DARQUENNE Roger
Histoire économique du Département de Jemappes. Mémoires et publications de la société des sciences, des arts et des lettres du Hainaut. Vol. 79
Broché, In-8, 369 pp., bibliographie et index. Annexes statistiques. Etude sur base d'archives. Importantes informations sur les mines (houille), métallurgie, l'industrie textile, industrie verrière, industrie de la pierre, industrie chimique, terre cuite, raffineries de sel, imprimerie (Plon, Casterman, Lelong, ...). "En somme, la période française couronna l'oeuvre d'union intime avec la France commencée sous l'Ancien Régime ..." (p. 113) Censure sur les journaux: 1 journal par département (loi du 3/8/1810 - p. 187). Crise de 1810-1813. Warocqué: disparition des archives (p. 223).

Noten LT:
Over de mijnconcessies op het einde van de 18de eeuw: De eigenaar van de bovengrond mocht zich niet verzetten tegen de extractie van steenkool wanneer de Heer de ondergrond in concessie had gegeven.Toch ontving de eigenaar van de bovengrond als schadevergoeding een derde van de bovengehaalde delfstoffen, terwijl de Heer een vierde van de delfstoffen opeiste. De toegewezen concessie was zogoed als onherroepelijk en eeuwigdurend. (p. 63)
De mijnwetten van de Franse Tijd (17910327, 17910615, 17910612 en de kaderwet van 18100421) ontzegden de eigenaars van de bovengrond om nog steenkool te delven en plaatsten de bevoegdheid om concessies toe te wijzen bij de Staat. (p. 75)
Lecouteulx-Canteleu, koper van nationale goederen, werd in het ongelijk gesteld toen hij de '11de panier' opeiste van de exploitatiemaatschappij die de mijn uitbaatte onder de gronden van La Louvière en Saint-Vaast. De Minister was van oordeel "C'est ridicule. C'était un droit féodal qu'il n'a pas acheté." (ANF, F 14-1089, dossier 'Houillères de Saint-Vaast', requête de Lecouteulx-Canteleu, 18 mai 1809) (p. 80)
Noteer dat er een heuse strijd ontstond tussen de open mijnen (cayats) en de ondergrondse mijnen (zie p. 84 e.v.). Darquenne spreekt van een 'anarchie' in de mijnstreek omdat de oude feodale gebruiken (rechten van de eigenaars van de bovengrond) niet direct weken voor de nieuw ontstane rechten (concessies).
Darquenne noemt de grote entrepreneurs van het departement: Arenberg, Derasse, Gendebien, Hardempont, Lejuste en Warocqué. Zij streefden naar een concentratie van de al te kleine mijnconcessies. Het kapitaal haalde het dus van de kleine exploitaties, ook in de ondergrond. (zie pp. 90-94)

Mijnwerker verdiende in 1810 in Flénu 18 sols de Brabant, dat is 0,89 fr per dag. Daarmee kon hij zo'n 8 à 9 broden kopen. (zie p. 125) In huidige termen is dat een verdienste van pakweg 16 à 18 Euro per dag. Maar wie geen werk had, was echt arm.
BELANGRIJK: "La Révolution française ne fut donc pas favorable à la classe ouvrière. Après la liquidation des derniers Montagnards aux journées des 17 germinal et 1 prairial an III (6 avril et 20 mai 1795), elle perdit son dernier appui et l'on peut dire que cette époque marqua la fin de la Révolution. Par la suite, les revendications en matière de sécurité sociale n'eurent qu'une portée médiocre."
€ 60.0

BUY