Article

LT

13 april 1801: mijnen van Jupille en Grévignée voor 50 jaar in concessie aan Fransman Lecouteulx de Cantelou

ID: 180104136656

"Van bij het begin van de bezetting werden de rijke Belgische ertslagen door de Fransen nagejaagd. De mijngronden die voor het merendeel aan abdijen of geëmigreerde edelen toebehoorden, werden voor een groot deel als nationaal goed verkocht en voor een spotprijs door Franse financiële vennootschappen of door de Belgische burgerij opgekocht. Aldus verwierven prominente Fransen uit alle milieus nijverheidsgoederen in België. Onder hen waren de generaals Ferrand, Lassalle en Belliard. Ook handelslieden zoals Paulée, Tiberghien, Lecouteulx-Canteleu deden mee.

Jean-Barthélemy Lecouteulx de Canteleu was het type zelf van de handelaar in nationale goederen. Hij was afgevaardigde geweest in de Wetgevende vergadering en in de Raad der Ouden, beschermer van de 'Gods- en mensenvrienden', neef van de bankier Lecouteulx de la Noraye en zelf een bankier. Met de winst van zijn speculaties kocht hij de steenkoolmijnen La Chartreuse te Luik en hield ze in bezit tot 1837. Op 23 germinal IX (13 april 1801) werd hij voor de duur van vijftig jaar concessiehouder van de mijnen van Jupille en Grévignée. Hij verwierf ook het kartuizerklooster te Luik, de bezittingen van Saint-Gérard, Hastière en van de abdij van Saint-Hubert, die hij in 1807 weer van de hand deed. In het departement Jemappes eigende hij zich de mijnen van Saint-Vaast nabij La Louvière, die het bezit waren geweest van de door Jozef II opgeheven abdij d'Olives, toe. Lecouteulx-Canteleu was onder de stichters van de Banque de France. Napoleon verhief hem tot graaf van het Keizerrijk en senator van Lyon.

19650022: 49
updated 20200129

Land: BEL