 1791.

Le plus étrange, c'est que ce crime, même entendu et interprété dans le sens le plus révolutionnaire, mon arrière-grand-père ne l'a jamais commis.

Titre : Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Auteur : Pradel de Lamase, Paul de (1849-1936)
Éditeur : Perrin (Paris)
Date d'édition : 1912
CLERBOUT Geert
En nu gaan ze boeten! Repressie tegen zwarten in Vlaanderen na WO II
Edited: 201503200907


Pb, in-8, 222 pp.
Publicatiedatum: 20 maart 2015
Uitgever: Van Halewyck
Het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt al zeventig jaar achter ons en toch beroert die wereldbrand de gemoederen nog steeds. In ons land zorgt vooral de repressie vandaag nog voor politieke controverse. Hoewel wetenschappelijk onderzoek vele mythes al lang heeft ontkracht, houden ze toch stand. Als het op de repressie aankomt, heeft ieder duidelijk zijn eigen waarheid. In En nu gaan ze boeten! komen de mensen die het zelf hebben meegemaakt aan het woord: collaborateurs, hun kinderen, verzetsmensen, journalisten, politici, professoren, advocaten en substituten. Hun getuigenissen loodsen ons door de eerste jaren na de oorlog en voeren ons van de woelige septemberdagen van 1944, toen enkel de wet van de straat gold, over interneringskampen en gevangenissen, naar de rechtszaal. Ze vertellen over de vernederingen en de excessen, maar evengoed over hulp uit onverwachte hoek. En uiteindelijk blikken ze zelf terug: was de repressie rechtvaardig? Alle partijen hebben hun waarheid, zowel de witten als de zwarten. Historicus Geert Clerbout schreef eerder al Oorlog aan de Dijle en de twee boeken van het tv-programma Publiek Geheim.



Over Ludwine Servaes:





zie ook het boek van Frank Seberechts
Oil Industry News
Britain's North Sea Oil and Gas Firms must Look to Future Abroad: Kemp
Edited: 201503130901
Published in on Friday, 13 March 2015

The North Sea has already produced 42 billion barrels of oil and gas, but could have as much as 24 billion barrels left, according to FT columnist Nick Butler (“Don’t abandon the North Sea” Feb 22).

For North Sea operators and their supporters, the remaining reserves provide a compelling economic reason to keep producing to avoid leaving value locked in the ground.

The reserves represent tens of billions of dollars in profits, wages and tax revenues that would be lost if the North Sea fields are abandoned prematurely.

North Sea reserves have a strong political dimension because most operators and service companies are based in Scotland, where separatist sentiment remains strong despite the rejection of independence in last year’s referendum.

The economic reality is more complicated. The notional value of the oil and gas that would remain locked in the ground is not a convincing reason why it should be developed. In a market-based economy, resources are developed only if they can be extracted profitably.

And there are many instances where resources have been left in the ground or abandoned because it was no longer possible to exploit them profitably.

The distinction between exhaustion and profitability was central to the year-long dispute between the National Union Mineworkers (NUM) and the Conservative government led by Margaret Thatcher, the defining moment in Britain’s modern economic history.

In the early 1980s, Britain’s state-owned coal company wanted to close mines that were no longer profitable while the NUM resolved “to re-affirm the union’s opposition to all pit closures other than on grounds of exhaustion.”

The NUM demanded that pits remain open as a source of employment and national energy security as long as there was valuable coal underground (“Crisis management in the power industry” 1995).

Ironically, coal’s nemesis came from the giant gas fields found in the North Sea between the 1950s and 1970s, which threatened coal’s dominance in power generation (“Energy, the State and the Market” 2003).

Once the government’s support for coal was removed after the strike was broken, construction of coal-fired power plants ended and power producers raced to build cheaper gas-fired facilities to capitalize on the cheaper fuel.

By the end of the 1990s, nearly all of Britain’s pits had closed, although there were still billions of tonnes of coal left underground. Twenty years later, Britain’s gas supplies are dwindling, and the country increasingly relies on imported gas from overseas, raising concerns about “energy security”.

If energy security had been the clinching argument, the government would have intervened to keep more pits open. Instead, Britain chose a market-based approach. There is no reason why North Sea oil and gas producers should be treated any differently.

UNFAVORABLE CONDITIONS

Britain’s oil and gas producers are among the victims of the North American shale revolution and the price war between OPEC and the U.S. shale industry.

Like Canada’s oil sands industry, which is also suffering, the North Sea is a relatively expensive source of oil and gas. In recent years, its prospects have depended on oil and gas remaining scarce and prices remaining high.

The North Sea must compete for investment with other oil and gas plays around the world. Before the shale revolution North Sea oil and gas appeared marginally profitable. But with oil prices now around $60 per barrel and widely expected to remain well below $100 for the next few years, the North Sea is no longer an attractive investment proposition.

UK operators tend to blame their problems on the tax regime, which they claim is more punitive and complicated than in other parts of the world. While there is some truth in this argument, the tax regime’s complexity is the legacy of government efforts to clamp down on previous tax avoidance.

In any event, the UK North Sea’s problems run much deeper than tax. Offshore platforms in a notoriously stormy area are a more expensive way to produce oil and gas than onshore shale plays in the United States.

The giant oil and gas fields discovered in the 1960s, 1970s and 1980s could spread the fixed costs of platforms, pipelines and other infrastructure over a large volume of production. Recent field discoveries have been much smaller and have no such economies of scale.

Recent discoveries can only be profitable if they can utilize the existing infrastructure. The problem is that the infrastructure isn’t free and it isn’t public property: it belongs to existing operators, most of them major oil and gas companies, who have a legal obligation to decommission it.

If the infrastructure’s life is to be extended and decommissioning is to be deferred, money will have to be found for routine maintenance as well as capital upgrades.

There is a standoff between the would-be operators of small-scale new fields (who want the infrastructure to be preserved but don’t want to pay high fees) and the bigger legacy operators (who want to get on with decommissioning or charge significant fees to maintain the infrastructure for longer).

The dispute is often caricatured as a disagreement between entrepreneurial operators and stubborn greedy majors. In truth, it is a dispute about the costs of prolonging the life of the infrastructure and who should pay for them.

In a world where oil and gas were thought to be running out and prices were expected to keep on rising, it might have made sense to extend the useful life of the North Sea infrastructure. In a world of $60 oil, the economics are much more challenging.

Over the last 50 years, Britain has developed world-class expertise in offshore oil and gas engineering, which supports thousands of highly skilled jobs, and it would be a shame to lose it. But the industry’s future increasingly lies in selling that expertise abroad, rather than developing the North Sea itself.

Source - www.reuters.com
ICIJ
Banking Giant HSBC Sheltered Murky Cash Linked to Dictators and Arms Dealers
Edited: 201502091714
Team of journalists from 45 countries unearths secret bank accounts maintained for criminals, traffickers, tax dodgers, politicians and celebrities.
read more ...
Prix Goncourt
Prix Goncourt - Le Palmares (1903-2016)
Edited: 201501012311


Le Palmarès
2016 Leïla Slimani, Chanson douce
2015 Mathias Enard Boussole Actes Sud
2014 Lydie Salvayre Pas pleurer Seuil
2013 Pierre Lemaitre Au revoir là-haut Albin-Michel
2012 Jérôme Ferrari Le sermon sur la chute de Rome Actes Sud
2011 Alexis Jenni L'Art français de la guerre Gallimard
2010 Michel Houellebecq La Carte et le Territoire Flammarion
2009 Marie NDiaye Trois Femmes puissantes Gallimard
2008 Atiq Rahimi Syngué Sabour. Pierre de Patience POL
2007 Gilles Leroy Alabama Song Mercure de France
2006 Jonathan Littell Les Bienveillantes Gallimard
2005 François Weyergans Trois jours chez ma mère Grasset
2004 Laurent Gaudé Le soleil des Scorta Actes Sud
2003 Jacques-Pierre Amette La maîtresse de Brecht Albin Michel
2002 Pascal Quignard Les ombres errantes Grasset
2001 Jean-Christophe Rufin Rouge Brésil Gallimard
2000 Jean-Jacques Schuhl Ingrid Caven Gallimard
1999 Jean Echenoz Je m'en vais Minuit
1998 Paule Constant Confidence pour confidence Gallimard
1997 Patrick Rambaud La Bataille Grasset
1996 Pascale Roze Le Chasseur zéro Albin Michel
1995 Andreï Makine Le Testament français Mercure de France
1994 Didier Van Cauwelaert Un aller simple Albin Michel
1993 Amin Maalouf Le rocher de Tanios Grasset
1992 Patrick Chamoiseau Texaco Gallimard
1991 Pierre Combescot Les filles du calvaire Grasset
1990 Jean Rouaud Les champs d'honneur Minuit
1989 Jean Vautrin Un grand pas vers le Bon Dieu Grasset
1988 Erik Orsenna L'exposition coloniale Seuil
1987 Tahar Ben Jelloun La nuit sacrée Seuil
1986 Michel Host Valet de nuit Grasset
1985 Yann Quéffelec Les noces barbares Gallimard
1984 Marguerite Duras L'amant Minuit
1983 Fréderick Tristan Les Egarés Balland
1982 Dominique Fernandez Dans la main de l'ange Grasset
1981 Lucien Bodard Anne-Marie Grasset
1980 Yves Navarre Le jardin d'acclimatation Flammarion
1979 Antonine Maillet Pélagie la charette Grasset
1978 Patrick Modiano Rue des boutiques obscures Gallimard
1977 Didier Decoin John l'Enfer Seuil
1976 Patrick Grainville Les Flamboyants Seuil
1975 Emile Ajar La vie devant soi Mercure de France
1974 Pascal Laîné La dentellière Gallimard
1973 Jacques Chessex L'ogre Grasset
1972 Jean Carrière L'Epervier de Maheux J-J. Pauvert
1971 Jacques Laurent Les Bétises Grasset
1970 Michel Tournier Le roi des Aulnes Gallimard
1969 Félicien Marceau Creezy Gallimard
1968 Bernard Clavel Les fruits de l'hiver Laffont
1967 André Pieyre de Mandiargues LaMarge Gallimard
1966 Edmonde Charles-Roux Oublier Palerme Grasset
1965 Jacques Borel L'adoration Gallimard
1964 Georges Conchon L'état sauvage Albin Michel
1963 Armand Lanoux Quand la mer se retire Julliard
1962 Anna Langfus Les bagages de sable Gallimard
1961 Jean Cau La pitié de Dieu Gallimard
1960 prix attribué à Vintila Horia et non décerné à cause du passé politique de l'auteur, inopinément révélé (zie fascistische Ijzeren Garde)
1959 André Schwart-Bart Le dernier des justes Seuil
1958 Francis Walder Saint-Germain ou la négociation Gallimard
1957 Roger Vailland LaLoi Gallimard
1956 Romain Gary Les racines du Ciel Gallimard
1955 Roger Ikor Les eaux mêlées (T.II Les fils d'Avrom) Albin Michel
1954 Simone de Beauvoir Les Mandarins Gallimard
1953 Pierre Gascar Les Bêtes Le temps des morts Gallimard
1952 Beatrix Beck Léon Morin, prêtre Gallimard
1951 Julien Gracq Le rivage des Syrtes J.Corti
1950 Paul Colin Les jeux sauvages Gallimard
1949 Robert Merle Week-end à Zuydcoote Gallimard
1948 Maurice Druon Les grandes familles Julliard
1947 Jean-Louis Curtis Les forêts de la nuit Julliard
1946 Jean-Jacques Gautier Histoire d'un fait divers Julliard
1945 Jean-Louis Bory Mon village à l'heure allemande Flammarion
1944 Elsa Triolet Le premier accroc coûte deux cents francs Gallimard
1943 Marius Grout Passage de l'homme Gallimard
1942 Marc Bernard Pareils à des enfants Gallimard
1941 Henri Pourrat Vent de Mars Gallimard
1940 Francis Ambrière Les grandes vacances Nouvelle France
1939 Philippe Hériat Les enfants gâtés Gallimard
1938 Henri Troyat L'araigne Plon
1937 Charles Plisnier Faux-passeports CorrÍa
1936 Maxence Van der Meersch L'empreinte de Dieu Albin Michel
1935 Joseph Peyré Sang et Lumière Grasset
1934 Roger Vercel Capitaine Conan Albin Michel
1933 André Malraux La condition humaine Gallimard
1932 Guy Mazeline Les loups Gallimard
1931 Jean Fayard Mal d'amour Fayard
1930 Henri Fauconnier Malaisie Stock
1929 Marcel Arland L'ordre Gallimard
1928 Maurice Constantin-Weyer Un homme se penche sur son passé Rieder
1927 Maurice Bedel Jérôme, 60° latitude nord Gallimard
1926 Henry Deberly Le supplice de Phèdre Gallimard
1925 Maurice Genevoix Raboliot Grasset
1924 Thierry Sandre Le chèvrefeuille Gallimard
1923 Lucien Fabre Rabevel ou le mal des ardents Gallimard
1922 Henri Béraud Le vitriol de lune et Le Martyre de l'obèse Albin Michel
1921 René Maran Batouala Albin Michel
1920 Ernest Pérochon Nêne Clouzot (puis Plon)
1919 Marcel Proust A l'ombre des jeunes filles en fleurs Gallimard
1918 Georges Duhamel Civilisation Mercure de France
1917 Henri Malherbe La flamme au poing Albin Michel
1916 Henri Barbusse Le feu Flammarion
1915 René Benjamin Gaspard Fayard
1914 Adrien Bertrand L'appel du sol Calmann-Lévy
1913 Marc Elder Le peuple de la mer Calmann-Lévy
1912 André Savignon Filles de Pluie Grasset
1911 Alphonse de Chateaubriant Monsieur de Lourdines Grasset
1910 Louis Pergaud De Goupil à Margot Mercure de France
1909 Marius-Ary Leblond En France Fasquelle
1908 Francis de Miomandre Ecrit sur l'eau Emile-Paul
1907 Emile Moselly Terres lorraines Plon
1906 Jérôme et Jean Tharaud Dingley, l'illustre écrivain Plon
1905 Claude Farrère Les civilisés Flammarion
1904 Léon Frapié La maternelle Albin Michel
1903 John-Antoine Nau Force ennemie La Plume
Malaparte - Liliana Cavani
The Skin (1981) - De Huid - Pelle
Edited: 201412130026
The Skin (1981) Blu-ray Detailed
Posted December 12, 2014 11:49 AM by Webmaster

Cohen Media GroupCohen Media Group has detailed the Cohen Film Collection Blu-ray release of director Liliana Cavani's The Skin (La Pelle), which stars Marcello Mastroianni, Burt Lancaster and Claudia Cardinale. Digitally remastered, the Palme d'Or nominee arrives on Blu-ray on January 13, 2015.

Liliana Cavani (Ripley's Game) gained international fame with her daring 1974 breakthrough The Night Porter, a controversial drama about a concentration camp survivor's sadomasochistic relationship with a former Nazi SS officer. Sex-as-commodity also figures in Cavani's 1981 film The Skin. Based on the short stories of Curzio Malaparte, the film is Cavani's controversial look at the aftermath of German occupation of Italy during World War II. After the Allies liberate Naples in 1943, life for the locals is not much easier, especially for women; many must sacrifice their dignity and morals in order to survive.

An international cast of superstars brings Malaparte's stories to life. Marcello Mastroianni plays Malaparte, a diplomatic liaison between the Allied and Italian forces, who chronicled the desperate measures taken by his Italian countrymen to endure even after the defeat of their enemy. Burt Lancaster plays liberating American Gen. Mark Clark, who struggles to fathom the devastation around him. Also starring is Claudia Cardinale, famed for her performances in masterpieces by Federico Fellini, Luchino Visconti and Sergio Leone.

This unforgettable and disturbing film, an epic Italian-French co-production, was nominated for the top prize, the Palme d'Or, at the Cannes Film Festival; Cardinale was named best supporting actress by the Italian National Syndicate of Film Journalists.

The Skin has been restored and remastered for its U.S. Blu-ray debut, and is presented in 1080p with Italian DTS-HD Master Audio 5.1 surround and English subtitles. Extras include:
Feature-length audio commentary by critics Wade Major and Andy Klein
Four featurettes, including three with director Liliana Cavani and one with production designer Dante Ferretti:
At the Frontier of the Apocalypse
Malaparte, Great Reporter
The Individual and History
Dante Ferretti Revisits Naples
Original French trailer
2014 re-release trailer

Trends
Mannen en vrouwen niet gelijk
Edited: 201412120031
Mannen verdienen tien procent meer dan vrouwen, zo blijkt uit de jongste editie van de Top 30.000. Dat cijfer komt uit de sociale balansen, waar voor het eerst de personeelskosten per geslacht in werden opgenomen. Voor heel België bedraagt de loonkloof 10,2%. Maar in sommige gewesten is er meer gelijkheid dan in andere. In Wallonië is een mannelijke werknemer amper 1,8% duurder dan zijn vrouwelijke collega. In Vlaanderen neemt de kloof toe tot 12,7% en in Brussel is ze met 14,7% het grootst.

Per uur bekeken is de kloof kleiner
De loonkloof tussen mannen en vrouwen bedraagt afgerond 10%. Dat percentage houdt echter geen rekening met een mogelijk belangrijke vertekenende factor. Mannen en vrouwen werken immers niet evenveel uren. Een man presteert gemiddeld 1.528 uren per jaar, een vrouw 1.465 uren. Dat verschil kan als natuurlijk worden beschouwd, in die zin dat het grotendeels kan worden verklaard door de duur van het bevallingsverlof. Die fout kan echter worden uitgeschakeld door het verschil in loon per gepresteerd uur te berekenen. In dat geval daalt het nationale verschil tussen mannen en vrouwen tot 5,6% voor het hele land. Dat nationale gemiddelde varieert uiteraard afhankelijk van het gewest. In Vlaanderen bedraagt het 8,1%, in Brussel 8,6% en in Wallonië neigt het naar een evenwicht: daar bedraagt het slechts 0,7%.
Bloomberg / Reuters / Telecompaper / Dow Jones
Neemt Vodafone Liberty Global (en dus Telenet) over? Op weg naar Quad-play?
Edited: 201412020123


Vodafone onderzoekt de mogelijkheden rondom potentiële overnamekandidaten, waaronder kabelbedrijf Liberty Global. Dat schrijft Reuters op basis van gesprekken met niet nader genoemde bronnen. Een eventuele acquisitie van Liberty zou grote impact hebben op de telecommarkten in diverse Europese landen. Aan de basis ligt echter de situatie in het VK, zo weet Reuters. De overname van Virgin Media, onderdeel van Liberty Global, zou een antwoord zijn op de consolidatie in het VK.
BT Group onthulde in november dat het overnamegesprekken voert met de mobiele operators EE en met Telefonica-dochter O2. Ook Hutchison Whampoa, eigenaar van het mobiele merk 3 UK, zou zijn oog op deze twee operators hebben laten vallen.

Mocht Vodafone erin slagen Liberty Global over te nemen, dan wordt het tevens eigenaar van UPC in Nederland (dat op dit moment aan het fuseren is met Ziggo en onder die naam verder gaat) en van Telenet in België.

Volgens één van de bronnen van Reuters zou Vodafone al eerder dit jaar toenadering tot Liberty hebben gezocht, maar was het gat tussen vraag en aanbod te groot.

Vodafone en Liberty Global willen niet reageren.

Lees meer ...

Last update: 20141207



TESSENS Lucas
affaires in België - een bibliografie in beelden
Edited: 201411292136




De hier getoonde reeks is niet exhaustief en dus voor aanvulling vatbaar. De misdaden en misdrijven zijn vermengd met white collar crime en 'regelingen in een grijze zone'. Wat te zeggen indien de wetgever zelf de lacunes in de wetgeving inschrijft? Wat te zeggen indien de criminele netwerken uitlopers hebben tot in de magistratuur, het bedrijfsleven, de controle-mechanismen, het politie-apparaat, de kabinetten, ... ? Wat te zeggen indien wordt vastgesteld dat de middelen van justitie beknot worden en dat financiën kampt met onderbemanning? Wat te zeggen over uitgelokte en gefaciliteerde verjaringsprocedures?



JUSTITIE
PG vraagt verjaring in cassatie-proces Eternit
Edited: 201411201247
Op 13/2/2012 werd Eternit in Turijn (ITA) veroordeeld en verantwoordelijk geacht voor de dood door asbestose van 3.000 mensen: de leiding kende de dodelijke gevolgen van asbestcement maar liet de productie gewoon doorgaan, zo oordeelde de rechter toen. Men spreekt van een misdaad op industriële schaal of een industriële misdaad. Eternit had vier fabrieken in Italië. Bij ons is de fabriek van Kapelle-op-den-Bos berucht. Op de kerkhoven errond is het stil en in de naburige dorpen zwijgt men liever.

De zaak tegen de Zwitserse topman en miljardair Stephan Schmidheiny was sindsdien hangende voor cassatie in Roma. De voorganger van Schmidheiny, de Belgische baron Louis de Cartier de Marchienne (Turnhout, 26/9/1921 – Arendonk, 21/5/ 2013), is inmiddels overleden*.

De PG, Francesco Iacoviello, vroeg nu onverwacht de verjaring en dus de stopzetting van het proces. Normaal verwacht je zo'n vraag van de verdediging. Ook abnormaal is deze vraag omdat ze zo snel volgt na een effectieve veroordeling. Wat twee jaar geleden nog behandeld werd, is vandaag verjaard en je zou denken dat rechtshandelingen de verjaring zouden stuiten. Niet zo dus in het Italiaanse gerecht (en in vele andere staten is het net zo).

De president van de Regio Piemonte, Sergio Chiamparino drukte zijn verrassing, ontgoocheling en diepe verontwaardiging zo uit: "Apprendo con sorpresa e disappunto della decisione della Corte di Cassazione di annullare, causa prescrizione del reato, la sentenza di condanna a Stephan Schmidheiny nel processo Eternit. Non può che destare profonda indignazione".

Het spreekt vanzelf dat de nabestaanden van de slachtoffers van 'de stille dood' in shock, ingedeukt, machteloos en woedend achterblijven. De overtuiging groeit in Italië en daarbuiten dat recht en rechtvaardigheid niet hand in hand lopen. Ook een van mijn vrienden behoort tot de slachtoffers.



*Cartier huwde in 1950 Viviane Emsens (1929) uit de industriële familie Emsens, hoofdaandeelhouder in Eternit. Hij werd actief in de multinational: van 1966 tot 1978 was hij afgevaardigd bestuurder en van 1978 tot 1986 was hij voorzitter van Eternit. De familie Emsens is met duizenden hectare, gelegen in het noorden van de provincie Antwerpen, grootgrondbezitter. (bron: in Trends van 12 oktober 1995 bracht Frans Crols een onthullende reportage over deze miljardairsfamilie; in 2006 bracht Knack een snoeiharde reeks van artikelen over de dodelijke werking van asbest en de verantwoordelijkheid van Eternit).

**Vinck. Cartier was niet de enige Belg die dicht bij de zaak stond. Ook Karel Vinck, die van 1971 tot 1975 werkzaam was bij Eternit-Italië, was eerder betrokken in deze zaak. Hij leidde er sinds 1973 de Eternitfabriek in het Siciliaanse Targia. Van 1975 tot 1978 leidde hij Eternit-België als gedelegeerd bestuurder. In 2006 werd hij in Italië samen met andere topmanagers van Eternit veroordeeld voor onvrijwillige doodslag. De rechtbank was van oordeel dat zij de gezondheidsrisico's verbonden aan het werken met asbest in grove mate veronachtzaamd hadden. Karel Vinck werd veroordeeld tot drie jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Vinck verzette zich tegen deze beschuldigingen. "Een industrieel weegt risico's af met alle beschikbare kennis op het moment van de beslissing. Niet met de kennis die dertig jaar later beschikbaar is", zei hij toen. In augustus 2009 vernietigde het hof van beroep van het Siciliaanse Catania die uitspraak en sprak hem vrij in de zaak.(bron) Karel Vinck was naar eigen zeggen er toen niet van op de hoogte dat asbest kanker kon veroorzaken.



Enkele maanden na die vrijspraak haalde Vinck op een bijzonder negatieve manier het nieuws toen hij voor de camera schamper beweerde "wij leven van fijn stof" (Terzake, 18 oktober 2009).
Toen ging het om de toename van de fijn-stof-concentratie in Antwerpen i.v.m. de bouw van de omstreden Oosterweelverbinding. Vinck is voorzitter van de BAM. In een normale maatschappij neemt men dan ontslag om de eer aan zichzelf te houden.

OVAM. Op 24 oktober 2014 gaf OVAM een persbericht vrij; daaruit blijkt dat er zo'n 3,7 miljoen ton asbest in omloop is. (bron) Navraag bij de woordvoerder Jan Verheyen van OVAM leerde dat het enorme cijfer enkel het Vlaamse Gewest betreft (mail van 20141121). De belastingbetaler draait op voor het opruimen ervan.


Wereldwijde vervuiling
Eternit leverde vanaf 1946 wereldwijd persbuizen van asbestcementstof: West-Europa, USA, Canada, Latijns-Amerika, grote stukken van Afrika, India, het Midden-Oosten. De samenstelling van asbest: "een vezelig gehydrateerd MAGNESIUMSILICAAT, wit of geel, soms groen, soms blauw van kleur, komt uit mijnen in Canada (chrysotiel) en uit Rhodesië (crocidoliet). Deze uiterst fijne vezels (diameter zowat een duizendse millimeter of een mikron) met sterk weerstandsvermogen (trekvastheid: 40 tot 45 kg/mm²) moet worden geopend, gedesintegreerd en goed van elkander gescheiden, zodat elk ervan achteraf volmaakt met cement kan worden omkorst." Gezondheidsproblemen doen zich voor tijdens de productie maar vanzelfsprekend ook bij renovatie- of afbraakwerken (boren, zagen, slijpen, breken, dynamitering, ...).
[Zie ook Asbestos: Risk Assessment, Epidemiology, and Health Effects, Second Edition; geredigeerd door Ronald F. Dodson,Samuel P. Hammar (2012), waarin de historiek van de onderzoeken naar schadelijke/dodelijke gevolgen op wetenschappelijke manier wordt uiteengezet.]
Getuigen

Hieronder de documentaire 'Eternit Casale Monferrato: la fabbrica del cancro', waarin getuigen voor de camera bevestigen dat de directie er alles aan deed om de gevolgen van werken met amiante te camoufleren.



Hieronder een tweede docu waarin o.m. de openbare aanklager en een oncologe aan het woord komen:


Pro memorie: Ook bepaalde vormen van talkpoeder (gehydrateerd waterstof-houdend magnesium-silicaat - H2Mg3(SiO3)4 of Mg3Si4O10(OH)2) zijn kankerverwekkend.
Human Rights Watch
DR Congo: Climate of Fear - Police Operation Kills 51 Young Men and Boys
Edited: 201411200404
(Kinshasa) – Police in the Democratic Republic of Congo summarily killed at least 51 youth and forcibly disappeared 33 others during an anti-crime campaign that began a year ago, Human Rights Watch said in a report released today. “Operation Likofi,” which lasted from November 2013 to February 2014, targeted alleged gang members in Congo’s capital, Kinshasa.

The 57-page report, “Operation Likofi: Police Killings and Enforced Disappearances in Kinshasa,” details how uniformed police, often wearing masks, dragged kuluna, or suspected gang members, from their homes at night and executed them. The police shot and killed the unarmed young men and boys outside their homes, in the open markets where they slept or worked, and in nearby fields or empty lots. Many others were taken without warrants to unknown locations and forcibly disappeared.

“Operation Likofi was a brutal police campaign that left a trail of cold-blooded murders in the Congolese capital,” said Daniel Bekele, Africa director at Human Rights Watch. “Fighting crime by committing crime does not build the rule of law but only reinforces a climate of fear. The Congolese authorities should investigate the killings, starting with the commander in charge of the operation, and bring to justice those responsible.”
The LandReport
The Land Report 100 - 100 largest landowners in the United States - private empires
Edited: 201411161449
In the USA the magazine 'The LandReport 2014' published for the fourth time its list of the 100 largest landowners in the USA. Some of them own large estates in Canada too. And things go fast: in all, private holdings increased by nearly 500,000 acres since the 2013 Land Report 100 was completed.

On 1 is cable tycoon John Malone, owner of Liberty Global (Telenet Vlaanderen, UPC Holland, Ziggo Holland, etc.), with 2,2 million acres (history: +290.100 acres - the Bell Ranch from the Lane family - in 2010; + 1.000.000 acres - in Maine and New Hampshire from GMO Renewable Resources - in 2011). On 2 is Ted Turner with 2 million acres. On 3 is the Emmerson Family with 1,860 million acres. To estimate the span: on Number 100, the Butler Heirs, own 0.1 million acres.



The names:
1. John Malone
2. Ted Turner
3. Emmerson Family
4. Brad Kelley
5. Reed Family
6. Irving family
7. Singleton Family
8. King Ranch Heirs
9. Stan Kroenke
10. Pingree Heirs

11. Ford Family
12. Lykes Heirs
13. Briscoe Family
14. W.T. Waggoner Estate
15. O’Connor Heirs
16. Philip Anschutz
17. Drummond Family
18. Simplot Family
19. Holding Family
20. Hughes Family

21. Malone Mitchell 3rd
22. Wilks Brothers
23. Collins Family
24. Nunley Family
25. Jeff Bezos
26. Collier Family
27. Kokernot Heirs
28. Anne Marion
29. Babbitt Heirs
30. Llano Partners

31. Mike Smith
32. D.R. Horton
33. Lyda Family
34. Jones Family
34. Killam Family
34. True Family
37. Reynolds Family
38. Paul Fireman
39. D.K. Boyd
40. Koch Family

41. Bidegain Family
41. Benjy Griffith III
43. Scott Heirs
44. Louis Moore Bacon
45. East Family Foundation
46. Hearst Family
47. Gage Heirs
48. Cassidy Heirs
49. Eugene Gabrych
49. Langdale Family

51. Bogle Family
52. Hunt Family
53. Williams Family
54. Robert A. Funk
55. McCoy & Remme Families
56. Russell Gordy
57. Broadbent Family
57. Irwin Heirs
59. Sugg Family
60. Fasken Family

61. Mike Mechenbier
62. Cogdell Family
62. Fanjul Family
64. JA Ranch Heirs
65. Ellison Family
66. Bass Family
66. Boswell Family
66. Eddy Family
66. Emily Garvey Bonavia
66. William Henry Green Heirs

71. David Murdock
72. Wells Family
73. L-A-D Foundation
74. Gerald J. Ford
75. Stefan Soloviev
76. Patrick Broe
77. Harrison Family
77. Lane Family
77. Oppliger Family
80. Crosby Family

81. Ellwood Heirs
81. Monahan Family
83. Davis Heirs
84. Booth Family
84. Brite Heirs
86. Reese Family
87. Milliken Family
88. Roxanne Quimby
89. Moursund Family
90. Scharbauer Family

91. Clayton Williams Jr.
92. Stan Harper
93. Frank VanderSloot
94. Linnebur Family
95. Richard Evans
96. Luther King
97. Arthur Nicholas
98. Robinson Family
99. Riggs Family
100. Butler Heirs (0.1 million acres)

See the full list with comments here (link to the website of The LandReport)

P.M.: 1 acre = 0,4047 ha = 0,0040469 km²



Reminder: In 2002 Kevin Cahill published a book 'Who owns Britain. The hidden facts behind landownership in the UK and Ireland' (ref MERS 20020079). In 2006 his book 'Who owns the World' (ref MERS 20060030) gave a global scoop. Both books didn't get the media attention they diserved.
Philips
Philips gaat in najaar 2016 fabriek starters TL-lampen verplaatsen van Terneuzen naar Polen
Edited: 201411131149
Terneuzen-fabriek is nog winstgevend maar overstap naar LED-lampen gooit roet in het eten
Philips
Philips gaat in najaar 2016 fabriek starters TL-lampen verplaatsen van Terneuzen naar Polen
Edited: 201411131149
Terneuzen-fabriek is nog winstgevend maar overstap naar LED-lampen gooit roet in het eten
Totaal TV Nederland
Minister Kamp van economische zaken zet vraagtekens bij samengaan Ziggo en UPC onder Liberty Global
Edited: 201411120003
+Wim Schamp (1954-2014). R.I.P.
Edited: 201411041213
KENNIS Ignace (Mechelen 1888-1973)
De paria (s.d.)
Edited: 201410252136



ref 19580111

Ignace Jacques Lucien Kennis werd geboren te Mechelen op 26 juni 1888 en overleed er op 25 januari 1973. Hij was een schilder van intimistische landschappen, wintertaferelen, interieurs, sociale scènes, karakterportretten en religieuse en bijbelse composities. Hij was vooral een geniaal tekenaar, zoals 'De paria' (waarschijnlijk uit de jaren dertig) illustreert.

Hij was leerling bij Jan-Willem Rosier en Albert Geudens alsook aan de Kunstschool van South-Kensington in Groot-Brittanië.

Hij gaf les aan het Sint-Romboutscollege en de Academie van Schone Kunsten te Mechelen.

In de algemene pers sprak men over hem in lyrische termen : “Hij zoekt de ziel van de mensen met een gevoeligheid van een gedicht, waar alles dat het omgeeft de stilte uitstraalt (Il cherche l’âme des gens avec sensibilité à travers une poésie où tout ce qui l’entoure n’est que silence)”.

Ignace Kennis nam deel aan vele exposities in België en ontving heel wat onderscheidingen.

Werken van Kennis zijn te bewonderen in de musea van Mechelen en in het Kabinet van de Zegel / Cabinet des Estampes in Brussel. (bron: mechelen.mapt; herschreven)
LT
Lijst van de Belgische kunstschilders met geboorte- en sterfdatum (uiteraard niet exhaustief)
Edited: 201410251109
Pierre Abattucci 1871-1942, Victor Abeloos 1881-1965, Léon Abry 1857-1905, Robert Aerens 1883-1969, Pierre Alechinsky 1927, Fernand Allard l'Olivier 1883-1933, Gerard Alsteens 1940, Henri Anspach 1882-1979, Armand Apol 1879-1950, Berthe Art 1857-193, Alphonse Asselbergs 1839-1916, Alphonse Backeljau, Albert Baertsoen 1866-1922, Edgar Baes 1837-1909, Firmin Baes 1874-1934, Lionel Baes 1839-1913, Giljom Ballewijns 1875-1944, Georges-Marie Baltus 1874-1967, Willem Battaille 1867-1933, Charles Baugniet 1814-1886, Euphrosine Beernaert 1831-1901, Charles-Louis Bellis 1837-?, Hubert Bellis 1831-1902, Fred Bervoets 1942, Franz Binjé 1835-1900, Charles Bisschops 1894-1975 Maurice Blieck 1876-1922 Anna Boch 1848-1936 Eugène Boch 1855-1941, Gaston Bogaert 1918 Jean-Marie Boomputte 1947 Guglielmo Borremans 1672-? Michaël Borremans 1963 Andrée Bosquet 1900-1980 Paul Boudry 1913-1976 François-Joseph Boulanger 1819-1873 Hippolyte Boulenger 1837-1874 Paul Bril 1554-1626 Eugène Broerman 1861-1932 Jean Brusselmans 1884-1953, Félix Buelens 1850-1921, Gustaaf Buffel 1886-1972, François Bulens 1857-1939, Pol Bury 1922-2005, Buysse Georges 1864-1916 Henriëtte Calais 1863-1951 Jacques Callaert 1921-1996 Charles-René Callewaert 1893-1936 Jean Capeinick 1838-1890 Jan-Karel Carpentero 1784-1823 Evariste Carpentier 1845-1922 François Cautaerts 1810-1881 Ceramano 1831-1909 Achille Chainaye 1862-1915 Philippe de Champaigne 1602-1674 Frantz Charlet 1862-1928 Albert Ciamberlani 1864-1956 Alexandre Clarys 1857-1920 Emile Claus 1849-1924 Henri Cleenewerck 1818-1901 Emile Clerico 1902-1976 Louis Clesse 1889-1961 Jan Cobbaert 1909-1995 Hubert Coeck 1871-1944 André Collin 1862-1930 (20030076:72) Willie Cools 1932-2011 Joseph Coosemans (zie 19820116) Eugène Jean Copman 1839-1930 Omer Coppens 1864-1926 Albéric Coppieters 1878-1902 Oscar Cornu 1866-1939 Albert Cortvriendt 1875-? Edouard-Louis Cottart 1842-1913 Jan Cox 1919-1980 Jules Cran 1876-1926 Paul Craps 1877-1937 Luc-Peter Crombé 1920-2005 Louis Crépin 1828-1887 Freddy Danneel 1929-2008 Robert Davaux ca. 1885-1965 Hugo Debaere 1958-1994 Julien De Beul 1868-? Laurent De Beul 1841-1872 Gaston De Biemme Marie De Bièvre 1865-1940 Nathalie de Bourtzoff Sophie de Bourtzoff Adriaan De Braekeleer 1818-1904 Evarist De Buck 1892-1974 Gilbert Declercq 1946 René De Coninck 1907-1978 Jan De Cooman 1893-1949 Herman De Cuyper 1904-1992 William Degouve de Nuncques 1867-1935 Babette Degraeve 1965 Henri De Graer 1856-1915 Henry de Groux 1866-1930 Carlos De Haes 1826-1898 Louise De Hem 1866-1933 Nicaise De Keyser 1813-1887 (zie 19790122) Raoul De Keyser 1930 Victor De Knop 1883-1979 Raymond de la Haye 1882-1914 Roland Delcol (1942- Willem Delsaux 1862-1945 Paul Delvaux 1897-1994 Jean Delville 1867-1953 Jean Delvin 1853-1922 Ghislaine de Menten de Horne 1908-1995 Pieter De Mets (zie 19790122) Thomas Deputter 1896-1972 Michel De Roeck 1954-2005 Valerius De Saedeleer 1867-1941 Edmond De Schampheleer 1824-1899 Jan de Smedt 1905-1954 Prosper De Troyer 1880-1961 Edouard De Vigne 1808-1866 Emma De Vigne 1850-1898 Félix De Vigne 1806-1842 Albert De Vos 1868-1950 Liéven De Winne 1821-1880 Marguérite Dielman 1865-1942 Leon Dieperinck 1917 Marthe Donas 1885-1967 Christian Dotremont 1922-1979 Albert Droesbeke 1896-1929 Edmond Dubrunfaut 1920-2007 Hugo Duchateau 1938 Julien Joseph Ducorron 1770-1848 Henri Dupont 1890-1961 Mathilde Dupré-Lesprit 1836-1913 Jef Dutillieu 1876-1960 Albert Dutry 1860-1918 Marie Dutry-Tibbaut 1871-1953 Edmond Dutry 1897-1959 Jean-Marie Dutry 1899-1986 Jacobus Josephus Eeckhout 1793-1861 Alfred Elsen 1850-1914 Albert Embrechts 1914-1997 Peter Engels 1959 Joe English 1882-1918 Henri Evenepoel 1872-1899 Desire Everaerts 1824-1879 Emile Fabry 1865-1966 Pieter Faes 1750-1814 Rombout Faydherbe 1649-1674 Willy Finch 1854-1930 Gustave Flasschoen 1868-1940 Jules Fonteyne 1878-1964 Jean-Jacques Gailliard 1890-1976 Louis Gallait 1810-1887 Mary Gasparioli 1856-? Lucas Gassel 1500-1570 Willem Geets 1838-1919 Joseph Louis Geirnaert 1790-1859 Victor-Jules Génisson 1805-1860 Ferdinand Giele 1867-1929 Joseph Gindra 1862-1938 Hubert Glansdorff 1877-1963 Albert Gregorius 1774-1853 Godfried Guffens 1823-1901 Lucien Guinotte 1925-1989 Paul Hagemans 1884-1959 Louis Haghe 1806-1885 René Hansoul 1910-1979 Gaston Haustraete 1878-1949 Pierre-Jean Hellemans 1787-1845, Valentin Henneman 1861-1930, Charles Hermans 1839-1924, Paul Hermans 1898-1972, Paul Hermanus 1859-1911, Adrien-Joseph Heymans 1839-1921, Marie Howet 1897-1984 Henri Huklenbrok ca. 1870-1952 Léon Huygens 1876-1919 Florent Isenbaert 1827-? Jacob Jacobs 1812-1879 William Jelley 1856-1932 Antoine Jorissen 1884-1962 Luc Kaisin 1900-1963 Franz Kegeljan 1847-1921 Ignace Kennis 1888- 1973 Anna Kernkamp 1868-1947 Renée Keuller 1899-1981 Fernand Khnopff 1858-1921 Margot Knockaert 1910-1997 Eugène Laermans 1864-1940 Pierre Langlet 1848-? Paul Lauters 1806-1875 Georges-Émile Lebacq 1876-1950 Stéphanie Leblon, 1970 Henri Lehon 1809-1872 Charles Leickert 1816-1907 Hendrik Leys 1815-1869 Anne Liebhaberg 1955- Peter Joseph Linnig 1777-1836 Jan Jozef Linnig 1815-1891 Willem Jozef Linnig Sr. 1819-1885 Willem Linnig Jr. 1842-1890 Benjamin Linnig 1860-1929 Zoë Linnig 1893-1979 Diane Linnig 1894-1978 Lambert Lombard 1505-1566 Jean-François Luypaert 1893-1954 Henry Luyten 1859-1945 Armand Maclot 1877-1959 (zie 19820116) Jacques Madyol 1871-1950 Jo Maes 1923 Mil Maeyens 1882-1952 René Magritte 1898-1967 Maurice Mareels 1893-1976 Ferdinand Marinus 1808-1890 Paul-Jean Martel 1878-1944 Hervé Martijn 1961- Armand Massonet 1892-1979 Paul Masui-Castrique 1888-1981 Joseph Maswiens 1828-1880 Didier Matrige 1961-2008 Jean Mayné 1854-1924 Marten Melsen (zie 19790122) Jules Merckaert 1872-1924 Charles Mertens 1865-1919 Guillaume Michiels 1909-1997 Sonja Michiels 1945 Ernest Midy 1877-1938 Frans Minnaert 1929-2011 Willy Minders 1913-1977 (zie 19820116) Florent Mols 1811-1896 Robert Mols 1848-1903 Constant Montald 1862-1944 Louis Adrien Moons 1769-1844 Frank Mortelmans (zie 19790122) Auguste Musin 1852-1923 François Musin 1820-1888 Balthasar-Paul Ommeganck 1755-1826 Marie Ommeganck 1784-1857 Maria-Jacoba Ommeganck 1760-1849 Alfred Ost 1884-1945 Henri Ottevaere 1870 -1944 Pierre Paulus 1881-1959 Kurt Peiser 1887-1962 Henri Louis Permeke 1848-1912 Constant Permeke 1886-1952 Erik Pevernagie 1939 Louis Pevernagie 1904-1970 Léon Philippet 1843-1906 Rudi Pillen 1931-2014 Albert Pinot 1875-1962 Marc Plettinck 1923-2006 André Plumot 1829-1906 Pieter-Frans Poelman 1801-1826 Renée Prinz 1883-1973 Joseph Quinaux 1822-1895 Jean Raine 1927-1986 Armand Rassenfosse 1862-1934 Roger Raveel 1921-2013 Frans Regoudt 1906-1977 Georges Reinheimer 1850-? Julia Rijsheuvels Léon Riket 1876-1938 Lucien Rion 1875-1939 Louis Robbe 1806-1887 Daniël-Adolphe Roberts-Jones 1806-1874 Jean-Baptiste Robie 1821-1910 Ernest Rocher 1872-1938 François Roffiaen 1820-1898 Georges Rogy 1897-1981 Alfred Ronner 1851-1901 Alice Ronner 1857-1957 Emma Ronner 1860-1936 Renée Rops 1887-1973 Alfred Ruytincx 1871-1908 Albert Saverys 1886-1964 Jules Schmalzigaug 1882-1917 Antoine Schyrgens 1890-1981 Jacques Schyrgens 1923 Joseph Schubert 1816-1885 Lode Sebregts 1906-2002 Auguste-Ernest Sembach 1854-? Albert Servaes 1883-1966 Michel Seuphor 1901-1999 Victor Simonin 1877-1946 Frans Balthasar Solvyns 1760-1824 Michel-Joseph Speeckaert 1748-1838 Leon Spilliaert 1881-1946 Alfred Stevens 1823-1906 Joseph Stevens 1816-1892 Jan Stobbaerts 1838-1914 Ildephonse Stocquart 1819-1889 François Stroobant 1819-1916 Michael Sweerts 1618-1664 Jan Swerts 1820-1879 Charles Swyncop 1895-1970 Philippe Swyncop 1878-1949 Jean-Baptiste Tency Georges Teugels 1937-2007 Louis Thevenet 1874-1930 Daan Thulliez 1903-1965 Emile Thysebaert 1873-1963 Pierre Toebente 1919-1997 Léon Tombu 1866-1958 Jef Toune 1887-1940 Charles Tschaggeny 1815-1894 Edmond Tschaggeny 1818-1873 Luc Tuymans 1958 Edgard Tytgat 1879-1957 Leon Valckenaere 1853-1932 Jan Van Beers 1852-1927 Hilaire Vanbiervliet 1890-1981 Louis Pierre Van Biesbroeck 1839-1919 Willem Van Buscom 1797-1834 Jan Van Campenhout 1907-1972 Jef Van Campen 1934 Frans Van Damme 1858-1925 Frits Van den Berghe 1883-1939 Louis Van den Eynde 1881-1966 Serge Vandercam 1924-2005 Benoni Van der Gheynst 1876-1946 Edmond Van der Haeghen 1836-1919 Jan Van Der Smissen 1944-1995 Theo Van de Velde 1921-2005 Martine Van de Walle 1968 Gustave Van de Woestyne 1881-1947 Gabriel Van Dievoet 1875-1934 Emile Van Doren 1865-1949 (zie 19820116) Raymond Van Doren 1906-1991 Adolf Van Elstraete 1862-1939 Frans Van Giel 1892-1975 Louis Van Gorp 1932-2008 José Van Gucht 1913-1980 Willem Van Hecke 1893-1976 Gustaaf Van Heste 1887-1975 Edith Van Leckwyck 1899-1987 Louis Van Lint 1909-1986 Leo Van Paemel 1914-1995 George Van Raemdonck 1888-1966 Jozef Van Ruyssevelt 1941-1985 Théo van Rysselberghe 1862-1926 Achiel Van Sassenbrouck 1886-1979 Petrus van Schendel 1806-1870 Dan Van Severen 1927-2009 Eugeen Vansteenkiste 1896-1963 Georges Vantongerloo 1886-1965 Jef van Tuerenhout 1926-2006 Georges Van Zevenberghen 1877-1968 Gerard Vekeman 1933 Charles-Louis Verboeckhoven 1802-1889 Eugène Verboeckhoven 1798-1881 Marguerite Verboeckhoven 1865-1949 Jos Verdegem 1897-1957 Marcel-Henri Verdren 1933-1976 Paul Verdussen 1868-1945 Piet Verhaert 1852-1908 Séraphin Vermote 1788-1837 Barth Verschaeren 1888-1946 Karel-Willem Verschaeren 1881-1928 Theodoor Verschaeren 1874-1937 Alfred Verwee 1838-1895 Emma Verwee Louis-Charles Verwee 1836-1882 Louis-Pierre Verwee 1807-1877 Frans Vinck 1827-1903 Jozef-Xavier Vindevogel 1859-1941 Charles-Louis Voets 1876-? Henry Voordecker 1779-1861 Victor Wagemaekers 1876-1953 Maurice Wagemans 1877-1927 Gustave Walckiers 1831-1891 Taf Wallet 1902-2001 Antoine Wiertz 1806-1865 Edgard Wiethase 1881-1965 Wilchar 1910-2005 Georges Wilson 1850-1931 Roger Wittevrongel 1933 Rik Wouters 1882 - 1916 Juliëtte Wytsman 1866-1925 Joris-Frederik Ziesel 1755-1809
WARNTZ William (1922-1988)
Macrogeography and income fronts (1965)
Edited: 201410230209


Warntz introduced the concept of social mass: 'Whatever is artificially produced or is transported for social purposes is social mass.' Today we talk about 'ecological footprint'.
The USA fall for Piketty's book and that's all right.

But perhaps the Americans should read their own intellectuals more often. For example the writings of late William Warntz on income distribution. Inequality should not be a shock, it was always there.
Here are some of his best works on the subject:

Harvard Papers in Theoretical Geography

GEOGRAPHY OF INCOME SERIES


I. Macroscopic Aspects of Metropolitan Evolution, GH Dutton, 1970

II. Tabulations of Data on Area, Population, Income and Certain Derived Quantities for the 3070
Counties of the 48 Conterminous States of the United States, 1967, GH Dutton, K Kiernan, D Kingsbury, W Warntz, 1971

III. The Geographical Distribution of Income in the Conterminous United States, 1967–68, and the Income Fronts by States, W Warntz, 1971

IV. A Description of the 1967–78 United States Income Potential Surface, D Kingsbury, 1971

V. National and Regional Parameters of Growth and Distribution of Urban Population in the United States, 1790–1970, GH Dutton, 1971

VI. Allometric Growth in Social Systems, MJ Woldenberg, 1971

University of Michigan
How people in Muslim countries prefer women to dress in public
Edited: 201410041408



An important issue in the Muslim world is how women should dress in public. A recent survey from the University of Michigan’s Institute for Social Research conducted in seven Muslim-majority countries (Tunisia, Egypt, Iraq, Lebanon, Pakistan, Saudi Arabia and Turkey), finds that most people prefer that a woman completely cover her hair, but not necessarily her face. Only in Turkey and Lebanon do more than one-in-four think it is appropriate for a woman to not cover her head at all in public.


The survey treated the question of women’s dress as a visual preference. Each respondent was given a card depicting six styles of women’s headdress and asked to choose the woman most appropriately outfitted for a public place. Although no labels were included on the card, the styles ranged from a fully-hooded burqa (woman #1) and niqab (#2) to the less conservative hijab (women #4 and #5). There was also the option of a woman wearing no head covering of any type.

Overall, most respondents say woman #4, whose hair and ears are completely covered by a white hijab, is the most appropriately dressed for public. This includes 57% in Tunisia, 52% in Egypt, 46% in Turkey and 44% in Iraq. In Iraq and Egypt, woman #3, whose hair and ears are covered by a more conservative black hijab, is the second most popular choice.

In Pakistan, there is an even split (31% vs. 32%) between woman #3 and woman #2, who is wearing a niqab that exposes only her eyes, while nearly a quarter (24%) choose woman #4. In Saudi Arabia, a 63%-majority prefer woman #2, while an additional 11% say that the burqa worn by woman #1 is the most appropriate style of public dress for women.

In several countries, substantial minorities say it is acceptable for a woman to not cover her hair in public. Roughly a third (32%) of Turks take this view, as do 15% of Tunisians. Nearly half (49%) in Lebanon also agree that it is acceptable for a woman to appear in public without a head covering, although this may partly reflect the fact that the sample in Lebanon was 27% Christian. Demographic information, including results by gender, were not included in the public release of this survey.
RT
American-allied nations are secretly helping ISIS to grow - US Colonel Ann Wright
Edited: 201409080901
The US invasion of Iraq in 2003 came with many warnings that it would lead to a dire consequences for the whole region. A decade later, and the brutal jihadists from ISIS are dominating the north of the devastated country. Now, the US is again mulling the possibility of sending its army to Iraq once more - but would that actually help solve the issue? From where does the money come for the Islamic State? Is America obliged to save Iraq after what it's done to that nation? We ask these questions to American Colonel and former diplomat Ann Wright on Sophie&Co today.

Follow @SophieCo_RT

Sophie Shevardnadze:Colonel, the 2003 war in Iraq was a reason you left the U.S. military after many years. Do you feel the roots of what’s happening now lie back then?

Ann Wright: Well, yes. In 2003 I did resign from the Federal government. I actually had order to retire from the military; I was a U.S. diplomat, and I was one of the three diplomats who resigned in opposition to the war in Iraq. And I do feel that there are so many similarities now, 11 years later with the issue that the Obama administration is bringing forward, and they are seeming intent that they will be using military force to resolve the further issues in Iraq, and perhaps even in Syria.

SS: But what I really meant was that… I’m talking about ISIS expansion and the will of the ISIS to create a caliphate. Do you think that, what’s going on right now, has to do something with the invasion in Iraq in 2003, or those are two separate things?

AW: I think they are two separate things. Certainly, the U.S. invasion and occupation of Iraq has precipitated what we now see, 11 years later, with the growth of ISIS and other forces that initially came in to the region to battle with Assad in Syria, but are taking the opportunity with the disarray that came starting with the U.S. invasion and occupation of Iraq. And then, the Al-Maliki government that has been so brutal towards the Sunnis in Iraq, that the ability of ISIS to move remarkably quickly, to gain territories in Syria and now in Iraq is very worrisome and dangerous.

SS: Now, president Obama has authorized deployment of additional 350 american troops to Iraq. Last month, the U.S. launched an aerial campaign against the Islamic State. Will any good come out of this?

AW: Well, the issue of the protection of the U.S. facilities in Baghdad and other cities of Iraq by U.S. military forces is one rational for the deployment of certain number of military folks. And then, the administration has already said that they will be sending in special forces to help train or re-train Iraq military to battle ISIS. And also, the use of CIA operatives up in the north, in northern Iraq and the Kurdish area of Iraq - one could argue that this does give the Iraqi military and the Kurdish Peshmerga a better opportunity to battle ISIS. One of the fears, though, is that the continuation of the U.S. providing U.S. military equipment will end up as we've seen what has happened now, when ISIS has overrun Iraqi military facilities and have taken U.S. military equipment that has been given to the Iraqi military. So, one of the great dilemmas is when you start funneling more military equipment into this type of situation, it may be turned up on you as we've seen - that equipment now being in hands of ISIS and being used to battle almost in one way the remnants of the Iraqi military.

SS: Steven Sotloff was the second journalist executed by the Islamic State. Let’s hear president Obama’s response to this:

OBAMA: And those who make a mistake of harming Americans will learn that we will not forget, and that our reach is long and that justice will be served.

SS: Now, the U.S. president has vowed to avenge the death of U.S. journalist and called for the war plan to be drawn up. Should there be further involvement?

AW: Well, indeed, it’s horrific what ISIS is doing, not only to the international media, to U.S. reporters that are being beheaded, but in even greater measure, what ISIS is doing to Iraqis and Syrians that they have captured. The wholesale murder, massacre of large numbers of Iraqi military and people in villages who have repelled or attempted to repel the ISIS military onslaught. There’s no doubt about it, ISIS is very brutal, terrible group of people who are rampaging across that area of the world.

SS: Well, yeah, but that’s my question - does the U.S. really have any other choice but to get involved and act in the face of these kidnappings?

AW: The people that have been kidnapped - I mean, the international folks have been in the hands of ISIS for quite a few months now. The beheadings of course are horrific, and as vice-president Biden has said...something about the “gates of hell” being opened; I think the administration certainly feels the pressure that something needs to be done about it, about this group of horrific people. Now, whether it is further american military on the ground - I suspect not, because the feeling in the U.S. is that we do not want our military involved in ground operations any further in Iraq or in Syria. However, I do believe that the types of pressure that can be put on groups that do support ISIS, that have allowed ISIS to purchase military equipment, that are working with ISIS to buy on the black market oil from the oil fields that ISIS has captured - I think that’s really where ultimately the pressure points are…

SS: Which groups are you talking about? Could you be more precise?

AW: If you look at who is behind the oil, who is behind the oil from those oil fields, where it is going, through what borders is it going - some of it is going up into Turkey, so you've got to put pressure on the Turkish government to stop the flow of oil; you've got to put pressure on the Turkish government to stop allowing these large groups of international fighters that have crossed the border from Turkey for the last several years. I would say, you have to put pressure on the Saudis: the Saudis have been pouring a large amounts of money, as have the governments of Kuwait and of Qatar, into various groups of the foreign fighters.

SS: But so had the Americans, I don’t think these are the only people that are funding the foreign fighters in Syria. Americans are the ones who are funding them just as much as are the Qataris or the Saudis…

AW: Yes, I totally agree with you on that; I do not believe that they are funding ISIS, the U.S. is funding other, what they think are more moderate groups that are fighting the Assad government, but the ones I was actually talking about were those that either by turning a blind eye, or by actually funneling money and weapons into ISIS are giving it the power to gain territory and hold it.

SS: So there’s my question - the U.S. has propped up many allies that it later had to confront. The likes of Al-Qaeda, or Taliban - do you feel like it contributed to the rise of ISIS in Syria as well - involuntarily, of course - by funding the rebels?

AW: Certainly, the instability that has been caused by the U.S., starting 10, 11 years ago, from 2003, with the U.S. invasion and occupation of Iraq and earlier than that, the U.S. going in to Afghanistan after 9/11 - all of those events have triggered a large number of people from Arab and Muslim worlds, who have to the U.S.: “we don’t like what you’re doing in those areas”, and they have been coming in to Iraq and in Afghanistan and have been trained, and equipped and then have been available to go to other parts of the world, including Libya, to act as mercenaries for whomever wants to hire them.

SS:Now, if president Obama had launched a bombing campaign in Syria in 2013, do you think that could have stopped the rise of ISIS?

AW: One could argue that yes, bombing of not only ISIS but of other radical groups in Syria could perhaps have decimated some of their fighting force. However, the thing that people are very concerned about is that that in itself is drawing more of the foreign fighters to the fight, that indeed the U.S. bombing of Muslim fighters does draw in even more of the Muslim fighters.

SS: Just to wrap the subject of ISIS in Iraq - do you feeling like that Washington has the responsibility for the future of Iraq and what becomes of it?

AW: Part of the problem is, first, the initial invasion and occupation by the Bush administration; then, you have the Al-Maliki government that was… many people say that U.S. put that government in: Al-Maliki who brought in more Shia leaders and pushed out the Sunni leaders that should have been brought in to the government that was all-inclusive of all of the groups in Iraq. One could say that the U.S. has spent billions of dollars on the training and equipping Iraqi military and it folded against the force that was not nearly as large as it actually was. I personally, as a person that resigned initially over the theory that military force was going to resolve the issue of Saddam Hussein regime, I don’t believe that further use of our military is what ultimately going to resolve the issues in that region.

SS: Afghanistan is another unresolved issue - the U.S. troops may leave for good by the end of this year, but will the weak Afghan government be left to deal with the Taliban like Iraq was left to deal with ISIS, what do you think?

AW: You’re exactly right - here we have Afghanistan after 13 years that U.S. has been involved in there, and weak government, in fact, it is still disputed on who’s going to be the next president of the country. You have many of the people who were called warlord prior to the U.S. invasion, or the groups of people that the U.S. hired to work with it to push the Taliban and Al-Qaeda out, many of them with severe human rights abuses allegations to start with… I myself am not too optimistic that here, 13 years later and hundreds of billions of dollars later and the expenditure of tens of thousands if not hundreds of thousands of lives, that the future of Afghanistan is a stable secure country, where all groups will be treated honestly and fairly and that country will progress in a way that one would hope it would - I myself am not very optimistic about it.

SS: Now, ISIS is being called the “new Al-Qaeda”, but the actual Al-Qaeda has declared a new front in India. How do these groups fit together? Are we seeing expansion into new territory after ISIS took over the old “feeding grounds”?

AW: It’s kind of “targets of opportunity” it looks like that various groups are using. As ISIS fills into one area of Iraq and Syria and becomes the dominant force there, Al-Qaeda is looking for another place where it can stake its own territory. Certainly it had its inroads into Pakistan… It’s interesting here that they indeed have claimed that they are going to India.

SS: So, what are we going to see? Jihadist corporate rivalry unraveling?

AW: Indeed, “Jihadist inc.” When we really look at it, sadly, throughout the North Africa and the Middle East and then going on into South Asia, you do see the rise of various types of militant groups, to include not only Al-Qaeda, ISIS, Al-Nusra; you've got the Afghan Taliban, the Pakistani Taliban. It is a growth industry. You look also to Libya, where there are many groups, each fighting for different parts of the territory of the country, to the extent that the U.S. had to close its embassy there, because none of the locations where we had embassies or consulates are safe enough, in the opinion of the State Department, that we can leave our diplomats. So, it is a tragic function in this era, that we see the growth and expansion of these jihadist groups.

SS: You've mentioned earlier on in the program that the pressure should be put on groups that are actually helping ISIS to get money from the oil sales - it’s true that ISIS is raking in billions through things like oil. Could this movement be more about money than establishing a religious state?

AW: I think it certainly is a movement about money, it’s a very well-funded organisation, but from I gather, it is a group that is intent on establishing a geographical location for it’s beliefs, the caliphate that they talk about. They intent to hold territory and indeed they have, to the extent that they control major cities, that they are generating their own income through oil and I think it is going to be a challenge for the international community to go in and push them back from these established areas that they've had some of them for almost a year now.

SS: Israeli-Palestinian conflict is something that you've also spoken a lot about, spoken strongly against the Israeli offensive in Gaza. Is there any way that international pressure can push Israel into a genuine peace process?

AW: It’s a very good question. How the international community has pressured Israel - has been ineffective, mainly because it really hasn't used the full force that it has at its disposal. The U.S. itself could do much more to pressure Israel to stop the illegal settlements of which they have just announced that they are annexing a thousand acres of Palestinian land into Israel. The pressure to stop the occupation of the West Bank and to lift the siege of Gaza - these are things that have been demands of the Palestinians for the longest time. The U.S. is the greatest pressure point of Israel, because we give Israel almost $3 bn a year in military assistance alone, plus all sorts of economic incentives. The U.S. is allowing itself to be pressured by very large and well-funded Zionist lobby that works for the protection of the State of Israel, and works primarily in the U.S. Congress to threaten the U.S. Congress people that if they don’t vote for pro-Israeli issues then they will be turned out of office; we've seen that AIPAC, the American-Israeli Public Affairs committee, the big lobby for Israel, has been very effective at threatening and scaring and then trowing out of office people that say that they are going to look honestly at what’s happening there, and may support the Palestinian cause in cases.

SS: I want to talk a little bit about Hamas. You know how the appearance of ISIS with its deliberate focus on cruelty and no compromises, does it make you feel like it’s easier to treat groups like Hamas with more respect? As a matter of fact, you know, “we don’t negotiate with the terrorists” - that attitude is almost universal, but do you feel like maybe these days there are groups of terrorists that you can talk to and that slogan actually should change?

AW: Yes, I certainly think so, and the latest of this week, the Israeli propaganda is that “ISIS is Hamas, Hamas is ISIS” - well, that’s just not true. Hamas was elected as the governing body of Gaza. I don’t agree with the rockets that Hamas and other groups in Gaza have sent into Israel, but the level of violence that is between Palestinians and Israelis is overwhelmingly from the Israeli side towards the Palestinian side - there’s no doubt about that. Over 2000 Palestinians were killed versus 64 Israelis in this latest attack, and in 2009, fourteen hundred Palestinians versus 11 Israelis… Hamas does not have 24 hour drone coverage over Israel, it does not have F-16 that are bombing Israel every single day as is happening with the Israelis in their naval attacks and ground attacks, and air attacks on Gaza. So, there’s a very distinct difference in the level and the proportion of violence in there.

SS: Thank you so much for this wonderful interview. Colonel Ann Wright, U.S. veteran and former diplomat. We were talking about what brought upon the spread of ISIS and could it be contained, and also are there terrorists that we can talk to, and are there groups that we can’t. That’s it for this edition of Sophie&Co, we’ll see you next time.
TESSENS Lucas
conclusie anti-ontduikingscampagne 1997 kijk- en luistergeld (recup-tekst van 1997)
Edited: 201406080116
Nota voor het Kabinet WDM.
Naast de aangiften via het 0900-nummer zijn er nog de schriftelijke aangiften via Aalst, de directe stortingen op het rekeningnummer, de aangiften via het loket en die via de web-site. De opbrengst van de anti-ontduikingscampagne schatten wij op dit ogenblik (5 dec.) op 233 miljoen BEF.
Alhoewel diepgaander onderzoek nodig is om deze stelling te bevestigen, durven we nu toch al stellen dat Vlaanderen na deze campagne afstevent op een Europees record: het laagste percentage qua ontduiking van kijkgeld.
Een diepgaand en nog lopend MERS-onderzoek wijst uit dat Vlaanderen reeds gunstig afstak bij de situatie in het Waalse en het Brusselse gewest. Vooral Brussel is een echt probleemgebied wat ontduiking betreft. Na deze campagne zal de "kloof" tussen de gewesten nog verbreed zijn.

Dat zulks gerealiseerd wordt met een minumum aan middelen (cfr. het klein aantal controleurs) en dat we - internationaal gezien - toch op een hoog bedrag aan "licence fee" zitten, wat ontduiking "lucratief" maakt, vormt een (te verifiëren) merkwaardige vaststelling.

De hoge penetratie van de kabel en de wettelijk voorziene matchingsmogelijkheid met de abonneelijsten zijn niet te onderschatten troeven omdat zij de PERCEPTIE van de PAKKANS gunstig beïnvloeden.

De campagne heeft hierop inhoudelijk ingespeeld en gewild deze perceptie versterkt. De gebruikte mediamix en de gefaseerde overgang van 'nationale' media (BRTN, dag- en weekbladen) naar 'regionale' media (regio-TV) hebben de 'nabijheid' van de pakkans gevoelig verhoogd. De bijkomende redactionele aandacht ('free publicity') heeft een katalysator-effect gehad.

Ook vanuit media-technisch én sociologisch oogpunt vormen de campagneresultaten een unicum omdat zelden een zo hoge graad van meetbaarheid van de feedback ('response rate') wordt bereikt.
COUTUER Jo, DataNews 20120604
Deloitte neemt Numius over
Edited: 201405062237
Deloitte Consulting heeft de Leuvense specialist in performance management Numius overgenomen.

Numius werd in 1999 uit de grond gestampt door Geert Hallemeesch en Jo Coutuer, destijds nog onder de naam 'Hallemeesch & Coutuer'. Later voegde ook Thierry Cloetens bij de aandeelhouderstructuur. Vandaag is Numius, een IBM Premier Business Partner, uitgegroeid tot een firma van 33 mensen en een omzet van zo'n 5,5 miljoen euro.

"Deloitte en wijzelf hadden allebei een businessplan over de lange termijn", vertelt Jo Coutuer, managing partner bij Numius. "Na wat gesprekken hebben we beseft dat we ons beider plannen sneller gezamenlijk zouden kunnen verwezenlijken." Het team van de Information Management Service Line van Deloitte Consulting stond vooral sterk in SAP, terwijl Numius voorop liep in IBM. "Ons ook bekwamen in SAP zou jaren gekost hebben", geeft Coutuer toe. "Bovendien waren we zo echt complementair, ook op vlak van klanten." Voorts, zo zegt hij, is de managementstructuur vergelijkbaar en is de manier van diensten aanbieden gelijkaardig. "Numius voegt bovendien zijn business analytics cloudplatform toe en zijn opleidingen via 'Numius Academy'."

De overname heeft voor de klanten van beide bedrijven geen noemenswaardige gevolgen. Intern versmelten de managementstructuren van beide bedrijven. "Beide teams verhuizen binnenkort naar een 'nieuwe zone' in de gebouwen van Deloitte in Diegem, zodat het voor iedereen 'nieuw' is. Juridisch is het wel een overname, maar operationeel zien we het liever als een fusie. De twee teams hebben immers een perfect vergelijkbare omvang." Door het samengaan ontstaat een ploeg van zo'n 75 mensen.

Financieel wilt Coutuer niet teveel details kwijt. "Maar ik wil wel benadrukken dat we door deze overnameovereenkomst veeleer ons risico als ondernemers 'poolen'. Met andere woorden: we blijven ondernemen. Dat het management ook na de overname aan boord blijft - we hebben geen minimumtermijn of iets dergelijks moeten tekenen - bewijst dat volgens mij."
Steinbeck
The Grapes of Wrath - character map
Edited: 201405010159
Summary of Chapter 19

When the Americans first came to settle in California, they were hungry for land. Driven by a desire for property, they dominated the complacent Mexican natives, successfully stripping them of their claim to this fertile farmland. Soon, these Californians were no longer squatters, but owners. Farming became an industry, not a passion, and success was measured in dollars only. Farms became larger and owners fewer.

As the dispossessed come to California, they bring with them a wild, desperate hunger for land. History had told them that when all land is held by a few, it is taken away. And when great masses are going hungry, while a few are well fed, there will be a revolt. In an effort to diffuse the strength of the migrant workers, the owners make laws, and law officials enforce them. Any man farming on a small strip of land is charged with trespassing, and squatter's camps — "Hoovervilles" — are closed and burned for being a threat to public health. Meanwhile, children in the Hoovervilles are dying from hunger while their parents pray for food. When the parents stop praying and start acting, the end for the owners will be near.

Analysis

Together with Chapters 21 and 23, this chapter presents historical background on the development of land ownership in California, tracing the American settlement of the land taken from the Mexicans. Fundamentally, the chapter explores the conflict between farming solely as a means of profit making and farming as a way of life. Steinbeck criticizes the industrialization of farming in which a love of the land is replaced by a capitalist mentality. With the advent of this industrialization came a shift toward commercial farming. With the focus only on the moneymaking aspects of growth, the corporate farmers increasingly exploit immigrant and migratory workers who are willing to work for a low wage. Like the machines that pushed the sharecroppers off their land, these great landowners had "become through their holdings both more and less than men." A key image of agrarian sympathy is found in the patch of jimson weed. Here Steinbeck effectively illustrates the crimes committed by the frightened owners with a picture of a hungry migrant stealthily clearing a jimson weed patch so that he might grow a few vegetables to feed his family, only to have it gleefully destroyed by a local sheriff.

A distinct contrast is also made here between existing immigrant workers (the Chinese, Mexican, and Filipinos) and the recently arrived "Okies" who feel strongly that they are Americans. Perceiving themselves as coming from a similar background as the rest of the inhabitants of the Golden State, the "Okies" insist on similar rights. This knowledge that they deserve the same decencies as any other American citizens gives strength and credence to their demands and makes them appear more dangerous to the California natives.
PANNIER Willy
Strandgezicht 1952
Edited: 201404200034
Olie op paneel. Gesigneerd. 19x27cm. Met certificaat.
Gezien bij Campo op 20140419.
Let op de Franse en de Belgische vlag.
PANNIER Willy
Strandgezicht 1952
Edited: 201404200031
Olie op paneel. Gesigneerd. 19x27cm. Met certificaat.
Gezien bij Campo op 20140419
BORGER Julian - The Guardian 20140404
Dag Hammarskjöld's plane may have been shot down, ambassador warned. Newly declassified 1961 cable called for grounding of Belgian mercenary hours after UN secretary general crashed in Africa theguardian.com, Friday 4 April 2014 14.27 BST
Edited: 201404091004
Hours after a plane carrying the UN secretary general, Dag Hammarskjöld, crashed over central Africa in September 1961, the US ambassador to Congo sent a cable to Washington claiming that the aircraft could have been shot down by a Belgian mercenary pilot.

In the newly declassified document, the ambassador, Ed Gullion, does not directly implicate the Belgian or Rhodesian governments in what he calls "this operation", but calls for US pressure on them to ground the mercenary, adding it was "obviously [a] matter of highest importance". He said the pilot had been hampering UN operations and warned that if not stopped "he may paralyse air-rescue operations".

The document was released after an international panel of retired judges called last year for a fresh inquiry into the Hammarskjöld crash, saying that new evidence "undoubtedly" existed. The UN secretary general, Ban Ki-moon, decided in February to put the panel's findings on the agenda of the UN general assembly.

The Gullion cable was not seen by previous official inquiries. A commission formed by the Rhodesian colonial authorities blamed the crash on pilot error, while a later UN investigation recorded an open verdict.A Guardian investigation in 2011 found surviving witnesses near the crash site outside Ndola, in what is now Zambia, saying they saw a second plane shooting at the DC-6 aeroplane carrying Hammarskjöld and his aides. A book published later that year, Who Killed Hammarskjöld? by Susan Williams, a University of London researcher, found further evidence of foul play.

Williams's book pointed to the existence of US National Security Agency (NSA) radio intercepts of warplanes in the area, which are still top secret after 52 years. Hammarskjöld's death came at the height of a conflict between the UN-backed Congolese government in Leopoldville, now Kinshasa, and secessionists from the mineral-rich province of Katanga, supported by Belgian colonialists.

The US and British were angry at an abortive UN military operation that the secretary general had ordered days before his death on behalf of the Congolese government against the rebellion in Katanga, which was backed by western mining companies and mercenaries.

The Hammarskjöld commission, chaired by a former British court of appeal judge, Sir Stephen Sedley, called for the NSA intercepts to be released.

The commission highlighted several key pieces of evidence, including the testimony of two policemen of seeing sparks and a flash in the sky, and the account of a local official who said he saw a smaller aeroplane flying above and then alongside the DC-6, known as the Albertina.

In his cable, sent at 11am on 18 September, Gullion correctly identifies the Ndola area as the crash site. He also names the suspected Belgian pilot as "Vak Riesseghel", almost certainly a mis-spelling of Jan van Risseghem, who had served in the South African and Rhodesian air forces, and commanded the small Katanga air force.


In another cable sent two days before the crash, Gullion passed on a commercial pilot's report that the Belgian mercenary, flying a Katangese jet, "flew wing to wing" with him – a highly dangerous manoeuvre.

Gullion's two telegrams call into question Van Risseghem's insistence that he had not been in Katanga in September 1961. Van Risseghem was never questioned by any of the official inquiries.

"The telegram reveals that on the morning after the crash, the ambassador thought it credible that the plane had been shot down by a mercenary pilot – so credible, in fact, as to justify asking US diplomats in Brussels and Salisbury [now Harare] to put pressure on the Belgian and Rhodesian governments to ground the pilot," said Williams, a senior researcher at the University of London's Institute of Commonwealth Studies.

In her book, Williams provides the account of an American naval pilot, Commander Charles Southall, who was working at the NSA listening station in Cyprus in 1961. Shortly after midnight on the night of the crash, Southall and other officers heard an intercept of a pilot's commentary in the air over Ndola – 3,000 miles away.

Southall recalled the pilot saying: "I see a transport plane coming low. All the lights are on. I'm going down to make a run on it. Yes, it is the Transair DC-6. It's the plane," adding that his voice was "cool and professional". Then he heard the sound of gunfire and the pilot exclaiming: "I've hit it. There are flames! It's going down. It's crashing!"

Williams said: "We need to know if the US state department holds the raw intelligence that led Gullion to think [the plane could have been shot down] and … if there is other intelligence, notably in the form of intercepts, that is held by the NSA in relation to Hammarskjöld's flight on the night of 17-18 September 1961.

"This newly released document reinforces the argument that the UN general assembly should ask US agencies, including the NSA, to produce the evidence they hold."
Knack Weekend BE
Geëmotioneerde Angelina Jolie voert in Bosnië campagne tegen oorlogsverkrachtingen
Edited: 201403310233

zaterdag 29 maart 2014 om 16u17

Angelina Jolie bezocht samen met de Britse minister van Buitenlandse Zaken William Hague Bosnië en was duidelijk onder de indruk van de verhalen die ze daar hoorde van de inwoners van Srebrenica.Angelina Jolie organiseert in juni samen met Hague een conferentie in Londen over het verkrachten van vrouwen als tactisch middel tijdens een oorlog. Er heerst nog altijd een taboe op dit onderwerp en Jolie wil dit proberen te doorbreken. Ze is er van overtuigd dat de vrede nooit volledig terug kan keren na een oorlog wanneer de verkrachtingen onbestraft blijven.

Taboe

Dat deze campagne nodig is blijft wel uit de stilte die er nog altijd heerst in Bosnië. Munira Subasic van de associatie van de moeders van Srebrenica vertelt aan Reuters dat het tot de traditie behoort om niet over verkrachting te praten. Veel vrouwen hebben het meegemaakt tijdens de oorlog, maar willen er niet over spreken. Daarom vindt ze het bezoek van Angelina Jolie van groot belang. Ze hoopt dat de Bosnische vrouwen zo inzien dat ze niet de enige zijn die er mee moeten leven.

Angelina Jolie, die de film In the Land of Blood and Honey maakte over het seksuele geweld in Bosnië tussen 1992 en 1995, legde ook bloemen op het kerkhof waar de slachtoffers van de oorlog begraven liggen.

Meer dan 100.000 mensen kwamen om tijdens de burgeroorlog tussen de Bosnische Serviërs, moslims en Kroaten. Waarschijnlijk werden zo’n 20.000 vrouwen seksueel misbruikt. (MS)
Noot Lucas Tessens: komen nu ook de Italiaanse vrouwen terug onder de aandacht, verkracht door Goumiers tijdens WO II ?; en welke aandacht voor de Duitse vrouwen ?
Human Rights Watch
Saudi Arabia: New Terrorism Regulations Assault Rights
Edited: 201403200901
(Beirut) – Saudi Arabia’s new terrorism law and a series of related royal decrees create a legal framework that appears to criminalize virtually all dissident thought or expression as terrorism. The sweeping provisions in the measures, all issued since January 2014, threaten to close down altogether Saudi Arabia’s already extremely restricted space for free expression.

“Saudi authorities have never tolerated criticism of their policies, but these recent laws and regulations turn almost any critical expression or independent association into crimes of terrorism,” said Joe Stork, deputy Middle East and North Africa director at Human Rights Watch. “These regulations dash any hope that King Abdullah intends to open a space for peaceful dissent or independent groups.”

The new regulations come amid a campaign to silence independent activists and peaceful dissidents through intimidation, investigations, arrests, prosecutions, and imprisonment. On March 9, the prominent human rights activists Abdullah al-Hamid and Mohammed al-Qahtani completed their first year in prison, serving 11 and 10-year sentences, respectively, for criticizing the government’s human rights abuses and for membership in an unlicensed political and civil rights organization.

Two other human rights activists, Waleed Abu al-Khair and Mikhlif al-Shammari, recently lost appeals and will probably begin their three-month and five-year respective sentences soon for criticizing Saudi authorities.

On January 31, Saudi authorities promulgated the Penal Law for Crimes of Terrorism and its Financing (the “terrorism law”). The law has serious flaws, including vague and overly broad provisions that allow authorities to criminalize free expression, and the creation of excessive police powers without judicial oversight. The law cites violence as an essential element only in reference to attacks carried out against Saudis outside the kingdom or onboard Saudi transportation carriers. Inside the kingdom, “terrorism” can be non-violent – consisting of “any act” intended to, among other things, “insult the reputation of the state,” “harm public order,” or “shake the security of society,” which the law fails to clearly define.

On February 3, two days after the terrorism law came into force, King Abdullah issued Royal Decree 44, which criminalizes “participating in hostilities outside the kingdom” with prison sentences of between three and 20 years. On March 7, the Interior Ministry issued further regulations designating an initial list of groups the government considers terrorist organizations, including the Muslim Brotherhood and the Houthi group in Yemen, along with “Al-Qaeda, Al-Qaeda in the Arabian Peninsula, Al-Qaeda in Yemen, Al-Qaeda in Iraq, Da`ish [the Islamic State of Iraq and Sham, or ISIS], Jabhat al-Nusra, and Hezbollah inside the kingdom.”

The interior ministry regulations include other sweeping provisions that authorities can use to criminalize virtually any expression or association critical of the government and its understanding of Islam. These “terrorism” provisions include the following:

Article 1: “Calling for atheist thought in any form, or calling into question the fundamentals of the Islamic religion on which this country is based.”
Article 2: “Anyone who throws away their loyalty to the country’s rulers, or who swears allegiance to any party, organization, current [of thought], group, or individual inside or outside [the kingdom].”
Article 4: “Anyone who aids [“terrorist”] organizations, groups, currents [of thought], associations, or parties, or demonstrates affiliation with them, or sympathy with them, or promotes them, or holds meetings under their umbrella, either inside or outside the kingdom; this includes participation in audio, written, or visual media; social media in its audio, written, or visual forms; internet websites; or circulating their contents in any form, or using slogans of these groups and currents [of thought], or any symbols which point to support or sympathy with them.”
Article 6: “Contact or correspondence with any groups, currents [of thought], or individuals hostile to the kingdom.”
Article 8: “Seeking to shake the social fabric or national cohesion, or calling, participating, promoting, or inciting sit-ins, protests, meetings, or group statements in any form, or anyone who harms the unity or stability of the kingdom by any means.”
EU
Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (Salduz)
Edited: 201310221445
RICHTLIJN 2013/48/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2013

betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (het IVBPR) is het recht op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 48, lid 2, van het Handvest garandeert de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
(2)
De Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Unie worden, omdat een versterkte wederzijdse erkenning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de rechtsbescherming van het individu ten goede zouden komen.
(3)
Krachtens artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), „berust de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen …”.
(4)
De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.
(5)
Hoewel de lidstaten partij zijn bij het EVRM en bij het IVBPR, heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven alleen niet altijd zorgt voor een voldoende mate van vertrouwen in de strafrechtstelsels van andere lidstaten.
(6)
Wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de andere lidstaten adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toegepast. Versterking van wederzijds vertrouwen vereist gedetailleerde regels inzake de bescherming van de procedurele rechten en waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM en het IVBPR. Versterking van wederzijds vertrouwen vereist evenzeer, middels deze richtlijn en andere maatregelen, een verdere ontwikkeling binnen de Unie van de in het Handvest en in het EVRM vastgelegde minimumnormen.
(7)
Artikel 82, lid 2, VWEU voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Dat artikel verwijst naar „de rechten van personen in de strafvordering” als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.
(8)
Gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten leiden tot meer vertrouwen in de strafrechtstelsels van alle lidstaten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen, en tot bevordering van een cultuur van grondrechten in de Unie. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten ook belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers wegnemen op het gehele grondgebied van de lidstaten. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen te worden vastgelegd op het gebied van het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures, het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en het recht om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens die vrijheidsbeneming.
(9)
Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures („de routekaart”) (3). In de routekaart, waarin een stapsgewijze benadering wordt voorgestaan, wordt opgeroepen tot de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C), het recht te communiceren met familie, werkgever en consulaire autoriteiten (maatregel D), en bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E). In de routekaart wordt benadrukt dat de volgorde van de rechten slechts indicatief is en dat deze overeenkomstig de prioriteiten dus kan worden verlegd. De routekaart is bedoeld als een totaalpakket: pas wanneer alle onderdelen ten uitvoer zijn gelegd, zal het effect optimaal zijn.
(10)
Op 11 december 2009 verklaarde de Europese Raad zich ingenomen met de routekaart en maakte hij deze tot onderdeel van het Programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (4) (punt 2.4). De Europese Raad onderstreepte het feit dat de routekaart niet uitputtend is, door de Commissie uit te nodigen te onderzoeken welke minimale procedurele rechten verdachten en beklaagden verder kunnen worden toegekend, en te beoordelen of andere vraagstukken, bijvoorbeeld het vermoeden van onschuld, dienen te worden aangepakt om op dit gebied tot een betere samenwerking te komen.
(11)
Tot dusver zijn er twee maatregelen voortvloeiend uit de routekaart vastgesteld, met name: Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (5), en Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (6).
(12)
Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel krachtens Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (7) („procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel”) en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en het recht om met derden en met consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming. Op die manier bevordert de richtlijn de toepassing van het Handvest, met name de artikelen 4, 6, 7, 47 en 48, door voort te bouwen op de artikelen 3, 5, 6 en 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in zijn jurisprudentie, geregeld normen vaststelt betreffende het recht op toegang tot een advocaat. In die jurisprudentie is onder meer geoordeeld dat het eerlijke karakter van het proces vereist dat een verdachte of beklaagde gebruik kan maken van alle specifiek aan rechtsbijstand verbonden diensten. In dat verband moeten de advocaten van verdachten of beklaagden de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen.
(13)
Onverminderd de krachtens het EVRM op de lidstaten rustende verplichting om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, dienen procedures met betrekking tot lichte strafbare feiten die in de gevangenis zijn gepleegd, of tot in militair verband gepleegde strafbare feiten die door een bevelvoerende officier worden behandeld, in deze richtlijn niet als strafprocedures te worden aangemerkt.
(14)
Bij de uitvoering van deze richtlijn moet rekening gehouden worden met de bepalingen van Richtlijn 2012/13/EU, die voorschrijven dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over het recht op toegang tot een advocaat en dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten, met informatie over het recht op toegang tot een advocaat.
(15)
In deze richtlijn wordt verstaan onder „advocaat”, eenieder die overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen.
(16)
In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties, andere dan vrijheidsbeneming, met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een dergelijke autoriteit, en daartegen ofwel beroep kan worden ingesteld ofwel dat de zaak anderszins kan worden doorverwezen naar een in strafzaken bevoegde rechtbank, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op de procedure die bij die rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dat beroep of die verwijzing.
(17)
In sommige lidstaten zijn bepaalde lichte feiten strafbaar gesteld; het betreft met name lichte verkeersovertredingen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke verordeningen en lichte overtredingen tegen de openbare orde. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.
(18)
Het toepassingsgebied van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde lichte strafbare feiten laat de EVRM-verplichting van de lidstaten om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, daaronder begrepen het recht op rechtsbijstand van een advocaat, onverlet.
(19)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden overeenkomstig deze richtlijn, het recht hebben zonder onnodig uitstel toegang te krijgen tot een advocaat. Indien zij geen afstand hebben gedaan van het desbetreffende recht, dienen verdachten of beklaagden in ieder geval toegang tot een advocaat te hebben tijdens de strafprocedure voor een rechtbank.
(20)
Voor de toepassing van deze richtlijn geldt niet als verhoor de eerste ondervraging, door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit, waarvan het doel bestaat uit het identificeren van de betrokkenen, het controleren op wapenbezit of andere gelijkaardige veiligheidskwesties, dan wel het nagaan of een onderzoek moet worden ingesteld, bijvoorbeeld tijdens controles langs de weg, of tijdens regelmatige steekproefsgewijze controles wanneer de identiteit van een verdachte of beklaagde nog niet is vastgesteld.
(21)
In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is bevestigd, dat indien een persoon die geen verdachte of beklaagde is, zoals een getuige, verdachte of beklaagde wordt, die persoon tegen zelfincriminatie beschermd dient te worden en zwijgrecht heeft. Daarom verwijst deze richtlijn uitdrukkelijk naar de praktische situatie waarin een dergelijke persoon tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit in het kader van een strafprocedure, verdachte of beklaagde wordt. Indien tijdens een dergelijk verhoor waarin een persoon die geen verdachte of beklaagde is, verdachte of beklaagde wordt, dient het verhoor onmiddellijk te worden stopgezet. Het verhoor kan evenwel worden voortgezet indien de persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat hij verdachte of beklaagde is en hij de in deze richtlijn vastgestelde rechten ten volle kan uitoefenen.
(22)
Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke ontmoetingen, naargelang van de omstandigheden van de procedures, in het bijzonder de complexiteit van de zaak en de toepasselijke procedurele stappen. De lidstaten kunnen eveneens praktische regelingen treffen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, in het bijzonder van de advocaat en de verdachte of beklaagde, op de plaats waar dergelijke ontmoeting plaatsvindt. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.
(23)
Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvinden, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke communicatie en de daarbij gebruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van videoconferenties en andere communicatietechnologie om dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om te communiceren met hun advocaat onverlet te laten.
(24)
Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten voor bepaalde lichte strafbare feiten het recht van de verdachte of beklaagde op toegang tot een advocaat per telefoon te organiseren. Het aldus inperken van dit recht dient evenwel beperkt te blijven tot gevallen waarin een verdachte of beklaagde niet door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit wordt verhoord.
(25)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat aanwezig is en daadwerkelijk kan deelnemen aan het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, inclusief tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank. Die deelname dient te worden uitgeoefend overeenkomstig de procedures in het nationale recht die mogelijk de deelname van een advocaat regelen tijdens het verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. De advocaat kan tijdens een verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens een hoorzitting voor de rechtbank, overeenkomstig die procedures onder meer vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen, die dienen te worden geregistreerd overeenkomstig het nationale recht.
(26)
Verdachten of beklaagden hebben het recht op de aanwezigheid van hun advocaat bij onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal, in zoverre deze voorzien zijn in het toepasselijke nationale recht en in zoverre de verdachten of beklaagden verplicht zijn te verschijnen of hen dat is toegestaan. Dergelijke handelingen moeten op zijn minst meervoudige confrontaties, tijdens welke de verdachte of beklaagde naast andere personen staat om door het slachtoffer of een getuige te worden geïdentificeerd; confrontaties, tijdens welke een verdachte of beklaagde met een of meer getuigen wordt samengebracht wanneer onder deze getuigen onenigheid bestaat over belangrijke feiten of aangelegenheden, en reconstructies van de plaats van een delict in aanwezigheid van de verdachte of beklaagde, teneinde beter te begrijpen hoe en in welke omstandigheden het misdrijf is gepleegd en om de verdachte of beklaagde specifieke vragen te kunnen stellen, omvatten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de aanwezigheid van een advocaat tijdens onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal. Dergelijke praktische regelingen moeten de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van de desbetreffende rechten onverlet laten. Indien de advocaat tijdens onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal aanwezig is, dient dit geregistreerd te worden door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
(27)
De lidstaten dienen zich ertoe in te spannen om algemene informatie ter beschikking te stellen — bijvoorbeeld op een website of door middel van een folder op het politiebureau — om verdachten of beklaagden te helpen een advocaat te vinden. De lidstaten hoeven evenwel geen actieve stappen te zetten om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden waarvan de vrijheid niet is ontnomen, bijstand krijgen van een advocaat indien zij zelf niet het nodige hebben gedaan om door een advocaat te worden bijgestaan. Het dient de verdachte of beklaagde vrij te staan contact op te nemen met een advocaat, die te raadplegen en erdoor te worden bijgestaan.
(28)
De lidstaten dienen de noodzakelijke regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat, wanneer verdachten of beklaagden hun vrijheid wordt ontnomen, zij hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk kunnen uitoefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voorzien als de betrokkene er geen heeft, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelingen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de bevoegde autoriteiten in de bijstand van een advocaat voorzien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de verdachte of beklaagde zou kunnen kiezen. Dergelijke regelingen kunnen, in voorkomend geval, de regels betreffende rechtsbijstand omvatten.
(29)
De omstandigheden waaronder verdachten of beklaagden hun vrijheid wordt ontnomen, dienen volledig in overeenstemming te zijn met de voorschriften van het EVRM, het Handvest, en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het „Hof van Justitie”) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij het overeenkomstig deze richtlijn verstrekken van bijstand aan een verdachte of beklaagde wie de vrijheid is ontnomen, dient de betrokken advocaat de mogelijkheid te hebben de bevoegde autoriteiten vragen te stellen over de omstandigheden waarin de betrokkene de vrijheid is ontnomen.
(30)
Ingeval de verdachte of de beklaagde zich op grote geografische afstand bevindt, bijvoorbeeld in overzees gebied of tijdens een buitenlandse militaire operatie die door de lidstaat wordt ondernomen of waaraan deze deelneemt, mogen de lidstaten tijdelijk afwijken van het recht van de verdachte of de beklaagde op toegang tot een advocaat zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming. Tijdens een dergelijke tijdelijke afwijking mogen de bevoegde autoriteiten de betrokkene niet verhoren of geen onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal krachtens deze richtlijn uitvoeren. Indien de grote geografische afstand van de verdachte of beklaagde de onmiddellijke toegang tot een advocaat onmogelijk maakt, dienen de lidstaten in communicatie via telefoon of videoconferentie te voorzien, tenzij dit onmogelijk is.
(31)
De lidstaten dienen tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek om, in dringende gevallen, ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Zolang een tijdelijke afwijking op die grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat de verdachten of beklaagden van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor de rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schaadt. Het verhoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die essentieel is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.
(32)
De lidstaten dienen tevens tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek, indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, in het bijzonder om te voorkomen dat essentieel bewijs wordt vernietigd of veranderd, of dat getuigen worden beïnvloed. Zolang een tijdelijke afwijking op deze grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat zij van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor de rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schendt. Het verhoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die van essentieel belang is om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.
(33)
Het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen verdachten of beklaagden en hun advocaat is van essentieel belang voor de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging. De lidstaten dienen derhalve het vertrouwelijke karakter van de ontmoetingen en elke andere vorm van communicatie tussen de advocaat en de verdachte of beklaagde bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn zonder uitzondering te eerbiedigen. Deze richtlijn laat de procedures met betrekking tot de situatie waarin objectieve en feitelijke omstandigheden erop wijzen dat de advocaat ervan wordt verdacht samen met de verdachte of beklaagde bij een strafbaar feit betrokken te zijn, onverlet. Elke criminele handeling van een advocaat mag niet worden beschouwd als rechtmatige bijstand aan verdachten of beklaagden binnen het kader van deze richtlijn. De verplichting het vertrouwelijke karakter te eerbiedigen betekent niet alleen dat de lidstaten die communicatie niet mogen belemmeren noch daar toegang tot mogen hebben, maar ook dat, indien de verdachten of beklaagden hun vrijheid is ontnomen of zich op andere wijze onder de controle van de staat bevinden, de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat regelingen voor communicatie de vertrouwelijkheid daarvan handhaven en beschermen. Dit laat in detentiecentra aanwezige mechanismen om te voorkomen dat gedetineerden illegale zendingen ontvangen, zoals bijvoorbeeld het screenen van briefwisseling, onverlet, mits dergelijke mechanismen de bevoegde autoriteiten niet toestaan de communicatie tussen de verdachten of beklaagden en hun advocaat te lezen. Deze richtlijn laat tevens nationaalrechtelijke procedures onverlet op grond waarvan het doorsturen van briefwisseling kan worden geweigerd indien de verzender er niet mee instemt dat de briefwisseling eerst aan een bevoegde rechtbank wordt voorgelegd.
(34)
Een eventuele schending van het vertrouwelijke karakter als louter nevenverschijnsel van een wettige observatie door de bevoegde autoriteiten moet door deze richtlijn onverlet worden gelaten. Ook dient deze richtlijn de werkzaamheden onverlet te laten die, bijvoorbeeld, door de nationale inlichtingendiensten worden verricht met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), of die onder het toepassingsgebied vallen van artikel 72 VWEU, op grond waarvan titel V betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht bepaalt dat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet moet worden gelaten.
(35)
Verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen, moet het recht worden verleend om ten minste één door hen aangeduide persoon, zoals een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het correcte verloop van de strafprocedure tegen de betrokkene, noch aan enige andere strafprocedures. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen voor de toepassing van dat recht. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht onverlet te laten. In beperkte, uitzonderlijke gevallen moet echter tijdelijk van dat recht kunnen worden afgeweken wanneer zulks in het licht van bijzondere omstandigheden, op grond van een dwingende, in deze richtlijn bepaalde reden, gerechtvaardigd is. Indien de bevoegde autoriteiten overwegen een dergelijke tijdelijke afwijking in te stellen ten aanzien van een specifieke derde, dienen zij eerst te overwegen of een andere, door de verdachte of beklaagde aangeduide derde van de vrijheidsbeneming op de hoogte kan worden gesteld.
(36)
De verdachten of beklaagden dienen gedurende hun vrijheidsbeneming het recht te hebben zonder onnodig uitstel met ten minste één door hun aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren. De lidstaten kunnen de uitoefening van dat recht beperken of uitstellen met het oog op dwingende of proportionele operationele vereisten. Dergelijke vereisten kunnen onder meer betrekking hebben op de noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon af te wenden, de noodzaak om te voorkomen dat de strafprocedure wordt geschaad of dat een strafbaar feit wordt gepleegd, de noodzaak om een hoorzitting voor de rechtbank af te wachten en de nood om slachtoffers van een misdrijf te beschermen. Indien de bevoegde autoriteiten overwegen de uitoefening van dit recht ten aanzien van een specifieke derde te beperken of uit te stellen, dienen zij eerst te overwegen of de verdachten of beklaagden met een andere door hen aangeduide derde kunnen communiceren. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende het tijdstip, de wijze, de duur en de frequentie van contacten met derden, met het oog op het bewaren van de goede orde, veiligheid en zekerheid op de plaats waar de betrokkene wordt vastgehouden.
(37)
Het recht op consulaire bijstand van verdachten en beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen, is neergelegd in artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, waarin het wordt omschreven als een recht van staten zich in verbinding te stellen met hun onderdanen. Deze richtlijn verleent, op hun verzoek, een overeenkomstig recht aan verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen. De consulaire bescherming kan worden uitgeoefend door diplomatieke autoriteiten indien zij optreden als consulaire autoriteiten.
(38)
De lidstaten dienen de motieven en de criteria voor een tijdelijke afwijking van de bij deze richtlijn verleende rechten duidelijk in hun nationale recht vast te leggen, en zij mogen slechts beperkt gebruikmaken van die tijdelijke afwijkingen. Dergelijke tijdelijke afwijkingen dienen proportioneel te zijn, dienen een strikte geldigheidsduur te hebben, en niet uitsluitend gebaseerd te zijn op de categorie waartoe het ten laste gelegde strafbare feit behoort of de ernst ervan, en dienen het globale eerlijke verloop van de procedure niet te schenden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat, indien een tijdelijke afwijking krachtens deze richtlijn is toegestaan door een rechterlijke instantie die geen rechter of rechtbank is, het besluit tot toekenning van de tijdelijke afwijking in ieder geval tijdens de procesfase door een rechtbank moet kunnen worden beoordeeld.
(39)
De verdachten of beklaagden moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de inhoud van het betrokken recht en de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht. Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich bevinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.
(40)
De afstand van een recht en de omstandigheden waaronder deze is gedaan, worden geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Dit mag voor de lidstaten geen enkele aanvullende verplichting tot het invoeren van nieuwe mechanismen of bijkomende administratieve lasten met zich brengen.
(41)
Wanneer een verdachte of een beklaagde overeenkomstig deze richtlijn de afstand van een recht herroept, hoeft niet opnieuw te worden overgegaan tot verhoren of elke andere procedurehandelingen die zijn verricht gedurende de periode waarin de afstand van het betreffende recht gold.
(42)
Personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd („gezochte personen”), moeten in de uitvoerende lidstaat recht hebben op toegang tot een advocaat, zodat zij hun rechten op grond van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Wanneer een advocaat deelneemt aan een verhoor van een gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instantie, kan die advocaat onder meer, volgens procedures in het nationale recht, vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen. Het feit dat de advocaat heeft deelgenomen aan een dergelijke verhoor moet worden geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
(43)
De gezochte personen dienen het recht te hebben de advocaat die hen in de uitvoerende lidstaat vertegenwoordigt, onder vier ogen te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke ontmoetingen, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval. De lidstaten kunnen eveneens praktische regelingen treffen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, met name van de advocaat en de gezochte persoon, op de plaats waar de ontmoeting tussen de advocaat en de gezochte persoon plaatsvindt. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht van de gezochte personen om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.
(44)
De gezochte personen dienen het recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen in de uitvoerende lidstaat vertegenwoordigt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvinden, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van de communicatie tussen de gezochte personen en hun advocaat en de daarbij gebruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van videoconferenties en andere communicatietechnologie om dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht van de gezochte personen om te communiceren met hun advocaat onverlet te laten.
(45)
De uitvoerende lidstaten dienen de noodzakelijke regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat de gezochte personen in staat zijn hun recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat daadwerkelijk uit te oefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voorzien als de gezochte personen er geen hebben, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelingen, waaronder die betreffende rechtsbijstand in voorkomend geval, dienen door het nationaal recht te worden geregeld. Die kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de bevoegde autoriteiten in de bijstand van een advocaat voorzien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de gezochte personen kunnen kiezen.
(46)
De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat moet zonder onnodig uitstel nadat zij ervan op de hoogte is gesteld dat een gezochte persoon in die lidstaat een advocaat wil aanwijzen, informatie aan de gezochte persoon verstrekken om hem te helpen in die lidstaat een advocaat aan te wijzen. Dergelijke informatie kan bijvoorbeeld een bijgewerkte lijst van advocaten omvatten, dan wel de naam van een piketadvocaat in de uitvaardigende lidstaat, die informatie en advies kan verlenen in zaken betreffende het Europees aanhoudingsbevel. De lidstaten kunnen de desbetreffende orde van advocaten verzoeken een dergelijke lijst op te stellen.
(47)
De procedure van overlevering is van cruciaal belang voor de samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten. Het naleven van de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ vervatte termijnen is van essentieel belang voor deze samenwerking. Gezochte personen moeten in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel hun rechten krachtens deze richtlijn ten volle kunnen uitoefenen, maar die termijnen dienen derhalve wel te worden geëerbiedigd.
(48)
In afwachting van een wetgevingshandeling van de Unie inzake rechtsbijstand, moeten de lidstaten hun nationale recht inzake rechtsbijstand, dat in overeenstemming behoort te zijn met het Handvest, het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, toepassen.
(49)
Overeenkomstig het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht moeten de lidstaten passende en doeltreffende voorzieningen in rechte instellen om de bij deze richtlijn aan individuen toegekende rechten te waarborgen.
(50)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van de verklaringen die de verdachten of beklaagden afleggen of van het bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, of in gevallen waarin overeenkomstig deze richtlijn een afwijking van dat recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd. In dit verband dient de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in acht te worden genomen, waarin wordt bepaald dat de rechten van de verdediging in principe onherstelbaar zijn geschonden als belastende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden gebruikt voor een veroordeling. Dit laat onverlet het gebruik van verklaringen voor andere doelen die krachtens het nationale recht zijn toegestaan, zoals de noodzaak om spoedeisende onderzoekshandelingen uit te voeren of om het plegen van andere strafbare feiten of het optreden van ernstige negatieve gevolgen voor een persoon te voorkomen, dan wel de dringende noodzaak om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, wanneer het verlenen van toegang tot een advocaat of het vertragen van het onderzoek onherstelbare schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek naar een ernstig misdrijf. Voorts mag dit geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften of systemen inzake de toelaatbaarheid van bewijs en mag het de lidstaten niet beletten een systeem te handhaven waarbij al het bestaande bewijs in rechte mag worden aangevoerd zonder dat de toelaatbaarheid ervan afzonderlijk of vooraf wordt beoordeeld.
(51)
De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rechterlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uitoefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bijvoorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.
(52)
Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest erkende grondrechten en beginselen, zoals het verbod op foltering en onmenselijke en onterende behandeling, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op menselijke integriteit, de rechten van het kind, de integratie van mensen met een handicap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. Deze richtlijn dient overeenkomstig deze rechten en beginselen te worden toegepast.
(53)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM gewaarborgde rechten overeenkomen, worden toegepast in overeenstemming met de bepalingen van het EVRM, zoals deze zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
(54)
In deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die die minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die opgenomen zijn in het Handvest en in het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
(55)
In deze richtlijn worden de rechten van kinderen bevorderd en wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Raad van Europa over kindvriendelijke justitie, in het bijzonder met de bepalingen over de informatie die en het advies dat aan kinderen moeten worden gegeven. Deze richtlijn garandeert dat verdachten en beklaagden, waaronder kinderen, passende informatie wordt gegeven die hen in staat stelt de gevolgen van elke afstand van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht te begrijpen, en dat deze afstand op vrijwillige en ondubbelzinnige wijze wordt gedaan. Wanneer de verdachte of de beklaagde een kind is, moet de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld na de vrijheidsbeneming van het kind en moet deze op de hoogte gebracht worden van de redenen daarvoor. Indien het verstrekken van deze informatie aan de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt voor het kind ingaat tegen het belang van het kind, moet een andere in aanmerking komende volwassene, zoals een familielid, op de hoogte gebracht worden. De bepalingen van het nationale recht die voorschrijven dat de specifieke instanties, instellingen en personen, met name degene die verantwoordelijk zijn voor de bescherming en het welzijn van kinderen, in kennis worden gesteld van het feit dat een kind zijn vrijheid is ontnomen, worden hierdoor onverlet gelaten. Behoudens in de meest uitzonderlijke omstandigheden dienen de lidstaten zich te onthouden van een beperking of uitstel van het recht met een derde contact te hebben ter zake van een verdacht of aangeklaagd kind dat zijn vrijheid is ontnomen. In geval van uitstel mag het kind echter niet van de buitenwereld afgezonderd worden vastgehouden, en moet het bijvoorbeeld worden toegestaan om met een voor de bescherming of het welzijn van kinderen verantwoordelijke instelling of persoon te communiceren.
(56)
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.
(57)
Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens die vrijheidsbeneming, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel, beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(58)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Vereningd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.
(59)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in die lidstaat,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht van verdachten en beklaagden in strafprocedures en van personen tegen wie een procedure ingevolge Kaderbesluit 2002/584/JBZ loopt („procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel”), om toegang tot een advocaat te hebben en om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met derden en met consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming.
Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op de verdachten of beklaagden in een strafprocedure, vanaf het ogenblik waarop zij er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing totdat de procedure is beëindigd, dat wil zeggen totdat definitief is vastgesteld of de verdachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
2. Deze richtlijn is, in overeenstemming met artikel 10, van toepassing op personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt (gezochte personen), vanaf het moment van aanhouding in de uitvoerende lidstaat.
3. Deze richtlijn is, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in lid 1, tevens van toepassing op andere personen dan verdachten en beklaagden die in de loop van het verhoor door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit, verdachte of beklaagde worden.
4. Onverminderd het recht op een eerlijk proces is deze richtlijn, met betrekking tot lichte feiten:
a)
waarvoor krachtens de wet van een lidstaat een sanctie door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank wordt opgelegd, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een dergelijke rechtbank, kan worden ingesteld, of kan worden verwezen naar een dergelijke rechtbank, of
b)
waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd,
alleen van toepassing op de procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.
Deze richtlijn is in elk geval volledig van toepassing indien de verdachte of beklaagde zijn vrijheid is ontnomen, ongeacht de fase van de strafprocedure.
Artikel 3

Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
a)
voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
b)
wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c);
c)
zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming;
d)
indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen.
3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:
a)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
b)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;
c)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden ten minste het recht hebben hun advocaat de volgende onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen, mits het handelingen betreft waarin het nationale recht voorziet en waarbij de aanwezigheid van de verdachte of beklaagde is vereist of hem dat is toegestaan:
i)
meervoudige confrontaties;
ii)
confrontaties;
iii)
reconstructies van de plaats van een delict.
4. De lidstaten spannen zich ervoor in algemene informatie ter beschikking te stellen om verdachten of beklaagden te helpen een advocaat te vinden.
Onverminderd de bepalingen van het nationale recht betreffende de verplichte aanwezigheid van een advocaat, treffen de lidstaten de noodzakelijke regelingen om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen in staat zijn om hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk uit te oefenen, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht overeenkomstig artikel 9.
5. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van lid 2, onder c), indien de geografische afstand waarop een verdachte of beklaagde zich bevindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat onverwijld na de vrijheidsbeneming te kunnen waarborgen.
6. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, indien en voor zover, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
a)
indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
b)
indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.
Artikel 4

Vertrouwelijkheid

De lidstaten eerbiedigen het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen de verdachten of beklaagden en hun advocaat bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn. Die communicatie omvat ontmoetingen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan.
Artikel 5

Recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen het recht hebben om, indien gewenst, ten minste één door hen aangeduide persoon, bijvoorbeeld een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van hun vrijheidsbeneming.
2. Indien de verdachte of beklaagde een kind is, zorgen de lidstaten ervoor dat de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvoor, tenzij dit in strijd zou zijn met het belang van het kind, in welk geval een andere volwassene die daarvoor in aanmerking komt op de hoogte wordt gebracht. Voor de toepassing van dit lid wordt een persoon die jonger is dan achttien jaar als kind aangemerkt.
3. De lidstaten kunnen tijdelijk afwijken van de toepassing van de in de leden 1 en 2 bepaalde rechten indien, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigt:
a)
een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
b)
een dringende noodzaak om een situatie te voorkomen waarin substantiële schade aan de strafprocedure kan worden toegebracht.
4. Indien de lidstaten tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 2 bepaalde rechten, zorgen zij ervoor dat een met de bescherming en het welzijn van kinderen belaste autoriteit zonder onnodig uitstel in kennis wordt gesteld van het feit dat het kind zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 6

Recht om gedurende de vrijheidsbeneming met derden te communiceren

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben zonder onnodig uitstel met ten minste één door hem aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren.
2. De lidstaten kunnen de uitoefening van het recht bedoeld in lid 1 beperken of uitstellen op grond van dwingende of proportionele operationele vereisten.
Artikel 7

Het recht op communicatie met de consulaire autoriteiten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden die geen onderdaan zijn en wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben om, desgewenst, de consulaire autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming, en met de consulaire autoriteiten te communiceren. Verdachten of beklaagden die twee of meer nationaliteiten hebben, kunnen evenwel kiezen welke consulaire autoriteiten in voorkomend geval op de hoogte moeten worden gebracht van de vrijheidsbeneming, en met welke consulaire autoriteiten zij wensen te communiceren.
2. Verdachten of beklaagden hebben tevens het recht door hun consulaire autoriteiten te worden bezocht, zich met hen te onderhouden en met hen te corresponderen en het recht om hun vertegenwoordiging in rechte door hun consulaire autoriteiten geregeld te zien, voor zover die autoriteiten daarmee instemmen en de betrokken verdachten of beklaagden zulks wensen.
3. De uitoefening van de in dit artikel bedoelde rechten kan in het nationale recht of bij nationale procedures worden gereguleerd, mits dat recht en die procedures de verwezenlijking van de met deze rechten beoogde doelen volledig waarborgen.
Artikel 8

Algemene voorwaarden voor de toepassing van tijdelijke afwijkingen

1. Een tijdelijke afwijking op grond van artikel 3, lid 5 of 6, of uit hoofde van artikel 5, lid 3:
a)
heeft een evenredig karakter en gaat niet verder dan noodzakelijk;
b)
heeft een strikt beperkte geldigheidsduur;
c)
wordt niet uitsluitend gebaseerd op de soort of de ernst van het vermeende strafbare feit, en
d)
doet geen afbreuk aan het globale eerlijke verloop van de procedure.
2. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 3, lid 5 of 6, kunnen alleen toegestaan worden bij een naar behoren gemotiveerde en per geval genomen beslissing, die ofwel uitgaat van een rechterlijke instantie of van een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De naar behoren gemotiveerde beslissing wordt geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 5, lid 3, kunnen alleen per geval worden toegestaan, ofwel door een rechterlijke instantie of door een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing.
Artikel 9

Afstand

1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht:
a)
de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en
b)
deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.
2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk moment tijdens de strafprocedure door de verdachte of de beklaagde kan worden herroepen en dat de verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op de hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van de afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.
Artikel 10

Recht op toegang tot een advocaat in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een gezochte persoon, vanaf zijn aanhouding op grond van een Europees aanhoudingsbevel recht heeft op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat.
2. Met betrekking tot de inhoud van het recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat hebben gezochte personen in die lidstaat de volgende rechten:
a)
het recht op toegang tot een advocaat op een zodanig moment en op een zodanige wijze dat de gezochte personen hun rechten daadwerkelijk en in ieder geval zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming kunnen uitoefenen;
b)
het recht om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt en deze te ontmoeten;
c)
het recht dat hun advocaat aanwezig is bij en overeenkomstig procedures in het nationale recht deelneemt aan het verhoor van een gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instantie. Wanneer een advocaat deelneemt aan het verhoor, moet dat geregistreerd worden door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De bij de artikelen 4, 5, 6, 7, 9, en, in geval van een tijdelijke afwijking uit hoofde van artikel 5, lid 3, de bij artikel 8 bepaalde rechten zijn van overeenkomstige toepassing op de procedures ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat.
4. De bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat brengt de gezochte personen er zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming van op de hoogte dat zij het recht hebben in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van de advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rechten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen.
5. Indien de gezochte personen het recht om een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen, wensen uit te oefenen en zij nog geen dergelijke advocaat hebben, brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat hiervan terstond op de hoogte. De bevoegde autoriteit van die lidstaat verstrekt de gezochte personen zonder onnodig uitstel de informatie om hen te helpen in die lidstaat een advocaat te vinden.
6. Het recht van gezochte personen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen, laat de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ bepaalde termijnen of de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslissing te nemen over de overlevering van de betrokkene, onverlet.
Artikel 11

Rechtsbijstand

Deze richtlijn laat het nationale recht inzake rechtsbijstand, dat van toepassing is overeenkomstig het Handvest en het EVRM, onverlet.
Artikel 12

Rechtsmiddelen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden.
2. Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.
Artikel 13

Kwetsbare personen

De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.
Artikel 14

Non-regressieclausule

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM of andere toepasselijke bepalingen van het internationale recht of het recht van lidstaten en die een hoger beschermingsniveau bieden.
Artikel 15

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 november 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden door de lidstaten vastgesteld.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 16

Verslag

Uiterlijk op 28 november 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten aan deze richtlijn hebben voldaan, inclusief een beoordeling van de toepassing van artikel 3, lid 6, juncto artikel 8, leden 1 en 2, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.
Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 18

Adressaten

Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2013.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
V. LEŠKEVIČIUS
(1) PB C 43 van 15.2.2012, blz. 51.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 10 september 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 7 oktober 2013.
(3) PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1.
(4) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(5) PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1.
(6) PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1.
(7) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.
(8) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
Daily Record / White Ribbon Scotland
One in four young Scots believe rape victims are partly to blame if drunk or dressed 'provocatively' when attacked
Edited: 201308140001
A QUARTER of young people in Scotland believe that a rape victim is partly to blame if she was attacked when she was drunk or dressed “provocatively”.

The shocking attitude was revealed among 16 to 24-year-olds in a new survey of our nation’s view of violence against women.

One-sixth of all respondents believed that rapists are men who can’t control their sexual urges and a third thinks it’s a woman’s responsibilty to walk out if she is the victim of domestic violence.

Callum Hendry, campaign co-ordinator of White Ribbon Scotland, said the survey results showed drastic action was needed to address ignorant attitudes in Scotland.

He said: “The fact that almost one in four young people believe that a woman can be held responsible for being raped because of her clothing or for being drunk is a huge concern.

“We need to continue to deliver education messages that change this attitude.

“This type of victim blaming prevents women from coming forward for support. We just cannot allow that to continue – it is a disservice to all women.”

The research exposes dangerous myths that exist around the issue of violence against women, which was apparent in all age groups but particularly in youngsters.

Ten per cent of people thought that rapes were carried out by a stranger to the victim while in reality that happens in only eight per cent of cases.

This misinformed view doubled in the 16 to 24 age group.

The survey was designed as a snapshot of attitudes in Scotland, using just less than 2000 people from every local authority.

It is seven years since a similar analysis was conducted north of the border.

The research involved focus groups in Falkirk, Inverclyde and Edinburgh, two of which were with men under the age of 25 and two were conducted with men over 25.

White Ribbon was set up in 2010 to involve men in ending violence against women through education and campaigning.

In the focus groups it found, there was a consensus that “others” raped, not “normal” people and that they had to be “sick”.

The report said: “The idea that it is something abnormal or “sick” can lead people to believe that those around them are incapable of being violent towards women.

“This belief can easily lead to absolving rapists of responsibilty unless they fit a violent or “sick” stereotype, which, as we know, is not the case.

“Such attitudes create an environment in which victims may feel less able to come forward for support as they feel they will not be believed or receive the justice they deserve.”

A commonly held myth was that men raped because they couldn’t control their sexual urges.

The report said: “Believing men are unable to control themselves against subconscious sexual urges implies that they are not entirely accountable for their actions but rather are victims themselves to their needs.”

The truth is that rape is often about power and control over a victim and not about sexual urges.

Much of White Ribbon Scotland’s work exists to combat myths that can blame the victim rather than the perpetrator.

Some of the views in relation to domestic abuse were just as disturbing. A third believe it is a woman’s responsibility to leave an abusive relationship.

The report said this underestimates the trauma, the fear, control and difficulties faced by women in abusive relationships, which create significant obstacles in attempts to escape abuse.

But there was awareness that domestic violence was not only about physical abuse, with only eight per cent believing that was the case.

But 80 per cent thought alcohol and drugs caused men to be violent to their partners, which detracts from the abuser’s responsibilty for his actions and the fact that domestic violence is about maintaining power and control over victims.

Lily Greenan from Scottish Women’s Aid said she was encouraged that respondents realised that domestic abuse could be mental and verbal torture, not just physical abuse.

But she said: “Victim blaming stops women reporting it. It stops them from seeking support and it stops them from getting justice. We need to work with young people to change the question from ‘Why does she stay?’ to ‘Why does he abuse?’.”

When asked if the purchase of sex or sexual images can create harmful attitudes towards women, two-thirds agreed it did. Linda Thompson from The Women’s Support Project said she was heartened to find most people agreed that prostitution and pornography were damaging.

She said: “This highlights that men and women are aware of the wider potential cultural impact of the opportunity to buy sexual activity from, and view sexual images of, women on how women are viewed and treated.”

The report also gives a fascinating insight into how society views masculinity – there was still a view of men as being stereotypically macho.

Seven in 10 associated the word “control” with men, eight in 10 said they were expected be physically strong and two-thirds said they should be viewed as powerful.

Yet only three in every hundred thought they should be emotional and five per cent thought they should be sensitive.

The report said: “This narrow view of masculinity is reflected in the difference in how young boys and girls are spoken to as they grow up, and even in how products are marketed.

“The emphasis on physical strength and the lack of emphasis of sensitivity may influence how men behave in relationships and towards women.”

Almost 90 per cent of people agreed that sexual inequality contributes to a society where violence against women is acceptable.

And 97 per cent said everyone in society shared a duty in ending violence against women.

The report recommends that campaigning on issues such as gender gaps in pay and sexual inequality could help change the attitudes that perpetuate violence.

It suggests parents should be targeted to encourage them to educate children about sexual inequality, preventing violence and sexual consent.

It also emphasises the need to redefine its definition of masculinity and encourage men to stand up against violence and change controlling behaviour.



Read the full report here
WINOCK Michel
Flaubert
Edited: 201303071661
Paru aux éditions Gallimard le 7/3/2013. 544 pages + 16 p. hors texte, 32 ill., sous couverture illustrée, 155 x 225 mm

«Je porte en moi la mélancolie des races barbares, avec ses instincts de migrations et ses dégoûts innés de la vie, qui leur faisait quitter leur pays, pour se quitter eux-mêmes.» Dans cette déclaration de Gustave Flaubert (1821-1880), qu'y a-t-il de vrai? Le migrant, à part le grand voyage en Orient et quelques escapades en Bretagne, en Angleterre ou en Corse, a surtout vécu dans le «trou» qu'il s'est «creusé» à Croisset, sa demeure normande, où il écrit son œuvre et où il meurt foudroyé.
Peut-on se fuir soi-même, bien qu'on professe la poétique de l'«impersonnalité»? Peut-on lâcher son siècle? Le détester, oui, lui préférer une Antiquité imaginaire, certes, mais Flaubert, comme tout le monde, est entraîné dans les tourbillons du temps. Son œuvre portera cette double marque : le rêve carthaginois d'un monde flamboyant à jamais disparu mais recréé et la peinture vengeresse du siècle de Monsieur Prudhomme et du pharmacien Homais.
Michel Winock porte un regard d'historien sur cette vie tout entière vouée à la littérature. Il raconte l'enfance créative de l'écrivain, le suit dans ses pérégrinations de jeunesse, décrit ses amours tumultueuses, l'accompagne dans les salons parisiens et met en scène sa ferveur dans l'amitié – Maxime Du Camp, George Sand, les Goncourt, Zola, Daudet, Maupassant, Tourgueniev...
Son dégoût proclamé de la vie, Flaubert ne l'a transcendé ni par l'expérience amoureuse (somme toute décevante), ni par la foi en Dieu (il est incroyant), ni par quelque idéal politique (scepticisme revendiqué), mais par la religion de l'Art, dont il fut un pèlerin absolu.
Human Rights Watch
Stop Harassing Writer Akram Aylisli - Authorities Should Protect Author, Uphold Free Speech
Edited: 201302121058
FEBRUARY 12, 2013
(Moscow) – The Azerbaijani government should immediately end a hostile campaign of intimidation against writer Akram Aylisli. Aylisli recently published a controversial novel depicting relationships between ethnic Azeris and Armenians in Azerbaijan.

Foreign governments and intergovernmental organizations of which Azerbaijan is a member should speak out against this intimidation campaign. They should urge the authorities to immediately investigate those responsible for threats against Aylisli, and to respect freedom of expression.

“The Azerbaijani authorities have an obligation to protect Akram Aylisli,” said Hugh Williamson, Europe and Central Asia director at Human Rights Watch. “Instead, they have led the effort to intimidate him, putting him at risk with a campaign of vicious smears and hostile rhetoric.”

Aylisli, a member of the Union of Writers of Azerbaijan since the Soviet era, is the author of Stone Dreams. The novel includes a description of violence by ethnic Azeris against Armenians during the 1920s, and at the end of the Soviet era, when the two countries engaged in armed conflict. Aylisli told Human Rights Watch that he saw the novel as an appeal for friendship between the two nations. The novel was published in Friendship of Peoples, a Russian literary journal, in December 2012.

Azerbaijan and Armenia fought a seven-year war over Nagorno-Karabakh, a primarily ethnic Armenian-populated autonomous enclave in Azerbaijan. Despite a 1994 ceasefire, the conflict has not yet reached a political solution. Against the background of the unresolved nature of the conflict, Aylisli’s sympathetic portrayal of Armenians and condemnation of violence against them caused uproar in Azerbaijan. An escalating crescendo of hateful rhetoric and threats against Aylisli started at the end of January 2013, culminating in a February 11 public statement by Hafiz Hajiyev, head of Modern Musavat, a pro-government political party. Hajiyev publicly said that he would pay AZN10,000 [US$12,700] to anyone who would cut off Aylisli’s ear.

“Azerbaijan’s authorities should immediately investigate and hold accountable anyone responsible for making threats against Aylisli, and ensure his personal safety,” Williamson said.

On January 29, officials from the Yeni Azerbaijan, Azerbaijan’s ruling party, publicly called on Aylisli to withdraw the novel and ask for the nation’s forgiveness. Aylisli told Human Rights Watch that two days later, a crowd of about 70 people gathered in front of his home, shouting “Akram, leave the country now,” and “Shame on you”, and burned effigies of the author. Witnesses told Human Rights Watch that police were present but made no effort to disperse the crowd. No damage was done to Aylisli’s home.

In a speech about Aylisli’s book, a high level official from Azerbaijan’s presidential administration said that, “We, as the Azerbaijani people, must express public hatred toward these people," a comment that appeared aimed at Aylisli.

During a February 1 session, some members of Azerbaijan’s parliament denounced Aylisli, called for him to be stripped of his honorary “People’s Writer” title and medals, and demanded that he take a DNA test to prove his ethnicity. On February 7, President Ilham Aliyev signed a decree stripping Aylisli of the title, which he had held since 1998, and cutting off his presidential monthly pension of AZN1000 [US$1,270], which he had drawn since 2002. Aylisli learned of the presidential decree from television news.

In the wake of the public vitriol, Aylisli’s wife and son were fired from their jobs. On February 4, a senior officer at Azerbaijan’s customs agency forced Najaf Naibov-Aylisli, Aylisli’s son, to sign a statement that he was “voluntarily” resigning from his job as department chief. Aylisli told Human Rights Watch his son had received no reprimands during his 12 years on job.

“My son had nothing to do with politics,” Aylisli said. “In fact he always advised me not to write about politics and never agreed with my political views.”

On February 5, Aylisli’s wife, Galina Alexandrovna, was forced to sign a “voluntary” statement resigning from her job at a public library, following an inspection announced several days before.

Public book burnings of Aylisli’s works, some organized by the ruling party, have taken place in several cities in Azerbaijan.

“The government of Azerbaijan is making a mockery of its international obligations on freedom of expression,” Williamson said. “This is shocking, particularly after Azerbaijani officials flocked to Strasbourg last month to tout the government’s human rights record at the Council of Europe.”

The European Court of Human Rights has issued numerous rulings upholding the principle that freedom of speech also protects ideas that might be shocking or disturbing to society. In a judgment handed down against Azerbaijan, in a case that dealt speech related to the Nagorno Karabakh conflict, the court said, “[F]reedom of information applie[s] not only to information or ideas that are favorably received, but also to those that offend, shock or disturb.”
Guido Van Liefferinge
Over mediaconcentratie en de VRM. Open brief aan Apache
Edited: 201203271311
27 maart 2012 @ 13:11
Ik kijk met belangstelling uit naar de volgende afleveringen van dit dossier dat geen dag te vroeg komt. Dit inleidend stuk schetst de contouren waar binnen de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) werkt en legt al meteen de pijnpunten bloot. De VRM houdt hoofdzakelijk economische maatstaven naar dominantie in het oog , Niet dat die niet medebepalend zouden zijn voor de mediaconcentratie in Vlaanderen die trouwens ook op dat vlak groot is .Het feit dat zo’n doorgedreven concentrate zou nodig zijn om onze mediahuizen te laten overleven is een doekje voor het bloeden. Immers, aanvankelijk heeft de taalbarriere er mogelijke buitenlandse investeerders van weerhouden om hier krantenbedrijven op te kopen. Intussen heeft de internationalisering en globalisering van wat men “de media ” is gaan noemen waarvan de printmedia/pers integraal deel is gaan uitmaken, ervoor gezorgd dat ze vroeg of laat volledig in buitenlandse handen kunnen komen . Dat geldt trouwens al voor een aantal, w.o. Sanoma en Telenet. Aan de wetgever om daar wat aan te doen indien hij dat noodzakelijk acht .
Belengrijker lijkt mij dat de VRM in zijn onderzoek een onderscheidt tussen 1. Mediabedrijven die hoofdzakelijk of alleen maar met entertainment bezig of het doorgeefluik ervan (vb. Alfacam, Belgacom, Mobistar, Telenet) ; 2. Persbedriiven die deel uitmaken van een mediabedrijf en welk aandeel ze daarbinnen hebben. Nog niet zo heel lang geleden was een mediabedrijf een
persbedrijf dat dan nog hoofdzakelijk een printmedium was ( kranten, tijdschriften, huis-aan-huisbladen) met bovendien een specifieke journalistieke opdracht als Vierde Macht en garant van de vrijheden en waarden van de democratische rechtstaat. Met de invoering van het allesomvattend begrip “de media” is deze opdracht steeds meer naar de achtergrond verdwenen of zelfs helemaal ondergesneeuwd geraakt. De nieuwe media tycoons zijn obsessioneel bezig met geld en macht en daarin is steeds minder plaats voor onafhankelijke en kritische journalistiek die bovendien hun belangen kan schaden, en op de koop toe handenvol geld kost.
Indien de VRM zijn onderzoek hierop zou toespitsen, wat eigenlijk haar core business zou moeten zijn te meer niemand en zeker niet zijn opdrachtgever de essentiele taak van de pers als Vierde Macht in een democratische rechtsstaat in vraag durft te stelllen ( dat komt misschien nog wel als geld en macht alles dicteert ) , zou het resultaat op zijn zachtst uitgedrukt schokkend zijn vanuit dat oogpunt. De overdreven mediaconcentratie heeft ervoor gezorgd dat de pers een hond is die misschien nog wel mag blaffen maar al lang niet meer kan bijten, laat staan de waakhond zijn waarvoor hij werd opgeleid. Dat vertaalt zich in gemuilkorfde hoofdredacties en redacties waar integriteit en de onafhankelijkheid zijn opgeheven, , zelfcensuur en zelfpromotie schering en inslag zijn uit puur lijfbehoud, de omerta heerst , waar journalisten God en Klein Pierke aan het kruis mogen nagelen vaak op basis van leugens en halve waarheden, bedenkelijke anonieme getuigenissen , zelfs leugens en pure verzinsels . En waar hoofdredacteuren en journalisten spastische stuiptrekkingen krijgen als ze met terechte en verantwoorde mediakritiek te maken krijgen die zelden of nooit hun kolommen haalt tenzij ze er niet langer onderuit kunnen ( zoals bv. tijdens de recente busramp in Zwitserland).
Het is de hoogste tijd dat de VRM daar eens werk van maakt. Want al hebben we geen Vlaamse Berlusconi ( de economische benadering) we hebben wel een Vlaamse Murdoch ( de journalistieke benadering), en al hebben de excessen op dat vlak in Vlaanderen gelukkig nog de schandelijke en zelfs criminele proporties niet bereikt zoals in het wereldrijk van de machtigste man van de wereld Rupert Murdoch, de VRM ( en alle professionele betrokkenen) doet er beter aan het te voorkomen dan het te
moeten genezen. Ik raad hen overigens aan de soap over de wandaden van Murdoch en zijn kornuiten te volgen via de dagelijkse Media Guardian Briefing (info@mail.guardian.co.uk), gratis en voor niks. The Guardian is overigens de Britse kwaliteitskrant die zich meer dan 10 jaar lang vastbeet in de wansmakelijke journalistieke praktijken van de Murdoch-tabloids News of the World (intussen opgedoekt ) en The Sun en die uiteindelijk voor zijn uitstekende en volgehouden onderzoeksjournalistiek beloond werd en daarmee het nut en de noodzaak van de pers als Vierde Macht in een democratische rechtsstaat op meesterlijke wijze geillustreerd heeft.

lees meer
DE REU P.
Kopen en verkopen van vastgoed (1795 tot heden). Zoekwijzers 38
Edited: 20120012
pdf-file onder dit nummer; bestaat ook als uitgave en kost bij het Rijksarchief 5 EUR. Wie een huis of perceel grond aankoopt of verkoopt, laat vele sporen na in de talrijke documenten van notaris en belastingambtenaar. Voor wie door het archiefbos de bomen niet meer ziet: een nieuwe zoekwijzer giet de uitgebreide zoektocht nu in een handzaam schema.
Notariaat, registratie en domeinen, hypotheekbewaring of kadaster: het zijn stoffige termen die weinig tot de verbeelding spreken. Daarom ook zijn de archiefreeksen die in deze diensten worden aangemaakt amper gekend en laten onderzoekers ze al te vaak links liggen. Nochtans leveren deze archieven voor de sociaal-economische geschiedschrijving een goudmijn aan gegevens over vastgoed en vastgoedeigenaars op. Vrijwel elk Belgisch gezin komt hierin voor (periode 1795 tot heden). De notaris maakt immers een vastgoedtransactie in een akte officieel en rekent hiervoor administratieve kosten aan. Hij is tevens degene die concrete gegevens over de verkoop en de partijen doorgeeft aan de ambtenaren van lokale belastingkantoren, want de fiscus krijgt steeds een deel van de koek. De ontvanger van de registratie en de hypotheekbewaarder halen uit al die gegevens fiscale en burgerrechtelijke inlichtingen; het kadaster brengt alle veranderingen in kaart. Dit geheel van ‘patrimoniale informatie’ vindt uiteindelijk zijn weg naar het Rijksarchief en kan door elke leeszaalbezoeker worden geraadpleegd. De patrimoniale gegevens zijn onmisbaar bij de studie naar lokale bezitsstructuren, huizenonderzoek, vermogensonderzoek, bedrijfsgeschiedenis, familiegeschiedenis, enz. De recent verschenen zoekwijzer ‘Kopen en verkopen van vastgoed (1795 tot heden)’ brengt de relevante bronnen in kaart en schetst de gebruikswaarde van de talrijke archiefdocumenten. Naast een bondige opsomming van de troeven en beperkingen van de voornaamste archiefdocumenten worden concrete aanknooppunten aangereikt. Heeft de onderzoeker genoeg aan de naam van een (voormalige) eigenaar of moet hij ook het perceelnummer kennen? Waar kan hij deze basisgegevens terugvinden? De zoekwijzer ‘Kopen en verkopen’ maakt het mogelijk om een individuele opzoeking (eigenaarsgeschiedenis van een huis, eigendomsgeschiedenis van een persoon) of een geïntegreerde studie naar vastgoedrelaties tot een goed einde te brengen.

14 mei 2011: IMF-baas Dominique Strauss-Kahn (DSK) aangehouden in New York wegens seksuele agressie t.a.v. kamermeisje
Edited: 201105141261
Dit nieuws slaat in als een bom. DSK is de gedoodverfde kandidaat van de Franse Parti Socialiste voor het presidentschap. De "affaire DSK" neemt een start.
Elementen:
2003: aanranding journaliste Tristane Banon (later niet bewezen geacht);
november 2007: benoemd tot PDG van IMF in Washington;
januari 2008: IMF-medewerkster Piroska Nagy lastig gevallen;
13 mei 2011: zonder duidelijke reden maakt DSK een tussenstop in NY;
14 mei 2011: aanranding kamermeisje in Sofitel;
19 mei 2011: vrij op borg van 750.000 US$;
start van een campagne tegen het aangerande kamermeisje, Nafissatou Diallo;
28 augustus 2011: "non lieu" en vrijlating.

Op de achtergrond van de affaire DSK speelt de affaire Polanski een rol, en wellicht verklaart dit de detentie.

Het rechtstreekse gevolg van de affaire DSK was de kandidatuur van François Hollande voor de verkiezingen van 2012.

Een groot aantal getuigenissen wijzen op "une complicité tacite" tussen pers en politiek. Een methode is de "lunch off": tijdens een maaltijd vertelt een politicus allerlei zaken waarover de pers niet wordt geacht te berichten (off the record). Wie deze afspraak negeert, wordt uit de "cercle des intimes" verwijderd. De politicus houdt daardoor de touwtjes in handen en de journalist geeft een deel van zijn waakhondfunctie uit handen. De berichtgeving wordt in die context genegocieerd, verhandeld.


zie ook Sexus Politicus
BRAECKMAN Colette
Fortunes et infortunes de Jean Pierre Bemba: un témoignage personnel
Edited: 201011250908
Catégorie
actualité, commentaire
Alors que les témoins se préparent à défiler au procès Bemba où ils décriront les atrocités commises par les troupes du MLC, qu’on nous permette d’évoquer quelques souvenirs personnels, datant des années 2002- 2003.
Jusqu’en 1998, Jean-Pierre Bemba était surtout un homme d’affaires issu du sérail mobutiste (son père, Bemba Saolona était le « patron des patrons » et il était considéré comme l’un des gestionnaires de la fortune de Mobutu) et lui-même avait été très proche du « Guide ». Ce passé de jeune homme privilégié, qui avait fait en Belgique de bonnes études d’économie, ne pouvait que nourrir l’hostilité quasi congénitale de JP emba à l’égard de Laurent Désiré Kabila, l’ancien maquisard venu de l’Est, l’irréductible adversaire de Mobutu.
C’est donc sans trop se forcer qu’en 1998, Jean-Pierre Bemba accepta de prendre la tête d’un mouvement politico militaire, le MLC, (Mouvement pour la libération du Congo) bien décidé qu’il était à chasser Kabila par les armes. A l’époque, le Rwanda et l’Ouganda qui avaient porté au pouvoir l’homme de la « zone rouge », le maquis que Kabila avait entretenu du côté de Fizi, étaient résolus à corriger leur erreur d’appréciation : ils avaient cru soutenir un pantin dont ils tireraient les ficelles, ils découvraient un politicien retors décidé à reconquérir son indépendance ! En août 1998, après avoir échoué à renverser Kabila lors d’un coup d’Etat éclair, les alliés d’hier entreprirent de soutenir des « proxies », des mouvements congolais alliés, qui allaient entamer la lutte armée et s’emparer de vastes portions du territoire : le plus puissant d’entre eux, le RCD Goma (Rassemblement congolais pour la démocratie) contrôla rapidement une vaste zone s’étendant du « grand nord » congolais jusqu’au nord Katanga tandis que le MLC, sans jamais réussir à s’emparer de Mbandaka la capitale s’empara de l’Ituri et de l’Equateur, installant son quartier général à Gbadolite, l’ancien fief de Mobutu.
C’est là qu’en 2002 nous avions brièvement rencontré Jean-Pierre Bemba. A l’époque, sa fortune avait changé, la guerre éclair s’était transformée en guerre de position, Kabila père avait été assassiné et remplacé par son fils Joseph. Ce dernier avait conquis les bonnes grâces des Occidentaux et s’efforçait de relancer les négociations de paix.
En outre, les alliés ougandais, qui, au début, avaient soutenu l’effort de guerre du MLC, militairement et financièrement, avaient pris leurs distances, les généraux proches de Museveni se contentant de contrôler les réseaux commerciaux. A Gbadolite, cette capitale plantée dans la jungle, où l’ancien palais de Mobutu avait été pillé et dépiauté, les cadres du MLC semblaient un peu seuls, rêvant, sans trop le dire, d’un jour retrouver le chemin de Kinshasa.
Les plantations de café, dont certaines appartenaient à la famille Bemba, n’avaient pas été relancées, la ville présentait une allure d’abandon. Les proches de Bemba, même s’ils tentaient de faire bonne figure, portaient des signes visibles d’appauvrissement, costumes élimés, chaussures usées ; certains d’entre eux semblaient malades et amaigris. Quant aux soldats, c’était pire encore : à tout moment, ils nous apostrophaient en rue, en disant « maman j’ai faim, donne moi de l’argent » et même les gardes personnels de Bemba semblaient affamés ! Ce fut d’ailleurs la première question que je posai au « chairman » lorsqu’il apparut : « pourquoi ne payez vous pas vos troupes ? » Il eut alors une réponse empreinte de morgue très mobutiste : « mais madame, ils sont ici par idéal. Si je les payais, vous diriez qu’ils sont des mercenaires… »
A l’époque, il était clair que les finances s’épuisaient, que les principales sources de revenu provenaient de la vente de diamants provenant de la province de l’Equateur, des diamants qui étaient mis sur le marché à Bangui, grâce à l’appui du président centrafricain de l’époque Ange Patassé. Ce dernier, certes, avait remporté les élections, mais il faisait face à l’hostilité des Français qui ne lui pardonnaient pas de s’être rapproché du colonel Kaddhafi et qui voulaient le remplacer par François Bozizé qui était, lui, soutenu par le président tchadien Idriss Deby.
Alors que la cavalcade militaire de Bozize et de ses alliés tchadiens commençait à l’Est du pays, Ange Patassé fit appel à son allié Bemba, lui demandant d’envoyer à Bangui un « corps expéditionnaire ».
Le président du MLC ne pouvait pas refuser ce service : depuis Gbadolite, Bangui représentait la seule porte de sortie vers le monde extérieur, le seul lieu où les diamants pouvaient être commercialisés, par où les délégations pouvaient transiter.
Des troupes du MLC furent alors mises à la disposition du président centrafricain, qui représentait l’autorité légitime dans le pays voisin ; des officiers du MLC, le colonel Hamuli et le colonel Mustafa, accompagnaient les troupes, dont ceux que l’on appellera plus tard « les Banyamulenge de Bemba » tous étant placés sous le commandement du chef d’état major centrafricain.
Lorsqu’après la défaite de Patassé et la victoire de Bozize, (qui allait plus tard être légitimé par des élections) nous découvrîmes Bangui ravagée par la guerre, les hommes de Bemba avaient laissé un souvenir de terreur : ce soldats, dont beaucoup étaient originaires de la province de l’Equateur, s’étaient comportés comme en terrain conquis, rattrapant soudain des années de privations et de disette. Ils avaient pillé, volé, massacré des civils, s’étaient emparés des femmes, les avaient violées et, aux yeux de la population, ils représentaient une force d’occupation honnie, qui ne respectait rien, pas même l’enceinte diplomatique de l’ambassade de France, où des exactions avaient été commises au vu et au su des diplomates présents.
Pendant que leurs troupes faisaient régner la terreur à Bangui, Jean-Pierre Bemba et ses compagnons songeaient à leur avenir politique : à Sun City en Afrique du Sud, les négociations avaient commencé, les cadres du MLC discutaient de la formule qui allait régir la transition, le « un plus quatre », où la présidence demeurait entre les mains de Joseph Kabila, tandis que Bemba et un représentant du RCD Goma se partageaient deux des quatre postes de vice présidents. Si à Sun City, le « chairman » n’avait rien perdu de sa superbe et demeurait convaincu de son destin national, ses compagnons de route étaient moins farauds ; désargentés, ils étaient obligés d’accepter la « générosité » des hommes de Kabila, qui, eux, disposaient d’un budget spécial destiné à « soulager » leurs “frères” et compatriotes. Dans l’ombre, de futures défections se préparaient ainsi discrètement et, loin des médiateurs internationaux, les Congolais mettaient en place leurs propres arrangements.
Peut-on imaginer que Bemba, qui, entre Gbadolite et Sun City, négociait la fin de la guerre, la réunification du pays et songeait surtout à garantir son futur poste de vice président en charge de l’Ecofin (économie et finances), se souciait de donner des ordres à ses troupes détachées à Bangui, suivait leurs mouvements jusqu’à être tenu pour responsable de leurs crimes ? C’est ce que le procureur Moreno Ocampo devra démontrer.
En attendant, les officiers qui encadraient le corps expéditionnaire du MLC ont été incorporés dans les Forces armées congolaises, le chef d’état major centrafricain ne fait l’objet d’aucune inculpation, pas plus que l’ex président Ange Patassé.
L’établissement de la chaîne de commandement est un thème suivi avec passion au Congo, où les exemples d’atrocités commises par des « corps expéditionnaires » étrangers ne manquent pas : les Angolais firent régner la terreur dans le Bas Congo lorsqu’ils intervinrent en août 1998, pratiquant viols et pillages, Rwandais et Ougandais en 2000, se disputant le contrôle des comptoirs de diamants, firent tomber une pluie de bombes sur Kisangani, tandis que les atrocités commises dans l’Est du Congo par des troupes sous commandement rwandais ont alimenté le fameux « mapping report de l’ONU », dont on se demande toujours quelle suite lui sera donnée…
VERMEERSCH Etienne in De Standaard
Is dat nu een mens? Etienne Vermeersch vertelt waarom u De welwillenden van Littell moet lezen.
Edited: 200811140722
14 NOVEMBER 2008 | Etienne Vermeersch

Toen ik enkele jaren geleden, om even te bekomen na mijn eerste infarct, besloot eindelijk Célines Voyage au bout de la nuit te lezen, meende ik op het vlak van cynische literatuur het nec plus ultra gevonden te hebben. Maar Jonathan Littell heeft in Les bienveillantes nog enkele registers meer dan Céline. Desondanks, of misschien juist daarom, greep het boek me naar de keel. Bijna dwangmatig las ik door tot de 'welwillende' wraakgodinnen in de laatste zin opdoemen.

Dit is geen werk dat ik aan iedereen zou aanraden; maar wie 894 bladzijden lang het oostfront en de Shoah meebeleeft met een volstrekt cynische figuur die zowel kille waarnemer als mededader is, houdt er iets aan over. Men begint zich bang af te vragen: is dat nu een mens? Is dat misschien de mens? Volstaan fanatisme, ambitie, koele berekening en een welbepaalde context om extreme wreedaardigheid bij daders, en mateloos lijden bij slachtoffers tot een alledaags fait divers te herleiden?

De hoofdfiguur, Max Aue, tegelijk de verteller, is een hoge SS-officier die de gebeurtenissen tijdens de oorlog vanuit een bevoorrechte positie kan volgen. Met zijn scherpe intelligentie doorgrondt hij mensen en situaties. De afwezigheid van enig moreel aanvoelen of medelijden laat hem toe afgrijselijke gebeurtenissen op een afstandelijke wijze te beschrijven.

Een historicus die een zo neutraal en indringend verslag van de massamoord op de Joden van Kiev zou brengen, loopt het gevaar van gevoelskilte verdacht te worden. Maar hier kan dat, want het boek is een roman. Tegenover de 'objectiviteit' in zijn beschrijving van de gruwelen staat dat Max Aue zelf een getormenteerde figuur is, met een complex incestueus en homoseksueel driftleven.

Roman en geschiedenis

Het verhaal van die fascinerende en afstotende man wordt gekaderd binnen een vloed van feitelijke gegevens, waarvan sommige zeker historisch juist zijn. Himmler, Speer, Eichmann, Kaltenbrunner, Höss, Heydrich, Frank, Mengele… ze worden overtuigend gekarakteriseerd en je krijgt de indruk dat ook andere feiten en figuren authentiek zijn; maar waar ligt de grens tussen roman en geschiedenis?

Ergens in het boek zegt Aue dat Degrelle in de buurt is en dat hij die graag zou ontmoeten, 'want voor de oorlog heb ik Brasillach met veel lof over hem horen spreken'. Fictie? Het toeval wil dat ik dertig jaar geleden bij een bouquiniste aan de Seine een brochure van Robert Brasillach gekocht heb waarin die de loftrompet over Degrelle stak.

Brasillach kan voor Littell geen onbekende zijn: hij heeft immers de oorlog en de collaboratie bestudeerd, maar hoe kent hij diens bijzondere relatie met Degrelle?

Niet alleen op het historisch vlak zijn er voortdurend flitsen van verrassing en herkenning. Van Guillaume d'Aquitaine ('ferai un vers de dreyt nien'), over Philippe de Champaigne naar Schoenberg: de hele westerse cultuur komt aan bod. Soms kan dat gratuit lijken, maar nu en dan boort dit kernproblemen aan.

Ondanks zijn cynische houding tegenover de Shoah ontfermt Aue zich over een Joodse jongen die meesterlijk Couperin vertolkt; hij laat zelfs uit Parijs partituren voor hem overkomen. Men heeft het raadselachtig gevonden dat kampcommandanten 's middags gevangenen mishandelden en 's avonds ontroerd naar Beethovens Mondscheinsonate luisterden. Littell komt dicht bij een verklaring hiervoor.

Hoe de talloze historische en culturele verwijzingen overkomen op iemand die op dat vlak weinig of geen voorkennis heeft, valt natuurlijk moeilijk in te schatten. Maar niemand kan ontkomen aan de bekoring die uitgaat van Littells superieure beheersing van de Franse taal, al geeft de Amerikaanse achtergrond van de auteur er misschien een bijzondere tonaliteit aan.

Mijn lectuur werd vooral voortgestuwd door de stijgende aandrang tot begrijpen van het onbegrijpelijke: dat een man zonder mededogen, die geboeid wordt door cultuur en schoonheid, eigenlijk vindt dat de mens alleen zijn basisdrijfveren moet bevredigen: ademen, eten, drinken, zich ontlasten, maar toch ook… streven naar waarheid!
JANSSENS Paul Prof. Dr
Professor Paul Janssens over prinsen, markiezen en baronnendoor Danny Vileyn © Brussel Deze WeekBrussel07:00 - 28/06/2008
Edited: 200800000901
Ze heten conservatief, francofoon en koningsgezind te zijn, en verdedigers van de traditionele gezinswaarden, maar het meest bijzondere kenmerk van de adel is het vermogen om zich aan te passen. Een gesprek met de historicus Paul Janssens aan de vooravond van de Ommegang - waarin traditioneel edellieden opstappen - en de nationale feestdag van 21 juli, die al even traditioneel voorafgegaan wordt door het toekennen van adellijke titels.

Professor Paul Janssens houdt kantoor in een piepklein kamertje van het Ehsal Research Center, het pand tegenover de hoofdzetel van de Ehsal aan de Stormstraat 2, een van de campussen van de nieuwe HUB, de Hogeschool-Universiteit Brussel. Paul Janssens doceert economische geschiedenis en is gespecialiseerd in fiscale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de adel kent hij op zijn duimpje.



Zelfs de lap grond waarop de campus van de Ehsal gebouwd is, heeft een adellijk verleden - dat moet Janssens erg bevallen. "Halverwege de zeventiende eeuw, toen de Nieuwstraat nog een aristocratische straat was, kocht de markies de Berghes - de markiezen van Bergen op Zoom hadden hun naam verfranst - een aantal huizen op de grond waar nu de campus van de Ehsal is. De adel deed toen wat de banken nu doen: huizen kopen, ze platgooien en er een ander soort pand op bouwen. (Janssens doelt op de KBC, die tegenover de Ehsal panden platgooide voor een bankgebouw, DV.) Ze bouwden er een prachtig hôtel de maître, dat ze bewoond hebben tot aan de Franse Revolutie. Dan is er een cercle littéraire in getrokken, waar de leden onder andere de grote Europese kranten kon lezen, en in de negentiende eeuw kreeg het pand een commercië­le bestemming. Toen de Ehsal hier een paar decennia geleden bouwde, was het pand volledig uitgewoond."



Wij vatten de adel van vandaag voor u samen in tien stellingen.



Belgische adel is Brussels gekleurd

"Het is een merkwaardig fenomeen," legt Paul Janssens uit, "maar er bestaat wel degelijk een Brusselse adel, zeker als we 'omvang' als criterium nemen."



Terwijl in het hoofdstedelijk gewest 'maar' tien procent van de Belgische bevolking woont, heeft zowat 33 procent van de adel er zijn vaste stek. In Wallonië woont veertig procent van de adel en in Vlaanderen - met zestig procent van de bevolking - maar twintig tot 25 procent. Janssens' hypothese is dat de adel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen met de taalwetgeving duidelijk werd dat België geen tweetalig land zou worden (de Walen hadden dat afgewezen), een deel van de Vlaamse adel (die zoals in heel Europa Franstalig was) naar Brussel, het enige tweetalige gebied, is verhuisd.



Jongere edelen zijn meertalig

Eeuwenlang waren de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse adel Franstalig. Al wie in de achttiende eeuw in Vlaanderen macht, aanzien en geld had, was Franstalig, dus ook de adel. Dat was het gevolg van een geslaagde Europese taal- en cultuurpolitiek van Lodewijk XIV. "Maar de jongere generaties, de mensen onder de vijftig, hebben begrepen dat de spelverdeling in dit land veranderd is. Ze zijn goed tweetalig, zelfs meertalig. Vaak hebben ze tijdens hun middelbareschooltijd op internaat gezeten in Vlaanderen en hebben ze nadien ook in het buitenland gestudeerd."



Figuren zoals de 75-jarige (niet-benoemde) burgemeester van de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem, François van Hoobrouck d'Aspre (MR), hebben volgens Janssens afgedaan. Ondertussen spreken de meeste edelen in Vlaanderen Nederlands, ook de in ongenade gevallen oom van prinses Mathilde, de mediagenieke Henri d'Udekem d'Acoz, die met een sappig West-Vlaams accent spreekt.



De adel is niet eeuwig

"Het is een wijdverbreid misverstand dat mensen met blauw bloed sinds de kruistochten één grote familie vormen en onder elkaar huwen," zegt Paul Janssens. De meerderheid van de adellijke families is niet ouder dan België zelf, en de samenstelling verandert voortdurend. Families behoren gemiddeld vijf tot zes generaties - of twee eeuwen - tot de adellijke stand. Omdat het adellijk statuut, net als de naam, doorgegeven wordt in mannelijke lijn, houdt het ook op als er geen mannelijke nakomelingen meer zijn. De familie de Merode behoort samen met de Croÿ, de la Faille en de Kerckhove tot de oudste adellijke families van het land en ze zijn ook goed vertegenwoordigd in de hoofdstad. De prinsen de Croÿ behoren al tot de adel sinds de vijftiende eeuw, de prinsen de Merode zelfs iets langer.



Anciënniteit is het belangrijkst

"Hoezeer edellieden ook gehecht zijn aan hun titel, de adellijke anciënniteit vinden ze nog belangrijker," vertelt Janssens.



De 'echte' titels, die voor de Franse Revolutie van 1789 toegekend werden, waren gevestigd op het familiepatrimonium. De oudste titel in ons land is die van graaf van Chimay, een stadje tegen de Franse grens en welbekend voor het bier, en hij dateert uit 1473 - het was Jean de Croÿ die de titel droeg. Deze grondgebonden adellijke titels (die na het overlijden van de vader op de oudste zoon overgingen) dienden om het fami­liaal patrimonium van de grootgrondbezitters te beschermen. Jean de Croÿ bezat de heerlijkheid Chimay en een paar heerlijkheden eromheen die samen het nieuwe graafschap vormden. "Maar de adellijke titulatuur is enorm complex, en in sommige families gaat de titel over op alle kinderen. Vandaar dat België honderden prinsen de Merode en de Croÿ telt," licht Janssens toe.



Meeste edellieden zijn titelloos

Veruit de meeste edellieden moeten het zonder titel stellen. Samen met het grootgrondbezit (de heerlijkheden) had de Franse Revolutie ook de adel afgeschaft. Na het verdwijnen van Napoleon in 1815 herstelde koning Willem I de adel in onze gewesten. Er kwam geen collectieve genoegdoening, maar edelen konden wel individueel een aanvraag indienen. Maar omdat het grootgrondbezit afgeschaft was, werd de titel niet langer aan het patrimonium gelinkt, maar aan de naam. België telt zo'n 25.000 tot 30.000 edellieden, de meesten hebben geen titel.



Zo vader, zo zoon

"Eddy Merckx is eerst in de adelstand opgenomen en nadien baron geworden," legt Janssens uit. Een titel betekent meer prestige, je wordt in de hiërarchie opgenomen. Janssens herinnert aan de verschillende adellijke titels, van hoog naar laag: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron en ridder. De eerste drie worden niet toegekend en zijn dus het voorrecht van de oude adel. "De adellijke titels die nu nog toegekend worden, zijn niet erfelijk. Axel Merckx behoort wel tot de adel omdat zijn vader ertoe behoort, maar de titel van baron heeft hij niet. Ook zijn kinderen behoren tot de adel, maar alleen de zonen geven hem door."



Van de Wolstraat naar de Woluwes

Tot halverwege de negentiende eeuw woonde de Brusselse adel binnen de stadswallen, bijvoorbeeld in de Wolstraat en de Warande. Toen in 1860 de belastingen op de invoer van consumptiegoederen werd afgeschaft, kwam de bevolking van de randgemeenten volop tot ontwikkeling. De adel begon toen uit te zwermen, eerst naar de Leopoldswijk en de Wetstraat, later naar de Woluwes, Ukkel en Elsene.



"De edelen wonen vaak in dezelfde wijken of gemeenten." Dat is, legt Janssens uit, duidelijk te zien in het Carnet Mondain, de jaarlijkse adressenlijst waarin heel de beau monde, en dus het gros van de adel, terug te vinden is. "Voor de aristocratische woningen die in de Leo­poldswijk opgetrokken werden, golden strenge voorschriften. Het stratenplan van de wijk vormt een mooi dambord," legt Janssens uit. "Maar lang is de adel niet in de Leopoldswijk gebleven. Tussen 1800 en 1900 is de Brusselse bevolking vertienvoudigd, van 75.000 naar 750.000 inwoners." Na 1860 kwamen de eerste aristocraten in de Leopoldswijk wonen, in het interbellum verlieten ze de buurt alweer. De Leopoldswijk en de Wetstraat werden opgenomen in het stadsgewoel, en daar houdt de adel niet van. Destijds was de Wetstraat een opeenvolging van prestigieuze herenhuizen met koetspoorten. "De edellieden trokken richting Tervurenlaan, Ukkel en de Woluwes." Janssens wil van de gelegenheid gebruikmaken om het wijdverbreide misverstand recht te zetten als zou de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van het aristocratische karakter van de Leopoldswijk: "In de jaren 1930 was de adel er al weg en werden de panden door kantoren en banken ingenomen; de Wetstraat is van in 1958 een autosnelweg: geen omgeving waar mensen met geld en aanzien willen wonen."



Royalistisch, kerkelijk, conservatief

De adel heet kerkelijker te zijn dan de gemiddelde Belg. Maar dat is zeer moeilijk te meten, zegt Paul Janssens. Het aantal roepingen is een slecht criterium geworden, en of de adel vaker ter kerke gaat dan de gemiddelde Belg, is niet bekend.



Kerkelijkheid impliceert meestal een traditionele gezinsmoraal, maar ook binnen de adel is scheiden niet langer een taboe. Wel hebben ze meer kinderen dan de gemiddelde Belg, maar demografisch onderzoek toont aan dat ook de adel ondertussen aan geboorteplanning doet, wat twee generaties geleden volgens Janssens nog ondenkbaar was.



Dat de gehechtheid aan de monarchie groter is dan bij de rest van de bevolking, is volgens Janssens evident. In de huiskamers van prinsen en hertogen hangen niet zelden foto's waarop de koninklijke familie samen met hen te zien is. "De afstand tussen de koninklijke familie en de rest van de adel is kleiner geworden; koningin Astrid was de laatste van koninklijken huize."



Adel is politiek conservatief

In 1830 waren de meeste edellieden vóór de Belgische revolutie en tegen Willem I, zegt Janssens. Aanvankelijk vond je zowel binnen de katholieke als binnen de liberale partij adel. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de eerste Schoolstrijd losbrak, schakelden de liberale edelen massaal over naar de katholieke partij. Het heeft geduurd tot het Schoolpact van 1958 (liberalen en socialisten waren ervan overtuigd dat dat pact het einde van de christen-democratie in zou luiden) voordat liberaalgezinden van binnen de christendemocratie, ten noorden é
TESSENS Lucas
Woodstock 15 augustus 1969
Edited: 200612031489
En toen was er Woodstock. De puriteinse USA wisten niet wat hen overkwam. Het protest tegen de oorlog in Viëtnam (de schrille en schrijnende klanken uit de gitaar van Jimmy Hendrix) en dus het in vraag stellen van de premissen van de Koude Oorlog, de sexuele revolutie (het naaktzwemmen en het gebruik van de pil), het afwijzen van de overconsumptie, het onderhuids verlangen naar samenhorigheid (Need a little help from my friends, Beautiful People, ...), de verzoening tussen blank en zwart, het verwerpen van nationalisme en imperialisme, ... Alles is aanwezig in de smeltkroes van die gevaarlijke generatie die tot transatlantische verstandhouding komt. Het zijn enkele jaren waarin Europa zich in Amerika herkent, en vice versa. De beweging zal echter doodlopen op de perverse, want uitgelokte of - beter - geënsceneerde, oliecrisis van 1973 (*) en de economische crisis met torenhoge werkloosheid die er het gevolg van is. Hebt u er al eens bij stil gestaan dat in 1973 niet de oliesjeiks de lakens uitdeelden in de Arabische oliestaten maar dat het de Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen waren. En bedenk eens het volgende: elke spanning die ontstaat of wordt opgewekt in het Midden-Oosten, en die automatisch de olieprijzen de hoogte indrijft, komt de Texaanse oliebaronnen ten goede. Omdat presidentsverkiezingen in de VS gewonnen worden mits de inzet van enorme geldmassa's in publiciteitscampagnes op TV, is het draineren van dollars naar deze of gene staat van kapitaal belang. De blijvende druk op de ketel van het Midden-Oosten garandeert met andere woorden het in stand houden van de republikeinse dominantie in de VS. Aldus heeft de controle over de geopolitieke spanning een rechtstreekse invloed op de binnenlandse VS-politiek.
(*) Over de oliecrisis van 1973 schreef Leonard Mosley in Grof Spel (1974) het volgende: "Het is veelbetekenend, dat terwijl het voornaamste doelwit van het Arabisch olieëmbargo de 'onvriendelijke' Verenigde Staten waren, geen van de Amerikaanse maatschappijen werd genationaliseerd en in Saoedi-Arabië, Koeweit, Aboe Dhabi, de Neutrale Zone, Bahrein en Oman bleven maatschappijen als Exxon, Gulf, Socal, Mobil en Getty haar enorme winsten maken uit de bedragen die de 'vriendelijke' Europese naties gedwongen werden te betalen voor olie uit het Midden-Oosten." (onze cursivering, pagina 465)

Op de knieën zal de generatie van 1968 moeten smeken om werk ... Enkel diegenen die in eer en geweten willen spreken over de periode vóór en na 1968 weten welke kentering er toen heeft plaats gegrepen: het bespreekbaar maken van eender welk onderwerp en het afwijzen van (vaak religieus geïnspireerde) taboes. Op sexueel vlak werd een doorbraak geforceerd en de brede emancipatie beloofde te leiden naar maatschappelijk aanvaarde volwassenheid. In die context was er ook plaats voor welbegrepen feminisme (The woman is the nigger of the world). Juist daarom is het doodjammer en schandalig dat vandaag (in 2005) de westerse maatschappij tenonder gaat in puberale excessen, uitgedragen door massamedia die het alleen te doen is om kijkcijfers en geldgewin.
Is het helemaal onbegrijpelijk dat de islam zo'n maatschappijmodel verwerpt en bestrijdt? Wat hebben de 'blanke honden' te bieden? En hoe diep zit niet de angst dat het afleggen van sluier en burka morgen overgaat in het omarmen van de holle 'cultuur' van de blote tieten en de wiegende konten? Zolang de westerse wereld geen fatsoen en geen eerlijke verdeling van de rijkdom kan bieden, zolang zal de oppositie van de harde kern aan de overzijde groeien.
Vlaanderen is ten prooi gevallen aan media-managers die openlijk het 'opleuken' van de persberichtgeving en zelfs van de informatieve programma's van de openbare omroep propageren. De strijd om de culturele ontvoogding is stil gevallen en in een scherpe U-bocht loopt nu het pad terug naar de onderdrukking die van alle tijden is. We amuseren ons kapot ... gehuld in onmondigheid.
DEMEESTER Wivina
Over communicatie, taal en branie
Edited: 200309221503
Toespraak van Wivina Demeester bij de opening van het parlementair werkjaar 2003-2004

Waarde collega’s,

In tegenstelling tot vorig jaar, zal het u vandaag niet verrassen dat ik van de gelegenheid gebruik maak om u enkele van mijn gedachten mee te geven. Wees gerust, na dertig jaar wil ik de fakkel doorgeven, het zal dus de laatste keer zijn dat ik het zittingsjaar open.

Vorige keer deed ik een oproep om in dit Glazen Huis meer spraak en tegenspraak te brengen; ik deed een oproep aan de regering om op een volwassen manier met het parlement om te gaan. Vandaag wil ik een oproep doen om de spraak te voeden door bekommernis, en te ontdoen van branie. Ik zal dit beknopt doen. Mijn beknoptheid is mijn respect voor u, uw aandacht is uw respect voor dit Huis.

Meer spraak en tegenspraak, geen omfloerste taal maar een volwaardig parlementair debat. Het heeft allemaal te maken met communicatie. “Communicatie” was een woord dat dertig jaar geleden nauwelijks bestond, of toch niet courant in de mond werd genomen. Toen had men het over “taal”. “De taalstrijd”, “talenkennis”, “symbolentaal”, het zijn woorden die allemaal veel betekenis hebben in de geschiedenis van Vlaanderen en van de Vlamingen. Vlaanderen was fier op zijn taal, en vocht ervoor. De Vlamingen maakten hun talenkennis tot economische troef.

Gaandeweg is dit gegeven aan het verschuiven. We zijn nog steeds meesters in talen, maar we kennen geen taaltechnologie, wel “speech technology”. We kennen geen “taalmeesters”, maar wel “communicatiespecialisten”. De spraak wordt minder en minder belangrijk, en wordt recht evenredig vervangen door “chatsessies”.

Zo verplaatst zich ook het debat. De spreker gaat niet meer naar het forum, maar het forum komt naar het debat. Daarom wordt de macht van de media groter. De spreker komt niet meer naar het Parlement, het Parlement moet naar de TV-studio.

Schaadt dit de democratie? Niet noodzakelijk. Vorig jaar zei ik: “Tonen en tegentonen van de tegengestelde visies vormen de harmonie van onze democratische gemeenschap”. Zolang de mensen een duidelijk zicht krijgen op de tonen en tegentonen, op de standpunten van ieder van ons, is de democratie gewaarborgd. Vanaf het moment dat standpunten niet meer worden uitgewisseld, vanaf het moment dat standpunten niet meer worden ingenomen, vervlakt onze democratie tot een soort “oligarchie van geïnteresseerden”.

Duidelijke standpunten innemen, vrijmoedig en open debatteren is noodzakelijk. Wat is hiervoor nodig? Visie en taal. De visie halen we uit onze bekommernis om de mensen. Samen met politieke gelijkgezinden nemen we standpunten in. Soms is er moed voor nodig, maar het is onze plicht om die moed te tonen.

De taal die we spreken, evolueert. Dertig jaar geleden spraken politici eerder een soort “notaristaal”. Sommigen deden dit schitterend, anderen hadden er meer moeite mee. Misschien is de slinger nu juist naar de andere kant gegaan, en spreken we vandaag teveel “showbizztaal”.

Politici moeten het juiste evenwicht vinden: verstaanbaar én correct zijn. We moeten geen communicatiespecialisten of taalmeesters zijn om dit in de praktijk te brengen. Integendeel, misschien hebben we teveel geluisterd naar (sommige) taalmeesters, die ons zo verstaanbaar maken dat sommige zaken niet meer correct kunnen voorgesteld worden en de waarheid geweld wordt aangedaan. Ook een negatieve boodschap moet kunnen gebracht worden.

We kunnen best wat leren uit andere beroepen. Ervaringen uit andere sectoren leren de politiek op een andere manier te communiceren. De “corporate governance”-plicht in grote beursgenoteerde bedrijven kan een voorbeeld zijn om ook in de politiek correcte taal te hanteren. Het taalgebruik tussen een bedrijfsleider en een werknemer in een KMO kan in de politiek heel waardevol gebruikt worden. En waar is taal belangrijker dan in de zorgsector, waar men per definitie met mensen werkt, waar men per definitie om de mensen bekommerd is?

Ik pleit voor meer bezorgdheid en minder branie. Het Vlaams Parlement moet de plaats zijn waar mannen en vrouwen zich bekommeren om het geluk van allen die in Vlaanderen leven. Laat branie niet het einde zijn. Laat bekommernis de grondstof van de politiek zijn. Ze drijft de goede politici. Ze kent geen leeftijd. Laat branie voor de woordvoerders. Ze haalt geen twee campagnes.

Waarde collega’s, deze prachtige glazen “praatkamer” moet de plaats zijn waar we samen dit parlementair jaar zinvol en genuanceerd van gedachten wisselen over het welzijn van alle mensen die in Vlaanderen leven.

Zoals ik vóór mijn politieke loopbaan hoopte dat mijn boodschap en mijn handelen in het geheugen van mijn leerlingen zou blijven hangen, hoop ik dat de boodschap die ik vorig jaar bracht, om meer spraak en tegenspraak te brengen, en de oproep en wens van vandaag voor een verstaanbare én correcte boodschap, - met bekommernis ten grondslag - ook ergens in het collectief geheugen van dit Parlement een plaats krijgt.

Zoals u ziet, ben ik een beetje lerares gebleven. Samen met die tienduizenden mannen en vrouwen die nu in onze scholen onze jonge Vlamingen vormen voor de toekomst, ben ik daar nog trots op ook.

Ik wens u allen een vruchtbaar en boeiend parlementair jaar, en daarmee verklaar ik de zitting voor geopend.

Wivina Demeester

22 september 2003

TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1930-1939: Crisisjaren - De ruk naar rechts - De massificatie - De radio wordt een massamedium, een propagandamiddel en een instrument voor volksopvoeding - De radio wordt een staatsmonopolie. De minister van PTT zit de Raad van Beheer voor - Opgenomen radioreportages worden mogelijk (klankband en montage) - Radiotaksen als bron voor financiering van de openbare omroep - Radiodistributie - Nieuwe perstitels
Edited: 200300193001
De regeringen
Jaspar II (22/11/1927-21/5/1931) KAT-LIB
Renkin (5/6/1931-18/10/1932) KAT-LIB
de Broqueville (22/10/1932-13/11/1934) KAT-LIB
Theunis II (20/11/1934-19/3/1935) KAT-LIB
Van Zeeland I (25/3/1935-26/5/1936) KAT-SOC-LIB
Van Zeeland II (13/6/1936-25/10/1937) KAT-SOC-LIB
Janson (23/11/1937-13/5/1938) KAT-SOC-LIB
Spaak I (15/5/1938-9/2/1939) KAT-SOC-LIB
Pierlot I (21/2/1939-27/2/1939) KAT-SOC
Pierlot II (18/4/1939-3/9/1939) KAT-LIB
Pierlot III (3/9/1939-10/5/1940) KAT-SOC-LIB
Verkiezingen
27 november 1932
24 mei 1936
2 april 1939

De algemene toestand
Tijdens de eerste maanden van 1930 kan de Belgische economie nog even profiteren van de gunstige effecten die uitgaan van de wereldtentoonstelling (te Antwerpen en te Luik) en de viering van het Belgische eeuwfeest. In het tweede semester doet de wereldcrisis zich echter ook bij ons ten volle voelen. De uitvoer stuikt in elkaar en zal pas in 1935 terug beginnen groeien. Vanaf 1932 maakt de regeringen gebruik van bijzondere machten en dat stelt het geloof in de parlementaire democratie zwaar op de proef. Op het sociale vlak werkt de ellende de massificatie in de hand. De uitzichtloze toestand van velen is een ideale voedingsbodem voor massabeïnvloeding en populistische propaganda, zowel van uiterst rechts als van uiterst links.
Schandalen plagen de katholieke partij. Daarvan maakt Leon Degrelle, zelf katholiek, met zijn Rexisme gebruik om zwaar uit te halen naar de ultra-conservatieve vleugel van de katholieke partij. Tijdens massameetingen en via eigen periodieken ('Rex', 'Vlan', 'Soirées', 'Foyer' en 'Crois') en dagbladen ('Le pays réel' vanaf 2 mei 1936 en 'De nieuwe Staat' vanaf 1 september 1936) vuurt hij zijn aanhangers, zowel in Wallonië als in Vlaanderen, aan om de traditionele partijen in het kieshokje vaarwel te zeggen. (De Bruyne, 1973: 71-130; Gerard, 1985: 30-33; Gerard, 1994: 75-123) De verkiezingen van 24 mei 1936 brengen een zware nederlaag voor de katholieke partij (- 10% van de stemmen) en een overwinning voor Rex. De Vlaams nationalisten en de communisten halen eveneens heel wat stemmen. De socialisten houden stand. Daarmee is de polarisatie in het land een feit. De zetelverdeling in de Kamer na de verkiezingen van 1932, 1936 en 1939 levert volgend beeld op:


De werkloosheid neemt enorme proporties aan: van nauwelijks 17.000 in 1929 naar 319.000 werklozen in 1932. Zij die nog werk hebben, zien hun uurloon tussen 1929 en 1935 met ongeveer 20% dalen. De prijzen dalen echter evenzeer zodat op het eerste gezicht de koopkracht gehandhaafd blijft. De belastingdruk is evenwel geweldig hoog zodat de privé-bestedingen kelderen.
Hieruit groeit vanzelfsprekend sociale onrust en stakingen zijn schering en inslag. Daarbij moet men bedenken dat het in vele gevallen om wilde stakingen gaat, die de vakorganisaties slechts schoorvoetend erkennen vanwege de enorme druk op hun stakingskassen.
In maart 1935 vormt Paul van Zeeland een regering van nationale unie. De socialisten drukken een groot deel van het zgn. Plan De Man (deficit spending) door. De devaluatie van 28% komt snel: op 31 maart 1935. De economie krijgt weer zuurstof en de uitvoer herneemt. Ook de gezinsconsumptie komt even overeind en de kleinhandelaars zien hun omzet stijgen. Het herstel is echter van korte duur. Naar het eind van de jaren 30 belandt de economie terug in een crisis. De inzinking op de internationale markten verzwakt de uitvoer én dus de omzet van de industrie. Om het overheidsdeficit te financieren grijpt de regering opnieuw naar belastingverhogingen.
Daardoor raakt de binnenlandse consumptie aangetast. Met die infernale cirkel is het depressieklimaat weerom aanwezig. Daar bovenop tekent de oorlogsdreiging zich vanaf 1938 duidelijk af. De generatie van de dertiger jaren gaat volledig ontgoocheld en gefrustreerd een nieuwe wereldoorlog tegemoet.

Het NIR-INR
De Wet van 14 mei 1930 (BSB 19300516) schenkt aan de staat het monopolie van de radiocommunicaties. Artikel 1 van deze wet luidt immers als volgt: "De regeering is gemachtigd de radiotelegrafie, de radiotelefonie en alle andere radioverbindingen in te richten en te exploiteren." Toch krijgen in de periode 1930-1940 nog heel wat particuliere stations de toelating om radioprogramma's uit te zenden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Deze toelatingen zijn echter herroepbaar en er ontstaan vaak hoog oplopende geschillen over. De tweede wereldoorlog zal een einde maken aan het bestaan van deze vergunningen (Van Bol, 1975: 86).
De wet van 18 juni 1930 geeft aan het Nationaal Belgisch Instituut voor Radio-Omroep (NIR/INR) zijn statuut. Artikel 11 van deze wet bepaalt hoe het NIR gefinancierd wordt:
"De inkomsten van het instituut bestaan inzonderheid uit:
a) het bedrag van giften en legaten te zijnen bate, na machtiging of goedkeuring door den Koning;
b) De leeningen die het mocht sluiten (inzonderheid door uitgifte van obligatiën) met machtiging van de regeering. Tot een bedrag van 10.000.000 frank werkelijk ontleend kapitaal, zal de regeering de rente en de delging waarborgen der leeningen welke het instituut mocht sluiten.Een koninklijk besluit bepaalt de voorwaarden van deze waarborg.
c) De jaarlijksche Staatstoelage en, meer bijzonder, een jaarlijksche toelage gelijk aan:
1° 90 t.h. van het voorzien bedrag der ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijksche taxe, welke de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen;
2° Eene som gelijk aan het voorzien bedrag van de ontvangsten der belasting, welke de Staat heft op den groothandelsprijs van de electronenlampen of andere gelijkaardige toestellen voor het detecteren of het versterken van de in radio-electrische ontvangtoestellen bruikbare seinen, loodglanskristallen of andere kristallen uitgezonderd;
d) De toelagen welke openbare besturen en instellingen mochten toekennen;
e) De ontvangsten welke het zou bekomen door zijn uitgaven of naar aanleiding van contracten, door den raad van beheer afgesloten binnen de perken van de bedrijvigheid van het instituut."
Artikel 12 bepaalt dat het instituut een boekhouding moet voeren en een jaarverslag moet overmaken aan de minister van PTT.
Artikel 17 bepaalt: "Bij de gewone begroting van het dienstjaar 1930 van het Ministerie van Posterijen, Telegrafen en Telefonen wordt een crediet geopend onder volgende rubriek: Toelage aan het Belgisch nationaal Instituut voor radio-omroep (N.I.R.): 1.600.000 frank."
De openbare radio, die op 1 februari 1931 begint uit te zenden, wordt niet uit het niets opgericht maar neemt de twee zenders van 15 kW te Veltem over, die eind de jaren twintig door een associatie van Radio Belgique en van de Boerenbond (NV Radio) bij SBR besteld waren. Op het ogenblik van de overname waren beide zenders niet operationeel toen zij werden overgenomen door het INR-NIR. (X 1953:5)
Noteer dat Radio Belgique (Theo Fleischman) zijn uitzendingen stopte op de dag van de stichting van het NIR. Zijn personeel werd in de nieuwe staatsinstelling ingeschakeld (Van Pelt, 1973: 240; Boon G., 1988: 29). Men kan stellen dat Radio Belgique werd genationaliseerd met een ruime compensatie voor de eigenaar(s). Hiervoor kan het eerste jaarverslag van de NIR/INR geraadpleegd worden. In dat jaarverslag vinden we Radio Belgique en de NV Radio terug met een schuldvordering op de NIR ten belope van 1.070.011,20 BEF. Anderzijds vinden we er SBR met een schuldvordering van 95.715,50 BEF. (NIR, 1931-1932: 62) Beide schuldvorderingen samen vertegenwoordigen 91% van alle schulden die het NIR op 31 december 1931 heeft. Volgens Paul Vandenbussche, in een vraaggesprek met ons (23/10/2001), is de oprichting van de NIR-INR het directe gevolg van de financiële moeilijkheden van de S.A. Radio-Belgique. Vanuit die optiek is het ontstaan van de openbare omroep het resultaat van het mislukken van het privé-initiatief en ligt niet (alleen) een politiek verlangen maar (ook) een financieel-economisch débâcle aan de basis van het overheidsinitiatief. Hermanus plaatst de oprichting van het NIR-INR en die van de RTT in dat perspectief en wijst erop dat het dezelfde liberale ministers - Pierre Forthomme voor PTT en Paul-Emile Janson voor Justitie - zijn die zowel de oprichting van het NIR als die van de RTT in het parlement bepleiten. (Hermanus, 1990: 26) Volgens Vandenbussche speelde Prof. Arthur Boon (KU Leuven), voorzitter van de KVRO en voorzitter van de Boerenbond (geen familie van de latere directeur-generaal van de NIR) een grote rol bij de totstandkoming van het NIR-INR.
In artikel 14 van het KB van 28 juni 1930 wordt gesteld dat de "nieuwstijdingen in de vorm van persberichten" bondig moesten zijn. Duiding bij het nieuws was uitgesloten. (Goossens C., 1998: 49). Hier duikt de invloed van de dagbladpers op. Die zag namelijk in het radio-instituut een geducht concurrent. De belangen van de (partij)politieke dagbladen vielen in deze samen met die van de partijen zelf.
Verdere uitbouw van het NIR
Van 1935 tot 1938 wordt er gewerkt aan het nieuwe radiogebouw aan het Flageyplein. In 1937 komt de culturele zelfstandigheid van de Franse (o.l.v. Théo Fleischman) en de Vlaamse uitzendingen tot stand. Het jaarverslag van het NIR-INR bevat dan ook voor de eerste keer de uitgesplitste kosten voor de Franse en de Vlaamse uitzendingen, resp. 5.604.055 BEF en 5.533.911 BEF.
Radiotaks
De wet van 20 juni 1930 (BSB 19300626) en het KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) regelen o.m. de heffing van de radiotaksen voor de bezitters van een radio-ontvangsttoestel. De taks wordt op 60 BEF per jaar bepaald. Dat is 30 BEF minder dan oorspronkelijk in het wetsontwerp (18 april 1929) van minister Lippens (PTT) voorzien was. De parlementsleden brengen het bedrag terug tot 60 BEF per jaar (Goossens C., 1998: 44). Een gewoon huishoudbrood kost in 1930 2,14 centiem en voor een krant dient men 35 centiem neer te tellen. De radiotaks weegt m.a.w. flink door in het budget van het modale gezin want met die 60 frank kan het 28 broden kopen of meer dan een half jaar elke dag de krant lezen.
Een ander KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) bepaalt dat de radiotoestellen waarin uitsluitend kristallen (en dus geen radiolampen) gebruikt worden, belast worden met een jaartaks van 20 BEF.
Het is treffend dat zeer vele bepalingen uit de voornoemde wet de tand des tijds hebben doorstaan en tot in 1987 van kracht blijven: het betalen door middel van een storting op een postcheckrekening, de betaling die alle radiotoestellen in dezelfde woning dekt, de verplichting om een adreswijziging te melden, de vrijstellingen voor blinden en andere invaliden, voor onderwijsinstellingen en voor openbare diensten. In die tijden van grote werkloosheid gaan er stemmen op om de werklozen vrij te stellen van het betalen van de radiotaks. (Van Dyck, 1935:135)
De wetgever van 1930 is wel bijzonder streng voor ontduikers: de geldboete kon oplopen tot vijfmaal de ontdoken taks en dat met drie jaar terugwerkende kracht. Van een ontduiker kan m.a.w. een maximale boete van 900 BEF geëist worden ... een klein fortuin.
De wetgever van 1930 had zich blijkbaar goed geïnformeerd want ook de ontvangtoestellen die beelden konden ontvangen waren verplicht de taks te betalen. Zo'n bepaling verraadt de hand van de RTT-administratie, steeds goed geïnformeerd over de technologische ontwikkelingen. Vergeten we niet dat in 1930 de BBC reeds experimenteerde met de eerste openbare televisie-uitzending.
Door de wet van 27 december 1938 wordt de radiotaks van 60 op 78 BEF gebracht.
RTT int de radiotaksen
De inning van de taksen werd opgedragen aan de in 1930 opgerichte Regie voor Telefoon en Telegraaf. De oprichting van de RTT was, althans zo luidt de officiële versie, nodig om de verschillende telefoonnetwerken, tot dan toe in privé-handen, te interconnecteren. Hermanus is echter een andere mening toegedaan en stelt dat de interconnectie slechts een voorwendsel was. "En réalité, ce n'était qu'un prétexte. Les partisans du libéralisme économique défendaient l'idée de l'intervention de l'Etat uniquement dans des activités non rentables mais indispensables au bon fonctionnement de l'Etat." (Hermanus, 1990: 26)
Er zijn voldoende aanwijzingen om Hermanus' stelling voor waar te aanvaarden.
Collectiviseren van verliezen?
Privatiseren van winsten?
We kunnen dan ook vaststellen dat zowel de oprichting van de NIR-INR als die van de RTT geschiedden om verliezen te collectiviseren, naar de staat toe te schuiven. Onderzoek kan aantonen of zulks ook met andere risicodragende initiatieven binnen de communicatiesector (of andere sectoren) het geval is (geweest). Tegelijk kan men dan ook de 'spiegel-hypothese' toetsen: komen overheidsbedrijven (of stukken ervan) enkel in aanmerking om geprivatiseerd te worden wanneer de investering niet of nauwelijks risicodragend is?
Uiteraard mag men hierbij niet in een zwart-wit analyse vervallen en zal de realiteit zeer complex zijn. Dit neemt niet weg dat het een fundamenteel vraagstuk is bij het kijken naar de relatie tussen staats- en privé-initiatief. De vraagstelling heeft ook een ethische component, laat dat duidelijk zijn.
Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen
Voor de jaren 30 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van Kijk- en Luistergeld (dat werd in 2003 vernietigd maar wij konden enkele belangrijke statistische documenten redden, LT).

In 1930 waren er 76.872 radiotoestellen vergund, in 1939 waren het er 15 maal meer.
Adreslijsten KLG en luisteronderzoek
De massa's adressen die bij de dienst radiotaksen beheerd worden, brengen sommigen op het idee om op basis daarvan te starten met een luisteronderzoek (Van Dyck, 1935: 156-157) of een referendum omtrent de omroep. Dit laatste moet gezien worden tegen de achtergrond van de onvrede met de partijpolitieke uitzendingen op het NIR. "Hoe gemakkelijk nochtans zou het voor haar (bedoeld wordt het NIR, LT) vallen, vermits zij alleen toch (met de Regie) de namen en adressen bezit van allen, die zich van hunne radiotaks kwijten. Zou het dan zoo'n enorme kosten met zich brengen om aan alle die menschen een voor het antwoord gereed gemaakte vragenlijst rond te zenden, welke na invulling vrachtvrij aan het NIR zou kunnen worden weergezonden! (...) Tevens zou door dergelijk referendum de 'Vox Populi' kunnen gekend worden omtrent het ja dan niet toelaten van politieke uitzendingen langs den omroep!" (Van Dyck, 1935: 144)
Gewestelijke verdeling van het radiobezit
Voor het jaar 1939 beschikken we over een gewestelijke verdeling van de 1.112.962 radiotoestellen waarvoor radiotaks betaald wordt: Wallonië (458.124 of 41%), Brussel (209.869 of 19%) en Vlaanderen (444.969 of 41%). De ondervertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest heeft o.i. twee oorzaken: a) de inkomensachterstand in het Vlaamse landsgedeelte, en b) de relatieve sterkte van het populaire programma-aanbod van de 12 particuliere radiostations in Wallonië en Brussel, tegenover slechts 4 in het Vlaamse landsgedeelte.


Financiering van de regionale radiostations
De wet van 14 mei 1930 moet in feite de doodsteek betekenen voor de regionale stations. Artikel 8 verbiedt immers voor alle stations het voeren van handelspubliciteit. De druk van de regionale stations - vooral Radio Schaerbeek ging heftig tekeer - op de minister was echter zo groot, dat die besloot een gedoogbeleid te voeren.
De regionale radiostations deden voor hun financiering ook een beroep op jaarlijkse lidgelden. Zo vermeldt Van Dyck (1935: 134) dat Radio Châtelineau kaarten verkocht tegen 12,50 BEF en steun- en erekaarten tegen resp. 25 en 50 BEF. Radio Antwerpen (ON4ED) verkocht kaarten van 25 BEF. De auteur noemt deze vorm van financiering onwettelijk en verwijst hiervoor naar artikel 9 van het ministerieel besluit van 28 augustus 1931.

De franstalige uitzendingen van de private radiostations haalden een hogere luisterdichtheid dan de franstalige programma's van het INR. Men kan zich voorstellen dat dit niet naar de zin was van Fleischman. Greta Boon vermeldt dan ook uitdrukkelijk: "Een van de redenen waarom de leidinggevende personen van het NIR van de oorlogsomstandigheden later gebruik maakten om die particuliere zenders na de oorlog geen uitzendvergunning meer te geven, was dit grote franstalige overwicht." (Boon G., 1988: 29-33).

De wet wordt niet toegepast
De staatstoelage vormde in de periode 1930-1940 de hoofdmoot van de inkomsten van het unitaire NIR-INR. In de wetenschappelijke literatuur wordt steevast vermeld dat het NIR-NIR 90% ontving van de opbrengst van de radiotaksen. Zo stelt Gekiere in 1983: "In de wet van 18.6.1930 tot oprichting van het N.I.R. was bepaald dat 90% van de opbrengst van het kijk- en luistergeld naar de omroep zou toevloeien. Dit principe werd jaren toegepast en gedurende enkele jaren (o.m. voor 1974), bleek de toelage aan de BRT-instituten zelfs hoger te liggen dan de netto-opbrengst." (Gekiere, 1983: 179).
Ook Greta Boon stelt in 1984: "Voor de tweede wereldoorlog ontving de omroep 90% van het luistergeld." (Boon, 1984:95).
Uit ons onderzoek blijkt dat zulks weliswaar wettelijk voorzien was, doch in de realiteit slechts één jaar gehaald werd.
De beweringen van Gekiere en van Boon, beiden op de BRT werkzaam, moeten wellicht gezien worden als een manoeuver van de BRT in zijn veelvuldige disputen in de jaren 80 met de minister omtrent de BRT-dotatie. We komen hierop terug.
In het jaarverslag van de NIR-INR over het jaar 1932 lezen we: "Over het algemeen staat het aantal ontvangtoestellen in rechtstreekse verhouding met de hoedanigheid van den dienst. Door de veldmetingen heeft men er zich rekenschap kunnen van geven dat de kracht der zenders van Veltem niet voldoende is om over gansch het grondgebied (...) een dienst te verzekeren , die wat de hoedanigheid betreft, niets te wenschen overlaat. Logisch mag dus aangenomen worden dat een merkelijke verhooging der zendkracht, bv. tot 60 of 100 kw. zeer snel een verhooging van de ontvangtoestellen en bijgevolg van de ontvangsten voor gevolg zou hebben."
Het NIR-INR geloofde dus nog in de band tussen de opbrengst van de radiotaksen en haar eigen staatstoelage. Hier wordt expliciet verwezen naar de band die er bestaat tussen het aantal radiotoestellen (200.534 eind 1931, 339.635 einde 1932) en de staatstoelage (13,4 miljoen BEF voor het werkingsjaar 1932). De simpele berekening brengt ons op 12,03 miljoen BEF (200.534 toestellen x 60 BEF). Nergens in het jaarverslag wordt de berekening expliciet gemaakt. Men mag echter veronderstellen dat de berekening van de staatstoelage op het niveau van de beheerraad, waarin de voogdijminister als voorzitter zetelde, gebeurde.
Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.









TESSENS Lucas
OLIE en het MIDDEN-OOSTEN - enkele feiten op een rij
Edited: 200300000901
bron: databases MERS
Startdatum Einddatum Gebeurtenis
1878 °Shell Transport and Trading Company
1879 °Pacific Coast Oil Company
1889 °Standard Oil Trust (Rockefeller)
16 Jun 1890 °Royal Dutch (KNPM) - Deterding e.a.
1897 1ste Zionistencongres: idee terugkeer Joden naar Palestina
1901 °BP
1901 °Joods Nationaal Fonds (koopt grond in Palestina)
1902 °The Texas Company (Texaco)
1907 Fusie Shell en KNPM
1911 Standard Oil Trust ontbonden in 34 bedrijven
1914 Palestina kiest zijde van Duitsland in WO I
1916 Palestijnse opstand tegen Turkije
02 Nov 1917 Balfour-declaration
09 Dec 1917 Jeruzalem door GBR veroverd op TUR
1923 GBR krijgt van Volkenbond mandaat over Palestina
1924 °Compagnie Française des Pétroles
1936 400.000 Joodse inwoners in Palestina
1936 Hagana = Joodse strijdgroep
1939 Brits voorstel om Palestina onafh. te maken
1941 Arabieren krijgen steun toegezegd van Anthony Eden
10 Apr 1941 opstand tegen Britten in Irak
1945 Hagana pleegt aanslagen op Brits leger
Mar 1945 Handvest van de Arabische Liga
22 Mar 1945 °Arabische Liga
22 May 1945 opstand in Syrië
29 May 1945 FRA bombardeert Damascus
31 May 1945 Brits ultimatum: staakt-het-vuren in Syrië
22 Mar 1946 Libanon: Franse troepen weg
17 Apr 1946 onafh. Syrië (FRA)
17 Apr 1946 Syrië: Franse en Britse troepen weg
14 Feb 1947 GB legt Palestijnse probleem voor aan UNO
Jun 1947 Joden: Exodus gepraaid door GBR
29 Nov 1947 UNO stelt opdeling Palestina voor
17 Dec 1947 7 Arabische landen tegen Joodse staat
14 May 1948 Israël tot staat uitgeroepen
15 May 1948 Arabische landen dringen Palestina binnen
15 May 1948 Einde mandaat GBR over Palestina
17 May 1948 Israël: erkend door USA en USSR
Sep 1948 +graaf Bernadotte (vermoord)
16 Oct 1948 Israël: Negev-offensief
29 Oct 1948 31 Oct 1948 Israël: Galileï-offensief
11 May 1949 Israël lid UNO
15 Mar 1951 Iran: nationalisatie olie
1953 Egypte wordt republiek onder Naguib
09 Mar 1954 °internat. consortium Iraanse olie
04 Jan 1955 Eg: Suez verboden voor Isr. schepen
24 Feb 1955 pact van Bagdad: mil. bijstand Irak-Turkije
26 Jul 1956 29 Apr 1957 Egypte: Suez-crisis
29 Oct 1956 22 Jan 1957 oorlog Israël-Egypte
08 Mar 1957 UNO in Gaza
01 Feb 1958 VAR = Egypte+Syrië
14 Feb 1958 Unie Irak-Jordanië
08 Mar 1958 Yemen bij VAR
29 Apr 1958 Nasser in Moskou
15 Jul 1958 26 Oct 1958 US-troepen in Libanon
23 Sep 1958 Eg: USSR-lening voor Assoean-dam
14 Sep 1960 oprichting OPEC
14 Sep 1960 °OPEC
08 Feb 1963 Irak: coup Aref
03 Mar 1967 betogingen tegen Engelsen in Aden (nu Yemen)
05 Jun 1967 Suez-kanaal gesloten
05 Jun 1967 11 Jun 1967 Israël: 6-daagse oorlog
08 Jun 1967 USS Liberty aangevallen door Israëli's (CIA/Mossad-operatie?)
24 Jun 1967 Johnson en Kosygin praten over vrede in MO
14 Sep 1967 +opperbevelhebber Egyptisch leger pleegt zelfmoord
13 Jan 1968 olietank Pakhoed in Rotterdam ontploft
20 Jan 1968 brand olieraff. Shell in Pernis
26 Mar 1968 Hypermoderne olieraffinaderij Mobil Oil geopend
23 Jul 1968 kaping ISR-vliegtuig
09 Nov 1968 Jemenieten aangehouden: planden aanslag op Nixon
13 Dec 1968 brand tanker aan raff. Mobil Oil raff. A'dam
1970 olieplatfom in Noordzee opgericht
04 Jul 1970 Libië: nationalisering oliemaatschappijen
28 Sep 1970 +pres. Nasser
13 Nov 1970 Syrië: Assad grijpt macht
12 Dec 1970 OPEC eist wereldmarkt voor olie
14 Feb 1971 akkoord van Teheran: verhoging olieprijzen
24 Feb 1971 Algerije: naasting Franse oliemaatschappijen
27 May 1971 15 Mar 1976 vriendschapsverdrag USSR-Egypte
Dec 1971 Britten weg uit 7 Golfstaatjes
1972 °Exxon
1972 °Statoil
05 Jun 1972 06 Jun 1972 aanslag Palestijen OS München
18 Jul 1972 Egypte: USSR-raadgevers buiten gezet
27 Sep 1972 warenhuis in Parijs in brand: waarschijnlijk aanslag Palestijnen
21 Feb 1973 Israël schiet Libisch passagiersvliegtuig neer
02 Jun 1973 OPEC verhoogt olieprijs met 12%
06 Oct 1973 Yom Kippoer oorlog
06 Oct 1973 24 Oct 1973 Jom Kippoer oorlog
12 Oct 1973 tegenoffensief Israël tegen Syrië
14 Oct 1973 Egypte rukt verder op in Israël
16 Oct 1973 Israëli's op Egyptisch grondgebied
17 Oct 1973 olie-embargo aangekondigd
17 Oct 1973 OPEC kondigt olie-boycot aan in The Times
22 Oct 1973 VN-resolutie 338: staak Yom Kippoer oorlog
04 Nov 1973 beslissing OPEC: olieproductie -25%
22 Dec 1973 OPEC verdubbelt olieprijs
13 Nov 1974 Arafat voor UNO
1975 alcohol surrogaat voor benzine
1975 olieministers gekidnapped
06 Jun 1975 Israël valt Libanon aan
15 Nov 1975 °Internationaal Energie Agentschap
1976 °ELF
23 Jan 1976 Sybetra levert fabrieken aan Irak
12 Mar 1976 Saoudi-Arabia: oliemaatschappij Aramco genationaliseerd
15 Mar 1976 Egypte zegt verdrag met USSR op
19 Nov 1977 vredesmissie Sadat naar Israël
15 Mar 1978 12 Jun 1978 Israël bezet Zuid-Libanon
05 Sep 1978 17 Sep 1978 Camp David akkoord Israël-Egypte
1979 2de oliecrisis
1979 olieveld nabij Canada ontdekt
26 Mar 1979 vredesverdrag Israël-Egypte
17 Sep 1979 regering laat aankoop grond toe in bezet gebied
30 Jul 1980 Jeruzalem hoofdstad Israël
07 Oct 1980 vriendschapsverdrag USSR-Syrië
15 Sep 1981 Egypte: USSR-ambassadeur buitengezet
06 Oct 1981 +Sadat vermoord
14 Dec 1981 Israël annexeert Golan
20 Mar 1982 OPEC: beperking olieproductie
25 Apr 1982 Sinaï teruggegeven aan Egypte
06 Jun 1982 Israël bezet Libanon
12 Jun 1982 wapenstilstand in Libanon
15 Aug 1982 blokkade Irak op olie-eiland Kharg
19 Aug 1982 Libanon vraagt internationale troepenmacht
21 Aug 1982 Internationale troepenmacht in Libanon
23 Aug 1982 14 Sep 1982 Libanon: Bechir Gemayel president
30 Aug 1982 Arafat verdreven uit Libanon
14 Sep 1982 Libanon: Bechir Gemayel vermoord
18 Sep 1982 Sabra en Chatila: Palestijnen vermoord door falangisten
21 Sep 1982 Libanon: Amine Gemayel president
20 Dec 1983 Libanon: 4.000 Palestijnen vertrekken
26 Apr 1984 Irak valt olietankers aan bij Kharg
31 Oct 1984 OPEC beslist oliereductie
15 Aug 1985 Irak bombardeert olie-eiland Kharg
1986 °Repsol
Aug 1986 olieprijs zeer laag: 9$/baril
15 Nov 1988 PLO erkent Israël
13 Dec 1988 Arafat lanceert vredesvoorstel voor UNO
02 Aug 1990 Irak valt Koeweit binnen
24 Sep 1990 olieprijs > 40$/baril
15 Jan 1991 ultimatum tegen Irak verstrijkt
17 Jan 1991 luchtoffensief USA tegen Irak
27 Feb 1991 Kuwait ingenomen door USA
08 Apr 1992 Arafat vermist
04 Oct 1992 El Al boeing op Bijlmer
31 Aug 1993 akkoord Palestijnen-Israël
09 Oct 1994 aanslagen Hamas
04 Nov 1995 +Rabin vermoord
18 Jun 1996 Netanyahou (Likoed) premier
1997 Repsol geprivatiseerd
1997 Repsol neemt Argentijns YPF over
17 Nov 1997 69 dood in Egypte
17 Nov 1997 aanslag op toeristen (67 doden)
14 Jan 1998 crisis over wapeninspecties
Dec 1998 Total koopt Petrofina
17 May 1999 Barak wint verkiezingen
17 Dec 1999 operatie Desert Fox
2000 TotalFina fuseert met Elf
May 2000 Israël trekt zich terug uit Zuid-Libanon
28 Dec 2000 Sharon bezoekt Tempelberg
06 Feb 2001 Israël: premier Sharon
18 Jun 2001 Palestijnen klagen Sharon aan voor Belgisch gerecht
19 Sep 2001 mil. interventie in Afganistan
28 Sep 2001 Israël: nieuwe intifada
13 Nov 2001 Afgan: noordelijke Alliantie neemt Kaboel in
02 Dec 2001 Israël: Arafat ingesloten
26 Jun 2002 Sharon niet vervolgbaar volgens Kamer van IBS (genocidewet)
31 Dec 2002 Exxon Mobil boekt meer winst in 4de kw 2002
28 Jan 2003 verkiezingen: Sharon wint
31 Jan 2003 stakingen doven uit
Feb 2003 onenigheid binnen NAVO over oorlog tegen Irak
10 Feb 2003 Van Miert: Europese vazalstaten van USA
15 Feb 2003 hoofdsteden Europa: grote vredesbetogingen
18 Feb 2003 oorlog Irak begint optimaal op 3 maart
18 Feb 2003 Turkije vindt 6 miljard € te weinig voor medewerking aan oorlog tegen Irak
19 Feb 2003 burgemeester Tel Aviv wil Antwerpse diamantairs lokken
19 Feb 2003 documentaire USS Liberty op NED3
20 Feb 2003 TotalFinaElf wordt Total
21 Feb 2003 olieraffinaderij Exxon in NY ontploft
27 Feb 2003 OIC wil olie als wapen inzetten
28 Feb 2003 prijs olie op 39,99 $ per vat
Mar 2003 Abbas (PLO) voorgedragen als premier
07 Mar 2003 Bush wil Irak ook aanvallen zonder steun VN
11 Mar 2003 FRA en RUS willen veto gebruiken tegen oorlog in Irak
18 Mar 2003 Blair onder vuur wegens IRQ
18 Mar 2003 opiniepeiling in USA: 80% achter oorlog Bush
18 Mar 2003 RUS, DEU en FRA blijven tegen oorlog IRQ
18 Mar 2003 ultimatum Bush: Saddam binnen 48 u weg
18 Mar 2003 wapentransporten USA via A'pen mogen doorgaan
TESSENS Lucas
Afschaffing van Omroepbijdragen in Nederland. Een terugblik.
Edited: 200106221661
Deze nota vormt slechts een inleiding op een problematiek waarmee ook KLG-Aalst hoogstwaarschijnlijk geconfronteerd zal worden.

Beknopte historiek
De Dienst Omroepbijdragen bestond bijna 60 jaar.
• 1945: enkel luistergeld.
• 1956: kijkgeld wordt verplicht.
• 1969: geen luistergeld mee als men reeds kijkgeld betaalt, één keer betalen ongeacht aantal TV-toestellen.
• 1991-1992: mediacampagne "Kijk je zwart, dan zit je fout" doet registraties fors groeien (registraties +14%).
• September 1997: "zelfsturingstraject" opgestart (delegatie, meer verantwoordelijkheid op werkvloer).
• 1998: In september wordt de fiscalisering voor het eerst als mogelijkheid geopperd door de Min. van Financiën; de opvang van de inkomstenderving staat voorop, de personeelsproblematiek komt slechts zijdelings ter sprake.
• 1999: Op 29/3/1999 werd Ideeënmanagement opgestart (valorisatie van kennis bij DOB). In 1999 werd ook nog een project "Benadering zakelijke markt" in het leven geroepen. Ook de training van de buitendienst bleef doorgaan (weerbaarheid, anti-agressie en conflicthantering).
In maart 1999 geloofde Manager Peters nog in voortbestaan. In april 1999 roept Peters op tot goed blijven doorwerken en de moed erin te houden. In mei 1999 worden de jaarresultaten 1998 bekend gemaakt en die zijn uitstekend. In mei stellen de werknemers zich nog combatief en vastberaden op tegen het plan van de Staatssecretaris. Peters kiest de zijde van het personeel; het personeel schept daaruit moed en prijst de openheid in de communicatie. De samenhorigheid groeit.
In juni 2000 wordt aan het MERS opdracht gegeven om een argumentarium tegen de afschaffing te ontwikkelen.
Er werd een Task Force (6 mensen) opgericht die snel en uitgebreid met het personeel communiceerde.
Werkgroep "Phoenix" werd opgericht toen de fiscalisering onafwendbaar bleek.
Op 1 januari 2000 afgeschaft en Omroepbijdragen werden vervangen door fiscalisering.
Plan fiscalisering was opgenomen in voetnoot van regeerakkoord Paars II en goedgekeurd door Eerste Kamer op 21/12/99.
Het ging snel: op 4/1/99 voor de eerste keer aangekaart binnen DOB.


Restitutie
Na 1/1/2000 diende er restitutie (teruggave) te gebeuren: 300 miljoen gulden aan ca. 5 miljoen geregistreerden in 3 maand tijd.


Personeel
Gedurende 1999 waren er gemiddeld 245,3 werknemers in dienst bij DOB (1998: 258,6).
Alle personeel is overgegaan naar de Belastingdienst (wettelijk geregeld en na overleg vanaf eind 1999 in goede banen geleid).
Noteer dat DOB een Ondernemingsraad had.
Op 1 april 2000 zat bijna iedereen op zijn nieuwe werkplek.
Tot 1 juli 2000 zorgde kleine groep voor de afbouw. Daarvoor was een provisie aangelegd ten belope van 60,6 miljoen gulden.


Voorlopige conslusies:
- In Nederland is de afschaffing minder partijpolitiek geladen geweest.
Het lijkt erop dat één staatssecretaris op eigen houtje het dossier heeft afgehandeld. Dat gebeurde snel.
- In de periode vlak voor de afschaffing waren nog belangrijke investeringen gedaan en hervormingen doorgevoerd.
- De cohesie binnen DOB is steeds voorbeeldig geweest. De emotionele kant van de opheffing van een dienst mag niet onderschat worden.
- In Nederland was er voor al het personeel een uniform vangnet: de Belastingdienst.
- Bij DOB was er een ondernemingsraad die de oplaaiende emoties kon kanaliseren. Bovendien werd de Task Force een speerpunt in de strijd tegen de fiscalisering en - daarna - een gecontroleerde herplaatsing van het personeel.
- De afbouwoperatie werd zorgvuldig gebudgetteerd.
- De afbouw in Vlaanderen zal complexer zijn vanwege het bestaan van een outsourcingcontract en de minder grote traditie inzake gestructureerd overleg, openheid en interne/externe communicatie.

Lucas TESSENS/Consultant CIPAL/20010622
VLAAMS PARLEMENT
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Edited: 200101250908
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Interpellatie van de heer Johan Malcorps tot mevrouw Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid
De voorzitter : Aan de orde is de interpellatie van de heer Malcorps tot mevrouw Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid.
Minister Dua zal ook in naam van minister Vogels antwoorden.
De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, onlangs werd in ons land een vereniging voor asbestslachtoffers opgericht, in navolging van reeds bestaande verenigingen in onder meer Nederland en Frankrijk.
De vereniging vraagt dat er een volwaardig beleid inzake asbestvervuiling en volksgezondheid zou worden gevoerd. Gezien de bevoegdheidsverdelingen is dit zowel een federale opdracht als een taak voor gewesten en gemeenschappen. Zo moet op federaal vlak dringend werk worden gemaakt van het recht op schadevergoeding voor asbestslachtoffers via het Fonds voor Beroepsziekten. Ook niet-werknemers moeten een beroep kunnen doen op de regeling. Het verbod op elke vorm van asbestproductie, -handel of verwerking is een federale aangelegenheid. De uitzonderingen op het koninklijk besluit van 3 februari 1998 kunnen worden opgeheven, omdat er inmiddels voor alle toepassingen vervangproducten bestaan.
Het behoort ook tot de taak van de gemeenschappen om een sluitende inventaris op te maken van alle asbestgerelateerde aandoeningen, zoals de verschillende vormen van asbestose, mesothelioom of buikvlieskanker, asbestgerelateerde longkankers en andere kankers. Het Fonds voor Beroepsziekten levert de cijfers voor werknemers. Er is sprake van een duidelijke toename van het aantal gevallen van asbestose en de voorbije vijftien jaar meer dan een verdubbeling van het aantal gevallen van mesothelioom. Deze informatie komt uit het antwoord dat federaal minister Aelvoet vorig jaar gaf op mijn vraag terzake in de Senaat. De grootste groep van getroffen werknemers komt uit de bouw. Over het aantal asbestgerelateerde kankers bij de rest van de bevolking is geen cijfermateriaal beschikbaar. Het aantal asbestdoden ligt volgens minister Aelvoet tussen de 90 en 110 per jaar. Wellicht is dit een grove onderschatting.
Het probleem van het toenemend aantal asbest-kankerdoden verdient alle aandacht. De internationaal vermaarde specialist Julian Peto voorspelt in The British Journal of Cancer dat in West-Europa de komende 35 jaar maar liefst een kwart miljoen asbestgerelateerde kankerdoden zullen vallen. In een officiële studie in opdracht van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorspelt men 40.000 asbestgerelateerde ziekten onder Nederlandse mannen tegen het jaar 2030.
Uit de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 1998 blijkt dat er een verhoogde sterftekans is in onder meer Sint-Niklaas en Dendermonde. Minister Vogels legde de band met de vroegere asbestverwerkende industrie in de streek : de vroegere Eternit-fabriek in Schoonaarde bij Dendermonde, Eternit in Kapelle op-den-Bos en de fabriek Scheerders-Van Kerckhoven - SVK - in Sint-Niklaas. Het is mogelijk dat het niet enkel om werknemers gaat, maar ook om familieleden van werknemers en om omwonenden.
Als deze band tussen asbest en kanker er echt is, en zelfs in die mate dat hij een merkbare piek veroorzaakt in de algemene gezondheidsstatistieken, dan is dit hoegenaamd geen vrijblijvende zaak. De slachtoffers stellen met reden vragen over de verantwoordelijkheid van de betrokken bedrijven in het verleden. Ze waren al decennialang op de hoogte van het gevaar van asbest voor de gezondheid van werknemers en omwonenden. Toch namen ze te weinig voorzorgsmaatregelen. Ook de overheid zelf wordt aansprakelijk gesteld, want ze kende al jaar en dag de risico´s die verbonden zijn aan de asbestproductie, maar trad al die tijd veel te laks op.
Sinds de Tweede Wereldoorlog staat het verband tussen asbest en kanker wetenschappelijk vast. Toch duurde het tot einde van de jaren negentig vooraleer men echt optrad. Die nalatigheid heeft veel mensenlevens gekost, en zal nog veel mensenlevens kosten. In Frankrijk en Nederland wonnen de vertegenwoordigers van asbestslachtoffers in die zin al verschillende schadeprocessen. Er is een wettelijke regeling ingevoerd om tot billijke schadeloosstellingen te komen. Ook in eigen land moet er een dergelijke regeling te komen. Eens het zo ver is, zullen ook de gewestelijke overheden voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst.
In 1998 stelden de heer Stassen en mevrouw Verwimp vragen aan toenmalig milieuminister Kelchtermans over de gezondheidseffecten voor de omwonenden van de asbestbedrijven in Kapelle-op-den-Bos, Tisselt, Sint-Niklaas, Gent en Mol. Ze werden toen met een kluitje in het riet gestuurd met als argumenten : 'Het gaat om een te kleine groep mensen rond die bedrijven om daarover statistisch zinvolle uitspraken te doen ; het is praktisch onmogelijk om productspecifieke gezondheidsgegevens van burgers te verzamelen rond elke site waar met toxische of kankerverwekkende stoffen wordt gewerkt ; de gezondheidsmonitoring van potentiële asbestpuntbronnen zou slechts een 'end-of-the-pipe-benadering' zijn, die in het beste geval iets zegt over de blootstelling decennia geleden.'
Uit het grootschalig Milieu- en Gezondheidsonderzoek dat eind vorig jaar werd afgerond blijkt dat gebiedsgerichte monitoring wel degelijk relevante beleidsgegevens kan opleveren. In elk geval moet het mogelijk zijn om meer accurate gegevens te verzamelen dan mogelijk is op basis van een globaal onderzoek van gezondheidsindicatoren over heel Vlaanderen. Zo zou men alle sites in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven kunnen screenen en vergelijken met sites waar waarschijnlijk minder risico bestonden en nog bestaan op asbestbesmetting. Ook een nauwkeurig opgezet epidemiologisch onderzoek biedt uitzicht op succes, wegens de onbetwistbare band tussen mesothelioom en asbestose enerzijds en asbestvervuiling anderzijds.
Het feit dat de asbestproductie nu bijna geheel is afgebouwd, betekent niet dat er geen belangrijke opdracht meer is voor de Vlaamse milieudiensten, en meer bepaald de OVAM. Zo blijft de titanenopdracht overeind om op basis van de verplichte asbestinventarissen voor bedrijven en openbare gebouwen alle nog aanwezige asbest te verwijderen en op de meest veilige wijze te verwerken. De federale wetgeving ter bescherming van werknemers is daarbij van toepassing. Een algemene bescherming voor de burger is er dus niet, tenzij indirect. Bewoners en bezoekers van gebouwen zijn maar indirect beschermd, omdat ze ook profiteren van de bescherming van eventuele werknemers in dat gebouw. Dat is uitvoerig aangetoond door mevrouw Lieve Ponnet. Ze schreef daarover het dossier 'Asbest : stof tot nadenken', dat in 1996 werd gepubliceerd in het Arbeidsblad van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De gewesten en gemeenschappen, bevoegd voor de bescherming van privé-personen in een niet-werksituatie hebben nog geen aanvullende reglementering voor asbest in gebouwen zoals privé-woningen opgezet. In de particuliere woningbouw is weliswaar veel minder gespoten asbest gebruikt dan in openbare of industriële gebouwen. De kans op blootstelling is er veel beperkter. Toch werd heel wat spuitasbest verwerkt in grote appartementsgebouwen die zijn gebouwd tussen halfweg de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig. In België zijn hierover geen gegevens beschikbaar. Hier rijst dus een probleem voor onderhouds- of herstellingswerken die door derden of door doe-het-zelvers worden uitgevoerd. Er is te weinig bewustmaking over mogelijke gevaren en risico's.
Ten slotte is er het probleem dat bij doorverkoop of verhuur mensen zich wellicht niet bewust zijn van de aanwezigheid van asbest in een woning. In Nederland is een asbestvrij-verklaring nodig alvorens men tot de sloop van een woning kan overgaan. De invoering van een asbestvrij-attest, samen met het bodemattest, kan worden overwogen.
Verder is het nog maar de vraag of alle asbestafval - bijvoorbeeld van de sloop van gebouwen - op de juiste bestemming terecht komt. In welke mate wordt asbest van afbraakwerken van privé-personen aanvaard op containerparken, en onder welke omstandigheden? Een ander element van de problematiek is de sanering van asbeststorten. Berucht was het Broek in Willebroek, dat nu eindelijk gesaneerd is, maar dit is nog maar het begin. Denk onder meer aan de asbeststorten in de Gentse Kanaalzone, in Hofstade te Aalst en de asbestberg in Kapelle-op-den-Bos.
De eerste opdracht is de sanering van de omgeving van de vroegere bedrijfssites waar met asbest is gewerkt. In de omgeving van asbestbedrijven als Eternit in Kapelle-op-den-Bos werd immers in het verleden zeer achteloos omgesprongen met het levensgevaarlijke asbeststof.
Vrachtwagens met opwaaiend asbeststof reden door de dorpskern. Het asbeststort diende jaren als speelterrein voor jeugdbewegingen. Pas enkele jaren geleden werd het afgesloten en afgedekt. Asbestafdraaisel was gedurende vele jaren een gegeerde grondstof voor de aanleg van wegen, tuinpaden en opritten van garages.
Er moet dringend een grondige inventaris worden opgemaakt van alle grotere en kleinere black points in gemeenten als Kapelle-op-den-Bos en Tisselt, maar ook van andere sites van nog bestaande of inmiddels gesloten bedrijven die asbest verwerken of verwerkten. In Nederland werd door de VROM een subsidieregeling uitgewerkt waarbij eigenaars van asbestwegen subsidies krijgen voor werken waarbij het asbestbevattend materiaal wordt verwijderd door erkende bedrijven of waarbij het risicomateriaal wordt afgedekt met asfalt, beton of klinkers.
Op welke wijze zal Vlaanderen bijdragen aan een afdoende centrale registratie van asbestgerelateerde ziektes zoals asbestose, mesothelioom of longkanker? Op welke termijn kan een sluitende registratie worden opgezet en welke samenwerkingsverbanden met de federale overheid zijn daarvoor nodig?
Wordt er in opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen? Welke informatie is er beschikbaar? Wat is het standpunt van de Vlaamse regering in verband met de vraag naar schadeloosstelling? Zal men met het oog op de schadeloosstelling van asbestslachtoffers ook initiatieven nemen in overleg met de federale overheid?
Welke initiatieven zijn er om de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid verder in kaart te brengen voor heel Vlaanderen en specifiek voor de omgeving van bestaande of gesloten bedrijven waar asbest wordt of werd verwerkt? Is het niet wenselijk hiervan een van de speerpunten te maken van verder milieu- en gezondheidsonderzoek?
Hoe ver staat het met de studie 'Risico-evaluatie en saneringsprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' en met de beleidsnota over asbestbeheersing? Wat was het resultaat van de asbest-meetcampagne? Wanneer start de geplande sensibiliseringscampagne?
Is er een inventaris van asbeststorten in Vlaanderen? Welke prioriteit krijgt de sanering van deze storten, of kiest men eerder voor een degelijke afbakening en afdekking ervan? Wat is de stand van zaken van de asbestsanering in bedrijven en openbare gebouwen en hoe wordt dit opgevolgd? Is er voldoende verwerkingscapaciteit voor het asbest- en asbestcementafval?
Wordt werk gemaakt van een betere regeling voor de bescherming van particulieren tegen asbest in gebouwen en privé-woningen? Wordt gedacht aan de invoering van een attest 'asbestvrije woning'?
In welke mate wordt asbestafval aanvaard in containerparken? Klopt het dat we asbestcementproducten beschouwen als bouw- en sloopafval zonder vrijzittende asbestvezels, waardoor men ze in containerparken moet aanvaarden? Klopt het dat asbestplaten en isolatie van leidingen daarentegen niet aanvaard mogen worden? Zijn de werknemers in containerparken zich voldoende bewust van het gevaar van asbesthoudend sloopafval bij verbrijzeling ervan waardoor vezels kunnen vrijkomen? Is er toezicht op de naleving van de ARAB-reglementering inzake asbestblootstelling in containerparken?
Heeft men bij de OVAM zicht op de hoeveelheid asbesthoudend afval dat in het gewone huishoudelijk afval terechtkomt, zoals asbestkoord uit kachels, versleten remblokjes, asbesthoudende strijkplankjes, vlamverdelers en ovenwanten. Kunnen deze asbesthoudende afvalstoffen worden ingeleverd als KGA?
Wordt werk gemaakt van de inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere black points in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven? Acht de minister een subsidieregeling wenselijk voor de sanering of afdekking van asbestwegen, naar het model van Twente?
De voorzitter : De heer Van Looy heeft het woord.
De heer Jef Van Looy : In Nederland is de verwijdering van golfplaten waarin asbest zit aan zeer strenge reglementering onderworpen. Arbeiders die bijvoorbeeld dergelijke platen van een dak halen, zijn gehuld in beschermende kledij. Is het product werkelijk zo gevaarlijk? Hetzelfde materiaal wordt in Nederland blijkbaar totaal anders benaderd dan in Vlaanderen.
De voorzitter : Minister Dua heeft het woord.
Minister Vera Dua : Mijnheer de voorzitter, mijnheer Malcorps, op uw eerste vier vragen geef ik het antwoord van minister Vogels.
Door de centrale registratie op federaal niveau van de minimale klinische gegevens van gehospitaliseerde patiënten en dus ook van asbestgerelateerde ziektes als asbestose en mesothelioom, zijn er gegevens over het aantal asbestslachtoffers beschikbaar. De Vlaamse regering heeft toegang tot deze gegevens. Ook via de door Vlaanderen gesteunde kankerregistratie is er zicht op de incidentie van kankers die mede veroorzaakt worden door asbest. Momenteel worden trouwens initiatieven genomen om deze registratie nog te verbeteren. Via de mortaliteitsstatistieken die door de Vlaamse administratie worden opgemaakt, zijn ten slotte ook de gegevens inzake asbestgerelateerde overlijdens bekend. Cijfers die een idee geven over asbestgebonden beroepsziekten zijn ook bekend bij het Fonds voor Beroepsziekten.
Er is momenteel niet in specifieke financiële opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen. Voor patiënten met een asbestgerelateerde aandoening is er, net zoals voor andere zieken, financiële steun via de sociale zekerheid. Enkel de werknemers-asbestslachtoffers van bedrijven die een bijdrage storten bij het Fonds voor Beroepsziekten kunnen aanspraak maken op specifieke steun.
De vraag is of de Vlaamse regering of de federale overheid het initiatief moet nemen om naast de algemene steun via de sociale zekerheid ook nog in een specifieke schadevergoeding te voorzien. We doen dit voor het ogenblik ook niet voor andere ziektes. Minister Aelvoet zal de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een en ander onderzoeken. Als de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, zullen de nodige conclusies worden getrokken. Het zou ook goed zijn om eens na te gaan hoe de buurlanden deze problematiek aanpakken.
In verband met de wenselijkheid om van asbest een van de speerpunten te maken van het verder milieu- en gezondheidsonderzoek, moet worden opgemerkt dat het gevoerde onderzoek en de beleidsconclusies die daaraan gekoppeld zijn, zich toespitsen op biomonitoring van bepaalde polluenten.
Het milieu- en gezondheidsonderzoek spitst zich toe op polluenten die nog steeds in min of meer belangrijke mate in het milieu gebracht worden. Het gebruik van asbest is verboden. Asbest komt dus enkel nog vrij via bestaande asbesthoudende producten. Het beleid moet zich nu dus concentreren op een maximale inperking van de resterende vrijzetting, zolang alle asbesthoudende producten niet definitief en veilig zijn geborgen.
Voor asbest lijkt een biomonitoring medisch gezien een onuitvoerbare opdracht. Het zou neerkomen op het meten van de concentratie van asbestvezels in de longen, de zogenaamde broncho-alveolaire lavage. Die gebeurt door een bronchoscopie, waarbij men met een bronchoscoop in de longen kijkt en waarbij een kleine hoeveelheid vocht in de luchtwegen wordt gebracht en er vervolgens wordt uitgezogen voor verder labo-onderzoek.
Aan de hand van de beschikbare gegevens, bekomen via de centrale registraties, is het ook mogelijk om de asbestslachtoffers in kaart te brengen voor heel Vlaanderen. Op deze manier kunnen de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid in principe worden nagegaan.
De studie 'Risico-evaluatie en saneringprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' werd afgewerkt in 2000. De studie wordt gebruikt als basis voor de beleidsnota over asbestbeheersing. Deze beleidsnota bevindt zich momenteel in een ontwerpfase. In de beleidsnota zullen concrete bijkomende Vlaamse maatregelen worden voorgesteld. De planning is om in de loop van 2001 van de ontwerpbeleidsnota het onderwerp te maken van een doelgroepenoverleg en van overleg met de federale overheid, die reeds betrokken was bij de studie.
Dan kom ik nu bij de kwestie van de asbest-meetcampagne. In het kader van het actief overheidsbeleid rond preventie en verwijdering van asbest en asbesthoudende stoffen was het aangewezen om kwantitatieve gegevens te verzamelen over de huidige concentratieniveaus en het vóórkomen van inadembare minerale vezels in de omgevingslucht in Vlaanderen. Op dit ogenblik bestaan er in België voor asbest in buitenmilieu geen kwaliteitseisen. Om dit beleid op een efficiënte en doelgerichte manier te kunnen voeren dient een kwantitatief referentiekader inzake risico's gedefinieerd te worden. Daarmee is men dus nu bezig.
Gedurende de periode van december 1998 tot december 1999 zijn in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek de concentratieniveaus van asbest en minerale vezels opgevolgd op een aantal typische locaties in Vlaanderen. Een totaal van 319 filters en 43 blanco filters, afkomstig van in totaal 10 meetlocaties, werden geanalyseerd tijdens deze meetcampagne. Hierbij werden 50 monsters genomen in een gebied nabij een verkeersrijke locatie, 52 monsters in een residentiële omgeving, 54 in een stedelijke achtergrond, 48 bemonsteringen in een industriële omgeving en 50 stalen in een gebied nabij een mogelijke asbestbron. Bijkomend werden 65 stalen geanalyseerd afkomstig van het meetnet 'Zware metalen' van de VMM. Vermits het gezondheidsrisico gerelateerd is aan de lengte van de asbestvezels, werd een onderscheid gemaakt tussen korte en lange vezels. De korte vezels worden als onschadelijk beschouwd, de lange vezels worden verantwoordelijk gesteld voor een nefast gezondheidseffect. Op basis van de te verwachten asbestconcentraties en de gerelateerde lokale activiteiten kunnen een aantal typen gebieden onderscheiden worden. Ik heb hier een tabel bij, die ik aan u zal laten bezorgen.
Uit de tabel blijkt duidelijk dat men nabij historische bronnen uiteraard een veel hogere concentratie krijgt. In alle gebieden - stedelijk en landelijk - zijn de verwachtingswaarden van de jaargemiddelde concentratieniveaus lager dan 350 vezels per kubieke meter. In de omgeving van een historische bron, zoals een vroegere asbestverwerkende industrie, werden lange - dus schadelijke - vezels aangetroffen. Nabij een druk verkeerskruispunt wordt eerder de korte - dus onschadelijke - fractie waargenomen. De concentraties asbestvezels liggen echter bij het merendeel van de stalen dicht in de buurt van de detectiegrens.
Wanneer we deze waarden vergelijken met metingen die werden uitgevoerd in 1983, dan is er een globale verbetering merkbaar. Voor het doorvoeren van deze vergelijking moet echter een zekere reserve in acht worden genomen aangezien de aard van de metingen verschillend is. In 1983 betrof het immers geen jaargemiddelde concentraties. Meestal ging het om steekproeven met korte monsternemingsperiodes. Ook deze gegevens staan in een tabel. Een eindrapport met al de meetresultaten zal in februari gepubliceerd en publiek bekendgemaakt worden.
Ik zeg heel kort ook iets over de sensibiliseringscampagne. Dit is inderdaad nodig, maar ik acht het opportuun om dit pas te doen na het doelgroepenoverleg en de politieke beslissing over de in voorbereiding zijnde beleidsnota.
Dan is er nog de kwestie van het afvalprobleem. De vergunde asbeststorten zijn opgenomen in een lijst bij de vergunningverlenende overheid en zijn ook beschikbaar bij de OVAM via de lijsten van erkende verwervers en verwerkers. Er is geen aparte inventaris van asbest-blackpoints in Vlaanderen. In de OVAM-databanken zitten wel een aantal dossiers waarbij asbestproductie of asbeststortactiviteiten plaatsvinden of plaatsvonden. Medio jaren negentig zijn de grotere asbestproblemen aangepakt. Meestal werd als saneringsoptie voor een isolatie gekozen. Inzake prioriteit wordt geopteerd voor een snelle aanpak indien er verspreidingsrisico aan de orde is. Door de actie van een vijftal jaar geleden zijn de bekende gevallen ofwel gesaneerd ofwel via een voorzorgsmaatregel aangepakt.
Met betrekking tot de verwerking van asbestafval dient krachtens de huidige Vlarem-regelgeving een onderscheid te worden gemaakt tussen afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten en asbesthoudend afval dat geen vrije vezels bevat, voornamelijk verharde asbestcement. Verharde asbestcement, meer bepaald golfplaten, dakleien en asbestcementen buizen, kunnen worden afgevoerd naar een categorie 3-stortplaats. Gelet op het verbod om nog asbesthoudende materialen op de markt te brengen, is ook het tweedehandsgebruik van asbestcementen materialen niet langer toegestaan, en wordt er geopteerd voor definitieve verwijdering. Er zijn in Vlaanderen een twintigtal categorie 3-stortplaatsen, zodat er voldoende capaciteit is.
Voor afvalstoffen die vrije vezels bevatten, geldt krachtens Vlarem dat ze eerst gecementeerd moeten worden vooraleer ze gestort kunnen worden op een categorie 1-stortplaats. Slechts in het geval van verpakkingsafval en plastiekafval enerzijds en niet-vershredderbaar materiaal dat met asbesthoudend materiaal bekleed of bedekt is anderzijds, kan het dubbelwandig verpakt afval rechtstreeks worden afgevoerd naar een stortplaats. Er is in het Vlaams Gewest één installatie voor de cementering van asbesthoudend afval, meer bepaald van de firma Rematt in Mol. Het gecementeerde afval gaat daarna naar de stortplaats van Indaver in Antwerpen. In de praktijk blijkt de verwerkingscapaciteit voldoende om alle asbesthoudend afval op te vangen.
Hierbij kan wel melding worden gemaakt van een alternatieve verwerkingsmethode in Frankrijk - van een firma nabij Bordeaux - waar het asbestafval wordt verglaasd. Momenteel is het evenwel afval dat vooral vanuit het Brussels Gewest via Mol naar Frankrijk gaat, dat op die manier behandeld wordt. De hoge energiekosten van het verwerkingsproces en de grote transportafstand maken deze alternatieve verwerking immers dubbel zo duur als cementering en storten, wat op zichzelf ook al een dure verwerkingsmethode is. Hoe dan ook, het is een alternatieve methode, die we zeker niet uit het oog mogen verliezen.
Ten slotte kan nog worden vermeld dat momenteel door de VITO in opdracht van de OVAM een studie wordt uitgevoerd waarbij de criteria zijn onderzocht om asbesthoudend afval verder te kwalificeren, meer bepaald met betrekking tot de kwalificatie 'vrije vezels'. Of particulieren al dan niet afdoende beschermd worden tegen asbest in openbare gebouwen waarin werknemers tewerkgesteld zijn, hangt af van de aanwezigheid van de verplichte asbestinventaris en de kwaliteit van het beheersplan en de uitvoering ervan. Dit is echter een federale materie. Ter bescherming van particulieren in privé-woningen wordt in het kader van de beleidsnota een sensibiliseringscampagne overwogen. Daarin kunnen worden opgenomen : illustraties van asbesttoepassingen die kunnen voorkomen in en rondom een woning, een beschrijving van het onderscheid tussen gevaarlijke en minder gevaarlijke toepassingen, een beschrijving van veilige verwijderingsmethoden en de plaatsen waar het afval gedeponeerd kan worden, en het aangeven dat men voor gevaarlijke toepassingen best een gespecialiseerde firma contacteert.
Een attestering 'asbestvrije woning' zoals in Nederland vereist is, alvorens tot de sloop van een woning kan worden overgegaan, zou een vergaande maatregel zijn. Dit komt immers neer op een asbestinventaris voor alle te slopen woningen, die moet worden opgesteld door een gespecialiseerd bedrijf. In Nederland blijkt dit systeem niet zo vlot te lopen : ten eerste omdat er een enorme hoeveelheid aan mensen en middelen ingezet dient te worden en ten tweede omdat de handhaving niet sluitend is. Vooraleer een dergelijk systeem in Vlaanderen ingevoerd wordt, dienen we de haalbaarheid na te gaan. Misschien moeten we inderdaad ook een differentiatie inbouwen. Hoe dan ook, deze suggestie zal meegenomen worden in het doelgroepenoverleg en in de komende beslissing over de beleidsnota Asbest.
Binnenkort start de evaluatie van het sectoraal uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. Ook binnen die procedure zullen we overwegen of de invoering van een voorafgaande inventarisatie van te slopen gebouwen op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen zoals asbest aangewezen is. Dit kan zeer nuttig zijn, want hierdoor kunnen immers ook de kwaliteit en de afzetmogelijkheden van sloopafval verbeteren.
Enkel cementgebonden asbestplaten mogen aanvaard worden op het containerpark. Die platen worden namelijk beschouwd als bouw- en sloopafval. Ze mogen evenwel niet bij het recupereerbare bouw- en sloopafval gevoegd worden. Deze platen moeten te allen tijde apart gehouden worden omdat ze niet mee gerecupereerd mogen worden. De cementgebonden asbestplaten moeten afgevoerd worden naar een klasse 3-stortplaats.
Niet-cementgebonden asbestvezels of producten die asbestvezels bevatten, mogen in geen geval aanvaard worden op een containerpark, maar dienen steeds door een erkende verwijderaar ter plaatse opgehaald en verwerkt te worden. In Vlaanderen zijn er momenteel twee bedrijven die over een milieuvergunning beschikken voor het behandelen van asbestafval. Na behandeling van het asbestafval bij deze bedrijven wordt het afgevoerd naar een klasse 1-stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen. Zoals hoger vermeld, is er ook nog het systeem van verglazing, maar dat is misschien iets wat we op langere termijn moeten bekijken. Op het cementgebonden asbest mag in geen enkel geval ter plaatse een bewerking worden uitgevoerd. Dat staat zo in de Vlarem-reglementering.
Inzake de bescherming van de werknemers op containerparken kunnen we er van uitgaan dat zij normaal gezien een opleiding hebben gekregen waardoor ze zich voldoende bewust moeten zijn van alle gevaarlijke producten waarmee zij in contact komen. Bovendien dient er, zoals bij alle professionele bedrijvigheden, een bedrijfsgezondheidskundig- en veiligheidstoezicht te zijn. Ik wil daarover bij OVAM nog eens navraag doen.
Meer informatie over asbest en asbestafval is te vinden op de website van OVAM, waar zich een document van 28 april 2000 bevindt dat de hele problematiek van verwijdering en verwerking, evenals de mogelijke voorzorgen bij de behandeling ervan, beschrijft. In het overleg tussen gewesten en gemeenten zal worden bekeken hoe gemeenten het best kunnen worden geïnformeerd over hoe om te gaan met asbestafval.
De hoeveelheid asbestkoord, remblokjes, strijkplankjes, vlamverdelers, ovenwanten, enzovoort, die als afvalstoffen ontstaan bij particulieren, is zeer klein in Vlaanderen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat particulieren deze producten niet herkennen. Wanneer ze zich van deze voorwerpen ontdoen, zullen zij ze hoogstwaarschijnlijk meegeven met het huisvuil. Indien ze niet werden verwijderd uit de toestellen waarin ze zijn verwerkt, bijvoorbeeld kachels en dergelijke, dan zullen ze ook in andere huishoudelijke afvalstromen terug te vinden zijn. Dit is een gevolg van het feit dat er geen apart inzamelkanaal voor dit soort afvalstof bestaat ten behoeve van de privé-huishoudens.
Deze afvalstoffen worden hoogstwaarschijnlijk ook niet aangeboden als Klein Gevaarlijk Afval. De mensen leggen die link niet. Trouwens, in de lijst van de KGA-afvalstoffen van het VLAREA worden ze niet expliciet vermeld. Wanneer ze toch als KGA worden aangeboden, zullen ze worden verzameld onder de noemer "KGA van gemengde samenstelling" samen met nog andere niet-identificeerbare en potentieel gevaarlijke afvalstoffen. Momenteel beschikt OVAM niet over concrete informatie met betrekking tot de aanwezigheid van asbesthoudende afvalstoffen in het KGA.
Ook over de aanwezigheid van deze afvalstoffen in het huisvuil of andere huishoudelijke afvalstromen is er momenteel geen concrete informatie beschikbaar. De beleidsnota Asbest zal aangeven hoe deze afvalstromen beter kunnen worden beheerst.
Voor de beleidsnota Asbestbeheersing worden maatregelen overwogen in verband met asbest op wegen. Mogelijkheden zijn voorlichting en sensibilisering van de bevolking. Er komt bijvoorbeeld een brochure die de gevaren en mogelijke saneringswijzen verduidelijkt en een verhoogde responsabilisering van de wegbeheerder - vaak gemeentelijke instanties - onder andere bij asbesthoudend materiaal op openbare wegen.
Bij de subsidieregeling naar het Nederlands model van Twente worden particulieren, bedrijven en instellingen een maatregel toegewezen ter sanering die dan wordt uitgevoerd door de provincie. Daaraan is subsidiëring gekoppeld. Voor een dergelijke subsidieregeling zijn momenteel nog geen budgetten ingeschreven. In het geval de veroorzaker van de verontreiniging bekend is, geldt in elk geval het principe dat de vervuiler betaalt.
Er is momenteel geen initiatief tot inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere blackpoints. De gevallen die gemeld worden, zijn schaars. Hierbij is er niet zozeer sprake van een bodemsaneringsprobleem, maar eerder van een probleem inzake het onoordeelkundig gebruik van afvalstoffen die via opwaaiing een mogelijk gezondheidsrisico kunnen inhouden.
De voorzitter : De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Ik ben blij verrast dat er toch cijfers zijn over asbestgerelateerde aandoeningen. Ik had de vraag ook aan minister Aelvoet gesteld. Buiten het Fonds voor Beroepsziekten kon ze geen cijfers geven. Het is goed nieuws dat er wel zijn op Vlaamse niveau.
Wat betreft biomonitoring in bepaalde risicogebieden rond vroegere asbestbedrijven : het is uiteraard niet de bedoeling om asbestvezels in de longen te meten. Professor Pluyvers wijst er wel op dat via biomonitoring biologische effecten kunnen worden gemeten. Zo kan men preventief optreden. Dat is in gebieden waar men quasi zeker is dat bepaalde personen zware gezondheidsproblemen hebben door de blootstelling aan asbest, uitermate belangrijk.
Nog een derde opmerking in verband met concentraties van asbest in de lucht die in het verleden werden gemeten. Ik stel een verbetering vast en dat is goed nieuws. De concentratie die de WHO als gevaarlijk voor de volksgezondheid heeft vastgelegd, bedraagt 1000 vezels per kubieke meter. De metingen die aan het begin van de jaren tachtig zijn gebeurd in de omgeving van een asbestbedrijf bedroegen concentraties van 20.000 tot 640.000 vezels per kubieke meter. De latentieperiode is dertig tot veertig jaar. Dat illustreert dat we nog een en ander aan problemen kunnen verwachten. Het probleem mag dan ook niet worden onderschat, ook al is de asbestproductie nu stilgelegd.
Tot slot wil ik het nog even hebben over de asbestwegen. Ik weet niet of het probleem schaars is. In Kapelle-op-den-Bos en Tisselt is asbest op grote schaal gebruikt. Natuurlijk moet de vervuiler betalen. Ik daag OVAM echter uit om Eternit daarvoor te laten opdraaien. In elk geval moet het probleem worden opgelost. Zo niet, blijft dit aanslepen voor de volksgezondheid.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
GOLTZ Thomas
Azerbaijan Diary: A Rogue Reporter's Adventures in an Oil-rich, War-torn, Post-Soviet Republic
Edited: 199908310001
Published August 31st 1999 by Routledge

In its first years as an independent state, Azerbaijan was a prime example of post-Soviet chaos - beset by coups and civil strife and astride an ethnic, political and religious divide. Author Goltz was detoured in Baku in mid-1991 and decided to stay, this diary is the record of his experiences.

Thomas Goltz (born October 11, 1954) is an American author and journalist best known for his accounts of conflict in the Caucasus region during the 1990s.
TESSENS Lucas
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar London, 19981119-19981120
Edited: 199811241610
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar
London, 19981119-19981120
Deelnemende landen (11): Austria, Belgium (VL), Denmark, Finland, Germany, Ireland, Italy, Netherlands, Norway, Switzerland, United Kingdom
Organisator: BBC

1. Op donderdagavond vond een eerste en nuttige kennismaking plaats tussen de deelnemers; het eigenlijke seminarie begon op vrijdag.

2. Uit de diverse uiteenzettingen hebben wij het volgende onthouden:

• UK (BBC): int zelf de licence fee; gooit geweldig veel research tegen de inningsactiviteit aan en gaat hierbij tot in het extreme; BBC heeft het makkelijk om campagne te voeren op de eigen TV-stations (bvb. spot met een lengte van 4,5 minuten); hun policy bestaat erin de betalingsmogelijkheden zo ruim mogelijk te maken (tailor made) teneinde de TV-houders tot registratie aan te zetten; vervolgens dirigeren zij de betalers naar een minder kostelijke inningswijze; BBC is afgestapt van een politiek waarbij steeds maar op de inningskosten bespaard wordt en lanceert zich in een policy van return on investment; daarbij wordt wel erkend dat ook in de inningsactiviteit de wet van de verminderde meeropbrengsten geldt; BBC spreekt van "selling a licence" wat aanduidt dat zij de gehele marketing-batterij afvuren op hun "klanten"; voor de bestrijding van ontduiking "on the field" worden hi-tech spionage-technieken gebruikt (BBC geeft zelfs toe hiervoor contact te hebben gezocht met inlichtingendiensten): zo kan men van op de straat detecteren waar een TV-toestel in werking is, naar welk TV-station en naar welk programma er wordt gekeken, is de betrokkene niet geregistreerd dan neemt men een foto van de voordeur van het huis met die gegevens + het uur van de controle erop afgeprint; de "continentalen" hadden hun bedenkingen bij deze inbreuk op de privacy; immers, de gebruikte techniek laat ook toe dat gesprekken binnenskamers gevolgd worden (worden wel weggefilterd, maar toch …); ten aanzien van armen en marginalen wordt een gedoogbeleid gevoerd wegens te hoge kosten bij gedwongen invordering.

• Italy (RAI): ook de RAI int zelf; de wetgeving is verouderd (1938); de databases staan niet op punt; de privacy-wetgeving speelt hen parten; de ontduiking is groot tot enorm (hoe zuidelijker, hoe mee ontduiking > zie tabellen); RAI is volop aan het investeren in een eigen mega-call-center.


• Belgium (VL): uiteenzetting met slides door L. Tessens "Fighting Tax Evasion and the use of a Call Center" (zie slides).

• Germany (GEZ)(Joerg Scholz): TV-houders worden ab initio in het bestand opgenomen en kunnen er in principe niet uit verwijderd worden; 80% van de betalingen geschiedt per domiciliëring; korte en warrige uiteenzetting wegens onvoldoende beheersing van de Engelse taal.


• Netherlands (Omroepbijdragen)(Ruud Peters): Omroepbijdragen is op zoek naar nieuw beheerssysteem en lanceert oproep om samen te investeren in een software-platform; pleit voor hechtere samenwerking, een permanente structuur en een secretariaat. Alle voorstellen van Peters worden verworpen, c.q. "gecommissioneerd". Er is enige animositeit merkbaar tussen David Lane (BBC) en Peters: Omroepbijdragen heeft getracht know how te verkopen aan BBC en zulks is mislukt.


3. In de "wandelgangen" konden we nog volgende interessante feiten optekenen:

• Denmark: worstelt met het feit dat het inzetten van een call center volgens de Europese regels van toewijzing moet gebeuren.

• Switzerland (Thomas Rudin tijdens lunch): Inninigsorganisme (Billag) heeft een verzelfstandigd statuut verkregen na decennia-lange inning door Swiss Telecom; overgeërfde database werd verminkt onder druk van privacy-wetgeving (telefoonnummers geschrapt uit het bestand); bij outsourcing dient Switzerland zich te richten naar firma's in de GATT-landen.


• Ireland (Gerry O'Brien tijdens lunch): inning geschiedt door de Irish Post; database-management is geweldig oubollig; Post redeneert zoals EDP-manager van de jaren 70 (alles is moeilijk en tijdrovend, het systeem laat dit niet toe); RTE is zeer ongelukkig met de bestaande situatie; alle hulp is welkom.

4. Permanente structuur en secretariaat
Tijdens het seminarie heeft Belgium (VL) in samenspraak met Netherlands de idee gelanceerd van een permanente structuur (met lidgeld) met een permanent secretariaat/clearing house te Aalst (CIPAL/Kijk- en Luistergeld). Dit was vrij moeilijk omdat een discussie hierover niet op het agenda voorzien was. Toch zijn wij erin geslaagd deze discussie te laten plaatsvinden.
Tijdens de rondvraag bleek Marti Partanen (Finland/YLE) gekant tegen een eigen structuur en een eigen secretariaat. Volgens MP was de opvolging van licence fee een taak voor de EBU (European Broadcasting Union), die deze problematiek sinds jaar en dag had gevolgd maar de laatste jaren de teugels vierde. We kunnen spreken van een typische RECUPERATIEREFLEX. Na de uiteenzetting van MP sloten de EBU-leden de rangen: RAI (Italy), RTE (Ireland), ORF (Austria), DR (Denmark), WDR (Germany). De BBC had zich slechts neer te leggen bij de meerderheid en trok de coördinatie-werkzaamheden en het de facto voorzitterschap voor het komende jaar naar zich toe.
Noteer dat BBC hiermee een punt scoort. Immers, BBC krijgt nu een pak know how toegeschoven.

5. Conclusies
Licence fee management wordt naar ons gevoel gekenmerkt door 3 tendenzen:
5.1. Database improvement: software om de eigen database te beheersen, matching met analoge bestanden (rijksregister, posterijen, kabel, telefonie). Hier ligt een markt voor IT-bedrijven. Moeilijkheid vormt de nationale en Europese regelgeving inzake privacy. Meerderheid worstelt met overgang van oud naar nieuw bestand in een verzelfstandigde omgeving (nood aan training en input database know how).
5.2. Marketing know how: segmentering en vorming van target groups voor inning en invordering, creatief bespelen van allerlei betalingsmogelijkheden (billing), etcetera.
5.3. Communication know how en opvang feedback: kennis van de media mix en de performantie van de ingezette middelen, capabilities van call centers, creëren van "visibility on the field" teneinde perceptie van pakkans op te voeren (vooral belangrijk in zwak bekabelde regios en niet-voorziene matching met bestanden cable subscribers).

Wij geloven niet in het aanhouden van het losse samenwerkingsverband, meer een gevolg van EBU-recuperatiereflex dan van ratio. Men gooit de oppurtuniteit van een grote "learning zone" weg. Op termijn zal blijken dat meer structuur en professionalisering zich opdringt. Wij verwachten een doorbraak na het interim-presidentschap van Italy.
Een steeds wisselende coördinator in het zgn. clearing house is een slechte zaak voor de continuïteit in de verspreiding van know how. Het is bovendien niet zeker dat voor de full digital option (alle communicatie en info over e-mail) wordt gekozen bij het managen van de informatie (nog communicatie per fax en dus op papier). Op die manier behoudt de beheerder van de digitale info in het clearing house, in casu de BBC, een voorsprong.

Bijgevolg zijn wij tot nader order aangewezen op bilaterale contacten willen wij een voorsprong opbouwen en behouden. Deze kunnen o.i. het best samen met Netherlands opgevolgd worden teneinde een platform van een zekere dimensie te vormen.
Willen we ons profileren als de aanreikers van een "total solution" dan is een verticale integratie van know how een must: mainframe, inter- en intranetworking, datawarehouse, document and information flow, communication and feedback management, call center capabilities, budgetbewaking. Het is onze overtuiging dat wie zich (in teamverband) met deze bagage het eerst Europees als problem solver profileert mooie groeikansen heeft. Deze liggen immers in het bredere veld van de tax collecting.

Lucas TESSENS - MERS (Media Expert Research System) - 1998-11-24
MERS
Draft Press Release on Licence Fee Collection in Flanders by CIPAL
Edited: 199810270938
Recently the National Institute for Statistics (NIS) in Belgium published the statistics of the private households in Belgium.
These figures are important for a good comprehension of the structure of a state since the household is still to be considered as the main consumption unit of cable services. Licence fee collecting also has the household as main target.

The Kingdom of Belgium is a federalized nation.
Belgium comprises of three communities (based upon language): the Dutch (Flemish), the French (Walloon) and the German speaking community.
On the other hand Belgium consists of three regions (based upon territory): Flanders, Brussels and Wallonia. Each of these three regions their own government with growing responsabilities. Flanders is by far the most important region, both in demographic and in economic terms.
Provinces are administrative/territorial divisions of Belgium. There are 10 provinces, 5 in Flanders and 5 in Wallonia.

CIPAL is the firm responsable for the licence fee collection in the region Flanders since 1997. After a competition with the big informatic firms (IBM, EDS, Orda-B, Siemens, …) CIPAL obtained the outsourcing contract for a five year period (1997-2001).
The core business of CIPAL was and still is the treatment of digital data for the municipalities in the provinces Antwerp and Limburg.
The outsourcing of the licence fee collection must be seen as a deliberate new political option of the Flemish government: to delegate jobs to those who are considered to be the best in the market.
The responsabilities of CIPAL are considerable and complex:
• building a strong and visionary management team,
• the complete reorganisation and the training of personnel on new machines and new software,
• the installation of a full digital workflow where paperwork is banned "at the border" of the administrative process,
• the coordination of campaigns against tax evasion,
• the matching of its own database with those of the 21 cable companies in Flanders,
• the constant verification of names and adresses, and so on.

MERS is a consultant in media, communication and cable affairs. Lucas Tessens, managing director, iniated commercial television in Flanders in the 80s and cable telephony in 1994. He also advised the Flemish government and private firms in media and telecom matters. CIPAL and MERS work together from the start of CIPALs new business.

MERS believes that the collection of licence fee is much more than a pure technical matter. The huge penetration of television in households makes tax collecting a fine tuned barometer for financial and sociological trends in society. And a better comprehension of society helps to make better tax consultants and better governments.
LT
Letter to Mme Judith Stelmach (ORF)
Edited: 199810160928
ORF
Mme Judith Stelmach
Audience Research Department
Würzburggasse 30
A - 1136 - WIEN
Austria

Antwerp (Belgium), 1998-10-16


Dear Judith,


Please find hereby the Annual Report of the Flemish Licence Fee organisation (Dienst Kijk- en Luistergeld).

MERS is the external consultant for licence fee collection in Flanders, the Flemish speaking community of federalised Belgium.

On April 1st 1997 the service gained autonomy. Before that date the licence fee organisation was a part of Belgacom, the telecom operator of Belgium, privatised for some years now.
CIPAL, a service company in the informatic field and owned by a large number of cities in Flanders, took over the job (computer technology, organisation and management, etcetera). The Flemish government is the final responsable for and beneficiant of the tax collection. The public broadcast company (VRT) gets a dotation from the Flemish government but one can not say that there is an direct link between the taxes collected and the funding of the public broadcaster. This stays a political decision on a yearly basis. In some respect this situation makes the communication with the public rather difficult ("why you should pay licence fee"). Yet the collected licence fees are considered by the large majority as the main financial source for the VRT.

Note also that taxes are collected per household for TV-sets and per car for car radio.

As of April 1997 CIPAL undertook a number of successfull and speedy actions to improve the organisation of the service: new software, upgrading and training of personnel, large media campaign against tax evasion, etc.
All these efforts resulted in a dramatic rise of the registration rate in Flanders (see the tables in the annual report).
The situation in Flanders is somewhat special because of the very high penetration of cable (teledistribution). This makes it possible to match the databases of cable companies and the licence fee organisation on a nominative basis. This matching proces was made possible by law.
Great efforts go to the improvement of the matching methods because this is one of the keys for evasion rate reduction. The maps at the end of the annual report gives an insight in the evasion rate per province/city/village in Flanders (308 in total). The maps indicate where TV and car radio tax evasion is prominent and this information is to be considered as a management tool for specific and punctual action in the field.

It is my firm belief that international cooperation and data interchange can improve our business. Permanent improvement in tax collection can only evolve when brains work together and ideas flow around the globe.

Kind regards,







Lucas TESSENS
Managing Director MERS
MEUWISSEN Eric
Il y a juste deux siècles, le tiers de la superficie du Brabant wallon changeait de propriétaire suite à des opérations immobilières inouïes
Edited: 199801170634
Le Soir, Samedi 17 janvier 1998, Page 37
Les bourgeois de Bruxelles ont roulé les paysans du cru
Une « opération satanique d'anticléricaux» aux origines de l'implantation de la bourgeoisie bruxelloise dans le Brabant wallon ? Pas si simple.
Les touristes qui visitent l'abbaye de Villers se demandent souvent pourquoi ce site jadis si opulent est devenu une telle ruine ? Et pourquoi les bois qui ceinturent Villers appartiennent à la famille Boël qui règne encore, au départ de la ferme du Chenois (notre photo), sur un domaine de plus de 2.000 ha ?
La réponse se trouve tout simplement dans la vente des biens nationaux. A savoir la vente dans la foulée de la Révolution française de biens d'origine ecclésiastique (2.885 ha pour l'abbaye de Villers par exemple). Une vente sur laquelle l'historien François Antoine (30 ans) s'est penché à travers sa thèse de doctorat (ULB) (1). Elle nous permet de mieux comprendre pourquoi par la suite le Brabant wallon fut plus que n'importe qu'elle autre région, placé dans une grande dépendance à l'égard de Bruxelles et comment il généra des flux financiers des campagnes vers la ville, de l'agriculture vers l'industrie. Bref, une étude très fouillée (dont nous n'abordons ici qu'un des nombreux aspects) et qui nous donne une des explications de la présence de grandes propriétés foncières en Brabant wallon. Des grandes propriétés qui ne furent pas étrangères à l'installation de l'UCL à Ottignies, ou encore à la concentration anormalement élevée de golfs dans la nouvelle province.
«UNE ORGIE FINANCIÈRE»
On y apprend ainsi qu'entre 1796 et 1801 plus de 30.000 hectares ont changé de mains en Brabant wallon ! Cela équivaut au tiers de la superficie de la région (Genappe détient le pompon avec plus de 3.400 ha vendus, suivi de Braine-l'Alleud 2.772 ha, Jodoigne 2.431 ha, Grez 2.379 ha...). Une incroyable mutation foncière qui a eu pour conséquence de transférer la grande propriété des mains des abbayes à celles de la bourgeoisie bruxelloise. Certains historiens évoquèrent «une opération satanique d'anticléricaux» venus de France dilapider les plus beaux joyaux de nos régions. D'autres parlèrent de «véritables orgies financières». A chaque fois, l'historien fait la part des choses même s'il ne cache pas que ces ventes donnèrent lieu à des spéculations scandaleuses, effrénées et extrêmement lucratives qui permirent aux plus «audacieux» de se constituer en quelques années des fortunes colossales. Que l'on pense au fameux Mosselman, ancêtre de la reine Paola, à Maximilien Plovits, né sans fortune, et bientôt propriétaire d'une partie du couvent des Carmes à Wavre et de la ferme de Mellemont à Thorembais...
Cette vente des biens nationaux eut pour conséquence de maintenir le «régime des grandes fermes» puisque la plupart des grands ensembles agricoles ont été aliénés en bloc. Le résultat en fut le maintien en Brabant wallon des structures rurales d'Ancien Régime et l'émergence d'une agriculture de type capitaliste. Nous sommes là aux antipodes des aspirations jacobines de redistribution de la propriété foncière à l'avantage de la paysannerie. Paradoxe d'une révolution !
DU CASH POUR MONTER DES AFFAIRES
La grande bourgeoisie bruxelloise put grâce à ce tranfert de propriété préparer sa mainmise politique et économique sur tout le XIXe siècle. La classe des négociants manufacturiers est ainsi parvenue à utiliser les biens ecclésiastiques sis en Brabant wallon notamment comme un puissant levier pour favoriser leur passage du négoce à l'industrie. En d'autres mots, les biens nationaux permirent aux bourgeois d'avoir du cash pour monter des affaires.
Prenons le cas de Daniel-Patrice Hennesy qui réinvestit ses profits en acquérant par exemple les papeteries de La Hulpe ou de Pierre-François Tiberghien qui convertit en vastes ensembles industriels textiles l'abbaye d'Heylissem. Dès lors, on ne s'étonnera pas de voir que ce sont ces grands acheteurs de biens nationaux (ou leurs fils) qui «mirent la main» sur la Société Générale et qui contrôlèrent l'économie du pays durant une bonne partie du XIXe siècle. Le meilleur exemple étant celui du châtelain d'Argenteuil, Ferdinand de Meuûs, gouverneur de la Société Générale, et dont le père fut un des « fossoyeurs du monachisme» pour reprendre une expression imagée et polémique de l'époque.
ERIC MEUWISSEN
(1) François Antoine : «La vente des biens nationaux dans le département de la Dyle». Archives Générales du Royaume. 1997. 545 pages. 850 F. Renseignements : 02-513.76.80.
11 december 1997: eerste nummer van P-magazine rolt van de pers met Véronique De Kock op de cover
Edited: 199712111496
Aandeelhouders van De Vrije Pers zijn: Wim Schamp (WIM), Kris De Kelver (Business Panel) en Wim Merckx (zoon van Jan -)
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne via 0900/10.203 - EINDRESULTATEN
Edited: 199712071515
• 1ste periode = 19971001 tot 19971010, 12.00 u
• 2de periode = 19971010, 12.00 u tot 19971017, 12.00 u
• 3de periode = 19971017, 12.00 u tot 19971024, 12.00 u
• 4de periode = 19971024, 12.00 u tot 19971031, 12.00 u
• 5de periode = 19971031, 12.00 u tot 19971107, 12.00 u
• 6de periode = 19971107, 12.00 u tot 19971114, 12.00 u
• 7de periode = 19971114, 12.00 u tot 19971121, 12.00 u
• 8ste periode = 19971121, 12.00 u tot 19971128, 12.00 u
• 9de periode = 19971128, 12.00 u tot 19971205, 12.00 u


1. Tabel 3 gewesten: globaal overzicht van de aangiften

• Vlaams gewest: 29.095 calls leverden 31.689 aangiften op. Per 100 calls worden er dus gemiddeld 109 aangiften ge¬daan.

• Spreiding van de aangiften voor het Vlaams gewest:
 49,74 % auto¬radio's,
 0,37 % zwart-wit-TV
 49,89 % kleuren¬televisie.

• Gecumuleerde bruto-opbrengst uit Vlaams gewest:
 134 miljoen BEF (gerekend aan de taksbedragen 1997).

• Gecumuleerde bruto-opbrengst uit het Rijk:
 135 miljoen BEF (gerekend aan de taksbedragen 1997).

• Pro memorie: bruto-aangiften - 'waste' = netto-aangiften.

Bemerking: Naast de aangiften via het 0900-nummer zijn er nog de schrif¬telijke aangiften via Aalst, de di¬recte stortingen op het reke¬ningnummer, de aangiften via het loket en die via de web-site. De op¬brengst van de anti-ontduikings¬campagne schatten wij op dit ogenblik (5 dec.) op
233 miljoen B¬EF.

2. Tabel/grafiek: analyse van de 9 periodes (Vlaams gewest).

Vervolgens geven wij een overzicht van de resultaten per periode + het totaal. Teneinde de evolutie te visualiseren werden grafieken gemaakt voor elk van de parameters (aantal calls, duur van de gesprekken in uren, aantal aangegeven autoradio's, aantal op¬gedoken houders van zwart-wit-televisies, aantal opgedoken houders van kleuren¬televisies, aantal verdeelde folders).

De laatste periode was een "uitbolperiode".
Op 5 december om 12.00 uur werd - gegeven het snel teruglopend aantal calls - de mogelijkheid om zich via 0900/10.203 aan te melden afgesloten. Een audio-boodschap verwijst naar de verplichting om zich schriftelijk aan te melden te Aalst.


3. "Opgekuiste" ontduiking van kijkgeld. Gemeentelijke benadering.

Men zal zich herinneren dat wij de STATISTISCH MEETBARE ontduiking van kijkgeld als volgt gedefinieerd hebben:

aantal kabelabonnees MINUS het aantal TV-vergunningen.


• Voor een eerste groep van 38 gemeenten gaf dit een negatief cijfer omdat het aantal TV-vergun¬ningen er groter is dan het aantal kabelabonnees. Toch werden uit deze gemeenten in totaal 739 aangiften van TV's ontvangen.


• Een tweede groep betreft 12 gemeenten uit dewelke meer TV-aangiften werden ontvangen dan het verschil uit de formule (kabelabs. - TV-vergunnin¬gen).

Deze 12 gemeenten zijn:
1. Rijkevorsel (22 TV-aangiften tegen 3 statis¬tisch gemeten ontduikers)
2. Waas¬munster (13 tegen 3)
3. Beernem (26 tegen 8)
4. Hoegaarden (12 tegen 5)
5. Vosselaar (9 tegen 4)
6. Avelgem (15 tegen 6)
7. Meeuwen-Gruitrode (27 tegen 20)
8. Herk-de-Stad (35 tegen 27)
9. Wijnegem (12 tegen 9)
10. Boechout (34 tegen 28).
11. Alveringem (9 tegen 8).
12. Nevele (27 tegen 26)


• In de derde en grootste groep van in totaal 258 gemeenten is de statistisch gemeten ontdui¬king in meerdere of mindere mate "opgekuist".

We geven hier het aantal TV-aangiften (enkel diegene die via het 0900-nummer binnen¬liepen!) weer als een percentage van de statistisch gemeten ontduiking.

Een voor¬beeld maakt dit duidelijk: In Hooglede hadden we 25 ontduikers gemeten en er werden uit die gemeente 25 TV-aangiften ontvangen via het call center; de "opkuis" bedraagt er dus 100%.


Hieronder vindt men de TOP 20:

1. Hooglede 100 procent
2. Houthulst 86 procent
3. Bree 85 procent
4. Zandhoven 83 procent
5. Bierbeek 79 procent
6. Wervik 72 procent
7. Ternat 68 procent
8. Lovendegem 64 procent
9. Wingene 61 procent
10. Berlare 60 procent
11. Kalmthout 60 procent
12. Kruishoutem 58 procent
13. Opglabbeek 51 procent
14. Rotselaar 48 procent
15. Poperinge 46 procent
16. Borgloon 44 procent
17. Galmaarden 42 procent
18. Kortemark 42 procent
19. Kuurne 42 procent
20. Liedekerke 42 procent

Hierbij vindt u ook de ALFABETISCHE LIJST van de 308 gemeenten met de relevante cijfers.

4. Een voorlopige conclusie

 Alhoewel diepgaander onderzoek nodig is om deze stelling te bevestigen, durven we nu toch al stellen dat Vlaanderen na deze campagne afstevent op een Europees record: het laagste percentage qua ontduiking van kijkgeld.
Een diepgaand en nog lopend MERS-onderzoek wijst uit dat Vlaanderen reeds gunstig afstak bij de situatie in het Waalse en het Brusselse gewest. Vooral Brussel is een echt probleemgebied wat ontduiking betreft. Na deze campagne zal de "kloof" tussen de gewesten nog verbreed zijn.

 Dat zulks gerealiseerd wordt met een minumum aan middelen (cfr. het klein aantal contro¬leurs) en dat we - internationaal gezien - toch op een hoog bedrag aan "licence fee" zitten, wat ontduiking "lucratief" maakt, vormt een (te verifiëren) merk¬waardige vast¬stel¬ling.

 De hoge penetratie van de kabel en de wettelijk voorziene matchingsmoge-lijkheid met de abonneelijsten zijn niet te onderschatten troeven omdat zij
de PERCEPTIE van de PAKKANS gunstig beïnvloeden.

 De campagne heeft hierop inhoudelijk ingespeeld en gewild deze perceptie versterkt. De gebruikte mediamix en de gefaseerde overgang van 'nationale' media (BRTN, dag- en weekbladen) naar 'regionale' media (regio-TV) hebben de 'nabijheid' van de pakkans gevoelig verhoogd. De bijkomende redactionele aandacht ('free publicity') heeft een katalysator-effect gehad.

 Ook vanuit media-technisch én sociologisch oogpunt vormen de campag-neresultaten een unicum omdat zelden een zo hoge graad van meetbaar¬heid van de feedback ('response rate') wordt bereikt.








Lucas TESSENS/19971207

LT
campagne kijk- en luistergeld stopt op 19971205
Edited: 199712042015
*FAXBERICHT • FAX MESSAGE

To: Kabinet van de Minister van Financiën, Begroting en Ge¬zond¬heidsbe¬leid¬, ter attentie van dhren
• Dirk DE KEUSTER, Ad¬viseur
• Carl BUYCK, Woordvoerder
Kool¬straat 35, 1000 Brussel
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director MERS
Date: 19971204
Ref: calls Sitel (staafdiagram)
Pages (this one included): 1+1
Tel: 02-227.24.11
Fax: 02-227.24.05



Geachte Heer De Keuster, Beste Dirk,
Geachte Heer Buyck, Beste Carl,



1. Hierbij het overzicht van de live-calls tot donderdagavond 21.00 uur.
Donderdag werden er weerom slechts 134 calls ontvangen.
Cumul (1/10-4/12): 32.762 calls.


2. Aan Sitel is opdracht gegeven om morgen om 12.00 uur klokslag af te sluiten. Over de toelaatbaarheid van het laten beluisteren van het audio-bandje had Sitel ons tegen deze namiddag uitsluitsel beloofd. Wij zijn nog in het ongewisse. Wij nemen morgen zelf contact op met Sitel.
Indien er bez¬waren zouden rijzen vanuit de Ethische Commis¬sie, dan zit er volgens ons niets anders op dan het 0900-nummer uit te doven. In voor¬komend geval lijkt een kort persbericht toch aangewezen.


3. Tegen maandag zullen wij rapporteren over de 9de en laatste periode (analyse aangiften).


Met vriendelijke groet,




Lucas TESSENS
LT
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne
Edited: 199710120901
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne
via 0900/10.203
Resultaten 19971002 - 19971010


1. Basisgegevens

Op 10 oktober ontvingen wij via e-mail van SITEL de resultaten over de periode 2 oktober - 10 oktober 1997 (diskette RAPP1010.xls, Excel 4.O).
Er moet door SITEL nog nauwkeuriger worden opgegeven voor welke periode (van welk uur tot welk uur) de rapportering geldig is.

Dit bestand bevatte per gemeente (op NIS-code) volgende elementen:
• aantal calls
• totale duur van de gesprekken in seconden
• aantal aangegeven autoradio's
• aantal aangegeven zwart-wit-TV's
• aantal kleuren-TV's
• aantal aangevraagde folders in de nederlandse taal
• aantal aangevraagde folders in de franse taal
Het door Sitel aangeleverde bestand beantwoordt daarmee aan de opdracht tot statistische rapportering zoals door MERS opgedragen bij fax van 199710¬02. Eén gegeven werd niet verstrekt: het aantal doorver¬wijzigingen naar back end nummer Aalst. Dit gegeven is echter van secundair belang.



2. Correctie

Het MERS stelde vast dat in het bestand een dubbeltelling voorkomt van 132 calls, met name deze afkomstig uit het Brussels gewest (19 ge¬meenten). SITEL heeft blijkbaar alle calls uit deze 19 gemeenten samen¬gebracht onder Brussel (NIS-code 21004) maar dezelfde calls ook nog eens onder Bruxelles (eveneens NIS-code 21004) vermeld.
Het MERS heeft de cijfers voor deze 132 calls geëlimineerd.


3. Resultaten na correctie

In de beschouwde periode werden 4.249 calls ontvangen. De totale ge¬spreks-duur bedroeg 637.350 seconden of 10.622 minuten of 177 uur.
Een gemiddelde call nam aldus 2,50 minuut in beslag.
Zoals te verwachten was kwam het gros van de calls vanuit het Vlaams gewest: 4.106 calls. Uit Brussel kwamen er 132 en uit het Waals gewest 11.

3.1. Aangegeven autoradio's (toestellen)
In totaal werden er 2.139 autoradio's geregistreerd.
• Vlaams gewest: 2.094
• Brussels gewest: 39
• Waals gewest: 6

3.2. Aangegeven kleurentelevisies (houders)
In totaal deden 2.313 personen (huishoudens) aangifte van één of meer kleuren-TV's.

• Vlaams gewest: 2.225
• Brussels gewest: 84
• Waals gewest: 4

Uit de nominatieve CIPAL-matching zal moeten blijken welke en hoeveel van de 88 aangiften, afkomstig uit het Waalse en het Brusselse gewest, slaan op tweede verblijven (thuishorend in het Vlaamse KLG-bestand) dan wel of er een overdracht van gegevens naar de andere gewesten dient te geschieden. Ook de voorwaarden van de overdracht dienen dan nog te worden bekeken.

3.3. Aangegeven zwart-wit-televisies (houders)
In totaal deden toch nog 21 personen (huishoudens) aangifte van een zwart-wit-televisietoestel.

• Vlaams gewest: 19
• Brussels gewest: 2



4. Folders

In totaal werden er 487 folders verdeeld (485 NL, 2 FR).
Hiermee is 1,6 % van de 30.000 bij SITEL gestockeerde folders ver¬deeld.




5. Opbrengsten (bruto)

Overeenkomstig de beslissing van het Kabinet zullen alle aangiften aangere¬kend worden vanaf 1 oktober 1997. In de praktijk wil dit zeggen dat er voor autoradio, z/w-TV en kleuren-TV resp. 1.068 BEF, 5.136 BEF en 7.368 BEF zal worden aangerekend (geldende taksbedragen 1997).
De totale bruto-opbrengst voor de beschouwde periode bedraagt aldus 19.434.492 BEF.

gewest
AR z/w TV kl TV Totaal
VL 2.236.392 97.584 16.393¬.800 18.727¬.776
BR 41.652 10.272 618.912 670.836
WAL 6.408 0 29.472 35.880
totaal 2.284.452 107¬.856 17.042¬.184 19.434¬.492

Opgelet! De bovenstaande berekening is voorlopig en bruto. Inderdaad, de netto-opbrengst kan slechts berekend worden na de nominatieve matching door CIPAL: eliminatie van nep-aangiften, grappenmakers, dubbele aangiften, niet-traceerbare aangiften wegen foutieve input door TO, enz...


Incidentie op begrotingsjaar 1997

Aangezien de aangiften alle vanaf 1 oktober 1997 aangerekend worden zullen de uiteindelijke netto-bedragen slechts voor 3/12de aan het begro¬tingsjaar 1997 mogen worden toegewezen. Het saldo (9/12de) is over te dragen op het begrotingsjaar 1998 (overlopende rekening).

6. Outbound calls & audiotex

Tijdens de betrokken periode (19971002 - 19971010) zijn er piek¬momenten geweest die niet direct en live door het dedicated KLG-team van SITEL konden worden opgevangen.
Van een deel van deze calls werd enkel het telefoonnummer door een non-dedicated TO genoteerd en werd er daarna (tijdens daluren) in outbound call gewerkt.
Van deze activiteit kregen wij tot op heden nog geen rapportering.

Ook van de inzet van de audiotex-formule (nalaten van telefoonnummer door opbeller via intoetsen) tijdens 'outlogged periods' (bvb. 's nachts) werd nog geen rapportering ontvangen. Het is overi¬gens niet duidelijk of deze techniek wel effectief werd ingezet. Het is ons bekend dat er hierrond technische problemen gerezen zijn en dat men minstens tijdens één nacht een formule heeft gehanteerd waarbij één TO een gecom¬bineerde Proximus/KLG-opdracht kreeg.

Wij herinneren eraan dat een outboundgesprek à 125 BEF/call zal gefac¬tureerd worden door SITEL.


7. Andere respons-kanalen (feedback)

Andere gebruikte respons-kanalen buiten het 0900-nummer zijn:
• back end nummers Aalst (production teams)
• loket Aalst
• Kabinet van de Minister
• inzendingen aangifteformulier (folder)

Vooral het eerste en het laatste respons-kanaal kan nog voor een serieuze upgrading van het effect zorgen. De inzendingen van aangif¬teformulieren ex folder zullen echter met vertraging zichtbaar en kwan¬tificeerbaar worden. Het folder-effect is van een informatiever aard en daardoor diepgaander en moet op langere termijn beschouwd worden.

8. Retributie op telecom-kost


Over de periode werden voor 10.622 minuten inbound gesprekken genoteerd.
Dit zou betekenen dat Belgacom hierop een maximale omzet scoorde van 192.789 BEF (6,05 BEF x 3 x 10.622). De helft wordt geristorneerd aan CIPAL, zijnde 96.695 BEF.
De berekening is theoretisch want mede afhankelijk van het tijdstip van de call (zwart tarief van 18u30 tot 08u00 + weekends en wettelijke feestdagen = 6,05 BEF/40 sec.).


9. Verslaggeving pers & TV

Op basis van dit rapport kan gedacht worden aan een kort en factueel persbericht met distributie via het agentschap Belga.

Overigens mag gezegd worden dat de Vlaamse dagbladen zeer veel interesse betonen voor de campagne, ook nog een week na de perscon¬ferentie. Deze weerklank in de pers versterkt ongetwijfeld het effect van de campagne.

Ook de regionale TV-zenders hebben er aandacht aan. Zo ging Focus Tele¬visie uitgebreid (street interviews, vertoning kleurenkaart provincie West-Vlaanderen) in op de problematiek van de zware ontduiking in tweede verblijven aan de Kust. Via het uitwisselingsprogramma tussen de regionale TV-stations kwam dit Focus-thema ook in andere provincies aan de orde (met name op zondag via ATV in de provincie Antwerpen). De 'carroussel'-bericht¬geving verhoogt de visibi¬liteit en dus de con¬tactkans en bijgevolg de respons-rate.


10. Tweemaal een gemeentelijke TOP-20

In de bijlagen bij dit rapport geven wij de 20 gemeenten die het hoogst aantal aangiften opleverde, éénmaal voor autoradio, éénmaal voor kleurentelevisie.
Het is o.i. nog iets te vroeg (niet-representatief) om per gemeente relatieve scores te berekenen (aangiften gerelateerd aan de gemeten ontduiking).




Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
19971012
Brussel, Martelarenplein: start anti-ontduikingscampagne kijk- en Luistergeld - oktober 1997
Edited: 199710000931
Vlaams Minister Wivina Demeester, team leader Jos Franken (CIPAL), Hedwig Vanderborght (MVG), Lucas Tessens (Media Expert Research System) en enkele anderen. De campagne kreeg ruime aandacht in de media. Aangiften konden gebeuren via het call center bij SITEL.
Persconferentie start anti-ontduikingscampagne Kijk- en Luistergeld - minister Wivina Demeester - Yves Hantson - René Pelckmans / in de combi van KLG
Edited: 199710000930
Martelarenplein Brussel
LT
Geamendeerde nota betreffende het call center
Edited: 199707040917
*FAXBERICHT - FAX MESSAGE

To: CIPAL, t.a.v. dhr Jos Franken, Adjunct van de Directeur-Generaal/¬Team Leader KLG, Cipalstraat 1, 2440 GEEL.
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director
Date: 19970704
Ref: Geamendeerde nota betreffende het call center
Pages (this one included): 1+2
Tel: 014-57.65.52
GSM: 075-23.79.20
Fax: 014-58.35.00


Geachte Heer Franken,
Beste Jos,


Aansluitend bij Lou's memo (overleg stuurgroep KLG-campagne) zend ik u hierbij de geamendeerde nota betref¬fende het call center voor KLG (0900-nummer).

Van kapitaal belang hierin is de directe link tussen call center en het integrale DIV-bestand. Ook reeds voor de offerte-aanvraag bij 3 call centers (beïnvloedt scenario!). Wil zo vlug mogelijk uitsluitsel geven.

U zult deze nota wel willen doorspelen aan de betrokkenen binnen CIPAL.


Met vriendelijke groet,




Lucas TESSENS









DISCUSSIENOTA 19970703
Mediacampagne KLG & organisatie van een call center.
Geamendeerde versie na overleg 19970703 tussen: Danielle Mes¬maekers, Els Helsen, Filip De Graeve, Patrick Roten, Eddy Debaets, Lou Michiels, Lucas Tessens. Aansluitend overleg met Dirk De Keuster (Kab. WDM) en Jos Franken.

• Call center operationeel op donderdag 19971002, d.i. dag na perscon¬feren¬tie!
• Idealiter beschikt het externe call center (d.i. buiten KLG-Aalst) over een rechtstreekse link op het centrale KLG-bestand. Principe = aanvaard door Kabinet.
• Er wordt geopteerd voor een 0900-nummer (beslissing Kabinet WDM).
• In ieder geval dienen de tele-operatoren opgeleid te worden via korte maar intensieve briefing (schematisch overzicht verloop gesprek). Supervisie door KLG-expert aan te raden (bijsturen procedure en opvang probleemgevallen). Rollenspel in testfase inbouwen. Hiervoor zal men een beroep doen op de ervaring van district manager, diens assistants, de sectiechefs en controleurs. • Er moet een keuze gemaakt worden betreffende de UREN dat het call center gedurende 8 maanden bereik¬baar is.

Mogelijke intro's bij call center

1.1. Het gaat over autoradio

• Mag ik uw nummerplaat? >>> Veronderstelt dat alle nr-platen van DIV in KLG-base ingeput zijn (zoniet wordt call center zeker duurder want input-tijd is groter). Persoonsgegevens verschijnen onmiddellijk op sch¬erm + gegevens over AR én TV. Check op de naam (veiligheid!).

• Actie:
1.1.1. nr-plaat zonder KLG-nummer > input aanmelding > overschij¬vingsfor¬mulier via printshop (Joos?) naar persoon in kwestie / hebt u ook een TV op dat adres? > ja (zie verder) of neen (beëindigen ge¬sprek)

1.1.2. nr-plaat mét KLG-nummer > hebt u misschien nog een wagen met AR? > ja (zie 1.1.1.) of neen > hebt u misschien ook een TV? > zie 1.2.

Noteer dat bovenstaande situatie een normaal gesprek zou zijn. Indien de opbeller zijn nummerplaat niet kent ziet het scenario er geheel anders uit. Bij de aankondiging van het 0900-nummer in de campagne: "Zorg dat u uw plaatnummer bij de hand hebt!".


1.2. Het gaat over TV

• Mag ik uw naam (evt. spellen) + gemeente + straat + nr? > search

Actie:

1.2.1. TV-bezitter zit mét KLG-nummer in bestand > u bent in regel > hebt u misschien ook een TV in een tweede verblijf? > ja (adres op¬nemen, zie 1.2.2.) of neen > hebt u een autoradio? ja (zie 1.1.) of neen (beëindigen gesprek).

1.2.2. TV-bezitter zonder KLG-nummer > input aanmelding > over¬schij-vingsformulier via printshop (Joos?) naar persoon in kwestie / hebt u ook een AR? > ja (zie hoger) of neen (beëindigen gesprek)


1.3. Men wil specifieke of algemene info

• Specifieke vraag (anoniem) > mondeling antwoord (beëindigen ge¬sprek).

• Specifieke vraag met overgang naar 1.1. of 1.2. (zie aldaar).

• Algemene info > input naam en adres > printshop Joos of eigen printshop call center voor toezending leaflet > link met bestaande naam in KLG-bestand (spoor dat betrokkene info heeft opgevraagd) of new record in KLG-bestand (nog zonder dossier¬nummer).


1.4. "Specials"
• Voor speciale gevallen (betaalproblemen, deurwaarderszaken, etc.) denkt men aan een rechtstreekse tele-doorverbinding (leased line) naar KLG-Aalst = special branch. Buiten de kantooruren van KLG-Aalst wordt het telefoonnum¬mer van het betrokken Production Team te Aalst door¬gegeven (afhankelijk van adres op-beller/ligging hoofd- of tweede ver¬blijf).

• In het scenario dienen ook de vragen betreffende VRIJSTELLINGEN te worden vermeld.


LT/19970704

TESSENS Lucas
Mediacampagne KLG & organisatie van een call center.
Edited: 199707020918
DISCUSSIENOTA 19970703
Mediacampagne KLG & organisatie van een call center.
Aangereikt ter amendering/verfijning.


• Idealiter beschikt het externe call center (d.i. buiten KLG-Aalst) over een rechtstreekse link op het centrale KLG-bestand.

• In ieder geval dienen de tele-operatoren opgeleid te worden via korte maar intensieve briefing (schematisch overzicht verloop gesprek). Supervisie door KLG-expert aan te raden (bijsturen procedure en opvang probleemgevallen). Rollenspel in testfase inbouwen. Hiervoor zal men een beroep doen op de ervaring van district manager, sectiechefs en controleurs.

• Er moet een keuze gemaakt worden betreffende de UREN dat het call center bereikbaar is.


Mogelijke intro's bij call center

1.1. Het gaat over autoradio

• Mag ik uw nummerplaat? >>> Veronderstelt dat alle nr-platen van DIV in KLG-base ingeput zijn (zoniet wordt call center zeker duurder want input-tijd is groter). Persoonsgegevens verschijnen onmiddellijk op sch¬erm + gegevens over AR én TV. Check op de naam (veiligheid!).

• Actie:

1.1.1. nr-plaat zonder KLG-nummer > input aanmelding > over¬schij-vingsformulier via printshop (Joos?) naar persoon in kwestie / hebt u ook een TV? > ja (zie verder) of neen (beëindigen gesprek)

1.1.2. nr-plaat mét KLG-nummer > hebt u misschien nog een wagen met AR? > ja (zie 1.1.1.) of neen > hebt u misschien ook een TV? > zie 1.2.

Noteer dat bovenstaande situatie een normaal gesprek zou zijn. Indien de opbeller zijn nummerplaat niet kent ziet het scenario er geheel anders uit. Bij de aankondiging van het 0800-nummer in de campagne: "Zorg dat u uw plaatnummer bij de hand hebt!".


1.2. Het gaat over TV

• Mag ik uw naam (evt. spellen) + gemeente + straat + nr? > search

Actie:

1.2.1. TV-bezitter zit mét KLG-nummer in bestand > u bent in regel > hebt u misschien ook een TV in een tweede verblijf? > ja (adres opnemen, zie 1.2.2.) of neen > hebt u een autoradio? ja (zie 1.1.) of neen (beëindigen gesprek).

1.2.2. TV-bezitter zonder KLG-nummer > input aanmelding > over¬schij-vingsformulier via printshop (Joos?) naar persoon in kwestie / hebt u ook een AR? > ja (zie hoger) of neen (beëindigen gesprek)


1.3. Men wil specifieke of algemene info

• Specifieke vraag (anoniem) > mondeling antwoord (beëindigen ge¬sprek).

• Specifieke vraag met overgang naar 1.1. of 1.2. (zie aldaar).

• Algemene info > input naam en adres > printshop Joos of eigen printshop call center voor toezending leaflet > link met bestaande naam in KLG-bestand (spoor dat betrokkene info heeft opgev¬raagd) of new record in KLG-bestand (nog zonder dossier¬num¬mer).


1.4. "Specials"

• Voor speciale gevallen (betaalproblemen, deurwaarderszaken, etc.) zou men kunnen denken aan een rechtstreekse tele-doorver¬binding (leased line) naar KLG-Aalst = special branch. Denk om de openings¬uren!


• In het scenario dienen ook de vragen betreffende VRIJSTELLINGEN te worden vermeld.



LT/19970702
LT
Kijk- en luistergeld zorgt voor druk jaar.
Edited: 199701281015
Tekst voor het CIPAL-jaarverslag 1997

Kijk- en luistergeld zorgt voor druk jaar.

In het najaar 1996 schreef de Vlaamse overheid een offerteronde uit voor de outsourcing van de inning en de invordering van het kijk- en luistergeld. Veertien kandidaten, onder wie enkele wereldreuzen, schreven in.
Tot nog toe viel de inning van deze taks onder de bevoegdheid van Belgacom.
Na een zware onderhandelingsronde kwam CIPAL als de beste uit de bus en op 28 januari 1997 werd een contract voor 5 jaar getekend. De overeenkomst is verlengbaar met een nieuwe termijn van 5 jaar.
De opdracht is omvangrijk want zij bestaat niet alleen uit de informatisering maar omvat ook het gehele management en de totale reorganisatie van de Dienst.
Op 27 maart leverde CIPAL de Due Diligence in bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hierin werd de toestand van de Dienst omstandig beschreven.
Op 28 maart ging in de gebouwen van de Dienst Kijk- en Luistergeld te Aalst een ontmoeting met de 176 personeelsleden door. CIPAL stelde in heldere taal de doelstellingen en de verantwoordelijkheden voorop. De dienst kreeg meteen een nieuwe huisstijl en ook een klaar 'mission statement'. De toon voor de nieuwe aanpak was gezet.

Op 1 april nam CIPAL dan het management in handen en duidde dhr Jos Franken, adjunct van de directeur-generaal, aan als project-verantwoordelijke. Het aanwezige management werd evenwel erkend en vlot ingeschakeld in de nieuwe werking. De reorganisatie startte onmiddellijk.
Op 1 juni startte de IT-training van het personeel. De talrijke instanties waarmee het Kijk- en Luistergeld in verbinding staat (Dienst Inschrijvingen Voertuigen, Rijksregister, kabelmaatschappijen, etcetera) werden gecontacteerd en ingelicht over de nieuwe procedures.

Op 1 september nam CIPAL de gehele informatica-verwerking van Belgacom over. De verzending van 2.108.486 betalingsformulieren vanaf 1 oktober betekende de vuurdoop.

Op 1 oktober gaf Vlaams Minister Wivina Demeester - De Meyer het startschot voor een mediacampagne (pers, TV, folders, internet-site) ter bestrijding van de ontduiking. Men had immers vastgesteld dat het aantal kabelabonnees in Vlaanderen hoger lag dan het aantal geregistreerde TV-houders. Ook de bezitters van niet aangegeven autoradio's vormden een doelgroep.


KERNCIJFERS PER 1.1.97
HUISHOUDENS 2.335.718
KABELABONNEES 2.194.105
GEREGISTREERDE TV-HOUDERS 2.038.804
PERSONENWAGENS 2.589.298
GEREGISTREERDE AUTORADIO'S 1.827.013
TOTAALOPBRENGST 1996 15,7 miljard

De campagne leverde op twee maand tijd meer dan 70.000 nieuwe aangiften op. Een schot in de roos voor al wie de rechtvaardigheid in fiscaliteit ter harte neemt.

Gedurende het jaar 1998 moet de reorganisatie geconsolideerd worden. Het vertrek van tientallen personeelsleden, die gebruik maken van de Belgacom-uitstapregeling, mag de werkzaamheden in geen geval verstoren. Aanwervingen zijn alvast geprogrammeerd. Verder wordt in 1998 de matching van de bestanden van de kabelmaatschappijen met het KLG-bestand opgevoerd om de nog steeds bestaande ontduiking verder terug te dringen. Tenslotte sleutelt CIPAL aan een geheel nieuwe computertoepassing voor de inning. Deze wordt operationeel vanaf 1 januari 1999.




In ieder geval mag gezegd worden dat CIPAL erin geslaagd is twee verschillende bedrijfsculturen op een nieuwe noemer te brengen en in harmonie te laten samenwerken. Zulks vergt de inzet van veel menselijk kapitaal en dit blijkt in onze organisatie ruim voorhanden te zijn.




LT/1998-01-28
TESSENS Lucas
Telenet - Lange aanloop (gepubliceerd in Trends Top Informatica 1997)
Edited: 199700001001

De geboorte van Telenet is recent. Toch mogen we niet vergeten welke lange geschiedenis eraan vooraf is gegaan. In feite behoort de gehele uitbouw van de teledistributie sinds 1970 tot de aanloopperiode. Nergens ter wereld heeft men op zo'n grote schaal aan bekabeling gedaan als in België.
Het aantal abonnees van dit netwerk groeide van 213.350 abonnees in 1972 tot 3.657.648 eind 1996. In Vlaanderen zijn er vandaag zo'n 2,2 miljoen kabelabonnees, na correctie voor seizoenabonnees in de kustgemeenten geeft dit ongeveer 91 % van de huishoudens.

De groei viel vanaf de jaren tachtig onder de 5 % om sinds 1995 onder de één procent te duiken. De komst van VTM, dat sinds februari 1989 exclusief via de kabel te ontvangen is, zorgde in Vlaanderen nog voor een korte groeistoot. Tegelijk bond VTM de abonnee als het ware aan de kabelmaatschappijen. Dit is ook één van de redenen waarom privé-schotelantennes in België een randfenomeen bleven. VTM was voor de kabel een geschenk uit de hemel. Hieruit is alvast een les te trekken: inhoud is een sterk bindmiddel tussen hardware en consument.

Twee factoren verklaren kabelsucces: de kabel bracht bijkomend entertainment onder technisch voortreffelijke omstandigheden en tegen een lage prijs naar een kijker die meer dan ooit tevoren over koopkracht en vrije tijd beschikte. Een aansluiting op de kabel en het kiezen van programma's vergde van de eindgebruiker ook geen speciale vaardigheden, een voordeel wanneer men een technisch massaproduct op de markt gaat neerzetten.

In België zijn er via Belgacom zo'n 4,7 miljoen vaste telefoonaansluitingen actief. De telefoon was nuttig zonder meer maar men kon er weinig plezier aan beleven. Telefonie leverde niet meer dan een relatieve bereikbaarheid op. Ook is het opvallend dat antwoord- en faxapparaten zo traag ingang vonden in ons land. Telefonie heeft bovendien het nadeel dat een intensief gebruik ook meteen de rekening de hoogte injaagt. Na honderd jaar kent de telefoon een nieuwe boom dankzij de GSM, die mobiliteit toevoegt aan bereikbaarheid. Een paar jaar na de introductie lopen 800.000 Belgen met een zaktelefoon rond en bij de eeuwwisseling zouden het er twee miljoen kunnen zijn. Ook een zekere vorm van snobisme heeft de spectaculaire groei aangestuurd: een GSM-toestel aan de broeksband suggereert belangrijkheid van de omgorde.
De meest opvallende evolutie die bij de kabel te bemerken viel, was het stijgend aantal geleverde programma's: van negen in 1972 naar meer dan dertig vandaag. Vooral de opkomst van de satelliet-tv-stations vanaf het midden van de jaren tachtig heeft hiertoe bijgedragen.

Rond 1990 groeide bij de kabelmaatschappijen dan het besef dat de sector een saturatieniveau had bereikt. Eens de laat op gang gekomen bekabeling van Limburg achter de rug, ging de groei van het aantal abonnees zich uitdrukken in tienden van procenten. Bovendien zorgde een streng prijsbeleid, een lage inflatie en een tanende koopkracht (drop outs) voor een markt waaruit de 'rek' weg was.

De kabelmaatschappijen - over het algemeen samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, de intercommunales - waren echter niet bij machte om complementaire markten te gaan bespelen. Enerzijds ontbrak het aan strategisch inzicht, anderzijds zorgde de probleemloos geïnde kabelfrank voor een zekere gemakzucht. Een redelijke groei van de dividenden in de gemeentebegroting was meestal voldoende om 'avonturen' of nieuwe inzichten in de kiem te smoren. Bovendien waren de gas- en vooral de elektriciteitsbelangen van de intercommunales veel lucratiever. Een enkeling zoals Electrabelkabeldirecteur Norbert De Muynck was een roepende in de woestijn.

Het voorbeeld van FilmNet, sinds eind 1985 actief op de markt met een betaaltelevisiekanaal, dat maar niet op break-evenpositie geraakte, versterkte de trend van voorzichtigheid. Een segmentatie van het programma-aanbod werd uitgesteld wegens onzeker.

AL GORE. In januari 1993 zond de aantredende Vice-President Al Gore een duidelijk signaal uit. Internet, en netwerken in het algemeen, zouden de wereld veroveren. Ook Europa raakte in de ban van dit toekomstbeeld en de information highways werden constanten in toespraken. Op het Europese continent was een sterke penetratie van de breedbandige kabel enkel in de kleine, dichtbevolkte Benelux een realiteit. Hier stond men dus het dichtst bij die highways. In vele andere landen diende men nog te beginnen. Niet te verwonderen dat een echt Europees kabelbeleid in feite nooit bestaan heeft vóór het jaar 1994.

LAPPENDEKEN. In maart 1993 heeft het MERS in een rapport over de Vlaamse mediasector ("De Vlaamse Media"), opgesteld voor het Kabinet Van den Brande, gewezen op de "massale onderbezetting van de mogelijkheden van de kabel". Ook de structuur van de teledistributiesector kwam in het rapport uitgebreid aan bod. De verzorgingsgebieden van de 21 kabelmaatschappijen vormen op de kaart van Vlaanderen een 'lappendeken'.
In augustus 1997 besliste Leuven dan nog om tegen 1999 via Iverlek III een nieuw kabelnet in de stad uit te bouwen, in rechtstreekse concurrentie met het bestaande net van Radio Public. Versnippering was altijd al het meest opvallende kenmerk van de sector.
Het rapport bepleitte een interconnectie van de verzorgingsgebieden. Een signaal, te Maaseik ingespoten, zou dan in De Panne ontvangen moeten kunnen worden. Weg met de muurtjes, leve de ontsluiting!
Het Vlaamse teledistributienetwerk is ongeveer 53.000 km lang. Het zijn de kabels die men langs de gevels en op palen ziet. Slechts een klein deel ligt ondergronds. Het distributienetwerk wordt gevoed door circa 11.000 km primair net, vertrekkend vanuit de zogenaamde kopstations. De verhouding tussen beide delen van het TVD-netwerk ligt op ongeveer 5 km distributienet voor één km primair net. Het aantal abonnees per kilometer distributienet varieert enorm omdat de ene kabelmaatschappij actief is in een stedelijk gebied en de andere in een rurale streek. We hebben te maken met een vork van 31 (PBE) tot 74 (Integan) abonnees per km. Dit heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de return on investment (ROI) bij ingrepen op het net die het telefonierijp moeten maken. De fasering in de ombouw van het net (de plaatsing van terugwegversterkers, e.d.) zal normaal de ROI-logica volgen.
Statutair gezien zijn er vier soorten kabelmaatschappijen: de zuivere en de gemengde intercommunale, de privé-maatschappij en de gemeentelijke regie. Eind 1996 was zo'n 67 % van de abonnees aangesloten bij gemengde intercommunales, het samengaan van gemeenten en Electrabel. De zuivere intercommunales namen 31 % van de abonnees voor hun rekening.
Electrabel werd en wordt gedomineerd door Franse maatschappijen. Deze situatie stond haaks op de Vlaamse verzuchtingen die neergelegd waren in het zgn. 'verankeringsbeleid'. Het differentiëren van het kabelgebruik (welzijnsalarmering, telecontrole, video op aanvraag, enzovoort) zou meteen ook een versterking van de Fransen in de plots strategisch genoemde kabelsector betekenen. Anderzijds moest een kabelbeleid oog hebben voor de gemeentelijke autonomie, iets waaraan zowel de zuivere als de gemengde intercommunales sterk gehecht zijn. Een al te autoritair optreden van de Vlaamse regering of van het coördinerende GIMV tegenover de gemeenten kon vlug in het verkeerde keelgat schieten. Dansen op eieren leek een makkelijker bezigheid.

SPRAAKMAKENDE TELEFONIE. Een resem adviezen vulde het MERS-rapport van maart 1993 aan. Luc Van den Brande mag als de echte 'vader' van het Telenetproject worden bestempeld, want in oktober 1993 kondigde hij in zijn beleidsbrief de oprichting aan van een 'Studiesyndicaat Kabel'. In januari 1994 werd het MERS verzocht om een draft-opdracht voor dit studiesyndicaat uit te schrijven (zie ook onze vrije tribune in Trends van 13.1.1994 on de titel Koop de kabel ! ). Vervolgens kreeg de Gewestelijke Investeringsmaatschappij (GIMV) de taak toegewezen om de werkzaamheden van het onderzoeksteam te coördineren. De kabelsector was voor de GIMV onbekend terrein. De overheidsholding had aanvankelijk absoluut geen klare kijk op de mogelijkheden, al wil men dat vandaag niet meer toegeven. In juni 1994 kwam de werkgroep een eerste keer bijeen. In de prille beginfase lag het niet in de bedoeling om telefonie over het kabelnetwerk te gaan doen. Die optie kwam er een maand later, in juli 1994, en het is nog steeds niet uitgemaakt wie die optie heeft doorgedrukt. Een direct gevolg van die keuze was dat een vertegenwoordiger van Belgacom uit de werkgroep geweerd werd.
De 'hype' rond de liberalisering van de spraaktelefonie vanaf 1998 heeft zeer zeker bijgedragen tot het kiezen van de telefoniepiste. Het eindrapport van het Studiesyndikaat kwam er, rekening houdend met de draagwijdte van wat voorgesteld werd, ontzettend vlug. Ook de Vlaamse regering heeft qua decision making alle records gebroken, want op 26 oktober 1994 reeds was het eindrapport van het SNDKT in de Ministerraad goedgekeurd en was Telenet beleidsmaterie geworden. Vlaamse beleidsmaterie weliswaar. In telecomland was nog nooit zo hard gefietst. Ook de federale regering was op snelheid gekomen en werd onverhoeds geconfronteerd met een pril Vlaams telecombeleid dat roet in het eten kon gooien bij de gedeeltelijke privatisering van het nationale Belgacom. Telenet drukte de prijs van de Belgacomaandelen, zo werd beweerd. Het communautaire duiveltje liet zijn staart zien!

De verantwoordelijkheid die men op zich laadde was enorm: zowel de samenwerking tussen de kabelmaatschappijen als de financiering van het Telenetplan waren een uitdaging van formaat. Ook op technisch vlak diende men een wereldprimeur uit te dokteren. Het distributief opgebouwde kabelnetwerk (point - multipoint) zou drager worden van zowel televisiesignalen (het klassieke gebruik) als van spraaktelefonie, een per definitie punt-tot-punt-aangelegenheid. Dit laatste veronderstelt dat men over de kabel een zogenaamde 'terugweg' vanuit de huiskamer naar een schakelpunt creëert. De diverse schakelpunten moeten met elkaar verbonden worden door glasvezelkabels met hoog debiet.
Megacentrales worden gebouwd in volgende 7 gemeenten: Hoboken (Antwerpen), Brugge, Kortrijk, Gent, Brussegem (Asse), Leuven en Hasselt.

GEVOLGEN. Aangezien de keuze voor telefonie over de kabel zoveel aandacht en knowhow vereiste, is het verklaarbaar dat de multimediatoepassingen, waarvoor de kabel eigenlijk het meest aangewezen is, naar achter werden geschoven. De concurrentie met het federale Belgacom, inmiddels opgenomen in een internationaal consortium (met Ameritech, Singapore Telecom en Tele Danmark), stond in het brandpunt van de belangstelling. De intrede van US West, één van de Amerikaanse Baby Bell's, in Telenet moest tegelijk voor cash en voor de zo noodzakelijke technologiepush zorgen. De aanspraken van bijvoorbeeld Alcatel, met de belangrijke Bellvestigingen te Antwerpen en te Geel, waren daarmee zo goed als teruggefloten. Daar werd meteen geschermd met het zo gevoelige punt van de werkgelegenheid. Later werd Alcatel wel als leverancier aangesproken. Maar achter de schermen bleef het 'verankeringsdossier' toch een sleutelrol spelen. Bij de keuze van de telefoniepartner heeft men zeer zeker geopteerd voor een verre Amerikaan, liever dan voor een nabije Fransman. Of de knowhow van US West inzake kabeltelefonie zo uniek was, valt te betwijfelen. Immers, de ervaring die US West via haar dochter Telewest had opgebouwd in Groot-Brittannië was gestoeld op het gebruik van de klassieke telefoonkabel (twisted pair) naast de klassieke teledistributiekabel (coax). In de UK duwt men dus twee kabels bij de abonnee binnen. In feite kan men zeggen dat nooit eerder een telefonieproject op zo'n grote schaal was uitgetest waarbij televisie- én telefoniesignalen over één en dezelfde kabel getransporteerd werden. In de latere engineeringfase zou blijken dat de technische uitdaging groter was dan verwacht en dat nog veel labowerk nodig was om het netwerk effectief te doen functioneren.

FINANCIERING. De financiële inspuiting die Telenet vergde werd door het SNDKT geraamd op 47 miljard BEF, te spreiden over 15 jaar. Het project oversteeg daarmee niet zozeer de financiële slagkracht van Vlaams kapitaal, maar vooral het durfpotentieel dat in onze contreien aanwezig is. Ook de al te zwakke want versnipperde organisatie van het Vlaamse kapitaal kwam hiermee aan het licht. De gemengde kabelintercommunales hebben zich via een ingewikkeld financieringssysteem laten indekken door Electrabel. Hierdoor kunnen de gemeenten blijven rekenen op de klassieke kabeldividenden en toch meesnoepen van zodra telefonie begint op te brengen. Voor dit ontwijken van risico betalen de gemeenten natuurlijk een prijs. In feite trekt Electrabel haar dominante positie die zij in kabelland al had nu ook door binnen de kabeltelefonie. De dimensie van het investeringspakket en van de risico's moest haast onvermijdelijk leiden tot een dans tussen groten. De onderhandelingen om de aandeelhouders bijeen te krijgen hebben uiteindelijk tot september 1996 geduurd.

BELGACOM ALERT. Straks krijgt het oude en grote - maar op wereldvlak onbeduidende - Belgacom dus te maken met een Vlaamse concurrent. Bij Telenet wil men niet zoveel kwijt over hoe men die concurrentie gaat aanvatten. Men zou de nationale operator met prijsverminderingen te lijf gaan, zo werd in januari 1997 nog gezegd.
Die marketingkeuze was cruciaal én gevaarlijk. Mocht dit waar zijn geweest dan onderschatte men het ontwakingsproces dat Belgacom sinds 1992 heeft doorgemaakt. De periode van Bessel Kok mag dan turbulent geweest zijn, zij heeft aangetoond dat de revolutie niet aan Belgacom zou voorbijgaan. Ook heeft Belgacom heel wat concurrentie-ervaring opgebouwd met het GSM-dossier en heeft het bewezen snel een draadloos netwerk uit de grond te kunnen stampen. Belgacom is dus alert en kan putten uit de opbrengsten van de klassieke en de moderne mobiele telefonie. Dat Telenet en Mobistar gedoemd zijn om samen op te tornen tegen Belgacom-Proximus lijkt volgens sommigen dan ook een evidentie. Mobistar geeft toe dat er gepraat wordt.
Wat er ook van zij, met zijn 139 miljard BEF omzet in 1996 is Belgacom een geducht concurrent voor Telenet en eerstgenoemde zou wel eens een langere 'prijsadem' kunnen hebben dan Telenet.
In augustus '97 laat men een ander geluid horen. "Telenet start waar ISDN stopt", klinkt het nu. Daarmee wisselt het geweer van schouder: de diensten en de breedbandigheid worden naar het voorplan geschoven. Ook in de sfeer van de aangeboden eindapparatuur zou Telenet voor een verrassing zorgen.


BREEDBANDIGHEID EN MARKETING. Natuurlijk geeft Telenet niet al zijn troefkaarten zomaar bloot. De ultrasnelle toegang tot (een selectief gedeelte van) internet is zo'n troef. Deze dienst wordt aangeboden onder de benaming 'Pandora'. Hierbij worden een aantal databanken ingeladen in een zogenaamde proxi-server die rechtstreeks op het breedbandige fiber-coax-netwerk (HFC, hybrid fiber coax) van Telenet is aangekoppeld. De bottle neck van het smalbandige klassieke telefonienet wordt daardoor omzeild. Een maandabonnement op Pandora kost 1.500 BEF en dat bedrag dekt ook alle communicatiekosten. De eenmalige installatiekost, inclusief de kabelmodem, bedraagt 10.000 BEF. De testfase is veelbelovend. Toch komen we hier bij de sleutelkwestie rond Telenet: hoe haal je uit de breedbandigheid van het gebruikte netwerk een comparatief voordeel op Belgacom? We zitten dan dicht bij de vraag welke inhoud er in de proxi-server moet worden gestopt. Die kwestie wordt op statistische basis opgelost. Internetsites die veel geconsulteerd worden, komen bovenaan het lijstje om ingeladen te worden in de proxi-server. Het kijkcijfer gaat ook hier dus een cruciale rol vervullen. Probleem blijft de extreem lage penetratie van internet in Vlaanderen.
De proxi-server zal in feite een draaischijf worden van door derden aangeboden inhouden. De digitalisering van alle informatie-inhouden en van de gehele entertainmentproductie opent perspectieven die in het begin van de XXIste eeuw voor een ware revolutie zullen zorgen. Heel ons cultureel erfgoed en alle onderwijspakketten worden immers gemakkelijk transporteerbaar over die netwerken. Dit is geen droom. De vraag is niet meer of dat soort informatiemaatschappij eraan komt, wél hoe snel het zal gaan.
Dit facet van Telenet wordt voorlopig nog op de achtergrond gehouden. Het gehele project is nog al te zeer techno-driven om met zulke kwesties bezig te zijn.

BIG BROTHER? Een voorbeeld toont aan hoe maatschappelijk en hoe ethisch de aangelegenheid wel kan worden. Neem nu de affaire Dutroux. De wanstaltigheid ligt natuurlijk in de aard van het delict zelf. Maar ligt ze niet evenzeer in het gebrek aan communicatie? Is het verstoppertje spelen van politiediensten en parketten niet misdadig? Hoe zwaar weegt de verantwoordelijkheid op het beleid indien men de technologie niet inzet daar waar ze moet ingezet worden? Quid indien men opteert voor geslotenheid i.p.v. voor openheid in een zo essentieel dossier als de burgerlijke veiligheid?
Het al dan niet inschakelen van performante netwerken en databases is vandaag geen technologische optie, maar een maatschappelijke én dus een politieke. De trage maar gestage popularisering van internet heeft voor velen duidelijk gemaakt dat afstand niet langer een rol speelt in de informatieoverdracht. De afstand tussen Brussel en Buenos Aires is even kort als die tussen Luik en Charleroi. Na miljoenen jaren drijven de continenten terug naar elkaar toe. Nu het technische 'non possumus' van de baan is geveegd, wordt in de discussie vrij vlug geschermd met gemeenplaatsen zoals Big Brother en privacy. Maar de maatschappelijke evolutie is van die aard dat vandaag enkel criminele organisaties en financiële sjoemelaars profiteren van het niet-bestaan van goed georganiseerde computernetwerken waarin op gecontroleerde manier wordt omgegaan met vitale veiligheidsinformatie. De breedbandigheid én dus de snelheid waarmee enorme pakketten via Telenet getransporteerd kunnen worden, zijn morgen argumenten om de beleidsmakers tot creativiteit en het afleggen van verantwoording te dwingen.

ONDERWIJS EN PC-VAARDIGHEID. Een laatste teer punt ligt in het opleidingsniveau van het publiek. Waar haalt de gewone burger straks de vaardigheid vandaan om met ingewikkelde eindapparatuur om te gaan? Worden de installatieprocedures sterk vereenvoudigd? Wat investeren we in opleiding en begeleidende communicatie? Wanneer confronteren we onze kinderen met de pc: op 4, op 6 of pas op 12 jaar? Welke software maken we hen eigen? Of moet dit debat niet gevoerd worden en klaart in de markt alles vanzelf uit? De 11-juli-toespraak van Luc Van den Brande is terzake vrij radicaal. Tegen 2001 wil de Vlaamse regering alle jongeren van 12 jaar een pc-opleiding bezorgen. Het prijskaartje bedraagt 2 miljard BEF. Een peulenschil. Toch schrikken sommigen van een investering van enkele duizenden franken per leerling. Net alsof opleiding een luxe zou zijn. Allerminst. Een maatschappij in mutatie kan het zich niet permitteren eenzijdig te kiezen voor een technologiestoot zonder onderwijsverandering. Indien een bedrijf zoals Belgacom met miljarden het grootste intern herscholingsprogramma in België gaat realiseren, dan moet dat toch een niet mis te verstaan signaal zijn dat opleiding vitaal is. Telenet krijgt pas echt zin als het een rol gaat spelen in een breed sociocultureel kader. Pure telefonie met enkele ingenieuze toeters en bellen vormt een te smalle basis om de markt te bekoren.
TESSENS Lucas
Beknopte historiek van De Persgroep (tot 1995) - Uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling'
Edited: 199511001461
Beknopte historiek :

Op 7.6.1888 wordt te Brussel het dagblad Het Laatste Nieuws gesticht ter gelegenheid van de wetgevende verkiezingen van 12.6.1888. Het blad, dat slechts twee pagina's telde, wordt verkocht tegen een prijs van 2 cent ("centenblaadje"). De eerste nummers verschenen onder leiding van een comité onder wie Julius Hoste sr (°Tielt, 25.1.1848 - +Brussel, 28.3.1933). Onmiddellijk na de verkiezingen zet vader Hoste de publikatie van het nieuwe dagblad alleen verder. Daarin polemiseerde hij hevig tegen de klerikalen, de franskiljons en het sociale onrecht. In 1897 wordt het dagblad De Nieu¬we Gazet gesticht. In 1900 richt Julius Hoste te Brussel het dagblad 'Vlaamsche Gazet' op, bedoeld voor de liberale intelligentsia. In 1914 verdwijnt dit dagblad. Tijdens WO I vallen ook de persen van Het Laatste Nieuws stil. Na de eerste wereld¬brand wordt vader Hoste opgevolgd door zijn zoon, Julius Hoste junior. Hoste jr had aan de VUB rechten gestudeerd en deed er zich door zijn welsprekendheid opmerken in de Vlaamsgezinde kringen. Hij gaf de krant een volkser en gematigder karakter en mede daardoor steeg de oplage pijlsnel (van 63.000 in 1919 naar 285.557 in 1939). Julius Hoste jr wordt in 1936, als extra-parlementair, minister van Onderwijs in de regering Van Zeeland; in 1937 treedt hij in de regering Janson; tijdens WO II hij als staatssecretaris in de regering Pierlot te Londen. Na WO II wordt hij liberaal senator tot aan zijn plotse overlijden op 1.2.1954. Slechts dan wordt de NV Uitgeverij Hoste opgericht en dit onder leiding van dhr Albert Maertens. Voordien was Het Laatste Nieuws immers de persoonlijke eigendom van Julius Hoste jr. Op 3.5.1955 komt ook de "Stichting Het Laatste Nieuws" tot stand; die stichting moet - aldus de wens van de overledene - waken over het behoud van de geest en het eigen karakter van het blad. De schoonzoon van Julius Hoste jr., dhr Frans Vink, treedt aan en wordt weldra directeur-generaal van de uitgeverij.

Op 7.11.1957 koopt Uitgeverij Hoste 90 % van de aandelen van De Nieuwe Gazet (Antwerpen), die tot dan toe in handen waren van de Burton Uitgeverij NM (familie Burton), en vertrouwt de leiding van De Nieuwe Gazet toe aan dhr Frans Grootjans.
Op 12.12.1958 wordt Zondag¬nieuws door Uit¬geverij Hoste gelanceerd. Op 1.5.1962 lan¬ceert men het week¬blad Kwik. Op 12.7.1963 versmelt de Burton Uitgeverij De Nieuwe Gazet volledig met de NV Uitgeverij Hoste. Op 7.1.1967 wordt het Franstalig weekblad Sport door Hoste gelanceerd. Op 18.1.1967 verschijnt de nederlandstalige tegenhanger Sport. In 1969 wordt het weekblad Telstar door Het Laatste Nieuws gelanceerd. In 1971 grijpt een fusie plaats tussen twee weekbladen van de Hoste-groep: Telstar wordt opgeslorpt door Zondagnieuws. In 1976, na het faillissement van de Standaard-groep, kan de groep Maertens-Van Thillo-Brébart, een aantal weekbladtitels kopen van de curatoren. Hieronder Ons Volk, Chez Nous, Echo de la Mode, e.a. Aanvankelijk had deze groep ook voorstellen gedaan om, parallel aan de redding van de dagbladen van de Standaardgroep door dhr A. Leysen en co, een oplossing te zoeken voor de weekblad-poot, inclusief personeelsovername, 677 man, en koop van de infrastructuur. Voor de weekbladen kon toen echter geen 'waterdicht schot' met het verleden worden gecreëerd wegens panden op titels. In de jaren daarna gaat het niet goed met de Uitgeverij Hoste. Het Laatste Nieuws lijkt een beetje ingedommeld en is duidelijk aan een herpositionering toe tegenover Het Nieuwsblad van de Standaardgroep. Over het boekjaar 1984 lijdt Hoste zelfs plots een recordverlies van 117 miljoen BEF. Ook de weekblad-poot Het Rijk der Vrouw/Femmes d'Aujourd'hui wordt continu geplaagd door hoge verliezen (-164 miljoen in 1983, -347 miljoen in 1984, -17 miljoen in 1985) en genereert bijgevolg geen enkele return voor Hoste. (zie onze balansanalyse van eind oktober 1986 zoals medegedeeld aan de voorzitter van de NFIW)
In de jaren tachtig verzet Uitgeverij Hoste zich heftig tegen elk plan om commerciële tv in Vlaanderen op te starten. Dit niettegenstaande het feit dat binnen de Vlaamse Executieve de liberale coalitiepartner hard aan de kar duwt om het project doorgang te doen vinden. Door toedoen van de familie Van Thillo en op aandringen van niet aflatend protagonist Jan Merckx wordt de uitgeverij toch bij de plannen van de Vlaamse Media Maatschappij betrokken en op 28.11.1987 behoort de groep dan toch tot de medeoprichters van VTM. Ondertussen werd wel op 15.11.1984 het weekblad Dag Allemaal door de NV Sparta op de markt gebracht. Dit weekblad zou gaandeweg, en parallel met VTM, tot een succes zonder voorgaande uitgroeien. In januari 1989 neemt de groep Hoste De Morgen op. Deze overname wordt volbracht onder het mandaat van dhr Rik Duyck, directeur-generaal. Op 17.9.1989 fusioneren Dag Allemaal en Zondag Nieuws inhoudelijk. Op 5.9.1990 gaan de titels Het Rijk der Vrouw en Femmes d'Aujourd'hui over in handen van de Internationale Uitgeversmaatschappij (IUM). Tengevolge hiervan stopt Publicité d'Aujourd'hui vanaf 1.1.1991 met zijn aktiviteiten. Kiosk, behorend tot de groep IP-Havas, neemt de regie van Dag Allemaal en van Joepie in handen (verder verzorgt Kiosk de acquisitie van reklame voor Le Moniteur de l'Automobile/Autogids, Ciné Télé Revue, Téléstar, 7 Extra, Top Santé, Goed Gevoel, Time en Madame Figaro). De keuze van deze regie is strategisch van aard en heeft alles te maken met de druk op de magazine-tarieven vanwege de aankoopcentrales voor publiciteit ('centrales d'achat') die in de jaren tachtig ook in België tot wasdom zijn gekomen. Ook het aanbieden van een nationale dekking - een klassieke vraag van de adverteerders - is een belangrijke drijfveer geweest. In 1990 verkoopt Frans VINK zijn 33%-aandeel in de groep Hoste aan de Van Thillo's. In hetzelfde jaar vervangt de zeer jonge Christian Van Thillo Rik Duyck aan het hoofd van de groep. Op 20.6.1991 wordt de ASAR-drukkerij met 320 werknemers op bekentenis failliet verklaard na een ingewikkelde herstruktureringspoging tussen Aurex, Finimco, Edibel en met hulp van de GIMB (Brussels Gewest). De laatste jaren gaat het goed met de groep en worden er voor Het Laatste Nieuws/De Nieuwe Gazet oplagestijgingen genoteerd (zie bijlage). Op 19.2.1993 wordt het verlieslatende Lotus Reizen - reisagent met 23 kantoren - verkocht was aan United Professionals rond de Antwerpse investeerder Paul Pierre. Hoste bevestigt hiermee de wil om zich uitsluitend op de 'core business' te richten. Medio november 1993 komt hoofdredacteur Karel Anthierens over van Het Volk (zie aldaar).
De vennootschap raakte eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Belgian Multimedia' (Hoste, Belgian Media Holding, Concentra, Rossel-Le Soir, telecom-groep US West ) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar Belgacom besliste zelf als uitgever te gaan optreden. Begin mei 1994 stopt De Persgroep het project "De Week" (weekendkrant genre Sunday Times) in de koelkast. Tijdens het WK-voetbal '94 (juni-juli) verkoopt HLN zijn Limburgse editie aan 20 i.p.v. aan 26 BEF hetgeen bij Het Belang van Limburg uiteraard niet in goede aarde valt. In augustus 1994 verklaart De Persgroep geïnteresseerd te zijn in samenwerkingsverbanden met 'Het Volk'. In september 1994 start HLN in de provincie Oost-Vlaanderen met een grootscheepse promotiecampagne, ondersteund door VTM-spots, waarbij men stafkaarten van de provincie in het dagblad aantreft.

De NV De Nieuwe Morgen, opgericht op 15.1.1987, is de uitgever van het dagblad 'De Morgen', gesticht op 1.12.1978 door NV De Roos, een uitloper van het faillissement van 'Volksgazet' . De vennootschap groeide uit het faillissement van de SV De Morgen die op 30.10.1986 de boeken neerlegde. De SV De Morgen had op 1.6.1981 al de aktiviteiteiten van de NV De Roos overgenomen en werd tot 19.3.1985 op de persen van Het Licht te Gent gedrukt. Op die datum komt het dagblad uit in tabloid-formaat en wordt gedrukt op de persen van Nevada-Nimifi. Tengevolge daarvan moet Het Licht eind 1985 de boeken neerleggen. Het noodlijdende dagblad werd midden januari 1989 door Hoste overgenomen en verschijnt sinds 1.1.1991 op groot formaat aangezien het gedrukt wordt op de persen van Hoste. De onderhandelingen daarover dateren van medio 1988 toen eens temeer gebleken was dat de financiële toestand fel achteruitging. De helft van de titel, in het bezit van de NV Studin werd op 16.1.1989 overgedragen aan de NV De Nieuwe Morgen voor een symbolische frank. De tweede helft van de titel, in het bezit van de CV D.O.P. werd op 19.12.1989 omgezet in kapitaal (inbreng in natura) ten belope van 4 miljoen frank. Op 1.7.1991 werd de editie 'Vooruit' (°1884) opgegeven. Op 4.12.1991 neemt Dhr Paul Goossens ontslag als hoofdredacteur maar blijft editorialist. Dhr Piet Piryns volgt hem op. Eind 1992 ontstonden moeilijkheden tussen de leiding van Hoste en de redactie over het afsluitingsuur van de kopij (dead-line). Sindsdien is er van de NV Drukkerij Het Volk een aanbod gekomen om de krant te gaan drukken. De gesprekken hierrond zijn nooit gefinaliseerd (noteer dat het samenwerkingsverband tussen Hoste en De Morgen liep tot eind 1993). Ondertussen heeft de hoofdredactie ontslag genomen en werd redacteur Walter De Bock aangesteld tot hoofdredacteur a.i. 1993 was niet goed voor De Morgen. De Morgen ging stelselmatig achteruit qua betaalde verspreiding en de merkreklame stagneerde op een te laag peil (zie grafiek in de bijlagen). In 1993 hebben wij dan ook volgende stelling naar voor gebracht : "Naar onze mening zou De Morgen overigens beter af zijn in een WEEKBLADFORMULE. De redactionele aanpak leent zich ook uitstekend om die stap te zetten. De opiniewaaier hangt immers niet - zoals traditionalisten onterecht menen - samen met de periodiciteit van een medium. Reeds in november 1986, ten tijde van het faillissement van De Morgen, hadden wij deze idee gelanceerd. Als overgangsmaatregel zou men de perssteun die De Morgen nu geniet kunnen blijven uitkeren. Bedrijfseconomisch lijkt ons de weekbladformule veel haalbaarder omdat het break-even-point veel lager ligt dan in de dure dagbladformule." Begin 1993 heeft De Morgen aan Andersen Consulting een beleidsadvies gevraagd. Het is onbekend of deze doorlichting veel resultaat heeft opgeleverd.

Tegenover ons bevestigde het management van De Persgroep medio februari 1994 nogmaals dat de verkoopintentie voor De Morgen gehandhaafd blijft. Hoste houdt De Nieuwe Morgen overigens buiten de consolidatiekring omdat "de aandelen uitsluitend gehouden worden met het oog op latere vervreemding" .
Terwijl de andere dagbladen op 1.10.1993 hun prijs voor een los nummer verhoogden bleef De Morgen staan op 30 BEF. Op 12.10.1993 houdt de 'Antwerpse De Morgen' (°1.3.1983) op te bestaan. De overnamegesprekken raakten in het slop.
Voor de eerste drie maanden van 1994 meldt De Morgen een licht gestegen verkoopcijfer (23.783 ex.), voornamelijk te wijten aan een stijging van het aantal abonnementen. Medio september 1994 verklaart dhr Christian Van Thillo dat de verkoop van De Morgen geen prioriteit meer is voor de Persgroep. Terzelfdertijd raakt bekend dat de krant per 1.10.1994 een nieuwe hoofdredacteur krijgt : Humo-journalist Yves Desmet (°1960), die vroeger ook al bij De Morgen werkte als politiek verslaggever .
Sindsdien gaat het qua verkoop beter met De Morgen. In de periode juli 1994 - juni 1995 werden gemiddeld 27.161 ex. verkocht. Het dagblad moet echter een relatief hoge gedrukte oplage (39.455 ex.) in de markt zetten om de verkoop te ondersteu¬nen. Met een verspreidingspercentage dat op 68,8 % ligt scoort De Morgen het laagst van alle Vlaamse dagbladen. Gezien de gestegen papierprijzen is dit een kwalijke zaak. De vastgestelde zwakte kan vele oorzaken hebben maar wijst toch in de richting van een moeilijk verlopende fidelisering van de lezer.


Noot over het faillissement van Volksgazet:
Op 14.7.1978 waren de vennootschappen Excelsior en Ontwikkeling, resp. drukkerij en uitgeverij van het socialistische dagblad 'Volksgazet' (°3.6.1914 - +18.7.1978) in faling verklaard. De rechtbank van koophandel bracht bij vonnis van 27.7.1978 de datum van staking van betaling op 14.1.1978, de klassieke 6 maanden. Een nieuwe vennootschap 'De Roos', opgericht enkele dagen na het faillissement kreeg van de curatoren de toelating om de uitgave verder te zetten tot 15.9.1978. Problemen met de overname van personeel en het niet vrijgeven van de titel leidden echter tot de definitieve stopzetting van de uitgave op 18.7.1978. (uit : X, De teleurgang van Volksgazet, in : De Pers/La Presse, nr 98, Brussel, BVDU/ABEJ, juli 1978, blz. 7). Zie ook : VAN WASSENHOVE, Ph., (De) Volksgazet, (onuitgegeven verhandeling), RITCS, Brussel, 1979, 248 blz. (dit goed gedocumenteerde werk, geschreven kort na het verdwijnen van 'Volksgazet', bevat bovendien een uitgebreid bronnenoverzicht) (ref MERS 19790426).
TESSENS Lucas
Perexma: een beknopte historiek
Edited: 199506120961
Beknopte historiek :

De NV Perexma wordt, na een grondige markt¬studie over de haalbaarheid van een televi¬sieblad in Vlaanderen, op 2.5.1969 (BS 17.5¬.1969) opgericht. Het is een joint-ven¬ture van NV De Vlijt en NV De Standaard. Het ka¬pitaal bedraagt 4 MBEF en is verdeeld in 4000 aandelen. Op 6.6.1969 verschijnt het eerste nummer van 'TV-Ekspres' dat ook 'TV-Strip' van de IUM integreert. De gehele re¬dactie¬ploeg van 'Zondagmorgen' was overgeno¬men voor de start van het blad.
Op 25.5.1976 wordt dhr J. Merckx benoemd tot beheerder-directeur. Deze benoeming wordt op 27.8.1976 bevestigd. Tussen die twee data was de Stan¬daard¬groep in faling gegaan en werden tal van ven¬noot¬schappen, behorend tot de groep, meege¬sleurd. Perexma kon de dans ontsprin¬gen voorna-melijk omdat de verweven¬heid met de schuldpositie van de groep onbe¬staande ble¬ek. VNU, dat toen al een bod deed op Per¬exma, greep naast de kans wegens het bestaan van voorkoop¬rechten binnen de Raad van Be¬heer.
In 1977 wordt ZIE, voorma¬lige 'Zon¬d¬ags¬vriend', van De Vlijt ingelijfd bij Per¬exma en wordt de inhoud geleidelijk ge¬lijk¬ge¬schakeld met die van TV-Ekspres. Op 2.5.¬1978 (buitengewone alge¬mene verga-dering) worden volgende aandelen-aantal¬len geteld : dhr Impens (570), dhr Westen (570), dhr Stevens (570), dhr Van Assche (1140), dhr Jan Merckx (570), dhr Antoon Sap (570), Handels¬blad - eveneens behorend tot de oude Stan¬daard¬groep - (9). Tijdens diezelfde ver¬gade¬ring wordt beslist de aan¬delen, tot dan toe op naam, om te zetten in aandelen aan toon¬der. Op 1.6.1981 lanceert Perexma 'TeVe-Blad', een mini-magazine. Dat geschiedt enkel in de provincie Limburg en blokkeert daarmee een gelijkaardig initia¬tief van VNU. Op 6.5.1985 worden op de alge¬mene ver¬gade¬ring volgende aandelen-aan¬tallen geteld : dhr Impens (20), dhr Stevens (20), dhr Westen (102), dhr Vertongen (1), Handelsblad (8), Fi¬nimtrust Luxembourg (80¬0). Op 28.10.¬1987 wordt VTM opgericht en Perexma partici¬peert voor 11,11 %. Voorzit¬ter van de Raad van Bestuur van VTM wordt dhr J. Mer¬ckx.
In 1988 verkoopt dhr Albert De Smae¬le , voorma¬lig directeur-generaal van de Stan¬daard¬groep, zijn belang van 28 % in Perexma aan de Nederlandse holding Alvarior. Wellicht was hij tot dan toe op de achter¬grond gebleven tijdens algemene verga¬derin¬gen en werden zijn stem¬gerechtigde aandelen vertegenwoordigd door dhr Van As¬sche en la¬ter door het Luxemburgse Finimtrust. Volgens onze berekeningen kon dhr De Smaele in de periode 1977-1988 rekenen op dividenduit¬keringen die samen ver boven de 100 miljoen BEF lagen.
Begin 1989 lanceert Het Volk 'TV-Gids', een haast per¬fecte copie van 'TeVe-Blad', aan een pu¬blieks-prijs van 20 BEF. 'TeVe-Blad' (25 BEF) moet daar¬door ook met zijn prijs naar bene¬den. Om heibel met de dagbladhande¬laars te vermijden krijgen die wel de¬zelfde com¬missie (in fran¬ken, niet in percenten) gegaran¬deerd. In 1989 daalt de door AAS (nu MMB) gemeten publici¬teits¬omzet van Per¬exma scherp en dat voor de eerste keer in haar geschie¬denis : van 245 miljoen BEF naar 123 miljoen BEF voor 'TV-Ekspres' en van 71 naar 42 MBEF voor 'TeVe-Blad'; de reden is voorna¬melijk de start van VTM en het - overigens voorspelde - wegzuigingseffect dat daarvan uitgaat. In 1991 wordt dhr W. Hen¬drickx, journalist bij Humo, direc¬teur van de Perex¬ma-redac¬ties; dhr Rob Jans blijft wel hoofdre¬dacteur. In mei 1992 verlaat dhr Hen¬drickx Per¬exma. Op 24.6.1992 wordt aangekon¬digd dat De Vlijt Asmedia, regie voor natio¬nale the¬mare¬kla¬me en waarin Perexma en De Vlijt op pari¬tai¬re basis participeren, ver-laat; de aande¬len Asmedia komen voor 100 % in handen van Per¬exma. Op 8.8.1992 over¬lijdt de patron van Perexma, dhr Jan Merckx. Tot aan zijn dood was hij was gede¬legeerd be¬stuurder van NV Perex¬ma, voorzit¬ter-stich¬ter van VTM, lid van de Raad van bestuur van First Class In¬terna¬tio¬nal, een PR-vennoot¬schap, Ere-Voor¬zitter en lid van de Raad van Bestuur van de NFIW, gedelegeerd bestuurder van NV Het Han¬dels¬blad, van Asme¬dia en van de NV MEE.

Op 21.1¬.1993 meldt men in het VTM-n¬ieuws van 19 uur dat Perexma is overge¬nomen door VNU. Perexma is, na haar loskop¬peling van de S¬tandaardgroep, steeds een zeer winstgevend bedrijf ge-weest, getuige daarvan het volgen¬de over¬zicht van de winst na be¬lastingen (1977-1989) in miljoen BEF : 6 in 77, 32 in 78, 47 in 79, 53 in 80, 38 in 81, 97 in 82, 79 in 83, 94 in 84, 109 in 85, 111 in 86, 115 in 87, 135 in 88. Per¬exma bezit één van de beste archieven ter wereld als het over te¬levisie-programma's gaat. 'TV-Ekspres' is aan een dringende herpositione¬ring op de lezersmarkt toe sinds de opgang van concurrent 'Dag Allemaal', zo schreven wij in eerdere versies van onderhavige studie. Tijdens de algemene vergadering der aandeelhouders op 3.5.1993 worden de heren Huysmans, Lamiroy en Elbersen, allen behorend tot de IUM-groep, benoemd tot leden van de Raad van Bestuur; ook de heer Alfons Uyttersprot, commercieel directeur van Perexma, treedt toe tot de Raad van Bestuur. Het mandaat van de heer Cyriel Stevens en dat van Laboratorium A.J. Hendrix werd verlengd tot de volgende algemene vergadering van 1994. Tenslotte werd het bestuurs¬mandaat van de heer Wim Merckx verlengd tot 1999. 'TV-Ekspres' nummer 20 van 16 mei 1994 heet 'De Nieuwe TV-Ekspres' : het blad heeft een restyling ondergaan. Met een nieuw formaat (273 x 210 mm), een nieuw logo en een gewijzigde lay-out, gepaard aan een campagne in o.m. het Eurybia-affichagenet, wil Perexma de adverteer¬ders- en de lezersmarkt tegemoet treden. Op 12 juni 1995 verhuist Perexma naar de IUM-gebouwen aan de Jan Blockxstraat te Antwerpen. De hoofdredactie van TV-Ekspres is in handen van dhr Lex Moolenaar, TeVe-Blad heeft dhr Rob Jans als hoofdredacteur.
bron: uittreksel uit 'De Vlaamse Media: Een sector in de stroomversnelling' (1994-1995)
VERVENNE Luk - TESSENS Lucas
contacten MERS met NetVision - immago-campagne RTD - voorstelling NetVision
Edited: 199505091694
Bemerk in deze documentatie dat in 1995 in België het internet enkel gekend was in universitaire milieus en bij enkele 'nerds'. NetVision wilde hierin als vroege speler verandering in brengen en zag in het opengooien van de kabel een kans: eindelijk krijgt internet voldoende bandbreedte, zo schreef Luk Vervenne.
Noteer dat de terugweg op de kabel (teleDISTRIBUTIE) toen nog niet bestond.
TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
Beknopte historiek van de Standaardgroep (1914-1994) en Het Volk (1891-1994)
Edited: 199411100901


DE STANDAARD

Op 2.5.1914 wordt de NV De Standaard opgericht. Wegens WO I kan het eerste nummer van De Standaard slechts op 4.12.1918 verschijnen. Op 28.7.1919 koopt De Standaard een gebouw aan de E. Jacqmainlaan te Brussel. Vanaf 11.7.1921 laat de uitgeverij te Antwerpen het dagblad 'De Morgenpost' (1921-1940) verschijnen. In 1924 koopt de NV De Standaard de SA Imprimerie Nationale, omgedoopt tot NV Periodica. In 1927 verwerft Gustaaf Sap de meerderheid van de aandelen van de NV De Standaard n.a.v. een kapitaalsverhoging. In 1929 start men met de polulaire editie 'Het Nieuwsblad'. In datzelfde jaar wordt Sap volledig meester van NV De Standaard. In 1937 slorpt Het Nieuwsblad 'Sportwereld' op. In 1940 overlijdt Gustaaf Sap en tijdens WO II verschijnen de kranten van de groep niet. Na het lichten van het sekwester op Periodica kan 'De Nieuwe Standaard' opnieuw verschijnen op 10.11.1944 maar ditmaal onder verantwoordelijkheid van een groep mensen rond Tony Herbert . In 1947 slagen de erven Sap erin de controle terug te krijgen en op 1 mei 1947 verschijnt 'De Standaard' opnieuw. De schoonzoon van Gustaaf Sap, Albert De Smaele, neemt de leiding op zich. In 1957 slorpt 'De Standaard' 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad' op. In mei 1957 verwerft de Standaardgroep 'Het Handelsblad' (8.12.1844-1979) uit Antwerpen. In 1962 koopt de groep de dagbladen 'De Gentenaar' (1879-heden) en 'De Landwacht' (1890-1979) op en schakelt de inhoud van 'Het Handelsblad' gelijk met die van 'Het Nieuwsblad'. In 1966 laat men twee titels vallen : 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad', subtitels geworden van 'Het Nieuwsblad'. In 1969 richten NV De Standaard en NV De Vlijt op paritaire basis de NV Perexma op die het tv-blad 'TV-Ekspres' zal gaan uitgeven. Tegelijk verwerft De Standaard de exploitatierechten op het weekblad ZIE van De Vlijt. Vanaf 1970 gaat de groep zich echt interesseren voor haar inmiddels uitgebouwde aktiviteiten in Frankrijk. In 1972 neemt de NV Periodica twee drukkerijen over van de groep Lambert. In 1974 en daarna gooit de Standaardgroep zich op de touroperator-sektor. In 1975 richten De Vlijt, Concentra en De Standaard samen de Groep I Dagbladen NV op; de samenwerking tussen deze drie voor de gezamelijke acquisitie van nationale themareklame bestond al van in 1968. In 1975 komt de dépistage-dienst van de Rechtbank van Koophandel te Brussel zware financiële moeilijkheden van de Standaardgroep op het spoor. De ministerraad van de regering Tindemans bespreekt de moeilijkheden van drukkerij Periodica en de Standaardgroep op volgende vergaderingen: 5, 12 en 15 december 1975, 27 februari, 5 maart en 14 juni 1976. PDG De Smaele slaat de raad van zijn invloedrijke en uitstekend geïnformeerde hoofdredacteur, dhr Manu Ruys, om de gezonde kranten uit het concern te lichten voor het te laat is, in de wind. Op 19 mei 1976 wordt de NV Periodica, grootste drukkerij van de groep, ambtshalve in faling verklaard. De rest van de groep wordt meegesleurd in dé mega-faling van de Belgische pers. Na mislukte concordataire plannen van de aandeelhouders, politieke interventies, nachtelijke beraadslagingen, komt dhr André Leysen met een reddingsplan. Hij slaagt erin een waterdicht schot te slaan tussen de gefailleerde vennootschappen en de toekomst van de dagbladen, waarvan hij - weliswaar na een justitiële procedure over de waardebepaling - de titels voor 52 miljoen van de curatoren kan kopen. De weekbladen-poot van de groep gaat grotendeels over in de handen van de zgn. groep Maertens-Van Thillo-Brébart. De sociale kost van het faillissement is enorm hoog : meer dan duizend werknemers staan op straat. Voor de dagbladen wordt de oplossing op 26.6.1976 gevonden en op 29 juni 1976 verschijnen ze onder verantwoordelijkheid van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij - afgekort VUM - een vennootschap met een kapitaal van 120 miljoen BEF. De aandeelhouders situeerden zich in de Antwerpse zakenwereld en de scheepvaart. De stroomopwaartse bindingen van de redders van de Standaardgroep stonden toen niet ter discussie. Reeds in 1977 is de VUM winstgevend en dat niettegenstaande de voortdurende weigering van VUM om de directe perssteun te aanvaarden. Op 15.2.1979 laat de VUM Het Handelsblad verdwijnen. In 1979 laat de VUM, als eerste een onderzoek doen dat gaat in de richting van redactionele marketing. Op 30.5.1979 wordt beslist om zowel de maatschappelijke zetel als de administratieve zetel van de VUM over te plaatsen van Antwerpen naar Groot-Bijgaarden. In 1980 trekt de VUM zich terug uit de publicitaire pool Groep I Dagbladen. In 1981 boekt de VUM een rekordwinst van 87 miljoen BEF. Vanaf 1982 begint VUM met een nieuw opmaaksysteem voor de kranten. In 1982 staat dhr Verdeyen, directeur-generaal, aan de wieg van Mediatel, een onderzoekscel van de BVDU, die moet speuren naar de nieuwe mogelijkheden van electronic publishing voor dagbladen. In oktober 1982 verklaart de VUM niet meer mee te willen zoeken met de andere uitgevers naar mogelijkheden voor commerciële tv in Vlaanderen. Op 26.5.1982 beslist de buitengewone algemene vergadering van de VUM bij eenparigheid van stemmen om het kapitaal terug te brengen van 200 miljoen tot 100 miljoen BEF. In juni 1984 sticht VUM samen met Het Belang van Limburg, de Financieel Ekonomische Tijd, Electrafina en Gevaert de vennootschap Onafhankelijke Televisie Vlaanderen. De rest van de Vlaamse pers sticht een CV Vlaamse Media Maatschappij, eveneens erop gericht om in Vlaanderen een commercieel station op te zetten. In 1984 brengt dhr André Leysen een boek uit waarin hij, sprekend over de winstcapaciteit van de VUM, stelt : "We stellen nu vast dat de belasting die we op onze winst betalen, ongeveer overeenkomt met de overheidssteun aan de Vlaamse pers. We voelen ons dan ook de weldoeners van de andere kranten." Die arrogantie zet veel kwaad bloed bij de collegae-uitgevers. Op 20.9.1984 start de VUM, via haar dochter Infotex, met een tabloïd volksdagblad '24 uur' dat echter reeds op 26.10.1984 haar uitgave moet staken; het dagblad werd zwaar geboycot door de dagbladverkopers die het niet namen dat het dagblad ook buiten hun circuit gedistribueerd werd. Op 4.11.1985 beslist OTV bij monde van DG Verdeyen om niet meer deel te nemen aan de zgn. Astoria-gesprekken (de gesprekken tussen de Vaste Commissie van de BRT en VMM en OTV met als thema de overdracht van het tweede BRT-net aan de uitgevers); OTV is van mening dat alleen een volledige privatisering van dat net een volwaardig alternatief is voor een commercieel net. Tussen OTV en VMM komt het uiteindelijk ook niet tot een akkoord om samen zo'n commercieel TV-station op te zetten; ook politieke druk brengt geen aarde aan de dijk. Op 11.7.1986 verpreidt het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven een strooibiljet met daarop de kop van De Standaard en de tekst "Alles voor Leysen, Leysen voor RTL. Leysen toont de weg. VUM - GBL - Frère - Generale - RTL", daarmee doelend op die stroomopwaartse binding. Op 17.10.1986 creëert de VUM winstbewijzen voor het personeel en wil het daarmee belonen voor hun bijdrage tot het resultaat van de onderneming. In 1987 schrijft dhr Leysen in een boek : "We hebben ook een tijdlang in commerciële tv geloofd, maar onze ambities op dat vlak zijn nu merkelijk afgekoeld". De VUM is er dan ook niet bij wanneer op 27.10.1987 VTM wordt opgericht. Concentra, met het Belang van Limburg, had zich tevoren losgemaakt van OTV en de overstap gedaan naar VMM en participeerde zodoende wél in het tv-station. In juli 1988 verlaat dhr Piet Antierens, commercieel direkteur van de VUM, de vennootschap om dezelfde funktie te gaan waarnemen bij de nog op te starten VTM. Op 15.3.1990 verkoopt VUM de belangrijkste produkten en aktiviteiten van de NV Sydes en de NV Infotex aan Delaware Computing NV; het personeel wordt door deze laatste overgenomen. In juni 1990 beslissen BRTN en VUM om samen een publiciteitsregie op te richten voor radioreklame, de VAR. In juli 1990 koopt de VUM het tweetalige blad voor kaderleden 'Intermediair/Intermédiaire' over van Diligentia Business Press. In december 1990 zegt VTM-Voorzitter J. Merckx over een toetreding van de VUM tot de VTM : "VTM est une maison close, mais pas un bordel". In 1991 weigert de VUM haar medewerking aan een sectoriële doorlichting van de pers door Ernst & Young, uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse economie-minister De Batselier. Op 14.11.1991, in een interview in Humo zegt dhr Leysen : "Ik heb me vergist inzake het commercile succes van VTM op korte termijn. Maar ik ben nog altijd blij met onze beslissing omdat De Standaard het boegbeeld zou geworden zijn van die VTM, en ik vreesde dat het cultureel niveau zo laag zou zijn, dat ik niet graag had dat de Standaard-lezer daarmee verbonden werd. En dat gevoel heb ik nog altijd : de programma's zijn niet bijzonder hoogstaand. En ik zou ook vandaag niet participeren." Op 17.3.1992 antwoordt dhr Leysen, in een vraaggesprek met de lezers van De Standaard, op de vraag of onze cultuur in een Europees verband niet in de verdrukking dreigt te komen : "De vervlakking van de Vlaamse cultuur vindt niet zozeer plaats door Engelse of Franse invloeden, als wel door de VTM." Op 20.5.1992 deelt de VUM via haar dagblad De Standaard mee dat, voor de eerste keer in haar geschiedenis, haar omzet gedaald was (-3,61 % in 1991 tegenover 1990). Volgens een mededeling van VUM (DS, 5.6.1993) bedroeg de nettowinst over 1992 148 miljoen tegen 110 miljoen over 1991; de omzet zou gestegen zijn tot 3,74 miljard; terwijl de verkochte oplage van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de populaire bladen van de VUM, daalde, steeg de verspreiding van De Standaard met 1,7 procent in 1992; VUM betaalde over het exploitatiejaar 1992 111 miljoen frank belastingen; het bedrijf investeerde in een derde moderne Wifag-pers. Op 29.1.1993 lanceert VUM Standaard-magazine, een gratis bijlage op vrijdag bij De Standaard. Standaard Magazine wordt gedrukt op de persen van Concentra (Belang van Limburg). Wellicht door deze gratis bijlage steeg de verkochte oplage van De Standaard over de eerste vier maanden van 1993 met 5.000 ex. tot 76.000 ex., aldus een mededeling van VUM. Voor de tweede helft 1993 kondigde de VUM een weekbladinitiatief maar op 3 juli 1993 wordt dit project afgeblazen omdat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn. Verder wordt er in 1993 een vierde Wifag-pers geïnstalleerd (in gebruik sinds juli 1993) en investeert men 250 miljoen in electronische pagina-opmaak. Op 1 oktober 1993 verhoogt De Standaard zijn losse verkoopprijs van 25 naar 28 frank terwijl Het Nieuwsblad en De Gentenaar van 25 naar 26 frank stijgen. De Standaard doet daarmee 3 zaken : het bevestigt zijn karakter van elitekrant, doorbreekt het sinds WO II bestaande prijskartel van de dagbladen en rekent op de inelasticiteit van de vraag naar kranten (zie ook de grafiek betreffende de evolutie van de dagbladprijs sinds 1947 in de bijlagen). De vennootschap raakt eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In februari 1994 komt De Standaardgroep met de Het Volk tot een akkoord om een gezamenlijke reklameregie - 'Scripta Plus' (later omgedoopt tot Scripta) - uit te bouwen tegen het najaar. De VUM neemt een aandeel van 50 % voor zijn rekening. Ook Concentra en Roularta Media Group (RMG) sluiten aan en het aandeel van ieder wordt op 25 % gebracht. Daarmee is, na de totstandkoming van 'Full Page', een tweede grote dagbladregie gecreëerd. Op 5 maart 1994 lanceert 'Het Nieuwsblad' een vaste weekendbijlage 'Zaterdag' (16 blz. tabloïd-formaat, life-style en culturele onderwerpen). Op 4 mei 1994 bevestigt Directeur-Generaal Verdeyen dat er gesprekken over samenwerking aan de gang zijn met SBS, de groep die een commercieel tv-net, naast VTM, wil opstarten in Vlaanderen (zie verder); toch draagt de mogelijkheid van reklame op de BRTN-tv de voorkeur van VUM weg; een participatie van VUM in VTM zou niet meer actueel zijn, aldus de DG. Eind mei 1994 treedt de Concentra-groep met Het Belang van Limburg toe tot de regie Scripta Plus. Tijdens de zomervakantie biedt de VUM Het Nieuwsblad aan de Belgische kust aan tegen een prijs van 15 BEF . Eind augustus 1994 treedt de VUM, in samenspraak met de Roularta-groep, op in de overnamegesprekken voor Het Volk. Ook De Persgroep en De Vlijt waren in de running. Op 4.11.1994 neemt de VUM de NV Drukkerij Het Volk over. In een aantal perscommentaren werd gesteld dat er politieke tussenkomsten waren gevraagd door VUM om Het Volk te kunnen inkopen. In een opiniestuk in De Standaard van 10 november 1994 reageert dhr Leysen, VUM-Voorzitter, hierop als volgt, en wij citeren : "Wij kregen de voorkeur omdat we een betere offerte deden, ook wat de tewerkstelling in Oost-Vlaanderen betreft. Dura veritas, sed veritas." In hetzelfde artikel herneemt dhr Leysen zijn stelling uit 1984 betreffende perssteun en belastingen : "Wij hebben als enige dagbladgroep nooit subsidies aanvaard en hebben meer belasting betaald dan alle andere dagbladgroepen samen, de Belgische weekbladgroepen waarschijnlijk incluis." Prosperitate rerum in vanitatem uti!
(...)
Vanaf 30 september 1999 verdwijnt het AVV-VVK-symbool van de front(sic!)pagina.

(...)
In 2005 lanceert VUM een pulpdagblad onder de titel 'Espresso'. Het blad wordt weldra van de markt gehaald.





HET VOLK
Het Volk is steeds het dagblad in de handen van de Christelijke Arbeidersbeweging geweest en werd gesticht in 1891. In 1928 neemt Het Volk het Brusselse 'De Tijd' over. Na WO II wordt Het Volk geherkapitaliseerd door Adolf Peeters, een Mechels handelaar die zich in 1950 terugtrekt; zijn inbreng wordt vervangen door een lening bij de BAC. Op 9.8.1950 wordt de rotatie geteisterd door brand maar kan blijven verschijnen door hulp van 'De Gentenaar'. Vanaf midden september 1950 wordt 'De Nieuwe Gids' (met het kopblad 'De Antwerpse Gids') gedrukt op de persen van Het Volk. In juni 1951 lanceert Het Volk in Kongo het weekblad "De Week", gedrukt op de persen van "Le Courrier d'Afrique"; De Week is het eerste en enige Vlaamse weekblad in Kongo. Op 1.3.1952 lanceert Het Volk het weekblad 'Zondagsblad'. Op 29.4.1962 lanceert Het Volk 'Spectator'. Op 15.11.1983 brengt de uitgeverij het populair-wetenschappelijk maandblad 'EOS' op de markt. Op 2.3.1985 wordt bij Het Volk een nieuwe coldset rotatie (Colorman) in gebruik genomen en wordt het tabloid-formaat verlaten voor het Belgisch formaat. In augustus 1985 verlaat dhr Van Tongerloo, directeur-generaal, het bedrijf om als directeur-generaal in dienst te treden bij De Vlijt. Hoe raar het ook mag klinken: de overstap van Van Tongerloo was bedisseld door Jan Merckx en werd aan de goedkeuring van o.a. Het Laatste Nieuws voorgelegd tijdens een diner in restaurant 'L'Oasis' te Brussel. In 1986 treedt dhr Antoon Van Melkebeek in dienst als directeur-generaal. Als op 28.10.1987 VTM wordt opgericht participeert NV Drukkerij Het Volk voor 11,11 % in het kapitaal. In februari 1989 komt de uitgeverij met 'TV-Gids' op de markt, een rechtstreekse concurrent voor 'TeVe-Blad' van Perexma. In 1990 voert Het Volk het Electronisch Redactioneel Systeem (ERS) in. In juni 1991 verlaat dhr Antoon Van Melkebeek de uitgeverij. Hij wordt tijdelijk vervangen door een driemanschap bestaande uit de verantwoordelijke van de technische directie (dhr De Geeter), van de redactie (dhr E. Van Den Bergh) en van de administratie (dhr Vandenbussche). Per 16.1.1992 komt dhr Elmar Korntheuer (°1942), voorheen management consultant, in dienst als directeur-generaal en werkt samen met de Direktieraad een strategisch plan uit voor 1992-1996. Dit plan wordt op 25.9.1992 unaniem goedgekeurd door de veelkoppige Raad van Bestuur. Het doel is de oplagedaling om te buigen en de bedrijfsexploitatie opnieuw rendabel te maken; men zal zich concentreren op uitgeven (Het Volk, De Nieuwe Gids, Zondagsblad, TV-Gids, EOS, Jommeke-strips) en drukken in rotatie-offset terwijl andere aktiviteiten die niet tot de core-business behoren zullen worden afgebouwd (8 boekhandels, boekendistributie/grossierderij en de distributie van tijdschriften voor derden). Op 1.7.1992 komt Mevr. M. Moonen (ex-VUM) in dienst als commercieel direkteur. Per 1.1.1993 neemt dhr Karel Anthierens, voordien hoofdredacteur van het weekblad 'Panorama/De Post', de hoofdredactie van Het Volk op zich. Vanaf 16.3.1993 worden de lay-out (Phill Nesbitt, USA) en de redactionele formule van Het Volk gewijzigd. Een en ander gaat gepaard met een dure promotiecampagne die zijn sporen nalaat in de exploitatierekening. In de opmaak is er een belangrijke evolutie : de pagina's komen full-page uit de computer. Voor de drukkerij worden ook in 1992/93 grote investeringen gedaan ter vervanging van de 32 p. heatset rotatiepers. In 1992 werden op het industrieterrein van Erpe-Mere gebouwen aangekocht en wordt er een nieuwe heatset rotatie geïnstalleerd die in november 1993 operationeel werd. Bijkomende investeringen : encartagesysteem voor publicitaire folders, aanpassing van de verzendingszaal en informatisering. Totaal investeringsbedrag 1992-1994 : 850 miljoen BEF geprogrammeerd, 900 miljoen BEF geïnvesteerd. Tegen eind 1993 moest een personeelsinkrimping van 600 naar 550 gerealiseerd zijn (115 afvloeiïngen, waarvan 2/3 door brugpensioen en 65 aanwervingen voor voornamelijk nieuwe funkties). Tijdens het tweede trimester van 1993 neemt Het Volk deel aan de herschikking van de VTM-aandelen in het kader van de oprichting van de Vlaamse Media Holding (VMH). Dit komt per saldo neer op een desinvestering in VTM (van 11,11 % naar onrechtstreeks 7,8 %) hetgeen de financiële struktuur van de uitgeverij ten goede komt (al is die nooit slecht geweest en bleef de solvabiliteit altijd op een meer dan behoorlijk peil) en haar zware investeringen helpt te financieren.

uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling' (1994)
Enkele aanvullingen betreffende de vergaderingen van de ministerraad (20180110)
BLEIER Ronald, [DAVID Ron]
The following book review of Ron David's Arabs and Israel for Beginners was published (with minor changes) in Middle East Policy, Volume III, 1994, Number 3, pp. 170-173.
Edited: 199409001014
ARABS AND ISRAEL FOR BEGINNERS, review by Ronald Bleier

ARABS & ISRAEL FOR BEGINNERS, by Ron David
Illustrated by Susan David
Writers and Readers Publishing, Inc.
New York, 1993. 210 pp.
Ron David begins Arabs and Israel for Beginners by explaining that he wants to let the reader know "where his book is heading. That way, if you consider it despicable, you can leave it in the bookstore." David's embattled stance is understandable because his book challenges the popular, pro-Israeli version of the Israeli-Arab conflict. In his view, the Palestinian Arabs, who had populated Palestine for many generations before the Jewish settlers began to arrive in the tens of thousands in the late nineteenth century, were robbed of their country by the successful Zionist effort to create a Jewish state there. Ron David's book is an attempt to tell the "real" story of the struggle for Palestine stripped of Zionist mythology which misrepresents the essential elements of how the Pales tinians lost their land.
In his review of the history of the Middle East, the author reminds us that the name "Israel" comes from Genesis in the Old Testament when Jacob changed his name to Israel after fighting with an angel and that from Jacob's twelve sons came the twelve tribes of Israel. He explains that the name Canaan, meaning "land of purple" came from the precious purple dyes that were traded in the Mediterrane an coastal plain. The author suggests an explanation for the biblical story that the Jews spent forty years in the desert after escaping from Egypt. When Moses sent spies out to the land of Canaan "their report was discouraging: 'It's full of people.'" So the Jews waited in the desert until they were strong enough militarily to conquer the native inhabitants.

The author presents a useful "Summary of Jewish Countries in the Middle East" detailing the Jewish Kingdoms from 1020 BC to 586 BC. By 6 A.D., however, the author writes, the Romans made Judah a Rom an province and although "there were a couple last gasps of Jewish revolt -- Masada and Bar Kokhba ... the Jews and the ancient Middle East had had enough of each other."

Perhaps for reasons of space -- or perhaps such a task is too complicated for the purposes of this book -- Ron David decided not to provide a similar chart of Jewish habitation in the Middle East after the fall of the Jewish kingdoms and the fall of the second temple in 70 A.D. Such a chart might have been useful if only in order to give the reader a better idea of the strength of present Jewish claims to the area.

Ron David makes a point of covering Islam in some depth. The well established Arab / Bedouin code of virtue, the muruwwah, is explained. We learn that Muhammad's inspiration came from his understanding that the wealthy and powerful merchant class were ignoring their duty to the poor, an essential tenet of the muruwwah. Perhaps because of Islam's dramatic appeal to the masses, barely a century a fter the death of Mohammad in 632, "Muslims controlled an empire that stretched from Spain to the borders of China and the Arabs were entering a Golden Age."

Some of the examples of the flowering of Arab civilization in literature, psychology, science, medicine and mathematics are detailed. It is also emphasized that Islam (which means surrender to God) nurtured and was nurtured by the cultures it embraced, especially Jewish culture. "Teaching the knowledge-hungry Muslims got the Jewish scholars' creative juices flowing. The result was a Jewish Golden Age, especially in Spain, during which doctors, poets, and scholars combined secular and religious knowledge in a way that has never been achieved since."

As Ron David tells it, the Crusades (1096 - 1270) and then the Mongol invasions (1218 - 1258) brought an end to the zenith of Arab culture. After 200 years of fighting "in their own backyards, the Arabs were all used up." At the same time, the author emphasizes the irony that "the knowledge that [the Crusaders] got from the Arabs helped them break out of the brain - dead Middle Ages into the Renaissance ..."

A crucial section of the book is devoted to the events leading up to the emergence of the State of Israel in 1948. This momentous event, a huge victory for world Jewry, is at the same time for Palestinians, al-Nakbah, the catastrophe.

THE OTTOMAN LAND CODE

The new Ottoman land code of 1850 over time led to the removal of the Palestinian peasants from their land. Previously Palestinian peasants could live on and cultivate their land and pass it on to their heirs. The new land law changed that and as a result, through land purchases, often from absentee Arab landlords in Beirut, Jewish settlers began to move Palestinian peasants off the land that they had farmed for generations.
Note Lucas Tessens (201602020): This is a difficult matter in Ron David's exposé but it is key and needs more attention than it gets: If the Jews really bought the land, the Arabs no longer owned it in a legal sense. If the French buy half of Belgium they become the legal owners. In my view it is the inequality in purchasing power that leads to desinheritance of the land and the expulsion of their former tenants/farmers. Refusing to accept this process is in fact rejecting the whole capitalist system. Or should land be excluded from the list of goods that can be bought? If the answer is 'YES' then you are in a new system.


The expulsion of Palestinian farmers by the Jewish settlers frequently led to confrontations between the two sides as early as the last decade of the 19th century. The fierce rioting of 1929 in which there were hundreds of casualties on both sides resulted in a new British policy statement in late 1930 which was meant to restrict Jewish immigration and land purchases. If the new policy had held for the long term, the Palestinians might not have lost their country. However, in only a few months, the Zionists in England were powerful enough to cause the British Prime Minister, Ramsay MacDonald, to rescind the new policy statement and revert back to the pro-Jewish policies of the Balfour Declaration (1917) which stated that the British government would "view with favor the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people ... "

The advent of Hitler in 1933 and the pro-Jewish immigration policies of the British led to the Arab revolt of 1936 - 1939. Afterwards, when the British tried to redress the balance in favor of the Arabs it became the turn of the Jews to rebel and their successful terrorist actions played a key role in forcing the British to give up their mandate in Palestine in favor of the U.N.

THE U.N. PARTITION RESOLUTION

The U.N. Partition Resolution of November 29, 1947, recommended the division of Palestine into a Jewish state and an Arab state. While the Jews hailed it as a major breakthrough, the Arabs rejected it because it gave much of what was theirs to the Jews. The Jewish community in Palestine which at that time made up about a third of the population and held less than 7% of the land, were "given" more than 50% of the area of Palestine, including prime Arab farmland in the Galilee and on the Mediterranean coast and elsewhere. Equally important, the U.N. scheme placed hundreds of thousands of Palestinian Arabs in areas that were to be controlled by the Jews. This would mean that there would be about 500,000 Arabs in a state of about 650,000 Jews -- a plan that both sides, in effect, rejected.
It is widely believed that the war between the Arabs and the Jews began with the Arab invasion on May 15, 1948, immediately after the Jews declared their state. In reality, the war actually began after the U.N. Partition Resolution, in December 1947. In this communal war the much better organized and equipped Jews captured the areas that the British were evacuating. As Israeli historian Simha F lapan writes, so successful were the Jewish forces that by the beginning of May 1948, they held most of the territory that was designated for their state by the U.N. Resolution.

The success of the Jewish campaign against the Palestinian forces may be gauged by the 300,000 Arab refugees who were forced to flee their homeland before the middle of May 1948. The situation was such an international scandal -- comparable to the ethnic cleansing in the former Yugoslavia -- that the U.S. and other countries actually entertained plans to substitute a trusteeship for Palestine rather than allow the U.N. Partition Resolution to stand. In the event, the Truman administration, with its eye on the Jewish lobby at home, withdrew its objections and was quick to recognize the new Jewish state.

When the Jewish leaders declared their new state on May 14, 1948, there were still about 400,000 Palestinians in areas that became Israel. Ben Gurion's government decided to risk war because they wished to increase their territorial gains and to cleanse the area of more Palestinians. Viewed in the light of Jewish military victories, the Arab invasion of May 15, becomes not, as pictured by the Zionists, an attempt by implacable enemy forces to drive the Jews into the sea, but rather, in large part, a pan-Arab effort to stave off further Jewish gains in Palestine and to stem the flow of even more Palestinian refugees.

Moreover, in Zionist mythology, no credit is given to Jordan, Lebanon, Syria and Egypt for sheltering and sustaining the hundreds of thousands of Palestinian refugees. Indeed Zionists frequently say that the Arab countries created and maintained the Palestinian refugee problem as a way of scoring propaganda points against Israel. It turns out that the opposite is the case. In Michael Palumbo's The Palestinian Catastrophe: The 1948 Expulsion of a People From Their Homeland (1987), evidence is presented which indicates that Ben-Gurion flatly rejected proposals by the U.S. and Syria to permanently resettle hundreds of thousands of Palestinian refugees. Palumbo thinks that Ben-Gurion's motivation was the idea that "as long as the refugee problem remained unsolved there would be tensions in the region which could eventually be used to ignite a new war of conquest."

Palumbo points to the territory that Israel conquered in 1967 in Palestine, Jordan, and Syria as evidence of Israel's expansionist program. Ron David's section on Lebanon provides more support to Palumbo's thesis as well as it adds perspective on Israel's control of its self-designated "security zone" in Southern Lebanon which it has held illegally since 1982. Ron David cites evidence from the diaries of Moshe Sharett, Israel's second Prime Minister, that as early as the 1950s, Israel was planning to destabilize Lebanon by pitting the Moslem community against the Lebanese Christians. The idea was to create a puppet state there so that Israel could control the land and water resources in the south.

In view of Zionist responsibility for the carnage and instability in the Middle East for much of this century, it's understandable that Ron David should raise the question at the end of his book of the billions of dollars in aid that the U.S. gives Israel every year. The author quotes an article by Jeffrey Blankfort in Lies of Our Times, pointing out how secretive our own media is on the issue of U.S. aid to Israel. "February 1989," Blankfort writes, "was the last time the New York Times ran a story describing Congress' role in approving aid to Israel." In a wonderful quote, Ron David writes, "I would rather flush that money down the toilet than give it to Israel.... At least when you flush money down the toilet, it doesn't hurt anybody."

Arabs and Israel for Beginners, one of a series of "documentary comic books," with its format of illustrations on every page, is easy to read and is highly recommended for those interested in a controversial and more objective point of view. Unfortunately, it is marred by a score or more of typos, frequent use of street language, and some mistakes: the 35,000 Arabs that Ron David says were expelled in the '56 war is silently corrected two pages later to 3,000 to 5,000; and "Eretz Yisrael" means not only, as Ron David has it, the biblical land of Israel but also the modern state of Israel . However, these lapses are a small price to pay for an extremely important book which challenges old assumptions on an issue that may be with us for generations despite the promise of the Oslo Accords.
SIEGEL Rainer-Joachim, [ZWEIG Stefan, 1881-1942]
Stefan ZWEIG: Chronologische Liste. Zählung nach Rainer-Joachim Siegel, in: Gero von Wilpert / Adolf Gühring, Erstausgaben deutscher Dichtung – Eine Bibliographie zur deutschen Literatur 1600–1990, 2. Auflg. S. 1710–1715, Stuttgart: Kröner 1992
Edited: 199209201115


1. Silberne Saiten. Gedichte. 88 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1901
2. Mitübersetzung, Vorwort Charles Baudelaire: Gedichte in Vers und Prosa. Übersetzung S. Z. u. Camill Hoffmann. 152 S. Leipzig: Seemann 1902
3. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gedichte. Eine Anthologie der besten Übertragungen. 122 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1902
4. (Einleitung) A. L. Camille Lemonnier: Die Liebe im Menschen. Aus d. Franz. v. P. Adler. VIII, 202 S. Leipzig-Reudnitz: Magazin-V. Hegner (= Kulturgeschichtliche Liebhaberbibliothek 10) 1903
5. (Einleitung) Ephraim Mose Lilien: Sein Werk. 347 S. mit Abb. 4° Berlin, Leipzig: Schuster & Loeffler 1903
6. Vorwort, Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 90 S., 1 Abb. Berlin: Schuster & Loeffler (350 num. Ex., dav. 25 sign.) 1904
7. Die Liebe der Erika Ewald. Novellen. VI, 179 S. mit Abb. Berlin: Fleischel 1904
8. Verlaine. 83 S., 8 Tafeln, 1 Faks. Berlin: Schuster & Loeffler (= Die Dichtung 30) [1905]
9. Die frühen Kränze. (Gedichte.) 84 S. Leipzig: Insel 1906
10. (Übersetzung) Archibald George Blomefield Russell: Die visionäre Kunstphilosophie des William Blake. 30 S., 1 Abb. Leipzig: Zeitler 1906
11. (Einleitung) Arthur Rimbaud. Leben und Dichtung. Übersetzung K. L. Ammer. 233 S., 1 Porträt. Leipzig: Insel 1907
12. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 138 S. mit Abb. v. J. Flaxman. Leipzig: Insel 1907
13. (Herausgeber, Einleitung) Balzac. Sein Weltbild aus den Werken. 249 S. Stuttgart: Lutz (= Aus der Gedankenwelt großer Geister 11) [1908]
14. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Helena’s Heimkehr. Dem unveröffentl. Manuskript nachgedichtet. 72 S. Leipzig: Insel (300 Ex.) (= 4. Druck der Ernst Ludwig Presse, Darmstadt) 1909
15. (Einleitung) Charles Dickens: Ausgewählte Romane und Novellen. 12 Bände mit Abb. v. Phiz u. a. Leipzig: Insel [1910]
16. Übersetzung Emile Verhaeren: Drei Dramen. 192 S. Leipzig: Insel 1910
17. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 142 S. Leipzig: Insel 1910 (Erw. Aufl. v. Nr. 6)
18. (Vorwort) Camille Lemonnier: Warum ich Männerkleider trug. Erlebnisse einer Frau. Übersetzung P. Cornelius. VIII, 391 S. Berlin-Charlottenburg: Juncker (= Ausgewählte Werke, Band 1) [1910]
19. Emile Verhaeren. 218 S. Leipzig: Insel 1910
20. Erstes Erlebnis. Vier Geschichten aus Kinderland. VII, 229 S. Leipzig: Insel 1911
21. Übersetzung, Vorwort Emile Verhaeren: Hymnen an das Leben. 60 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 5) [1911]
22. (Einleitung) Lafcadio Hearn: Das Japanbuch. Eine Auswahl aus Lafcadio Hearns Werken. VIII, 310 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1911
23. Das Haus am Meer. Ein Schauspiel in zwei Teilen (drei Aufzügen). 170 S. Leipzig: Insel 1912
24. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rembrandt. 112 S., 80 Tafeln Leipzig: Insel 1912
25. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 174 S. Leipzig: Insel 1913 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 17)
26. Der verwandelte Komödiant. Ein Spiel aus dem deutschen Rokoko. 64 S. Leipzig: Insel 1913
27. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rubens. 84 S., 95 Tafeln Leipzig: Insel 1913
28. (Einleitung) Paul Mayer: Wunden und Wunder. Gedichte. 20 Blätter Heidelberg: Saturn-V. (= Lyrische Bibliothek 1) 1913
29. Brennendes Geheimnis. Erzählung. 79 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 122) 1914 (Ausz. a. Nr. 20)
30. (Nachwort) Alexandre Mercereau: Worte vor dem Leben. Übersetzung P. Friedrich. 154 S. Leipzig: Insel 1914
31. (Herausgeber, Nachwort) Nikolaus Lenau an Sophie Löwenthal. 83 S. Leipzig: Insel (= Österreichische Bibliothek 16) [1916]
32. Erinnerungen an Emile Verhaeren. 91 S. [Wien] (Priv.-Dr.; 100 Ex.) 1917
33. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 216 S. Leipzig: Insel 1917
34. Das Herz Europas. Ein Besuch im Genfer Roten Kreuz. 16 S. 4° Zürich: Rascher 1918
35. (Übersetzung) Romain Rolland: Den hingeschlachteten Völkern! 15 S. 4° Zürich: Rascher 1918
36. (Herausgeber, Bearbeitung, Einleitung) J. J. Rousseau: Emil oder Über die Erziehung. 290 S. 4° Potsdam: Kiepenheuer (500 num. Ex.) 1919
37. Fahrten. Landschaften und Städte. 124 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
38. Legende eines Lebens. Ein Kammerspiel in drei Aufzügen. 152 S. Leipzig: Insel 1919
39. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 119 S. Leipzig: Insel 1919 (Veränd. Neuaufl. v. Nr. 12)
40. (Übersetzung) Romain Rolland: Die Zeit wird kommen. Drama in drei Akten. 93 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
41. Angst. Novelle. 47 S. mit Abbildungen v. Ludwig Kainer. Berlin: Hermann (= Der kleine Roman. Illustrierte Wochenschrift 19) 1920
42. (Mitübersetzung) André Suarés: Cressida. Übersetzung S. Z. u. Erwin Rieger. 128 S. Leipzig, Wien, Zürich: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1920
43. (Vorwort) Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn. 349 S., 1 Tafel Leipzig: Insel 1920
44. Drei Meister. Balzac, Dickens, Dostojewski. 219 S. Leipzig: Insel 1920
45. (Einleitung) Andreas Latzko: Le dernier homme. Version nouvelle. 116 S. mit Abbildungen Genève: Sablier (806 Ex.) 1920
46. (Mitübersetzung) Magdeleine Marx [i.e. Magdeleine Paz]: Weib. Roman. Vorw. Henri Barbusse. Übersetzung S. Z. u. Friderike Maria Winternitz-Zweig. VI, 258 S. Basel: Rhein-V. [1920]
47. Der Zwang. Eine Novelle. 84 S., 10 Abb. v. Frans Masereel. Leipzig: Insel (470 num. Ex.) 1920
48. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 266 S., 6 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1921
49. (Einleitung) F. M. Dostojewski: Sämtliche Romane und Novellen. Übersetzung H. Röhl u. K. Nötzel. 25 Bände Leipzig: Insel 1921
50. Amok. Novellen einer Leidenschaft. 295 S. Leipzig: Insel 1922
51. Die Augen des ewigen Bruders. Eine Legende. 64 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 349) [1922]
52. (Übersetzung) Romain Rolland: Clérambault. Geschichte eines freien Gewissens im Kriege. 333 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1922
53. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gesammelte Werke. 2 Bände 359, 415 S. mit Abb. Leipzig: Insel 1922
54. (Vorwort) Ausstellung Gustinus Ambrosi im Kunstmuseum. 18 S. St. Gallen: Tschudy 1923
55. (Vorwort) Franz Hellens [i.e. Friedrich van Ermengen]: Bass-Bassina-Bulu. Roman. Übersetzung H. u. V. Pins. VIII, 337 S. Berlin: Juncker [1923]
56. (Mitverfasser) S. Z. u. A. Holitscher: Frans Masereel. 177 S. mit Abb. 4° Berlin: Juncker (= Graphiker unserer Zeit 1) [1923]
57. (Herausgeber, Einleitung) Charles-Augustin de Sainte-Beuve: Literarische Portraits aus dem Frankreich des XVII.—XIX. Jahrhunderts. 2 Bände 412, 414 S., 2° Abb. Frankfurt/Main, Berlin: Frankfurter Verl.-Anst. [1923]
58. Sainte-Beuve. 24 S., 1 Abb. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. (200 num. Ex.) 1923 (Ausz. a. Nr. 57)
59. (Nachwort) O. Heuschele: Briefe aus Einsamkeiten. Drei Kreise. 127 S. Berlin: Junkker [1924]
60. (Nachwort) Franz Karl Ginzkey: Brigitte und Regine und andere Dichtungen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6453) [1924]
61. (Bearbeitung, Vorwort.) François René Auguste Vicomte de Chateaubriand: Romantische Erzählungen. 186 S. Wien, Leipzig, München: Rikola (= Romantik der Weltliteratur) 1924
62. (Einleitung) Hermann Bahr: Die schöne Frau. Novellen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s U B. 6451) [1924]
63. Die gesammelten Gedichte. 153 S. Leipzig: Insel 1924 (Enth. Nr. 1, 9 u. teilw. 37)
64. Angst. Novelle. Mit e. Nachw. v. Erwin H. Rainalter. 75 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6540) [1925] (Gek. Ausg. v. Nr. 41)
65. Der Kampf mit dem Dämon. Hölderlin – Kleist – Nietzsche. 321 S. Leipzig: Insel 1925
66. (Vorwort) Ernest Renan: Jugenderinnerungen. Dt. H. Szass. 319 S. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. 1925
67. (Nachwort) Jens Peter Jacobsen: Niels Lyhne. 266 S. Leipzig: List (= Epikon) [1925]
68. (Vorwort) Hans Prager: Die Weltanschauung Dostojewskis. 215 S. Hildesheim: Borgmeyer [1925]
69. (Bearbeitung) Ben Jonsons „Volpone“. Eine lieblose Komödie in drei Akten. 148 S. 6 Abb. v. Aubrey Beardsley. Potsdam, Berlin: Kiepenheuer (= Die Liebhaberbibliothek) 1926
70. (Mitherausgeber, Mitverfasser) Liber Amicorum Romain Rolland. Romain Rolland. Sexagenario, ex innumerabilibus amicis paucissimi grates agunt. Hunc librum curaverunt edendum Maxim Gorki, Georges Duhamel, S. Z., imprimendum Emil Roniger. 405 S. mit Abbildungen 4° Zürich: Rotapfel [1926]
71. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 278 S., 7 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1926 (Erw. Neuaufl. v. Nr. 48)
72. Vierundzwanzig Stunden aus dem Leben einer Frau. 89 S. Wien: österreichisches Journal [1926]
73. Abschied von Rilke. Eine Rede. 30 S. Tübingen: Wunderlich [1927]
74. (Vorwort) Anthologie jüngster Lyrik. Herausgeber Willi R. Fehse u. Klaus Mann. 169 S. Hamburg: Enoch [1927]
75. Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Mit Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn u. Friderike Zweig. 261 S., 4 Abb. Leipzig: Insel 1927 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 43)
76. Der Flüchtling. Episode vom Genfer See. 23 S. Leipzig (= Bücherlotterie der Internationalen Buchkunstausstellung, Leipzig 1927, Band 1) 1927
77. (Herausgeber, Einleitung) J. W. v. Goethe: Gedichte. Eine Auswahl. 254 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6782–6784) [1927]
78. Mitübersetzung, Nachwort, Herausgeber Paul Verlaine: Gedichte. Eine Auswahl der besten Übertragungen. 71 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 394) [1927]
79. Die Kette. Ein Novellenkreis. Drei Ringe (= 3 Bände). Leipzig: Insel 1927 (Enth. Nr. 20, 50, 82)
80. Die unsichtbare Sammlung. Eine Episode aus der deutschen Inflation. 22 S. Berlin: Sonderdr. f. d. Mitglieder d. Bibliophilen Ges. (250 num. Ex.) 1927
81. Sternstunden der Menschheit. Fünf historische Miniaturen. 77 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 165) [1927]
82. Verwirrung der Gefühle. Drei Novellen. 273 S. Leipzig: Insel 1927 (Enth. u. a. Nr. 72)
83. (Vorwort) Max Brod: Tycho Brahes Weg zu Gott. 361 S. Berlin: Dt. Buchgemeinschaft [1927]
84. Drei Dichter ihres Lebens. Casanova – Stendhal – Tolstoi. 377 S. Leipzig: Insel 1928
85. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 191 S. Leipzig: Insel 1928 (Neubearb. v. Nr. 33)
86. Reise nach Rußland. 38 S. Wien: österreichisches Journal 1928
87. (Vorwort) Grigol Robakidse: Das Schlangenhemd. Ein Roman des georgischen Volkes. III, 221 S. Jena: Diederichs 1928
88. Kleine Chronik. Vier Erzählungen. 92 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 408) [1929] (Enth. u. a. Nr. 76, 80)
89. Dank an die Bücher. 2 Blätter Leipzig: Verl. Staatl. Akad. f. graph. Künste u. Buchgewerbe 1929
90. (Nachwort) Richard Specht: Florestan Kestners Erfolg. Eine Erzählung aus den Wiener Märztagen. 135 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7038/7039) 1929
91. Joseph Fouché. Bildnis eines politischen Menschen. 332 S., 6 Tafeln Leipzig: Insel 1929
92. Das Lamm des Armen. Tragikomödie in drei Akten (neun Bildern). 137 S. Leipzig: Insel 1929
93. (Nachwort) Oskar Baum: Nacht ist umher. Erzählung. 69 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7005) [1929]
94. (Einleitung) E. T. A. Hoffmann: Princess Brambilla. Caprice. Trad. Alzir Hella, Olivier Bournac. X, 244 S. mit Abb. Paris, Neuchâtel: Attinger (= Romantiques Allemands 1) 1929
95. Der Zwang. Phantastische Nacht. Novellen. 126 S., 15 Abbildungen Wien: Der Strom (= Die Roman-Rundschau 2) 1929 (Enth. Nr. 47 u. teilw. 50)
96. Buchmendel. (Die Novelle wurde dem Bergischen Bibliophilen-Abend vom Verfasser zur Veröffentlichung überlassen.) 30 S. 4° Officina Serpentis 1930 (Ausz. a. Nr. 88)
97. Rahel rechtet mit Gott. Legende. 2° Blätter, 2 Abb. v. W. Preißer. Berlin: Aldus Druck (= Mitgliedsgabe der Soncino-Ges. zur Jahresversamml.; 370 Ex.) 1930
98. (Einleitung) W. A. Mozart: Ein Brief an sein Augsburger Bäsle. 4 S. Faks., 12 S. Text. 4° [Wien: Max Jaffé & Waldheim-Eberle] (50 Ex.) 1931
99. (Vorwort) Das Buch des Jahres 1931. Herausgeber Vereinigte Verleger-Gruppe. VIII, 167 S. mit Abb. Leipzig: Poeschel & Trepte [1931]
100. (Einleitung) Schalom Asch: La Chaise électrique. Trad. par Alzir Hella et J. Altkaufer. VIII, 246 S. Paris: Stock 1931
101. (Einleitung) Maxim Gorki: Erzählungen. Aus d. Russ. übertr. v. A. Luther. 302 S. Leipzig: Insel 1931
102. Ausgewählte Gedichte. 80 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 422) [1931] (Ausz. a. Nr. 63)
103. Die Heilung durch den Geist. Mesmer – Mary Baker-Eddy – Freud. 446 S. Leipzig: Insel 1931
104. Ausgewählte Prosa. (I. Bändchen). Herausgeber u. Vorw. Herman Wolf. 142 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhof’s Samml. dt. Schriftsteller 53) 1931 (Ausz. a. Nr. 81, 88, 91)
105. (Vorwort) Die Internationale Stiftung Mozarteum. 31 S. mit Abb. Salzburg [: Kiesel] 1931
106. (Einleitung) Max Zodykow: Stimme aus dem Dunkel. Eine Ausw. von Gedichten und Prosa. 100 S. Berlin-Charlottenburg: Lehmann [1931]
107. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 639 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel 1932
108. (Übersetzung, Nachwort) Henri Barbusse: Die Schutzflehenden. Der Roman einer Vorkriegsjugend. 247 S. Zürich: Rascher 1932
109. (Einleitung) Jean-Richard Bloch: Vom Sinn unseres Jahrhunderts. Übersetzung Paul Amann. 306 S. Berlin: Wien, Leipzig: Zsolnay 1932
110. The Jewish Children in Germany. (Adress by Mr. Stefan Zweig at the House of Mrs. Anthony de Rothschild, on Thursday, November 30, 1933 and to the Commitee for the Luncheon at the Savoy Hotel, December 20, 1933, in aid of German Jewish women and children.) 8 S. London 1933
111. Die moralische Entgiftung Europas. 15 S. Roma: Reale Accademia d’Italia 1933–XI
112. (Vorwort) Schalom Asch: Petersbourg. Roman. Trad. del’Allemand par A. Vialatte. 382 S. Paris: Crasset [1933]
113. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 575 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel [1934] (Neubearb. Aufl. v. Nr. 107)
114. Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam. 227 S. mit Abb. Wien: 4° Reichner (600 num. Ex.) 1934
115. Die schweigsame Frau. Komische Oper frei nach Ben Jonson. Musik v. R. Strauss (Textbd.) 110 S. Berlin: Fürstner [1935]
116. (Übersetzung) Luigi Pirandello: Man weiß nicht wie. Drei Akte. 89 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
117. Ausgewählte Prosa. (II. Bändchen.) Herausgeber Herman Wolf. 135 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhoffs Samml. dt. Schriftsteller 66) 1935 (Ausz. a. Nr. 107, 114, 119)
118. Sinn und Schönheit der Autographen. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
119. Maria Stuart. 524 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
120. (Einleitung) Paul Stefan: Arturo Toscanini. 72 S., 54 Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
121. Arturo Toscanini. Ein Bildnis. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1935] (S.-A. v. Nr. 120)
122. Baumeister der Welt. Drei Meister. Der Kampf mit dem Dämon. Drei Dichter ihres Lebens. 650 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 44, 65, 84)
123. Castellio gegen Calvin oder Ein Gewissen gegen die Gewalt. 333 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936
124. [Gesammelte Erzählungen. 2 Bände 487, 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 126 u. Ausz. a. Nr. 79; siehe Nr. 126)
125. (Vorwort) Joseph Leftwich: What Will Happen to the jew’s? XII, 268 S. London: King 1936
126. Kaleidoskop. 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner (= Gesamtausgabe des erzählerischen Werkes, 2. Band) 1936 (Enth. u. a. Nr. 51, 64, 81, 88, 97; siehe Nr. 124)
127. Georg Friedrich Händels Auferstehung. Eine historische Miniatur. 58 S. mit Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
128. Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten. 478 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1937] (Enth. u. a. Nr. 11, 32, 34, 56, 58, 66, 73, 75, 77, 89, 99, 111, 118, 121, 130; Ausz. a. Nr. 37)
129. Der begrabene Leuchter. 127 S. mit Abb. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
130. House of a Thousand Destinies. 16 S. mit Abb. London: Shenval [1937]
131. (Einleitung) Gaston Soulié: Plus jamais ça! Deux lettres servant de Préface, Romain Rolland & S. Z. 131 S. Paris: Dedresse 1937
132. (Nachwort) Ödon Horváth: A Child of Our Time. Translated into English by R. Wills Thomas. Foreword by F. Werfel. 263 S. London: Methuen & Co. 1938
133. Magellan. Der Mann und seine Tat. 370 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1938]
134. (Einleitung) Rainer Maria Rilke. Aspects of his mind and poetry. Edited by William Rose, G. Craig Houston. 183 S. London: Sidgwick & Jackson 1938
135. (Einleitung) Paul Leppin: Helldunkle Strophen. Gedichte. 56 S. mit Abb. v. H. Steiner. Prag: Werner (= Leppin: Prager Rhapsodie 1) 1938
136. (Einleitung) Eugen Relgis: Muted voices. Transl. R. Freeman-Ishill. 200 S. mit Abb. Berkeley Heights, N.J.: Oriole Press 1938
137. (Herausgeber) L. N. Tolstoj: Les Pages immortelles de Tolstoj. Texte de S. Z. Trad.: J. Angelloz. 235 S. Paris: Correa (= Les Pages Immortelles) 1939
138. Ungeduld des Herzens. Roman. 443 S. Stockholm: Bermann-Fischer; Amsterdam: de Lange 1939
139. Worte am Sarge Sigmund Freuds. Gesprochen am 26. September 1939 im Krematorium London. 4 Blätter Amsterdam: de Lange (100 Ex.) [1939]
140. The Tide of Fortune. Twelve historical miniatures. Transl. by Eden and Cedar Paul. 232 S. London: Cassell 1940
141. (Vorwort) The Jewish Contribution to Civilization. Ed. C. A. Stonchill. A collection of books formed and offered by C. A. Stonchill, Ltd. 198 S. mit Abbildungen Birmingham: Press of Juckes (= Catalogue, no. 144/1940) 1940
142. (Mitübersetzung) Irwin Edman: Ein Schimmer Licht im Dunkel [Candle in the Dark. A Postscript to Despair. 88p. New York: The Viking Press, 1939]. Übertr. v. Richard Friedenthal u. S. Z. 65 S. Stockholm: Bermann-Fischer (= Schriftenreihe Ausblicke) 1940
143. Brasilien. Ein Land der Zukunft. 293 S., 13 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1941
144. Amerigo. A comedy of errors in history. Transl. by Andrew St. James. 128 S. mit Abbildungen New York: Viking 1942
145. As très Paixês. Très Novelas. Übersetzung Odilon Gallotti u. Elias Davidovich. 213 S. Rio de Janeiro: Editora Gunabara, Waissman Koogan (= Obras complétas 16) 1942 (Enth. u. a. Nr. 146)
146. Schachnovelle. 97 S. Buenos Aires: Pigmalión (250 num. Ex.) bzw. Buenos Aires: Kramer (50 num. Ex.) 1942
147. Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers. 493 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1942
148. (Einleitung) Claire Goll: My sentimental zoo. Animalstories. Transl. M. de Huyn. 125 S. mit Abb. Mount Vernon, N. Y.: The Peter Pauper Press [1942]
149. Sternstunden der Menschheit. Zwölf historische Miniaturen. 300 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 81; Ausz. a. Nr. 126)
150. Zeit und Welt. Gesammelte Aufsätze und Vorträge 1904—1940. Herausgeber u. Nachwort Richard Friedenthal. 401 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 86, 139; Ausz. a. Nr. 37)
151. Amerigo. Die Geschichte eines historischen Irrtums. 132 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1944 (Dt. Ausg. v. Nr. 144)
152. Balzac. Aus dem Nachlaß hg. u. mit e. Nachw. vers. v. Richard Friedenthal. 574 S., 9 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1946
153. (Vorwort) Vincenzo Errante: Lenau. Geschichte eines Mä