Search our collection of 11.954 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 2.872 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 137 books

We found 203 news item(s)

BAIVERLIN Henri, COLLE Marcella, DELCROIX Gérard, PIRARD Théo, VAN SANTBERGEN René, LAURENT René
Document d'Archives relatifs à Liège. Dossier pédagogique destiné à l'enseignement de l'histoire
Farde avec ca. 500 pp. (papier de 120 grammes) avec facsimile de documents, de cartes et d'illustrations ayant une importance historique.
Matières:
I. le milieu géographique (période mérovingienne - Xxe),
II. Agriculture et alimentation,
III. Artisanat et industrie,
IV. Commerce, transport, communications,
V. Vie sociale,
VI. la démographie Liégeoise,
VII. Institutions,
VIII. Santé,
IX. Enseignement,
X. Vie religieuse,
XI. mentalités.
En annexe:
A. classement chronologique des tous les documents cités.
B. Grande carte dépliante: enceintes notgériennes et autres tracées sur le plan cadastral de 1810 (par L. Ulrix)
€ 25.0

BUY

COLL
Strafrechtsbedeling en Wetenschappelijk Onderzoek
IV de Belgische dagen voor Criminologie. Softcover 447 pp. Verslagen en toespraken, studies. Werkgroepen: 1. Politie 2. Justitie 3. Gevangeniswezen. Met lijst van de deelnemers. Rapporten van kolonel Reviers, hoofdcommissaris Van Bree, dr Fijnaut, Prof André, Tisseyre, Luitenant-generaal Duhaut, kapitein Pelsmakers (Rijkswacht), Procureur-generaal J. Matthijs, Prof Van Outryve, Prof Houchon, mevr. E. Jacobs-Coenen. Slottoespraak van Prof. D'Haenens.
€ 10.0

BUY

COLL
Vlaamse kunst op perkament; handschriften en miniaturen te Brugge van de 12de tot de 16de eeuw.
Paperback, ill. in b&w and in colour; 295 pp. + plates. Catalogue on the exhibition July 18-Oct. 18, 1981.
€ 20.0

BUY

COLL
De zee in de Kempen - Veertig jaar Provinciaal Domein Zilvermeer
Hardcover 174 pp. First Edition. Photos, maps and illustrations. Noot LT: het domein opende de deuren op 9/5/1959.
€ 10.0

BUY

COLL
Léopold Ier, le fondateur - Leopold I, de stichter, 24 juin - 27 septembre 1981 - 24 juni - 27 september 1981: Koninklijk Museum van het Leger en van de Krijgsgeschiedenis, Brussel: In het kader van de 150e verjaardag van de dynastie.
Paperback geïllustreerd met reproducties, 235pp gelijmd, 19,5 x 22,5cm
€ 10.0

BUY

COLL
Histoire de l'Afrique, à l'usage du Sénégal
préface de Théodore Monod. Hardcover 211 pp., Grand in-8 (23x15 cm), relié, couverture illustrée, Photos n/b à in et/ou hors-textes.
€ 10.0

BUY

COLL
De informatie-maatschappij. De gevolgen van de micro-elektronische revolutie
Natuur en techniek, 287 blz. Met kleurenfoto's. Paperback.
€ 10.0

BUY

COLL
Le livre de l'Expo - Il libro dell'Expo - Livre souvenir de l'Exposition nationale suisse Lausanne 1964 - Libro di riccordo dell'Esposizione nazionale svizzera Losanna 1964
Paperback ill. cover 224 pp., 284 photographies of which 48 in colour. Index. Text in French and Italian. Texte en français et italien.
€ 20.0

BUY

COLL
L'Enfant dans l'art belge de 1800 à nos jours
Broché 302 pp. 21x21cm Illustrations en NB & COL. Catalogue de l'exposition 18/11/1983-5/2/1984. Liste alphabétique des artistes, biographies, de Baes à Wolvens. Avec e.a. La Toilette (Gusta) de Albert van Dyck (Turnhout 1902 - Anvers 1951). Note LT: Very good reference book on this particular subject.
€ 15.0

BUY

COLL
Tous sur le front - Histoire officielle du rôle joué par la Défense Passive d'Angleterre
In-8 157pp. Broché illustré légèrement défraîchi. Richement illustré en noir et blanc, cartes, statistiques des bombardements - Pages de garde illustrées
€ 10.0

BUY

COLL
Leopold I en zijn tijd
Softcover geïllustreerd, photos 14 x 21 cm 346 pp. Tentoonstellingcatalogus. Chronologie der wetten, regeringen.
€ 10.0

BUY

COLL.
Les Réalismes 1919-1939. Centre Georges Pompidou, Staatliche Kunsthalle Berlin. 1980-1981. Peinture, dessin, sculpture, architecture, graphisme, objets industriels, littérature, photographie.
Broché, couverture illustrée en couleurs, 4to, 528 pp., illustré en couleurs et NB. Une documentation intéressante sur ces vingt ans sombres mais plein de créativité.
€ 25.0

BUY

COLL.
Napoléon. Le vrai père de l'Europe. Frontières, économie, droit, arts: l'Héritage impérial
Historia Thématique, juillet-août 2002, 76 +XIX pp. Illustrations en couleurs.
€ 10.0

BUY

COLL.
Villes en mutation XIXe-Xxe siècles. Steden in ontwikkeling 19de-20ste eeuw. Cities in development 19th-20th centuries. 10th International Colloquium. Spa, 2-5/9/1980. Actes/Handelingen/Records.
SC, 595 pp. Illustraties in ZW, kaartjes over expansie van steden (Brussel, Duitse steden, Paris, steden in de VS/USA, in Rusland, in Nederland, Oostenrijk, Italia, Liège, Leuven/Louvain, Louvain-la-Neuve. Twee uitvouwbare kaarten van Brussel en de Noord-Zuid-verbinding.
€ 30.0

BUY

COLL.
De macht van de media. Krant, radio, televisie.
Met bijdragen van Gaston Geens, Karel Hemmerechts, Antoon Breyne, Jerome Verhaeghe, Bob Gijs, Cas Goossens, R.H.G. Schoonhoven, Chris Borms, H.J. Neuman, Piet Van Brabant, Frans van Isacker.
€ 10.0

BUY

COLLE Philippe
Het juridisch kader van de faillissementsvoorkoming. Kritische analyse met rechtsvergelijkende aantekeningen
Gebrocheerd, in-8, stofwikkel, 491 pp. Ruime bibliografie en register.
€ 10.0

BUY

COLLECTIEF
Benedictus en zijn monniken in de Nederlanden; (25 oktober 1980 - 4 januari 1981, Centrum voor Kunst en Cultuur Sint-Pietersabdij Gent), I: Benedictus in de Nederlanden / II: Monniken en monialen in de Nederlanden
Pb, in-8, 276 + 386 pp., rijkelijk geïllustreerd, bibliografie.
Deel II bevat op p. 322 een kaart van de afgeschafte kloosters op het einde van de 18de eeuw.

Wie geïnteresseerd is in de afschaffing van de kloosters leze voor een beter begrip best de hoofstukken E, F en G in Deel II samen.
€ 30.0

BUY

COLLECTIEF
De Sint-Godelieveabdij te Brugge
Pb, in-8, 253pp. met zw/w ills. Uitgave n.a.v. 900e verjaring van de heiligverklaring van sint Godelieve van Gistel, martelares die gewurgd werd.
De abdij werd verkocht op 17970921 aan Charles de Brouckere voor 81.900 Franse ponden. (43)
€ 15.0

BUY

Collectief
Racisme, donker kontinent. Clichés, stereotiepen, en fantaziebeelden over zwarten in het koninkrijk België
Pb, 208 pp. illustraties en foto's in ZW.
€ 10.0

BUY

Collectief
Racisme, donker kontinent. Clichés, stereotiepen, en fantaziebeelden over zwarten in het koninkrijk België
Pb, 208 pp. illustraties en foto's in ZW.
€ 7.5

BUY

COLLECTIEF
Codex Iuris Canonici - Wetboek van Canoniek Recht - Latijns-Nederlandse Uitgave in opdracht van de Belgische en de Nederlandse bisschoppenconferentie
Hardcover, in-8, xcvii + 855 pp., met uitgebreid register.
Kan dit beschouwd worden als parallel recht?
En quid met de 'sharia'?
€ 45.0

BUY

COLLECTIEF
Liber Amicorum Professor Dr Gaston Eyskens. Economische opstellen aangeboden aan Professor Dr Gaston Eyskens bij zijn emeritaat op 4 oktober 1975
Gebrocheerd, in-8, 521 pp. Treffend voor het midden van de jaren 70 is de aandacht voor inkomensverdeling (zie de bijdrage van Tavernier en die Jan Tinbergen) en het gebruik van de Gini-coëfficiënt. Vanaf 1980 werd het stil rond deze materie; vanaf 2010 is er opnieuw interesse voor het thema (cfr. Piketty). In zijn besluit heeft Tavernier het even over het VERMOGEN en de verdeling daarvan. De woning rangschikt hij onder consumptief vermogen. Hij bepleit een diepgaander conceptualisering en statistische meting. In zijn bibliografie verwijst hij naar Kuznets, Economic Growth and Income Inequality.
€ 25.0

BUY

COLLECTIEF
handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde, van zijn Kastelrij en dan den Lande tusschen Maercke en Ronne; Deel XLIX, 2012
Paperback, in-8, 432 pp., illustraties, bibliografische noten.
Bevat een interessante bijdrage over interbellumarchitectuur: Gilbert Decordier (1899-1946).
Marc Vuylsteke levert een knappe bijdrage over eigendom en pacht in Nukerke volgens het 20ste penningkohier (grondbelasting) van 1572.
€ 12.5

BUY

COLLECTIEF
Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg-Turnhout
Pb, in-8, 223 pp., illustraties. Bevat een interessant artikel over grootgrondbezit langs de grens (Jef Van Gils)
€ 15.0

BUY

Collectief
Antoni Gaudi (1852-1926). Galerij ASLK, Brussel, 4 oktober - 1 december 1985
Pb, 4to, 285 pp., rijkelijk geïllustreerd begeleidend werk bij de tentoonstelling. Met uitgebreide chronologie. Referentiewerk.
€ 20.0

BUY

Collectif
Les crises de la démocratie 1789-2003
Magazine, avril 2003
€ 5.0

BUY

COLLECTIF sous la direction d'Alain LOTTIN
Guide de recherches sur la Révolution Française - Nord/Pas-de-Calais - Bicentenaire de la Révolution Française 1789-1989
Broché 199 + 10 pp. Sources, bibliographie, musées, tableaux/art/peintres, iconographie, textes, guide pour recherches dans les archives. Ouvrage très utile pour le chercheur.
€ 10.0

BUY

Collectif sous la direction de Daniel DROIXHE (ULB, ULG)
L'héritage de la Révolution française 1794 - 1814
Broché 255 pp. 21x28cm. Catalogue de l'exposition qui s'est tenue du 17 mars - 11 juin 1989 à la Galerie CGER à Bruxelles - La Révolution française : célébrée, honnie ... comprise? Contenu: Les libertés fondamentales (H. Van Goethem) - Le découpage administratif (Lenders et Thielemans) - Le droit (Dupont-Bouchat et Stevens) - L'état civil (Bruneel et Bruwer) - L'enseignement (De Vroede e.a.) - L'assistance publique - La santé publique - Les poids et mesures - Les relations entre l'Eglise et l'Etat (A. Tihon) - La conscription (Hélin et De Gryse) - La centralisation (Hélin). Illustrations, cartes et photos en NB et couleurs. Travail soigné et important.
€ 20.0

BUY

COLLINSON Patrick (editor)
The Sixteenth Century 1485-1603 [Tudor England]
Pb 306 pp. Bibliography, index, time table, glossary, maps (BW). Well written introduction to the century of the Tudors.
€ 12.0

BUY

CRASKE, MATTHEW (FELLOW, CHURCHILL COLLEGE, CAMBRIDGE)
Art in Europe 1700-1830 A History of the Visual Arts in an Era of Unprecedented Urban Economic Growth
Paperback, 320 pp., 66 Colour and 63 BW & Halftones, Bibliography. From the backcover: Hogarth's pugnaciously xenophobic "Gates of Calais", Giambattista Tiepolo's grandiose murals at Wurzburg, Goya's satirical engravings, Los Caprichos, and Canova's chastely classical sculptures could hardly be more different, but all are aspects of the same period. In an era of unprecedented change - rapid urbanization, economic growth, political revolution - artists were in the business of finding new ways of making art, new ways of selling art, and new ways of talking about art. Taking a critical view of such conventional categorizations as the "Rococo", the "Neo-Classical", and the "Romantic", Matthew Craske creates a totally new & vivid picture of 18th and early-19th century art in Europe. He engages with crucial thematic issues such as changes in 'taste' and 'manners' and the impact of enlightenment notions of progress. At the same time he goes well beyond the usual geographical limits of surveys to take in St Petersburg, Copenhagen, Warsaw, and Madrid. The result is a refreshingly holistic survey which sets the art of the period firmly in its social history.
€ 15.0

BUY

O'NEAL Hank, COLLIER John, DELANO Jack, EVANS Walker, JUNG Theo, LANGE Dorothea, LEE Russell, MYDANS Carl, ROTHSTEIN Arthur, SHAHN Ben
A Vision Shared: A Classic Portrait of America and Its People 1935-1943.
1st edition. Hardcover, dj, 309 pp., profusely illustrated, BW-photos by the photographers working for the Farm Security Administration (FSA - New Deal), under John Stryker (1893-1975). The accompanying texts consist of biographical essays on the individual photographers, with comments and captions in their own words. Note LT: A compelling testimonial of the Great Depression in the 30's. It was this poverty that was described by John Steinbeck in the Grapes of Wrath. The photos do exactly what they were meant for: to show and document what an economic crisis does to man, woman and child, the loss of dignity and hope. Later on this evidence became Art, but it is useful to remember that in those days the documentary force of the images prevailed. As if the sublimation of it all puts the memory at ease and political responsabilities less punitive. Bio: Collier (1913-1992), Delano (1914-1997), Evans (1903-1975), Jung (1906-1996), Lange (1895-1965), Lee (1903-1986), Mydans (1907-2004), Rothstein (1915-1985), Shahn (1898-1969).
€ 95.0

BUY

PARMENTIER Isabelle (dir., avec coll. C. Ledent), TALLIER Pierre-Alain
La recherche en histoire de l’environnement : Belgique - Luxembourg - Congo - Rwanda - Burundi
Actes PREBel, Namur, décembre 2008, Namur, 2010, 362 p.

voir en particulier TALLIER Pierre-Alain, Histoire de la forêt belge contemporaine (fin 18e - début 21e siècle). Entre approche méthodologique et synthèse (pp. 227-244), avec une bibliographie des ses écrits. Important.
€ 20.0

BUY

The covers of the following books are not yet photographed

ADRIAENS H., AMERIJCKX, AMOROS RICA, BAUGNIET, BOURS, CALEWAERT, CARDYN, CHRISTIAANSE, CLAEYS BOUUAERT, COLLIN, DELVA, FONTANEAU, KERLAN, LINARD, MAST, MOUREAU, PARISIS, RENS, SCHOENTJES-MERCHIERS, SCHREUDER, VAN ROLLEGHEM, PITLO, e.a., Liber Amicorum- - Professor Baron Jean Van Houtte (2 delen = volledig), Brussel, Elsevier-Sequoia, 1975.

ANDERSEN, HÅKON WITH & COLLETT, JOHN PETER, Anchor and balance. Det norske Veritas, 1864-1989, Norway, Cappelens Forlag, 1989.

BADINTER Elisabeth, COLLIN Françoise, e.a., Les femmes au temps de la Révolution française. Vrouwen in de Franse Revolutie., Brussel, BBL, 1989.

COLL, Internationale Geografische Week 3-10 augustus 1958 - Verslag, Brussel, Belgische Federatie van Geografen Leraars bij het Middelbaar, Normaal en Technisch Onderwijs. , 1958.

COLL, A history of discovery and exploration - 5 volumes: The Search Begins - The New World - Eastern Islands, Southern Seas - Africa and Asia: Mapping Two Continents - Earth's Last Frontiers, London, Aldus Books/Jupiter Books, 1973.

COLL, Le Cinquième Centenaire de l'imprimerie dans les Anciens Pays-Bas, Brussels, Royal Library, Bibliothèque Royale. , 1973.

COLL, Japanse kalligrafie - Calligraphie japonaise, Brussel, KBR, 1985.

COLL, Persgids - Eerste aflevering - De dagbladen + Tweede aflevering - De Weekbladen, Brussel, Interdiocesaan Centrum, 1971.

COLL, Beeld van de katholieke kerk in België, Brussel, Persdienst van de Bisschoppenconferentie van België, 1985.

COLL, Openbaar Kunstbezit 1973, Brussel, Openbaar Kunstbezit, 1973.

COLL, International Report on Periodical Publishing FIPP International News Digest 3/1985, London, FIPP, 1985.

COLL, Minderbroeders Kapucijnen in Vlaanderen - Leven als broeders met en voor de mensen, Amstelveen, Luyten, 1985.

COLL , 100 jaar water voor Antwerpen (1881-1981), Antwerpen, i.v. Antwerpse Waterwerken n.v., 1981.

COLL, Leopold I en zijn tijd, Brussel, ARA, 1965.

COLL, Union Minière du Haut Katanga - Evolution des Techniques et des Activités Sociales, Bruxelles, Cuypers, 1957.

COLL , Cultureel jaarboek 2002 Antwerpen - De klank van de stad maakt mijn ziel amoureus. , Antwerpen, Stadsbestuur, 2003.

COLL, Bijdragen tot de Geschiedenis inzonderheid van het oud Hertogdom Brabant - Jaargangen 40, 41, 42, 43, 44, 45, 47, 48, , Antwerpen, Bijdragen tot de Geschiedenis - Driemaandelijks, 1957-1965.

COLL , Actuele Onderwerpen, Amsterdam, Stichting IVIO, 1966.

COLL, Art Deco in Europa. Decoratieve tendensen in de toegepaste kunst rond 1925, Brussel, PSK, 1989.

COLL, De norbertijnen van Averbode - Spiritualiteit, gemeenschapsleven, geschiedenis, Averbode, , 2003.

COLL, Verloren voorwerpen. Archeologisch onderzoek op het HSL-traject in de provincie Antwerpen, Antwerpen, Provincie, 2004.

COLL , 100 jaar water voor Antwerpen (1881-1981), Antwerpen, i.v. Antwerpse Waterwerken n.v., 1981.

COLL, Album E. Lousse (4 volumes), Leuven/Louvain, Anciens Pays et Assemblées d'Etats, Standen en Landen, 1961.

COLL, Overheidsfinanciën Ancien Régime , Hedendaagse overheidsfinanciën in België van 1740 tot 1860 - Mutatieproces, continuïteit en onderbrekingen, Brussel/Bruxelles, Gemeentekrediet/CCB Pro Civitate, 1975.

COLL, Geneeskunde rond Rubens. Tentoonstelling geneesherenhuis 1 juli - 30 september 1977, Antwerpen, Mercurius/Geneesherenhuis. , 1977.

COLL, Paradisus Musicus - Muziek en samenleving in Rubens' tijd, Antwerpen, Stad Antwerpen/Rubenshuis, 1977.

COLL, Synthese van de Provincie Antwerpen. , Antwerpen, Provincie Antwerpen, 1961.

COLL, Les mondes nordiques. Histoire et héritage de l'Europe barbare Ve-XIIe siècle., Paris, Jules Tallandier. , 1980.

COLL, Hendrik de Man, deel 2. Psychologie van het socialisme / Opbouwend socialisme (1926 en 1929) , Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij. , 1974.

COLL, Hendrik De Man. Persoon en ideeën, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij. , 1974.

COLL, Antwerpen 1860-1960 - Delen I en II, Antwerpen, Stadsbestuur, 1960.

COLL, Synthese van de provincie Antwerpen, Antwerpen, Provinciebestuur, 1960.

COLL, Communication sociale et la guerre - Colloque des 20-22 mai 1974, Bruxelles, Institut de Sociologie/Centre de Sociologie de la Guerre/Bruylant., 1974.

COLL, Vrijmetselarij, Bussum, Van Dishoeck, 1958.

COLL, Guide Michelin 1935-36 -Guide régional Alsace de Strasbourg à Mulhouse - Hautes Vosges, Paris, Michelin, 1935.

COLL, Diva Bizarre, Italia, Glittering Images, 1993.

COLL, Annuaire audiovisuel Tôme 1 & 2, Bruxelles, CFB, 1993.

COLL, Von der Spaltung zur Einheit 1945-1990: Eine deutsche Chronik in Texten und Bildern/ De la scission à l'Unité: une chronique allemande illustrée/ From division to unity: an illustrated German chronicle, Bonn, Presse- und Informationsamt der Bundesregierung, 1992.

COLL, Antwerpen 1860-1960 - Delen I+II, Antwerpen, Stadsbestuur, 1960-1962.

COLL, La Belgique rétro 1890-1914, Bruxelles, Reader's Digest, 1988.

COLL, Image of an age: 1951-1991, Brussels, Palais des Beaux-Arts, 1991.

COLL, La Belgique rétro 1890-1914, Bruxelles, Reader's Digest, 1988.

COLL, Paradisus Musicus - Muziek en samenleving in Rubens' tijd, Antwerpen, Stad Antwerpen/Rubenshuis, 1977.

COLL, De Mensch "Het wonder dat hij zelve is". Katalogus der tentoonstelling en 16 opstellen door professors en dokters in de geneeskunde, Antwerpen, Provinciebestuur, 1936.

COLL, Letters proeven, Prenten smaken. La saveur des caractères, le goût des estampes, Antwerpen, Museum Plantijn-Moretus, 2004.

COLL, Vijf jaar aanwinsten 1974-1978, Brussel, KBR, 1979.

COLL, Arca Lovaniensis artes atque historiae reserans documenta. Jaarboek 1979. Fiets en Film., Leuven, Vrienden Stedelijke Musea Leuven, 1981.

COLL, België in 1965, Brussel, Belgisch Instituut voor Voorlichting en Documentatie, 1965.

COLL, Erasmus en Leuven, Leuven, Stadsbestuur, 1969.

COLL, Luister van Spanje I+II, Brussel, PSK, 1985.

COLL., Wrikken aan wonen. De woonwereld van kansarmen in Vlaanderen en Brussel, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1991.

COLL., De complete geschiedenis van de 19e eeuw. Geïllustreerd van maand tot maand, van jaar tot jaar., , Rebo, 2002.

COLL., Citta. Stadsmagazine bij Gazet van Antwerpen. Fotospecial. Verdwenen stad in beeld, Antwerpen, GVA, .

COLL., Den Bell: een eeuw communicatie in Antwerpen, , , .

COLL., Congrès du Centenaire de la Convention de Berne. Congress for the Centennial of the Berne Convention. Berne 8-12/9/1986. Acta. [copyright], Paris , Association littéraire et artistique internationale, 1986.

COLL., Grands Lacs. Numéro Spécial 'Sahara', Namur, Grands Lacs, 1937.

COLL., Villes d'imprimerie et moulins à papier du 14e au 16e siècle. Aspects économiques et sociaux. Drukkerijen en papiermolens in stad en land van de 14de tot de 16de eeuw. Economische en sociale aspecten., Brussel, Gemeentekrediet, 1976.

COLL., De boerenkrijg en Napoleon. Een terugblik op 20 jaar onderdrukking onder Frans bewind, Heist-op-den-Berg, Heemkundige Kring Die Swane, 1998.

COLL., Institut National pour l'Etude Agronomique du Congo Belge. Rapport Annuel pour l'Exercice 1935, Bruxelles, Ministere des Colonies. Direction de l'Agriculture de l'Elevage et de la Colonisation, 1936.

COLL. , Critique A journal of conspiracies & metaphysics (10 vol., 1980-1986), Santa Rosa, Critique publishing, 1986.

COLL. , Kleine politieke encyclopedie, , Bruna, 1970.

COLL., Kleine wereld Atlas met encyclopaedische informatie - Zes en twintig landkaarten in zes kleuren, Brussel/Amsterdam, Elsevier., 1950.

COLL., Reader's Digest Verbazingwekkend Dierengedrag., Amsterdam, The Reader's Digest NV, 1974.

COLL., Le droit moral de l'auteur - The moral right of the author (Congress of Antwerp, Congrès d'Anvers 19-24 sept. 1993), Paris, Association littéraire et artistique internationale, 1994.

COLL., Leren om te keren. Milieu- en natuurrapport Vlaanderen. , , Garant., 1994.

COLL., De fascinerende wereld van oceanen en eilanden., Amsterdam, The Reader's Digest, 1973.

COLL., Inkomens- en vermogensverdeling. Notulen van het 14de Vlaams wetenschappelijk economisch congres, Brussel, VUB. , 1979.

COLL., Droit d'auteur et propriété industrielle. Copyright and industrial property. Congress of the Aegean See II. (19-26 April 1991). Acta., Paris, Association littéraire et artistique internationale, 1991.

COLLECTIEF, Katalogus Klein-Brabant onder de kromstaf. Tentoonstelling ingericht door de Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant. , Bornem, Abdij, 1973.

COLLECTIEF, 850 jaar Abdij Grimbergen, Grimbergen, Abdij, 1978.

COLLECTIEF, Herinneringen aan Japan 1850-1870. Foto's en fotoalbums in Nederlands bezit , Den Haag, Staatsuitgeverij, 1987.

COLLECTIEF, De katholieke encyclopaedie (25 delen = volledig!), Amsterdam, Uitgeverij Joost van den Vondel, 1933-1939.

COLLECTIEF, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Jaarboek 1993, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 1993.

Collectief, Militair wetenschappelijk onderzoek in België, , Kritak, 1977.

COLLECTIEF, Wie is dat in Vlaanderen? Biografisch Lexicon van bekende tijdgenoten in Vlaams-België op politiek, administratief, rechtskundig, godsdienstig, sociaal, militair, sportief, economisch, wetenschappelijk en artistiek gebied, Brussel/Amsterdam, Elsevier, 1953.

COLLECTIEF, Christoffel Plantijn en de exacte wetenschappen in zijn tijd, Brussel, Gemeentekrediet, 1989.

COLLECTIEF, De januari-revolte te Leuven, Brugge, de galge, 1968.

COLLECTIEF o.l.v. Lieven STRUYE, Kroniek van België, Antwerpen/Brussel, Standaard Uitgeverij & BRT, 1987.

COLLECTIEF [Holbein], Hans Holbein De Jonge 1497/98-1543. Portretschilder van de Renaissance, Zwolle, Waanders Uitgevers, 2003.

COLLECTIEF, [Vandervelde Emile], Bijdragen tot de Geschiedenis van Lennik. (Tweede reeks), Lennik, Andreas Masiuskring, 1981.

COLLECTIF, Scandales et affaires criminelles. Le XXe siècle, Paris, TF1 Editions, 1997.

COLLECTIF, Memory of Congo. The colonial era. Selection of Exhibition Texts, Tervuren, Africa Museum, .

COLLECTIF, Memory of Congo. The colonial era. Selection of Exhibition Texts, Tervuren, Africa Museum, .

COLLECTIF, Memory of Congo. The colonial era. Selection of Exhibition Texts, Tervuren, Africa Museum, .

COLLECTIF, Memory of Congo. The colonial era. Selection of Exhibition Texts, Tervuren, Africa Museum, .

COLLECTIF, Annales de l'Académie de Macon, société des arts, sciences, belles-lettres, archéologie, agriculture et encouragement au bien de Saone-et-Loire. 3e série, Tome LII, Macon, Protat Frères, 1974-1975.

COLLECTIF, La Révolution Française et l'Europe 1789-1799 (3 vols = complet), Paris, Reunion des musees nationaux,Ministère de la Culture et de la Communication, 1989.

COLLECTIF , Historia Magazine: La guerre d'Algérie (116 numéros) [old book number 19710064B], Paris, Tallandier, 1971-1974.

COLLECTIF , Encyclopédie générale du commerce et de l'industrie., Bruxelles, H. Wauthoz-Legrand. , 1938.

Collectif, Questions congolaises, Bruxelles, ULB, 1957.

COLLECTIF, 50 Millions de Français, Paris, Ed. J. -P. Taillandier, s.d..

COLLECTIF, Histoire sociale de l'Est (XIXe-XXe siècle), , Université du Burundi, .

COLLECTIF , La civilisation des loisirs. Culture, morale, économie, sociologie : une enquête sur le monde de demain., Verviers, Marabout, 1967.

COLLECTIF , Peintres de l'imaginaire. Symbolistes et surréalistes belges., Paris , Galeries nationales du Grand Palais, 1972.

COLLECTIF, Chasse au diamant au Congo/Zaïre, Bruxelles/Brussel, , .

COLLECTIF, Tout passe. (...) Lubumbashi, Bruxelles/Brussel, , .

COLLECTIF, STENGERS Jean, DELATTRE Jean-Luc, KURGAN-VAN HENTENRYK Ginette, [HOEBANX], La Belgique rurale du moyen-age à nos jours. Mélanges offerts à Jean-Jacques Hoebanx. , Bruxelles, Editions de l'Université de Bruxelles, 1985.

COLLIN Paul-Victor, Abrégé de l'histoire des doctrines économiques et sociales, Bruxelles, Ministère de la Santé Publique et de la Famille. , 1972.

COLLISON Robert, Encyclopaedias: their history throughout the ages., London, Hafner, 1964.

DUBOIS L., COLLART E., Note sur la Culture de l'Hévéa [Congo Belge], Bruxelles, Ministere des Colonies. Direction de l'Agriculture de l'Elevage et de la Colonisation, .

HIGGINS Shaun O'L., STRIEGEL Colleen, Press Gallery. The Newspaper in Modern and Postmodern Art, Spokane, New Media Ventures, 2005.

Mathieu G. Bleton P. Lecuir J. Collectif , Dictionnaire du Capitalisme, Paris, Ed. Universitaires, 1970.

MC CULLOUGH Colleen, Een ander woord voor liefde., Utrecht, A.W. Bruna & Zoon, 1984.

OLBRECHTS F.M., MAESEN, JADOT, COLLAER, GASCHT, HUISMAN, PERIER, DASNOY , Art in the Congo, Bruxelles, Expo, 1958.

VAN HULLE Marc, PIETERS Denis (collectie prentkaarten), Oude Vlaamse ambachten en straatberoepen [1890-1910]. , Eeklo, Taptoe, 1997.

LT
Gaat de Franse Staat zijn aandeel in het zeer rendabele Renault verkopen?
Edited: 201803311352
Dit is weerom "privatisering van de winsten, collectivisering van de lasten".
Enfin, de perfide neo-liberale politiek, zeg maar.

We herinneren aan wat Galbraith zei in 'The Affluent Society' (1958): "The book sought to clearly outline the manner in which the post-World War II America was becoming wealthy in the private sector but remained poor in the public sector, lacking social and physical infrastructure, and perpetuating income disparities." Is het dat wat de neoliberaal Macron wil ? Dan moet hij gestopt worden.
RAHIR Claude (1937-2007)
bloesems
Edited: 201803260214


privé-collectie
©LT-20180325
BMA
Het Mededingingscollege van de BMA keurt het verwerven van gezamenlijke zeggenschap over Mediafin door Roularta en Rossel goed
Edited: 201803072514
PERSBERICHT
Nr. 4/2018
07 maart 2018
Het Mededingingscollege van de BMA keurt het verwerven van gezamenlijke zeggenschap over Mediafin door Roularta en Rossel goed
Het Mededingingscollege van de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) heeft op 06 maart 2018 het verwerven van de gezamenlijke zeggenschap over Mediafin NV door Roularta Media Group NV en Rossel & Cie NV goedgekeurd.
De concentratie is deel van een transactie waarin Roularta Media Group NV haar aandelen in Medialaan (50%) verkoopt aan De Persgroep NV en De Persgroep NV haar aandelen in Mediafin NV (50%) verkoopt
aan Roularta Media Group NV.
De concentratie werd vooral onderzocht betreffende de Belgische markt voor de verkoop van advertentieruimte voor themareclame in Nederlandstalige en Franstalige tijdschriften.
Het College heeft geoordeeld dat de concentratie geen significante beperking van de mededinging op de betrokken markten dreigt te veroorzaken.

Voor verdere inlichtingen verzoeken wij u om contact te nemen met:
Prof. em. dr. Jacques Steenbergen
Voorzitter
Tel. +32 (2) 277 73 74
E-mail: jacques.steenbergen@bma-abc.be
Website: www.mededinging.be
MIKA J.P.
Les Chefs [au Congo-Kinshasa]
Edited: 201801301338
olie op doek, 78x60 cm, gesigneerd en gedateerd 2010 O.M., privé-collectie. Kunstwerk op bestelling uitgevoerd.

Hoe gaat Congo naar verkiezingen?

VERELST Patrick
Gitanes (olie op doek)
Edited: 201712291310


privé-collectie
LT
France 2 brengt nieuwe reportage van Benoît Collombat over de affaire Boulin. De minister van arbeid werd vermoord in de nacht van 29 op 30 oktober 1979.
Edited: 201710262207
De Bende van Nijvel is een enigma in de Belgische criminele (en politieke?) geschiedenis. De diefstal van De Rechtvaardige Rechters en de moord op Lahaut zijn twee andere voorbeelden van zaken die de media blijven beroeren.

De affaire Boulin is zeker en vast een afrekening binnen het rechtse kamp van de Franse politiek. Het onderzoek werd in 2015 heropend maar intussen zijn een aantal kroongetuigen overleden. De familie Boulin blijft aandringen op een snelle afhandeling. Het gerecht talmt.

zie ook

chronologie affaire Boulin
boekhandelaar en collega Hugo Boelaert (1949-2017) overleden. R.I.P.
Edited: 201710231461



Misschien schuilde er onder die harde bast toch een goed mens
Maar ik heb de barst in die bast niet gevonden
Zo zijn wij vreemden gebleven op hetzelfde narrenschip
Op weg naar de onvermijdelijke klippen
Gentse universiteit: als je geen rector kan aanduiden, waarom kies je dan geen college?
Edited: 201709201252
LT
leegstand winkelpanden: bij herbezetting kwijtschelding onroerende voorheffing
Edited: 201709120905
Eerst laat men megawinkelcentra toe aan de rand van de stad.
Daardoor verdwijnen er winkels in de binnenstad.
Dan subsidiëert de collectiviteit (wij allen) het zogenaamde herstel.
Hoe men dat noemt? Compensatiebeleid, meneer.
Ondersteuning van de private winsten, collectivisering van de verliezen.
eieren: als de productie massaal is, is de vergiftiging mondiaal en moet de leugen dat ook zijn
Edited: 201708120050



Eerst eten we hun vergif en daarna gaan we hun verlies bijpassen.
De logica is steeds dezelfde: privatisering van de winsten, collectivisering van de verliezen.

Erg is het wanneer het Voedselagentschap (FAVV) zegt te hebben gezwegen omdat er een gerechtelijk onderzoek van het parket loopt. Wie heeft die larie in de nek gedraaid van de ongelukkige woordvoerster?

En ik hoor de advocaat van de betichte (binnen een jaar of acht) al pleiten: "Mijn cliënt is aan dit proces moeten beginnen in een sfeer van verdachtmaking door de media. Ik eis de vrijspraak." Vrijspraak. Baf!
Dan wordt er beroep aangetekend door het OM. Dan stilte. En dan verjaart de zaak.
Tegen die tijd bent u langzaam doodgegaan aan asbestose en fijn stof uit versjoemelde diesels.
Lettre de Jean-Luc Mélenchon
Edited: 201705061061
Sans être forcément d’accord sur tous les sujets, je crois que nous réagissons de la même façon : on ne peut vivre heureux au milieu d’une marée montante de misère ou de gêne. On ne peut vivre content quand des ouvriers qui défendent leur emploi sont condamnés à de la prison ferme. Surtout quand de puissants personnages restent impunis. On n’accepte plus l’aveuglement dans le productivisme alors que le réchauffement climatique a commencé. On n’aime pas baisser les yeux quand on voit notre pays à la remorque des États-Unis d'Amérique entrer dans la logique de guerre tous azimuts. Ou quand nos dirigeants se font mener par le bout du nez par madame Merkel. Ou quand la France doit demander la permission d’adopter son budget à d’ineptes bureaucrates à Bruxelles. Nous ne supportons plus qu’on se paye de mots avec la République et ne voir partout que des monarques, petits et grands, usent du pouvoir comme d'un privilège personnel. Monarchie présidentielle, richesses produites par le travail de tous accaparées par une poignée d’oligarques, inégalités révoltantes, communautarisme haineux, l’argent maître de toutes décisions, non, ca ne peut plus durer. Nous nous rebellons. Notre vote peut profondément changer le cours des choses. Sinon quoi ?
L’action collective est notre force. Nous allons affronter d’acides campagnes de dénigrements et de falsifications, des flots d’argent, des pluies de sondages improbables, un concert médiatique permanent pour faire de cette élection une nouvelle fois une comédie personnalisée sans perspectives. Tout sera fait pour nous écarter du seul but qui nous motive : permettre à chacun de mener une vie vraiment humaine, libérée de l’angoisse du lendemain, sur une planète respectée, et dans un monde pacifique. Une utopie ? Non, c’est le seul projet raisonnable compte tenu de la situation actuelle et du futur qui nous est annoncé. On peut y parvenir. Cela dépend de nous. Nous ne nous laisserons pas voler l’élection la plus importante de notre pays. Nous ne voulons pas permettre qu’elle se résume à une nouvelle comédie de querelles superficielles entre gens qui, de toute façon, appliquent les mêmes politiques et adoptent les mêmes mœurs monarchiques dès qu’ils sont au pouvoir.
Les malheurs dans lesquels s’enfonce le pays ne tombent pas du ciel. Ce sont les résultats concrets de politiques froidement décidées. Elles sont menées au service de la finance dans toute l’Europe, sous la main de fer de la Commission européenne, en application des traités européens imposés aux Français par supercherie ! Nicolas Sarkozy hier, avec ses gouvernements du centre, de la droite et des transfuges du PS, est coupable. François Hollande, ensuite, avec ses gouvernements PS/EELV où siégeaient notamment MM. Macron, Valls et autres, qui ont mutilé la vie de millions de personnes, sont coupables. Ils ont abaissé le pays et piétiné nos principes républicains les plus essentiels. Le coup de balai a commencé. Les deux anciens présidents ont été sortis. Ne laissons pas leurs anciens ministres et premier ministre continuer leurs politiques ! Tous comptent sur l’épouvantail Le Pen pour vous faire abandonner vos convictions à la porte du bureau de vote au premier comme au deuxième tour. Ils sont très forts quand tout le monde a peur. Peur de tout, et même d’eux quand le dégoût qu’ils inspirent pousse à l’abstention.
Agir dès maintenant c’est refuser de se laisser intimider.
L’année 2017 est propice à l’action. Nous votons le 23 avril et le 7 mai, nos voisins allemands en septembre. Tout peut changer. Surtout que les présidents de l’Europe ont décidé de rédiger un nouveau traité européen…Et que cette année verra aussi présenter la ratification des accords de libre-échange avec le Canada (CETA) et les Etats-Unis (TAFTA).
Mettons-nous donc au travail. Il s’agit d’enraciner solidement notre rebellion. Pour cela il faut accumuler des fonds et des participants à l’action. N’attendez pas les consignes pour agir. Faites ce que vous trouverez de plus utile et convaincant pour élargir le nombre de ceux qui peuvent nous rejoindre et nous aider. Chacun peut rejoindre un groupe d’appui dans son quartier, son entreprise, son université ou en constituer un s’il n’en existe pas encore. Bref là où on vit sa propre vie, là où l’on rencontre les autres. Rejoindre un groupe d’appui n’est pas obligatoire. Mais c’est indispensable pour que vous soyez informés des actions et initiatives à côté de chez vous.
Mais vous pouvez aussi trouver sur ce site des idées à mettre en œuvre, des projets auxquels participer. N’oubliez pas de proposer vos talents ou vos savoirs faire professionnels, tout cela est très précieux. Plus il y aura de signataires plus nous serons forts en ressources, imagination, dévouement. Plus nous aurons de dons, mêmes petits, plus libres nous serons. Car s’ils ont les millions, nous sommes nous des millions !
Il nous faut à la fois convaincre et entraîner. L’idée essentielle c’est de s’adresser au plus grand nombre de ceux qui nous entourent. Notre but est de leur rendre le goût du futur.
Fidèlement,


Marina Abramovic & Ulay
Rest Energy - 1981
Edited: 201705040323

De titel had kunnen zijn: 'Can I help you?'
Het beeld roept in ieder geval vele vragen op.
Stelt dit het feminisme in vraag?
Het heeft niet veel te maken met Amor en Cupido, me dunkt.
De officiële uitleg: onvoorwaardelijk vertrouwen in elkaar.
Maar de interpretatie van een beeld kan in de tijd evolueren en dat heeft de kunstenaar niet onder controle. Die legt hij/zij bij de kijker. Zo trotseert het verstilde beeld de tijd, in een voortdurende stroom van wisselende interpretaties en indrukken, net zoals wij de geschiedenis of de wreedheid herinterpreteren, beschimpen, goedpraten, banaliseren, verheerlijken, negeren, ...

(MUHKA, eigen collectie)
Louis Tobback in De Standaard van 29 april 2017
Edited: 201705010137
"Zo'n Dijsselbloem, die collaborateur van het kapitalisme, ik word daar mottig van."
Commentaar: Tobback was zelf ook niet vies van samenwerking met die andere collabo van het kapitalisme: Jean-Luc Dehaene.
In de politiek trapt men enkel na als de tegenstander op de grond ligt (cfr. het verkiezingsresultaat van de socialisten in Nederland).

resultaten Nederlandse verkiezingen 2017
LT
een misdadig plan: BELFIUS privatiseren
Edited: 201704201124
Zonder verpinken wordt een misdadig plan gelanceerd: het winstgevende BELFIUS privatiseren.
Maar ja, dat past in de perfide neo-liberale logica 'privatisering van de winsten, collectivisering van de verliezen'.

zie ons Katanga-model
wiki
PAN renaît
Edited: 201703111267
PAN était un hebdomadaire satirique belge en langue française paraissant le mercredi à Bruxelles. Le 11 mars 2017, son propriétaire a annoncé sa reparution à partir du 15 avril 2017. Il paraîtra désormais le vendredi.

Créé en 1945 sur le modèle du Canard enchaîné dont il avait gardé les couleurs, le rouge et le noir, mais en quatre pages seulement, Pan paraissait le mercredi et abordait avant tout les questions politiques belges sous l'angle de la satire. Au contraire du Canard, toutefois, les journalistes de Pan ne signaient leurs articles que d'un pseudonyme - comportant le mot "pan" (Pandémonium, Pantalon, Pandecte, Pan Bagnat, etc.) Parmi les fondateurs, le chansonnier Léo Campion, libre-penseur, anarchiste et franc-maçon. Mais celui-ci dut assez vite se séparer du journal, sa carrière de chansonnier l'emmenant à Paris.

Cependant, en partant, Léo Campion léguait à Pan un esprit irrévérencieux qui ne quitta jamais le journal. Malgré cela, ou sans doute à cause de cela, les hommes politiques se plongeaient tous les mercredis dans les quatre pages de Pan où foisonnaient les caricatures, les plaisanteries et les jeux de mots (certains inspirés par le dialecte bruxellois, ce qui les rendait compréhensibles d'une catégorie restreinte d'initiés). Dans ses dernières années, Pan dut affronter une dissidence qui se mit à publier Père Ubu. Sans doute, pour garder sa prééminence, Pan se mit alors à organiser chaque année la cérémonie de remise des "Pandores", des prix qui allaient aux diverses têtes de turc que le journal s'était choisies. C'est de bonne grâce que les victimes se pressaient à cette parodie des Oscars et autres Césars, car être cité dans Pan était un brevet de célébrité. Ce phénomène est le même que celui qui faisait se précipiter la classe politique et le public sur le Pourquoi Pas?, autre hebdomadaire satirique, représentatif d'une presse belge qui n'avait pas encore subi l'influence du style "international".

En 2004, Pan fut racheté par Dominique Janne. Il se sépara rapidement du rédacteur en chef André Gilain, et le journal redéfinit sa ligne éditoriale avec l'arrivée de Nicolas Crousse, un ex-journaliste du quotidien progressiste Le Matin disparu en 1998. Par la suite, Crousse laissera sa place de rédacteur en chef à Thomas-Pierre Gerard.

Le 14 mai 2010, l'hebdomadaire belge Trends-Tendances annonçait le rachat de Pan par son concurrent Père Ubu et la fusion des deux titres en un seul, à savoir Père Ubu, sous le slogan "Père UBU, l'hebdo qui fait PAN dans le mille tous les jeudis". Le titre se modifia ensuite en "Père Ubu - Pan"

Le 11 mars 2017, le propriétaire des marques Père Ubu et Pan a annoncé qu'il mettait fin à l'hebdo Ubu-Pan qu'il n'était « jamais parvenu à débarrasser […] de cette image d’extrême droite anti-PS et anti-immigrés » et qu'il relançait le magazine PAN, désormais aussi en numérique, à partir du 15 avril, sous la direction de l'écrivain, blogueur, chroniqueur et scénariste Marcel Sel.

voir notre collection Pan et le livre sur l'histoire de Pan


Pan selon le CRISP
CLAUDEL Philippe
Inhumaines
Edited: 201703010524
Vient de paraïtre aux Editions Stock
Collection : La Bleue
Parution : 01/03/2017
176 pages
Format : 137 x 215 mm
EAN : 9782234073388
Prix: 16.50 €
Résumé (Archambault.ca):
« Le rire contre les armes. Et l'ironie pour se moquer de nous. L'homme est sans doute le seul animal à commettre deux fois les mêmes erreurs. Il est aussi l'unique à fabriquer le pire et à le dépasser sans cesse. À observer le monde comme il va, on hésite alors entre les larmes et le rire. J'ai choisi dans Inhumaines de m'affubler d'un nez rouge, d'exagérer le vrai pour en saisir l'atroce. Ma volonté était de cette façon de tempérer la cruauté née de notre société en la croquant de façon grotesque, ce qui permet de s'en moquer, en espérant contribuer à la corriger aussi, même si je n'ai guère d'illusion sur ce point : restons modeste. En 2000, j'avais déjà écrit un roman, J'abandonne, sur la vulgarité de notre monde et sa bêtise. Cela ne me faisait pas rire à l'époque, et le texte était serré comme un coup de poing. Avec le temps, j'ai préféré l'humour et la satire, comme dans Le Paquet ou dans L'Enquête, pour dire comment nous allions droit dans le mur, un mur plus solide que nos pauvres caboches. Je suis convaincu qu'il est des situations où la littérature doit se transformer en papier de verre pour décaper les cervelles : cela fait un peu mal au début mais cela chatouille aussi. Et après tout, à mon très petit niveau, je ne fais avec ce roman de moeurs que m'inscrire dans un sillon tracé depuis longtemps par des aînés prestigieux, Pétrone, Rabelais, Molière, Voltaire, Villiers de L'Isle-Adam, Jarry, l'Apollinaire des romans érotiques et absurdes, Georges Fourest, les Surréalistes, Ionesco, Roland Topor, Pierre Desproges et bien d'autres qui se sont servis de l'outrance et de la farce pour transcrire nos errements, et amuser leur public en le déshabillant. Bien des peintres et graveurs aussi m'ont inspiré depuis longtemps, qui ont su se pencher sur les monstres : Jérôme Bosch, Brueghel, Jacques Callot, Monsu Desiderio, Füssli, George Grosz, Alfred Kubin, Otto Dix, le Topor dessinateur, Reiser, Jean Rustin, Cardon, sans oublier la joyeuse bande du mythique Hara-Kiri. Et dans le cinéma, comment ne pas citer Dino Risi et ses propres Monstres, mais aussi plus près de nous le devenu culte désormais C'est arrivé près de chez vous de Rémy Belvaux, André Bonzel et Benoît Poelvoorde, Inhumaines est inspiré de faits réels. Toute ressemblance avec des personnes ou des situations existant est totalement volontaire. J'ai simplement forcé un peu le trait. À peine. Et je n'ai d'autre ambition que faire rire, même jaune, à nos propres dépens, à commencer par les miens. Inhumaines est à la vérité ce que le palais des glaces est au réel : exhibant un reflet convexe, parfois concave, rétréci ou agrandi, même s'il déforme, il ne ment jamais. »
DAOUD Kamel
Mes Indépendances
Edited: 201702171327

Février, 2017 / 14,5 x 24,0 / 480 pages / ISBN 978-2-330-07282-7 / prix indicatif : 23,90 €
Journaliste depuis une vingtaine d’années, Kamel Daoud a tenu pendant quinze ans dans Le Quotidien d’Oran la chronique la plus lue d’Algérie, tout en collaborant à divers médias en ligne et en écrivant occasionnellement pour la presse étrangère. Concernant la période 2010-2016, il a ainsi signé près de deux mille textes – d’abord destinés au public algérien puis, sa notoriété grandissant, de plus en plus lus dans le monde entier –, dont cent quatre-vingt-deux ont été retenus pour ce recueil. Ce rythme effréné donne son souffle et son esthétique à l’ensemble.
Qu’il brocarde l’islam politique ou la déliquescence du régime algérien, qu’il embrasse l’espoir suscité par les révolutions arabes ou qu’il défende la cause des femmes, c’est d’une plume originale, imagée, percutante et engagée. Car Kamel Daoud a érigé la chronique en exercice de style, en art de tendre un miroir à ses contemporains tout en s’interrogeant jour après jour, avec ou malgré l’actualité, sur l’homme, les dieux et les libertés.
paru chez Actes Sud

voir notre note du 25/2/2016
Conrad, Joseph (Introduction By Richard Curle)
Joseph Conrad's Diary of His Journey Up the Valley of the Congo in 1890
Edited: 201702071535
London: Strangeways, Printers, 1926. First Edition. Hard Cover. Privately printed and limited to 100 copies. Green cloth cover with printed paper spine label. 35 deckle-edge pages with photo frontispiece of an actual diary page. Protective tissue present. Light wear. Minor sunning to spine; label chipped. Clean pages. Owned by famed book collector Waring Jones, whose signature (in ink) and edition annotation (in pencil) are on the front free endpaper. Very Good. Item #008154

This is the foundation of Conrad's masterpiece, The Heart of Darkness.

Price: $600.00

link to the website of our collegue
Publifin: la Wallonie hors contrôle
Edited: 201701200248



1923 : création de l'Association liégeoise d'électricité
1970 : création de Télédis qui permet l’accès à la télédistribution dans la région de Liège
2006 : création de la marque VOO en collaboration avec Brutélé. VOO propose des services d'accès à Internet, de téléphonie et de télévision analogique et digitale en Wallonie et à Bruxelles. Création de Tecteo Energy qui produit de l'énergie renouvelable.
2009 : rachat du réseau de télécommunication wallon WIN.
2010 : intégration de l'Association liégeoise du gaz (ALG)
2013 : rachat des Éditions de l'Avenir.
2014 : Tecteo devient Publifin et crée deux nouvelles sociétés : Finanpart et Nethys.
Turkish Minute / BOZKURT Abdullah
Erdogan’s fifth column in Europe
Edited: 201612040965
Abdullah Bozkurt

The plain, simple and bitter truth is that Turkey’s Islamist rulers have supported and maintained parallel networks in Europe; thrown political, diplomatic and financial support to front NGOs whose role is to promote hatred; and run a campaign of intimidation and curtailed free speech in European nations that are home to large Turkish and Muslim expatriate communities.

Delivering a very passionate speech last month at the European Parliament, Guy Verhofstadt, president of the Alliance of Liberals and Democrats for Europe, called this a fifth column that is being operated by the cronies of autocratic president Recep Tayyip Erdoğan to undermine Europe from within. He called on lawmakers to fight for European values and send a strong message to Erdoğan by freezing the accession talks with Turkey, which will most likely threaten this autocrat’s economic lifeline.

Turkey’s top Islamist has been secretly organizing clandestine networks in Europe to extend his influence and to create a network of supporters among Turkish and Muslim communities (especially from Egypt, Syria, Somalia and the Balkans) that could be called to serve the political goals of Erdogan. Just last week, we saw how this network was mobilized by Erdoğan in Germany, Belgium, Austria and Luxembourg where crowds gathered to show their support for this autocrat’s goals. The drive ran in parallel with similar rallies held by youth and women’s branches of the ruling Justice and Development Party (AKP) in front of the embassies of these countries in Ankara. With this showdown, Erdoğan hopes that the EU will give in on critical issues where the EU has shown resistance.

As opposed to a constructive engagement that would help Turkish and Muslim immigrant communities to better integrate with host nations, Erdoğan’s plan is rather based on playing a “spoiler card” in the heart of Europe by creating a groundswell of public support that will be difficult to restrain when push comes to shove. For that, he funds shell companies to run the fuel line for these networks and even pours in cash from a secret stash of state discretionary funds using the diplomatic pouch. It is not surprising to see that some European politicians including several EU lawmakers were hooked by this. Some have already been exposed by name and shamed publicly, while others are waiting their turn as confidential investigations close in. These Erdoğan apologists, who are now paying their dues by taking a position against his critics and opponents, will be sidelined and marginalized.

The heavyweights in Erdoğan’s fifth column in Europe comprise three major organizations that were set up on political and religious grounds to cater to different constituencies. There are hundreds of other NGOs clustered around these big boys that move in unison when given orders. In addition to raising funds and local recruitment, they are well financed by the Turkish government and supported diplomatically and politically. To volunteers they offer perks such as facilitation of their business and family dealings in the motherland, or positions in the Turkish government or government-linked institutions for their relatives. For Erdoğan critics, they run an intimidation campaign by profiling them and alerting authorities back in Turkey so that friends and families face repression and even jail time.

The easiest way to discern the pattern among these NGOs and Erdoğan’s political machinations is by looking at how they quickly pile on when Erdoğan wants. The first organization is the Union of European Turkish Democrats (UETD), founded in Germany in 2004 but later expanded to other European countries — France, Belgium, Austria, Netherlands and the UK. It has been totally transformed into an Islamist grassroot base for Erdoğan. The organization, working closely with Turkish embassies, is an important vehicle in delivering results for Erdoğan from get-out-to-vote campaigns to lobbying activities in European capitals. Turkish government officials are encouraged to spare time to meet and attend events organized by the UETD when they go to Europe. President Erdoğan’s travel itinerary often includes a meeting with UETD officials on the sidelines of his official visits.

While the UETD focuses exclusively on Turkish expat communities, the Union of NGOs of the Islamic World (UNIW), another NGO set up by Turkish Islamist rulers in 2005, actively works among Muslim communities in Europe and other continents. Among its members are controversial charity groups such as International Humanitarian Relief (IHH), accused of arms smuggling to rebels in Syria, and the Ensar Foundation, which was involved in a spree of rapes of dozens of children in the conservative Turkish district of Karaman. Erdoğan orchestrated the coverup of criminal investigations into both and protected them from prosecution. The UNIW has been running various schemes in Europe, linking up with Muslim groups in order to secure their loyalty to the undeclared Caliph Erdoğan.

The leaked emails of Erdoğan’s son-in-law Berat Albayrak, authenticated inadvertently by a court complaint, revealed that both the UETD and UNIW have worked together in Europe to promote goals set up by the Erdoğan family. In an email dated Jan. 21, 2013 and sent to Albayrak, a man named İsmail Emanet, then head of the youth branches of the UNIW, sent a detailed report to Erdoğan’s son-in-law on activities in Europe. In the 19-page report, Emanet, who is now advisor to Energy Minister Albayrak, said the UETD must be overhauled to better realign with the Islamist government’s goals and suggested that the Turkish-Islamic Union for Religious Affairs (DİTİB), the wealthy organization that is run by imams and was sent by the Turkish government to Europe, work closely with the UETD.

The DİTİB, which used be an apolitical religious network that was relied upon by secular governments in the past, has for some time now been transformed into an instrument of hate-mongering and anti-Western political machinations by President Erdoğan. With its control of so many mosques in Europe and the huge financial resources at its disposal, the DİTİB presents serious challenges to the integration policies of all European countries that host sizable Turkish communities. In November 2015, the UETD awarded DİTİB-affiliated imams in Germany certificates of appreciations for their role in the Nov. 1 elections, which restored the parliamentary majority to Erdoğan’s AKP.

As European politicians are hobbled by internal divisions, Erdoğan sees a moment of opportunity to advance his fifth column in the heart of Europe. Using the front NGOs and transformed grassroot networks, his intelligence operatives have stepped up their intel collection efforts, run clandestine schemes, plan false flags and even plot assassinations and murders of dissidents and critics. Using the migrant deal to blackmail the EU, Erdoğan is twisting arms and threatens Europe with a flood of refugees. It is not hard to imagine what he is planning secretly.

With this trajectory of boosting radicals and hooligans among the Turkish and Muslim communities of Europe, Turkey’s Islamists have set relations with the EU back further. What is more troubling is that Erdoğan’s xenophobic and anti-Western policies give more ammunition to far-right Islamophobic European politicians at the expense of moderate conservatives, liberals and social democrats. In other words, Erdoğan is undermining European values not just by advancing the fifth column of Islamist zealotry in the midst of Europe but also by giving a huge impetus to the extreme right. In the meantime law-abiding and peaceful Turks and Muslims in Europe find themselves under greater suspicion from the larger majority because of closer scrutiny as European authorities are scrambling to defuse the risk of Erdoğan’s fifth column from developing effectively.

As a result, Turkey’s autocratic president has not only migrants to mobilize in order to destabilize Europe but also an Islamist fifth column in the heart of Europe to march forward when the time comes. The militant religious networks are already mushrooming in Europe on fertile ground provided by this fifth column’s clandestine activities.
ERDOGAN Asli
Même le silence n'est plus à toi
Edited: 201611220961
Actes Sud : Communiqué – Aslı Erdoğan
Publié le 22 novembre 2016
Dans la nuit du 16 au 17 août 2016, l’écrivaine et journaliste Aslı Erdoğan a été arrêtée à son domicile et incarcérée. À ce jour, elle est toujours emprisonnée à Istanbul et risque la prison à vie.

« Je continuerai à rapporter tout ce qu’il se passe dans les « Marches pour la Liberté », et cela devant comme derrière les barreaux — y a-t-il encore une différence entre les deux ? »


Le 4 janvier 2017 paraîtra Même le silence n’est plus à toi, recueil de chroniques traduites du turc par Julien Lapeyre de Cabanes.
Ce recueil rassemble vingt-sept textes d’Aslı Erdoğan parus au cours des dix dernières années dans le journal Özgür Gündem, quotidien soutenant les revendications kurdes et dont la 8ème cour criminelle d’Istanbul a ordonné le 16 août, la fermeture et l’arrestation des collaborateurs.

Ces chroniques politiques, réflexions sur l’écriture et l’exil, essais sur les actions gouvernementales, les pesanteurs archaïques et les clichés à l’œuvre dans la vie quotidienne en Turquie, éclaireront le profil d’essayiste engagée d’Aslı Erdoğan et permettront de comprendre pourquoi l’auteur, victime de la chasse aux sorcières déclenchée en juillet 2016, est actuellement en prison.

Son écriture toujours soignée et traversée de fulgurances poétiques trouve ici un autre terrain d’expression que le roman, non moins convaincant.

Relations presse : Emanuèle Gaulier

– e.gaulier@actes-sud.fr – 01 55 42 63 24

« L’écriture est soit un verdict, soit un cri… L’écriture, comme cri, naissant avec le cri… Une écriture à même de susciter un grand cri qui recouvrirait toute l’immensité de l’univers… Qui aurait assez de souffle pour hurler à l’infini, pour ressusciter tous les morts… »

Aslı Erdoğan (dont le patronyme, courant en Turquie, n’a pas de lien avec le président du pays) est née en 1967 et vit à Istanbul. Physicienne de formation, elle a travaillé au Centre européen de recherches nucléaires de Genève. Elle a vécu et travaillé deux ans à Rio de Janeiro.

Romancière et nouvelliste, lauréate de nombreux prix et traduite dans plusieurs langues, Aslı Erdoğan incarne le rayonnement de la nouvelle littérature turque, celle de la génération d’après Orhan Pamuk.

À ce jour, cette intellectuelle engagée est toujours en détention dans la prison stambouliote pour femmes, Barkirköy, et le parquet a réclamé sa détention à vie pour des chefs d’accusation accablants : « propagande en faveur d’une organisation terroriste », « appartenance à une organisation terroriste », « incitation au désordre ».

La date de son procès n’est pas encore connue.

L’arrestation d’Aslı Erdoğan a provoqué une vague d’indignation en Turquie et dans le monde, relayée par de nombreux artistes, intellectuels et écrivains.

Une pétition a été lancée après son arrestation sur le site change.org et a récolté, depuis, plus de 39 000 signatures.

Audrey Azoulay, ministre de la Culture et de la Communication, dans le cadre d’un entretien accordé à Livres Hebdo le 10 novembre, a qualifié « d’intolérable » son maintien en détention.

« CETTE LETTRE EST UN APPEL D’URGENCE ! »
Depuis la prison de Bakırköy où elle est détenue, Aslı Erdoğan a fait passer le 1er novembre 2016 un appel d’urgence que voici :

Chers amis, collègues, journalistes, et membres de la presse,

Je vous écris cette lettre depuis la prison de Bakırköy, au lendemain de l’opération policière à l’encontre du journal Cumhuriyet, un des journaux les plus anciens et voix des sociaux démocrates. Actuellement plus de 10 auteurs de ce journal sont en garde-à-vue. Quatre personnes dont Can Dündar (ex) rédacteur en chef, sont recherchées par la police. Même moi, je suis sous le choc.

Ceci démontre clairement que la Turquie a décidé de ne respecter aucune de ses lois, ni le droit. En ce moment, plus de 130 journalistes sont en prison. C’est un record mondial. En deux mois, 170 journaux, magazines, radios et télés ont été fermés. Notre gouvernement actuel veut monopoliser la « vérité » et la « réalité », et toute opinion un tant soit peu différente de celle du pouvoir est réprimée avec violence : la violence policière, des jours et des nuits de garde-à-vue (jusqu’à 30 jours)…

Moi, j’ai été arrêtée seulement parce que j’étais une des conseillères d’Özgür Gündem, « journal kurde ». Malgré le fait que les conseillères, n’ont aucune responsabilité sur le journal, selon l’article n°11 de la Loi de la presse qui le notifie clairement, je n’ai pas été emmenée encore devant un tribunal qui écoutera mon histoire.

Dans ce procès kafkaïen, Necmiye Alpay, scientifique linguiste de 70 ans, est également arrêtée avec moi, et jugée pour terrorisme.

Cette lettre est un appel d’urgence !

La situation est très grave, terrifiante et extrêmement inquiétante. Je suis convaincue que l’existence d’un régime totalitaire en Turquie, secouerait inévitablement, d’une façon ou d’une autre, aussi l’Europe entière. L’Europe est actuellement focalisée sur la « crise de réfugiés » et semble ne pas se rendre compte des dangers de la disparition de la démocratie en Turquie. Actuellement, nous, – auteurs, journalistes, Kurdes, Alévis, et bien sûr les femmes- payons le prix lourd de la « crise de démocratie ». L’Europe doit prendre ses responsabilités, en revenant vers les valeurs qu’elle avait définies, après des siècles de sang versé, et qui font que « l’Europe est l’Europe » : La démocratie, les droits humains, la liberté d’opinion et d’expression…

Nous avons besoin de votre soutien et de solidarité. Nous vous remercions pour tout ce que vous avez fait pour nous, jusqu’à maintenant.

Cordialement,

Aslı Erdoğan

1.11.2016, Bakırköy Cezaevi, C-9

Traduit du turc par Kedistan

Soirée de soutien

Le 12 décembre 2016 à 20h, La Maison de la Poésie accueillera une soirée de soutien et de solidarité à Aslı Erdoğan en présence notamment de Mine Aydoslu, la mère d’Asli Erdoğan, Françoise Nyssen, présidente d’Actes Sud, Timour Muhidine, son éditeur, Pierre Astier, son agent littéraire. Cette soirée sera animée par le journaliste Christian Tortel et la comédienne Sophie Bourel lira des textes du recueil à paraître Même le silence n’est plus à toi.

À lire en avant-première, deux extraits du recueil :

Le Silence même n’est plus à toi

(parution janvier 2017)

Nous sommes coupables

Que faut-il écrire ? Que peut bien faire l’écriture (la tienne), que peut-elle bien mettre en « mots », et au nom de quel monde peut-elle transformer celui-ci ? Jusqu’où peut-elle se baser sur la réalité ? Trois heures du matin, la pluie tombe par intermittences, bientôt à verse. Comme si c’était le bruit des secondes qu’on entendait battre sur le pavé. Je suis à ma place habituelle, dans ma nuit où j’entre comme on se faufile dans une tente. Problèmes « éternels », s’obscurcissant à mesure que l’ombre s’étend, pris dans l’étroit défilé qui coupe toute issue… « L’écriture est soit un verdict, soit un cri. »

Mot tant de fois prononcé, il lui arrive parfois de s’accrocher à l’homme telle une anaphore, de l’éparpiller entre ciel et terre. Puis il le jette subitement dehors, et l’abandonne sur les rives du silence. L’écriture, comme cri, naissant avec le cri… Une écriture à même de susciter un grand cri qui recouvrirait toute l’immensité de l’univers… Qui aurait assez de souffle pour hurler à l’infini, pour ressusciter tous les morts… Quel mot peut reprendre et apaiser le cri de ces enfants arméniens jetés à la fosse ? Quels mots pour être le ferment d’un monde nouveau, d’un autre monde où tout retrouverait son sens véritable, sur les cendres de celui-ci ?

Les limites de l’écriture, limites qui ne peuvent être franchies sans incendie, sans désintégration, sans retour à la cendre, aux os et au silence… Si loin qu’elle puisse s’aventurer dans le Pays des Morts, l’écriture n’en ramènera jamais un seul. Si longtemps puisse-t-elle hanter les corridors, jamais elle n’ouvrira les verrous des cellules de torture. Si elle se risque à pénétrer dans les camps de concentration où les condamnés furent pendus aux portes décorées et rehaussées de maximes, elle pressent qu’elle n’en ressortira plus. Et si elle en revient pour pouvoir le raconter, ce sera au prix de l’abandon d’elle-même, en arrière, là-bas, derrière les barbelés infranchissables… Face à la mort, elle porte tous les masques qu’elle peut trouver. Lorsqu’elle essaie de résonner depuis le gouffre qui sépare les bourreaux des victimes, ce n’est que sa propre voix qu’elle entend, des mots qui s’étouffent avant même d’atteindre l’autre bord, avant les rives de la réalité et de l’avenir… La plupart de temps, elle choisit de rester à une distance relativement sûre, se contentant peut-être, pour la surmonter, de la responsabilité du « témoignage »…

Aussi excessivement facile, tardif et vain que cela soit, il faut le dire explicitement : nous sommes coupables. Nous avons commis, dans ce pays, un crime atroce ; ceux qui en ont été les victimes ont trouvé ces mots pour le nommer, « Grande Catastrophe », nous avons éradiqué un peuple. Après avoir appelé les hommes à combattre dans nos armées, nous avons massacré à la pelle leurs femmes et leurs enfants, en les faisant marcher le ventre vide sur des routes interminables. Mais le crime des hommes est dans leurs actes autant que dans leur façon de les assumer. En niant nos agissements, nous avons commis un crime plus grand encore, en refusant de regarder cette femme qui nous appelait à l’aide, cette pauvre femme prise dans l’un des cortèges qu’on envoyait à la mort, cette femme qui depuis 99 ans nous fait désespérément signe… Voilà le pire crime, car c’est voler à un être humain jusqu’à ses traumatismes. Accuser la victime de mensonge, c’est rejeter le crime sur ceux qui en sont les martyrs… Voilà sans doute pourquoi nos terres sont couvertes de fosses, que nous creusons et refermons sans cesse. Jonchées d’os, de cendres, de silence… Nous ne sommes pas capables ni de regarder dans les yeux cette femme battue à mort puis jetée sur le bord de l’autoroute, ni les restes du squelette du partisan… Nous vieillissons pour oublier, oublions en assassinant, et oublions sans cesse que ces cadavres, nous les portons en nous.

Faire face est tout autre chose qu’accepter. C’est être capable d’affronter le regard des victimes, savoir leur laisser la parole. Il est peut-être trop tard, bien trop tard pour les morts, mais laissons ceux qui en ont réchappé nous la raconter, cette Grande Catastrophe. Nous, qui sommes désormais un autre « nous ».

Un dernier mot avant le 1er mai : la place Taksim est à nous, ceux qui y sont morts à tout le monde… Chaque fois que nous marcherons vers cette place méconnaissable, malgré les matraques, les canons à eau, les lacrymos, chaque fois que nous en prendrons le chemin, elle sera « à nous ».
STATISTA
The Countries Where The Super-Rich Are More Likely To Have Inherited Their Wealth
Edited: 201610112324
In every country in the world, there are countless stories about billionaires who built massive business empires despite humble beginnings. In Austria, however, a billionaire is far more likely to have inherited his or her fortune. According to a report from Jonathan Wai of Duke University and David Lincoln of Wealth-X, 49.6 percent of Austrians with a net worth over $30 million were born into wealth.

The situation is similar in Sweden where 43.8 percent of ultra high net worth individuals inherited their fortune. In the United Kingdom and the United States however, the story is quite different with the vast majority of wealthy individuals starting off from scratch without familial assistance. In Russia where oil has produced countless billionaires since the collapse of communism, inheriting vast sums of money is far rarer: a mere 1.3 percent of super-rich individuals in Russia netted their wealth through inheritance.
Council of Europe
MSI-MED (2016)09rev2 - Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership - Second revised draft
Edited: 201609201696
MSI-MED (2016)09rev2
Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership
Second revised draft
Preamble

1. Media freedom and pluralism are crucial components of the right to freedom of expression, as guaranteed by Article 10 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (ETS No. 5, hereinafter “the Convention”). They are central to the functioning of a democratic society as they help to ensure the availability and accessibility of diverse information and views, on the basis of which individuals can form and express their opinions and exchange information and ideas.
2. The media play essential roles in democratic society, by widely disseminating information, ideas, analysis and opinions; acting as public watchdogs, and providing forums for public debate. In the present multi-media ecosystem, these roles continue to be fulfilled by traditional media, but are also increasingly performed by other media and non-media actors, from multinational corporations to non-governmental organisations and individuals.
3. Pluralist democratic societies are made up of a wide range of identities, ideas and interests. It is imperative that this diversity can be communicated through a range of independent and autonomous channels and outlets, thus creating an informed society, contributing to mutual understanding and fostering social cohesion.
4. Different types of media, along with different genres or forms of editorial content or programming contribute to diversity of content. Although content focusing on news and current affairs is of most direct relevance for fostering an informed society, other genres are also very important. Examples include cultural and educational content and entertainment, as well as content aimed at specific sections of society, such as local content.
5. In the present multi-media environment, online media and other internet platforms enable access to a growing range of information from diverse sources. This transformation in how media content is made available and used creates new opportunities for more and more people to interact and communicate with each other and to participate in public debate.
6. This technological evolution also raises concerns for media pluralism. While variety in media sources and types can be instrumental in enhancing diversity of media content and exposure to such diversity, it does not of itself guarantee it. Individuals still have to select what media to use and what content to watch, listen to or read among vast quantities of diverse content distributed across various media. This may result in them selecting or being exposed to information confirming their existing views and opinions, which can, in turn, generate fragmentation and result in a polarised society. While limited news resources and self-imposed restrictions on the choice of content are not new phenomena, the media and internet intermediaries may amplify their inherent risks, through their ability to control the flow, availability, findability and accessibility of information and other content online. This is particularly troubling if the individual users are not aware of these processes or do not understand them.
7. As new actors enter the evolving online market, the ensuing competitive pressures and a shift in advertising revenues towards the internet have contributed to an increase in media consolidation and convergence. Single or a few media owners or groups acquire positions of considerable power where they can separately or jointly set the agenda of public debate and significantly influence or shape public opinion, reproducing the same content across all platforms on which they are present. Convergence trends also lead to cost-cutting, job losses in journalism and media sectors, and the risk of financial dependencies for journalists and the media. These developments may cause a reduction in diversity of news and content generally and ultimately impoverish public debate.
8. Fresh appraisals of existing approaches to media pluralism are called for in order to address the challenges for pluralism resulting from how users and businesses have adapted their behaviour to technological developments. New policy responses and strategic solutions are needed to sustain independent, quality journalism and diverse content across all media types and formats.
9. There is a need for an enhanced role for independent public service media to counteract on-going processes of concentration and convergence in the media. By virtue of their remit, public service media are particularly suited to address the informational needs and interests of all sections of society, as is true of community media in respect of their constituent users. It is of utmost importance for public service media to have within their mandates the responsibility to foster political pluralism and awareness of diverse opinions, notably by providing different groups in society – including cultural, linguistic, ethnic, religious or other minorities – with an opportunity to receive and impart information, to express themselves and to exchange ideas.
10. In light of the increased range of media and content, it is very important for individuals to possess the cognitive, technical and social skills and capacities that enable them to critically analyse media content, and to understand the ethical implications of media and technology. Media literacy contributes to media pluralism and diversity by empowering individuals to effectively access, evaluate and create diverse types of content; by reducing the digital divide; facilitating informed decision-making, especially in respect of political and public affairs and commercial content, and by enabling the identification and countering of false or misleading information and harmful and illegal online content.
11. The adoption and effective implementation of media-ownership regulation plays an important role in respect of media pluralism. Such regulation should ensure transparency in media ownership; it should address issues such as cross-media ownership, direct and indirect media ownership and effective control and influence over the media. It should also ensure that there is effective and manifest separation between the exercise of political authority or influence and control of the media or decision making as regards media content.
12. Transparency of media ownership, organisation and financing help to increase media accountability. Transparency and media literacy are therefore indispensable tools for individuals to make informed decisions about which media they use and how they use them, to search for, access and impart information and ideas of all kinds. This makes them practical instruments of effective pluralism.
13. Against this background, the present Recommendation reaffirms the importance of existing Council of Europe standards dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership and the need to fully implement them in democratic societies. The Recommendation builds further on those standards, adjusting, supplementing and reinforcing them, as necessary, to ensure their continued relevance in the current multi-media ecosystem.
Under the terms of Article 15.b of the Statute of the Council of Europe (ETS No. 1), the Committee of Ministers recommends that governments of member States:
i. fully implement the guidelines set out in the appendix to this recommendation;
ii. remain vigilant to, and address, threats to media pluralism and transparency of media ownership by regularly monitoring the state of media pluralism in their national media markets, assessing risks to media freedom and pluralism and adopting appropriate regulatory responses, including by paying systematic attention to such focuses in the on-going reviews of their national laws and practices;
iii. fully implement, if they have not already done so, previous Committee of Ministers’ Recommendations and Declarations dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership, in particular those specified in the guidelines appended to the present Recommendation;
iv. promote the goals of this recommendation at the national and international levels and engage and co-operate with all interested parties to achieve those goals.

Appendix to Recommendation

Guidelines

In the context of this Recommendation, unless otherwise specified, the media are generally understood as including print, broadcast and online media.
I. A favourable environment for freedom of expression and media freedom

1. The principles of freedom of expression and media freedom, as grounded in the Convention, must continue to be developed in a way that takes full account of the features of the present multi-media ecosystem, in which a range of new media actors have come to the fore.
2. States have a positive obligation to foster a favourable environment for freedom of expression, in which everyone can exercise their right to freedom of expression and participate in public debate effectively, irrespective of whether or not their views are received favourably by the State or others. States should guarantee free and pluralistic media for their valuable contribution to robust public debate in which societal diversity can be articulated and explored.
3. National legislative and policy frameworks should safeguard the editorial independence and operational autonomy of all media so that they can carry out their key tasks in democratic society. The frameworks should be designed and implemented in such ways as to prevent the State, or any powerful political, economic, religious or other groups from acquiring dominance and exerting pressure on the media.
4. Relevant legislation should ensure that the media have the freedom at all times to provide accurate and reliable reporting on matters of public interest, in particular concerning vital democratic processes and activities, such as elections, referenda and public consultations on matters of general interest. Adequate safeguards should also be put in place to prevent interference with editorial independence of the media in relation to coverage of conflicts, crises and other sensitive situations where quality journalism and reporting are key tools in countering propaganda and disinformation.
5. In a favourable environment for freedom of expression, media regulatory authorities and other authorities or entities entrusted with responsibility for regulating or monitoring other (media) service providers or media pluralism must be able to carry out their remit in an effective, transparent and accountable manner. A prerequisite for them to be able to do so is that they themselves enjoy independence that is guaranteed in law and borne out in practice.
6. The independence of the authorities and entities referred to in the previous paragraph should be guaranteed by ensuring that they: have open and transparent appointment and dismissal procedures; have adequate human and financial resources and autonomous budget allocation; work to transparent procedures and decision-making; have the power to take autonomous decisions and enforce them, and that their decisions are subject to appeal.

7. States should ensure transparency of media ownership, organisation and financing, as well as promote media literacy, in order to provide individuals with the information and critical awareness that they need in order to access diverse information and participate fully in the present multi-media ecosystem.
II. Media pluralism and diversity of media content

General requirements of pluralism
1. As ultimate guarantors of pluralism, States have a positive obligation to put in place an appropriate legislative and policy framework to that end. This implies adopting appropriate measures to ensure sufficient variety in the overall range of media types, bearing in mind differences in terms of their purposes, functions and geographical reach. The complementary nature of different media types strengthens external pluralism and can contribute to creating and maintaining diversity of media content.
2. States are called upon to ensure that there is periodic independent monitoring and evaluation of the state of media pluralism in their jurisdictions based on a set of objective and transparent criteria for identifying risks to the variety in ownership of media sources and outlets, the diversity of media types, the diversity of viewpoints represented by political, ideological, cultural and social groups, and the diversity of interests and viewpoints relevant to local and regional communities. States are further urged to develop and enforce appropriate regulatory and policy responses effectively addressing any risks found.

Specific requirements of pluralism
Diversity of content
3. States should adopt regulatory and policy measures to promote the availability and accessibility of the broadest possible diversity of media content as well as the representation of the whole diversity of society in the media, including by supporting initiatives by media to those ends.

States should encourage the development of open, independent, transparent and participatory initiatives by social media, media stakeholders, civil society and academia, that seek to improve effective exposure of users to the broadest possible diversity of media content online.

Wherever the visibility, findability and accessibility of media content online is influenced by automated processes, whether they are purely automated processes or used in combination with human decisions, States should encourage social media, media stakeholders, civil society and academia to engage in open, independent, transparent and participatory initiatives that:

- increase the transparency of the processes of online distribution of media content, including automated processes;

- assess the impact of such processes on users’ effective exposure to a broad diversity of media content, and

- seek to improve these distribution processes in order to improve users’ exposure to the broadest possible diversity of media content.

4. States should make particular efforts, taking advantage of technological developments, to ensure that the broadest possible diversity of media content, including in different languages, is accessible to all groups in society, particularly those which may have specific needs or face disadvantage or obstacles when accessing media content, such as minority groups, children, the elderly and persons with cognitive or physical disabilities.
5. Diversity of media content can only be properly gauged when there are high levels of transparency about editorial and commercial content: media and other actors should adhere to the highest standards of transparency regarding the provenance of their content and always signal clearly when content is provided by political sources or involves advertising or other forms of commercial communications, such as sponsoring and product placement. This also applies to user-generated content and to hybrid forms of content, including branded content, native advertising and advertorials and infotainment.
Institutional arrangement of media pluralism
6. States should recognise the crucial role of public service media in fostering public debate, political pluralism and awareness of diverse opinions. States should accordingly guarantee adequate conditions for public service media to continue to play this role in the multi-media landscape, including by providing them with appropriate support for innovation and the development of digital strategies and new services.
7. States should adopt appropriate specific measures to protect the editorial independence and operational autonomy of public service media by keeping the influence of the State at arm’s length. The supervisory and management boards of public service media must be able to operate in a fully independent manner and the rules governing their composition and appointment procedures must contain adequate checks and balances to ensure that independence.
8. States should also ensure stable, sustainable, transparent and adequate funding for public service media in order to guarantee their independence from governmental, political and commercial pressures and enable them to provide a broad range of pluralistic information and diverse content. This can also help to counterbalance any risks caused by a situation of media concentration.
9. States should encourage and support the establishment and functioning of community, minority, regional and local media, including by providing financial mechanisms to foster their development. Such independent media give a voice to communities and individuals on topics relevant to their needs and interests, and are thus instrumental in creating public exposure for issues that may not be represented in the mainstream media and in facilitating inclusive and participatory processes of dialogue within and across communities and at regional and local levels.
10. States should facilitate access to cross-border media, which serve communities outside the country where they are established, supplement national media and can help certain groups in society, including immigrants, refugees and diaspora communities, to maintain ties with their countries of origin, native cultures and languages.

Support measures for the media and media pluralism
11. For the purpose of enhancing media pluralism, States should develop strategies and mechanisms to support professional news media and quality journalism, including news production capable of addressing diverse needs and interests of groups that may not be sufficiently represented in the media. They should explore a wide range of measures, including various forms of non-financial and financial support such as advertising and subsidies, which would be available to different media types and platforms, including those of online media. States are also encouraged to support projects relating to journalism education, media research and innovative approaches to strengthen media pluralism and freedom of expression.
12. Support measures should have clearly defined purposes; be based on pre-determined clear, precise, equitable, objective and transparent criteria, and be implemented in full respect of the editorial and operational autonomy of the media. Such measures could include positive measures to enhance the quantity and quality of media coverage of issues that are of interest and relevance to groups which are underrepresented in the media.
13. Support measures should be administered in a non-discriminatory and transparent manner by a body enjoying functional and operational autonomy such as an independent media regulatory authority. An effective monitoring system should also be introduced to supervise such measures, to ensure that they serve the purpose for which they are intended.
III. Regulation of media ownership: ownership, control and concentration

1. In order to guarantee effective pluralism in their jurisdictions, States should adopt and implement a comprehensive regulatory framework for media ownership and control that is adapted to the current state of the media industry. Such a framework should take full account of media convergence and the impact of online media.
Ownership and control
2. Regulation of competition in the media market including merger control should prevent individual actors from acquiring significant market power in the overall national media sector or in a specific media market/sector at the national level or sub-national levels, to the extent that such concentration of ownership limits meaningful choice in the available media content.
3. Media ownership regulation should apply to all media and could include restrictions on horizontal, vertical and cross-media ownership, including by determining thresholds of ownership in line with Recommendation CM/Rec 2007(2) of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and diversity of media content. Those thresholds may be based on a number of criteria such as capital shares, voting rights, circulation, revenues, audience share or audience reach.
4. States should set criteria for determining ownership and control of media companies by explicitly addressing direct and beneficial ownership and control. Relevant criteria can include proprietary, financial or voting strength within a media company or companies and the determination of the different levels of strength that lead to exercising control or direct or indirect influence over the strategic decision-making of the company or companies including their editorial policy.
5. As the key democratic tasks of the media include holding authorities to account, legislation should stipulate that the exercise of political authority or influence is incompatible with involvement in the ownership, management or editorial decision-making of the media. The incompatibility of these functions should be recognised as a matter of principle and should not be made conditional on the existence of particular conditions. The criteria of incompatibility and a range of appropriate measures for addressing conflicts of interest should be set out clearly in law.
6. Any restrictions on the extent of foreign ownership of media should apply in a non-discriminatory manner to all such companies and should take full account of the States’ positive obligation to guarantee pluralism and of the relevant guidelines set out in this Recommendation.
Concentration
7. States are also encouraged to develop and apply suitable methodologies for the assessment of media concentration. In addition to measuring the availability of media sources, this assessment should reflect the real influence of individual media by adopting an audience-based approach and using appropriate sets of criteria to measure the use and impact of individual media on opinion-forming.
8. Media ownership regulation should include procedures to prevent media mergers or acquisitions that could adversely affect pluralism of media ownership or diversity of media content. Such procedures could involve a requirement for media owners to notify the relevant independent regulatory authority of any proposed media merger or acquisition whenever the ownership and control thresholds, as set out in legislation, are met.
9. The relevant independent regulatory authority should be vested with powers to assess the expected impact of any proposed concentration on media pluralism and to make recommendations or decisions, as appropriate, about whether the proposed merger or acquisition should be cleared, subject or not to any restrictions or conditions, including divestiture. Decisions of the independent authority should be subject to judicial review.
IV. Transparency of media ownership, organisation and financing

1. States should guarantee a regime of transparency regarding media ownership that ensures the availability of the data necessary for informed regulation and decision-making and enables the public to access those data in order to help them to analyse and evaluate the information, ideas and opinions disseminated by the media.
2. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure/transparency obligations for media in a clear and precise way. Such obligations should, as a minimum, include the following information:
- Legal name and contact details of a media outlet;
- Name(s) and contact details of the direct owner(s) with shareholdings enabling them to exercise influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet. States are recommended to apply a threshold of 5% shareholding for the purpose of the disclosure obligations.
- Identity and contact details of natural persons with beneficial shareholdings. Beneficial shareholding applies to natural persons who ultimately own or control shares in a media outlet or on whose behalf those shares are held, enabling them to indirectly exercise control or significant influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet.
- Information on the nature and extent of the share-holdings or voting rights of the above legal and/or natural persons in other media, media-related or advertising companies which could lead to decision-making influence over those companies, or positions held in political parties;
- Name(s) of the persons with actual editorial responsibility or the actual authors of editorial content;
- Changes in ownership and control arrangements of a media outlet.
3. The scope of the above minima for disclosure/transparency obligations for the media includes legal and natural persons based in other jurisdictions and their relevant interests in other jurisdictions.
4. High levels of transparency should also be ensured with regard to the sources of financing of media outlets in order to provide a comprehensive picture of the different sources of potential interference with the editorial and operational independence of the media and allow for effective monitoring and controlling of such risks.
5. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure of the following information:
- Information on the sources of the media outlet’s income, including from State and other funding mechanisms and (State) advertising.
- The existence of structural relationships or contractual cooperation with other media or advertising companies, political parties or the State, including in respect of State advertising;
6. Legislation should set out clear criteria as to which media are subject to these reporting obligations. The obligations may be limited with regard to factors such as the commercial nature of the media outlet, a wide audience reach, exercise of editorial control, frequency and regularity of publication or broadcast, etc., or a combination thereof. Legislation should also determine the timeframe within which reporting obligations must be met.
7. Such legislation should also require the maintenance of a public, online database of media ownership and control arrangements in the State, with disaggregated data about different types of media (markets/sectors) and regional and/or local levels, as relevant. Those databases should be kept up to date on a rolling basis and they should be available to the public free of charge. They should be accessible and searchable; their contents should be made available in open formats and there should not be restrictions on their re-use.

8. Reporting requirements relating to media ownership should include the provision of:
- A description of media ownership and control arrangements for media under its jurisdiction (including media whose services are directed at other countries);
- A description of changes to the media ownership and control arrangements within the State during the reporting period;
- An analysis of the impact of those changes on media pluralism in the State.
9. Legislation should provide for the publication of reports on media ownership to be accompanied by appropriate explanations of the data and the methodologies used to collect and organise them, in order to help members of the public to interpret the data and understand their significance.
10. States should issue clear, up-to-date guidance on the interrelationship and implications of the different regulatory regimes and on how to implement them correctly and coherently. That guidance could take the form of user-friendly guidelines, handbooks, manuals, etc.
11. States should also facilitate inter-agency cooperation, including the relevant exchange of information about media ownership held by media regulatory authorities, competition authorities and company registers. Similarly, the exchange of information and best practices with other national authorities, both within their own jurisdiction and in other jurisdictions, should be facilitated.
V. Media literacy/education

1. States should introduce legislative provisions or strengthen existing ones that promote media literacy with a view to enabling individuals to access, understand, critically analyse, evaluate, use and create content through a range of legacy and digital (including social) media.
2. States should also develop a national media literacy policy and ensure its operationalisation and implementation through (multi-)annual action plans. A key strategy for that purpose could be to support the creation of a national media literacy network comprising a wide range of stakeholders, or the further development of such a network where it already exists.
3. In the multi-media ecosystem, media literacy is essential for people of all ages and all walks of life. Law and/or policy measures promoting media literacy should thus help to develop the teaching of media literacy in school curricula at all levels and as part of lifelong learning cycles, including by providing suitable training and adequate resources for teachers and educational institutions to develop teaching programmes. Any measures adopted should be developed in consultation with teachers and trainers with a view to ensuring a fair and appropriate integration of relevant activities in work-flows. Any measures adopted should not interfere with the academic autonomy of educational institutions in curricular matters.
4. States should encourage all media, without interfering with their editorial independence, to promote media literacy through policies, strategies and activities. They should also promote media literacy through support schemes for media, taking into account the particular roles of public service media and community media.
5. States should ensure that independent national regulatory authorities have the scope and resources to promote media literacy in ways that are relevant to their mandates and encourage them to do so.
6. States are encouraged to include in their national media literacy programmes focuses on media pluralism and transparency of media ownership in order to help citizens to make an informed and critical evaluation of the information and ideas propagated via the media. To this end, States are called upon to include in their strategies for ensuring transparency in the media sector educational content which enables individuals to use information relating to media ownership, organisation and financing, in order to better understand the different influences on the production, collection, curation and dissemination of media content.
France3
Amiante: Eternit seul responsable du décès d'un salarié de Saint-Grégoire (35)
Edited: 201605141132
Eternit, le premier producteur français d'amiante-ciment jusqu'à l'interdiction de la fibre, est le seul responsable de la maladie d'un de ses salariés, a considéré la justice, une première qui pourrait faire jurisprudence.
Dans une décision rendue mercredi, la cour d'appel administrative de Versailles a annulé une décision de première instance qui avait condamné l'État à partager, pour moitié, les dommages et intérêts à la famille d'un ouvrier victime de l'amiante. Les magistrats ont considéré que la carence de règlementation des autorités administratives n'engage pas la responsabilité de l'État.

L'ouvrier, préposé à l'usinage des pièces et aux broyeurs de déchets secs sur le site de Saint-Grégoire (Ille-et-Vilaine) de 1974 à 2005, avait développé un cancer de la plèvre dont il avait succombé en juin 2005.

L'entreprise condamnée puis indemnisée par l'Etat
Condamnée, la société Eternit (devenue ECCF) s'était ensuite retournée contre l'État, en estimant que l'absence de règlementation avant 1977 d'une part, une législation insuffisante après 1977 d'autre part, le rendait co-auteur du dommage. Le tribunal administratif de Versailles avait donné raison à la société dans une décision rendue en 2014, en condamnant l'Etat à verser à Eternit plus de 160 000 euros, correspondant à la moitié de la somme versée par la société.

Mais selon les magistrats en appel, Eternit "connaissait ou aurait dû connaître les dangers liés à l'utilisation de l'amiante", même avant la règlementation de 1977, eut égard à "la littérature scientifique" ou "les colloques" portant sur le sujet dès les années 50.

Une décision inédite qui pourrait faire jurisprudence
Dès lors, la faute d'Eternit "a le caractère d'une faute d'une particulière gravité délibérément commise, qui fait obstacle à ce que cette société puisse se prévaloir de la faute de l'administration", a souligné la cour d'appel administrative. Par ailleurs, concernant la période postérieure à 1977, "la société n'établit pas que les maladies professionnelles (de son salarié) développées du fait d'une exposition à l'amiante trouveraient directement leur cause dans une quelconque carence fautive de l'Etat", ont relevé les magistrats.

"Nous sommes satisfaits, parce que la décision de première instance, qui avait condamné l'État, avait inspiré d'autres tribunaux. Cette décision d'appel est inédite et pourrait désormais faire jurisprudence", a commenté auprès de l'AFP le président de l'association nationale de défense des victimes de l'amiante (Andeva), François
Desriaux, partie à la procédure.

Selon les autorités sanitaires, l'amiante pourrait provoquer jusqu'à 100 000 décès d'ici à 2025. Selon l'Andeva, 3 000 personnes meurent chaque année et les autorités sanitaires imputent à l'amiante 10 à 20% des cancers du poumon.

Noot LT: Deze uitspraak haalt de argumentatie voor de vrijspraak (2009) van Karel Vinck onderuit. Algemener: een bedrijf dat gevaarlijke stoffen produceert moet de wetenschappelijke vakliteratuur op de voet volgen en maatregelen nemen, ook als er nog geen wetgeving terzake is uitgewerkt.
Lucas TESSENS
MERS-website om 14.17 uur gehacked door MULTIHACK. MERS zal klacht indienen tegen onbekenden.
Edited: 201605011751




De hackers plaatsten bovenstaand beeld met Turkse vlag op onze site.

Wellicht zitten supporters van Erdogan achter deze hacking.
Deze hacking is de tweede in één week tijd.
Mochten collega's meer informatie kunnen verschaffen over de methoden van Multihack dan vernemen wij dat graag.
Lucas TESSENS
MERS-website om 12.42 uur gehacked door MULTIHACK. MERS zal klacht indienen tegen onbekenden.
Edited: 201604241443


De hackers plaatsten bovenstaand beeld met Turkse vlag op onze site.
Wellicht zitten supporters van Erdogan achter deze hacking.
Mochten collega's meer informatie kunnen verschaffen over de methoden van Multihack dan vernemen wij dat graag.
Le Journal de Saône--et-Loire
Amiante : des militants mis en examen Un groupe de militants contre qui la société Eternit avait déposé plainte en 2011 est convoqué jeudi au tribunal pour une mise en examen.
Edited: 201604131101
[Mise à jour à 14h46] Une erreur étant survenue dans la convocation envoyée aux personnes concernées, la venue de ces dernières au tribunal est annulée. Une nouvelle convocation leur sera envoyée pour une date ultérieure.

Ci-dessous, le communiqué du Comité amiante prévenir et réparer (Caper) Bourgogne :

"Alors qu'une juge d'instructions de Versailles avait décidé de notifier en vertu de l'article 175 du Code de procédure pénal, un avis de clôture de l'information dans la procédure ouverte à la suite d'une plainte de la société Eternit déposée en 2011, évoquant des faits survenus au siège de la société, une lettre de l'avocat d'Eternit a su convaincre l'autorité judiciaire de procéder autrement et de convoquer six anciens militants de la CGT et le président du CAPER, Jean-François Borde, en vue de leur mise en examen le 14 avril prochain.

Au moment des faits, notamment, dans un contexte social plus large de blocage des négociations salariales de s'opposer à l'ouverture d'une décharge à Vitry-en-Charollais, destinée à devenir le dépotoir national de l'un des principaux producteurs de déchets d'amiante.

L'ouverture de cette décharge bénéficiant de la longue tradition de complaisance de l'administration à l'égard d'Eternit créait une situation collective de mise en danger locale affectant notamment des familles de travailleurs d'Eternit décimées par les choix industriels délibérément faits par la direction.

La justice administrative d'ailleurs ne s'y trompera pas en annulant l'autorisation abusivement accordée...

Mais la mobilisation des travailleurs et de l'association des victimes de l'amiante en 2011 n'aura pu empêcher les conséquences de décennies de cynisme industriel qui a vu le groupe Eternit envoyer délibérément à la mort des centaines de travailleurs et de membres de leur famille en France et des milliers en Europe.

Ce n'est certes pas un hasard si le PDG de la branche suisse du groupe a été condamné à 18 ans d'emprisonnement pour catastrophe industrielle par la cour d'appel de Turin, la cour de cassation italienne n'ayant cassé cet arrêt qu'en raison d'un désaccord sur la seule question de la prescription.

En France, des plaintes circonstanciées ont été déposées par les associations des victimes et les syndicats en 1996, mais jamais le parquet ne sera à l'origine des poursuites.

Elles suivront un cours chaotique entre désintérêt de certains juges et encombrement des cabinets d'instruction pour aboutir à des mises en examen généralisées de dirigeants industriels en particulier pour Eternit, puis après 20 ans d'information à une surprenante décision d'expertise de physiopathologie de l'amiante.

Mais aucun renvoi devant le tribunal compétent, les différents ministres de la Justice et le procureur général de Paris n'ont cessé d'assurer les associations de l'attention soutenue qu'ils portaient à ce dossier et de la fin prochaine de la phase d'instruction.

Entre temps, Eternit a été condamnée des centaines de fois pour faute inexcusable de l'employeur par les juridictions de sécurité sociale...

Bref, la justice pénale française pour son incurie ajoute un scandale judiciaire au scandale industriel et sanitaire en délaissant comme elle le fait les victimes et leurs famille et la prochaine mise en examen de Jean-François Borde apparaît dans ce contexte comme un nouveau triomphe judiciaire du lobby de l'amiante."
MO / Le Soir / Redactie / De Tijd / HLN
Panama Papers: Dexia spil in creatie bedrijven in belastingparadijzen - Jean-Luc Dehaene op de hoogte van de constructies - Pierre Mariani weerom in troebel water
Edited: 201604100057


Het Luxemburgse advieskantoor Experta, dat van 2002 tot 2011 via Banque Internationale à Luxembourg (BIL), deel uitmaakte van de Dexia-groep, heeft meer dan 1600 offshores helpen oprichten via Mossack Fonseca. In de raad van bestuur van BIL zetelden onder meer ex-premier Jean-Luc Dehaene (+20140515), Jacques Rogge en voormalig Dexia-topman Pierre Mariani.
Dehaene was voorzitter van de raad van bestuur van Dexia van 20081007 tot 20120630.
Wat Pierre Mariani betreft: uit een reportage van France 2 van 20120510 blijkt dat dit sujet zijn klanten-gemeenten op grote schaal heeft bedrogen en geruïneerd. "DEXIA a vendu des prêts toxiques aux collectivités Françaises en leur faisant croire à des taux fixes. Les villes sont ruinées et l'argent nécessaire à la collectivité sert uniquement à payer les intérêts." Mariani komt uit de kringen van Nicolas Sarkozy.

Wat in de reportage niet aan bod komt is de reële mogelijkheid voor Dexia om via massale aankopen van Zwitserse franken de aan de gemeenten aangerekende intresten kunstmatig te beïnvloeden; het variabele gedeelte van de intresten was immers gekoppeld aan de breuk van Zwitserse frank over Euro. Toch werden de leningen aan de gemeenten verkocht als 'taux fixe'.
MARTIJN Hervé
collage meisjes
Edited: 201604082325
GOVAERTS Bert
Ernest Claes De biografie van een heer uit Zichem
Edited: 201603221130
Verschenen bij Houtekiet, 39,99 EUR

Op 15 februari 1969 keken 3.800.000 Vlamingen naar hetzelfde tv-programma: de 4de aflevering van het feuilleton Wij, Heren van Zichem. De grondstof voor die serie waren romans en novellen van Ernest Claes (1885-1968). De schrijver, zelf geboren in Zichem, overleed kort voor de opnames begonnen. Op zijn oude dag poseerde Ernest Claes graag als de eeuwig minzame, monkelende verteller, die in zijn leven alleen maar goede mensen was tegengekomen. Maar hij behoorde tot de generatie die twee wereldoorlogen onderging. Behalve schrijver van geliefde volksboeken als De Witte (126 keer herdrukt!), was Claes ook soldaat, krijgsgevangene, politiek militant, belijdend katholiek, ambtenaar, journalist, dagboekschrijver en repressieslachtoffer. Hij zocht zich als Vlaams-nationalist een weg in de woelige twintigste eeuw, langs de afgrond van het fascisme.
Ernest Claes, de biografie van een Heer uit Zichem is een afgewogen portret, waarvoor de auteur kon gebruikmaken van het rijke, nooit eerder onderzochte privé-archief én van het gerechtelijke collaboratiedossier van de man die lange tijd Vlaanderens populairste schrijver was.
VAN DOOREN Edmond (1896-1965)
Abstracte compositie
Edited: 201603200029


s.d.
Olie op doek
Collectie FIBAC, Antwerpen
Tentoonstelling Marthe Donas, MSK Gent, 20160319
Na de hoofddoek, de boerka, het onverdoofd slachten, Zwarte Piet, de boerkini, ... nu de Sioux
Edited: 201603171529
Kwestie van u te informeren, natuurlijk ...
Als u ergens een aanstootgevende afbeelding vindt, dan moet u ons dat vooral NIET melden. Ook foto's van Donald Trump nemen we niet op in onze collectie. Filmpjes over Nederlandse voetbalsupporters die in Madrid daklozen vernederen of fonteinen kapot slaan in Rome zijn niet welkom in onze mailbox.
Wij zijn op zoek naar schoonheid en nieuw fatsoen.

En de sofa van Veranneman die we een tijdje geleden op onze website toonden ... neen, die stellen we niet te koop. Die staat heel goed in het Permeke-museum in Jabbeke. U moet dus niet meer bellen.
KU Leuven scant middeleeuwse collegedictaten
Edited: 201603150924
link naar de mooie site van Lectio

In die tijd volgden jongeren nog een voorbereidende cursus 'deugdelijk redeneren' ...
Islamization and Demographic Denialism in France
Edited: 201603141661
by Michel Gurfinkiel
PJ Media
March 14, 2016

Excerpt of an article originally published under the title "Latest Survey Finds 25% of French Teenagers Are Muslims."

One of the most striking cases of reality denial in contemporary France is demography: issues like birthrate, life expectancy, immigration, and emigration. On the face of it, you can hardly ignore such things, since they constantly reshape your environment and your way of life. Even without resorting to statistics, you are bound to perceive, out of day-to-day experience, what the current balance is between younger and older people, how many kids are to be found at an average home, and the ethnicity or religion of your neighbors, or the people you relate to at work or in business.

The French elites, both on the right and left, managed for five decades at least to dismiss the drastic demographic changes that had been taking place in their country, including the rise of Islam, since they clashed with too many political concepts – or fantasies – they had been brainwashed into accepting: the superiority of the "French social model;" the unique assimilative capacity of French society; equality for equality's sake; the primacy of individual values over family values; secularism; francophonie, or the assumption that all French-speaking nations in the world were a mere extension of France, and that all nations that defined themselves as "Francophone" did speak French or were subdued by French culture; and finally la politique arabe et islamique de la France, a supposed political and strategic affinity with the Arab and Muslim world.

Until 2004, compilation of ethnic, racial, and religious statistics was prohibited under French law.

One way for the elites to deny demographics was to reject ethnic-related investigation on legal or ethical grounds. Until 2004, ethnic, racial, and religious statistics were not allowed under French law – ostensibly to prevent a return of Vichy State-style racial persecutions. Even as the law was somehow relaxed, first in 2004 and again in 2007, many statisticians or demographers insisted on retaining a de facto ban on such investigations.

The issue turned into a nasty civil war among demographers, and especially within INED (the French National Institute for Demographic Studies) between a "classic" wing led by older demographers like Henri Léridon and Gérard Calot and then by the younger Michèle Tribalat, and a liberal or radical wing led by Hervé Le Bras.



Michèle Tribalat
In a recent interview with the French weekly Le Point, Tribalat dryly observed that the "well-connected" Le Bras described her as "the National Front Darling," an assertion that "destroyed her professional reputation." The son of a prestigious Catholic historian, Le Bras is indeed a very powerful man in his own right, who managed throughout his own career to accumulate tenures, honors, and positions of influence both in France and abroad.

The irony about his accusation against Tribalat is that, while intent to discuss the issue of immigration, she is an extremely cautious and conservative expert when it comes to actual figures. She has always tended to play down, in particular, the size of the French Muslim community.

In 1997, I observed in an essay for Middle East Quarterly that figures about French Islam were simply chaotic: there was too much discrepancy between sources:

The Ministry of Interior and Ined routinely speak of a Muslim population in France of 3 million. Sheikh Abbas, head of the Great Mosque in Paris, in 1987 spoke of twice as many – 6 million. Journalists usually adopt an estimate somewhere in the middle: for example, Philippe Bernard of Le Monde uses the figure of 3 to 4 million. The Catholic Church, a reliable source of information on religious trends in France, also estimates 4 million. Arabies, a French-Arab journal published in Paris, provides the following breakdown: 3.1 million Muslims of North African origin, 400,000 from the Middle East, 300,000 from Africa, 50,000 Asians, 50,000 converts of ethnic French origin, and 300,000 illegal immigrants from unknown countries. This brings the total to 4.2 million. One can state with reasonable certainty that the Muslim population of France numbers over 3 million (about 5 percent of the total French population) and quite probably over 4 million (6.6 percent).
Nineteen years later, accuracy has hardly improved in this respect. All sources agree that France as a whole underwent a moderate demographic growth: from 57 to 67 million, a 15% increase. (Throughout the same period of time, the U.S. enjoyed a 22% population increase, and China, under a government-enforced one-child policy, a 27% increase.) All sources agree also that there was a much sharper increase in French Muslim demographics – and that, accordingly, the moderate national growth may in fact just reflect the Muslim growth.

For all that, however, there are still no coherent figures about the Muslim community. According to CSA, a pollster that specializes in religious surveys, 6% of the citizens and residents of France identified with Islam in 2012: about 4 million people out of 65 million. IFOP, a leading national pollster, settled for 7% in 2011: 4.5 million. Pew concluded in 2010 a figure of 7.5%: 4.8 million. The CIA World Factbook mentioned 7% to 9% in 2015: from 4.6 to almost 6 million out of 66 million. INED claimed as early as 2009 an 8% figure: 5.1 million. Later, INED and French government sources gave 9% in 2014: 5.8 million.

Over two decades, the French Muslim population is thus supposed to have increased by 25% according to the lowest estimations, by 50% according to median estimations, or even by 100% if one compares the INED and government figures of 1997 to those of 2014, from 3 million to almost 6 million.

This is respectively almost two times, three times, or six times the French average population growth.

An impressive leap forward, whatever the estimation. But even more impressive is, just as was the case in 1997, the discrepancy between the estimates. Clearly, one set of estimates, at least, must be entirely erroneous. And it stands to reason that the lowest estimates are the least reliable.

First, we have a long-term pattern according to which, even within the lowest estimates, the Muslim population increase is accelerating. One explanation is that the previous low estimates were inaccurate.

Second, low estimates tend to focus on the global French population on one hand and on the global French Muslim population on the other hand, and to bypass a generational factor. The younger the population cohorts, the higher the proportion of Muslims. This is reflected in colloquial French by the widespread metonymical substitution of the word "jeune" (youth) for "jeune issu de l'immigration" (immigrant youth), or "jeune issu de la diversité" (non-European or non-Caucasian youth).

According to the first ethnic-related surveys released in early 2010, fully a fifth of French citizens or residents under twenty-four were Muslims.

Proportions were even higher in some places: 50% of the youth were estimated to be Muslim in the département (county) of Seine-Saint-Denis in the northern suburbs of Paris, or in the Lille conurbation in Northern France. A more recent survey validates these numbers.

Once proven wrong, deniers do not make amends. They move straight from fantasy to surrender.

An investigation of the French youths' religious beliefs was conducted last spring by Ipsos. It surveyed nine thousand high school pupils in their teens on behalf of the French National Center for Scientific Research (CNRS) and Sciences Po Grenoble.

The data was released on February 4, 2016, by L'Obs, France's leading liberal newsmagazine. Here are its findings:

38.8% of French youths do not identify with a religion.
33.2% describe themselves as Christian.
25.5% call themselves Muslim.
1.6% identify as Jewish.
Only 40% of the young non-Muslim believers (and 22% of the Catholics) describe religion as "something important or very important."
But 83% of young Muslims agree with that statement.
Such figures should deal the death blow to demographic deniers. Except that once proven wrong, deniers do not make amends. Rather, they contend that since there is after all a demographic, ethnic, and religious revolution, it should be welcomed as a good and positive thing. Straight from fantasy to surrender.

Michel Gurfinkiel, a Shillman-Ginsburg Fellow at the Middle East Forum, is the founder and president of the Jean-Jacques Rousseau Institute, a conservative think tank in France.
LT
Abou Jahjah in De Standaard van vandaag: alle heteromannen zijn homofoob, iedereen is ziek ...
Edited: 201603041332
"Ben ik nu als heteroman door solidariteit vrij van homofobie geworden? Ik denk het niet, ik denk dat heel weinig heteromannen dat zijn. Net zoals seksisme en racisme is homofobie een chronische aandoening waaraan wij, individueel en collectief, allemaal aan leiden (sic, LT). Maar net zoals racisme en seksisme is het iets dat we onder controle moeten en kunnen houden."

Jahjah poneert dat niet de islam als leer maar alle heteromannen in mindere of meerdere mate homofoob zijn. En ... bovendien lijden wij allen aan chronische aandoeningen zoals seksisme en racisme. Iedereen ziek.
Da's natuurlijk een manier om de discussie over de leerstellingen uit de weg te gaan. Handig.

zie ook Jahjah's uitspraken over Europees fascisme
NOS-teletekst
SNS-bank - Privatisering van de winsten, collectivisering van de verliezen - Ook in Nederland
Edited: 201603040015


Ook deze geplande neoliberale operatie past in het Katanga-model.
RT news
Sergey Lavrov beroept zich op de geschiedenis en pleit voor Eurasian Economic Union
Edited: 201603031314
Western attempts to exclude Russia from shaping European and global affairs have led to countless historical tragedies over the centuries, according to Russia’s foreign minister, who added lasting stability can only be reached through cooperation.

In an article for the Russia in Global Affairs magazine, Foreign Minister Sergey Lavrov outlines the historical importance of Russian foreign policy over the course of the last 1,000 years, arguing that Russian policy has always been based on preserving the fragile balance of peace and stability in international relations. Any attempts to isolate Moscow as a major world power have led to historical defeats and countless deaths, he says.

“During at least the past two centuries any attempts to unite Europe without Russia and against it have inevitably led to grim tragedies, the consequences of which were always overcome with the decisive participation of our country,” Lavrov wrote.

Being the largest country on earth with a unique “cultural matrix,” Russia has always followed its own national interests, Lavrov argues. Yet at the same time it has served as a bridge between the East and the West, while Russians have always welcomed and respected numerous religions and cultures.

While welcoming Western ideas and applying them to modernize Russia, Moscow has never allowed itself to be consumed by Western culture. At the same time Moscow has always advocated working with the West to achieve common objectives.

Lavrov stressed the constructive role Moscow has played in European affairs, especially during the Napoleonic Wars, as well as in First and Second World Wars. The influence of the Soviet Union in shaping modern Western values should also not be underestimated, the minister argues, highlighting the USSR’s role in decolonization and shaping the European socio-economic system.

“The Soviet Union, for all its evils, never aimed to destroy entire nations,” Lavrov said. “Winston Churchill, who all his life was a principled opponent of the Soviet Union and played a major role in going from the World War II alliance to a new confrontation with the Soviet Union, said that graciousness, i.e. life in accordance with conscience, is the Russian way of doing things,” he added.

The post-Soviet world, Lavrov argues, offered the unique opportunity for European states to unite with Moscow and work towards a wider and more solid security mechanism in Europe – a mechanism that would enable long-lasting peace on the wider continent.

“Logically, we should have created a new foundation for European security by strengthening the military and political components of the Organization for Security and Cooperation in Europe (OSCE),” the minister wrote.

Instead of uniting, some European countries chose to ally themselves with NATO and Washington, and once again embarked on the centuries-old matrix of trying to isolate Russia and expand the military alliance’s borders further east, while pursuing a global agenda of regime change and ‘color’ revolutions.

“It is notable that George Kennan, the architect of the US policy of containment of the Soviet Union, said that the ratification of NATO expansion was ‘a tragic mistake,’” Lavrov said.

Rather than serving as architects of peace, NATO and its member states, Lavrov said, continued to engage in destructive policies that threaten international stability and have already led to the collapse of states, starting from the bombings of Yugoslavia, to the invasions of Iraq and Libya.

Arguing that the liberal system of globalization has failed, the minister stressed that the world is standing at crossroads, where a new system of international relations is taking shape. At such an important historical junction, Lavrov says it is wrong to accuse Russia of “revisionism” just because Moscow refuses to bow or close its eyes to NATO’s policies.

“A reliable solution to the problems of the modern world can only be achieved through serious and honest cooperation between the leading states and their associations in order to address common challenges,” Lavrov wrote.

The most pressing issue in the modern world is the threat of terrorism, which can only be defeated by a united front, he added.

The foreign minister stressed that Russia is not seeking any “confrontation” with the US or the EU. On the contrary, Moscow is and has always been open to “the widest possible cooperation with its Western partners.”

Russia continues to support the notion that the best way to ensure the interests of Europeans would be “to form a common economic and humanitarian space from the Atlantic to the Pacific, so that the newly formed Eurasian Economic Union could be an integrating link between Europe and Asia Pacific.”


biography Sergey Lavrov
HGR
ADVIES VAN DE HOGE GEZONDHEIDSRAAD nr. 9235 Nucleaire ongevallen, leefmilieu en gezondheid in het post-Fukushimatijdperk: Rampenplanning Nuclear accidents, environment and health in the post-Fukushima era: Emergency response Versie gevalideerd op het College van Februari - 2016a
Edited: 201603021501
1. Een ernstig kernongeval kan ook in België voorkomen en vereist snelle herziening van de noodplanning
2. Let op achterliggende oorzaken van een ongeval en vermijd belangenvermenging
3. Er is nood aan kwetsbaarheidanalyses van complexe technologieën met oog voor de menselijke interactie zeker bij noodplanning
4. Maatschappelijke structuren in getroffen gebieden kunnen voor lange perioden zijn verstoord
5. Er is nood aan een transdisciplinair en participatief leerproces bij noodplanning
6. Er is nood aan evenwichtige, tweezijdige communicatie over risico’s
7. Er is aandacht nodig voor de rol van sociale media in crisismanagement
8. Adequate noodmaatregelen zijn het sluitstuk van het nucleaire veiligheidsbeleid
9. Complexe maatregelen in een dichtbevolkt gebied dienen voorbereid ook voor langere duur en grotere afstanden
10. Er is meer aandacht nodig voor medische coördinatie en kwetsbare mensen in crisissituaties
11. Voorzie beschermingsmaatregelen voor externen bij interventie- en opruimingswerken
12. De veiligheidsbenadering dient vervolledigd met ongevalsscenario’s niet voorzien bij het ontwerp en revisie van de installaties
13. Er is aandacht nodig voor bevolkingsdichtheid en mobiliteit
14. Interactie van nucleaire en andere industriële risico’s kunnen een crisis verergeren
15. De structuur en werking van de crisiscentra dient periodiek geëvalueerd
16. Neem scenario’s in acht voor verspreiding van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
17. Voorzie een aanpak voor kernafval bij langdurige nucleaire crisis
18. Elk groot nucleair ongeval vereist een internationale aanpak van noodmaatregelen
19. Er is een geharmoniseerde EU aanpak nodig van noodplanning en verzekeringen
20. Een adequaat nucleair veiligheidsbeleid vereist een voorzorgstrategie met verruimde participatieve aanpak ook in de noodplanning.

Noot LT: Ik lees dit rapport als volgt: De kerncentrale van Doel had nooit zo dicht bij Antwerpen mogen gebouwd zijn, omgeven door een zeer kwetsbare petrochemische industrie want die brengt een kettingreactie op gang. Als er een nucleair ongeval gebeurt, kan je slechts wensen dat je niet in Antwerpen - enfin, ik bedoel Vlaanderen en Zeeland - bent.


lees het volledige rapport
RAVEEL Roger (Machelen-aan-de-Leie 1921 +Deinze, 2013)
Wat begrijpen we eigenlijk (1970)
Edited: 201602272319


Olieverf op doek, Collectie Mu.ZEE, Oostende
foto LT
PERMEKE Henri Louis (Poperinge, 1849 - Oostende, 1912)
Stilleven - De dood - olie op doek - 1875
Edited: 201602272306

PERMEKE Henri Louis (Poperinge, 1849 - Oostende, 1912)
ondanks wijsheid en roem is de dood steeds aanwezig
Permeke-Museum, Jabbeke
Collectie Provincie West-Vlaanderen, Verworven in 1993
Renée Prinz. Un de ses élèves.
Edited: 201602270001


Olie op karton, 60x80, gesigneerd onderaan rechts, niet gedateerd. Privé-collectie A.G., Namur
Renée Prinz (°Antwerpen, 1883 +Namur, 1973)
DS
aantal erkende asbestslachtoffers piekt van 181 in 2014 naar 292 in 2015
Edited: 201602191403
Op de website van het Asbestfonds moet u deze informatie niet gaan zoeken. Het laatste nieuwsbericht aldaar dateert van 28 maart 2012 (!).

Wij hebben het AFA op 20160219 volgend bericht gezonden:
Geachte,

De jaarcijfers 2015 van het Asbestfonds werden vandaag besproken in De Standaard.
Tot mijn verwondering is het laatste nieuwsbericht (persbericht) op uw website dat van 28 maart 2012 (!).
Heeft de wetgever u geen verplichting opgelegd tot jaarlijkse rapportering?

Graag enige verduidelijking.

Met hoogachting,
LT

Op 20160222 kregen wij volgend antwoord van de Communicatieverantwoordelijke van het Fonds voor de beroepsziekten (FBZ):
"Geacte heer Tessens,

We publiceren jaarlijks enkele cijfers over het Asbestfonds (AFA) in het jaarverslag van het Fonds voor de beroepsziekten (FBZ). Het AFA behoort immers tot het FBZ.
U vind deze jaarverslagen hier:
jaarverslagen
Daarnaast publiceren we op regelmatige basis ook een nieuwsbrief met meer informatie over het Asbestfonds.
De afgelopen twee jaren was er onder meer informatie te vinden over het AFA in de nieuwsbrieven 34, 35, 38 en 44. U kan deze hier vinden:
nieuwsbrieven

Zoals u ziet, staat al deze informatie op de website van het FBZ en niet op deze van het AFA. We begrijpen dat dit vreemd kan lijken.
Uw vraag is dus terecht. We gaan proberen dat hier op te lossen.
Ondertussen adviseer ik te kijken op de bovenvermelde pagina's.
Met vriendelijke groeten,
Alexander Van de Sande
Communicatieverantwoordelijke
Fonds voor de beroepsziekten
Sterrenkundelaan 1 - B-1210 Brussel
Tel : +32 (0)2 - 226 67 27
Gsm: +32 (0)485 - 58 73 96"

Er is dus beterschap in de maak.

Toch nog een inhoudelijke bemerking:
De wet bepaalt (...) dat een vergoeding door het Asbestfonds het slachtoffer de mogelijkheid ontneemt een vordering voor de rechtbank in te stellen tegen de aansprakelijke derde (bijvoorbeeld de werkgever), behalve wanneer deze de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt.
Commentaar LT: De verantwoordelijkheid van de werkgever (bvb. Eternit) wordt hierdoor dus afgewenteld op de gemeenschap en dat volgens het adagium 'privatisering van de baten, collectivisering van de lasten'. De vergoeding die het Asbestfonds uitkeert staat in feite gelijk met een ordinaire afkoopsom. Rest de vraag of deze regeling de toets aan art. 1382 BW doorstaat.


website Asbestfonds

wSIECI 17 februari 2016
rechts Pools weekblad gaat wel zeer ver in propaganda-voorstelling 'Rape of Europe'
Edited: 201602170944



De compositie is beslist niet nieuw en werd vaak gebruikt in oorlogstoestanden. Een treffende illustratie is die van Titiaan die Europa in een mythologische scene laat ontvoeren door een witte stier.


Lees de bespreking van Stephen Campbell

Een diepgravende analyse van het misbruiken van vrouwen tijdens (en onmiddellijk na) de Eerste Wereldoorlog vinden we bij Hirschfeld . Beide kampen voeren een haatpropaganda, gebaseerd op het beeld van de vrouw als oorlogsbuit. De Duitse karikaturisten stellen Frankrijk en Engeland voor als oorden waar de rassenvermenging schering en inslag is. Tijdens de bezetting van het Rijnland werd dit schrikbeeld opgehangen om de Duitse bevolking te mobiliseren. Frans Masereel illustreert de rol van de pers tijdens de oorlog met een treffende karikatuur.
RT News
Women in Saudi Arabia: no coffee at Starbucks
Edited: 201602051253
Women in Riyadh have been banned from local Starbucks after a barrier designed to keep the genders apart collapsed. The company suggested female customers send their drivers to pick up drinks.
The coffee shop now has a sign in Arabic and English: “Please no entry for ladies only. Send your driver to order. Thank you.”
A woman tweeted the warning, saying “Starbucks store in Riyadh refused to serve me just because I’m a woman and asked me to send a man instead.”
Female segregation is enshrined in Saudi Arabian law. Women are required the approval of a male to leave the house. Last December, women in Saudi Arabia were given the right to vote in local elections, but they are still forbidden to drive.
persbericht Telenet
Commissie keurt overname Base door Telenet goed
Edited: 201602042240
Donderdag 4 februari 2016 — De Europese Commissie heeft vandaag bekendgemaakt dat zij haar goedkeuring geeft aan de geplande overname van BASE Company door Telenet. In april 2015 kondigde Telenet aan dat het een definitieve overeenkomst had gesloten om BASE Company over te nemen van Koninklijke KPN N.V., om zijn toekomst als toonaangevende aanbieder van geïntegreerde telecomdiensten veilig te stellen. Nu de Europese Commissie haar goedkeuring heeft gegeven zal de overname van BASE Company in de komende dagen juridisch afgerond kunnen worden.

In april 2015 maakte Telenet bekend dat het een definitief akkoord had gesloten om BASE Company voor €1.325 miljoen over te nemen van Koninklijke KPN N.V. De transactie werd op 17 augustus 2015 door Liberty Global (als meerderheidsaandeelhouder van Telenet) aangemeld bij de Europese Commissie. Vandaag maakte de Europese Commissie bekend dat zij na grondig onderzoek haar goedkeuring geeft voor de geplande overname van BASE Company door Telenet. Telenet plant de overname in de komende dagen juridisch af te ronden.

Door deze overname zal Telenet eigenaar worden van een mobiel netwerk. Hierdoor zal Telenet effectief verdere groeiopportuniteiten kunnen benutten in de mobiele telecommarkt. Telenet hoopt op deze manier te kunnen voldoen aan de stijgende vraag van zowel particuliere als zakelijke klanten naar het volledige scala van vaste en mobiele telecomdiensten.

Op 19 november 2015 bevestigde Telenet dat het voorwaardelijke overeenkomsten had afgesloten met MEDIALAAN voor, onder andere, de verkoop door BASE Company van alle JIM Mobile klanten en van haar 50% belang in VikingCo NV, de entiteit die het ‘Mobile Vikings’ merk uitbaat in België, aan MEDIALAAN. Deze overeenkomsten werden aangegaan in het kader van het onderzoek van de Europese Commissie naar de voorgestelde overname van BASE Company.

Door het groen licht van de Europese Commissie en de recente goedkeuring van de transactie met MEDIALAAN door de Belgische Mededingingsautoriteit, zal de verkoop door BASE Company van haar 50% belang in VikingCo NV aan MEDIALAAN kunnen voltooid worden nadat de overname van BASE Company door Telenet afgerond is.

Op termijn zal BASE ook de JIM Mobile klanten overdragen aan MEDIALAAN en zal MEDIALAAN een ‘full MVNO’ speler worden op het BASE netwerk, voor zowel de JIM Mobile als de Mobile Vikings klanten. De transactie creëert voor MEDIALAAN het platform om een nieuwe, performante MVNO-speler te worden.


John Porter, CEO Telenet: “Wij hebben constructief samengewerkt met de Europese Commissie tijdens het onderzoek en hadden het volste vertrouwen in de goedkeuring van de transactie. We zijn erg blij met deze belangrijke strategische en complementaire overname. Dit is een historische stap in de geschiedenis van Telenet en van BASE Company. Nu we verzekerd zijn van het kunnen aanbieden van mobiele diensten op lange termijn, zullen we in staat zijn om een betere ervaring te bieden voor zowel onze klanten als de klanten van BASE Company. We kijken er naar uit om hieraan samen te werken met de collega’s van BASE Company.”
WOLF Martin
On income inequality: One cause of disquiet is the sense that those at the top are corrupt, complacent and incompetent (FT)
Edited: 201602020918
Who is Martin Wolf?
Martin Wolf is chief economics commentator at the Financial Times, London. He was awarded the CBE (Commander of the British Empire) in 2000 “for services to financial journalism”. Mr Wolf is an honorary fellow of Nuffield College, Oxford, honorary fellow of Corpus Christi College, Oxford University, an honorary fellow of the Oxford Institute for Economic Policy (Oxonia) and an honorary professor at the University of Nottingham.

He has been a forum fellow at the annual meeting of the World Economic Forum in Davos since 1999 and a member of its International Media Council since 2006. He was made a Doctor of Letters, honoris causa, by Nottingham University in July 2006. He was made a Doctor of Science (Economics) of London University, honoris causa, by the London School of Economics in December 2006. He was a member of the UK government's Independent Commission on Banking in 2010-2011. Martin's most recent publications are Why Globalization Works and Fixing Global Finance.
Voetbalprimeur
'Eurostadion kost belastingbetaler 432 miljoen euro, zware kost Anderlecht is weg'
Edited: 201601291514
vrijdag 29 januari 2016 om 06:19
De eerste steen van het Eurostadion is nog niet gelegd of er is opnieuw ophef omtrent het bouwcomplex. De belastingbetaler krijgt een groot deel van de rekening voorgeschoteld. Terwijl Anderlecht profiteert van een fiscaal voordeel. Dat onderzocht Het Laatste Nieuws.

Het nieuwe Eurostadion en alles wat daarmee te maken heeft kost geld, heel veel geld. De stad Brussel, het Brussels Gewest en de Vlaamse Regering pompen samen 432 miljoen euro in het project. Het gaat onder meer om kosten voor exploitatie, aanleg van de parking en de verbreding van de Ring. Dus niet zozeer voor de bouw van het stadion. Het geld wordt voor het grootste gedeelte gehaald bij de belastingbetaler.

Daarnaast zal de stad Brussel de veiligheidskosten financieren. Vanaf 2019 trekt het daarvoor jaarlijks 1,1 miljoen euro uit. Deze beslissing kwam er na een brief van Brussels begrotingsminister Guy Vanhengel (Open Vld) en minister-president Rudi Vervoort (PS) aan de stad Brussel. Daarin stond de eis: "Deze kosten zullen dan geenszins via retributies of lokale belastingen op de organisatoren van sportgebeurtenissen worden verhaald." In mensentaal Anderlecht moet niet opdraaien voor de veiligheidskosten. Dit is een fiscaal voordeel voor de club. Anderlecht zal wel jaarlijks een huurbedrag moeten betalen om in het stadion te spelen.

"Het is niet meer dan logisch dat we die voorwaarde opleggen", stelt minister Vanhengel. "Het gewest wil niet dat de stad ons geld recupereert bij de organisatoren van events, waaronder Anderlecht."

Commentaar: een constante: collectivisering van de lasten, privatisering van de winsten. Ondertussen kampt Brussel wel met het zware probleem van het onderhoud van zijn tunnels. Maar ja, dat is het algemeen belang en daar is niemand mee bezig.
LT
voor de meeste Belgen zag kolonialisme er zo uit - for many Belgians this is how colonialism looked like - le colonialisme selon les Belges
Edited: 201601261320

Private collection MERS
SEJNOWSKI Terry, BARTOL Tom
Memory capacity of brain is 10 times more than previously thought - Data from the Salk Institute shows brain’s memory capacity is in the petabyte range, as much as entire Web
Edited: 201601200915
LA JOLLA—Salk researchers and collaborators have achieved critical insight into the size of neural connections, putting the memory capacity of the brain far higher than common estimates. The new work also answers a longstanding question as to how the brain is so energy efficient and could help engineers build computers that are incredibly powerful but also conserve energy.

“This is a real bombshell in the field of neuroscience,” says Terry Sejnowski, Salk professor and co-senior author of the paper, which was published in eLife. “We discovered the key to unlocking the design principle for how hippocampal neurons function with low energy but high computation power. Our new measurements of the brain’s memory capacity increase conservative estimates by a factor of 10 to at least a petabyte, in the same ballpark as the World Wide Web.”

Our memories and thoughts are the result of patterns of electrical and chemical activity in the brain. A key part of the activity happens when branches of neurons, much like electrical wire, interact at certain junctions, known as synapses. An output ‘wire’ (an axon) from one neuron connects to an input ‘wire’ (a dendrite) of a second neuron. Signals travel across the synapse as chemicals called neurotransmitters to tell the receiving neuron whether to convey an electrical signal to other neurons. Each neuron can have thousands of these synapses with thousands of other neurons.
“When we first reconstructed every dendrite, axon, glial process, and synapse from a volume of hippocampus the size of a single red blood cell, we were somewhat bewildered by the complexity and diversity amongst the synapses,” says Kristen Harris, co-senior author of the work and professor of neuroscience at the University of Texas, Austin. “While I had hoped to learn fundamental principles about how the brain is organized from these detailed reconstructions, I have been truly amazed at the precision obtained in the analyses of this report.”

Synapses are still a mystery, though their dysfunction can cause a range of neurological diseases. Larger synapses—with more surface area and vesicles of neurotransmitters—are stronger, making them more likely to activate their surrounding neurons than medium or small synapses.

The Salk team, while building a 3D reconstruction of rat hippocampus tissue (the memory center of the brain), noticed something unusual. In some cases, a single axon from one neuron formed two synapses reaching out to a single dendrite of a second neuron, signifying that the first neuron seemed to be sending a duplicate message to the receiving neuron.

At first, the researchers didn’t think much of this duplicity, which occurs about 10 percent of the time in the hippocampus. But Tom Bartol, a Salk staff scientist, had an idea: if they could measure the difference between two very similar synapses such as these, they might glean insight into synaptic sizes, which so far had only been classified in the field as small, medium and large.
To do this, researchers used advanced microscopy and computational algorithms they had developed to image rat brains and reconstruct the connectivity, shapes, volumes and surface area of the brain tissue down to a nanomolecular level.

The scientists expected the synapses would be roughly similar in size, but were surprised to discover the synapses were nearly identical.

“We were amazed to find that the difference in the sizes of the pairs of synapses were very small, on average, only about eight percent different in size. No one thought it would be such a small difference. This was a curveball from nature,” says Bartol.

Because the memory capacity of neurons is dependent upon synapse size, this eight percent difference turned out to be a key number the team could then plug into their algorithmic models of the brain to measure how much information could potentially be stored in synaptic connections.

It was known before that the range in sizes between the smallest and largest synapses was a factor of 60 and that most are small.

But armed with the knowledge that synapses of all sizes could vary in increments as little as eight percent between sizes within a factor of 60, the team determined there could be about 26 categories of sizes of synapses, rather than just a few.

“Our data suggests there are 10 times more discrete sizes of synapses than previously thought,” says Bartol. In computer terms, 26 sizes of synapses correspond to about 4.7 “bits” of information. Previously, it was thought that the brain was capable of just one to two bits for short and long memory storage in the hippocampus.

“This is roughly an order of magnitude of precision more than anyone has ever imagined,” says Sejnowski.

What makes this precision puzzling is that hippocampal synapses are notoriously unreliable. When a signal travels from one neuron to another, it typically activates that second neuron only 10 to 20 percent of the time.

“We had often wondered how the remarkable precision of the brain can come out of such unreliable synapses,” says Bartol. One answer, it seems, is in the constant adjustment of synapses, averaging out their success and failure rates over time. The team used their new data and a statistical model to find out how many signals it would take a pair of synapses to get to that eight percent difference.

The researchers calculated that for the smallest synapses, about 1,500 events cause a change in their size/ability (20 minutes) and for the largest synapses, only a couple hundred signaling events (1 to 2 minutes) cause a change.

“This means that every 2 or 20 minutes, your synapses are going up or down to the next size. The synapses are adjusting themselves according to the signals they receive,” says Bartol.

link to Salk Institute




half a brain ...
LT
55 jaar geleden werd de eerste Congolese premier, Patrice Lumumba, vermoord
Edited: 201601172323
Tot op vandaag worden de WARE REDENEN voor die moord, waarin het Belgische establishment een hoofdrol speelde, onder de mat geveegd. Ons koloniaal verleden wensen we niet te kennen of te begrijpen.



collectie: privébezit MERS
EDELMAN Asher
China? Oil Prices? Saudi Arabia? Iran? Why Volatility? The Grand Surprise. Trump hero of the uneducated masses.
Edited: 201601120910
We were saving these ideas for the last chapter of the book. Sadly, things are going so fast; the convergence of factors, other than the obvious, pushing us towards the vortex of a storm touching on the ideas behind our next to last chapter, the last chapter being a description of the ills brought on by the coming worldwide economic cataclysm


America

On September 28th, 2015, we wrote of the driving factor behind increased market volatility, “excessive debt, prime and subprime with no liquidity, a reminder of 2007-2008.” It is clear that new, small, and medium sized businesses can not finance or refinance in such an environment. A recovery propelled by business growth is impossible in the current debt environment. In 2006 63.4% of the U.S. population over 16 years of age was employed. Entering 2016, 59.5% of the population is employed. In constant dollars from 2006 to the present average hourly wages have remained at approximately $20.50 while real (inflation adjusted) mean household income of the middle quadrille has hovered at about $54,000 per annum. Poverty statistics as a ratio of the population from 2006 to 2016 have increased from about 16.8% to more than 19.5%. It is difficult to envision a consumer led exit from the U.S. economic malaise given these statistics. Finance is in the throws of a second “Big Short” for those of you who have seen the movie. Derivatives outstanding within American financial institutions have a face value of more than the world’s total financial assets. Don’t assume that these positions are being managed or regulated by folks smarter and more careful then those in control in 2007. They are not! The cracks are beginning to show and spread whilst the underlying banking assets, severely impaired previously, have yet to be marked to market. Financial institutions are not likely to lead the charge towards a growing economy. In fact, it is more likely we will see a repeat of “The Big Short” in the near future. Government – Helpless – After years of monetary manipulation which accomplished little or nothing the Fed continues to bumble along! There has been little fiscal stimulation and none on the horizon. Helpless!

It is unlikely America will lead the world out of the present morass. With Donald Trump heralded as a hero by the uneducated masses we have only ourselves to thank for the inept economic management of our country. Intelligent leadership seems a dream of the past.

CHINA

What can China do? Nothing. China is in free-fall. Communist dictatorships are not and were never known for forward thinking in economically trying times. China arrests its businessmen, politicians et all (perhaps warranted), closes and manipulates markets, destroys it’s currency, overextends its credit markets in the hope of masking it’s economic catastrophe. It will not lead the world out of recession

EMERGING NATIONS

Emerging nations? Totally dependent on selling natural recourses to China et al. No help there.

EUROPE

Europe? Perhaps the greatest catastrophe on the cusp of discovery. We know that Sovereign debt and bank finance are interdependent. We have seen evidence of that everywhere and evidence of the results when the interdependence breaks down such as in Cyprus and Greece. Neither Cyprus nor Greece is healed with Greece heading for another meaningful debacle. What goes unsaid, for now, is the tightrope the rest of Europe walks. The Southern nations – Italy, Spain and Portugal are on the line of no return with Portugal probably having crossed it. Northern Europe is not far behind with France closest on the heels of the four other significant impending failures. The seriousness of further European defaults to the world economy cannot be overemphasized. With one currency as one nation goes down the rest follow. Diverse currencies allow escapes not available to a large currency block such as the Euro. Compounding the problems of Europe are the long standing banking mores which obfuscate the depth of European banks’ illiquidity and careless lending policies, sometimes bordering on corruption. As regulations and, more so transparency, are enforced on the European banking community it will become apparent that all is not right in the States of Euroland. Prior to the “European Crisis” in, some say 2010 or 2011, practices in play in most banking institutions included reciprocity in lending (you wash my hand I wash yours, we protect each other’s back) - not possible after 2011, careless analysis and regulation as to quality of lending, lassitude as to tracking use of funds (lots of Euros wandered off to the pockets of favored parties), little or no tracking and follow up as to “friend’s loans”, no marks to market or, at least, delayed and inadequate marks against delinquent loans, the creation of vehicles to house gone bad loans which would reduce or eliminate the requirements for mark downs of the bank’s equity, outright conflict of interest and fraudulent transactions. The list is long and goes on but, suffice it to say, the European banking system is awash with mortal problems which are just beginning to surface and are unlikely to be concealed as effectively as in the U.S. – There are too many conflicting political interests within Euroland to preserve the silence of the pack ( the countries and banks themselves.) In the next to last chapter of the book which, I’m afraid, will come out subsequent to the impending crisis we will delineate in detail the methodology by which the many European banks function. It is a lively topic.

In conclusion, 2007-2008 is likely to be repeated in the foreseeable future. This time there are no engines of restoration on the horizon. The catalyst will not be the usual blah blah we read in the financial press. It will be the collapse of the financial structure of Europe, both Sovereign and private. World liquidity, which is strained today, will find its home at “zero”. The recovery will be long and painful.



Asher Edelman

January 12th, 2016
Alstom
Historique d'Alstom 1879-2015: de la SACM à Alstom
Edited: 201512312361
1879 : La Société Alsacienne de Constructions Mécaniques (SACM) ouvre une usine de construction de locomotives à Belfort.

1928 : La CFTH (Compagnie Française Thomson-Houston), filiale française de General Electric, et la SACM fusionnent une partie de leurs activités de génie électrique et de transport ferroviaire et créent une filiale commune, Als•Thom.

1932 : Alsthom fusionne avec Constructions Électriques de France (CEF), entreprise de construction d’équipements ferroviaires et de locomotives.

1969 : La Compagnie Générale d’Electricité (CGE) devient l’actionnaire majoritaire d’Alsthom. Après l’intégration de la CGEE, la plus grande entreprise électrique d’Europe, Alsthom emploie plus de 50 000 personnes et pèse pour un tiers dans les revenus de la CGE.

1976 : Alsthom fusionne avec les Chantiers de l’Atlantique et prend le nom d’Alsthom Atlantique.

1978 : L’usine de Belfort livre la première rame de présérie du TGV à la SNCF.

1979 : Alsthom se réorganise : la construction navale devient la troisième division, aux côtés de celles consacrées à la production d’électricité et au transport ferroviaire.

1981 : Le TGV entre Paris et Lyon est inauguré sur la ligne à grande vitesse construite à cet effet.

1982 : Nationalisation de la CGE, qui sera à nouveau privatisée en 1987.

1985 : Alsthom Atlantique change de nom et redevient Alsthom.

1988 : La CGE et le conglomérat britannique GEC annoncent la fusion d’Alsthom avec GEC Power Systems. Le nouveau groupe, détenu à égalité par les deux partenaires, est baptisé GEC Alsthom (79 000 collaborateurs).

1990 : Le TGV Atlantique atteint 515,3 km/h et bat le record du monde de vitesse sur rail.

1991 : La CGE devient Alcatel-Alsthom.

1998 : Alsthom devient Alstom et est introduite en bourse par Alcatel et GEC introduisent Alstom en bourse.

1999 : Alstom et ABB fusionnent leurs divisions Power dans une société commune, ABB Alstom Power, qui deviendra Alstom Power en 2000.

2003 : Le Groupe est en difficultés mais il est soutenu le gouvernement français qui entre au capital. Dans le cadre d’un plan de redressement de ses activités approuvé par les autorités de la concurrence de l’UE, Alstom est contraint de se défaire de 40 % de ses actifs.

Les Chantiers de l’Atlantique livrent à Cunard Carnival le Queen Mary 2, plus grand paquebot transatlantique jamais construit.

2004 : Alstom cède son activité Transmission et Distribution à Areva.

2006 : Alstom vend 75 % des parts de sa filiale Alstom Marine à Aker Yards (Norvège). Bouygues, groupe français de génie civil, rachète à l’État ses 21 % de parts dans le capital d’Alstom et portera ensuite sa participation à 31 %.

2007 : Alstom établit un nouveau record mondial de vitesse sur rail à 574,8 km/h.

2010 : Alstom et Schneider Electric acquièrent Areva T&D, la division Transmission et Distribution vendue par Alstom à Areva en 2004. Alstom rachète ensuite l’activité Transmission et crée un troisième secteur, Alstom Grid.

2011 : Alstom réorganise ses activités opérationnelles en quatre secteurs : Thermal Power, Renewable Power, Grid et Transport.

2014 : Le 19 décembre, l'assemblée générale extraordinaire des actionnaires d'Alstom a approuvé le projet de cession des activités Energie d'Alstom à General Electric.

2015 : La transaction est finalisée et Alstom se recentre sur son secteur transport.
DE LILLE Bruno, HELLINGS Benoit, commentaar: Lucas TESSENS
Geen collectieve Belgische schuld in Congo
Edited: 201512231617
In een aandoenlijke column (DS, 20151217) pleiten beide groene jongens voor een Belgische verontschuldiging voor het koloniaal verleden. Zij schrijven: 'Het leven van de Congolezen was in Belgische ogen zo weinig waard dat het niet uitmaakte hoeveel van hen je precies doodde.' Ik vraag me dan af: in wiens Belgische ogen?
En verder: 'Ook al is het jaren geleden, de wonden zullen maar helen als we onze verantwoordelijkheid openlijk toegeven, onze fouten officieel veroordelen.' Ik vraag me dan af: onze verantwoordelijkheid? onze fouten?
Wat een kletskoek is dit toch! Moeten we op die manier een debat openen?
De Belgen zouden zich dus als volk moeten verontschuldigen voor wat een koning en een klein aantal bedrijven in de 'Etat Indépendant du Congo' - het latere Belgisch Congo - hebben aangericht. Ik pas daarvoor.
Jean Ferrat begreep het heel goed toen hij zich uitsprak over de geschiedenis van Frankrijk: "Celle qui paie toujours vos crimes vos erreurs." Het volk dat altijd opdraait voor de misdaden en de fouten van de groten.

Een echt debat zou kunnen starten met het aanduiden van de echte verantwoordelijken en het benoemen van hun drijfveren. Daarna zou de Belgische overheid het rapport kunnen overhandigen aan het Congolese volk.
Maar natuurlijk ligt dat te gevoelig. Men moet dan het systeem van uitbuiting en moorddadig winstbejag aanklagen. En dat bestaat nog steeds, hier en ginder.
Wat De Lille en Hellings - wellicht zonder het zelf te beseffen - voorstellen is niets minder dan het goedpraten van het moto 'privatisering van de winsten, collectivisering van de lasten', in dit geval 'privatisering van de winsten, collectivisering van de morele schulden'. Dat is oneerlijk en de Congolezen hebben er geen boodschap aan.
Aanvulling 201602181819:
Misschien moeten deze jongens eens het boek van Emile Vandervelde uit 1911 lezen. Daarna kunnen ze zich afvragen waarom onze hooggeleerde historici tussen 1918 en 1985 (Delathuy, Vangroenweghe en later Hochschild) hun mond niet meer open deden over de wantoestanden in Congo of er in een cirkel omheen liepen.

Jim Yardley in The New York Times Magazine
About the European Union: To many experts across Europe, this messy, opaque style of governance undermines the credibility of a European experiment intended to be a model of democracy.
Edited: 201512152358
The Economist
Banking in Congo - Cash in a canoe
Edited: 201512120901
IMAGINE if, to collect your salary each month, you had to walk to the nearest town, perhaps tens of miles away, to congregate in a school or a football pitch or a church. There, you and your colleagues wait for a man to arrive from the capital, perhaps a thousand miles away, with a suitcase of cash. Most of the time, you do not receive as much money as you should. Sometimes the man does not arrive at all.

Until recently, that is how most government employees in the Democratic Republic of Congo were paid. But over the past three years the government has been urging civil servants to open bank accounts, to which their pay can be transferred directly. In the process, it is accelerating the spread of banking in an economy that, according to Michel Losembe, the bow-tied president of the Congolese Banking Association, is “not very far off barter”.

Few countries are as corrupt as Congo. A persistent national joke concerns a mythical “Article 15” of the constitution, which reads “Débrouillez-vous”—“You’re on your own”. Mobutu Sese Seko, a former strongman, used state funds to charter a Concorde to take him on shopping trips to Paris. By the time of his overthrow in 1997, graft was endemic. Government employees were not paid but rather expected to use their positions to make a living.

Civil war engulfed Congo in the 1990s and 2000s. As it wound down, government was rebuilt and money again began to flow out of Kinshasa, the capital, to roughly 1m functionaries in the rest of the country. But corruption did not disappear. Among the most prized government jobs was that of accountant: the people responsible for transporting bags of cash to the provinces to hand out to employees.

In 2012, however, the Congolese government started helping civil servants to open bank accounts. Around three-quarters of them—some 670,000 people—now have one. In the process, the government has weeded out tens of thousands of ghost employees, since the embezzlers who invented them could not open accounts in their names without a matching ID.

Yet in a vast country with fewer roads than Luxembourg, hardly anyone lives anywhere near a bank branch. So Congolese banks must now do the work the government accountants used to: shipping money to the back of beyond. Cash has to be transported to branches in regional capitals, and thence to account-holders on the backs of motorbikes, in canoes or by foot, explains Oliver Meisenberg, the German boss of Trust Merchant Bank, one of Congo’s biggest.

Bank staff with suitcases of cash make easy targets, just as they did in the west of America in the 19th century. Though they usually travel with army escorts, there have been at least ten armed robberies of bank employees since January, says Mr Losembe. One particularly brutal raid in September in South Kivu, in the wild east of the country, killed 13 people.

Congolese bankers hope that the new system will spur the growth of a proper banking sector. At the moment banks are little more than money-transfer companies, and not very sophisticated ones at that. The transfers tend to go only one way—out of Kinshasa—so cannot be netted against each other; instead cash almost always has to be moved physically. Depositors mistrust both banks and the Congolese franc. To attract dollar deposits, banks must pay at least 6% annual interest; rates for borrowers are generally as high as 25%. There is hardly any corporate lending beyond short-term overdraft facilities.

A decade ago there were just 50,000 bank accounts in the whole country, which has a population somewhere between 60m and 80m. Now there are 3m. As more employees get accounts, selling them loans and insurance, and moving them from cash to mobile transactions, becomes more realistic. In the meantime, actually receiving their salaries at all marks a big step forward for civil servants.
RTS - Radio Télévision Suisse
Interview 2012 avec Jean Ziegler, un homme vrai et sincère - A REVOIR !
Edited: 201512120054


Ziegler témoigne entre autre sur:
La faim dans le monde;
2,2 million d'enfants en Espagne ont faim;
L'argent de sang dans les banques suisses;
Le rôle du Crédit Suisse;
L'argent et les crimes de Mobutu au Congo;
L'argent criminelle placé en Suisse;
Son passage au Katanga (1962);
L'Egypte et l'argent de Mubarak (682 millions de FS);
L'argent du Yemen en Suisse;
Les crimes d'Assad ("l'incarnation du mal") en Syrie;
Le rôle du Conseil Fédéral en Suisse;
etcetera.

A propos du procès HSBC-Suisse (SwissLeaks): Hervé Falciani fut condamné par défaut à 5 ans de prison le 20151127.

"En Suisse on est passé de la négation à la répression (les procès) et puis à l'arrogance sans masque vis-à-vis la fraude fiscale et l'argent criminelle."
"La jungle avance en Europe."

Pour information, voici comment le système politique suisse fonctionne. On peut dire qu'il prend la forme de Directoire.
Le Conseil fédéral est l'organe exécutif de la Confédération suisse. Il est formé de sept membres, élus ou réélus — le même jour mais l'un après l'autre — pour un mandat de quatre ans renouvelable par l'Assemblée fédérale. Traditionnellement, un conseiller fédéral est réélu jusqu'à sa démission et les cas de non-réélection sont extrêmement rares (quatre entre 1848 et 2007).

Chacun des membres du Conseil est responsable de l'un des sept départements de l'administration fédérale mais le conseil lui-même fonctionne selon le principe de la collégialité. Le président de la Confédération est élu en son sein par l'Assemblée fédérale pour un an. Celui-ci est un primus inter pares avec un simple rôle de représentation. Son élection se fait traditionnellement par rotation (tournus) sur base de l'ancienneté entre les membres. (src: wiki, 20151212)
Le Monde
Bernard Tapie moet 404 miljoen euro terugbetalen in de zaak Adidas maar maakte nog vlug al zijn activa over aan een gerechtelijk beheerder
Edited: 201512080900
Le Monde révèle mardi matin qu'il avait pris soin, avant la décision de la Cour d'appel de Paris, de confier l'ensemble de ses actifs à un administrateur judiciaire dans le cadre d'une procédure de sauvegarde. (MetroNews)
La procédure de sauvegarde est une procédure collective qui protège les entreprises en difficulté en suspendant le paiement de dettes à l'ouverture de la procédure. Elle a été introduite en droit français par la loi 2005-845 du 26 juillet 2005. (wiki)
Business Insider
Rusland vs. Turkije: vijf jaar gevangenis voor wie Armeense genocide ontkent.
Edited: 201512062319
'And in a largely symbolic gesture on Wednesday (20151202), the Russian parliament proposed a five-year jail term for anyone who denies that the mass killings of Armenians that began under Ottoman rule in 1915 constituted a "genocide," according to an article translated by Foreign Policy columnist and Russia commentator Julia Ioffe.

Use of the word remains a charged issue in Turkey, which staunchly objects to such a characterization. Eastern Armenia remained part of the Russian Empire until its collapse in 1917.'
International New York Times
Thaise drukker censureert INYT
Edited: 201512021623
De Thaise drukker vond het raadzaam een artikel over de collectieve depressie en de rampzalige economische in Thailand weg te laten.
Sinds de staatsgreep van 22 mei 2014 leeft het koninkrijk Thailand onder een militaire dictatuur, o.l.v. generaal Prayut Chan-o-cha (°1954).

lees meer over de schending van mensenrechten en censuur op de site van HRW


Het reisadvies van het Belgische ministerie van buitenlandse zaken luidt als volgt: "Sinds de staatsgreep van 22 mei 2014 wordt Thailand de facto bestuurd door het leger. Op grond van artikel 44 van de interim grondwet beschikt de eerste minister over ruime bevoegdheden om de openbare orde te handhaven en de vrijheid van meningsuiting en vereniging te beperken. Kritiek geven op de staatsgreep, het koningshuis of de regering is strafbaar. Blijf weg van samenscholingen en leef steeds de instructies van de lokale autoriteiten na. Het risico op geweld blijft bestaan."
Marc De Vos, [Frank Vandenbroucke], [Anthony Atkinson]
Ongelijk maar fair - Itinera gaat de mist in
Edited: 201511231824
In dit boek zet professor Marc De Vos (directeur van denktank Itinera) vraagtekens bij de stellingen van Piketty. In een interview wordt al gauw duidelijk waar het werkelijk om gaat: de professor wil zichzelf profileren als diegene die 'anders' nadenkt, diegene die wil verhinderen dat de bevindingen van Piketty uitdraaien op een nieuwe ideologie, diegene die Piketty verwijt én economisch historicus, én politiek raadgever te willen zijn. 'Piketty heeft een verborgen agenda en de discussie is een hype', luidt het.
De Vos stelt de beschikbare statistiek in vraag en zou liever naar de evoluties binnen de gelaagdheid gaan kijken, trajecten van mensen binnen de arbeidsmarkt gaan onderzoeken. Enzovoort. In het Frans noemt men die tactiek 'brouiller les pistes'. Er zijn ook passages over genetisch determinisme, versterkt door contextuele variabelen.
Frank Vandenbroucke noemde in een gesprek voor Kanaal Z (20151119) het boek eenzijdig en herhaalt tweemaal 'het mankeert absoluut nuance'. FVDB poneert dat we - willen we armoede en ongelijkheid verminderen - aandacht moeten hebben voor onze kinderen. De Vos kon nauwelijks weerwerk bieden in de discussie, verloor de pedalen in zijn wirwar van nepargumenten en was zichtbaar blij dat de uitzending afliep. Itinera maakte een slechte beurt.
bekijk het gesprek hier
Commentaar LT:
Economen - het zijn ook maar mensen - hebben de neiging mekaar tegen te spreken, al was het maar om te kunnen surfen op de deining die hun succesvolle collega (Piketty) heeft veroorzaakt. We vrezen dat het boek van De Vos met die bedoeling in elkaar is geknutseld.
Het is wellicht waar dat ongelijkheid van alle tijden is. Het is ook waar dat succes mag worden beloond. Het wordt echter een andere zaak als de rijken, de vermogenden, de grootverdieners via allerlei truuks hun bijdragen aan het inkomen van de staat trachten te minimaliseren. We hebben het hier over de belastingconstructies die o.a. LuxLeaks uitbracht. De staat kan dan niet de nodige middelen verzamelen om bijvoorbeeld kinderen via onderwijs uit de kansarmoede te halen. De superrijken kunnen daarentegen via privé en voortgezet onderwijs hun kinderen bijkomende kansen bieden.
Die redenering missen we bij De Vos. Hij mist totaal de trein door niet te willen inzien dat belastingen een directe impact hebben op de uitkering van dividenden. Belastingen noemt hij iets dat komt NA de bruto-inkomensvorming, terwijl de logica zegt dat belastingen inherent geworden zijn aan de strategie van bedrijven, trusts en concerns. De externe fiscale consultants zijn belangrijker geworden dan de financiële directie van een concern. De herverdelende correctiemechanismen die de staat via belastingen wil laten plaatsvinden worden door de 'global players' ontvlucht en dus gesaboteerd. De staat kan op die manier nog slechts de miserie proberen te managen. De vermogensaccumulatie is in die context pure diefstal en een daad van incivisme.

Het werk van Marc De Vos werd verkozen tot LIBERALES BOEK van 2015; dat zegt in dit geval meer over de kwaliteit van de jury dan over die van het boek.


Omdat er belangrijker boeken zijn dan dat van De Vos geven we hier een lijstje met de boeken van Anthony Atkinson:
Atkinson, Anthony B.; Harrison, Allan J. (1978). Distribution of personal wealth in Britain. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521217354.
Atkinson, Anthony B.; Stiglitz, Joseph E. (1980). Lectures on public economics. London New York: McGraw-Hill Book Co. ISBN 9780070841055.
Atkinson, Anthony B. (1983). The economics of inequality. Oxford Oxfordshire New York: Clarendon Press Oxford University Press. ISBN 9780198772088.
Atkinson, Anthony B. (1995). Incomes and the welfare state: essays on Britain and Europe. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521557962.
Atkinson, Anthony B. (1996). Public economics in action: the basic income/flat tax proposal. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780198292166.
Atkinson, Anthony B. (1999). The economic consequences of rolling back the welfare state. Cambridge, Massachusetts: MIT Press. ISBN 9780262011716.
Atkinson, Anthony B.; Bourguignon, François (2000). Handbook of income distribution. Amsterdam New York: Elvesier. ISBN 9780444816313.
Atkinson, Anthony B; Stern, Nicholas H.; Glennerster, Howard (2000). Putting economics to work: volume in honour of Michio Morishima 22. London: London School of Economics and Political Science, and the STICERD – Suntory-Toyota International Centre for Economics and Related Disciplines. ISBN 9780753013991.
Atkinson, Anthony B. (2004). New sources of development finance. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199278558.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2007). Top incomes over the Twentieth Century: a contrast between Continental European and English-speaking countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286881.
Atkinson, Anthony B. (2008). The changing distribution of earnings in OECD countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199532438.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2010). Top incomes: a global perspective. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286898.
Atkinson, Anthony B. (2014). Public economics in an age of austerity. New York: Routledge. ISBN 9781138018150.
Atkinson, Anthony B. (2014). Inequality: What Can Be Done?. Harvard University Press. p. 384. ISBN 9780674504769.
LT
Documenten over het Midden-Oosten
Edited: 201511201322
The Avalon Project van Yale Law School biedt online een collectie aan van documenten over de diplomatieke geschiedenis van het Midden-Oosten.
De collectie belicht de periode 1916 tot 2003 en brengt ook alle VN-resoluties over het Israëlisch-Palestijns conflict.
De stichting van artificiële natiestaten, gebaseerd op een verdeling van bodemrijkdommen en OLIEvelden, door de Britse en Franse regeringen, is aan te duiden als oorzaak van de vele conflicten. We kunnen dit wild kolonialisme noemen. Daarin ontbreekt de sociale component totaal en gaat het enkel om de belangen van particuliere groepen: de oliemaatschappijen en hun corrupte lokale handlangers (zie ook de notie 'puppet states').


link naar Avalon Project Middle East
CHENG François
La vraie gloire est ici
Edited: 201511160057
Collection Blanche, Gallimard
Parution : 01-10-2015
Avec ce livre, au titre qui a tout d’un énoncé manifeste, François Cheng ose de déroutants alliages : l’âpreté et la joie, le silence et la lucidité, la mort et les nuages, les oiseaux et les larmes, l’émoi et les étoiles … C’est qu’à force d’avoir mordu la poussière d’ici-bas les mots n’en finissent plus de renaître. Des âmes errantes ou du phénix, on ne sait qui mène la danse. Mais il suffit de la splendeur d’un soir pour que l’univers entier résonne soudain. Il suffit de la sincérité d’un seul cœur brisé pour que la fulgurante beauté délivre de la fragilité humaine :

Car tout est à revoir,
Tous les rires, tous les pleurs,
Toute la gloire …


Il y a dans ces pages un souffle de vie qui prend à la gorge. Sans doute parce qu’il provient d’une voix sans autre exemple. D'une voix qui éperonne la pensée, avec une acuité foudroyante et douce. La parole de François Cheng est bien celle d’un penseur, d’un poète, d’un sage passionné qui ne craint rien, pas même d’affirmer que «la vraie gloire est ici».
News / Lucas Tessens
Armageddon start in Parijs - ca. 130 doden - tientallen zwaargewonden in kritieke toestand
Edited: 201511140250
Terreuraanslagen van ISIS/DAESH houden Parijs in een wurggreep. Zeven daders blazen zichzelf op, één gedood door politie.
Opvallend en onverklaard is dat drie zelfmoordterroristen met bommengordels zich opblazen aan het Stade de France en - buiten zichzelf - slechts één slachtoffer maken. In de concertzaal 'Bataclan' worden 89 mensen vermoord.
President Hollande spreekt van 'une barbarie'. Hij kondigt de noodtoestand af, legt drie dagen nationale rouw op en sluit de grenzen. Het openbare leven in Parijs valt stil.

De aanslagen worden gezien als een vergelding voor de luchtaanvallen van de Franse luchtmacht op stellingen van Isis in Syrië. Het lijkt erop dat een verhoging van de druk op de militaire poot van Isis in Syrië de jihadistische terreurcellen in West-Europa activeert. Communicerende vaten, dus.

Ooggetuigen aarzelen wanneer zij spreken over de daders: 'Ce n'était pas un grand blond.' (France 2)

Geopolitiek. De absolute expert Marc Trévidic (van 12 juni 2006 tot eind augustus 2015 juge d'instruction au Tribunal de grande instance de Paris au pôle antiterrorisme) zegt in de studio van France 2 dat de aanslagen ook diplomatieke gevolgen moeten hebben: 'nu omarmen we de staten die het terrorisme steunen en Frankrijk doet dat om de olieleveringen veilig te stellen'. Letterlijk: 'le wahabisme a diffusé cette idéologie sur la planète depuis le conflit de l'Afghanistan. (...) La politique américaine vous savez ce que c'est? On adore les fondamentalistes religieux s'ils sont libérales économiquement. C'est comme ça depuis des années. C'est leur crédo! C'est super les saoudiens, c'est super le Qatar, parce qu'ils commercent, ils sont libérales économiquement. C'est tout ce qui nous intéresse. Donc ils aiment les fondamentalistes religieux. On est dans un paradoxe total.' Commentaar: Dat is een duidelijke verwijzing naar het wezen van het (neo)kolonialisme: het plunderen van bodemrijkdommen door de grote oliemaatschappijen (The Seven Sisters), het installeren en koesteren van een corrupte bovenklasse (clans met hiërarchische familiale banden) in artificiële natiestaten, geen ontwikkeling van de bevolking in de gekoloniseerde staten; dat vormt de ideale voedingsbodem voor radicaal salafisme. Trévidic doet een merkwaardige verspreking: enerzijds vernoemt hij 'la politique américaine', anderzijds zegt hij 'nous'. Net daarin ligt de verklaring: de Amerikaanse politiek van de bovenklasse verschilt niet wezenlijk van die van de Europese of de Russische of de Aziatische bovenklasse. De essentie van het (neo)kolonialisme is de misdadige collusie van particuliere belangen. Het kolonialisme is geen fenomeen tussen staten maar een feitelijk verbond van particuliere groepen die zich van een staatsstructuur bedienen en die misbruiken.
Sociale psychologie. Het ontbreken van de mogelijkheid tot sublimering van driften (onderwijs, wetenschap, kunst, muziek, werk, ...) laat ruim de plaats voor de verheerlijking van oerdriften: seks en geweld. Het vertrek naar oorlogsgebied (Syrië) kadert in die logica.
Vrijdag 13 november 2015 is een trieste datum in de Franse geschiedenis. [Of de uitgekozen datum ook een symbolische betekenis heeft is niet duidelijk: op vrijdag de dertiende oktober 1307 werden in Frankrijk alle Tempeliers op bevel van Philips de Schone gearresteerd, op grond van valse beschuldigingen; dat was de start van de uiteindelijke vernietiging van de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, beter bekend als de Tempeliers. (wiki)]
Westerse staatshoofden zenden de klassieke solidariteitsbetuigingen.
Het is tijd om stil te staan bij de woorden van Malraux: 'Une vie ne vaut rien, mais rien ne vaut une vie.'

laatst aangepast op 20151116, 15:10
wiki
Historique du Groupe Rossel - Le Soir
Edited: 201511111111
Historique
1887 : Pierre-Émile Rossel, avec trois amis, crée à Bruxelles un journal gratuit appelé "Le Soir".
1920 : « Rossel & fils » devient « Rossel & Cie ».
1921 : « L'Agence Rossel » (régie publicitaire) s'installe rue Royale à Bruxelles.
1957 : le siège social est installé 120 rue Royale à Bruxelles.
1966 : Rossel devient un groupe avec l'acquisition des titres de presse de «La Meuse» («La Meuse», «La Lanterne», «La Flandre libérale» et «Le Matin»).
1968 : acquisition des titres de presse de «La Gazette de Charleroi» («La Nouvelle Gazette» et «La Province»).
1970 : le groupe Rossel acquiert la marque «Vlan».
1983 : Robert Hersant entre au conseil d'administration du groupe.
1987 : Robert Hurbain succède à la présidence du groupe Rossel.
1987 : Socpresse (Robert Hersant, France) acquiert 40% du capital du groupe.
1987 : participation dans RTL Belgium (alors TVI SA) au travers d'Audiopresse.
1999 : constitution de la société Sud Presse SA (regroupant les titres La Meuse, La Capitale, La Nouvelle Gazette de Charleroi, et La Province).
2000 : Rossel met un premier pied dans « La Voix du Nord ».
2001 : Patrick Hurbain succède à Robert Urbain.
2003 : en Belgique, lancement du quotidien gratuit Metro en collaboration avec Concentra Media.
2004 : rachat avec De Persgroep de «l’Echo».
2004 : Sud Presse rachète Nord Eclair sur la Belgique.
2005 : prise de contrôle du groupe de presse «La Voix du Nord».
2005 : rachat avec De Persgroep de «De Tijd».
2005 : rachat des 40% du groupe détenus par la Souplesse.
2006 : Sudpresse lance l'hebdomadaire gratuit «7Dimanche ».
2006 : le groupe investit dans l’Internet en rachetant les sites de services www.netevents.be,www.ticketnet.be et www.cinenews.be.
2007 : Rossel déménage au 100 rue Royale à Bruxelles.
2007 : le groupe Vlan lance Fulai à Shanghai.
2007 : rachat du 1er site de rencontre en ligne belge www.rendez-vous.be et lancement d'un site consacré à l’automobile www.carchannel.be.
2008 : Rossel lance sa régie web interne.
2010 : le groupe Rossel acquiert Belgium-iPhone.
2011 : S²media rejoint le groupe Rossel.
2013 : acquisition des journaux français «l’Union», «l’Ardennais», «Est Eclair», «Libération Champagne», «l'Aisne Nouvelle» et de la radio «Champagne FM» auprès du groupe Hersant Media (GHM)4.
2014 : rachat de dix titres de presse à Lagardère Active, France, au sein du consortium 4B Media par Groupe Rossel et Reworld Media 5,6 : Psychologies magazine et Première reviennent à Rossel.
2015 : rachat de 50% de 20 Minutes, quotidien gratuit national français.
YouTube
The Forgotten European Slaves of Barbary North Africa and Ottoman Turkey
Edited: 201511081161



Gepubliceerd op 8 nov. 2015
Ohio State University history Professor Robert Davis describes the White Slave Trade as minimized by most modern historians in his book Christian Slaves, Muslim Masters: White Slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast and Italy, 1500–1800 (Palgrave Macmillan). Davis estimates that 1 million to 1.25 million white Christian Europeans were enslaved in North Africa, from the beginning of the 16th century to the middle of the 18th, by slave traders from Tunis, Algiers, and Tripoli alone (these numbers do not include the European people which were enslaved by Morocco and by other raiders and traders of the Mediterranean Sea coast), 16th- and 17th-century customs statistics suggest that Istanbul's additional slave import from the Black Sea may have totaled around 2.5 million from 1450 to 1700. The markets declined after the loss of the Barbary Wars and finally ended in the 1830s, when the region was conquered by France.
Hundreds of thousands of Europeans were captured by Barbary pirates and sold as slaves in North Africa and the Ottoman Empire between the 16th and 19th centuries. These slave raids were conducted largely by Arabs and Berbers rather than Ottoman Turks. However, during the height of the Barbary slave trade in the 16th and 17th centuries, the Barbary states were subject to Ottoman jurisdiction and ruled by Ottoman pashas. Furthermore, many slaves captured by the Barbary corsairs were sold eastward into Ottoman territories before, during, and after Barbary's period of Ottoman rule.

The Barbary Muslim pirates kidnapped Europeans from ships in North Africa’s coastal waters (Barbary Coast). They also attacked and pillaged the Atlantic coastal fishing villages and town in Europe, enslaving the inhabitants. Villages and towns on the coast of Italy, Spain, Portugal and France were the hardest hit. Muslim slave-raiders also seized people as far afield as Britain, Ireland and Iceland.

In 1544, the island of Ischia off Naples was ransacked, taking 4,000 inhabitants prisoners, while some 9,000 inhabitants of Lipari Island off the north coast of Sicily were enslaved.870 Turgut Reis, a Turkish pirate chief, ransacked the coastal settlements of Granada (Spain) in 1663 and carried away 4,000 people as slaves. In 1625, Barbary pirates captured the Lund Island in the Bristol Channel and planted the standard of Islam. From this base, they went ransacking and pillaging surrounding villages and towns, causing a stunning spectacle of mayhem, slaughter and plunder. According to Milton, ‘Day after day, they struck at unarmed fishing communities, seizing the inhabitants, and burning their homes. By the end of the dreadful summer of 1625, the mayor of Plymouth reckoned that 1,000 skiffs had been destroyed and similar number of villagers carried off into slavery.’871 Between 1609 and 1616, the Barbary pirates ‘captured a staggering 466 English trading ships.’

In 1627, Pirates went on a pillaging and enslaving campaign to Iceland. After dropping anchor at Reykjavik, his forces ransacked the town and returned with 400 men, women and children and sold them in Algiers. In 1631, he made a voyage with a brigand of 200 pirates to the coast of Southern Ireland and ransacked and pillaged the village of Baltimore, carrying away 237 men, women and children to Algiers.

The barbaric slave-raiding activities of the Muslim pirates had a telling effect on Europe. France, England, and Spain lost thousands of ships, devastating to their sea-borne trade. Long stretches of the coast in Spain and Italy were almost completely abandoned by their inhabitants until the nineteenth century. The finishing industry was virtually devastated.

Paul Baepler’s White Slaves, African Masters: An Anthology of American Barbary Captivity Narratives lists a collection of essays by nine American captives held in North Africa. According to his book, there were more than 20,000 white Christian slaves by 1620 in Algiers alone; their number swelled to more than 30,000 men and 2,000 women by the 1630s. There were a minimum of 25,000 white slaves at any time in Sultan Moulay Ismail’s palace, records Ahmed ez-Zayyani; Algiers maintained a population of 25,000 white slaves between 1550 and 1730, and their numbers could double at certain times. During the same period, Tunis and Tripoli each maintained a white slave population of about 7,500. The Barbary pirates enslaved some 5,000 Europeans annually over a period of nearly three centuries.
TESSENS Lucas
Katanga-model: the evaporating public sector - de minimale staat
Edited: 201510310005

AFBEELDING TE KLEIN ? Klik met rechtermuisknop op de afbeelding en open ze in een nieuw tabblad.

Katanga model: de minimale staat
Begin 2014 ontwikkelde het Media Expert Research System bovenstaand analyse-model om een inzicht te krijgen in de evoluties op nationaal, Europees en geopolitiek vlak. Het werd de laatste maanden verfijnd en bijgesteld.
In het schema zijn er drie zones:
A. de wegkwijnende zone van de overheidsdiensten en -bedrijven van de natiestaat (links bovenaan);
B. de beperkte zone van de private sector van een natiestaat (links onderaan);
C. de zone van de zogenaamde 'global players', de multinationals en de supra-nationale conglomeraten (rechts op het speelveld).
Het schema tracht duidelijk te maken dat de private sector zoveel mogelijk winstgevende activiteiten van de staat overneemt. Dit is de privatiseringsgolf die we in Europa vanaf de jaren 90 kennen. De private sector oefent een 'push' uit op de publieke sector en bedient zich daarbij van politieke partijen en lobbying.
Tegelijkertijd is er de 'push' van de 'global players' om de nationale private sector via overnames in handen te krijgen.
De logica zegt dat bij een verzwakking van de natiestaat deze geneigd/verplicht zal zijn om de nog resterende activa ten gelde te maken om de begroting te doen kloppen. Die verzwakking gebeurt op twee manieren:
ten eerste doordat de 'global players' haast geen belastingen afdragen aan de natiestaten (cfr. LuxLeaks);
ten tweede door de sociale verplichtingen en de niet-productieve lasten van de staten zodanig te verzwaren dat privatiseringen noodzaak worden, ook als de overheidsbedrijven winstgevend zijn en voor de financiering van de staat kunnen zorgen.
Wat dit laatste betreft dient de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten de belangen van de 'global players'. De opvang van vluchtelingen zal immers een gat slaan in de begrotingen van de natiestaten.
De sleutelsectoren van de staten (energie en nutsbedrijven, geld, kredieten, media, ...) zitten nu in de zone van de 'global players'.
In deze neo-liberale beweging moet de band met de oorspronkelijke eigenaar doorgeknipt worden. Een voorbeeld daarvan is de naamswijziging van het landgebonden BELgacom in het neutrale Proximus.

De laatste jaren stellen we nog een ander fenomeen vast: de staat reorganiseert de overheidsbedrijven op kosten van de collectiviteit om ze dan 'rijp' en winstgevend te privatiseren. Drie voorbeelden: opnieuw Proximus, BPost en Belfius.

Waarom we dit het Katanga-model noemen? Omdat ten tijde van de afscheiding van Katanga van Congo nog slechts drie factoren van tel waren: een marionnet als president, een dominante Union Minière en een repressieve gendarme-macht.


LT
Verboden films - de erfenis van het nazi-tijdperk
Edited: 201510270048
Op maandag 20151026 toonde Das Erste een interessante documentaire van Felix Moeller over de meer dan duizend films die tijdens het nazi-tijdperk werden geproduceerd. De essentie van de vraagstelling: moet het vrij vertonen van deze films verboden worden en blijven? De verstandigste stelling van een van de geïnterviewden was dat mits een kwalitatief hoogstaand en kritisch onderwijs het risico van hernieuwde indoctrinatie vermeden wordt en dat de films onder die voorwaarden niet verboden dienden te blijven. Meteen is dan de noodzaak van kwalitatief onderwijs een prioriteit. Het herkennen van propagandatechnieken is belangrijk om de huidige media-manipulaties te kunnen plaatsen.
Er werd opgemerkt dat de "Vorbehaltsfilme" ook op YouTube te bekijken zijn.
MERS Antique Books Antwerp biedt in zijn collectie een beperkt aantal boeken aan die onmiskenbaar van nazi-signatuur zijn. Wij hebben hier steeds de stelling verdedigd dat deze geschriften niet moeten verbannen worden uit de antikwarische handel. Zij weerspiegelen een tijdsgeest en kunnen tot een beter begrip leiden van de frustraties, de drijfveren en de misdadigheid van het nazisme en het fascisme. Overigens zou het van kortzichtigheid getuigen om ALLE stellingen van het fascisme neer te sabelen als vals, racistisch en onwaar. Met name de stellingen over de monopolisering van de mondiale grondstoffenmarkten zijn juist gebleken. Het is ook goed te bedenken dat het nationaal-socialisme wel degelijk socialistische origines had en uit 'linkse' hoek kwam. Dit wordt zelden geponeerd.

Hieronder een samenvatting van de presentatie door Das Erste:
Verbotene Filme – Das Erbe des Nazi-Kinos (2013)
Weit über tausend Spielfilme wurden in Deutschland während der Zeit des Nationalsozialismus hergestellt. Über 40 NS-Filme sind bis heute nur unter Auflagen zugänglich – sie sind "Vorbehaltsfilme". Volksverhetzend, kriegsverherrlichend, antisemitisch und rassistisch – so lauten die Begründungen, warum die Filme für die Öffentlichkeit nicht frei zugänglich sind.
Wie soll man mit den Naziflmen umgehen?
Urheberrecht und Jugendschutz sind dabei die juristischen Hebel, denn das deutsche Grundgesetz erlaubt keine Zensur. Der Umgang mit ihnen ist umstritten: Bewahren oder entsorgen, freigeben oder verbieten? "Verbotene Filme" stellt die "Nazifilme aus dem Giftschrank" vor und macht sich auf die Suche nach ihrem Mythos, ihrem Publikum und ihrer Wirkung heute – in Deutschland wie im Ausland. Eine Reise zur dunklen Seite des Kinos.
Experten berichten
Oskar RoehlerOskar Roehler
Über die Brisanz der Propagandafilme des Dritten Reichs und ihre Idee eines angemessenen Umgangs damit geben unter anderem Oskar Roehler, Moshe Zimmermann, Rainer Rother, Margarethe von Trotta, Jörg Jannings, Sonja M. Schultz, Götz Aly sowie Aussteiger aus der Nazi-Szene und Überlebende der Shoah Auskunft.

link Das Erste
C
Edited: 201510262245
Verbeke Foundation

www.verbekefoundation.com

De Verbeke Foundation

“Onze tentoonstellingen willen geen oase zijn. Onze presentatie is onaf, in beweging, ongepolijst, contradictorisch, slordig, complex, onharmonieus,levend en onmonumentaal, zoals de wereld buiten de museummuren. “

De Verbeke Foundation is een private kunstsite die geopend werd op 1 juni 2007 door kunstverzamelaars Geert en Carla Verbeke Lens.

Cultuur, natuur en ecologie komen er samen. De ruimte herbergt een indrukwekkende verzameling van moderne en hedendaagse kunst en biedt als ‘kunstenvrijplaats’ ook kansen aan jonge kunstenaars.

Met zijn 12 hectare natuurgebied en zijn 20.000m2 overdekte ruimten is de Verbeke Foundation één van de grootste privé-initiatieven voor hedendaagse kunst in Europa. De loodsen van het vroegere transportbedrijf van Geert Verbeke werd omgebouwd tot unieke expositieruimtes. Eén van de gebouwen werd ingericht om de uitzonderlijke verzameling collages en assemblages tentoon te stellen. De Verbeke Foundation is een aanhoudend groeiproces. Kunstenaars kunnen er in residentie, verblijven, grotere en kleinere tentoonstellingen wisselen elkaar af…, waardoor de Foundation, zoals een ademend organisme, er elke dag anders uitziet.
BRAAMBOS
MINISTER GATZ DOET LICHT UIT BIJ BRAAMBOS
Edited: 201510221234
Persbericht Braambos
Minister Gatz heeft beslist dat vanaf 1 januari 2016 de levensbeschouwelijke verenigingen niet langer zendtijd krijgen op de VRT. Dit betekent dus dat de uitzendingen van Braambos, zowel op radio als televisie ophouden te bestaan.
Uiteraard betreuren wij dat in de Vlaamse regering geen meerderheid kon gevonden worden om die uitzendingen te laten bestaan. Uiteindelijk wordt op die manier slechts 1.153.921 euro bespaard (voor alle levensbeschouwingen samen, zowel op radio als televisie), een peulschil als je dat afzet tegen het geheel van de Vlaamse begroting.
Merkwaardig is dat amper een paar weken gebleken het Vlaamse parlement een resolutie stemde tegen radicalisering. Het zijn juist de erkende levensbeschouwelijke verenigingen die de beste dam opwerpen hiertegen blijkt uit onderzoek.
Met de collega s van de andere levensbeschouwelijke organisaties hebben we tot nu toe in een opbouwende samenwerking gestreefd om bij te dragen aan een open en verdraagzaam Vlaanderen door positief te berichten over geloof en levensbeschouwing. Die opdracht is ons nu ontnomen.

Bekijk brief overheid:

Commentaar LT:
De afschaffing van de zendtijd voor levensbeschouwelijke 'derden' lijkt ons terecht in een staat waar men kerk en staat gescheiden wil houden. De openbare omroep, gefinancierd door de belastingbetaler, mag geen plaats zijn om achterhaalde boodschappen te verspreiden. Overigens vinden wij dat elke subsidiëring van godsdiensten moet stoppen. De secularisering mag geen dode letter blijven.
Grondwet
Een samenvatting van de grondrechten van de Belgen. Omdat het ogenblik gekomen is om die rechten in herinnering te brengen.
Edited: 201510210153

Alle Belgen zijn gelijk voor de wet (art. 10)
Discriminatie in de toepassing van rechten en vrijheden is verboden. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd. (art. 11)
Het recht waarborgt voor vrouwen en mannen de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden, en bevorderen meer bepaald hun gelijke toegang tot de door verkiezing verkregen mandaten en de openbare mandaten. (art. 11bis)
De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en overeenkomstig wettelijke procedures. (art. 12)
Ieder heeft het recht naar een rechter te stappen overeenkomstig de wettelijke voorwaarden. (art. 13)
Straffen kunnen enkel worden ingevoerd of toegepast krachtens een wet. (art. 14)
De woning is onschendbaar, huiszoekingen kunnen enkel in die gevallen die de wet voorschrijft. (art. 15)
Het recht op eigendom moet gerespecteerd worden. Onteigening kan enkel in het algemeen belang, in die gevallen en volgens de procedure door de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling. (art. 16) De straf van verbeurdverklaring van (alle) goederen kan niet worden ingevoerd (art. 17).
De burgerlijke dood is afgeschaft en kan niet opnieuw worden ingevoerd. (art. 18)
De vrijheid van eredienst en de vrije openbare uitoefening ervan zijn gewaarborgd. Misbruik van deze vrijheden kan evenwel bestraft worden. (art. 19, 20 en 21)
De vrijheid van meningsuiting is gewaarborgd. Misbruik van deze vrijheden kan evenwel bestraft worden. (art. 19)
Ieder heeft het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven. Uitzonderingen kunnen enkel bij wet ingevoerd worden. (art. 22)
Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. (art. 22bis)
Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. (art. 23) Dit recht omvat meer bepaald de volgende rechten:
het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
het recht op een behoorlijke huisvesting;
het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.
Het onderwijs is vrij. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. (art. 24)
De drukpers is vrij. Censuur kan niet worden ingevoerd. (art. 25)
De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen (art. 26)
De Belgen hebben het recht van vereniging. (art. 27)
Ieder heeft het recht verzoekschriften bij de openbare overheden in te dienen (art. 28).
Het briefgeheim is onschendbaar. (art. 29)
Het gebruik van een bepaalde taal mag enkel opgelegd worden voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. (art. 30)
Eenieder heeft het recht openbare ambtenaren voor hun daden van bestuur te vervolgen, volgens de procedure in de wet bepaald. (art. 31)
Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een kopie van te krijgen. Uitzonderingen moeten door de wet bepaald worden. (art. 32)
Naast de mensenrechten die in titel II van de Grondwet worden opgesomd, genieten de Belgen ook de rechten die vervat liggen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat gesloten werd in het kader van de Raad van Europa. Op de naleving van dat verdrag wordt toegezien door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
News / De Telegraaf / HLN / Standaard
Nederlands vrachtschip 'Flinterstar' gezonken voor Zeebrugge. Belgische overheid aan zet voor berging.
Edited: 201510100103
Donderdagavond 20151008 is een contract gesloten over het wegpompen van de olie uit het schip. Dat is volgens Bart Otto van rederij Flinter "total loss". Hij ontkent berichten in de Belgische pers dat hij ook al een contract zou hebben getekend over de berging van het scheepswrak. Volgens de Belgische wet is het aan de Belgische overheid hierin het voortouw te nemen, aldus Otto.



Wie de kosten van de berging uiteindelijk zal dragen wordt een juridische kluif. Maar zoals het er nu uitziet moet de Belgische staat wel opdraaien voor de voorfinanciering indien zij de hoogdringendheid inroept (mogelijke breuk wegens instabiliteit, milieuschade, versperring van de vaarroute, ...). Dat de rederij de Flinterstar 'total loss' noemt doet vermoeden dat de verwachte bergingskosten de waarde van het wrak overtreffen.

In een zaak van 2012 vonniste het Hof van Beroep te Antwerpen inzake het ms. Luxembourg als volgt: 'De wettelijke bergingsplicht van een gezonken schip en zijn lading rust bij de eigenaar van dit schip en niet automatisch bij de overheid die tot ambtshalve lichting kan overgaan wanneer de omstandigheden hiertoe vereist zijn. Afstand van scheepsvermogen doet hieraan geen afbreuk.'

Wordt het weer het verhaal van privatisering van de baten, collectivisering van de lasten?


Gent
Boekvoorstelling: Kleurrijk – Wynantz & Gent omstreeks 1820
Edited: 201510091630
De Stad Gent stelt samen met uitgeverij Snoeck en fotograaf Philippe Debeerst een nieuw boek voor over Gent 200 jaar geleden en nu
De Stad Gent (Stadsarcheologie en Stadsarchief) realiseerde samen met Uitgeverij Snoeck en fotograaf Philippe Debeerst een boek over het Gentse stadsbeeld 200 jaar geleden en nu. Het vertrekpunt is de collectie aquarellen van Jean-Baptiste Joseph Wynantz met 74 unieke stadsgezichten van Gent omstreeks 1820-1823. De uitgave past in het culturele themajaar ‘Gent kleurt Oranje’, naar aanleiding van 200 jaar Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

De boekvoorstelling vindt plaats op vrijdag 9 oktober 2015 om 16.30 uur in de Pacificatiezaal van het Stadhuis, Botermarkt, Gent.
News
Neoliberale uitverkoop Bpost en Proximus in de steigers
Edited: 201510081128
Een wetsontwerp maakt de privatisering van Bpost en Proximus mogelijk.
Nu beide bedrijven met overheidsgeld en drastische afslankingen bij het personeel superrendabel zijn gemaakt, mag de gemeenschap daar de vruchten niet van plukken. Neen, de vruchten worden doorgeschoven naar de superrijken.
Het is het bekende perfide spel: collectivisering van de lasten, privatisering van de baten.
VAN ROOY Wim
Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam.
Edited: 201510071210
Hardcover, genaaid, gebonden, leeslint, 656 pp., winkelprijs: 27,50 EUR
Persbericht van Uitgeverij De Blauwe Tijger:
Even leek Waarover men niet spreekt van Wim van Rooy niet te zullen verschijnen. De publicatie van dit kennelijk ‘gevaarlijke’ boek bleek niet evident, wat de noodzaak ervan bewijst. Dankzij Uitgeverij De Blauwe Tijger is het boek weldra verkrijgbaar.
De politieke elite, de mainstream media en de intellectuele klasse collaboreren met instellingen en ideeën die nefast zijn voor een gezonde samenleving. Er wordt volop gecapituleerd voor de vijanden van de democratische rechtsstaat en de vrije samenleving. In deze vlammende ‘J’accuse’ moeten de heilige huisjes van Vlaanderen en Europa anno 2015 eraan geloven. Met knipogen naar eigen belevenissen van vroeger en nu, hakt Van Rooy in op de EU, de multiculturele samenleving, de soldatengodsdienst die de islam volgens hem is en de intellectuele erfenis van mei ’68, waar hij zelf een product van is.
Waarover men niet spreekt is een polemisch-biografisch getint vervolg op de bestseller De malaise van de multiculturaliteit (2008), waarvoor Van Rooy de Vlaamse Paul Scheffer werd genoemd. Met zijn nieuwe boek wordt hij ongetwijfeld de Vlaamse Éric Zemmour. Met Woord vooraf van Paul Cliteur en een indrukwekkende lijst aanbevelingscitaten.
Op de cover een uitspraak van Etienne Vermeersch: 'Ik ben ervan overtuigd dat een verlichte islam mogelijk is, maar dit boek brengt mijn vertrouwen hierop in het gedrang.'
LE CAISNE Garance
Opération César. Au coeur de la machine de mort syrienne.
Edited: 201509302347
Paperback, 224 pp. Entre 2011 et 2013, "César", photographe de la police militaire syrienne, a copié et fait sortir au péril de sa vie 45.000 photos et documents de détenus qui ont péri dans les geôles de Bachar al-Assad. Il vit désormais caché quelque part en Europe.
Alors qu'il a toujours refusé de s'exprimer publiquement sur les crimes contre l'humanité qu'il a pu documenter et sur ses motivations, il a fini par se confier à Garance Le Caisne, collaboratrice de "l’Obs". Dans "Opération César" (Stock), la journaliste livre le récit de cet iconographe de l’horreur.
Sur la base de ce livre, le parquet de Paris a ouvert une enquête préliminaire pour "crimes de guerre" visant le régime de Bachar al-Assad.

Src stock: Jamais des preuves aussi accablantes de crimes de guerre et de crimes contre l’humanité n’avaient été divulguées alors qu’un conflit se poursuit. En Syrie un homme l’a fait. Son nom de code ? César. Ce photographe de la police militaire a risqué sa vie pour exfiltrer, pendant deux ans, 45 000 photos et documents de détenus torturés à mort. Il n’est jamais apparu devant des médias.
En janvier 2015, dans le magazine américain Foreign Affairs, le président Bachar el-Assad a affirmé que ce photographe militaire n’existait pas : « Qui a pris ces photos ? Qui est-il ? Personne ne sait. Aucune vérification de ces preuves n’a été faite. Ce sont des allégations sans preuves. »
César existe. L’auteur de ce livre a passé des dizaines d’heures avec lui. Son témoignage est exceptionnel. L’enquête sur le fonctionnement de la machine de mort syrienne, qui étaye son récit, est une plongée dans l’indicible.

Commentaire: Ce livre tombe mal en cette période de formation d'une coalition contre IS, tout en laissant Assad en place. Nous attendons un livre sur les assassinats de IS/DAESH. Question de faire l'équilibre entre le mal et le mal.
LT
Bosal Oevel failliet: Fonds voor Sluiting van Ondernemingen draait op voor de ontslagvergoedingen
Edited: 201509020950
De Nederlandse multinational speelt het handig en zonder scrupules. Het faillissement betekent voor 350 werknemers ontslag. De vergoeding moet nu betaald worden door het FSO. Door de boeken neer te leggen creëert Bosal ook een waterdicht schot tussen het verleden en het heden. Dat is waarschijnlijk een eis geweest van de (mogelijke) overnemer.

Eerder sloot Bosal reeds fabrieken in Engeland en Frankrijk en ook toen was 'een handig faillissement' de gebruikte methode. Tekenend is ook dat het logo van Bosal onmiddellijk van de bedrijfsgebouwen werd gehaald.

Het is het bekende verhaal: privatisering van de winsten, collectivisering van de verliezen.



Een blik op de groep Bosal (bron: groepsbrochure 2012):
Lummen, België

Oevel, België (+)

Praag, Tsjechië

Randers, Denemarken

Sorø, Denemarken

Béthune, Frankrijk

Mitry Mory, Frankrijk

Reims, Frankrijk

Hannover, Duitsland

Mannheim, Duitsland

Markgröningen, Duitsland

Sachsen, Duitsland

Viersen, Duitsland

Cegléd, Hongarije

Kecskemét, Hongarije

Dublin, Ierland

Vianen, Nederland

Łódz, Polen

Pitesti, Roemenië

Kaluga, Rusland

Moskou, Rusland

Novoorsk, Rusland

Nizhny Novgorod, Rusland

Madrid, Spanje

Sagunto, Spanje

Zaragoza, Spanje

Bursa, Turkije

Gebze, Turkije

Pelitli, Turkije

Zaporozhye, Oekraïne

Preston, Verenigd Koninkrijk

AZIË & MIDDEN-OOSTEN

 Sjanghai, China

 Yantai, China

 Pune, India

 Nashik, India

 Teheran, Iran

 Asan, Zuid-Korea

 Haman, Zuid-Korea

 Gunsan, Zuid-Korea

 Rayong, Thailand

 Hanoi, Vietnam

 Andisan, Oezbekistan

AFRIKA

 Casablanca, Marokko

 Kaapstad, Zuid-Afrika

 Durban, Zuid-Afrika

 Port Elizabeth, Zuid-Afrika

 Pretoria, Zuid-Afrika

 Pretoria, Zuid-Afrika

 Bulawayo, Zimbabwe

NOORD-AMERIKA

 Queretaro, Mexico

 Acton, MA, Verenigde Staten

 Indianapolis, IN, Verenigde Staten

 Lavonia, GA, Verenigde Staten

 Whippany, NJ, Verenigde Staten

 Ypsilanti, MI, Verenigde Staten

 Ypsilanti, MI, Verenigde Staten

ZUID-AMERIKA

Cordoba, Argentinië

Gravatai, Brazilië

São Paulo, Brazilië

Medellín, Colombia
LT
Rober Boulin assassiné le 29 octobre 1979: Crime d'état
Edited: 201508130233
“Robert Boulin en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République”


La démonstration est implacable, la conclusion sans appel : pour Pierre Aknine, réalisateur du téléfilm-choc Crime d'Etat, (diffusé sur France 3 ce mardi 29 janvier 2013) Robert Boulin, ministre du Travail et de la Participation sous la présidence de Valéry Giscard d'Estaing a été assassiné pour des raisons politiques. Balayée, la thèse du suicide : le résistant et gaulliste de la première heure, dont le corps a été retrouvé dans un étang de la forêt de Rambouillet le 30 octobre 1979 a été éliminé parce qu'il en savait trop sur les dossiers sulfureux de la Ve République...
Quelle réalité derrière cette fiction passionnante aux allures de film noir ? Pour nous éclairer, Benoît Collombat, journaliste à France Inter et auteur d'Un homme à abattre : contre-enquête sur la mort de Robert Boulin, a accepté de décrypter deux scènes-clé du film, en retissant les liens entre la fiction et la réalité plus que troublante exhumée au fil de ses recherches au long cours.

« Avant sa mort, Robert Boulin avait bien conscience que son propre camp politique, le RPR, tentait de le déstabiliser politiquement en instrumentalisant dans la presse une affaire “bidon” de terrain à Ramatuelle. L’ancien résistant gaulliste savait aussi qu’il avait en face de lui des adversaires dangereux, prêts à utiliser des hommes de main du SAC, le service d’ordre du parti gaulliste, alors en pleine dérive sanglante. Robert Boulin était menacé physiquement.
Pour répliquer, il disposait de dossiers susceptibles de faire taire ses adversaires. Ce recordman du nombre d’années passées dans les ministères de la République (quinze ans) en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République.
Secrétaire d’Etat au budget lors de la création en 1965 de l’ERAP (Entreprise de recherches et d’activités pétrolières) puis d’Elf, ministre délégué à l’Economie et aux Finances de 1977 à 1978, Robert Boulin avait connaissance du montant des commissions (légales) dont il autorisait les versements lors de la passation de contrats liés aux affaires pétrolières et africaines. Mais il connaissait aussi l’envers du décor, l’“argent noir” de la Françafrique et les turpitudes de sa propre famille politique : Elf, le Gabon et les réseaux Foccart au service du RPR de Jacques Chirac, à la fin des années 1970. Des mallettes de billets transitent entre Paris et Libreville. Les fonctionnaires des douanes qui connaissent l’intégrité de Boulin font remonter les informations dont ils disposent.
Au cœur du dispositif se trouve une tirelire : la FIBA, la banque d’Elf et du régime gabonais. Or, le conseiller pour la presse de Robert Boulin, Patrice Blank (qui a joué un rôle extrêmement trouble la nuit de la disparition en se rendant au domicile du ministre) était justement membre du conseil d’administration de la FIBA. Autrement dit, un relais important des intérêts qu’entendait dénoncer Boulin se trouvait dans son entourage très proche.
Le corps de Robert Boulin a été retrouvé à proximité de la maison du “monsieur Afrique” de Giscard, René Journiac, comme si Boulin avait voulu “négocier” avec cet ancien bras droit de Jacques Foccart. René Journiac trouvera la mort quelques mois plus tard, en février 1980, dans un accident d’avion suspect en Afrique. L’avion utilisé par Journiac avait été prêté par Omar Bongo…
Aujourd’hui, des témoins sortent de leur silence et confirment la conclusion de mes investigations.
Par exemple, l’ancien assistant parlementaire du suppléant de Boulin, à l’époque, explique qu’avant que les archives de Boulin ne soient toutes détruites par le SAC, il a pu lire une partie de ces documents : Boulin parlait de répliquer en évoquant Elf-Gabon. La fille d’Alexandre Sanguinetti (co-fondateur du SAC) raconte que son père lui a tout de suite dit qu’il s’agissait d’un assassinat et que Boulin voulait contre-attaquer en menaçant d’évoquer le financement occulte des partis. L’ancien “monsieur Afrique” du RPR, Jean-François Probst, estime, lui aussi, que Boulin a été assassiné et fait le lien avec le Gabon.
Avant sa mort en 2005, un homme du sérail m’avait éclairé sur le sujet. L’ancien proche de Foccart et du mercenaire Bob Dénard, Maurice Robert, (ex-responsable du service Afrique des services secrets, espion chez Elf puis ambassadeur de France au Gabon), a clairement parlé devant moi de “crime” en parlant de l’affaire Boulin. Il était bien placé pour le savoir. »

« Dès la découverte du corps, de nombreux témoins expliquent que Boulin avait plus une tête de boxeur qu’une tête de noyé. Le visage est traumatisé, avec du sang sous le nez (or un noyé ne saigne pas du nez), le bras droit est recroquevillé avec une entaille au poignet visible sur certains clichés de l’identité judiciaire.
Les gendarmes sont les premiers à se rendre sur place, à l’étang Rompu. Le colonel de gendarmerie Jean Pépin pense immédiatement qu’il est impossible que Robert Boulin ait pu arriver seul dans cet étang. Un élément médico-légal va d’ailleurs le prouver : le corps du ministre a été retrouvé “dans la position du musulman qui prie”, la tête face au sol de l’étang. Logiquement, les lividités cadavériques, c'est-à-dire les marbrures qui se fixent sur les parties basses du corps après la mort, auraient dû se trouver sur le ventre et les jambes de Boulin. Or, elles se dont fixées sur le dos ! Cela signifie, de manière certaine, que le corps de Boulin a bien été transporté dans l’étang, après sa mort.
Un “bristol d’adieu” grandiloquent avec deux encres différentes est retrouvé dans la voiture du ministre, mais il est truffé d’incohérences, comme les lettres posthumes attribuées à Boulin. Il y a des mégots de cigarette, alors que Boulin ne fumait que des cigares. Les gendarmes n’ont pas le temps d’en savoir plus. L’affaire leur est immédiatement retirée au profit des policiers du SRPJ de Versailles par un personnage trouble : le Procureur général de la Cour d’appel de Versailles, Louis-Bruno Chalret.
Cet homme était, à l’époque une “barbouze judiciaire” au service des réseaux Foccart et du SAC. Il avait déjà fait libérer des truands sur ordre, comme le prouve des écoutes téléphoniques.
Au cours de mes investigations, j’ai établi que ce Procureur très spécial a été prévenu de la découverte du corps de Robert Boulin plus de six heures avant la découverte officielle, à 8 heures 40 du matin. Certains services de l’Etat ont également été prévenus dans la nuit. Le Procureur Chalret s’est immédiatement rendu sur place avec une équipe d’hommes “sûrs”, sans doute pour “arranger” la version officielle du suicide.
L’autopsie du corps est sabotée : il n’y a pas d’examen du crâne, sur ordre du Procureur. Officiellement, pour ne pas “charcuter” le corps à la demande de la famille Boulin qui n’avait pourtant rien demandée. Le corps est ensuite embaumé illégalement. Quant aux prélèvements d’organes du ministre, qui auraient pu faire l’objet de contre-expertises, ils sont tous détruits dans des conditions rocambolesques dans les années 1980.
En 1983, une deuxième autopsie démontre pourtant l’existence de fractures importantes (“traumatisme appuyé du massif facial”) du vivant de Robert Boulin. L’assistant de ces légistes m’explique qu’il avait alors constaté un hématome derrière le crâne du ministre, consécutif à un objet contondant, et une coupure au poignet droit correspondant, selon lui, à un lien.
Ce témoin, comme beaucoup d’autres, attend toujours d’être entendu par un juge d’instruction, indépendant du pouvoir politique. Mais il faudrait pour cela que la justice accepte, enfin, de rouvrir le dossier Boulin. Il est encore temps, puisque l’affaire ne sera prescrite qu’en 2017. »
(1) Publié chez Fayard en 2007


DE WITTE Ludo
Huurlingen, geheim agenten en diplomaten (voorstelling/bespreking)
Edited: 201508081700
ISBN 9789461313294.

De moord op Lumumba, over de eerste democratisch verkozen regeringsleider van Congo in 1961, deed bij verschijnen in 1999 heel wat stof opwaaien. Ludo De Witte's gedetailleerde en gedocumenteerde relaas verplichtte de Belgische politieke klasse voor het eerst de eigen historische verantwoordelijkheid te erkennen.

Het boek leidde tot de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. De commissie-Lumumba leidde wel tot degelijk onderzoek, maar slechts tussen de lijnen van zijn rapport valt voor de kritische lezer te lezen dat de toenmalige regering van Gaston Eyskens (CVP – nu CD&V) en koning Boudewijn niet zomaar toeschouwers waren bij de moord op Patrice Lumumba op 17 januari 1961.

De politieke besluiten van dat onderzoek waren ook typisch Belgisch, een compromis dat niemand tevreden stelde. Eén ding is met het boek van De Witte en de onderzoekscommissie wel veranderd. Niemand die enigszins geloofwaardig wil overkomen, stelt de gebeurtenissen van 1960-1961 nog voor als een louter interne zaak tussen Congolezen.

Vijf jaar chaos


Patrice Lumumba
Na de moord op de enige democratische leider die de Congolezen had samengebracht in al hun etnische, culturele en taalkundige verscheidenheid, volgden vijf jaren van chaos, die het land verder ten gronde richtte. Waar België schoorvoetend enige verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de moord op Lumumba, is dat nog altijd niet het geval met wat gebeurde in de periode die erop volgde en die leidde tot de dictatuur van Mobutu.

Die dictatuur duurde van 1965 tot 1997. Nog steeds zijn er politieke commentatoren die menen dat de staatsgreep van Mobutu een 'noodzakelijk kwaad' was om de vechtende Congolezen tot de orde te roepen. Zij stellen de woelige periode 1961-1965 voor als een louter interne strijd tussen Congolezen, waarbij Belgen en andere Europese ex-kolonisatoren toeschouwers waren, die slechts tussenbeide kwamen om (blanke) mensenlevens te redden. Bovendien, de eerste zes jaar van zijn regime zou Mobutu wel een 'goed' leider geweest zijn, die terug orde en rust bracht.

Goedpraten wordt terug de norm

“Aan die periode van relatieve openheid kwam echter snel een einde, en sinds een jaar of tien gaat het weer de andere kant op.” Vandaag is het terug bon ton om hoogstens kritisch te zijn over de "fouten, overdrijvingen en excessen" van het kolonialisme, de lijfstraffen, het gesegregeerde onderwijs voor de 'évolués', het beroepsverbod voor hogere functies.

Het Belgische koloniale avontuur was slechts een goedbedoelde poging om een volk te emanciperen, waarbij jammer genoeg veel fouten werden gemaakt, de Belgen te Europees dachten, geen rekening hielden met de Afrikaanse karaktertrekken, enzovoort. Weg zijn de economische belangen, het brutale racisme, de collaboratie van de kerk...

“Auteurs als Manu Ruys, Walter Zinzen en David Van Reybrouck houden hun lezers voor dat die coup (van Mobutu in 1965, nvdr) wenselijk en weldoend mag genoemd worden.” De Witte vond slechts één uitzondering op dat discours, het boek van VUB-historicus Guy Van Themsche: Congo. De impact van de kolonie op België (2007), later vertaald als Belgium and the Congo, 1885-1990 (2012)

België was nauw betrokken

Niets is minder waar, stelt Ludo De Witte. De kanker die in 1993-1997 leidde tot de ondergang van Mobutu zat in het systeem ingebakken op de dag zelf dat hij met expliciete goedkeuring van Belgische en Amerikaanse regering de macht greep. Het perscommuniqué, waarin Mobutu zijn coup uitlegde op Radio Leopoldstad1, werd geschreven door Belgisch militair attaché Van Halewijn...

Wanneer na de moord op Lumumba in het oosten van het land ongecoördineerde groepen een opstand beginnen, blijkt het door de Belgen uitgeruste en getrainde Congolese niet bereid zijn leven te wagen tegen tegenstanders die met pijl, boog en machete – tegen beter weten in – niet wegduiken voor het geweervuur van de soldaten.

De simba's ("leeuwen" in het Swahili) geloven immers dat ze onkwetsbaar zijn voor kogels. Waar ieder militair expert een eenzijdige afslachting verwachtte, zoals tijdens de Britse koloniale oorlogen of tijdens de Eerste Wereldoorlog, bleek dit bijgeloof echter een nuttig strategisch wapen.

De ongemotiveerde en nauwelijks betaalde soldaten kozen immers massaal eieren voor hun geld en dropen af voor een tientallen malen kleinere tegenmacht. Voor men in Kinshasa, Brussel en Washington goed en wel doorhad wat er gebeurde, hadden de simba's een groot deel van het land onder controle, een territorium veertig maal groter dan België. Ook de lucratieve mijnen in Katanga kwamen in gevaar.

De leiders van deze simba's, onder wie een jonge Laurent-Désiré Kabila, waren allesbehalve democraten, laat staan dat ze ook maar enige voeling hadden met het communisme. Qua politieke leegheid waren ze de gelijken van de "Binza-boys" die het na de moord op Lumumba in de hoofdstad "Kin" voor het zeggen hadden.

Een allegaartje wint het pleit

Zelfs voor het openlijk neokoloniale weekblad Pourquoi Pas? was de echte oorzaak van deze opstand niet ver te zoeken: “Het is een jacquerie2 van mensen die genoeg hebben van de miserie en de ellendige praktijken van het ANC dat rooft, verkracht en doodt (…) het staat vast dat de beweging spontaan ontstond en aanvankelijk gerechtvaardigd was.”

Het ANC staat hier niet voor de bevrijdingsbeweging van Nelson Mandela maar voor het Armée Nationale Congolaise, het Congolese leger wiens lafheid tegenover gewapende tegenstanders recht evenredig was met zijn gruwelijke roofzucht tegenover de ongewapende bevolking. Dat hun lonen werden gestolen door hun eigen officieren, hielp natuurlijk niet om enige discipline in stand te houden. Bovendien werden de soldaten systematisch gestationeerd in regio's waar ze etnisch of taalkundig geen enkele band mee hadden (een manier van aanpakken die ze van de Belgen hadden overgenomen).

Union Minière

De Belgische regering ging voor een oplossing steeds "te rade" bij de experten ter plaatse. Daar bedoelden ze geenszins Congolese politieke leiders met een basis in de bevolking mee. “Belgische ministers die het beleid in Centraal-Afrika uittekenden, ondernamen weinig zonder de goedkeuring van de bedrijfsleiders van de Union Minière.”


Ooit nog opgericht door koning Leopold II was dit mijnbedrijf onder meer verantwoordelijk voor het delven en verkopen van het uranium in de Shinkolobwe-mijn, dat als brandstof diende voor de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Die Belgische verkoop aan de VS in 1941 maakte het mogelijk dat België naast Frankrijk het enige land ter wereld werd dat volop mee mocht genieten van de Amerikaanse nucleaire knowhow. Met een ver gevolg van die geschiedenis zit België vandaag nog steeds. Geen enkel land ter wereld, na Frankrijk, heeft een dergelijk hoog aandeel in kernenergie voor zijn elektriciteitsproductie (zelfs de VS niet).

De Verenigde Naties

België toonde zich in 1961-1965 een onbeschaamd en openlijk schender van VN-resoluties. De afscheiding van de mijnprovincie Katanga werd logistiek ondersteund. Katangees leider Moïse Thsombé werd na het mislukken van die afscheiding zonder enige schroom binnengehaald als de man die de chaos na Lumumba zou redden.

Zowat heel Afrika protesteerde tegen de benoeming van deze "neokoloniale slaaf" als eerste minister. Brussel lag er niet wakker van. Even gemakkelijk liet Brussel hem vier jaar later vallen, toen een dictatuur onder leiding van stafchef van het leger Joseph Désiré Mobutu een betere optie bleek.

Historische indelingen zijn altijd enigszins arbtitrair, maar de zeven hoofdstukken waarin De Witte de periode 1961-1965 indeelt, zijn logisch. Op de periode-Thsombé volgde de Belgische organisatie van een huurlingenleger ten bate van de grote bedrijven. Het "simbarijk" was van bij het begin immers zeer broos. Het was vooral ontstaan omdat het Congolees leger zo inefficiënt en ongemotiveerd was.

Pokeren met blanke levens

In de Belgische pers werd ondertussen de trom geroffeld van de strijd tegen het communisme. Een humanitaire interventie was noodzakelijk om Belgische gijzelaars uit de handen van de simba's te bevrijden. Er waren inderdaad een aantal Belgische colons vermoord door de simba's, maar dat aantal verbleekte bij de duizenden Congolezen die systematisch werden afgemaakt door het ANC en door de door België ingezette Zuid-Afrikaanse en Rhodesische3 huurlingen.

Het klinkt sinds de oorlogen in de Balkans bekend in de oren, maar de invasie van Stanleystad (Kisangani) en Paulis (Isiro) waren geen gevolg van enige massale afslachting van Belgische en andere gijzelaars. Ze waren er de hoofdoorzaak van. De brutale wreedheden van de ingezette huurlingen waren immers niet van aard de simba's mild te stemmen, wat De Witte gevat omschrijft met de titel van het hoofdstuk 'Pokeren met blanke levens'.

"De Belgen lachen met de koude oorlog"

Washington wilde ondertussen wel helpen om de 'communisten' te bestrijden, maar zat met een 'geloofwaardigheidsprobleem'. “De VS was het enige onafhankelijke land ter wereld – afgezien van het apartheidsregime in Zuid-Afrika – waar mensen wegens hun huidskleur tweederangsburgers waren... [Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken] Dean Rusk erkende informeel dat het binnenlands racisme als een molensteen om de nek van Amerikaanse diplomaten in Afrika hing.”

Belgische bedrijfsleiders wisten ondertussen wel beter. “Tot zijn [minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak] verbazing waren ze het er over eens dat ze met de simbaleiders zaken konden doen als Congo helemaal in hun handen zou vallen.”
De Britten en de VS waren daar niet over te spreken.

“De Britse ambassadeur in Congo... Het Belgisch beleid in Congo is louter dienstig aan de belangen van het bedrijfsleven... Zij zijn niet geïnteresseerd in de Koude Oorlog en lachen met de Amerikanen omdat die achter elke struik een communist zagen.”

Niet bepaald wat in de kranten werd verteld. Bleven Moskou en Beijing afzijdig uit het conflict – al was het maar omdat ze andere interne katten te geselen hadden –, er waren echter wel degelijk 'communisten' aanwezig in het conflict.

De Cubaanse interventie onder leiding van Che Guevara himself was echter nog steeds geheim – satellieten bestonden nog niet – toen ze na enkele maanden al werd afgeblazen. Guevara moest vaststellen dat de leiders van de opstand totaal geen visie hadden op de eigen maatschappij. Het kwam erop neer dat ze zelf aan de macht wilden komen. Daarom alleen hadden ze de leiding van de spontane opstanden van de simba's overgenomen.

'Sterke man Mobutu'


Mobutu Sese Seko
Van het idee dat Mobutu de sterke man zou geweest zijn die boven de strijdende partijen stond, blijft in de analyse van De Witte zo goed als niets over. Meermaals heeft Mobutu tijdens de simba-opstand gevreesd voor zijn overleven.

Hij had ook nauwelijks gezag of controle over zijn troepen, buiten de garnizoenen in Kinshasa zelf. Dat wantrouwen tegenover het eigen leger zou ook tijdens zijn regime blijven voorbestaan. Zonder zijn goed opgeleide en rijkelijk betaalde presidentiële garde liet hij zich nooit zien.

Mobutu was allesbehalve de evidente keuze voor België en de VS, hij was eerder de minst slechte, de minst 'ongeloofwaardige'. Zijn grootste voordeel was dat hij al officieel leider was van het leger. Dat hij geen aanhang had bij de bevolking – zeker niet in de helemaal in het zuiden gelegen hoofdstad Kinshasa, Mobutu kwam uit de noordwestelijke Evenaarsprovincie – was daarbij irrelevant.

Economisch gewin

Wie het boek van De Witte leest ziet een duidelijke lijn in het beleid van de Belgische regering: alles voor het behoud van het economisch gewin, niets voor de Congolese bevolking. Elke Belgische dode was een drama, tienduizenden Congolese doden daarentegen...

De Witte ziet ook een verband met het heden: “Een kritisch onderzoek van het westers beleid inzake Afrika toont aan dat abstracte noties zoals 'de strijd tegen de verspreiding van de Sovjetinvloed' in feite codewoorden waren in de propagandaslag bij de uitbouw van stabiele neokoloniale regimes. Vandaag luiden vanuit dezelfde zorg de codewoorden 'bescherming van fundamentale mensenrechten' en 'plicht tot humanitaire interveniëren'."
Net als toen blijken die nobele principes enkel van toepassing in landen en regimes die tegen westerse economische belangen ingaan.


Ludo De Witte (1956)
Wie liever een geromantiseerd verhaal leest over hoe het goedbedoelde koloniale beschavingsproject is misgelopen kan zijn gade vinden bij vele andere auteurs. Ludo De Witte vertelt daarentegen wat er echt is gebeurd. Dat is meermaals confronterend en voor al wie nog steeds een romantisch beeld koestert van de Belgische kolonisatie onaangenaam om lezen.

Met dit boek neemt De Witte voor de tweede maal het voortouw in een strijd die dit land al zo lang had moeten voeren, voor de eerlijke erkenning van de werkelijkheid van het eigen koloniale verleden.

Ludo De Witte, Huurlingen, geheim agenten en diplomaten, Van Halewyck, Leuven, 2014, ISBN 9789461313294.

1 Leopoldstad, zoals de hoofdstad Kinshasa toen heette. Kinshasa is de naam van het oorspronkelijke dorpje aan de oever van de Congostroom.

2 'Jacquerie', een denigrerende term voor boerenopstanden.

3 Blanke huursoldaten uit de toen nog Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe.

Lode Vanoost
DE GRAUWE Paul in DS-weekblad van 25/7/2015
Citeert Keynes: 'When the facts change, I change my mind. What do you do, Sir?'
Edited: 201508011349
PDG verdedigt aldus zijn bochtenwerk.

Maar PDG vergeet een belangrijke factor in zijn redenering: hij lag mee aan de basis van de veranderde en catastrofale 'facts' die een gevolg waren van de neoliberale gedachten-diarree: afslanken, privatiseren, de minimale staat, belastingverminderingen, afwenteling van belastingen op de middenklasse, ...

Zo heeft de privatiseringsgolf van de laatste dertig jaar sleutelsectoren in handen van 'global players' terecht doen komen. De trend naar monopolisering blijkt niet meer te stoppen. We hebben gezien dat de economische structuur van gedaante gewisseld is. Waar vroeger een samengaan van (gepolitiseerde) overheidsmonopolies met privé-initiatief legio was, nemen nu private molochs de macht over. De natiestaten zijn zo zwak geworden dat een vuist maken niet meer lukt. De uitgeholde en machteloze democratie. De neo-libs hebben stelselmatig gekozen voor privatisering om op ultrakorte termijn de begrotingen sluitend te maken. Voor één jaar! Regeren noemde men dat. Ik noem dat de inboedel verkopen.

Men heeft nooit serieus overwogen om overheidsbedrijven goed te managen. Hoe kon dat ook met de politieke vriendjes die de raden van bestuur bevolkten en die het enkel om zitpenningen te doen was?

De neoliberale uitverkoop heeft ons gebracht waar we nu zijn: een wankelend Europa waar de winsten geprivatiseerd en de lasten gecollectiviseerd zijn. De staat mag nu nog enkel de miserie managen.

Het is natuurlijk makkelijk praten 'when the facts change ...' maar enige eerlijkheid valt er blijkbaar niet te verwachten van een econoom die graag in de schijnwerpers blijft staan.
LT
André Leysen overleden (19270611-20150711). R.I.P.
Edited: 201507121955
Over deze man bestaat geen degelijk biografisch werk.
Drie episodes uit zijn leven zijn onderbelicht.
Ten eerste is er de vraag of het faillissement van de Standaardgroep (1976) een georchestreerd manoeuver was om de belangrijkste krant in andere handen te spelen. De ongedekte kredietverlening aan de Standaardgroep van De Smaele wijst in die richting. Door een drooglegging kon men van de ene op de andere dag een faillissement uitlokken. Het volstond immers om de schuldeisers te verenigen. Voor de buitenwereld was dat faillissement een donderslag bij heldere hemel, de 'inner circle' (banken, RSZ, Tindemans, collegae krantenbazen, ...) wist wel beter en had alle tijd om een draaiboek aan te maken. Daarbij speelde de eis van het 'waterdicht schot' een cruciale rol.
Ten tweede is er de langdurige episode van de aanloop naar het commerciële TV-station VTM in Vlaanderen. Daarbij kwamen Jan Merckx, voormalige rechterhand van Albert De Smaele, en André Leysen tegenover elkaar te staan, weliswaar 'par personne interposée' van Guido Verdeyen, de CEO van de VUM. Beide heren leefden op oorlogsvoet en om die reden kon de geschreven pers in de jaren 80 geen front vormen om één scenario te schrijven voor een TV-station in handen van de uitgevers. Dat maakte het dossier bijzonder complex. Wegens zijn neoliberale opvattingen kon Leysen zich ook nooit verzoenen met directe perssteun en dat zorgde bij de krantenuitgevers voor een bijkomende splijtzwam. De indirecte staatssteun (BTW 0-tarief, goedkope posttarieven, etc.), die in feite veel belangrijker was, vormde geen item van kritiek. Achter de schermen bestookte Merckx Leysen met niet altijd identificeerbare projectielen. Zo had Merckx een hand in het doen mislukken van het (overigens amateuristische) krantenproject '24 uur' van de VUM. Merckx speelde immers zijn vriendschappelijke contacten met de dagbladhandelaars tenvolle uit en organiseerde een boycot.
De derde vraag is die naar de rol van Leysen in de Treuhandanstalt. Het agentschap ontfermde zich over de herstructurering en verkoop van om en nabij de 8.500 zogenaamde Volkseigene Betriebe (VEB's), firma's die in de DDR openbaar eigendom waren. Het agentschap vernietigde tussen 1990 en 1994 2,5 miljoen banen. Ook enorme grondeigendommen kwamen in andere handen. Deze operaties vertonen gelijkenissen met de uitverkoop van kerkelijke goederen tijdens het Directoire aan het einde van de 18de eeuw.
LT
Europees Parlement: Verhofstadt gaat hysterisch tekeer tegen Tsipras
Edited: 201507090138
Het deed me denken aan een geniepig schooljongetje. Zelf neemt dat nooit deel aan het gevecht maar als de tegenstander op de grond ligt, verkopen ze hem een venijnige trap in de ribbenkast. Dat soort volkje dus.

Toen Oekraïne in vuur en vlam stond ging diezelfde V. zonder enig mandaat staan schreeuwen: 'Europe will support you.'

En de Belgen zijn natuurlijk vergeten dat indertijd de gaten in de begrotingen stelselmatig werden dichtgereden met de verkopen van de nationale activa. De neoliberale logica is in essentie immers een verarming van de collectiviteit (de staat) ten voordele van de rijke vriendjes. Dat alles onder het mom van efficiëntie-verhogingen.

Naar verluidt wil V. naar Griekenland gaan als adviseur. Op nummer één staat de privatisering van het Parthenon. Vervolgens wordt er een restaurant van gemaakt en worden er opnamen van 'Komen eten' gepland op de locatie. Volgens dezelfde bron heeft Berlusconi interesse voor het afhuren van het Parthenon voor de organisatie van Bunga-Bunga-feestjes. Op de wat koudere avonden wil vriend Poetin wel gasbranders leveren. DSK zou zorgen voor wat men eufemistisch 'casting' noemt; naar de leeftijd van de sollicitantes wordt niet geïnformeerd. Omdat prostitutie en drugshandel mee is opgenomen in de berekening van het BBP verwacht men voor Griekenland een positieve invloed op de groeivooruitzichten.
Vanop een houten platform worden levende witte duiven gekatapulteerd en dan afgeschoten door diegenen die zich zouden vervelen. Griekenland wordt een grote feesttent.
De eilanden zouden reeds grotendeels verkocht zijn aan de meestbiedenden, die daarvoor 0,00005 promille van hun in Dubai geparkeerde spaarcenten hebben aangesproken.
Als toemaatje zou er een geheim akkoord bestaan om het Griekse gedeelte van Cyprus af te staan aan Turkije. De deportatie van de Grieks-Cyprioten naar Kreta zou uitgevoerd worden met schepen van de Luxemburgs-Griekse rederijen. De Lybische reders worden onder druk gezet om geen offerte in te dienen en zich met hun rubberboten verder op de Afrika-Europa-route te richten. De Belgische marine zal de Godetia blijven inzetten om een en ander in goede banen te leiden. Over de bescherming van de konvooien tussen Cyprus en Kreta door Nederlandse blauwhelmen wordt nog onderhandeld maar men wil eerst garanties over het percentage van niet-geholpen drenkelingen. Om dat waar te maken heeft een befaamd merk van verrekijkers een contract aangeboden voor de levering van kijkers waarmee je kan wegkijken van de te observeren noodtoestand.
De Poolse regering heeft toegezegd om enkele scheepsladingen wodka te leveren teneinde de deportatie in de beste voorwaarden te laten plaatsvinden.

In de coulissen van Europa gonst het van de geruchten over de opgedane ervaringen met het laboratorium Griekenland. Een nog onbekende factor van de formule is de rol van het leger en dan meer bepaald de kleinzoons van de kolonels.
Libération 20150630
En collaboration avec WikiLeaks, «Libération» et «Mediapart» révèlent comment la NSA s'est penchée, dès 2002, sur les intérêts commerciaux français.
Edited: 201506301328
Après les écoutes politiques, l’espionnage économique. Les nouveaux documents publiés par WikiLeaks, en partenariat avec Libération et Mediapart, dévoilent l’ampleur des opérations menées par les services de renseignement américains contre les intérêts français. Cinq rapports de synthèse de l’Agence nationale de sécurité (NSA) montrent que des responsables et diplomates ont été espionnés entre 2004 et 2012, notamment Pierre Moscovici et François Baroin lors de leur passage à Bercy. Une stratégie offensive qui apparaît dans un document secret fixant les objectifs prioritaires des Etats-Unis dans le domaine économique. Baptisée «France : développements économiques» et datée de 2012, cette note constitue la doctrine de la NSA en la matière. Elle vise à recueillir toutes informations pertinentes sur les pratiques commerciales françaises, les relations entre Paris et les institutions financières internationales, l’approche des questions liées au G8 et au G20 ou encore les grands contrats étrangers impliquant la France. Ce dernier point, un des plus sensibles, est détaillé dans une sous-section intitulée «Contrats étrangers-études de faisabilité-négociations». Il s’agit de récupérer toutes les informations possibles sur les contrats d’envergure impliquant des entreprises françaises, notamment ceux dépassant les 200 millions de dollars. Des révélations qui risquent de jeter un froid sur les négociations autour du Tafta, le traité de libre-échange entre l’Europe et les Etats-Unis, dont le prochain round est prévu mi-juillet, à Bruxelles. La plupart des secteurs stratégiques sont visés par la NSA : technologies de l’information, électricité, gaz, pétrole, nucléaire, transports, biotechnologies, etc. Toutes les informations recueillies sont ensuite partagées avec les principales administrations américaines : département de la Sécurité intérieure, département du Commerce, département de l’Energie, agence de renseignement de la Défense, Réserve fédérale, Trésor et même commandement des forces américaines en Europe. Jamais la preuve d’un espionnage économique massif de la France, orchestré au plus haut niveau de l’Etat américain, n’avait été établie aussi clairement.
Libération 20150623
NSA sans scrupules. Top Secret
Edited: 201506232328
Une série de documents que publie Libération en collaboration avec WikiLeaks révèle que ce sont trois présidents successifs, Jacques Chirac, Nicolas Sarkozy, et François Hollande — et certains de leurs collaborateurs — qui ont été espionnés, sur une période allant au moins de 2006 à mai 2012, juste après l'installation à l'Elysée de François Hollande.

Les cinq rapports d'analyse que Libé publie émanent de la NSA. Ils sont tous classifiés «Top Secret».
MARCHAL Jules (1924-2003)
Interview
Edited: 201506211131
Jules Marchal est né en 1924 en Belgique, et est décédé le 21 juin 2003 à Hoepertingen. Docteur ès philosophie et lettres de l’Université Catholique de Louvain, il a été fonctionnaire territorial au Congo belge de 1948 à 1960, conseiller technique au Congo-Zaïre de 1960 à 1967 et enfin diplomate jusqu’en 1989. Ses travaux de recherche, entrepris depuis 1975, ainsi que ses nombreuses publications, concernent la période de l’histoire de la colonisation belge du Congo.

PC: Cela fait 25 ans que vous avez débuté vos recherches concernant l’Histoire de la colonisation du Congo. Qu’est-ce qui vous pousse à continuer ?

JM: "Je continue parce qu’il reste beaucoup à révéler sur la période totalement inconnue de 1910 à 1945 dont les archives ont été rarement explorées".

PC: D’où provient la majeure partie de vos sources ?

JM: "De l’ancien Ministère des Colonies à Bruxelles".

PC: Ces sources sont-elles irréfutables, autrement dit, peut-on historiquement les mettre en doute?

JM: "Elles sont irréfutables parce qu’il s’agit des correspondances entre le Ministère des Colonies et son administration en Afrique".

PC: Avez-vous des détracteurs ? Si oui, qui sont-ils?

JM: "Comme détracteurs, je n’ai que les associations des anciens coloniaux créées à une époque lointaine pour défendre l’honneur de Léopold II et de la colonisation belge".

PC: Est-ce que des Belges vous contactent pour avoir des informations à ce propos? Des Congolais? Si non, pourquoi à votre avis?

JM: "Des Belges me téléphonent au sujet de mes livres, les Congolais vivant en Belgique, rarement. Je n’ai pas de contacts avec les Congolais d’Afrique. Je comprends le peu d’intérêt marqué par les Congolais vivant en Belgique, occupés par les problèmes des nécessités de la vie. Sans le moindre privilège par rapport aux autres étrangers, vivant souvent des allocations payées par la Belgique, cherchant un emploi, essayant d’obtenir la nationalité belge, ils se trouvent dans une situation inconfortable pour clamer les méfaits passés des belges au Congo".

PC: Comment jugez-vous le livre d’A.Hochschild Les fantômes du roi Léopold II ?

JM: "Un chef-d’oeuvre, sans une seule erreur quant aux faits historiques relatés"

PC: Vous avez vécu et travaillé pendant 19 ans au Congo (et au Zaïre) dont 12 ans pendant la colonisation. Vous parlez d’un grand nombre d’exactions sur les Congolais dans vos livres. Avez-vous été le témoin de telles exactions? Si oui, quels étaient vos sentiments à cet égard (le régime de la chicotte p.ex.) ?

JM: "J’ai vécu certaines exactions sous une forme adoucie: la culture obligatoire du coton (mal payé), l’établissement de paysannats pour le coton (agriculture planifiée), l’entretien de routes et la construction de gîtes d’étape sans paiement adéquat, l’usage de la chicotte (8 coups par séance à mon arrivée en 1948, ramenés à 4 coups quelque 3 ans plus tard). En tant qu’administrateur territorial, je n’avais aucun sentiment à avoir à l’égard de ces matières, dont l’exécution ou l’application m’incombait. Je me rends compte actuellement que le prestige du service territorial, dont moi et mes collègues étions si fiers a l’époque, reposait principalement sur la peur pour la chicotte que l’administrateur pouvait faire infliger à l’Africain, en le condamnant à la prison où son usage était réglementaire."

PC: Le Journal Le Soir des 24 et 25 juin 2000 a présenté un dossier sur le Congo. Il parle de belgitude, des amours passées entre la Belgique et le Congo. Comment qualifiez-vous ces propos?

JM: "Ces propos sont ridicules, tenus par des gens qui ne connaissent rien de l’Histoire du Congo. Mais ces gens sont souvent de bonne foi, cette Histoire n’ayant jamais été exposée objectivement auparavant."

PC: On parle souvent des écoles, des universités, des hôpitaux qui ont été construits par les Belges pour les Congolais. Qu’en est-il ?

JM: "Des écoles primaires, il y en avait partout. On a poussé l’enseignement secondaire à partir de 1950, et introduit l’enseignement universitaire à partir de 1955. Selon Crawford Young (History of Africa-Vol 8), en 1960, 136 écolières terminèrent l’enseignement secondaire et 14 universitaires congolais furent diplômés. On le voit une situation dont il n’y a pas lieu de se vanter. Quant aux hôpitaux, dans les territoires à l’intérieur du pays, chaque médecin avait son hôpital, parfois rudimentaire. Il y avait de un à quatre médecins (soit de l’état voire d’une entreprise ou encore d’une mission catholique ou protestante) pour un territoire grand comme la Belgique. Il n’y avait pas d’ambulance. Ce n’était donc pas fameux. Mais il y avait nombre de dispensaires dans les missions et des agents sanitaires parcouraient le pays, ce qui fait qu’au point de vue médical, la situation au Congo était comparable à d’autres pays africains.

PC: Quelle était la différence entre colonie scolaire et école ?

JM: "Les colonies d’enfants, baptisées plus tard colonies scolaires, étaient des établissements créés par l’état pour héberger des enfants, destinés à recevoir un enseignement rudimentaire en vue de leur incorporation dans la Force Publique. Actuellement, on dirait école avec internat. Elles étaient dirigées par des missionnaires catholiques et furent intégrées dans le système de l’enseignement catholique mis sur pied par ceux-ci et subventionné par l’état. On peut dire qu’au Congo, l’enseignement était l’affaire des missions catholiques jusqu’à la veille de l’indépendance."

PC: A votre connaissance, est-ce qu’un politicien belge n’a jamais émis l'idée d’une éventuelle commémoration des victimes Congolaises de la colonisation ?

JM: Non

PC: Les 100 ans de l’avenue de Tervuren ont été fêtés en grande pompe à BXL il y a quelques années. On serait tenté de penser que les belges ne connaissent pas les crimes qui se sont passés au Congo ?

JM: "Les Belges ne connaissent en effet pas les crimes qui se sont passés au Congo. Ils s’imaginent que leur système colonial était le meilleur d’Afrique. Alors que le contraire semble plutôt vrai…Beaucoup de Belges veulent pourtant savoir et liraient mes livres si la presse en parlait. C’est là que le bât blesse. Le seul article paru à ce jour sur mes écrits dans la presse francophone, est celui de la ‘Libre Belgique’ [ "Le rail: pages noires de l’histoire coloniale, article paru le 27juin 2000"]
source: www.cobelco.org
PUT Eddy, PEERSMAN Catharina
Inventaris van het archief van de Sint-Cornelius en Sint-Cyprianusabdij te Ninove (1092-1796 - 1812)
Edited: 201506170213
Voorstelling inventaris abdij-archief Ninove
Vandaag werd in de dekanale Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Ninove, één van de weinige materiële resten van de voormalige norbertijnenabdij, een studienamiddag ingericht naar aanleiding van de publicatie van de inventaris van het abdijarchief.Op het programma stonden onder meer een voordracht over deze inventarisatie door Eddy Put en vier lezingen vanuit het standpunt van gebruikers/kenners van dit archief:

1. Georges Vande Winkel, Het cartografisch werk van Philips De Deyn,
2. Jaak Peersman, De wijdingskronieken van de eerste abdijkerk,
3. Dirk Van de Perre, Het kapittelboek van Ninove,
4. Catharina Peersman, Het chartarium en de studie van het Oudfrans.

De zitting werd opgeluisterd met orgelmuziek door de heer Erik Vernaillen en afgesloten met een receptie aangeboden door het provinciebestuur Oost-Vlaanderen.

Het archief van de norbertijnenabdij van Ninove (1092-1796), bewaard in het Rijksarchief te Beveren en het archief van het Aartsbisdom Mechelen-Brussel, vormde tot voor kort één van de laatste niet geïnventariseerde Vlaamse abdijarchieven uit het ancien régime. Is de betekenis ervan voor de regionale geschiedenis vanzelfsprekend, een aantal topstukken overstijgt ruimschoots dit lokale belang. Het tijdens de officies gebruikte kapittelboek (uit de 12de eeuw) bevat het oudst bewaarde martelarenboek en necrologium van de norbertijnen in de Nederlanden.

De oorkondeschat is onvolledig overgeleverd, maar behelst zeer waardevol materiaal, waaronder een oorkonde met het zegel van Bernardus van Clairvaux. Verder kan er gewezen worden op het belang van de vijf cartularia, de 15de-eeuwse rekeningen en pachtboeken en de rijke dagboeken die de abten in de 17de en de 18de eeuw bijhielden. Ook de prachtige kaarten, getekend door Philips De Dijn in het midden van de 17de eeuw en door Judocus De Deken in het midden van de 18de eeuw, spreken tot de verbeelding.

Inventaris_abdijarchief_5 Thans ligt een wetenschappelijk verantwoorde inventaris voor van dit rijke archief. De beschrijving en de ordening werden verzorgd door Eddy Put (Rijksarchief Leuven) en Catharina Peersman (K.U.Leuven), die als aspirant voor het FWO-Vlaanderen de volledige oorkondecollectie doornam voor haar doctoraatsproject en die ook de omnummeringstabel tussen de actuele nummering en de bekende bronnenuitgave van J.-J. De Smet voor haar rekening nam. De toegankelijkheid van deze inventaris wordt nog vergroot door een gedetailleerde plaats- en persoonsnamenindex.

Eddy PUT en Catharina PEERSMAN, Inventaris van het archief van de Sint-Cornelius- en Sint-Cyprianusabdij te Ninove (met inbegrip van archieven van het leenhof ten Berge in Woubrechtegem en de laathoven van de abdij in Ninove en Kattem) (1092 – 1796 (1812)) (Rijksarchief te Beveren, Inventarissen, 161), Brussel, 2008.

Bestelnummer: 4673
Prijs: 8 euro

Meer informatie:Eddy PUT (Rijksarchief te Leuven), eddy.put@arch.be, 016/31 49 54.
MARCHAL Jules (1924-2003), [interviewer: Syp Wynia]
Interview 13/4/1994 afgenomen door Syp Wynia
Edited: 201506040909
Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.
De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003).
Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

Ik bezocht Marchal op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest.
Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula (Bellings, LT) ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen: ‘De ruiten worden hier anders ingegooid’. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de foto’s, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd. (waarom vertelt Wynia er niet bij, LT)

Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant ‘Het Belang van Limburg’ werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten.
Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten.

‘Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland’
door SYP WYNIA (°1953)

De voormalige Belgische koloniën in Centraal-Afrika zijn ten prooi gevallen aan massale moordpartijen, volksverhuizingen, bestuurlijke chaos, honger en armoede. De volstrekt corrupte staat Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, dreigt voortdurend uiteen te vallen nadat dictator Moboetoe het land eerst tientallen jaren uitzoog en gaandeweg zijn greep op het land kwijtraakte.
Het aan Zaïre grenzende, voormalige Belgische mandaatgebied, Roeanda-Boeroendi, werd gesplitst in de republieken Rwanda en Burundi waar de Tutsi’s en de Hutu’s elkaar nu om beurten afmaken. De moordpartijen waarbij Rwandese Hutu’s de afgelopen maanden honderdduizenden Tutsi’s het leven benamen kennen nauwelijks een gelijke in de recente geschiedenis.

De Belgische diplomaat Jules Marchal (69) kwam er twintig jaar geleden tot zijn schrik achter het hoe en waarom van de Belgische aanwezigheid in Afrika. Na twintig jaar als koloniaal ambtenaar en overheidsadviseur in de Kongo te hebben gewerkt geloofde hij nog rotsvast in de Belgische vaderlandse geschiedenis, die wil dat koning Leopold II aan het eind van de vorige eeuw slechts met de beste bedoelingen de Kongo-staat had gevestigd en dat de Belgische aanwezigheid de zwarten niets dan goed had gebracht.
Nadat Marchal, in 1972 Belgisch ambassadeur in Ghana, geen reactie uit Brussel kreeg op zijn verzoek om informatie, zodat hij onmogelijk een door hem als schandelijk ervaren krantenartikel over de Belgische koloniale geschiedenis kon bestrijden, begon bij hem de twijfel te knagen. Sindsdien is Marchal verbeten op zoek naar de waarheid.

Sinds 1985 publiceerde hij onder pseudoniem (‘A.M. Delathuy’) zes, veelal dikke boeken over de eerste 25 jaar van de Belgische aanwezigheid in Kongo: over de trucs die koning Leopold toepaste om dit gigantische gebied in Centraal-Afrika in handen te krijgen, over de bloedige uitbuiting van het land die Brussel grote weelde bracht maar miljoenen Afrikanen het leven kostte. En over de bedenkelijke rol van veel missie-organisaties.

In Marchals zevende boek, dat volgend jaar verschijnt, komt de latere periode aan de orde, die al evenmin zo brandschoon is als Marchal net als de meeste Belgen lange tijd wilde aannemen. Marchal: ‘Sommige Belgische historici willen nu wel toegeven dat Leopold II het te bont gemaakt heeft. Maar, zeggen ze dan, vanaf 1908, toen de Belgische staat de Kongo overnam van de koning, is het net zo geworden als in alle kolonies. Maar dat is niet waar. Hetzelfde koloniale personeel bleef. En België heeft er nooit ene frank in willen steken – anders mocht de regering de Kongo-staat namelijk niet van de koning overnemen. Dat systeem is dus doorgegaan, zij het ontdaan van de scherpste kanten, maar wel met de dwangarbeid en de terreur.’ Na de Tweede Wereldoorlog werd het wel beter, vindt Marchal. ‘Ik kwam er in 1948. Ik ben ervan overtuigd dat het toen begon een normale kolonie te worden. Er was immers overal uitbating, er waren overal dwangcultures.’
In eigen land kregen de boeken van Marchal nauwelijks aandacht, naar hij zegt omdat het thema van de onderdrukking van de Kongo nog steeds taboe is en het Belgische establishment actief poogt hem uit de publiciteit te houden. Oud-kolonialen voeren een lastercampagne tegen hem en zorgden er dit voorjaar nog voor dat ‘Het Belang van Limburg’ afzag van een bijlageartikel over hem en zijn werk. Een uitgever deed zo weinig voor een van zijn boeken, dat Marchal de voorraad uiteindelijk maar zelf opkocht.
In het buitenland lokten zijn studies tot dusver al evenmin veel reacties uit, ook al omdat hij er aanvankelijk voor koos zijn boeken slechts in het Nederlands te publiceren. Daar ziet hij nu van af: zijn eerste boek, ‘E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat’, verschijnt dit najaar bij een Parijse uitgever in het Frans. In België was er geen Franstalige uitgever te vinden voor het werk van deze ‘nestbevuiler’.

Ik ontmoet hem de eerste keer in het voorjaar, als de kersenbloesem grote delen van Belgisch Limburg overdekken. De Rwandese presidentiële troepen hebben dan net het grootste deel van de regering vermoord en en passant tien Belgische VN-militairen afgeslacht. De massale moord op de Tutsi’s is dan net begonnen. Marchal wil wel praten over België en Rwanda, als ik er maar niets over opschrijf, want hij vreest als een landverrader af te worden geschilderd als zijn kritische kanttekeningen over de Belgische aanwezigheid in Rwanda naar buiten komen. Dat de Belgische VN-soldaten die het afgelopen jaar in Somalië beschuldigd werden van te hard optreden verbaasde hem niet: hij denkt dat het voortvloeit uit de neerbuigende Belgische traditie ten opzichte van de inheemse bevolking. De Fransen, er al honderd jaar op uit om de Belgen in Afrika te vervangen, krijgen ook een veeg uit de pan. Maar de bandrecorder moet voortdurend uit: ‘Ik moet geweldig voorzichtig zijn, het is een hysterie in België. De ruiten worden hier ingegooid, zeker als ik dat ook nog eens tegen een buitenlandse krant zeg.’
Inmiddels zijn de kersen rijp en Marchal heeft de meeste krieken rond zijn landhuis geoogst. Zijn angst om voor landverrader uit te worden gemaakt is wat geslonken.
Marchal: ‘België kreeg Roeanda-Boeroendi na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied toegewezen, nadat ze tijdens de oorlog samen met de Engelsen de Duitsers daar hadden verdreven. Het maakte tot dan toe immers deel uit van Duits Oost-Afrika. Dat de Belgen daar überhaupt aan begonnen, was weer die grootsheidswaanzin, nadat eerder de Kongo was doodgebloed door de exploitatie door Leopold II. In plaats van in die uitgebloede Kongo wat te gaan doen en de mensen te beschermen, gingen ze vandaar nog eens Duits Oost-Afrika helpen veroveren.’

Al die tijd lieten de Belgen de Tutsi-minderheid als heersers aan de macht in Rwanda. Maar in 1959 kwam de Gentse kolonel Guy Logiest met zwarte koloniale troepen vanuit Stanleyville in oostelijk Kongo de rust herstellen in Rwanda. Hij is daarna hogelijk geprezen, omdat hij toen alle Tutsi-chefs heeft afgezet en vervangen door Hutu’s, met de goede bedoeling dat de Hutu’s onderdrukt werden. ‘Maar dat was een dommigheid,’ zegt Marchal. ‘Dat blijkt nu wel. Hij heeft die hele samenleving daar ontwricht. En kijk, diezelfde Hutu’s die alles aan de Belgen te danken hebben, beginnen nu meteen Belgische blauwhelmen te vermoorden.’
Marchal denkt dat Frankrijk altijd al probeerde een voet aan de grond te krijgen in Zaïre, Rwanda en Burundi. Het zinde de Fransen vanaf het begin al niet dat de Kongo aan de Belgische koning Leopold toeviel. Maar de Fransen moesten het lijdelijk aanzien omdat de andere grootmachten van die dagen geen toestemming aan Parijs gaven de kolonie van de Belgische koning alsnog in te pikken.
Marchal: ‘Maar de laatste jaren waren de Franse para’s al steeds eerder dan de Belgen in Zaïre als daar onrust was, net zoals dit voorjaar in Rwanda. Het is natuurlijk geen toeval dat Rwanda en Burundi net als Zaïre deelnemen aan de door Frankrijk georganiseerde conferenties over de francofonie. En de Tutsi’s die terugkwamen uit Oeganda om de macht weer in handen te nemen spreken alleen maar Engels.’

Zijn vrouw Paula moet per se mee op de foto. Zij tikte 45 jaar geleden al de processen-verbaal uit, op grond waarvan Marchal als jong koloniaal ambtenaar rechtsprak. Zij maakte soms de wonden schoon van de inlanders die in zijn opdracht zweepslagen toegediend kregen, geheel in de koloniale geest van het Belgisch Kongo van na de Tweede Wereldoorlog. De chicotte van dunne repen nijldierhuid speelde steeds een centrale rol in de Belgische geschiedenis in Afrika.
Zijn vrouw tikt nu op de computer zijn boeken uit, die in twintig jaar van dagen, avonden en weekenden thuiswerk na tijdrovend en kostbaar archiefonderzoek tot stand kwamen. Marchal had na zijn pensionering voor boer willen spelen in het huis dat hij de afgelopen dertig jaar tussen zijn posten als ambassadeur in Afrikaanse landen door liet bouwen nabij het Belgisch-Limburgse Hoepertingen. Het kwam er niet van, ook al heeft hij dan fruitbomen, ganzen en de ezels. Soms sust Paula hem als hij zich al te druk maakt over alle ongeloof, onbegrip en tegenwerking.

Op zijn eigen koloniale verleden kijkt Marchal zonder schuldgevoel terug. Dat geldt ook voor de lijfstraffen die hij zelf toe liet dienen aan de Kongolezen die de katoen die ze verplicht moesten verbouwen onvoldoende verzorgden of andere herendiensten verwaarloosden. Wie de chicotte kreeg moest plat op de grond gaan liggen, waarna de straf in aanwezigheid van de andere dorpelingen werd toegediend.
Marchal: ‘Dat katoen dwangarbeid was, ontging ons. Dat was overal zo, dus daar zie ik geen graten in. Ik heb die lijfstraffen toegediend en ik heb de katoen doen planten. Dat was ook in de Franse Kongo zo, denk ik, en in andere kolonies. Maar tot 1945 was dat allemaal veel erger, veel harder. Ze hebben rond 1930 de spoorlijn langs de watervallen aan de Beneden-Kongo helemaal moeten herbouwen. Dat hebben ze gedaan door dwangarbeiders op te roepen uit de ganse Kongo. Er zijn daar duizenden mensen gestorven, als vliegen. Daar is nooit een woord over geschreven. En weet ge dat de Belgen in de Tweede Wereldoorlog de zwarten opnieuw de bossen ingestuurd hebben om wilde rubber et oogsten, nadat de Japanners de uitvoer van de Indonesische rubber hadden afgesloten? Onze mensen hebben toen gezegd: “Wij gaan u helpen, wij hebben daar nog oerwoud. Wij weten wat rubber is”.’ Hij lacht ongemakkelijk, met een pijnlijke grimas.
Marchal: ‘En toen was het weer hard. Niet meer zoals onder Leopold II, toen ze mensen doodschoten die met te weinig rubber terugkwamen uit het bos, waarna ze de handen afhakten om aan te tonen dat ze goed tekeer waren gegaan. Ze moesten die handen roosteren omdat ze anders onderweg verrotten. Met manden vol handen kwamen ze terug uit de brousse. Zo was het in de jaren veertig niet meer, maar het was weer hard. Dat wil gewoon zeggen dat de Belgen nooit beseft hebben wat ze ginder gedaan hebben. Het is een eeuwige schande. Als ik dan Willy Claes en Jean-Luc Dehaene hoor over de mensenrechten in Zaïre, dan krimp ik in van schaamte – dat wij daarover durven spreken. Dat is een schande als ge zo’n verleden hebt. Dat zouden mijn boeken moeten leren aan de Belgische gezagsdragers, maar ik word niet gelezen. Niemand kent mijn boeken, niemand is daarin geïnteresseerd. Men leeft hier in België in de mythes en legenden van die filantropische Leopold II, die de Arabische slavendrijvers zou hebben vernietigd. Dat terwijl Leopold juist nauw samenwerkte met die slavenhandelaren.’
Ik opper dat de verdringing van het koloniale verleden niet iets typisch Belgisch is. In Engeland en Frankrijk gaat het net zo. Is het in Nederland misschien beter?
‘Ik denk het niet,’ zegt Marchal. ‘Ik verwijs naar professor Jan Breman in Amsterdam, die heeft hetzelfde probleem als ik. Die wordt ook niet geloofd en wordt ook niet gelezen. Gij hebt hetzelfde probleem als wij. Ik weet het, bij u wordt meer aan ontwikkelingssamenwerking gedaan dan in België. En Multatuli was dan wel een Nederlander en hij werd wel een literaire held. Maar ik geloof niet dat de Nederlanders door hem overtuigd zijn. Indonesië heeft nu geweigerd nog iets aan te nemen van Nederland. Ik vind dat fantastisch. Maar Mobutu weigert nog geen hulp, die is zo ver nog niet.’
‘En dan hadden wij nog Rwanda, zoals u Suriname had had, zo’n klein kroonkolonietje waar je alles kon doen wat je wilde. Maar Nederland hoeft niet voortdurend de Nederlanders weg te halen uit Suriname, zoals wij de Belgen bijna jaarlijks moeten evacueren uit Afrika, waarna ze stilletjes met hun duizenden binnen enkele maanden weer terugkeren als Sabena weer gaat vliegen.
In Rwanda hebben we nooit iets verdiend, het heeft alleen geld gekost aan België. Maar in de Kongo hebben we kolossaal fortuin gemaakt. Rwanda was een kolonie zoals alle kolonies, die waren er voor de exploitatie, dat was de geest van de tijd, maar het koloniale verleden is daar heel normaal verlopen. Maar de Kongo, dat is een speciaal geval. Vooral die eerste jaren onder Leopold II. Dat was het wrede systeem dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw in Indië toepasten.’

Toen Marchal er eenmaal achter was dat hij net als de andere Belgen met leugens zoet was gehouden over het Kongolese regime van Leopold II – de twijfels over het vervolg kwamen pas later – gebruikte hij zijn periodieke terugkeer in Brussel om de koloniale archieven in te duiken, voor zover ze tenminste niet waren vernietigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel was daartoe een prima uitvalsbasis: Marchals bureau stond vijftig meter van de koloniale archieven.
Marchal: ‘Dat is wel een van de redenen waarom ik niet gelezen wordt. Ik heb nooit propaganda kunnen maken. Als ik als diplomaat mijn pensioen wilde halen moest ik een beetje opzij leven en een pseudoniem nemen. Dat werd A.M. Delathuy, net als mijn overgrootmoeder. En ik kon geen persconferenties te geven. Tot ik in 1989 met pensioen ging wist niemand wie Delathuy was. Ook al omdat het in het Nederlands verscheen en het dus niet gelezen werd in Zaïre. Bij Buitenlandse Zaken liet men mij begaan, omdat ik me zo kalm hield en me niet als stokebrand gedroeg. Men kon mij weinig verwijten. Door die andere naam, Delathuy, is de minister nooit in moeilijkheden gebracht. En ik zocht er geen glorie mee.’
‘Een andere reden is, dat ik me niet op kon trekken aan de boodschap die ik breng,’ zegt Marchal. ‘Daar ben ik beschaamd over, daar kan ik het land niet mee afreizen. Ge moet van mij niet verwachten dat ik in Rotterdam ga spreken of naar Amsterdam kom om over het banditisme van die Belgen te spreken. Dat kan toch niet? Het is nu bij mijn laatste boek voor het eerst dat ik me op een perspresentatie heb laten zien.’

Marchal lijdt onder de aanvallen van zijn collega’s van vroeger, de oud-kolonialen die zich ook in Belgisch-Limburg gegroepeerd hebben in een club. ‘Die kunnen maar niet begrijpen dat een Limburger zoiets doet, Leopold II zwartmaken. Toen de krant over de presentatie van dat laatste boek schreef, zijn de oud-kolonialen van Hasselt naar de hoofdredacteur gelopen. Ze wilden een rechtzetting. Een rechtzetting van een verslag van een persconferentie? Ik zie dat niet zo goed. Die reporter was enthousiast over mij. Die zei: ik maak een weekendportret. Zodra die mannen van Hasselt daar achter kwamen zijn ze naar de redactie en de directeur gelopen. “Als ge nog iets durft publiceren van die Delathuy, dan verliest ge 5000 lezers,” dreigden ze. Die reporter is weer bij mij gekomen en heeft mij dat verteld. Die zegt: hoe zit dat met die 5000 lezers? Nu ben ik zelf lid van die club geweest. Ik was het 129ste lid. Maar het gevolg is wel: er is niets meer verschenen in Het Belang van Limburg.
‘En als dat laatste boek nou tegen de missie zou zijn, maar dat boek is vóór de missies, het is zelfs gesubsidieerd door een missiecongregatie. Nou ja, de eerste grote ordes die onder aanmoediging van Leopold II naar Kongo gingen, die komen er niet zo mooi uit, dat waren echte potentaten, daar kun je moeilijk wat goeds van vinden. Maar de kleinere ordes, zoals de paters van Mill Hill bij u vandaan, uit Roosendaal – uw paters komen er toch prachtig uit? Die hebben ook niet de internationale propaganda voor de Kongostaat gevoerd waar Leopold op hoopte. En die hebben ook niet deelgenomen aan het met duizenden kidnappen van kinderen die uit dorpen werden gehaald, soms nadat de rest van de bevolking was uitgemoord of de bossen in waren gejaagd, om vervolgens door het koloniale leger over gigantische afstanden te worden vervoerd om in concentratiekampen van de missie te worden opgeleid. Veel kinderen overleefden de tocht niet eens. Tienduizend gekidnapte kinderen stierven op de missies, een veelvoud onderweg daarheen. Meisjes, vaak heel klein nog, werden onderweg verkracht. Duizenden volwassenen werden door paters gekocht om gedoopt te worden als ze al op sterven lagen. Bij de inheemsen leidde dat tot de reputatie dat de doop tot de dood leidde.’
Marchal: ‘Kijk, Leopold II was zijn Kongostaat begonnen voor te stellen als een paradijs. Hij zou er een internationale kolonie, een vrijhandelsstaat, van maken waar iedereen welkom was. Daarom zijn er ook zoveel protestantse zendelingen op afgekomen, lang voor de katholieken. Die protestanten mochten naar binnen, maar dat was dan ook alles. Tot ze begonnen tegen het koloniale regime te schrijven, toen kregen ze geen enkele concessie voor een zendingspost meer. Leopold moest de katholieken er echt naar toe sleuren. Hij moest de missionarissen hebben om te zeggen dat de protestanten lasteraars waren, hij had ze nodig als bondgenoten. Dat kidnappen is alleen in de Kongo gebeurd. Dat was geen praktijk van het Vaticaan, dat was een praktijk van de Kongostaat.’

Voor Marchal was de gewelddadige, gedwongen kerstening in de Kongo een eye-opener. Hij besefte plotseling dat het in West-Europa niet anders gegaan is. ‘Dat is voor mij zo klaar als een klontje. Alle godsdiensten zijn door de staat opgelegd. Allemaal! Waarom zijn er in Nederland zoveel protestanten – omdat het bestuur protestants was! De Spanjaarden hebben ons katholiek gehouden. En waarom zijn wij christelijk? Omdat keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarde. Op school werd ons verteld dat wij hier gekerstend zijn door Willibrord en Bonifatius, dat die hier begonnen te preken en mirakelen te doen. Allemaal larie! Die mannen zijn hier wel geweest, daar niet van. En denk niet dat ik een goddeloze ben, haha. Maar als ge een boek als dit gemaakt hebt begint ge eindelijk lucide te worden. Anders denkt een mens er niet over na hoe zijn voorouders katholiek zijn geworden.’
Net zoals u er tot 1972 niet aan twijfelde dat Leopold II een voorbeeldig, belangeloos koloniaal heerser was geweest?
Marchal: ‘Natuurlijk, waarom niet. Ik ben geen speciale. Ik heb mijn plicht gedaan als koloniaal ambtenaar – ik heb al een koloniaal pensioen sinds 1967 en dat kwam nog eens bovenop mijn wedde van ambassadeur. Ik heb een mooie carrière achter de rug, hoor. Ik geef toe, dat ik geen man ben die iets tegen het establishment had. Ik zit er, zonder te stoefen, eigenlijk volledig in. Ik ben veel hoger van graad dan die mannekes van Hasselt die mij aan het belagen zijn. Maar ik las toen in Ghana verontwaardigd – zoals elk normaal mens zou doen – dat er tien miljoen zwarten kapot zijn gemaakt in de Kongo. Pas toen ik geen antwoord kreeg is het begonnen. Het is werkelijk ongelooflijk. Hier in België hebben historici honderden boeken geschreven over de tijd van de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, die de Kongo optrok en naderhand nog voor Leopold II werkte. Maar je vindt in België nauwelijks een woord over de campagne van de journalist Edmund Morel, die tien jaar lang actie voerde tegen de Kongostaat van Leopold II. Die man stond elke dag met berichten over de terreur, de strafexpedities en de dwangarbeid in de internationale kranten. The Times, dat was bijna zijn spreekbuis. Morels beeld van het koloniale België leeft nog steeds in Engeland en de Verenigde Staten.’

Dat het koloniale verleden van België en dan nog speciaal het koloniale regime van koning Leopold II onbespreekbaar is, verklaart Marchal deels door de betrokkenheid van het koningshuis bij Zaïre, Rwanda en Burundi – een betrokkenheid die tot de dag van vandaag doorgaat. ‘Het is het enige onderwerp dat in België nog onbespreekbaar is. En als die boeken van mij iemand aangaan is het Albert II. Hij zit toch in het kasteel van Laken, dat met koloniaal geld omgebouwd is, zoals Leopold zijn Kongolese goudmijn gebruikte om ook een reeks andere luxeprojekten in België, handelsprojekten in China, een leger op de Nijl en Franse kastelen voor zijn lief te financieren.’
‘Leopold II was gefascineerd door de rijkdom die van Java naar Nederland was gegaan. Toen de Belgen zich van Nederland af hadden gescheurd, was dat tot ongenoegen van Belgische fabrikanten die aan Indonesië leverden. Daarom wilde Leopold II een kolonie hebben – dat brengt fortuin op! Dat heeft hij kunnen flikken door zich als filantroop voor te doen, en dat deed hij onder de vlag van die fictieve Association Internationale Africaine.’
‘In de dorpen in de Kongo weet men nog wat er allemaal gebeurd is,’ zegt Marchal. ‘Ik ben ooit een vrouw tegengekomen die de overlevering nog kende, dat de soldaten bij de mannen de penissen afsneden. Maar mensen als Moboetoe en Loemoemba die bij de paters gestudeerd hadden en niet meer in de dorpen kwamen, die wisten dat niet. Tot de laatste ruzie tussen België en Moboetoe was het grootste compliment dat de zwarten aan Moboetoe konden maken dat hij nu net zo groot was als Leopold de Tweede.’
‘Loemoemba heeft in 1960 met een speech in aanwezigheid van de koning en de eerste minister het spel op de wagen gezet. Dat de Belgen deugnieten waren, dat ze hen geslagen hadden en dat ze niets mochten. Maar Loemoemba had het niet over de periode van de rubber, die had het over de jaren vijftig. Want bij ons in de Kongo was volledige apartheid. De zwarten mochten niks. Die mochten niet in hotels komen, die hadden hun eigen vervoer, ze mochten geen hogere studies doen en ze kregen hongerlonen. De zwarten konden niks, zeiden wij, en die mochten niks. En er wordt hier dan wel afgegeven op de dictatuur van Moboetoe, maar weet goed: in 1959 was in Kinshasa de eerste opstand tegen de blanken en die zijn ongenadig neergekogeld. In onze tijd was er geen kwestie van betogen, hoor. Tegen de grond!’
‘Nu zegt men: de tijd van de Belgen was fantastisch, de Gouden Eeuw. Ja, voor sommigen was het de Gouden Eeuw, zoals voor de oud-kolonialen waarvan de meesten blij zijn dat het ginder nu zo slecht gaat. Het zijn geen deugnieten, hoor, die mensen zijn te beklagen. Hun carrière is daar gebroken toen de onafhankelijkheid kwam. Die smart is gebleven, dat hart is verscheurd en daarom zijn die mensen zo onevenwichtig in hun beoordelingen. Daarom zetten ze mij in hun blaadje neer als iemand die een formidabel koloniaal ambtenaar was, maar een post-koloniaal syndroom heeft gekregen. Ik ben in hun ogen een nestbevuiler, een halve zot.’
‘Ik ben wel teruggegaan naar de Kongo, maar louter als raadgever. Het was gedaan met het chicotte geven. Ook de apartheid was voorbij. Die mensen kwamen toen bij mij over de vloer en ik bij hen – ik vond dat veel aangenamer. Daarmee was ik mentaal voorbereid op de ontdekking die ik later deed, omdat ik de zwarte niet alleen als kolonialist heb gezien maar ook als mens. Dus geloof ik dat ik eigenlijk in de wieg gelegd ben om die boeken te schrijven. Ik heb de tijd van voor 1960 gekend en die van daarna, nadien ben ik diplomaat geworden in Afrikaanse landen. Ik heb gezien wat de Fransen gedaan hebben en wat de Engelsen gedaan hebben. Ik ben geen rijk mens, maar ik ben financieel onafhankelijk, dus ik hoef het niet na te laten om een job te krijgen. Weelde heb ik niet, want ik heb al mijn geld in die opzoekingen gestoken en tot het laatste boek heb ik nooit financiële ondersteuning gehad.’

‘Mijn vrienden, de oud-kolonialen, verwijten mij dat ik niets goeds kon zien in de tijd van Leopold II. Maar wat kan ik daar goed in zien? Dat systeem was slecht, daar was geen enkele goede kant aan. Achteraf is de verdienste van Leopold II dat hij de stichter van Zaïre was. Dat is dus positief, als daar iets positiefs aan is, zo’n groot land dat waarschijnlijk uiteen gaat vallen. Maar goed: dat is hem niet af te nemen, net zoals het hem niet af te nemen is dat Zaïre dankzij Leopold II vandaag de dag het grootste katholieke land van Afrika is. Maar op zich was dat alles geen verdienste: hij had een groot land nodig om veel bos te hebben om veel rubber te kunnen plunderen. Dat was dus gewoon hebzucht, vraatzucht. Overigens begrijp ik imperialisten als hij wel. Wij zijn allemaal imperialisten. Een groot land maken, dat is toch fantastisch?’
(overgenomen van http://www.sypwynia.nl/archief/interview-jules-marchal/)
MARCHAL Jules [DELATHUY]
Jules Marchal over dwangarbeid in Kongo - Interview in Belang van Limburg - 23/03/2002
Edited: 201506040842

Het levend koloniaal geweten van België woont in Zuid-Limburg. Jaren leidde hij een geheim bestaan, verscholen tussen het groen in Hoepertingen en achter de schuilnaam A.M. Delathuy, die verwijst naar zijn overgrootmoeder. De hele tijd is het vuur van de heilige verontwaardiging bij Jules Marchal hevig blijven branden. Alleen wil het lichaam van de 77-jarige oud-diplomaat niet meer echt mee.
Als hij voor de derde keer een document uit zijn indrukwekkende archief haalt, botst hij tegen de boekenkast. «Last van evenwichtsstoornissen. Ik ben maar een halve man meer.» Even later, als we het over de Kongolese avonturen van Jef Geeraerts hebben, lichten de ogen guitig op. «Dat was ne hete. Iedereen in Kongo sprak over de uitspattingen van Geeraerts.»

Maar die middag staan geen wufte verhalen op het programma. Jules Marchal heeft pas de laatste hand aan het derde deel over dwangarbeid in Kongo gelegd. «Dwangarbeid voor de palmolie van Lord Leverhulme», klinkt de titel in het Nederlands - helaas is het boek enkel in het Frans beschikbaar. «Er zijn niet genoeg nederlandstalige lezers voor mijn boeken. Bovendien kunnen de zwarten mijn boeken nu ook lezen», zegt Marchal die zijn carrière als ambassadeur in Ghana, Liberia en Sierra Leone afsloot.
Het nieuwe deel in dit stuk sociale geschiedenis van de Belgische kolonie is een litanie van misbruiken en de meest grove schendingen van de rechten van de zwarte bevolking. Taaie literatuur, maar daarom niet minder uniek en meeslepend. Het onderzoek van Marchal, die een duik in de Belgische archieven nam, lag aan de basis van 'De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo' van de Amerikaanse auteur Adam Hochschild. Jules Marchal beschrijft treffend hoe de Belgische kolonisator het systeem van Leopold II gewoon overnam.

Nijlpaardpees

Jules Marchal heeft de misbruiken in de Belgische kolonie zelf meegemaakt. Van 1948 tot aan de onafhankelijkheid in 1960, was hij territoriaal ambtenaar in Lisala in de Evenaarsprovincie. «Twintig dagen per maand moesten we de brousse intrekken om de zwarten duidelijk te maken wat ze moesten doen. We overnachtten in een gîte d'étape. Die zwarten moesten weten dat wij er waren, dat we hen konden straffen. We reisden rond met zes, zeven zwarte soldaten en onze gevangenen. »

Jules Marchal- Gevangenen?
«Ja, we waren ook politierechter, we konden de zwarten die iets mispeuterd hadden ook in de bak steken. En we konden enkel gevangenen met de chicotte, een gedroogde pees van een nijlpaard laten geven. Dat was zeer vernederend. 's Morgens om zes uur moest de hele bevolking van een dorp acte de présence geven. Daarna werden de gevangenen voorgeleid.
Die mannen waren veroordeeld voor onnozele vergrijpen, maar dat was pure hypocrisie. Ze kregen cel als ze hun katoen niet haalden of als hun hut niet in een perfecte staat was (parfait état de propreté). Er mocht geen sprietje gras in de buurt staan- komaan zeg. Die gevangenen moesten dan hun broek afsteken en dan kregen ze zweepslagen op de billen. In conspectu omnium, waar iedereen bijstond. Zeer vernederend was dat.
Toen ik in '48 in Kongo arriveerde, kregen ze nog 8 slagen met de chicotte. In 1952 is dat verminderd tot 4 - maar dat was even erg. Daarom moesten we 20 dagen per maand de brousse in, om die cinema op te voeren. Dat is de grote leugen in verband met Kongo: onder Leopold II was alles slecht en tijdens de Belgische kolonisatie was alles koek en ei.»

Sunlight

Op papier leek het zo mooi. In 1911 kreeg de Britse industrieel William Lever van de Belgische koloniale overheid niet minder dan 750.000 ha Kongolese plantages in pacht. Lever bouwde op basis van palmolie, de grondstof voor zeep, een heel imperium uit. Trots als een pauw overhandigde de Britse industrieel Lever, die later als Lord Leverhulme in de adelstand werd verheven, in maart 1912 het eerste stuk Kongolese zeep verpakt in een ivoren kistje aan koning Albert I. Leverhulme, de man die de wereld Sunlight en later Lux schonk, gold als een filantroop. «Hij bouwde in de buurt van Liverpool een tuinwijk voor zijn arbeiders. Deze stad, Port Sunlight, stond model voor de tuinwijken die later in Meulenberg, Waterschei en Winterslag zijn gebouwd», zegt Jules Marchal.

Bescheidenheid was Leverhulme vreemd. Het hoofdkwartier van de Huileries du Congo Belge was gelegen in Lusanga, nabij Kikwit. Snel werd Lusanga omgedoopt tot Leverville.
Met de steun van de Kongolese Weermacht en de Belgische overheden bouwde Lever in de buurt van Kikwit immense palmolieplantages uit. Maar hoe kwam Lever, die de basis legde van de Brits-Nederlandse voedingsgigant Unilever, in Kongo terecht?
Jules Marchal: «Hij greep naast de concessies van natuurlijke palmoliebomen in Brits West-Afrika. Die werden daar door de zwarten uitgebaat, de Britten gaven geen palmbossen in concessie. Bij ons moesten de zwarten palmnoten aan Lever leveren. Ze moesten kappen, zoniet vlogen ze de gevangenis in.»

Lever kreeg van de Belgen niet alleen een monopolie, de Belgische autoriteiten leverden hem ook dwangarbeiders die voor een schijntje in zijn plantages moesten werken.
«Lever was geen uitzondering. De administratie deed dat voor iedere colon. De zwarten moesten zogezegd niet voor een loon werken, ze moesten gewoon leren werken, omdat ze lui waren. Maar die zwarten waren geen zotten, he, als ze u niet betalen, dan werkt ge ook niet.»

Orgie

De zwarte bevolking kwam ook in opstand tegen de dwangarbeid in de plantages van Lever. Bijzonder schrijnend is het hoofdstuk waarin Marchal de strafexpeditie tegen de Pende, een plaatselijke stam in het dorpje Kilamba beschrijft.
Bij de komst van territoriaal agent Edouard Burnotte in het dorpje, vluchtten alle mannen de brousse in. Burnotte liet daarop alle vrouwen in een hangar opsluiten. Die avond, op 14 mei 1931, liet Burnotte, die in het gezelschap van enkele andere blanken was, enkele kratten bier aanrukken. «De vijf begonnen te drinken en te zingen. Nadien lieten ze enkele vrouwen halen die in de hangar opgesloten zaten. Het werd een van die monsterachtige orgiën die legendarisch waren onder de blanke vrijgezellen in Kongo», schrijft Marchal.

De dag nadien eiste Matemo, de man van een van de vrouwen bij chef de poste Collignon, naar goede Afrikaanse gewoonte betaling voor het nachtje vertier. Collignon siste Matemo toe dat hij kon oprotten, waarop de zwarte hem enkele klappen verkocht en enkele keren flink beet. Uiteindelijk stuurde de gewestbeheerder zijn medewerker Maximilien Balot ter plaatse om een onderzoek uit voeren.
Op 8 juni arriveerde Balot bij Matemo. Tijdens een gevecht raakte Balot gewond en vluchtte het bos in. Daar werd hij door Matemo afgemaakt. Matemo zou het lijk van Balot in stukken gehakt hebben die hij uitdeelde aan de chefs en Pende-notabelen uit de buurt. De zaken liepen danig uit de hand en uiteindelijk werden 300 tot 500 Pende met machinegeweren afgeslacht.

Dit zou een klassiek verhaal over wilde zwarten en belaagde blanken kunnen zijn, ware het niet dat minister van Koloniën Paul Crockaert in het Belgische parlement enkele vervelende vragen over deze affaire kreeg. Daarop werd de magistraat Eugène Jungers, voorzitter van het Hof van Beroep in Kinshasa, op onderzoek uitgestuurd.
Uit het verslag van Jungers blijkt duidelijk dat de blanken zich bij de Pende absoluut onbehoorlijk gedragen hadden en dat de zwarten wel degelijk redenen hadden om zich tegen de dwangarbeid te verzetten.

Typisch voor de belabberde staat van de Belgische archieven: Jules Marchal heeft het oorspronkelijke verslag van de Jungers zending niet kunnen inkijken. Hij baseerde zich dan maar op de parlementaire tussenkomsten van de socialistische voorman Emile Vandervelde die een jaar later hierover de minister van Koloniën aan de tand voelde. Marchal speelt op: «Alles wat ik schrijf is nieuw. Mijn boeken zijn gebaseerd op archieven die nooit door iemand zijn geconsulteerd, die nooit gebruikt zijn door andere historici.»

Vandaag wordt Kongo opnieuw geplunderd, door de buurlanden Rwanda, Oeganda en Zimbabwe die hun legers naar het land gestuurd hebben. Herhaalt de geschiedenis zich?
«Union Minière en de uitbaters van de Kilo Moto-goudmijnen hebben Kongo veel meer geplunderd. Ik moet lachen met wat men nu plunderingen noemt. Onze bedrijven hebben in die mijnen miljoenen verdiend.»

Het derde deel in de reeks over dwangarbeid is pas klaar. U werkt nu aan deel vier...
«Inderdaad. Het hoogtepunt hierin is de dwangarbeid tijdens de tweede wereldoorlog, de effort de guerre (oorlogsinspanning). Wat dat betreft zijn er nagenoeg geen archieven beschikbaar. In opdracht van de gouverneur-generaal droeg de procureur-generaal de parketten in Kongo op dat ze geen documenten meer moesten bijhouden, dat alles in het teken van de 'effort de guerre' moest staan.
Weet ge dat ze de zwarten terug de bossen hebben ingejaagd, om wilde rubber te tappen? Omdat de rubberplantages in Maleisië en Indonesië door de Japanners bezet waren, was er plots veel natuurlijk rubber nodig. Maar de rubberplantages van Leopold II bestonden niet meer, dus moesten de zwarten op zoek naar natuurlijk rubber in de Kongolese bossen. Verder in dat vierde deel komen de dwangarbeid bij de aanleg van wegen, bij de exploitatie van tin in Maniema en van de teelt van katoen aan bod. Ik vrees echter dat ik dit boek niet zal kunnen afwerken...»

Ayelet Shaked, minister van justitie Israël
Edited: 201505110907
Ayelet Shaked (°1976) wordt de nieuwe minister van Justitie in de vierde regering van Benjamin Netanyahu. De politica van de extreemrechtse partij ‘Joods Huis’ wees steevast elk vredesakkoord met Palestina af. Nadat Hamas twee Joodse kinderen ontvoerd had, maande ze zelfs aan tot de annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever.

Op 16 november 2015 zei Shaked over het Midden-Oosten: "The entire region is shifting, and the nation states all collapse. It’s a tribal landscape now, and every bit of territory abandoned by the West is seized by radical Islam." (interview)
NN
Quand la Wallonie était française
Edited: 201505092305
Parution de l'ouvrage "Quand la Wallonie était française"

Mercredi, 29 Avril, 2015
Avec le tome 1 de l’ouvrage « Quand la Wallonie était française », le Service public de Wallonie vient de poser le premier jalon d’une entreprise qui devrait s’achever en 2018, à savoir l’édition de plans par masses de cultures du territoire de la Wallonie réalisés entre 1802 à 1808.

Ce premier tome couvre le territoire de la province de Namur et propose une photographie du paysage rural à la veille de la Révolution industrielle au travers de plans édités pour la première fois depuis leur réalisation ! Il s’agit de plans au 1/5000e d’ensembles ininterrompus de terrains affectés à une même utilisation ou une même culture au sens large puisque les espaces forestiers, les jardins, les plans d’eau et les parties bâties étaient aussi pris en compte.

Chaînon manquant dans la cartographie régionale

La décision de réaliser ces plans date du 2 novembre 1802, l’abandon de leur réalisation de fin 1807. Dès lors, une période courte durant laquelle on estime qu’environ 16.000 communes ont été cadastrées dans l’empire.

Ces plans sont donc situés entre les cartes de Ferraris (1770-1778) et la publication des premiers plans cadastraux par Ph. Vandermaelen (1837-1847) puis par Ph. Popp (1842-1879). Ils peuvent être considérés comme une sorte de chaînon manquant dans l’histoire de la cartographie de nos régions. Source de première importance tant pour l’historien du paysage que pour l’amateur d’histoire locale, leur échelle permet d’observer, de manière assez précise, l’occupation des sols.

Certains de ces plans sont accompagnés de rapports d’expertise cadastrale qui constituent un complément et une clé de lecture puisqu'ils reprennent la liste des propriétaires avec leur lieu de résidence, parfois leur profession, classée en fonction du type de propriété. Ces rapports fournissent également des renseignements sur l’économie et l’habitat,. le type de culture pratiquée, les assolements, les engrais, l’élevage, les brasseries, les moulins et les industries (mines, forges, manufactures…).

135 plans pour le premier tome

L’actuelle province de Namur était comprise pour l’essentiel dans le département de l’Entre-Sambre-et-Meuse et pour sa partie sud dans le département des Ardennes. 135 plans de communes ou de hameaux de la province ont été découverts, conservés en ordre principal aux Archives de l’État à Namur, au département des archives de l’armée de Terre à Vincennes mais aussi aux archives départementales des Ardennes, à Charleville-Mézières, et aux Archives nationales de France, à Paris.

Au fil des années, ces plans ont été remplacés par la confection du cadastre parcellaire, dit aussi cadastre napoléonien ; ils ont perdu de leur intérêt pour les administrations qui les ont, dans le meilleur des cas, oublié. Quelques historiens en avaient bien vu l’intérêt mais aucune édition systématique ne leur avait été consacrée.

Comment se procurer l'ouvrage ?

Édité par la direction de la Documentation et des Archives régionales, en collaboration avec la direction de l’Identité et des Publications du SPW, le premier tome de "Quand la Wallonie était française" est vendu au prix de 65 € (frais de ports Belgique et pays limitrophes compris).

Il peut être commandé :

en ligne
par téléphone au 1718, le nouveau numéro de renseignement gratuit de la Wallonie (1719 pour les germanophones)
par e-mail à l’adresse suivante : publications@spw.wallonie.be .
L’ouvrage peut également être acheté à la librairie « Le Vieux Quartier » (rue de la Croix, 30 à 5000 Namur - 081 22 19 94).
MARCHAL Jules
Poursuite du travail forcé après Léopold II
Edited: 201505031615
Interview de Jules Maréchal
TOUDI
JULES MARCHAL
Toudi mensuel n°42-43, décembre-janvier 2001-2002
Histoire de la monarchie belge

Les faces cachées de la dynastie belge.




TOUDI - Jean Stengers prétend qu'à partir de la reprise du Congo par la Belgique en 1908, les abus ont cessé?

JULES MARCHAL - Rien n'a changé. Et d'ailleurs c'est le même personnel qui est resté sur place. Si la Colonie a été administrée convenablement ce n'est qu'après 1945 voire 1950...

TOUDI - Pourtant on entend tant de coloniaux dire qu'ils sont été déçus parce que le Congo avait été merveilleusement équipé de routes, de chemins de fer, d'hôpitaux et que la décolonisation a détruit tout cela...

JULES MARCHAL - Tout cela a été fait pour les Blancs pas pour les Noirs. Ces routes ont été construites dans les années 1920 et 1930 par des gens qui n'étaient même pas payés. Ou alors 50 centimes par jour, ce qui est à comparer au prix du pain plusieurs fois supérieur ou d'une simple couverture qui coûtait 115 f en 1945. Le chemin de fer Matadi-Kinshasa a été reconstruit dans les années 1920. On a recruté des gens dans tout le Congo et on les a contraints à venir y travailler la corde au cou. Ce sont les soi-disant chefs coutumiers qui étaient chargés de désigner les gens à prendre pour ces besognes. Bien sûr ces travailleurs forcés tentaient de s'enfuir mais ils étaient exilés loin de leurs régions natales... Beaucoup moururent.

TOUDI - Mais le régime n'était-il pas aussi dur dans les autres colonies?

JULES MARCHAL - Certaines sociétés payaient 1 F par jour, dans les années 40 au Kivu. Le maximum était de 3 F à l'Union Minière du Haut Katanga. Mais à la même époque, au Kenya, les gens étaient payés un shilling par jour ce qui signifie sept fois plus. Bien sûr l'employeur était obligé de loger et de nourrir des travailleurs aussi peu payés, mais cela se faisait dans de misérables conditions. Et pourtant les maintenir en bonne santé était quand même un minimum. En fait de logement, les travailleurs recevaient un jour de congé pour construire leur hutte. C'est à partir du plan décennal 1950-1960 que les gens ont commencé à être mieux payés.

TOUDI - Les chemins de fer ont fait combien de morts?

JULES MARCHAL - Dans mon livre Travail forcé pour le rail, j'ai établi un nécrologe où apparaissent 3684 noms. Ces gens mourraient des conditions de travail qui leur étaient imposées. Il y avait tellement de morts partout où les gens étaient soumis au travail forcé que le gouverneur général a demandé que l'on en établisse des listes mensuelles. Le total des morts est le double de ceux figurant sur les listes..

TOUDI - Quel était le nombre de morts. Morel parle de 10 millions de morts durant l'époque de Léopold II (1985-1908) ou de l'État indépendant du Congo...

JULES MARCHAL - La dépopulation du Congo a causé de l'inquiétude jusqu'en 1950. Quand la Belgique a repris le Congo on a fait l'estimation d'une population de 7 millions et par après on a monté l'estimation jusqu'à 10 millions, ce qui était la population en 1960. Maintenant, on estime la population au Congo à 30 à 40 millions d'habitants. Je sais que l'on parle toujours de la misère du Congo après la décolonisation. Mais le Congo n'a jamais été aussi peuplé. On parle aussi actuellement d'une mise en coupe réglée du Congo par les sociétés étrangères mais le pillage était bien plus grave sous la domination belge.

TOUDI - Hochschild parle lui aussi de 10 millions de morts...

JULES MARCHAL - Tout ce qu'il dit est exact, il n'y aucune exagération. Ni dans les affirmations de Morel selon lesquelles la colonisation belge - dans son premier stade - a été la plus effroyable des colonisations après celle des Espagnols en Amérique indienne au 16e siècle. Quand Stanley a pénétré la première fois au Congo il a estimé la population - on ne peut jamais faire que des estimations à l'époque - à 40 millions d'habitants. Puis les estimations ont été revues à la baisse: à 17 millions. Au premier recensement de 1910, on a compté 7 millions d'habitants. La différence donne le chiffre de Morel de 10 millions de morts. J'estime que, durant les 30 ou 40 ans qui suivent la reprise du Congo par la Belgique, il y a eu encore d'innombrables milliers de morts à cause du travail forcé et des conditions générales de vie imposées par la colonisation. C'est à peine si la population a augmenté durant toute la colonisation alors que depuis 60 elle s'est multipliée par trois, passant de 10 à 30 millions d'habitants.

TOUDI - Vous avez été fonctionnaire colonial et donc vous avez vécu toutes ces réalités-là sur le terrain mais comment vous documentez-vous?

JULES MARCHAL - Depuis 25 ans, je vais constamment consulter les archives à l'ancien ministère des colonies. Aucun autre historien ne réalise ce travail.

TOUDI - Y avait-il une telle différence entre le Congo et les autres colonies?

JULES MARCHAL - Dans de nombreux coins d'Afrique poussaient autour des villages des palmeraies naturelles ou semi-naturelles. Dans les colonies britanniques les Anglais laissèrent les Noirs les exploiter. Au Congo, l'État s'en déclara propriétaire et les attribua e.a. à Unilever qui devint un grand exportateur d'huile de palme. Non seulement les Noirs étaient privés du fruit de cette culture mais encore étaient-ils recrutés pour y travailler dans des conditions très pénibles. Au Nigeria par exemple, le gouvernement britannique a laissé l'exploitation de ces palmeraies aux Noirs et le Nigeria a été longtemps le premier exportateur d'huile de palme. Cela fait toute une différence...

TOUDI - Si vous avez été fonctionnaire colonial, vous avez dû être le témoin direct du système léopoldien (ou des traces qui en demeuraient peut-être), puis de ce qui a suivi?

JULES MARCHAL - Quand je suis arrivé au Congo en 1948, il y avait déjà une amélioration. Le travail forcé avait cessé. On commençait à payer un peu mieux les gens et on traitait mieux la main d'oeuvre. Mais vous savez, même à mon époque, la contrainte existait encore. Je l'avoue, comme fonctionnaire, j'avais les pouvoirs d'un juge de tribunal de simple police. Et en tant que tel je condamnais les Noirs, dont se plaignait la société cotonnière, à quelques jours de prison. Je les condamnais à la suite d'un dialogue de ce genre : - Pourquoi n'as-tu pas fait ton champ de coton? - Ma femme était malade. - Ce n'est pas ta femme qui doit le faire. Sept jours de prison. Et je le mettais en prison. C'était une prison ambulante. Chaque matin on sortait trois ou quatre prisonniers à qui on donnait la chicotte pour effrayer les autres Noirs astreints aux travaux dans les champs de coton. La chicotte, c'était un instrument de torture tellement c'était douloureux. De mon temps, on en donnait encore 8 puis quatre coups de chicotte par séance. À l'époque, on en donnait jusque 100, entraînant parfois la mort. Et le coton que les Noirs étaient obligés de récolter, c'était payé à vil prix par les Belges. On comprend que dans ces conditions le Congolais n'a pas pu s'épanouir. Nous l'avons pillé.

TOUDI - Vous avez participé à ce système?

JULES MARCHAL - J'étais fier de ce que je faisais. Je ne me rendais pas compte à quel système je participais. Lorsque j'ai été ambassadeur au Liberia, j'ai lu dans un journal ce qui est bien connu dans tous les pays de langue anglaise à savoir que la colonisation du Congo par Léopold II y a diminué de moitié la population, entraînant un nombre de morts estimé à 10 millions. J'ai aussitôt cherché à rassembler les preuves que ce n'était qu'un mensonge, et cela pour défendre la réputation de la Belgique dont j'étais responsable en tant qu'ambassadeur. Mais les preuves que c'était un mensonge, évidemment, je ne les ai jamais trouvées. Je me suis mis alors à chercher, chercher et j'ai écrit plusieurs milliers de pages sur le Congo en compulsant à l'infini les archives. Quand Hochschild a eu le projet d'écrire son livre sur le Congo de Léopold II, il a contacté l'un des grands historiens belges spécialistes de la colonisation, Van Sina qui enseigne à l'Université du Wisconsin. Van Sina n'a pas recommandé ses propres collègues à Hochschild, ni Stengers, ni Vellut (etc.), mais il a dit à Hoschild d'aller me trouver. L'histoire, la recherche scientifique sur le Congo... Ces gens devraient s'offusquer de ce que j'ai fait leur travail. Car tous ces historiens n'ont jamais exposé le système à l'exception de Jean-Philippe Peemans mais qui n'a écrit que sporadiquement. Savez-vous que l'Union Minière finance encore aujourd'hui une chaire africaine à Louvain-la-neuve?

TOUDI - Comment expliquer qu'un tel silence se soit maintenu durant la colonisation, du moins en Belgique?

JULES MARCHAL - Il y a tout de même quelqu'un qui s'en tire avec honneur, c'est Émile Vandervelde qui n'a cessé de dénoncer les atrocités avant et après la reprise du Congo et encore en 1931 par exemple. Mais les gouvernements belges, après Léopold II et les rois qui lui ont succédé se sont faits les complices de l'exploitation. La Belgique s'est vantée de sa mission civilisatrice, d'avoir libéré le Congo de l'esclavage alors qu'elle l'a plongé dans une forme de travail forcé qui est encore pire que l'esclavage.

TOUDI - Mais qui pouvait couvrir cela?

JULES MARCHAL - La hiérarchie des missions catholiques. Les sociétés l'aidaient à construire des églises et des écoles pour l'évangélisation. Les missions étaient subsidiées par l'État et ceux qui arrivaient piller le Congo et, derrière la façade missionnaire, l'exploitation a pu se poursuivre. Quand Vandervelde dénonçait, les évêques le démentaient. En revanche, les missionnaire protestants, ne jouissant pas de subsides, étaient libres de ce qu'ils pouvaient dire. Les missionnaires catholiques ont couvert les crimes de la colonisation. C'est grâce aux missionnaires protestants que Morel a pu dénoncer la politique néfaste de Léopold II et qu'une Commission internationale a pu la constater, forçant le roi à céder le Congo à la Belgique qui devait y mettre bon ordre, ce qu'elle n'a pas réellement fait... À noter que le missionnaire catholique individuel, travaillant avec beaucoup d'abnégation, n'est pas à blâmer. J'ai toujours été son ami au Congo.

TOUDI - Peut-on utiliser le mot d'holocauste?

JULES MARCHAL- Faites attention d'utiliser ce terme, car il fait penser à génocide. Ce mot fait partie du vocabulaire juif et il n'est pas approprié à la décimation des Congolais (même si Hochschild l'utilise). Léopold II n'avait pas du tout l'intention d'exterminer les Congelais, mais il voulait se faire beaucoup d'argent sur leur compte et financer sa colonie et c'est ainsi que des millions de gens sont morts, mais uniquement pour l'argent pas en fonction d'une idéologie.

TOUDI - Les Congolais sont-ils conscients de tout cela?

JULES MARCHAL - Je crois, comme on le voit dans le discours de Lumumba du 30 juin 1960, qu'ils ont été conscients des humiliations infligées. Vous savez, le Congo belge c'était l'apartheid. Cet apartheid était aussi grave qu'en Afrique du Sud. Les Congolais ne pouvaient venir en Belgique, car ils y auraient vu des Blancs moins riches, des misérables, de pauvres diables etc. Et cela aurait cassé l'image de supériorité du Blanc qu'on voulait donner aux Congolais. Les Congolais ne sont pas conscients de l'exploitation effrénée dont ils ont été l'objet.

TOUDI - On se souvient que les coloniaux ont terriblement critiqué la venue de Noirs à l'exposition de 1958, visite considérée par eux comme la première erreur ayant mené à une certaine émancipation des esprits ou prise de conscience. Les Belges sont-ils plus conscients que les Congolais?

JULES MARCHAL - Les Belges n'en sont pas plus conscients. On sent même percer cela chez Colette Braeckman à l'occasion de ses reportages: elle se montre nostalgique des réalisations du Congo belge, tout en condamnant le régime de Léopold II. Les Belges ont le sentiment, à cause des mensonges de l'époque coloniale, qu'ils ont apporté au Congo tout un système sanitaire et scolaire entre autres. Mais ce système scolaire n'a été mis en place que pour l'enseignement primaire: on ne peut parler de réussite sociale dans le système que je vous ai narré.

TOUDI - Pourtant on souligne souvent que le Congo a été une réussite sociale ou matérielle mais un échec politique, notamment parce que l'on n'a pas formé d'élites.

JULES MARCHAL - Les " réussites matérielles " profitaient uniquement aux Blancs. Il y a avait un hôpital par territoire (correspondant à la moitié de la Belgique) au Congo, vous trouvez que c'est une réussite cela?

TOUDI - Pensez-vous que le personnage de Kurz dans Au coeur des ténèbres de Joseph Conrad serait un bon représentant de ce qu'a été la colonisation du Congo?

JULES MARCHAL - Kurz avait entouré sa maison de piquets auxquels étaient accrochées des têtes humaines décapitées. Il montre que l'environnement colonial peut créer un homme capable d'aller jusqu'au bout du crime et de l'horreur, c'est ce que veut faire sentir Joseph Conrad. Mais il n'est pas à considérer comme représentant de la généralité des Blancs.

TOUDI - Mais enfin cela, c'est les débuts de la colonisation?

JULES MARCHAL - Je voudrais bien insister ici. c'est vrai que le Congo léopoldien a été terrible, mais seulement la Terreur inaugurée par l'État indépendant du Congo a prolongé ses effets très loin sous le régime proprement belge. Vous comprenez, les Africains n'y touchant que des salaires de famine, n'avaient aucune envie d'aller travailler dans les plantations, les usines et les mines de cuivre, de diamants etc. La Terreur instaurée du temps de l'État indépendant du Congo a été soutenue jusqu'en 1950 par des méthodes qu'on appelait (par gradation): 1. les occupations militaires 2. les opérations militaires. On est même allée jusqu'à tirer sur des hommes désarmés avec des mitrailleuses comme chez les Pende au Kwilu en 1931. Ce dernier fait, le ministre des colonies Paul Tschoffen l'a reconnu à la Chambre le 21 juin 1932.

Il faut bien le voir: après la cession du Congo à la Belgique par Léopold II, le régime est resté pratiquement le même jusqu'en 1945, le nombre de morts diminuant quantitativement, mais l'exploitation étant demeurée la même sur le plan qualitatif d'un nouvel esclavagisme.

Le texte de cette conversation a été établi par Jules Marchal et la rédaction de la revue TOUDI.

Très bonne actualisation (ajout du 9/12/2009): Des millions de morts au Congo, l'avis d'un médecin en 1930.

link
LT
Congolees meisje met typische haartooi. Beeldje, kunstig gesneden uit ivoor.
Edited: 201504111710
ca. 15 cm hoog. 20ste eeuw. Province Orientale? Kisangani? Privé-collectie.
de Pradel de Lamase, Paul (1849-1936)
Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Edited: 201504070912
L'extrait qui fait suite, est tiré de l'ouvrage de Paul de Pradel de Lamase (1849-1936), "Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution". Il illustre une bien courte partie de la vie du château d'allassac (mais pas que lui) sur lequel je faisais quelques recherches.

Malgré le caractère "conséquent" de la citation, j'ai tenu pourtant à garder ce chapitre intact et complet car sa richesse et son contenu donne un éclairage très particulier, que je n'ai pas souvent rencontré, de la révolution Française dans son ensemble et une vue précise de l'agonie du château d'allassac.

Il me semble évident qu'une certaine forme de partialité concernant la période révolutionnaire se dégage de ce texte, même si les faits exposés semblent avoir été vérifiés et prouvés, il n'en reste pas moins que les actions décrites mettent surtout l'accent sur le vandalisme de la révolution, et laissent plus largement sous silence les motivations souvent justifiées de certains de sortir d'un régime que nous n'avons toutefois jamais vraiment quitté. N'ayant pas souvent sous les yeux la vision qua pu avoir l'auteur il m'a semblé interessant de la partager.

A plusieurs reprises lors de la lecture, l'auteur se livre à des analyses qui semblent pertinentes et il sait mettre en avant les arguments que nous utiliserions encore aujourd'hui. De même, une fois passé le vocabulaire tranchant qu'il utilise pour qualifier certains groupes on découvre une personnes avisée et clairvoyante sur la nature humaine.

Pour le reste, la description des biens et de l'histoire de leur disparition est une pure merveille de rédaction et de précision qu'il m'est difficile de couper. Jugez en par vous même :

La curée

Le plus important est fait; la famille de Lamase est en exil; ses grands biens sont privés de l'oeil du maître ; il s'agit maintenant de les priver du maître lui même, de les nationaliser, en un mot. Pour cet objet, il n'y a plus qu'à laisser le plan révolutionnaire se développer dans toute sa beauté. Ce plan est simple : les propriétaires dont la fortune est adjugée d'avance aux affiliés sont d'abord contraints de sortir de France ; on les empêchera ensuite d'y rentrer; on les punira de la confiscation pour être sortis ou pour n'être pas rentrés, et le tour sera joué.

L'Assemblée Constituante accomplit en deux ans la première partie du programme. Elle provoque le désordre, elle encourage l'émeute, l'assassinat et le pillage; elle renverse les lois et coutumes établies depuis des siècles; elle anéantit les parlements et les anciennes juridictions indépendantes; elle les remplace par des tribunaux dont les juges sont à la nomination du pouvoir politique, par conséquent à sa dévotion. Toutes les institutions garantissant la vie et les propriétés des sujets du roi sont supprimées en théorie quand cette assemblée de malheur passe la main à la Législative, au mois d'octobre 1791. Les bons citoyens ne peuvent plus se faire aucune illusion. Le roi, avili et sans force, est incapable de les protéger; plus de cent mille familles vont chercher à l'étranger le minimum de protection auquel a droit tout homme civilisé.

Il ne faut qu'un an à la Législative pour exécuter la deuxième partie du programme, pour ouvrir l'ère des injustices les plus criantes, des scélératesses les plus effrontées.

Quand elle aura terminé son oeuvre, toutes les victimes désignées seront solidement ligotées; la Convention et le Directoire n'auront plus qu'à frapper dans le tas, les yeux fermés. Il ne sera même plus nécessaire de disposer de tribunaux dociles pour priver les citoyens de leur liberté, de leur fortune, au besoin de leur tête. Celle-ci sera parfois à la discrétion des geôliers qui s'amuseront à massacrer vingt-cinq ou trente mille prisonniers dans les premiers jours de septembre 1792; les survivants, on les laissera mourir de faim au fond des geôles puantes, ou on les guillotinera. Le résultat sera le même. Ni les uns ni les autres ne viendront réclamer leurs biens, et c'est le seul point essentiel.

J'ai dit que la Législative avait rétabli la loi de confiscation et aboli le droit naturel d'aller et de venir dont les Français avaient toujours joui.

L'acte d'émigration ayant passé « crime » digne de mort et de confiscation, l'heure avait sonné en Limousin de faire main basse sur le patrimoine du plus incontestablement riche et du plus bienfaisant seigneur de la contrée. Dès le mois de septembre 1792, mon bisaïeul fût inscrit sur la liste des émigrés. De quel droit ? Ses bourreaux ignoraient le lieu de sa retraite et ils ne firent aucune démarche pour la découvrir. M. de Lamase vivait à l'écart; dès que les jours devinrent très sombres, il avait pris un correspondant à Strasbourg, et toutes les lettres qu'il fit parvenir de sa retraite à ses compatriotes sont datées de cette ville alors française. Les prescripteurs devaient présumer qu'il n'avait pas franchi la frontière .

En l'inscrivant, sans plus ample informé, sur les tablettes de l'émigration, les administrateurs du district d'Uzerche, préjugeant le « crime » sans le constater, commettaient une première forfaiture. Je la signale ici pour mémoire, le chapitre suivant devant établir que le « coupable » ne fut jamais émigré, au sens que les lois homicides de l'époque attachaient à ce mot.

Les scellés furent apposés sur ses meubles et ses biens-fonds placés sous séquestre. C'était la première formalité de la dispersion aux quatre vents d'une fortune acquise par dix générations, au prix de mille efforts d'intelligence et d'économie.

Deux des frères de Jean de Lamase et un de ses fils, qui tous trois étaient restés dans leur province ou y étaient revenus, essayèrent d'obvier aux effets désastreux de cette mesure préparatoire en opposant à son exécution des moyens dilatoires, soit en revendiquant leur légitime sur les héritages, soit en se faisant nommer séquestres de quelques domaines, soit encore en rachetant aux enchères les meubles auxquels ils étaient particulièrement attachés.



Pauvres moyens ! Au jeu de l'intrigue les honnêtes gens en lutte avec les malfaiteurs ont toutes chances de succomber, car il est écrit depuis trois mille ans que « les enfants des ténèbres sont mieux avisés que les enfants de lumière dans la conduite des affaires temporelles ».

On le fit bien voir à ces infortunés. Les persécutions qu'ils endurèrent sur place furent parfois plus amères que celles de l'exil. Ils furent aussi bien et aussi complètement volés que le chef de famille... et bernés, par-dessus le marché ; ce qui est plus humiliant que d'être assassiné.

Quand on voulut mettre en vente les immeubles séquestrés, aucun acquéreur sérieux ne se présenta, tout d'abord.

C'était au commencement de 1793. Les fermiers seuls auraient eu l'audace de s'approprier les terres qu'ils avaient le cynisme de faire valoir, pour le compte de la nation; mais comme ils ne croyaient point à la durée de l'orgie; comme, d'autre part, ils ne payaient au département qu'un prix de fermage dérisoire, ils préféraient de beaucoup profiter de l'aubaine pour épuiser les champs et les vignes, en tirer le plus possible de revenus annuels et mettre ces revenus, convertis en numéraire, à l'abri des retours de la fortune.

Les paysans, les vrais, ceux qui mangent leur pain à la sueur de leur front, éprouvaient une horreur invincible à se souiller d'un vol perpétré à la face du soleil.

Leur conscience était restée et reste encore foncièrement respectueuse de la propriété d'autrui. Il existait, sur la question, un précédent qui leur fait trop d'honneur pour que je m'abstienne de le raconter ici où il trouve naturellement sa place.

Vers le commencement du seizième siècle, un Pérusse des Cars avait consumé sa fortune en fondations d'hôpitaux et d'autres bonne oeuvres. Afin de subvenir aux besoins de ses onéreuses créations, il avait hypothéqué la part de patrimoine que la loi lui interdisait formellement d'aliéner, sous n'importe quelle forme.

Ses dettes étaient donc nulles légalement ; mais le pieux seigneur n'entendait point rendre des créanciers confiants victimes de libéralités exagérées. En un testament admirable de piété et d'honneur il rendit compte à ses enfants de la situation, les suppliant, en vue du repos de son âme, de tenir pour bons et valables les engagements prohibés qu'il avait pris.

Ceux-ci cherchèrent à se conformer à ses désirs, mais ils rencontrèrent, pour l'exécution, une résistance opiniâtre dans la volonté des créanciers qui ne voulaient pas être payés et dans le refus des habitants d'acheter les terres qui servaient de gages aux créances. De guerre lasse, les des Cars abandonnèrent les domaines engagés, purement et simplement.

L'un de ceux-ci consistait en une vaste prairie attenant au fief de Roffignac. Pendant cent ans et plus cette prairie resta close comme lieu sacré, tabou. La cloture tomba enfin d'elle-même et l'enclos devint, par la force de l'habitude, bien communal où chacun menait, à son gré, paître son bétail ; c'était, plutôt qu'un bien communal, une prairie nullius. Elle a traversé même la révolution dans ces conditions, et ce n'est qu'après 1860 qu'elle a trouvé un acquéreur, lequel a déposé le prix d'achat dans la caisse municipale.

Si les vrais paysans persistaient dans leur aversion du bien d'autrui, les autres, les petits bourgeois des environs et les passe-paysans, pour qui la révolution semblait avoir été faite, témoignaient encore de la méfiance.

Les propriétés de mon arrière-grand-père étaient d'ailleurs offertes en bloc, et j'ai pu me convaincre qu'à cette époque, il en avait été de même dans presque toute la France.

En refusant de morceler les latifundia, la république montrait ainsi qu'elle entendait ne rien faire pour le menu peuple et qu'elle désirait simplement présider à la substitution de riches par d'autres riches... Mais allez faire comprendre cette claire vérité aux malheureux enivrés des mots sonores de Liberté et d'Egalité !...

En attendant que la Convention autorisât le morcellement, d'abord en gros lots, puis en lots minuscules, on s'attaqua aux divers mobiliers qui garnissaient les châteaux ou les simples maisons de l'exilé.

Je ne m'occuperai que du mobilier de Roffignac et de celui d'Uzerche.

L'invasion de Roffignac, le 25 janvier 1790, par les émeutiers et les gardes nationaux de Brive, complices du désordre et du pillage, avait considérablement détérioré les richesses amoncelées dans l'antique demeure. Les procès-verbaux officiels, rédigés quelques jours après l'événement, ne parlent que de placards éventrés, d'étoffes lacérées, de barriques de vin et d'eau-de-vie défoncées, de glaces brisées, et sont muets d'ailleurs sur le nombre et la nature des meubles emportés, quoiqu'il fût notoire que chacun des envahisseurs en eût pris à sa convenance, sans être le moins du monde inquiété !

Les chaumières des environs et aussi nombre de maisons bourgeoises s'étaient largement approvisionnées de lits, de couvertures, de draps, de serviettes, de fauteuils, de chaises, de tableaux de prix et de miniatures représentant de petits amours devant lesquels les femmes des voleurs s'agenouillaient pieusement, les prenant pour des Enfants Jésus.

Cependant la conscience des paysans se tourmente facilement ; elle est plus craintive que celle des messieurs ; la peur d'un retour offensif de la justice humaine les talonnait. Ils se défirent, moyennant quelques sous, des objets de valeur qu'ils étaient d'ailleurs incapables d'apprécier.

Les beaux meubles ne tardèrent pas à orner les logis bourgeois de la contrée ; ce fut bientôt un luxe à la mode, parmi les familles comme il faut et inclinées dans le sens de la révolution, de se faire honneur d'objets artistiques ayant appartenu bien authentiquement au château de Roffignac.

Cette mode n'est pas tout à fait éteinte au bout d'un siècle révolu.

Je sais un grand prêtre du droit, aujourd'hui mort, forcé de son vivant, — fait unique dans les annales de son Ordre — de vendre sa charge pour y avoir exécuté des tours de sa façon, qui s'est rendu acquéreur, au prix de 400 francs, d'une vaste armoire armoriée et sculptée, laquelle vaut vingt fois plus, au cours actuel des meubles anciens. Mais un de ses parents pauvres la détenait, et il a saisi l'occasion de faire la bonne affaire, à ses dépens et aux miens. Car ce meuble m'appartient toujours, il n'y a pas de révolution qui tienne.

Si je m'étais avisé pourtant de la réclamer à ce ruffian, il m'aurait répondu certainement que « possession vaut titre. »

Nous verrons bien !

Quoique découronné de ses pièces les plus belles et les plus apparentes, le mobilier de Roffignac, où l'utile était mêlé au somptueux, avait de quoi satisfaire encore bien des cupidités et bien des curiosités.

L'administration républicaine en jugea ainsi, espérant que les amateurs se présenteraient aussi nombreux que les acquéreurs des biens-fonds se faisaient rares. Voler un meuble ne semble pas, en effet, aussi coupable ni surtout aussi accusateur que voler un champ. Le meuble se détruit à l'usage, et quand il est usé il n'en est plus question ; un champ reste, au contraire, et le blé qu'il produit chaque année reproche son crime au larron, et ceci à perpétuité.

Le calcul était juste. On commença par le mobilier d'Uzerche. Celui-ci était intact ou semblait intact, car je dirai tout à l'heure ce qu'il y manquait d'essentiel.

Il fut divisé en huit cent soixante lots, sauf légères erreurs dans mes additions,car j'ai la nomenclature sous les yeux et je tiens à être précis. Ces huit cent soixante lots furent adjugés pour la somme totale de 7.083 livres 8 sols 3 deniers.

Cette vente, présidée par le citoyen Roume,semble avoir été effectuée en un seul encan, le 25 mars 1793, ce qui montre à quel point on avait hâte d'en finir avec cette opération véreuse.

Les prix s'en ressentirent. Les acheteurs payant en assignats, et les assignats étant tombés déjà à ce moment à 50 p. 100 de leur valeur nominale, il convient de fixer à 3.500 francs environ la somme réellement perçue par le Trésor.

Quant à l'estimation véritable de tous ces objets, dont la possession allait embellir et empoisonner tant de maisons, on s'en fera une idée quand j'aurai noté que deux fauteuils en bon état et recouverts de velours d'Utrecht furent vendus 8 livres en assignats; et une excellente bergère 10 livres de la même monnaie.

En évaluant à 50.000 francs le prix marchand de notre mobilier meublant d'Uzerche, je crois rester au-dessous de la vérité.

Que de noms on relève dans cette longue liste d'acheteurs, qui seraient étonnés de s'y voir couchés tout vifs ! Mais il me plaît d'être discret.

Il est d'ailleurs probable, qu'un certain nombre d'entre eux, obligés de donner des gages de civisme, avaient, en s'appropriant certains objets, la bonne intention de les rendre plus tard au légitime possesseur et même de s'en faire accroire à ses yeux, au cas où la contre-révolution eût été victorieuse et où M. de Lamase serait revenu en maître.

Mais voilà ! Le contraire s'est produit et l'enfer est pavé de bonnes intentions. Presque tous ces enchérisseurs ont pensé que ce qui est bon à prendre est bon à garder... et ils ont tout gardé! Peut-être en est-il encore, parmi leurs descendants, qui se couchent dans nos draps et s'essuient avec nos serviettes, tant, dans les anciennes maisons, le linge était abondant et de qualité durable.

Je ne connais, dans l'espèce, que deux cas de restitution.

En 1837, un de mes grands-oncles, accablé par l'âge, désira mourir sinon dans le lit, du moins dans le fac-similé du lit à baldaquin où il était né. Il connaissait le paroissien qui, moyennant 17 livres 10 sols, se l'était approprié et, depuis un demi-siècle, y étendait tous les soirs ses membres maintenant engourdis par la vieillesse.

Mon oncle lui demanda par lettre de permettre à son ébéniste d'en prendre le dessin et la mesure. Le bonhomme, qui était devenu dévot, non par crainte de dieu mais par peur du diable, répondit en envoyant l'objet et ses accessoires, regrettant que tout cela ne fût plus très neuf. J'ajoute qu'il restituait un vieux lit, mais qu'il retenait une terre importante qui n'avait pas vieilli.

En 1910, un pauvre artisan d'Uzerche l'a imité, en rendant spontanément un papier de famille; c'est un diplôme de l'Université de Bordeaux, concernant un de mes ancêtres; ce parchemin n'a aucune valeur, même à mes yeux; le geste ayant été honnête, je tiens à le noter.

L'opération de la vente d'Uzerche s'étant effectuée sans trop de scandale, on procéda à celle de Roffignac, mais celle-ci fut singulièrement plus longue et ne dura pas moins de dix décadis consécutifs.

La valeur en était beaucoup plus importante, tellement importante que le citoyen Lavergne, commissaire du district de Brive, vint s'installer au château pour y diriger l'encan et y vivre grassement aux frais de la princesse, assisté des citoyens Chicou et Deyzat.

Commencées le 1er septembre, les enchères ne furent terminées qu'en décembre et produisirent un total d'environ 50.000 livres en assignats, équivalant à un peu plus de 25.000 en numéraire, ce qui porte la valeur marchande aux alentours de 300.000.

Et une bonne partie de la marchandise avait été abîmée par le passage des barbares.

Les réflexions suggérées par les opérations effectuées à Uzerche s'imposent au sujet de celles d'Allassac. J'userai d'une égale discrétion en ce qui concerne les noms des profiteurs d'occasion, évidemment plus nombreux... cinq ou six cents ! Je ne me permettrai qu'une observation au point de vue de l'art.

Mon arrière-grand-père, jaloux de moderniser Roffignac et de lui imprimer le cachet de distinction alors à la mode, avait orné l'escalier d'honneur d'une rampe magnifique en fer forgé. Ce chef-d'oeuvre était calqué exactement sur la rampe du palais ducal de Nancy qui passait pour une merveille de ferronnerie et qui est réputée de nos jours encore pour une chose remarquable. Les brutes officielles la cassèrent en vingt et un morceaux et la subdivisèrent en autant de lots qu'achetèrent vingt et une autres brutes sans épithète.

Qu'ont-ils fait de ces lots ? Quelques-uns sans doute portèrent les leurs au forgeron qui dut les transformer en instruments aratoires. Mais j'en soupçonne d'autres, déjà messieurs quoique sans-culottes, de les avoir gardés jusqu'à des temps plus calmes pour les revendre à bénéfice, car la belle orfèvrerie de fer a toujours été prisée des connaisseurs.

Je ne dois pas terminer ce rappel de la venté nationale de nos mobiliers sans faire une constatation d'ordre général, car elle s'applique à toutes les rapines du même genre, sur toute la surface du territoire de la république.

Dans les inventaires interminables qui défilent sous mes yeux, je vois bien aligner des lits, des draps, du linge, des fauteuils, des canapés, des chaises, des pots de chambre, des balais, des bahuts, des bois de bibliothèques, des ustensiles de ménage et de cuisine, etc., etc.; je ne vois jamais figurer de bijoux, d'argenterie, de tableaux et de livres précieux. Et Dieu sait si mon arrière-grand-père était fourni de ces objets de luxe, aussi bien d'ailleurs que la plupart des châtelains, des bourgeois et même des campagnards aisés de son temps ! Rien que son argenterie de table représentait une fortune. Et cependant on ne met en vente ni un seul couvert ni un seul plat d'argent. Tout cela est évanoui. L'invasion bestiale des émeutiers de Roffignac a mutilé et brisé des meubles qui se voient, des pendules, des glaces, laissant intacts l'or et l'argent rangés dans des coffres qu'ils ont négligé d'éventrer. Mais à l'invasion des rustres en blouse et en sabots ont succédé plusieurs invasions de gens bien mis et bien chaussés, qui, sous prétexte d'apposition de scellés ou de formalités d'inventaires, ont clandestinement pénétré dans les riches demeures, fracturant les serrures et emportant le solide; tout ce qui, sous un volume médiocre, représente la forte somme réalisable à toute heure et dont personne ne s'avise de demander compte. Ils laissent les miettes du festin au menu peuple, fabriquent ainsi des milliers de complices et, grossissent la responsabilité de ces complices, dans le but de les déterminer à persister à jamais dans l'hérésie révolutionnaire ; ils se dissimulent dans l'ombre et s'emparent de l'or et de l'argent, sûrs que la possession de ces métaux les mettra à l'abri des réclamations futures; car l'argent ni l'or ne portent avec eux la marque du possesseur légitime, ou, s'ils la portent, il est facile de l'effacer.

Ce phénomène, encore une fois, s'est produit partout, d'abord secrètement, puis ouvertement, à la face du soleil. Les grands guillotineurs forcent les détenteurs de numéraire et d'orfèvrerie à les déposer, sans reçu, entre leurs mains. Ils volent les calices et les ciboires des églises, brûlent les chapes sacerdotales pour en extraire les fils précieux.

Fouché, après son proconsulat de Nevers, entasse les produits métalliques de ses exploits dans quatre fourgons qu'il expédie tranquillement vers sa maison de Paris. Lequinio fait faire des perquisitions domiciliaires à Rochefort et remplit trois tonnes d'écus de six livres, qui constituent ses petits profits. On verra plus loin qu'on allait jusqu'à fouiller dans les poches pour en extraire la monnaie.

Cette raréfaction de l'or et de l'argent, opérée par les chefs de la révolution et à leur avantage exclusif, produisait fatalement la disette, laquelle occasionnait les accaparements du blé et, finalement, déterminait la banqueroute. Ces trois dénouements, faciles à prévoir, devaient être trois nouvelles sources de lucre pour les bandits. Ils les escomptaient, et ce calcul odieux n'est pas un des côtés les moins intéressants de la philosophie révolutionnaire.

La France, on ne saurait trop insister sur cette vérité, possédait cinq milliards de métaux d'échange en 1789, beaucoup plus proportionnellement qu'aujourd'hui, étant donnés les besoins décuplés du commerce. La moitié de ce trésor national était monnayée; l'autre était convertie en objets d'art. Cette joaillerie était la réserve de la France, car, dans un besoin pressant de l'Etat, ses détenteurs n'hésitaient jamais à la porter au trésor public pour y être traduite en numéraire.

La révolution n'avait pas sévi trois ans qu'il ne circulait plus en France une seule pièce d'or et d'argent, et qu'on ne mangeait plus que dans des assiettes de faïence avec des fourchettes de fer.

Les divers hôtels des Monnaies, autrefois et depuis si actifs, tombèrent en sommeil comme les Loges. C'est à peine s'il a été frappé, de 1790 à 1801, pour quinze millions de numéraire jaune et blanc. La frappe du billon, dont la valeur intrinsèque est insignifiante, fut seule intarissable, comme l'impression des assignats.

Où avaient donc passé ces cinq milliards ? Evidemment dans les poches des chefs de la conspiration.

Aussitôt l'ordre matériel rétabli et la Banque de France instituée, on vit s'engouffrer dans ce réservoir national tous les métaux précieux naguère introuvables. Après les avoir liquidés les fripons éprouvaient le besoin de les solidifier à nouveau ("Sarepta dicitur Gallia, ubi metallis rapiendis et liquandis" Exégèse rabbinique de la Bible). Si, de 1790 à 1802, la Monnaie n'a fabriqué que quinze millions de pièces métalliques, elle en a jeté en circulation pour plus de quatre milliards dans les dix années qui suivent.

Il semble bien que voler soit le propre de l'homme, presque autant que forniquer. Il faut une grande vertu naturelle et beaucoup de religion pour résister à la tentation de pratiquer ces deux vices, quand le diable les présente dénués de danger et abrités contre la honte.

En 1793 vertu et religion étaient également bafouées.

Quand les gens demi-honnêtes eurent compris qu'on pouvait, en prenant quelques précautions légales, s'approprier le mobilier d'autrui, sans éprouver de trop cuisants remords et sans être montrés au doigt par le voisin aussi peu innocent qu'eux-mêmes, ils estimèrent que la prise de possession des maisons et des terres du prochain ne tirerait pas beaucoup plus à conséquence.

Il se présenta donc des acquéreurs pour concourir aux adjudications des biens-fonds.

On avait vite renoncé à former des lots considérables auxquels seuls auraient pu prétendre les gros bonnets du pays, du moins ceux qui ne refusaient point de se déshonorer mais prétendaient y mettre des formes.

Il convenait donc de laisser les paysans s'engager les premiers dans cette opération malhonnête. Ils en auraient la honte et, plus tard, on s'arrangerait pour racheter leurs petites parcelles, d'autant plus aisément que les cahiers des charges contenaient une clause de rescission de vente en cas de non-paiement dans les délais stipulés. En outre, il fallait payer comptant le premier dixième de l'adjudication; c'était un moyen de vider à fond les bas de laine des cultivateurs et de « liquider » tous les métaux de France, jusqu'au dernier louis, jusqu'au dernier écu de six livres, conformément au programme.

D'ailleurs, le conventionnel Cambon, le receleur en chef de tous les biens volés, criait misère. Les biens, dits nationaux, étaient les gages des assignats et les assignats baissaient, baissaient toujours.

La Convention ordonna alors de diviser les latifundia en plusieurs lots, de vendre chaque parcelle à n'importe quel prix et d'accorder aux acheteurs de grandes facilités de paiement.

En ce qui concerne les domaines de mon arrière-grand-père, les administrateurs de la Corrèze décidèrent qu'il serait politique de commencer par la mise en vente d'une vaste prairie qui s'étendait au pied de sa maison patrimoniale d'Uzerche, et qui, par sa situation en contre-bas des anciens remparts, était d'une fécondité rare. Constamment arrosée par la Vézère et engraissée par les eaux de la ville, elle excitait la convoitise des sans-culottes peu délicats.

La prairie, d'une contenance de 24.800 toises carrées d'après l'inventaire officiel, c'est-à dire de dix hectares environ, fut divisée en huit lots.

Sept furent vendus le 19 ventôse de l'an II, ce qui correspond au 9 mars 1794.

Oh ! par cher. Cette propriété, qui vaut certainement aujourd'hui plus de 100.000 fr. en bloc, pouvait être évaluée à cette époque 60.000 livres. Elle fut cédée aux amateurs pour le prix de 15.925 fr.

Un peu plus du quart, dira-t-on. Il est donc exagéré de prétendre que les biens nationaux ont perdu sur le marché 95 p. 100 de leur valeur.

Attendez ! Le prix de 15.925 francs existe bien sur le papier officiel, mais la somme effectivement versée au Trésor fut réduite au chiffre plus modeste de 1.218 fr. 55. La dépréciation réelle subie par notre prairie d'Uzerche fut donc de 98 p. 100.

Par quel miracle d'opération mathématique et de rouerie fiscale en est-on arrivé à ce résultat fantastique ?

Oh ! bien simple. Les acquéreurs avaient la faculté de se libérer en assignats reçus à leur taux nominal, et ils en usaient avec d'autant plus d'enthousiasme que l'assignat était déjà tombé au commencement de 1794 à 40 p. 100 de sa valeur fiduciaire ; mais ils avaient aussi le droit d'anticiper les payements fixés à dix échéances annuelles, toutes égales.

Ils en usèrent de même ; cependant ce ne fut point par excès de zèle.

Je prends comme exemple l'individu qui se rendit adjudicataire du lot n° 1 au prix officiel de 2.400 francs. Le jour de l'enchère il versa deux cent quarante livres en assignats, soit quatre-vingt-dix francs convertis en numéraire. L'année suivante, cent francs d'assignats ne valaient plus que vingt francs. Il donna encore deux cent quarante livres, soit cinquante francs en numéraire. Au commencement de 1796, la troisième année de l'acquisition, un vent de ruine soufflait sur toute la France. On achetait couramment mille livres en assignats avec un louis d'or authentique ou avec quatre écus de six livres.

Tous les acheteurs du pré Lamase jugèrent le moment favorable pour anticiper les payements. Ils acquittèrent huit annuités d'avance. L'adjudicataire du premier lot paya donc les 1.920 francs qu'il devait encore en monnaie de singe, je veux dire avec huit ou dix écus de six livres, en sorte que sa nouvelle propriété, si elle lui coûta son honneur et peut-être le salut de son âme, ne l'appauvrit que de 161 fr. 55, pas même la valeur de la moitié d'une récolte de foin.

Cette spéculation était à la portée de toutes les intelligences. Parmi les soixante-dix à quatre-vingts voleurs de nos immeubles je n'en ai remarqué qu'un seul n'ayant pas su profiter de l'occasion. C'était un sot qui paya cher sa sottise. En effet, vers la fin de 1796, les grands chefs de la révolution, ayant jugé que la vaste escroquerie des assignats avait procuré le maximum de profit qu'ils pouvaient raisonnablement en attendre, décrétèrent leur première banqueroute. Disqualifiant eux-mêmes les quarante-sept milliards de petits papiers revêtus de leurs signatures, ils décidèrent que ceux-ci ne seraient plus reçus, à aucun taux, dans aucune caisse publique. Il fallut payer en numéraire et bon nombre d'acheteurs de biens nationaux en étant démunis furent déchus de leur acquisition. Le vol leur coûta au lieu de leur rapporter, et beaucoup de paysans apprirent à leurs dépens qu'il en cuit parfois de s'acoquiner avec les fripons des villes.

Les bourgeois et les gentilshommes dévoyés attendaient ce moment-là pour reprendre, à meilleur marché encore qu'en 1793 et 94, les parcelles qu'on avait abandonnées aux miséreux et arrondir les gros lots dont ils étaient déjà nantis. Ce mouvement tournant et enveloppant leur fut facilité par le gouvernement du Directoire qui décida dès lors qu'on ne mettrait plus les biens nationaux aux enchères mais qu'on les céderait de gré à gré.

On peut imaginer la nouvelle gabegie à laquelle donna lieu cette mesure.

Voici pourquoi les latifundia, qu'on ne voulait plus souffrir aux mains des nobles, se reconstituèrent entre les griffes des clercs d'huissiers, hommes de loi, secrétaires de mairie, magisters de villages, prêtres défroqués et autres espèces qui composèrent l'immense majorité des gros acheteurs, et dont quelques-uns ont fait souche d'honnêtes gens, défenseurs du trône, de l'autel, surtout partisans irréductibles du principe sacro-saint de la propriété. Leurs descendants croiraient manquer à toutes les traditions de la chevalerie s'ils n'ornaient point leurs noms de la particule, s'ils ne le flanquaient point même parfois d'un titre ronflant.

Cette note historique et philosophique m'a éloigné un peu du sujet principal du chapitre. Aussi bien, dois-je supposer que les digressions de cette nature offrent un intérêt plus général que la nomenclature un peu sèche des biens ravis, alors même que j'imprimerais tout vifs les noms des personnages qui ne rougirent pas de s'enrichir de ces dépouilles, noms qui sont au bout de ma plume mais qui n'en sortiront pas encore. Il me suffit, pour l'instant, de troubler leurs héritiers dans une possession... moralement irrégulière.

Je me suis étendu assez longuement sur la vente de la prairie d'Uzerche, afin de mettre à nu les procédés de liquidation de l'époque révolutionnaire, et pour expliquer pourquoi l'immense vol des biens nationaux ne constitua finalement qu'une opération financière des plus médiocres. Cinq cent quarante millions seulement sont tombés dans les poches du détrousseur en chef, Cambon, et l'on estime à vingt-cinq milliards la valeur marchande des propriétés qui furent confisquées, soit huit milliards au clergé tant régulier que séculier, quinze milliards aux émigrés et deux milliards aux décapités. Cela fait à peine du 3 p. 100, moins que les brocanteurs louches ne donnent aux cambrioleurs et moins que les banqueroutiers frauduleux qui se respectent, après fortune faite, n'attribuent à leurs clients.

Il semble d'ailleurs que ce soit un prix fait. Le milliard des congrégations, je l'ai dit dans la préface, ne produit que trente millions, soit 3 p. 100 de l'estimation, et les prolétaires septuagénaires n'en tirent pas plus de profit que les pauvres de 93 n'ont tiré de revenant-bon de la spoliation des nobles et des prêtres. C'est le métier des déshérités de la fortune d'être toujours dupes.





Si le pré Lamase n'a procuré que 1.218 fr. 55 net au Trésor, la belle terre de Roffignac a rapporté moins encore proportionnellement. En 1789, elle était estimée un million environ. Sa valeur s'est beaucoup accrue depuis, tant à cause de la bonification de la culture qu'en raison de l'exploitation d'ardoisières d'un excellent rapport (Ces ardoisières sont exploitées par une société en actions, en sorte qu'un nombre notable de mes compatriotes se partagent nos trésors souterrains. On trouve parmi les actionnaires, non seulement la quantité mais parfois aussi la qualité, je veux dire certains noms qu'on aimerait autant ne pas rencontrer sur la liste). Jusqu'en 1796 c'est à peine si l'on en avait détaché quelques lambeaux, achetés par des paysans ambitieux d'agrandir le champ dont ils étaient riverains. En 1795 on divisa le bloc en quatre lots qui furent acquis par trois petits bourgeois d'Allassac et un ancien valet de chambre du château. Celui-ci consacra à l'accomplissement de sa mauvaise action les économies de ses gages; ce qui constitua un placement avantageux, car ses descendants vivent encore sur la terre plantureuse acquise ainsi par l'ancêtre, en bons rentiers, craignant Dieu et les gendarmes. Je respecte leur quiétude en ne les nommant pas. Par charité je tais aussi le nom de ses trois camarades qui expièrent, de leur vivant, par des fins lamentables, leur faute jugée par Dieu impardonnable en ce monde.

Les quatre gros lots et les petits furent adjugés au prix global de 252.000 livres, payées sur-le-champ ou en deux termes, avec des assignats valant un louis les mille livres, — mettons deux pour faire bonne mesure — ce qui ramène la somme versée au Trésor au maximum de dix ou douze mille livres — un peu plus de 1 p. 100.

La terre de Vignols fut divisée en neuf lots. L'un d'eux fut généreusement abandonné à mon grand-père qui, n'ayant pas émigré, avait droit au quart des biens de son père, c'est-à-dire au septième du quart, puisqu'il ne représentait qu'un septième de la descendance. Mais on lui rogna quand même ce vingt-huitième de portion. Après ventilation, il n'obtint qu'une maison d'habitation et une quinzaine d'hectares de prés, terres, bois et vignes. Il dut s'en contenter, car il y allait de la vie de protester, et j'ignore s'il ne fut pas même contraint de dire merci! Coûte que coûte, il importait de sauver du naufrage universel ce lopin de l'héritage des Maulmont, l'illustre famille qui a eu l'honneur de donner deux papes à l'Église, Clément VI et Grégoire XI.

Les terres possédées sur le territoire de la ville d'Uzerche, y compris la prairie Lamase, furent adjugées au prix total de 262.000 livres, qui rapportèrent à Cambon dans les trente mille francs ; ce qui fait presque du 9 p. 100 sur l'adjudication; mais pour obtenir la valeur réelle il faut, comme dans les autres cas, multiplier 262.000 par 4.

Dans la commune de Vigeois, huit cents hectares environ, subdivisés en vingt-cinq ou vingt-six domaines et constituant cinq seigneuries, Roupeyroux, Haute et Basse-Mase, Charliac, Charliaguet et La Nauche évitèrent le morcellement à l'infini. Il semble que chacune de ces propriétés ait été adjugée à un seul enchérisseur, et les prix atteints furent relativement élevés. C'est ainsi qu'on paya la Haute-Mase 31.000 livres et la Basse-Mase 32.000. La Nauche fut adjugée à un métayer, nommé Lacroix, qui emprunta à un usurier l'argent qu'il jugeait utile à la faisance-valoir. Au bout de deux ans le prêteur le fit exproprier, et Lacroix, sans ressources, se fit bandit et coupeur de routes, estimant ce métier plus honorable que celui de voleur de biens. Les gendarmes le massacrèrent dans un chemin creux, en 1799, au cours d'une de ses expéditions nocturnes. Un des domaines de Charliac fut laissé à mon grand-père, soit disant pour compléter, avec les quinze hectares de Vignols, la part de sa légitime.

Le reste de la propriété de Charliac fut morcelé, mais les divers acquéreurs subirent, plus ou moins, la fâcheuse destinée de Lacroix. Leurs premiers successeurs ne furent pas plus heureux. Quand les drames parurent oubliés, un spéculateur patient fit masse de tous les morceaux et en constitua, en les joignant à la terre et au château de la Nauche, une des plus belles propriétés du pays.

Le Roupeyroux fut adjugé à un ancien huissier, le nommé B..., celui-là même qui a rendu en 1837 le lit à baldaquin. Il l'a transmis à ses enfants et c'est maintenant son petit-gendre qui l'occupe, quand il n'occupe pas au tribunal.

Le domaine de Fleyniat à Lagraulière fut adjugé au prix officiel de 25.000 livres. Les beaux et nombreux domaines de Perpezac-le-Blanc, de Perpezac-le-Noir, d'Orgnac, de Voutezac, du Lonzac, etc., furent vendus à des aigrefins dont j'ai la liste (Un des acquéreurs, sans le sou, se porta adjudicataire d'un domaine pour le prix de 30.000 livres. II courut à sa nouvelle propriété, en détacha une paire de boeufs et s'empressa de les vendre à la foire voisine au prix de 40.000 livres en assignats. Il en donna 30.000 au fisc, et avec le reste acheta deux veaux. Je défie bien les apologistes les plus déterminés de la révolution de démontrer qu'une propriété constituée de cette façon repose sur des bases inébranlables.).

Je me dispense de la divulguer; mais j'exprime un regret cuisant en songeant à la perte de la terre de Montéruc, au demeurant d'assez mince valeur. Elle nous venait des Roffignac qui la tenaient eux-mêmes, par suite de trois alliances consécutives, du cardinal Aubert de Montéruc, neveu du pape Pierre Aubert des Monts, connu dans l'histoire sous le nom d'Innocent VI (1352-1362) (Si Montéruc n'avait pas grande importance, en tant que terre régie par le seigneur, elle en avait une inappréciable par le nombre des redevances auxquelles étaient astreints les habitants du pays. Je n'ai pas compté moins de trois cents de ces tributaires, payant qui une géline, qui une douzaine d'oeufs, ou une gerbe de blé ou une gerle de vin, etc. Ces redevances ou servitudes provenaient de ventes régulières ou de donations à titre légèrement onéreux; elles servaient à maintenir un lien très ténu mais indéchirable entre le maître primitif et les familles de ses anciens tenanciers ; c'était un rappel de propriété. En détruisant tous ces titres dans la fatale nuit du 4 août, l'Assemblée Constituante a donc commis un attentat contre le bien d'autrui, premier crime qui a facilité les autres.).

Avant de clore ce chapitre des spoliations, il est juste de consacrer quelques pages à la destinée du château de Roffignac, dont les conjurés du Bas-Limousin ne pouvaient considérer l'aspect majestueux sans qu'une basse envie ne pénétrât leurs âmes cupides et n'échauffât la haine qu'ils avaient vouée au châtelain.

Aucun cependant n'avait osé l'acheter pour s'y prélasser en maître. Même aux heures de complet bouleversement et de travestissement de toutes les conditions sociales, les usurpateurs les plus osés reculent devant certains ridicules.

En sus des quatre gros lots du bloc domanial, il existait une réserve assez importante entourant la demeure seigneuriale. L'administration de l'enregistrement l'avait affermée à un sans-culotte qui était, en même temps, un sans-soutane, car c'était un prêtre défroqué (J'ai longtemps cru que ce malheureux était le curé d'Allassac, mais des renseignements plus précis m'ont appris qu'il était curé d'une paroisse voisine où nous avions aussi des biens. Le scandale reste d'ailleurs le même.).

Cet apostat y faisait bombance tandis qu'une affreuse disette sévissait sur toute la contrée, et il s'efforçait de donner tous les jours des gages de plus en plus irrécusables de son sans-culottisme. Les novices du crime ont toujours peur de n'y être point enfoncés assez profondément pour étouffer leur conscience et pour donner aux professionnels des preuves suffisantes de leur sincérité. Ce double sentiment explique pourquoi les plus forcenés terroristes furent généralement des prêtres ou des ex-dévots.

Le spectre du vieil exilé, dont il dévorait audacieusement les revenus, hantait ses rêves. Il lui aurait volontiers fait couper le cou, mais la victime était hors de portée. Ne pouvant lui prendre la tête, il résolut de s'en prendre à son château et de détruire ainsi une demeure de gens de bien.

La démolition de Roffignac ne pouvait rien rapporter à personne. Le peuple criait la faim : on lui offrait des pierres. Il paraît que le système a du bon puisqu'il réussit encore quelquefois.

Quand l'ex-curé proposa à la municipalité de la commune d'Allassac de découronner le château, celle-ci fut choquée qu'il prît une initiative aussi radicale. L'apostat menaça alors les officiers municipaux de porter contre eux une accusation de modérantisme. Epouvantés, ils le supplièrent de faire du moins les choses régulièrement, de présenter une requête officielle sur laquelle ils prendraient une délibération conforme à ses désirs. Le déprêtrisé s'exécuta, mais comme c'était un prévoyant de l'avenir le texte de sa pétition a totalement disparu.

Il reste pourtant les procès-verbaux des actes officiels auxquels donna lieu ce document.

C'est d'abord le récit des événements qui provoquèrent la première réunion du conseil municipal d'Allassac :

La pétition avait été transmise par l'intermédiaire de deux jacobins de la commune et renvoyée à une commission; mais sans attendre que la municipalité eût statué sur sa demande, l'apostat avait ameuté deux fois le peuple, et le peuple avait menacé de procéder sans autorisation à la démolition. On l'avait calmé en le « pérorant », et en promettant d'envoyer sur-le-champ deux commissaires à Brive, chargés de solliciter des administrateurs du district, « seuls investis du pouvoir d'ordonner la destruction d'un bien national, la permission d'abattre Roffignac ».

Manifestement, les officiers municipaux ne cherchaient qu'à gagner du temps. Mais ils n'avaient pas eu la main heureuse dans le choix des commissaires expédiés au district de Brive. L'un de ceux-ci, fesse-mathieu de la localité, était capable de marcher sur le cadavre de son père pour parvenir à faire parler de lui.

Les bruits les plus sinistres couraient sur l'autre, tout jeune homme, étranger au pays. Il y était apparu depuis six mois à peine, amené de très loin par un marchand roulier qui, le sachant réfractaire à la conscription, l'avait caché dans le chenil de sa carriole pour le dérober aux recherches des gendarmes. On assurait que, levantin d'origine et conduit en France par un officier de marine qui l'avait fait instruire, il avait livré son libérateur au bourreau. Audacieux et bavard intarissable, il n'avait pas tardé à prendre la tête des sans-culottes du pays, et les honnêtes gens le redoutaient.

La municipalité d'Allassac lui avait donné, ainsi qu'à son collègue, l'instruction secrète de rapporter à tout prix un arrêté du district de Brive prescrivant de surseoir indéfiniment à la démolition du château.

Par la lecture de l'arrêté qui suit on va voir comment les deux drôles s'étaient acquittés de cette mission de confiance.

Je passe sur les préliminaires, rappelant la pétition du mauvais prêtre R...

"L'administration du district, n'entendant pas contrarier la voix du peuple pour la démolition du cy-devant château de Roffignac, déclare recommander à la loyauté du peuple de la Commune d'Allassac la conservation du mobilier et des denrées, tant en vins qu'en grains, qui sont dans les bâtiments de ce cy-devant château, dont le peuple serait responsable tant collectivement qu'individuellement, en cas de dilapidation ou dégradation; sous la même responsabilité, de pourvoir à la sûreté des dits objets, soit par le moyen des scellés sur les portes des bâtiments qui les contiennent, s'ils ne doivent pas être démolis, soit par le déplacement, s'il y a lieu, après en avoir préalablement constaté les quantités et qualités par un procès-verbal énumératif régulièrement fait, avec recommandation expresse à la dite municipalité de prendre toutes les autres mesures de précaution que sa prudence lui suggérera suivant les circonstances, pour la conservation des dits objets.

Fait au conseil d'administration du district de Brive, le 1er germinal, an II, de la Rép. fr., une et indivisible.

Suivent cinq signatures."

Il n'y avait plus qu'à s'exécuter et, dès le lendemain, la municipalité d'Allassac faisait procéder à la nomenclature du mobilier restant encore dans le château.

Cet inventaire n'offre point par lui-même grand intérêt ; il témoigne seulement de l'inquiétude des malheureux obligés de le dresser et des précautions qu'ils prennent pour accroître, le plus possible, le nombre des responsables. Neuf signatures, en effet, sont apposées au bas de ce long document, et l'une d'elles a même été, ultérieurement, grattée frénétiquement. A ces neuf noms sont ajoutés ceux de douze commissaires désignés pour surveiller les travaux de la démolition et prendre garde que les matériaux ne soient point détériorés. Tout le long du papier, ces infortunés officiers municipaux protestent qu'ils agissent ainsi à leur corps défendant.

La destruction méthodique dura quatorze jours, du 4 au 18 germinal de l'an II. La population, que les citoyens R... et X... avaient représentée comme désireuse d'accomplir au plus vite cet acte de vandalisme, fit preuve, au contraire, d'une remarquable tiédeur, et il fallut menacer les paysans poulies forcer à coopérer à l'enlèvement gratuit et obligatoire de pierres qui ne serviraient plus à rien. Beaucoup se demandaient si c'était pour aboutir à pareil résultat qu'on avait supprimé la corvée avec tant de fracas (la corvée avait été abolie en Limousin par Turgot, dès 1761 ; elle le fut également pour toute la France en 1789, non seulement la corvée seigneuriale mais encore la corvée publique, autrement dite « prestation ». Elle fut rétablie le 20 prairial an II, sous le nom de réquisition, et dans les conditions les plus abusives, puisque les citoyens furent contraints de travailler les uns pour les autres, sous peine de déportation).

Les tyranneaux des départements trouvèrent moyen d'exaspérer encore l'arbitraire de la Convention. J'ai sous les yeux une circulaire des administrateurs d'Uzerche adressée par eux à tous les maires du district en leur transmettant le décret du 20 prairial. A la peine de déportation édictée par la Convention contre les ouvriers agricoles qui se déroberaient à l'obligation de la corvée, ils substituent, de leur propre autorité, la menace de la guillotine, et ce n'était point un vain épouvantail ; le men-

Enfin la partie du château condamnée à mort était tombée le 18 germinal, comme le constate une pièce officielle datée de ce jour et revêtue de la signature du maire et de deux de ses officiers municipaux. Le défroqué requis de signer également s'y refusa avec énergie. Ce n'était pas seulement un misérable, c'était un roué. On ne peut rien invoquer contre une signature authentique, mais on peut toujours nier avoir participé à un acte criminel quand la culpabilité ne laisse pas de témoignages décisifs.

Toujours harcelé par l'esprit de prudence, il ne voulait pas se rendre acquéreur des restes du château et des jardins, quoiqu'on lui offrit le tout à vil prix. Cependant; il fallait que le décret des Loges fût exécuté. Mes parents, quoi qu'il advînt, ne devaient pas rentrer en maîtres dans leur vieille demeure, même en ruinés, et c'est pour cette raison — rien que pour cette raison — qu'on les fit languir dix-huit mois à Paris.

Un petit bourgeois d'Allassac se laissa tenter, en 1802, par l'esprit de Spéculation.

Il morcela les terrains aplanis par la démolition de germinal, an II, ainsi que les beaux jardins escarpés qui grimpaient jusqu'au mur d'enceinte de là petite ville. On a construit sur ces emplacements des masures, maintenant lamentables de vétusté;

Le corps du château, en dépit de son émasculation vandalique, gardait encore belle apparence avec sa tour carrée centrale décapitée, abritant à droite et à gauche deux corps de logis.

N'en pouvant rien tirer et n'osant l'habiter de peur d'être l'objet des moqueries de ses concitoyens, le premier spéculateur le céda à un second.

Celui-ci emprunta de l'argent à un homme qui avait le plus grand intérêt moral à faire disparaître les derniers témoins muets de ses hypocrisies d'antan.

Cet homme n'eut garde de faire exproprier son débiteur, mais il avait assez d'influence sur le conseil municipal pour le déterminer à acheter le monument, sous le prétexte de bâtir une maison d'école. Le marché fut conclu. Le créancier commença naturellement par se rembourser avec les deniers publics; puis Roffignac fut rasé et la maison d'école, telle qu'on la voit encore aujourd'hui, a été construite sur les fondements du château.

En l'édifiant on avait évité, par motif d'économie, de défoncer les caves voûtées qui témoignaient toujours de l'importance et de la solidité des antiques constructions.

En 1897, la municipalité d'Allassac, composée d'ailleurs de braves gens, gênée par ces voûtes pour ses opérations de voirie, en décréta l'effondrement ainsi que la suppression d'une porte gothique, dernier reste des fortifications de la petite ville.

...etiam periere ruinae.

Il n'y a plus rien !... rien de ce Roffignac qui fut, suivant les traditions les mieux accréditées, le berceau du christianisme dans les Gaules; qui aurait abrité saint Martial; qui, sûrement, a donné l'hospitalité au pape Innocent VI, à quatre rois de France, au duc d'Anjou, vainqueur de Jarnac et de Moncontour, à Henri IV, au duc de Bouillon et à son illustre fils, le maréchal de Turenne, à nombre d'autres personnages éminents;... qui avait étendu, à travers les siècles, son ombre bienfaisante sur toute la contrée.

Il existe encore à Allassac une grosse tour ronde ayant toujours dépendu du fief seigneurial. Edifiée par Pépin le Bref, lors de ses guerres contre les aquitains, elle est d'une allure imposante et constitue un beau joyau pour son propriétaire, — sans utilité pratique d'ailleurs.

Elle n'avait pas été vendue et, depuis 1814 jusqu'en 1846 environ, mon grand-père et ses frères avaient exigé de la ville d'Allassac un fermage de deux francs, établissant leur droit de propriété et interrompant la prescription. A cette dernière date, le maire du lieu, sous couleur d'ardente amitié, confia à mon père, avec des tremblements dans la voix, qu'il aurait la douleur de lui faire un procès au nom de la commune, s'il ne renonçait pas à sa rente de quarante sous. Mon père, qui n'était pas processif, céda.

Je fais mention de cette tour parce que les voyageurs la remarquent dans le trajet du chemin de fer de Paris à Toulouse, dominant la plaine, et parce que je ne dois rien oublier de nos revendications.

On l'avait rendue à mon arrière-grand-père, après le décret d'amnistie de 1802, mais il n'en pouvait rien faire.

On lui avait aussi rendu sa maison d'Uzerche, mais dans quel état ?

Diminuée des trois quarts comme son château de Roffignac. Pendant la période jacobine, l'administration d'Uzerche avait, elle aussi, pris un arrêté prescrivant de la démolir sous prétexte qu'elle affectait les allures d'une forteresse et qu'elle flanquait la porte « Pradel », ce qui constituait évidemment une double injure à la liberté.

Ce qu'on voit maintenant de notre vieille demeure ne représente pas même l'ombre de son aspect d'autrefois, quand elle était rapprochée du mur d'enceinte, ornée de tours à ses quatre angles, entourée de murs et de fossés, rendant l'accès de la ville presque impraticable à l'ennemi.

Il est extrêmement probable qu'elle avait été bâtie par mon premier ancêtre limousin, Géraud ; son style architectural est indiscutablement du quinzième siècle, comme on peut s'en assurer par la photographie publiée ci-contre, qui reproduit une gravure ancienne conservée à la mairie d'Uzerche.

La partie de la maison laissée debout, et servant autrefois de communs, avait été convertie en prison où l'on entassa, sous la Terreur, les femmes suspectes du district, et Dieu sait si elles étaient nombreuses !

C'est à cause de cette particularité qu'elle n'avait pas été mise en vente et qu'elle fit retour à son légitime possesseur, mais aussi nue qu'au jour lointain où le maître « ès-art maconnerie » l'avait livrée à son premier propriétaire.

Impossible en 1802 d'acheter des meubles, faute d'argent; donc, impossible de l'habiter.

Mes parents furent réduits à accepter l'hospitalité de l'un de leurs proches.

Ces deux vieillards, qui avaient été les rois de leur pays, rois par l'opulence et la dignité de leur vie, rentrèrent chez eux dénués des ressources les plus élémentaires. La révolution les avait contraints à cette détresse, parce qu'ils auraient commis le crime d'émigration, inexistant en droit pur et rayé expressément du code au mois de septembre 1791.

Le plus étrange, c'est que ce crime, même entendu et interprété dans le sens le plus révolutionnaire, mon arrière-grand-père ne l'a jamais commis.

Titre : Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Auteur : Pradel de Lamase, Paul de (1849-1936)
Éditeur : Perrin (Paris)
Date d'édition : 1912
Jean Ferrat
Ma France
Edited: 201503250151







Ma France
De plaines en forêts de vallons en collines
Du printemps qui va naître à tes mortes saisons
De ce que j'ai vécu à ce que j'imagine
Je n'en finirai pas d'écrire ta chanson
Ma France
Au grand soleil d'été qui courbe la Provence
Des genêts de Bretagne aux bruyères d'Ardèche
Quelque chose dans l'air a cette transparence
Et ce goût du bonheur qui rend ma lèvre sèche
Ma France
Cet air de liberté au-delà des frontières
Aux peuples étrangers qui donnait le vertige
Et dont vous usurpez aujourd'hui le prestige
Elle répond toujours du nom de Robespierre
Ma France
Celle du vieil Hugo tonnant de son exil
Des enfants de cinq ans travaillant dans les mines
Celle qui construisit de ses mains vos usines
Celle dont monsieur Thiers a dit : "qu'on la fusille"
Ma France
Picasso tient le monde au bout de sa palette
Des lèvres d'Éluard s'envolent des colombes
Ils n'en finissent pas tes artistes prophètes
De dire qu'il est temps que le malheur succombe
Ma France
Leurs voix se multiplient à n'en plus faire qu'une
Celle qui paie toujours vos crimes vos erreurs
En remplissant l'histoire et ses fosses communes
Que je chante à jamais celle des travailleurs
Ma France
Celle qui ne possède en or que ses nuits blanches
Pour la lutte obstiné de ce temps quotidien
Du journal que l'on vend le matin d'un dimanche
A l'affiche qu'on colle au mur du lendemain
Ma France
Qu'elle monte des mines descende des collines
Celle qui chante en moi la belle la rebelle
Elle tient l'avenir, serré dans ses mains fines
Celle de trente-six à soixante-huit chandelles
Ma France
CLERBOUT Geert
En nu gaan ze boeten! Repressie tegen zwarten in Vlaanderen na WO II
Edited: 201503200907


Pb, in-8, 222 pp.
Publicatiedatum: 20 maart 2015
Uitgever: Van Halewyck
Het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt al zeventig jaar achter ons en toch beroert die wereldbrand de gemoederen nog steeds. In ons land zorgt vooral de repressie vandaag nog voor politieke controverse. Hoewel wetenschappelijk onderzoek vele mythes al lang heeft ontkracht, houden ze toch stand. Als het op de repressie aankomt, heeft ieder duidelijk zijn eigen waarheid. In En nu gaan ze boeten! komen de mensen die het zelf hebben meegemaakt aan het woord: collaborateurs, hun kinderen, verzetsmensen, journalisten, politici, professoren, advocaten en substituten. Hun getuigenissen loodsen ons door de eerste jaren na de oorlog en voeren ons van de woelige septemberdagen van 1944, toen enkel de wet van de straat gold, over interneringskampen en gevangenissen, naar de rechtszaal. Ze vertellen over de vernederingen en de excessen, maar evengoed over hulp uit onverwachte hoek. En uiteindelijk blikken ze zelf terug: was de repressie rechtvaardig? Alle partijen hebben hun waarheid, zowel de witten als de zwarten. Historicus Geert Clerbout schreef eerder al Oorlog aan de Dijle en de twee boeken van het tv-programma Publiek Geheim.



Over Ludwine Servaes:





zie ook het boek van Frank Seberechts
GEBHARDT Miriam
Als die Soldaten kamen. Die Vergewaltigung deutscher Frauen am Ende des Zweiten Weltkriegs.
Edited: 201503150814

ISBN 978-3-421-04633-8
Darin werden insbesondere Vergewaltigungen durch westliche Alliierte thematisiert, wodurch das Werk eine kontroverse Debatte auslöste. Gebhardt fordert unter anderem, Vergewaltigungen nach Kriegsende stärker aufzuarbeiten.Rezensenten lobten, Gebhardt habe eine „Stärkung der Empathiekompetenz der Öffentlichkeit“ zum Ziel.
Miriam Gebhardt (* 28. Januar 1962 in Freiburg) ist eine deutsche Historikerin, Autorin und Journalistin.

Comment in English:
A million women were raped by Allied soldiers in Germany in the immediate aftermath of World War II, a new books claims.
‘When The Soldiers Came,’ by historian Miriam Gebhardt, is hailed as the definitive account of the treatment meted out to the defeated women of Nazi Germany which they remained silent about for decades out of shame and humiliaton.
‘At the very least 860,000 women and girls – and also men and young boys – were raped by the occupying Allied soldiers and their helpers. It happened everywhere,’ begins the book.
Until now it was widely thought that only the Red Army, which advanced on Germany with rape as a weapon sanctioned by Soviet dictator Josef Stalin, committed the mass rapes upon tens of thousands of women, many of whom committed suicide.
‘Soldiers of the western Allies were also guilty,’ said Mrs. Gebhardt, a renowned historian in Germany who tracked down some victims to interview them about their ordeal at the hands of British and American soldiers.
‘I researched the book for over a year and-a-half,’ she said. ‘I wanted to tell the story of what ‘happened from the perspective of the victims. I wanted to reconstruct the crimes as gently as I could.’
She said the ‘terrible crimes’ did not only take place in the Soviet zones of occupation – long chronicled and well-known about – but also in French, British and American sectors.
A familiar slogan of the times was: ‘It took six years for the Americans to struggle against the German armies but it only took a day and a slab of chocolate for them to conquer German women.’
But not all collaboration in the bedroom was voluntary, writes Gebhardt.
She said the false impression grew up after the war that German women gave themselves to western soldiers because they brought with them things they desperately needed – nylons, food, cigarettes, coffee.
‘The impression grew that there was no rape in the west but rather a kind of prostitution grew up,’ said the author.
But in fact countless women were raped, she said, with soldiers believing they could treat them as they wanted after bearing coveted gifts.
‘Post-war society was hardly ready to differentiate between voluntary and forced sexual contact.
‘Between women who prostituted themselves out of emergency needs and those who had become victims of rape.’
Added to the trauma of the western victims was the shame suffered by the children they bore from their attackers.
‘Their fathers were, mostly, unknown, and the women received no financial help at all,’ said Gebhardt.
She said in parts of southern Germany, occupied by American troops, there were often ‘free nights’ where soldiers were encouraged to abuse women at will for up to 48 hours at a time.
The alleged victims are ‘relieved’ their hardship is coming to light, she added.

Source Credits: Allan Hall in the Daily Mail from Berlin.
CHAGALL
Les grenouilles qui demandent un roi - De kikkers die een koning wilden - The Frogs Asking for a King
Edited: 201503150048
Gouache sur papier - Gouache op papier - Gouache on paper. Production year: 1927 - Private collection. - Foto MERS 20150314.
Compare:
THE FROGS, grieved at having no established Ruler, sent ambassadors to Jupiter entreating for a King. He, perceiving their simplicity, cast down a huge log into the lake. The Frogs, terrified at the splash occasioned by its fall, hid themselves in the depth of the pool. But no sooner did they see that the huge log continued motionless, than they swam again to the top of the water, dismissed their fears, and came so to despise it as to climb up, and to squat upon it... After some time they began to think themselves ill-treated in the appointment of so inert a Ruler, and sent a second deputation to Jupiter to pray that he would set over them another sovereign. He then gave them an Eel to govern them. When the Frogs discovered his easy good nature, they yet a third time sent to Jupiter to beg that he would once more choose for them another King.
Jupiter, displeased with all their complaints, sent a Heron, who preyed upon the Frogs day by day, till there were none left to complain ...
Source:
Aesop's Fables
Copyright 1881
Translator: unknown
WM. L. Allison, New York
Illustrator: Harrison Weir, John Tenniel, Ernest Griset, et.al.
DEMEUR Adolphe
Les sociétés anonymes ...
Edited: 201501212334
DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique en 1857. Collection complète des statuts collationnés sur les textes officiels, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1859.




DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique à partir du 1er janvier 1858. Suite et complément de la collection complète des statuts en 1857, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1859.




DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique années 1870-1873 jusqu'à la mise en vigueur de la loi du 18 mai 1873. Suite et complément de la collection complète des statuts en 1857, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1874.



Résumé




La publicité des actes et documents relatifs aux sociétés commerciales est un principe important qui est inscrit dans la législation commerciale belge depuis le début du XIXème siècle.


Le statut de société anonyme (SA) apparaît dans le Code de commerce de 1807 et sa création est soumises à des dispositions très restrictives. Parmi les conditions de formation des nouvelles sociétés et de modification de statuts des anciennes, il fallait que l'entreprise dépasse par son besoin de grands capitaux ou son côté chanceux les portées des sociétés "normales". La nouvelle SA ne pouvait pas porter préjudice aux entreprises déjà en place. La publication de tous les actes officiels est obligatoire. Enfin, la société devait avoir un caractère purement commercial. De par ces mesures restrictives, on compte seulement cinq cent quarante quatre (544) créations de société anonymes belges entre 1819 et 1873.


Le juriste A. Demeur publie de 1859 à 1876 son ouvrage : Les sociétés anonymes en Belgique. Collection complète de statuts en vigueur collationnés sur les textes officiels avec une introduction et des notes. La publication compte quatre volumes. Elle reprend les statuts d'une grande partie des sociétés anonymes crées en Belgique entre 1819 et 1873. Plus de 478 statuts et modifications de statuts sont enregistrés dans leur intégralité. Cinq cents documents (jurisprudence, bilans, etc.) accompagnent les actes. Les sociétés sont regroupées en fonction de leur secteur d'activité. Chaque volume est précédé d'une introduction juridique et historique. Cet ouvrage est idéal pour connaître les publications antérieures à 1830 et peut servir d'index au Moniteur.


Aujourd'hui, les ouvrages de Demeur forment un outil fondamental et indispensable pour les historiens qui étudient les sphères financières et économiques de la Belgique du XIXème siècle. La numérisation de ces ouvrages vise à répondre aux difficultés croissantes de consultation dues à la détérioration rapide et à la rareté de ces volumes.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales : actes et documents à partir de la mise en vigueur de la loi du 18 mai 1873 jusqu'au 1er janvier 1876, Bruxelles : Chez l'Editeur, nd.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales de la Belgique : actes et documents : statuts, documents divers, jurisprudence, années 1876, 1877, 1878, Chez l'Editeur, nd.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales de la Belgique : actes et documents : statuts, documents divers, jurisprudence, années 1879-1884 Chez l'Editeur, nd..


La publicité des actes et documents relatifs aux sociétés commerciales est un principe important qui est inscrit dans la législation commerciale belge depuis le début du XIXème siècle.


Alors que la publication des statuts dans le Moniteur belge était seulement nécessaire pour les sociétés anonymes, les grandes réformes de 1873 vont rendre cette publication obligatoire pour l'ensemble des types de sociétés. A cette fin, le gouvernement crée des Annexes au Moniteur belge, Recueil des actes, extraits d'actes, procès-verbaux et documents relatifs aux sociétés.




L'utilisation de cette publication est rendue extrêmement difficile par une absence totale d'index jusqu'en 1876. A partir de ce moment, un index annuel classé selon le statut des sociétés est publié au quatrième trimestre de l'année. Cette organisation est fort peu pratique si l'on ne connaît pas le statut de la société que l'on recherche. De plus, les modalités de classement de cet index répondent à des lois qui sont très incohérentes.


Pour faciliter le travail des juristes et notaires, ainsi que l'information des investisseurs potentiels A. Demeur va publier de 1876 à 1886 trois volumes des Sociétés commerciales de la Belgique, actes et documents. Cette publication va reprendre dans leur intégralité les actes concernant les sociétés les plus importantes et pour les autres un intitulé et une référence aux Annexes du Moniteur.
OBAMA Barack
State of the Union 2015: Let's turn the page and fight inequality.
Edited: 201501210958
(extract)
President Obama's State of the Union address as prepared for delivery on Jan. 20, 2015:

Mr. Speaker, Mr. Vice President, Members of Congress, my fellow Americans:
(...)


Now, the truth is, when it comes to issues like infrastructure and basic research, I know there's bipartisan support in this chamber. Members of both parties have told me so. Where we too often run onto the rocks is how to pay for these investments. As Americans, we don't mind paying our fair share of taxes, as long as everybody else does, too. But for far too long, lobbyists have rigged the tax code with loopholes that let some corporations pay nothing while others pay full freight. They've riddled it with giveaways the superrich don't need, denying a break to middle class families who do.

This year, we have an opportunity to change that. Let's close loopholes so we stop rewarding companies that keep profits abroad, and reward those that invest in America. Let's use those savings to rebuild our infrastructure and make it more attractive for companies to bring jobs home. Let's simplify the system and let a small business owner file based on her actual bank statement, instead of the number of accountants she can afford. And let's close the loopholes that lead to inequality by allowing the top one percent to avoid paying taxes on their accumulated wealth. We can use that money to help more families pay for childcare and send their kids to college. We need a tax code that truly helps working Americans trying to get a leg up in the new economy, and we can achieve that together.


LT
wetsvoorstel belasting op grote vermogens neergelegd in de Kamer
Edited: 201501201808
Hieronder geven we de Memorie van Toelichting.
DAMES EN HEREN,
Het is van heel groot belang dat voor iedereen toegankelijke openbare diensten en alle vormen van sociale bescherming behouden blijven, om aldus de economische en de sociale ongelijkheden weg te werken.
Die doelstellingen impliceren een fiscaal beleid dat uitgaat van een billijke bijdrage tot de overheidsfinanciën.
De fiscale ontvangsten zijn echter nog steeds voor ruim 70% afkomstig van de belasting op de inkomsten uit arbeid en van heffingen op de consumptie van de gezinnen (btw en accijnzen); een heel groot deel van die consumptie wordt overigens betaald met de inkomsten uit arbeid.
De gelijke spreiding van het vermogen neemt gaandeweg af, niet alleen doordat vermogen steeds meer met inkomsten uit kapitaal wordt opgebouwd, maar ook doordat vooral de inkomsten uit arbeid en de consumptie van de gezinnen worden belast. Die vaststelling toont aan dat het absoluut noodzakelijk is dat het kapitaal meer bijdraagt tot de financiering van de collectieve behoeften.
De indieners van dit wetsvoorstel menen dat die bijdrage tot de collectieve behoeften, om rechtvaardig en billijk te zijn, rekening moet houden met de bijdragecapaciteit van elkeen en moet steunen op het beginsel van de progressiviteit van de belastingen via een belastingschaal met progressief hogere schijven, waarbij “drempeleffecten” worden voorkomen.
De bijdragecapaciteit van de belastingplichtige kan worden bepaald op grond van zijn vermogen. Een vermogen biedt immers zekerheid, en verschaft de belastingplichtige de mogelijkheid inkomsten te verkrijgen.
Dit wetsvoorstel beoogt een heffing in te stellen op de grote vermogens wanneer die 1 250 000 euro netto overschrijden. Het ligt dus niet in de bedoeling de middenklasse,
de lagere inkomens of de kleine spaarders te treffen. Deze belasting geldt evenmin voor de vennootschappen, noch voor de bezittingen die worden aangewend voor een beroepsactiviteit. Dit wetsvoorstel beoogt dus “slapend kapitaal” te doen bijdragen, niet het kapitaal dat wordt gebruikt voor economische activiteiten die banen scheppen en inkomsten genereren.
Dat bedrag van 1 250 000 euro wordt berekend per natuurlijke persoon die onderworpen is aan de belasting op de grote vermogens (de belastingplichtige). Wanneer een natuurlijke persoon samen met een andere belastingplichtige een goed bezit, zal de waarde die voor de belasting op de grote vermogens in aanmerking wordt genomen, worden berekend in verhouding tot diens aandeel in de onverdeelde eigendom van het goed dat hij in mede-eigendom bezit.
Het vermogen omvat alle roerende en onroerende goederen, alsook alle waarden en rechten die een belastingplichtige volledig of deels bezit.
Er is in een aantal uitzonderingen voorzien. De indieners hebben onder meer beslist bij de vermogensberekening geen rekening te houden met de goederen die uitsluitend voor de uitoefening van een beroepsbezigheid worden aangewend. Zoals al is aangegeven, is het
immers niet de bedoeling de economische activiteit te benadelen.
Voorts komt de eigen woning evenmin in aanmerking voor de vermogensberekening. De belasting zal omwille van de fiscale billijkheid progressief stijgen (per schijf) en een regeling omvatten die ertoe strekt ongewenste drempeleffecten te voorkomen. Er wordt voorzien in verschillende percentages opdat de belastingdruk niet contraproductief wordt, want die
percentages worden jaarlijks toegepast op een vermogen, niet op een inkomen.
De indieners beogen meer fiscale rechtvaardigheid, waarbij men zeker niet mag vervallen in een fiscale regeling die al te forse happen uit vermogens haalt.
De voorgestelde regeling houdt aangifteplicht in: elke belastingplichtige die deze belasting verschuldigd is, moet bij de belastingadministratie een aangifte indienen, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.

lees hier het wetsvoorstel 


 

Lucas Tessens
Paris: aanslag op Charlie Hebdo: 12 doden
Edited: 201501080034
Het ergste wat er nu kan gebeuren is dat er een of andere halve gare een granaat in een moskee binnengooit. Want dan brandt Parijs.

Laten wij met z'n allen hopen dat het niet zover komt.

Europa moet zich herbezinnen over eigen maatschappelijke spelregels en dat is nog wat anders dan wetten. We moeten alle burgers beoordelen op hun gedrag, niet op hun afkomst, 'looks' of overtuiging. Dat zijn de waarden van de Verlichting, de Franse Revolutie, de Rechten van de Mens.
Anderzijds moeten mensen die zich niet houden aan de maatschappelijke spelregels ophouden met diegene die hen wijst op onaanvaardbaar gedrag, onmiddellijk 'racist' te noemen.
Onaanvaardbaar gedrag verdient immers collectieve afkeuring en desnoods repressief optreden.

Er is ook nood aan goede voorbeelden. Vandaag kunnen we niet zeggen dat die van de top komen. De vis rot van de kop af.

Het weze gezegd dat Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid niet los van elkaar kunnen bestaan. Want hoe kan ik zonder gelijkheid u in vrijheid mijn broeder of zuster noemen?

Het ONTBREKEN van rechtvaardigheid, gelijke kansen, degelijk onderwijs, gezondheidszorg, een billijk loon, eerlijke verdeling van de lasten, ..., dat is de voedingsbodem van extremisme en verkeerd begrepen religie.

En hoe vaak is godsdienst niet misbruikt om mensen te doen geloven in een beter hiernamaals en hen rechten te ontzeggen tijdens hun leven op aarde? Als godsdienst mij van mijn medemens verwijdert, hoe kan ik dan geloven in het goede? Als de Boodschap mij wordt gebracht door mensen die praten met gespleten tong, hoe kan ik dan naar het Licht streven?

Ik kan heel goed leven in een wereld zonder God, een wereld waarin we voor elkaar zorgen en mekaar Charlie mogen noemen.

(tekst aangepast op 20150111)
De Tijd 20150102
Proximus/Belgacom en Bpost : verder privatiseren zou vergissing zijn
Edited: 201501032357
De Belgische Staat zou er verkeerd aan doen winstgevende overheidsbedrijven te verkopen. Dat is zonneklaar. Behalve dan voor twitteraar Vincent Van Quickenborne (OpenVLD) want die blijft een fervent aanhanger van het perfide neoliberale spel: we verkopen wat rendabel is en we collectiviseren de verliezen.
Bram Verschuere (docent overheidsmanagement UGent) lanceert in De Tijd van 20150102 het denkspoor dat een overheidsbedrijf ook publieke dienstverlening moet verzorgen; dat zou dan hét criterium zijn om de Staat referentieaandeelhouder te laten blijven.
Wij delen deze mening geenszins. De Staat moet zoals een goede huisvader over de rentabiliteit van haar beleggingen waken en het algemeen belang dienen. Een eenmalige operatie om de begroting te doen kloppen is uit den boze. Bovendien is het vrijwel zeker - zoals CEO Dominique Leroy terecht stelt - dat bij een verkoop, Belgacom en Bpost in buitenlandse handen terecht komen.
Blijkbaar worden Belgacom en Bpost nu beter dan vroeger geleid. Dat slaat een argument uit de handen van de neolibs die altijd beweerden dat overheidsbedrijven enkel slecht management kennen. Overigens kan je je dan afvragen of politici de aangewezen personen zijn om de NV België te managen. Kijkend naar de feiten van de laatste 35 jaar blijkt dat de politici wetten hebben gemaakt om hun rijke vriendjes terwille te zijn. Die moeten fiscaal niet mee betalen voor het in stand houden van de collectieve voorzieningen en het welzijnsbeleid.

Na de verkoop van de inboedel rest de Staat enkel het beheer van de miserie. Is het dat wat we willen?
NULTY Thomas
Back to the land
Edited: 201412271246
The Most Reverend Dr. Thomas Nulty or Thomas McNulty (1818-1898) was born to a farming family in Fennor, Oldcastle, Co. Meath,[1][2] on July 7, 1818 and died in office as the Irish Roman Catholic Bishop of Meath[3] on Christmas Eve, 1898. Nulty was educated at Gilson School, Oldcastle, County Meath, St. Finians, Navan Seminary and Maynooth College. He was ordained in 1846. Nulty was a cleric during the Irish Potato Famine. During the course of his first pastoral appointment, he officiated at an average 11 funerals of famine victims (most children or the aged) a day, and in 1848 he described a large-scale eviction of 700 tenants in the diocese.[4]

Nulty rose to become the Most Reverend Bishop of Meath and was known as a fierce defender of the tenant rights of Irish tenant farmers throughout the 34 years that he served in that office from 1864 to 1898.[5][6] Thomas Nulty is famed for his 1881 tract Back to the Land, wherein he makes the case for land reform of the Irish land tenure system.[7] Nulty was a friend and supporter of the Irish nationalist Charles Stewart Parnell until Parnell's divorce crisis in 1889.[8][9]

Dr. Thomas Nulty, who had attended the First Vatican Council in 1870, said his last mass on December 21, 1898.

To the Clergy and Laity of the Diocese of Meath:

Dearly Beloved Brethren,-

I venture to take the liberty of dedicating the following Essay to you, as a mark of my respect and affection. In this Essay I do not, of course, address myself to you as your Bishop, for I have no divine commission to enlighten you on your civil rights, or to instruct you in the principles of Land Tenure or Political Economy. I feel, however, a deep concern even in your temporal interests — deeper, indeed, than in my own; for what temporal interests can I have save those I must always feel in your welfare? It is, then, because the Land Question is one not merely of vital importance, but one of life and death to you, as well as to the majority of my countrymen, that I have ventured to write on it at all.

With a due sense of my responsibility, I have examined this great question with all the care and consideration I had time to bestow on it. A subject so abstruse and so difficult could not, by any possibility, be made attractive and interesting. My only great regret, then, is that my numerous duties in nearly every part of the Diocese for the last month have not left me sufficient time to put my views before you with the perspicuity, the order and the persuasiveness that I should desire. However, even in the crude, unfinished form in which this Essay is now submitted to you, I hope it will prove of some use in assisting you to form a correct estimate of the real value and merit of Mr. Gladstone’s coming Bill.

For my own part, I confess I am not very sanguine in my expectations of this Bill — at any rate, when it shall have passed the Lords. The hereditary legislators will, I fear, never surrender the monopoly in the land which they have usurped for centuries past; at least till it has become quite plain to them that they have lost the power of holding it any longer. It is, however, now quite manifest to all the world — except, perhaps, to themselves — that they hold that power no longer.

We, however, can afford calmly to wait. While we are, therefore, prepared to receive with gratitude any settlement of the question which will substantially secure to us our just rights, we will never be satisfied with less. Nothing short of a full and comprehensive measure of justice will ever satisfy the tenant farmers of Ireland, or put an end to the Land League agitation.

The people of Ireland are now keenly alive to the important fact that if they are loyal and true to themselves, and that they set their faces against every form of violence and crime, they have the power to compel the landlords to surrender all their just rights in their entirety.

If the tenant farmers refuse to pay more than a just rent for their farms, and no one takes a farm from which a tenant has been evicted for the non-payment of an unjust or exorbitant rent, then our cause is practically gained. The landlords may, no doubt, wreak their vengeance on a few, whom they may regard as the leaders of the movement; but the patriotism and generosity of their countrymen will compensate these abundantly for their losses, and superabundantly reward them for the essential and important services they have rendered to their country at the critical period of its history.

You know but too well, and perhaps to your cost, that there are bad landlords in Meath, and worse still in Westmeath, and perhaps also in the other Counties of this Diocese. We are, unfortunately, too familiar with all forms of extermination, from the eviction of a Parish Priest, who was willing to pay his rent, to the wholesale clearance of the honest, industrious people of an entire district. But we have, thank God, a few good landlords, too. Some of these, like the Earl of Fingal, belong to our own faith; some, like the late Lord Athlumny, are Protestants; and some among the very best are Tories of the highest type of conservatism.

You have always cherished feelings of the deepest gratitude and affection for every landlord, irrespective of his politics or his creed, who treated you with justice, consideration and kindness. I have always heartily commended you for these feelings.

For my own part, I can assure you, I entertain no unfriendly feelings for any landlord living, and in this Essay I write of them not as individuals, but as a class, and further, I freely admit that there are individual landlords who are highly honourable exceptions to the class to which they belong. But that I heartily dislike the existing system of Land Tenure, and the frightful extent to which it has been abused, by the vast majority of landlords, will be evident to anyone who reads this Essay through.

I remain, Dearly Beloved Brethren, respectfully yours,
+THOMAS NULTY.

BACK TO THE LAND
Our Land System Not justified by its General Acceptance.

Anyone who ventures to question the justice or the policy of maintaining the present system of Irish Land Tenure will be met at once by a pretty general feeling which will warn him emphatically that its venerable antiquity entitles it, if not to reverence and respect, at least to tenderness and forbearance.

I freely admit that feeling to be most natural and perhaps very general also; but I altogether deny its reasonableness. It proves too much. Any existing social institution is undoubtedly entitled to justice and fair play; but no institution, no matter what may have been its standing or its popularity, is entitled to exceptional tenderness and forbearance if it can be shown that it is intrinsically unjust and cruel. Worse institutions by far than any system of Land Tenure can and have had a long and prosperous career, till their true character became generally known and then they were suffered to exist no longer.

Human Slavery Once Generally Accepted.

Slavery is found to have existed, as a social institution, in almost all nations, civilised as well as barbarous, and in every age of the world, up almost to our own times. We hardly ever find it in the state of a merely passing phenomenon, or as a purely temporary result of conquest or of war, but always as a settled, established and recognised state of social existence, in which generation followed generation in unbroken succession, and in which thousands upon thousands of human beings lived and died. Hardly anyone had the public spirit to question its character or to denounce its excesses; it had no struggle to make for its existence, and the degradation in which it held its unhappy victims was universally regarded as nothing worse than a mere sentimental grievance.

On the other hand, the justice of the right of property which a master claimed in his slaves was universally accepted in the light of a first principle of morality. His slaves were either born on his estate, and he had to submit to the labour and the cost of rearing and maintaining them to manhood, or he acquired them by inheritance or by free gift, or, failing these, he acquired them by the right of purchase — having paid in exchange for them what, according to the usages of society and the common estimation of his countrymen, was regarded as their full pecuniary value. Property, therefore, in slaves was regarded as sacred, and as inviolable as any other species of property.

Even Christians Recognised Slavery.

So deeply rooted and so universally received was this conviction that the Christian religion itself, though it recognised no distinction between Jew and Gentile, between slave or freeman, cautiously abstained from denouncing slavery itself as an injustice or a wrong. It prudently tolerated this crying evil, because in the state of public feeling then existing, and at the low standard of enlightenment and intelligence then prevailing, it was simply impossible to remedy it.

Thus then had slavery come down almost to our own time as an established social institution, carrying with it the practical sanction and approval of ages and nations, and surrounded with a prestige of standing and general acceptance well calculated to recommend it to men’s feelings and sympathies. And yet it was the embodiment of the most odious and cruel injustice that ever afflicted humanity. To claim a right of property in man was to lower a rational creature to the level of the beast of the field; it was a revolting and an unnatural degradation of the nobility of human nature itself. (etc, see link)

Back to the land
IMF
IMF on tax shift in Belgium
Edited: 201412162207
Tax policy. The tax policy measures of the government program contain a net reduction in labor taxes and a useful simplification of various social security abatement schemes, which should help limit unwanted distortions. At the same time we see scope for going further in tax reform. Income from capital is not taxed uniformly, and a more harmonized treatment would put the taxation of such income on a more equal footing with labor income. Property taxes could be rebalanced from transaction taxes to recurrent taxes on immovable property. This would stabilize tax collection and enhance labor mobility. We also see scope for reducing deviations from the standard VAT rate, e.g., for electricity, and to increase environmental taxes. Revenue gains from such reforms would be available to reduce labor taxes further.

Read more ...
Malaparte - Liliana Cavani
The Skin (1981) - De Huid - Pelle
Edited: 201412130026
The Skin (1981) Blu-ray Detailed
Posted December 12, 2014 11:49 AM by Webmaster

Cohen Media GroupCohen Media Group has detailed the Cohen Film Collection Blu-ray release of director Liliana Cavani's The Skin (La Pelle), which stars Marcello Mastroianni, Burt Lancaster and Claudia Cardinale. Digitally remastered, the Palme d'Or nominee arrives on Blu-ray on January 13, 2015.

Liliana Cavani (Ripley's Game) gained international fame with her daring 1974 breakthrough The Night Porter, a controversial drama about a concentration camp survivor's sadomasochistic relationship with a former Nazi SS officer. Sex-as-commodity also figures in Cavani's 1981 film The Skin. Based on the short stories of Curzio Malaparte, the film is Cavani's controversial look at the aftermath of German occupation of Italy during World War II. After the Allies liberate Naples in 1943, life for the locals is not much easier, especially for women; many must sacrifice their dignity and morals in order to survive.

An international cast of superstars brings Malaparte's stories to life. Marcello Mastroianni plays Malaparte, a diplomatic liaison between the Allied and Italian forces, who chronicled the desperate measures taken by his Italian countrymen to endure even after the defeat of their enemy. Burt Lancaster plays liberating American Gen. Mark Clark, who struggles to fathom the devastation around him. Also starring is Claudia Cardinale, famed for her performances in masterpieces by Federico Fellini, Luchino Visconti and Sergio Leone.

This unforgettable and disturbing film, an epic Italian-French co-production, was nominated for the top prize, the Palme d'Or, at the Cannes Film Festival; Cardinale was named best supporting actress by the Italian National Syndicate of Film Journalists.

The Skin has been restored and remastered for its U.S. Blu-ray debut, and is presented in 1080p with Italian DTS-HD Master Audio 5.1 surround and English subtitles. Extras include:
Feature-length audio commentary by critics Wade Major and Andy Klein
Four featurettes, including three with director Liliana Cavani and one with production designer Dante Ferretti:
At the Frontier of the Apocalypse
Malaparte, Great Reporter
The Individual and History
Dante Ferretti Revisits Naples
Original French trailer
2014 re-release trailer

Trends
Mannen en vrouwen niet gelijk
Edited: 201412120031
Mannen verdienen tien procent meer dan vrouwen, zo blijkt uit de jongste editie van de Top 30.000. Dat cijfer komt uit de sociale balansen, waar voor het eerst de personeelskosten per geslacht in werden opgenomen. Voor heel België bedraagt de loonkloof 10,2%. Maar in sommige gewesten is er meer gelijkheid dan in andere. In Wallonië is een mannelijke werknemer amper 1,8% duurder dan zijn vrouwelijke collega. In Vlaanderen neemt de kloof toe tot 12,7% en in Brussel is ze met 14,7% het grootst.

Per uur bekeken is de kloof kleiner
De loonkloof tussen mannen en vrouwen bedraagt afgerond 10%. Dat percentage houdt echter geen rekening met een mogelijk belangrijke vertekenende factor. Mannen en vrouwen werken immers niet evenveel uren. Een man presteert gemiddeld 1.528 uren per jaar, een vrouw 1.465 uren. Dat verschil kan als natuurlijk worden beschouwd, in die zin dat het grotendeels kan worden verklaard door de duur van het bevallingsverlof. Die fout kan echter worden uitgeschakeld door het verschil in loon per gepresteerd uur te berekenen. In dat geval daalt het nationale verschil tussen mannen en vrouwen tot 5,6% voor het hele land. Dat nationale gemiddelde varieert uiteraard afhankelijk van het gewest. In Vlaanderen bedraagt het 8,1%, in Brussel 8,6% en in Wallonië neigt het naar een evenwicht: daar bedraagt het slechts 0,7%.
Arcopar CVBA
bericht aan de vennoten
Edited: 201412010954
01/12/2014

ARCOPAR CVBA is in vereffening gegaan op 8 december 2011. Een vereffening betekent dat de activa van de vennootschap ten gelde worden gemaakt.

De netto - opbrengst van de activa zullen eerst worden aangewend ter aflossing van de schulden van ARCOPAR CVBA in hoofdsom en op de intresten.

Het eventueel overblijvend saldo zal daarna onder de vennoten worden verdeeld naar evenredigheid van hun scheidingsaandeel en saldo van hun wachtrekening - verworven op datum van de invereffeningstelling - zoals bepaald in de statuten.

Derhalve zal bij het sluiten van de rekeningen van de vereffening kunnen bepaald worden welk bedrag desgevallend kan uitbetaald worden.

Wat betreft de staatswaarborg geconcretiseerd in het Koninklijk Besluit van 10 oktober 2011 kunnen we u volgende informatie meedelen: dit besluit gaf uitvoering aan het wettelijk kader om de depositogarantie toe te kennen aan houders van deelbewijzen van erkende financiële coöperatieven. De staatswaarborg werd toegekend aan de particuliere vennoten van ARCOPAR CVBA bij Koninklijk Besluit van 7 november 2011.

De beroepen, ingesteld door een aantal partijen, tegen de Koninklijke Besluiten van 10 oktober 2011 en 7 november 2011 werden met de arresten van de Raad van State van 25 maart 2013 en 15 januari 2014 verworpen.

Op 25 maart 2013 stelde de Nederlandstalige Kamer van de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een reeks prejudiciële vragen. De Franstalige Kamer van de Raad van State heeft dit ook gedaan op 15 januari 2014.

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 24 april 2014 beslist om de Nederlandse en Franstalige prejudiciële vragen samen te voegen. Een uitspraak houdende deze prejudiciële vragen kan worden verwacht rond de jaarwisseling.

De Europese Commissie van haar kant heeft op 3 juli 2014 beslist dat de staatsgarantie voor Arco strijdig is met de EU regels voor staatssteun.

De Belgische staat en de vereffenaars van de Arco-vennootschappen hebben beslist tegen deze beslissing op te komen. Zowel de Belgische staat als de vereffenaars hebben terzake respectievelijk op 13 september en op 7 oktober 2014 een procedure ingeleid voor het Gerecht van de Europese Unie.

In de regeringsverklaring wordt vermeld dat er sprake zou zijn van een alternatieve regeling die ten voordele van de coöperanten zou uitgewerkt worden.
Het College van vereffenaars


tag: Dexia
MATTHIJS Herman
professor en zogenaamd begrotingsexpert Herman Matthijs bepleit verkoop Belgacom/Proximus en BPost
Edited: 201411292331
Matthijs gaat dus verder met de verkondiging van de neo-liberale nonsens: de staat moet de nog rendabele inboedel verkopen! We privatiseren al jaren wat rendabel is en we collectiviseren wat verlieslatend is. Matthijs, een expert?

Matthijs is samen met andere professoren lid van een studiegroep



Die heeft als doel, en wij citeren: "De werkgroep 'Fiscaal Correct' stelt zich tot doel te werken vanuit een volstrekte onafhankelijkheid. Objectiviteit staat hoog in het vaandel. De werkgroep wenst in geen enkel opzicht in zijn denken en werken begrensd te zijn door politieke of levensbeschouwelijke stromingen. De werkgroep is trouwens niet ontsproten als denktank van één of andere belangengroepering (noch van werkgeverszijde noch van werknemerszijde noch anderszins). Er is evenmin enige directe of indirecte band met dergelijke belangengroeperingen. Een en ander moet de werkgroep in staat stellen vanuit een volledig neutrale geestesgesteldheid te werken en voorstellen te lanceren. Er zijn geen taboes. De enige doelstelling is te komen tot een betere en correctere fiscaliteit en dit zowel ten behoeve van de ondernemer als van de burger in het algemeen."

Andere leden van dit selecte clubje: Dhr. Eddy Claesen, Familiebedrijfadviseur – bemiddelaar, Accountant – belastingsconsulent & gastdocent; Prof. Eric Spruyt, Notaris, docent KU Leuven, HUB-EHSAL en Fiscale Hogeschool; Prof. Luc Maes, Voorzitter Hogere Leergangen voor Fiscale en Sociale Wetenschappen (Fiscale Hogeschool, HUB), Docent HUB, UA en Fiscale Hogeschool; Mark Delanote, docent VUB, ESSF; Prof. Dr. Michel Maus, docent VUB, UGent en UA; Prof. Dr. Miguel De Jonckheere, Hoogleraar VUB, Bijzonder hoogleraar Erasmusuniversiteit Rotterdam; Prof. Dr. Paul Beghin, Gewoon Hoogleraar UGent; Prof. Patrick Wille, docent VUB, UG, Fiscale Hogeschool en Groep T; Mr. Victor Dauginet, advocaat.


TESSENS Lucas
affaires in België - een bibliografie in beelden
Edited: 201411292136




De hier getoonde reeks is niet exhaustief en dus voor aanvulling vatbaar. De misdaden en misdrijven zijn vermengd met white collar crime en 'regelingen in een grijze zone'. Wat te zeggen indien de wetgever zelf de lacunes in de wetgeving inschrijft? Wat te zeggen indien de criminele netwerken uitlopers hebben tot in de magistratuur, het bedrijfsleven, de controle-mechanismen, het politie-apparaat, de kabinetten, ... ? Wat te zeggen indien wordt vastgesteld dat de middelen van justitie beknot worden en dat financiën kampt met onderbemanning? Wat te zeggen over uitgelokte en gefaciliteerde verjaringsprocedures?



Tax-shift
De discussie verzandt in gemiddelden en gezinswoning komt in het vizier
Edited: 201411170916
De discussie over een vermogensbelasting is nu al in een verkeerde richting gedraaid. De eerste stap weg van het echte probleem - en dat is dat vermogenden er in slagen om zich te desolidariseren van de maatschappij waaruit ze profijt trekken - was van te gaan spreken over vermogensWINSTbelasting. De tweede stap wordt nu gezet door met OESO-gemiddelden te gaan rommelen. Mag de modale burger straks 14,4 % belasting gaan afdragen op de meerwaarde van zijn gezinswoning? Perverse piste. Ik geef een voorbeeld: Jan en Mie kochten in 2000 een huis voor 125.000 EUR; van hun spaarcenten renoveerden en onderhielden ze hun huis; Jan deed veel zelf want hij was een handige jongen; ze hebben nu een fraaie woning; met de meeropbrengst en hun karig pensioen denken ze hun verblijf in het rusthuis te zullen kunnen betalen; laat ons zeggen dat het huis in 2015 zo'n 250.000 EUR opbrengt; en dan passeert de fiscus en zegt: 'graag even 18.000 EUR afgeven' (14,4% op de meerwaarde van 125.000 EUR). Worden de kosten voor het waarmaken van die meerwaarde in aftrek aanvaard? Of hoe gaat dat eigenlijk?

Raken aan het vermogen van de 1% rijksten verdwijnt uit de 'picture'. En LuxLeaks? Wat zegt u? Ah ja, maar dat is geen probleem meer, alle landen bieden 'rulings' aan.

En Geert Noels plaatst de meerwaarde van 1,3 miljard bij Coucke naast de 1,3 miljard minwaarde bij Arco en zoekt naar de logica in de publieke verontwaardiging. Noels kan er blijkbaar niet bij dat er toch nog mensen zijn die én belastingen op meerwaarden willen én die niet willen weten van het overnemen van de verliezen bij Arco door de staat. Want de ongeschreven verderfelijke wet bestaat blijkbaar nog steeds: privatisering van de winsten, collectivisering van de verliezen.
The LandReport
The Land Report 100 - 100 largest landowners in the United States - private empires
Edited: 201411161449
In the USA the magazine 'The LandReport 2014' published for the fourth time its list of the 100 largest landowners in the USA. Some of them own large estates in Canada too. And things go fast: in all, private holdings increased by nearly 500,000 acres since the 2013 Land Report 100 was completed.

On 1 is cable tycoon John Malone, owner of Liberty Global (Telenet Vlaanderen, UPC Holland, Ziggo Holland, etc.), with 2,2 million acres (history: +290.100 acres - the Bell Ranch from the Lane family - in 2010; + 1.000.000 acres - in Maine and New Hampshire from GMO Renewable Resources - in 2011). On 2 is Ted Turner with 2 million acres. On 3 is the Emmerson Family with 1,860 million acres. To estimate the span: on Number 100, the Butler Heirs, own 0.1 million acres.



The names:
1. John Malone
2. Ted Turner
3. Emmerson Family
4. Brad Kelley
5. Reed Family
6. Irving family
7. Singleton Family
8. King Ranch Heirs
9. Stan Kroenke
10. Pingree Heirs

11. Ford Family
12. Lykes Heirs
13. Briscoe Family
14. W.T. Waggoner Estate
15. O’Connor Heirs
16. Philip Anschutz
17. Drummond Family
18. Simplot Family
19. Holding Family
20. Hughes Family

21. Malone Mitchell 3rd
22. Wilks Brothers
23. Collins Family
24. Nunley Family
25. Jeff Bezos
26. Collier Family
27. Kokernot Heirs
28. Anne Marion
29. Babbitt Heirs
30. Llano Partners

31. Mike Smith
32. D.R. Horton
33. Lyda Family
34. Jones Family
34. Killam Family
34. True Family
37. Reynolds Family
38. Paul Fireman
39. D.K. Boyd
40. Koch Family

41. Bidegain Family
41. Benjy Griffith III
43. Scott Heirs
44. Louis Moore Bacon
45. East Family Foundation
46. Hearst Family
47. Gage Heirs
48. Cassidy Heirs
49. Eugene Gabrych
49. Langdale Family

51. Bogle Family
52. Hunt Family
53. Williams Family
54. Robert A. Funk
55. McCoy & Remme Families
56. Russell Gordy
57. Broadbent Family
57. Irwin Heirs
59. Sugg Family
60. Fasken Family

61. Mike Mechenbier
62. Cogdell Family
62. Fanjul Family
64. JA Ranch Heirs
65. Ellison Family
66. Bass Family
66. Boswell Family
66. Eddy Family
66. Emily Garvey Bonavia
66. William Henry Green Heirs

71. David Murdock
72. Wells Family
73. L-A-D Foundation
74. Gerald J. Ford
75. Stefan Soloviev
76. Patrick Broe
77. Harrison Family
77. Lane Family
77. Oppliger Family
80. Crosby Family

81. Ellwood Heirs
81. Monahan Family
83. Davis Heirs
84. Booth Family
84. Brite Heirs
86. Reese Family
87. Milliken Family
88. Roxanne Quimby
89. Moursund Family
90. Scharbauer Family

91. Clayton Williams Jr.
92. Stan Harper
93. Frank VanderSloot
94. Linnebur Family
95. Richard Evans
96. Luther King
97. Arthur Nicholas
98. Robinson Family
99. Riggs Family
100. Butler Heirs (0.1 million acres)

See the full list with comments here (link to the website of The LandReport)

P.M.: 1 acre = 0,4047 ha = 0,0040469 km²



Reminder: In 2002 Kevin Cahill published a book 'Who owns Britain. The hidden facts behind landownership in the UK and Ireland' (ref MERS 20020079). In 2006 his book 'Who owns the World' (ref MERS 20060030) gave a global scoop. Both books didn't get the media attention they diserved.
TAI Véronique
Qui est Véronique Tai, nouvelle présidente du collège du SDA, qui supervise le "point de contact régularisation", sorte de confessionnal financier où le contribuable repentant vient avouer son péché fiscal avant de payer les indulgences "ad hoc" ?
Edited: 201411151605
Depuis le 1er mai dernier, Véronique Tai est la nouvelle présidente du collège du Service des décisions anticipées en matière fiscale (SDA) qui, outre les rulings (accords fiscaux préalables), gère de manière totalement autonome la procédure de régularisation fiscale au sein du SPF Finances.

A ce poste, elle supervise le "point de contact régularisation", sorte de confessionnal financier où le contribuable repentant vient avouer son péché fiscal avant de payer les indulgences ad hoc. Les décisions finales sont prises par ledit collège composé de six membres, généralement à l'unanimité des voix. Mais c'est elle qui, au nom du collège, appose sa signature officielle au bas des attestations de régularisation délivrées aux contribuables indélicats ainsi absous.

Fiscaliste bardée de diplômes et dotée d'une belle expérience dans le privé, chez ce qui s'appelait encore à l'époque Coopers & Lybrand, cette femme de 42 ans est entrée au ministère des Finances au milieu des années 1990 en tant qu'inspecteur affecté aux contributions directes. Son arrivée au collège remonte à 2004, après un passage au cabinet du ministre des Finances, Didier Reynders. Professeur à l'ULB, elle est membre du Conseil supérieur des finances et de la Commission des normes comptables.
TESSENS Lucas
the creation of private empires
Edited: 201411141158


A portion of the growing wealth of the superrich, not reinjected in the economy, goes to investment in land ownership; land - by nature - is limited; private empires emerge.

This is exacty the same process that took place in Western Europe before the French Revolution. The Noblesse and the abbeys owned a very large portion of the arable land and of the woods (energy). By means of privileges they were exempted of paying taxes. Loyalty to King and Crown was considered more important.

During the French Revolution land property of the Church was redistributed but - again - only the rich could benefit from it. Napoleon's cadastre confirmed the new situation.

During the 19th Century collective land property was privatised to create even larger domains. At the end of that century the existence of large domains was heavily critisized by the socialists. After WW1 that discussion was burried and forgotten. The socialists aimed at political dominance but this strategy failed.

Now, after a century, the (re)distribution of wealth is again a topic.


Sources:

TESSENS Lucas & DEBAETS Eddy, De herschikking van het onroerend goed op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw (ca. 1770 tot 1815), in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2004, pp. 70-86;

TESSENS Lucas, De tweede schepping. Het landschap in mutatie (1813-1865), in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2005, pp. 92-116;

TESSENS Lucas, Fortuin en Confrontatie (1865-1914) in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2006, pp. 82-114.

More than 1.200 sources were consulted to write these three articles.
BOGAERT Christine Dr
Verontwaardiging van cardiologe leidt tot open brief aan de Minister van Financiën en aan Bart De Wever
Edited: 201411082003

Met toelating van de betrokken cardiologe publiceren wij hieronder deze Open Brief



Geachte Heer,



Ik ben 61 j., weduwe sinds 1996 en werkzaam als cardioloog in een Antwerps ziekenhuis.
Ik werk nog 3 dagen/week, mits het goedvinden van mijn collegae.
Sociale bijdrage en fiscaliteit maken dat ik eigenlijk voor een hongerloon werk. Toch blijf ik mijn werk met veel enthousiasme verder zetten en zal dat blijven doen.
Mijn studie heeft aan de maatschappij veel centen gekost en ik (moet en) wil daar iets voor teruggeven, vind ik. Mijn beroepservaring is aldus niet verloren.

Ik ben trouwens volledig akkoord dat we langer moeten werken, dat er moet gebudgetteerd worden enzo..

Maar ik kan de huidige berichtgeving betreffende Luxemburgse constructies, betreffende mega deals Omega Pharma enzovoort... en de fiscale 'hiaten' hierbij zeer slecht begrijpen, laat staan verteren.
Ik voel me momenteel eerder een naïeve onnozelaar en dit na 37 j. hard werken + 7 jaar opleiding.

Ik ben niet gesyndiceerd. Vakbondsoproer helpt ons geen stap verder, denk ik. Maar ook voor mij is de maat vol!
Ik voel me echt bespot en bedrogen!
Graag wil ik mijn loopbaan verder afwerken als een tevreden mens. En ik behoef daarvoor absoluut geen miljoenen euro's, maar wel enige rechtschapenheid!

Ik hoop dat Uw regering, die mijn volle steun geniet, deze financiële 'miskleunen' niet alleen naar de toekomst onmogelijk maakt, maar nu ook rechtzet met een aangepaste fiscale inning.
Dit is elementaire ethiek.



hoogachtend,



Dr. Christine Bogaert

cardioloog (bedrijf)check-up's

Sint Augustinus ziekenhuis
ICIJ - The International Consortium of Investigative Journalists
Pepsi, IKEA, AIG, Coach, Deutsche Bank, Abbott Laboratories and nearly 340 other companies have secured secret deals from Luxembourg that allowed many of them to slash their global tax bills. PWC involved.
Edited: 201411060126
see this link

The International Consortium of Investigative Journalists collaborated with more than 80 journalists in 26 countries in its Luxembourg Leaks investigation, exploring the secret tax deals global corporations have made with Luxembourg. For Belgium MO Magazine, De Tijd and Le Soir were involved in the investigation.PricewaterhouseCoopers has helped multinational companies obtain at least 548 tax rulings in Luxembourg from 2002 to 2010. These legal secret deals feature complex financial structures designed to create drastic tax reductions. The rulings provide written assurance that companies’ tax-saving plans will be viewed favorably by Luxembourg authorities.
Companies have channeled hundreds of billions of dollars through Luxembourg and saved billions of dollars in taxes. Some firms have enjoyed effective tax rates of less than 1 percent on the profits they’ve shuffled into Luxembourg.
Many of the tax deals exploited international tax mismatches that allowed companies to avoid taxes both in Luxembourg and elsewhere through the use of so-called hybrid loans.
In many cases Luxembourg subsidiaries handling hundreds of millions of dollars in business maintain little presence and conduct little economic activity in Luxembourg. One popular address – 5, rue Guillaume Kroll – is home to more than 1,600 companies.



Wage Indicator
Lonen en kosten voor levensonderhoud wereldwijd vergelijken ? Dat kan ...
Edited: 201410282328

Methodology: WageIndicator introduces the concept of a globally comparable living wage that informs on how costly is to lead a decent life in different parts of the world. The living wage estimates calculate the monthly expenses necessary to cover the cost of food, housing and other non-specified discretionary purchases (e.g. telephone, clothing, health care, etc.). The estimation is based on a data base of prices collected by the WageIndicator Cost of Living Surveys. WageIndicator provides the approximate range of living wage estimates to capture the variation in prices. Figures are published in the national currency or converted to EUR with the exchange rate taken on October 25 2014.



Het spreekt vanzelf dat als het minimumloon niet hoger ligt dan de noodzakelijk te maken kosten voor levensonderhoud, de kans reëel is dat een groot deel van de bevolking in armoede leeft of erin terecht komt. Er groeit dan ook een parallelle economie, de georganiseerde misdaad krijgt vrij spel en de emigratie - gepaard gaande met mensenhandel - wordt het enige vooruitzicht op overleven. De cijfers gelden voor het nationale niveau terwijl bepaalde regio's zwaar getroffen worden door desindustrialistie. Dat zit niet verdisconteerd in de cijfers. Anderzijds ontbreken een aantal Europese kernlanden zoals Frankrijk en Duitsland in de analyse. Heel de situatie lijkt sterk op de toestanden die ontstaan waren op het einde van de 19de eeuw: de markt van de landbouwproducten werd toen overstroomd door goedkope import en dat maakte leven van het land onmogelijk. Mijn eigen overgrootouders die boerden in de Kempen, hebben dat meegemaakt.
DRAPER Herbert (1863 - 1920)
study for a floating figure
Edited: 201410280057




from The Studio, 1903, vol 29, 123: 37

Study of Florrie Bird for a water nymph in 'Prospero Summoning Nymphs and Deities'

Black and white chalk on grey; 46 x 61 cm; private collection


Monography: TOLL Simon (2003), Herbert James Draper: A Life Study, 208 pp., Antique Collectors Club Dist. Simon Toll graduated from Warwick University in 1997 with an honours degree in Art History and now works for Sotheby's. He has been researching Herbert Draper for eight years and in 1999 worked with Julian Hartnoll on the first exhibition devoted to Draper since 1913.

KENNIS Ignace (Mechelen 1888-1973)
De paria (s.d.)
Edited: 201410252136



ref 19580111

Ignace Jacques Lucien Kennis werd geboren te Mechelen op 26 juni 1888 en overleed er op 25 januari 1973. Hij was een schilder van intimistische landschappen, wintertaferelen, interieurs, sociale scènes, karakterportretten en religieuse en bijbelse composities. Hij was vooral een geniaal tekenaar, zoals 'De paria' (waarschijnlijk uit de jaren dertig) illustreert.

Hij was leerling bij Jan-Willem Rosier en Albert Geudens alsook aan de Kunstschool van South-Kensington in Groot-Brittanië.

Hij gaf les aan het Sint-Romboutscollege en de Academie van Schone Kunsten te Mechelen.

In de algemene pers sprak men over hem in lyrische termen : “Hij zoekt de ziel van de mensen met een gevoeligheid van een gedicht, waar alles dat het omgeeft de stilte uitstraalt (Il cherche l’âme des gens avec sensibilité à travers une poésie où tout ce qui l’entoure n’est que silence)”.

Ignace Kennis nam deel aan vele exposities in België en ontving heel wat onderscheidingen.

Werken van Kennis zijn te bewonderen in de musea van Mechelen en in het Kabinet van de Zegel / Cabinet des Estampes in Brussel. (bron: mechelen.mapt; herschreven)
LT
Lijst van de Belgische kunstschilders met geboorte- en sterfdatum (uiteraard niet exhaustief)
Edited: 201410251109
Pierre Abattucci 1871-1942, Victor Abeloos 1881-1965, Léon Abry 1857-1905, Robert Aerens 1883-1969, Pierre Alechinsky 1927, Fernand Allard l'Olivier 1883-1933, Gerard Alsteens 1940, Henri Anspach 1882-1979, Armand Apol 1879-1950, Berthe Art 1857-193, Alphonse Asselbergs 1839-1916, Alphonse Backeljau, Albert Baertsoen 1866-1922, Edgar Baes 1837-1909, Firmin Baes 1874-1934, Lionel Baes 1839-1913, Giljom Ballewijns 1875-1944, Georges-Marie Baltus 1874-1967, Willem Battaille 1867-1933, Charles Baugniet 1814-1886, Euphrosine Beernaert 1831-1901, Charles-Louis Bellis 1837-?, Hubert Bellis 1831-1902, Fred Bervoets 1942, Franz Binjé 1835-1900, Charles Bisschops 1894-1975 Maurice Blieck 1876-1922 Anna Boch 1848-1936 Eugène Boch 1855-1941, Gaston Bogaert 1918 Jean-Marie Boomputte 1947 Guglielmo Borremans 1672-? Michaël Borremans 1963 Andrée Bosquet 1900-1980 Paul Boudry 1913-1976 François-Joseph Boulanger 1819-1873 Hippolyte Boulenger 1837-1874 Paul Bril 1554-1626 Eugène Broerman 1861-1932 Jean Brusselmans 1884-1953, Félix Buelens 1850-1921, Gustaaf Buffel 1886-1972, François Bulens 1857-1939, Pol Bury 1922-2005, Buysse Georges 1864-1916 Henriëtte Calais 1863-1951 Jacques Callaert 1921-1996 Charles-René Callewaert 1893-1936 Jean Capeinick 1838-1890 Jan-Karel Carpentero 1784-1823 Evariste Carpentier 1845-1922 François Cautaerts 1810-1881 Ceramano 1831-1909 Achille Chainaye 1862-1915 Philippe de Champaigne 1602-1674 Frantz Charlet 1862-1928 Albert Ciamberlani 1864-1956 Alexandre Clarys 1857-1920 Emile Claus 1849-1924 Henri Cleenewerck 1818-1901 Emile Clerico 1902-1976 Louis Clesse 1889-1961 Jan Cobbaert 1909-1995 Hubert Coeck 1871-1944 André Collin 1862-1930 (20030076:72) Willie Cools 1932-2011 Joseph Coosemans (zie 19820116) Eugène Jean Copman 1839-1930 Omer Coppens 1864-1926 Albéric Coppieters 1878-1902 Oscar Cornu 1866-1939 Albert Cortvriendt 1875-? Edouard-Louis Cottart 1842-1913 Jan Cox 1919-1980 Jules Cran 1876-1926 Paul Craps 1877-1937 Luc-Peter Crombé 1920-2005 Louis Crépin 1828-1887 Freddy Danneel 1929-2008 Robert Davaux ca. 1885-1965 Hugo Debaere 1958-1994 Julien De Beul 1868-? Laurent De Beul 1841-1872 Gaston De Biemme Marie De Bièvre 1865-1940 Nathalie de Bourtzoff Sophie de Bourtzoff Adriaan De Braekeleer 1818-1904 Evarist De Buck 1892-1974 Gilbert Declercq 1946 René De Coninck 1907-1978 Jan De Cooman 1893-1949 Herman De Cuyper 1904-1992 William Degouve de Nuncques 1867-1935 Babette Degraeve 1965 Henri De Graer 1856-1915 Henry de Groux 1866-1930 Carlos De Haes 1826-1898 Louise De Hem 1866-1933 Nicaise De Keyser 1813-1887 (zie 19790122) Raoul De Keyser 1930 Victor De Knop 1883-1979 Raymond de la Haye 1882-1914 Roland Delcol (1942- Willem Delsaux 1862-1945 Paul Delvaux 1897-1994 Jean Delville 1867-1953 Jean Delvin 1853-1922 Ghislaine de Menten de Horne 1908-1995 Pieter De Mets (zie 19790122) Thomas Deputter 1896-1972 Michel De Roeck 1954-2005 Valerius De Saedeleer 1867-1941 Edmond De Schampheleer 1824-1899 Jan de Smedt 1905-1954 Prosper De Troyer 1880-1961 Edouard De Vigne 1808-1866 Emma De Vigne 1850-1898 Félix De Vigne 1806-1842 Albert De Vos 1868-1950 Liéven De Winne 1821-1880 Marguérite Dielman 1865-1942 Leon Dieperinck 1917 Marthe Donas 1885-1967 Christian Dotremont 1922-1979 Albert Droesbeke 1896-1929 Edmond Dubrunfaut 1920-2007 Hugo Duchateau 1938 Julien Joseph Ducorron 1770-1848 Henri Dupont 1890-1961 Mathilde Dupré-Lesprit 1836-1913 Jef Dutillieu 1876-1960 Albert Dutry 1860-1918 Marie Dutry-Tibbaut 1871-1953 Edmond Dutry 1897-1959 Jean-Marie Dutry 1899-1986 Jacobus Josephus Eeckhout 1793-1861 Alfred Elsen 1850-1914 Albert Embrechts 1914-1997 Peter Engels 1959 Joe English 1882-1918 Henri Evenepoel 1872-1899 Desire Everaerts 1824-1879 Emile Fabry 1865-1966 Pieter Faes 1750-1814 Rombout Faydherbe 1649-1674 Willy Finch 1854-1930 Gustave Flasschoen 1868-1940 Jules Fonteyne 1878-1964 Jean-Jacques Gailliard 1890-1976 Louis Gallait 1810-1887 Mary Gasparioli 1856-? Lucas Gassel 1500-1570 Willem Geets 1838-1919 Joseph Louis Geirnaert 1790-1859 Victor-Jules Génisson 1805-1860 Ferdinand Giele 1867-1929 Joseph Gindra 1862-1938 Hubert Glansdorff 1877-1963 Albert Gregorius 1774-1853 Godfried Guffens 1823-1901 Lucien Guinotte 1925-1989 Paul Hagemans 1884-1959 Louis Haghe 1806-1885 René Hansoul 1910-1979 Gaston Haustraete 1878-1949 Pierre-Jean Hellemans 1787-1845, Valentin Henneman 1861-1930, Charles Hermans 1839-1924, Paul Hermans 1898-1972, Paul Hermanus 1859-1911, Adrien-Joseph Heymans 1839-1921, Marie Howet 1897-1984 Henri Huklenbrok ca. 1870-1952 Léon Huygens 1876-1919 Florent Isenbaert 1827-? Jacob Jacobs 1812-1879 William Jelley 1856-1932 Antoine Jorissen 1884-1962 Luc Kaisin 1900-1963 Franz Kegeljan 1847-1921 Ignace Kennis 1888- 1973 Anna Kernkamp 1868-1947 Renée Keuller 1899-1981 Fernand Khnopff 1858-1921 Margot Knockaert 1910-1997 Eugène Laermans 1864-1940 Pierre Langlet 1848-? Paul Lauters 1806-1875 Georges-Émile Lebacq 1876-1950 Stéphanie Leblon, 1970 Henri Lehon 1809-1872 Charles Leickert 1816-1907 Hendrik Leys 1815-1869 Anne Liebhaberg 1955- Peter Joseph Linnig 1777-1836 Jan Jozef Linnig 1815-1891 Willem Jozef Linnig Sr. 1819-1885 Willem Linnig Jr. 1842-1890 Benjamin Linnig 1860-1929 Zoë Linnig 1893-1979 Diane Linnig 1894-1978 Lambert Lombard 1505-1566 Jean-François Luypaert 1893-1954 Henry Luyten 1859-1945 Armand Maclot 1877-1959 (zie 19820116) Jacques Madyol 1871-1950 Jo Maes 1923 Mil Maeyens 1882-1952 René Magritte 1898-1967 Maurice Mareels 1893-1976 Ferdinand Marinus 1808-1890 Paul-Jean Martel 1878-1944 Hervé Martijn 1961- Armand Massonet 1892-1979 Paul Masui-Castrique 1888-1981 Joseph Maswiens 1828-1880 Didier Matrige 1961-2008 Jean Mayné 1854-1924 Marten Melsen (zie 19790122) Jules Merckaert 1872-1924 Charles Mertens 1865-1919 Guillaume Michiels 1909-1997 Sonja Michiels 1945 Ernest Midy 1877-1938 Frans Minnaert 1929-2011 Willy Minders 1913-1977 (zie 19820116) Florent Mols 1811-1896 Robert Mols 1848-1903 Constant Montald 1862-1944 Louis Adrien Moons 1769-1844 Frank Mortelmans (zie 19790122) Auguste Musin 1852-1923 François Musin 1820-1888 Balthasar-Paul Ommeganck 1755-1826 Marie Ommeganck 1784-1857 Maria-Jacoba Ommeganck 1760-1849 Alfred Ost 1884-1945 Henri Ottevaere 1870 -1944 Pierre Paulus 1881-1959 Kurt Peiser 1887-1962 Henri Louis Permeke 1848-1912 Constant Permeke 1886-1952 Erik Pevernagie 1939 Louis Pevernagie 1904-1970 Léon Philippet 1843-1906 Rudi Pillen 1931-2014 Albert Pinot 1875-1962 Marc Plettinck 1923-2006 André Plumot 1829-1906 Pieter-Frans Poelman 1801-1826 Renée Prinz 1883-1973 Joseph Quinaux 1822-1895 Jean Raine 1927-1986 Armand Rassenfosse 1862-1934 Roger Raveel 1921-2013 Frans Regoudt 1906-1977 Georges Reinheimer 1850-? Julia Rijsheuvels Léon Riket 1876-1938 Lucien Rion 1875-1939 Louis Robbe 1806-1887 Daniël-Adolphe Roberts-Jones 1806-1874 Jean-Baptiste Robie 1821-1910 Ernest Rocher 1872-1938 François Roffiaen 1820-1898 Georges Rogy 1897-1981 Alfred Ronner 1851-1901 Alice Ronner 1857-1957 Emma Ronner 1860-1936 Renée Rops 1887-1973 Alfred Ruytincx 1871-1908 Albert Saverys 1886-1964 Jules Schmalzigaug 1882-1917 Antoine Schyrgens 1890-1981 Jacques Schyrgens 1923 Joseph Schubert 1816-1885 Lode Sebregts 1906-2002 Auguste-Ernest Sembach 1854-? Albert Servaes 1883-1966 Michel Seuphor 1901-1999 Victor Simonin 1877-1946 Frans Balthasar Solvyns 1760-1824 Michel-Joseph Speeckaert 1748-1838 Leon Spilliaert 1881-1946 Alfred Stevens 1823-1906 Joseph Stevens 1816-1892 Jan Stobbaerts 1838-1914 Ildephonse Stocquart 1819-1889 François Stroobant 1819-1916 Michael Sweerts 1618-1664 Jan Swerts 1820-1879 Charles Swyncop 1895-1970 Philippe Swyncop 1878-1949 Jean-Baptiste Tency Georges Teugels 1937-2007 Louis Thevenet 1874-1930 Daan Thulliez 1903-1965 Emile Thysebaert 1873-1963 Pierre Toebente 1919-1997 Léon Tombu 1866-1958 Jef Toune 1887-1940 Charles Tschaggeny 1815-1894 Edmond Tschaggeny 1818-1873 Luc Tuymans 1958 Edgard Tytgat 1879-1957 Leon Valckenaere 1853-1932 Jan Van Beers 1852-1927 Hilaire Vanbiervliet 1890-1981 Louis Pierre Van Biesbroeck 1839-1919 Willem Van Buscom 1797-1834 Jan Van Campenhout 1907-1972 Jef Van Campen 1934 Frans Van Damme 1858-1925 Frits Van den Berghe 1883-1939 Louis Van den Eynde 1881-1966 Serge Vandercam 1924-2005 Benoni Van der Gheynst 1876-1946 Edmond Van der Haeghen 1836-1919 Jan Van Der Smissen 1944-1995 Theo Van de Velde 1921-2005 Martine Van de Walle 1968 Gustave Van de Woestyne 1881-1947 Gabriel Van Dievoet 1875-1934 Emile Van Doren 1865-1949 (zie 19820116) Raymond Van Doren 1906-1991 Adolf Van Elstraete 1862-1939 Frans Van Giel 1892-1975 Louis Van Gorp 1932-2008 José Van Gucht 1913-1980 Willem Van Hecke 1893-1976 Gustaaf Van Heste 1887-1975 Edith Van Leckwyck 1899-1987 Louis Van Lint 1909-1986 Leo Van Paemel 1914-1995 George Van Raemdonck 1888-1966 Jozef Van Ruyssevelt 1941-1985 Théo van Rysselberghe 1862-1926 Achiel Van Sassenbrouck 1886-1979 Petrus van Schendel 1806-1870 Dan Van Severen 1927-2009 Eugeen Vansteenkiste 1896-1963 Georges Vantongerloo 1886-1965 Jef van Tuerenhout 1926-2006 Georges Van Zevenberghen 1877-1968 Gerard Vekeman 1933 Charles-Louis Verboeckhoven 1802-1889 Eugène Verboeckhoven 1798-1881 Marguerite Verboeckhoven 1865-1949 Jos Verdegem 1897-1957 Marcel-Henri Verdren 1933-1976 Paul Verdussen 1868-1945 Piet Verhaert 1852-1908 Séraphin Vermote 1788-1837 Barth Verschaeren 1888-1946 Karel-Willem Verschaeren 1881-1928 Theodoor Verschaeren 1874-1937 Alfred Verwee 1838-1895 Emma Verwee Louis-Charles Verwee 1836-1882 Louis-Pierre Verwee 1807-1877 Frans Vinck 1827-1903 Jozef-Xavier Vindevogel 1859-1941 Charles-Louis Voets 1876-? Henry Voordecker 1779-1861 Victor Wagemaekers 1876-1953 Maurice Wagemans 1877-1927 Gustave Walckiers 1831-1891 Taf Wallet 1902-2001 Antoine Wiertz 1806-1865 Edgard Wiethase 1881-1965 Wilchar 1910-2005 Georges Wilson 1850-1931 Roger Wittevrongel 1933 Rik Wouters 1882 - 1916 Juliëtte Wytsman 1866-1925 Joris-Frederik Ziesel 1755-1809
AGIV-KBR
Reis door de tijd met historische kaarten
Edited: 201410250213


Uit een samenwerking tussen het AGIV en de Koninklijke Bibliotheek groeide een mooi digitaal cartografisch initiatief onder de benaming 'Reis door de tijd'. De eerste link hieronder leidt naar een hybride kaart van onze wijk en de ligging van MERS Antique Books Antwerp.
ligging MERS Antique Books Antwerp, Mevrouw Courtmansstraat 27, 2600 Berchem




De volgende link leidt naar de historische kaarten van de 18de eeuw tot nu voor ons adres: 1712 (Fricx, Carte des Pays-Bas), 1777 (Ferraris, Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden), 1846-1854 (Vandermaelen, Carte Topographique de la Belgique), 1842-1879 (Popp, Atlas Cadastrale parcellaire de la Belgique), 1979-1990 (luchtfoto), 2012 (luchtfoto), 2013 (luchtfoto), 2014 (Basiskaart GRB)



Aan bovenstaande reeks kunnen we er nog een paar toevoegen: de kaart van het Dépôt de la Guerre in 1878 op 1/20.000ste, die van het Militair Cartografisch Instituut in 1932 op 1/20.000ste en de kaart die het Militair Geografisch Instituut in 1957 maakte op 1/25.000ste. Zie voor meer informatie ons boeknummer 19680057. Een volledig overzicht van historische kaarten vindt u bij het Nationaal Geografisch Instituut.


Indien u dat wenst kunt u bovenaan de kaart van Geopunt uw eigen adres eens intikken om te zien hoe het er vroeger in uw omgeving uit zag. Veel plezier ermee!

De volgende stap in deze applicatie zou erin kunnen bestaan de kadastrale leggers van Popp te koppelen aan referentiepunten op de kaarten. MERS beschikt over een mooie collectie kadastrale leggers. Op onze thematische pagina vindt u een overzicht van auteurs die publiceerden over grondbezit en het kadaster in de periode 1814-2014.

FOD Economie
Volkstelling België 2011 - Resultaten bekend
Edited: 201410242019
De resultaten van de Volkstelling 2011 zijn bekend gemaakt.
11.000.638 inwoners (inclusief de asielzoekers die in het Wachtregister zijn opgenomen), gemiddeld 40,8 jaar oud en voor 50,90% vrouwen. Aantal particuliere huishoudens (de 'institutionele huishoudens' - vroeger 'collectieve huishoudens' genoemd, dit zijn rusthuizen, gevangenissen, religieuze instellingen e.d. komen niet in aanmerking; in zo'n type huishouden wonen, aldus de Census, 136.334 personen): 4.727.831. Ongeveer één derde van de huishoudens bestaat uit één persoon. De vergrijzingsgraad bedraagt 26%. Van de woningen worden 66% bewoond door hun eigenaar, maar in Brussel ligt dat percentage veel lager. 17% van de woningen bevinden zich in gebouwen die na 1991 werden gebouwd. Sint-Pieters-Woluwe is de gemeente met het grootste aandeel personen dat een diploma van het hoger onderwijs heeft. Knokke-Heist heeft de oudste bevolking en Sint-Joost-ten-Node de jongste.


Deze volkstelling is er geen 'sensu stricto' - op basis van een exhaustieve enquête met rechtstreekse bevraging - maar is het resultaat van de koppeling van administratieve databanken:
• het Rijksregister,
• het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid (kortweg Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid),
• de Kruispuntbank van Ondernemingen,
• de databank van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (het vroegere Kadaster) voor de identificatie van de bebouwde percelen,
• het Centraal Referentieadressenbestand (dit bestand bevat de nummers van de gebouwen en de straatnamen, maar ook de geografische situatie van de adressen - de zgn. Lambertcoördinaten; het bevat eveneens voor heel het land een exhaustieve lijst van alle straatnamen met een unieke identificatiecode;deze databank werd gebruikt bij het creëren van het woningbestand),
• bepaalde fiscale gegevens van de FOD Financiën,
• de verschillende databanken over het onderwijs (Gemeenschapsmaterie; waarbij te noteren valt dat de Franse Gemeenschap niet over een geïntegreerde databank beschikt).


Lees meer ...


Directe toegang tot de Censusdatabank ...


Bemerkingen Lucas Tessens: (1) Wij vragen ons af of de resultaten niet jaarlijks kunnen worden vrijgegeven aangezien het om een koppeling van actieve databanken gaat. (2) De evolutie van het aantal 'institutionele huishoudens' en hun bewoners vraagt naar onze mening meer aandacht. Overigens kunnen de metadata hierover best meegegeven worden in de dataset. (3) Ook deze Census maakt het niet mogelijk te peilen naar het aantal eigenaars van meerdere woningen en daardoor ontbreekt een vermogenscomponent in de studie.
Grandville J.J. [pseudoniem van Jean-Ignace-Isidore Gérard] (1803-1847)
Grote vissen vangen de mensen
Edited: 201410170415


©LuTe - 20131130



Deze prent was - samen met een tiental andere - te zien op de laatste tentoonstelling (Middle Gate, 2013) van Jan Hoet te Geel.
Het Musée des Beaux-Arts de Nancy bezit de grootste collectie van tekeningen van Grandville. Voor de liefhebber geven wij hier een link.
Nieuws
MERS start project digitalisering en visualisering historische kaarten van Congo
Edited: 201410131229
Met een directe toegang tot meer dan 1.000 Congo-boeken is MERS Antique Books Antwerp goed geplaatst om zijn kaartencollectie (COMAPBASE) te koppelen aan beschrijvende records. De kennis over Belgisch Congo (zo groot als West-Europa) wordt aangewend om tot een logische klassificering, toegang en duiding te komen. Om de collectie te ontsluiten worden diverse technieken getest op kwaliteit, verwerkingssnelheid, bron- en locatievermelding en 'end user'-gemak. Een en ander verrijkt het Content Management System (CMS) dat MERS ontwikkelde.



MUSSCHOOT Anne Marie, [BUYSSE Cyriel]
KANTL-colloquium 'Oorlogsdagboeken van Vlaamse auteurs' op 9 oktober 2014.In haar lezing ‘Is de ganse wereld nu opeens krankzinnig geworden?’ schetste Anne Marie Musschoot een beeld van Cyriel Buysse als getuige van de Grote Oorlog.
Edited: 201410091465
MAEYENS Miel (1882-1952)
Pijptabak (1918)
Edited: 201408191340
Olie op doek, privé-collectie. Op deze plaats op de Linkeroever te Antwerpen staat nu de grote fabriek van 3M.
VAN DE VELDE Rinus [Rinus Van de Velde]
Large scale work - 2008
Edited: 201408171745
potloodtekening op karton, 17x18cm, gesigneerd en gedateerd achterzijde, 2008
Privé-collectie




en hieronder de gebruiker van een kaart, Napoleon Bonaparte:
THULLIEZ Daan
Vissersboten te Oostende (olie op doek 59x70)
Edited: 201407182325
Geachte Heer Tessens,

Er berust in de kunstcollectie van de Stad Tielt inderdaad een werk van Daan Thulliez.
Het gaat om het werk “Vissersboten te Oostende”, een ongedateerd oliewerk op doek (afmeting binnenskader 59 op 70cm).


Sinds de renovatie van het stadhuis in 2007-2008, wordt het niet langer permanent geëxposeerd.
In bijlage kan u wel een kleine foto terugvinden van dit werk.

Met vriendelijke groet
Hannes Vanhauwaert
Stads- & OCMW-archivaris

tel 051 42 81 75
archivaris@tielt.be

Leeszaal open woe 9-12u, don 14-18u of op afspraak.
Leeszaal gesloten van 21/7/2014 t/e/m 15/8/2014 (zomerverlof)
Ontdek het Stadsarchief online via www.west-vlaanderen.be/probat


Stadsbestuur Tielt
t.a.v. Stedelijke Archiefdienst
Markt 13 - 8700 Tielt (West-Vlaanderen)
www.tielt.be
Siegfried Depoorter
MAEYENS Miel (1882-1952) in het Nationaal Visserijmuseum te Koksijde
Edited: 201406291115
Beste,

Als bijlage treft u een afbeelding aan van het desbetreffende schilderij, dit met inventarisnummer S.08.001.

Hierbij de nodige specificaties:

• Olie op doek.
• Afm.: 125,5 x 176 x 7,5 cm.

Met vriendelijke groeten,
Siegfried Depoorter
Registrator/Collectiebeheerder – NAVIGO - Nationaal Visserijmuseum

T. 058 51 24 68 | F. 058 51 08 17
siegfried.depoorter@koksijde.be
TESSENS Lucas
brief aan Vandenbrande over project PC op school
Edited: 201406072348
De heer Luc Van den Brande
Minister-President
Martelaarsplein 19
1000 - BRUSSEL


Antwerpen, 15 juli 1997


Betreft: "Het ogenblik is aangebroken om 'Vlaanderen-Europa 2002' te herijken. Daarbij moeten we nieuwe inhoudelijke klem¬tonen leggen. Het volstaat niet langer dat onze kinderen goed kunnen rekenen en schrijven. Zij zullen ook meertalig moeten zijn, maar ze zullen ook moeten kunnen rijden op de informatiesnelweg. We zullen een belangrijke extra inspan¬ning doen om in een meer¬jarenprogramma er voor te zorgen dat alle leerlingen van het zesde leerjaar evengoed kunnen omgaan met een pc als met een boek." (uit uw officiële 11 juli-redevoering)




Geachte Heer Minister-President,




Bovenstaande passage uit uw 11 juli-redevoering heeft onze speciale aan¬dacht getrokken. Proficiat! Zeer terecht plaatst u lezen, rekenen en pc-vaardigheid op één lijn. Een nieuwe vorm van analfabetisme ("digi¬betisme") steekt de kop op. Enkel een practische opleiding die gebruik maakt van training en routine zal kunnen verhinderen dat deze kwaal onze jongeren aantast.

In 1994 hebben wij uw kabinet en daarna de GIMV geadviseerd aan¬gaande de te nemen stappen inzake de kabel (interconnectie van de verzor¬gingsgebieden en creëren van de terugweg). Dit leidde tot Telenet.
Toen hebben wij binnen het "Studiesyndicaat Nieuwe Diensten over de Kabel", waarvan wij in januari 1994 overigens de draft-opdracht schre¬ven, een lans gebroken voor een maatschappelijke en culturele benade¬ring van de infor-matiesnelwegen.


Aansluitend bij Telenet werd 'Medialab' opgestart. Ook hierover dienden wij het Kabinet van advies. Wij kunnen ons echter niet van de indruk ontdoen dat 'Media¬lab' al te theoretische blijft, cirkelend binnen de universitaire milieus.
Het is van essentieel belang:
• de risico's van een gebrek aan pc-vaardigheid onder ogen te zien;
• pragmatische oplossingen aan te reiken;
• de oplossingen te coördineren.
Die oplossingen liggen zeer zeker in de onderwijssfeer.

Niemand twijfelt aan de noodzaak om onze kinderen te leren lezen, schrijven en rekenen. Maar zij die er nog aan twijfelen dat ook het kunnen werken met een pc een basisvaardigheid is, worden best wan¬delen gestuurd.

In deze materie moet men snel en doortastend tewerk gaan. Zo moeten we de kinderen niet gaan vervelen door uit te leggen welke de com¬ponenten van een pc zijn of hoe een pc werkt. Je leert ook geen wagen besturen via weten¬schap over de ontploffingsmotor of de functie van een versnellingsbak.

Ziehier 10 BOUWSTENEN die wij voor een efficiënte aanpak zien:

1

Installatie van een task force (max. 8 mensen) ter begeleiding van het gehele project. Voorzien van secretariaats-ondersteuning en een budget voor deze task force. Overleg met uw collega L. Van den Bossche.

2

Contacten met leveranciers van hardware teneinde maximale sponsoring te voorzien voor nieuwe pc's; gebruik maken van gerecycleerde pc's en betere organisatie van het recyclage-proces; vastlegging van de mini¬mum-basiscon-figuratie van de te gebruiken pc's (CPU 80386DX).

3

Keuze van de software: o.i. heeft Microsoft een zodanige voorsprong ge¬nomen dat men moet kiezen voor de programma's 'Word' voor het nieuwe lezen/schrijven en 'Excel' voor het nieuwe rekenen, alles in Windows-om¬geving; Vlaanderen zou een mega-licentie voor het basison¬derwijs moeten bedingen.

4

Onmiddellijke start van een korte (minder dan 20 uur) en practisch gerichte lerarenop¬leiding voor pc: het zou o.i. een vergissing zijn te denken in de richting van een specifieke pc-leraar; de 'pc-vaardigheid' wordt best geïnte¬greerd in de lessen Nederlands en rekenen omdat dan de link kan gelegd worden met de klas¬sieke lees-, schrijf- en reken¬methodes.

5

Onmiddelijke start van een middelgroot project in een 200-tal basis¬scholen (zo'n 5.000 pc's), provinciaal gespreid; vastlegging van een gefaseerd plan voor een totaal-dekking van het basisonder¬wijs tegen 2002.


6

Avondgebruik van de pc-klassen voor bijscholing, al dan niet betalend (criteria uitwerken).

7

Gefaseerde inkoppeling van 'Telenet' in de scholen en toelevering van Internet over Telenet; afsluiten van een mega-contract.


8

Installatie of renovatie van de interne kablering in scholen waardoor het project gebruik kan maken van servers; inzet van de know how van de kabelmaatschappijen (bijna alle intercommunales); afsluiten van een mega-contract voor toelevering van kabels (coax/fiber).


9

Jaarlijkse grondige evaluatie en bijsturing van het project tijdens een open studiedag mét publicatie van de resultaten en verspreiding via de media.


10

Instellen van een prijs voor de school met de beste pc-basisopleiding (incen-tive op het project).




Geachte Heer Minister-President, begin 1994 schreven wij zoals gezegd de draft-opdracht voor het "Studiesyndicaat". Vandaag bieden wij onze diensten aan onder de vorm van een nieuw project ("PC? Kinderspel").

Eerstdaags zal ik met Mevrouw Yvette Delameilleure contact opnemen teneinde met u een gesprek te kunnen vastleggen.


Met bijzondere Hoogachting,






Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
DEHAENE Jean-Luc
Politicus
Edited: 201404261109
Studies
Oude Humaniora aan het Jezuïetencollege te Aalst
Licentiaat in de Rechten en Economie, Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix en Katholieke Universiteit Leuven
Beroepsactiviteiten
1963-1967: Verbondscommissaris voor het Vlaams Verbond van Katholieke Scouts
1965-1972: Verbonden aan de Studiedienst van het ACW

Politieke activiteiten

1967-1971 - Nationaal Ondervoorzitter van de C.V.P.-Jongeren
Sinds 1972 - Lid van het National C.V.P.-Bureau
1977-1981 - C.V.P.-Voorzitter van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde
1972-1973 - Adviseur bij het Kabinet van Openbare Werken (Minister Jos De Saeger)
1973-1974 - Adviseur bij het Kabinet van Volksgezondheid (Minister Jos De Saeger)
1974-1977 - Adviseur en daarna Kabinetschef bij het Kabinet van Economische Zaken (Ministers Oleffe en Herman)
1977-1978 - Kabinetschef bij de Minister van Vlaamse Aangelegenheden (Mevrouw Rika De Backer-Van Ocken)
1979-1981 - Kabinetschef bij de Eerste Minister (Wilfried Martens)
1981 - Kabinetschef bij de Minister van Institutionele Hervormingen (Minister Jos Chabert)

Regeringsfuncties

1981-1988 - Minister van Sociale Zaken en Institutionele Hervormingen (N) (1981-1988)
1988-1992 - Vice-eersteminister en minister van Verkeerswezen en Institutionele Hervormingen
1992-1995 - Eerste Minister (Dehaene I)
1995-1999 - Eerste Minister (Dehaene II)

Andere functies

1999-2000 - Senator
2000-2009 - Voorzitter van de Raad van Bestuur van het Europacollege
2000-2007 - Burgemeester van Vilvoorde (tot 1 augustus 2007)
2001 - Ondervoorzitter van de Europese Conventie (met ontwerptekst Europese grondwet)
2004 - Europees parlementslid
2007 - Lid van de Amatogroep (Actiecomité voor Europese Democratie)
Bestuurder van verschillende vennootschappen
TESSENS Lucas
Privatisering, nationalisering en algemeen belang. Mag het algemeen belang een prijs hebben?
Edited: 201404201149
In het gehele neoliberale verhaal ontbrak en ontbreekt stelselmatig de component van het 'algemeen belang'. Overheidsdiensten zijn inderdaad vaak verlieslatend. Maar dat is met een commerciële meetlat meten wat eigenlijk niet meetbaar is.
De kernvraag moet zijn: 'Wil de gemeenschap een prijs hanteren die voor de gebruikers haalbaar is en het verschil tussen kostprijs en gevraagde prijs collectief dragen?' Vanuit dat perspectief is er geen verlies maar een samen afgesproken afwenteling van kosten op de gemeenschap. Die afspraak kan velerlei intenties hebben.
Willen we bijvoorbeeld de mobiliteit met de trein stimuleren dan moeten we de prijs laag houden. De effecten zullen ook neveneffecten genereren: bvb. minder nood aan 18-vaksbanen op de snelwegen. De collectieve voorzieningen moeten sociale correcties aanbrengen en hebben ook milieu-effecten. Een blinde privatisering is een ideologie zonder perspectief, tenzij voor enkele particulieren die de controle veroveren over de dienstverlening en de prijszetting.
Arcopar CVBA
Persbericht
Edited: 201306270954
Perscommuniqué

27/06/2013

Algemene vergadering van aandeelhouders van Arcopar cvba in vereffening
Op 27 juni 2013 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Arcopar CVBA in vereffening plaats gevonden op de maatschappelijke zetel van de vennootschap in aanwezigheid van 178 vennoten.
Op de dagorde van de vergadering stond:
Kennisname van de jaarrekening over het boekjaar 2012-2013.
Verslag van het college van vereffenaars over de vereffeningsactiviteiten met vermelding van de redenen waarom de vereffening niet kon worden voltooid.
Verslag van de commissaris met betrekking tot de jaarrekening over het boekjaar 2012-2013.
Als gevolg van interventies door enkele aandeelhouders is de vergadering verstoord geworden en heeft het verloop van deze jaarvergadering vertraagd. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een stemming over de vraag of media, notaris en deurwaarder konden worden toegelaten tot de jaarvergadering enerzijds en of het mogelijk zou zijn een punt op de dagorde toe te voegen anderzijds. Omdat normaliter op de jaarvergadering bij een vereffening niet wordt gestemd, werden de stemmen manueel geteld wat opnieuw vertraging heeft veroorzaakt. Met een overgrote meerderheid van stemmen werd de aanwezigheid van media en het toevoegen van een punt op de dagorde afgewezen. Enkel de aanwezigheid van notaris en deurwaarder werd goedgekeurd.
Door de vereffenaars werd vervolgens omstandig toelichting gegeven over de jaarrekening. Aldus werd uiteengezet dat tijdens het afgelopen boekjaar voor ca 74 mio Eur aan activa werd gerealiseerd waarvan ca 50 mio Eur middels verkoop van aandelen (o.a. Elia, Retail Estates en Home Invest) en ca 24 mio uit de verkoop van obligaties (Dexia Bil, Denizbank). In vergelijking met de situatie per 8 december 2011 (datum in vereffeningstelling) werd met de verkoop van deze activa een meerwaarde gerealiseerd van ca 16 mio Eur.
Bovendien heeft het college ca 18 mio Eur financiële opbrengsten ontvangen (dividenden en intresten).
Daarnaast blijven er nog een aantal belangrijke participaties en diverse obligaties te realiseren (o.a aandelen Elia en Belgacom en obligaties Artesia, Dexia Crédit Local en Ethias) en tevens is ARCOPAR ook nog eigenaar van een deel van het gebouw.
De datum waarop de vereffening zal kunnen worden afgesloten is afhankelijk van de mate waarin de belangrijke participaties aan normale voorwaarden kunnen worden verkocht en de evolutie van de waardering van de obligaties. Bovendien is Arcopar CVBA aandeelhouder van de andere ARCO-vennootschappen die in vereffening zijn gesteld waardoor dus eerst deze vereffeningen moeten worden afgesloten alvorens de vereffening van ARCOPAR CVBA kan worden gesloten.
Tot slot wijzen de vereffenaars nog op de uitspraak van de Raad van State van 21 maart 2013 en op de nog hangende procedure voor het grondwettelijke hof omtrent de staatsgarantie voor de aandeelhouders particulieren. Voor verder informatie hieromtrent wordt verwezen naar de website van ARCOPAR.
BIL - Experta
12 octobre 2012: Communiqué de Presse
Edited: 201210121614
Experta Corporate and Trust Services SA, Luxembourg (Experta) créé le 20 septembre 2002 et filiale à 100 % de la Banque Internationale à
Luxembourg (BIL), a fêté ses dix ans le 20 septembre dernier dans un contexte de renouveau insufflé par sa maison mère dont les nouveaux actionnaires sont Precision Capital, un groupement d’investisseurs privés du Qatar et l’Etat luxembourgeois.

Le segment Corporate Engineering a été créé il y a plus de 50 ans au sein de la BIL. En 2002, cette activité a été restructurée et Experta a été intégrée en tant que filiale de la banque, sous le statut de professionnel du secteur financier luxembourgeois (PSF).

Les 70 professionnels multilingues d’Experta, qualifiés dans divers domaines, notamment la fiscalité, les services aux entreprises, la consolidation et la comptabilité, proposent à une clientèle internationale privée et institutionnelle des solutions sur mesure de structures d'entreprise et d'investissement via l’utilisation de véhicules luxembourgeois réglementés et non réglementés.

Dans une volonté de renouveau inspirée par la BIL qui vient de vivre un changement d’actionnaires, Experta a récemment mis en place une nouvelle équipe de direction composée de spécialistes dotés d’un grand savoir-faire technique et commercial. Les rangs d’Experta ont également été renforcés par de nouveaux collaborateurs spécialisés en fiscalité dont les recrutements ont permis d’augmenter l’expertise
d’Experta dans ce domaine. Sa collaboration rapprochée avec la BIL permet d’ailleurs à Experta de proposer une offre globale et sur mesure à ses clients, quelle que soit la complexité de leur situation patrimoniale.

En tant que filiale d’une « nouvelle » BIL, dans un environnement bancaire et financier déjà fortement régulé et qui a vocation à le devenir davantage, voici comment Yves Biewer, le nouveau CEO d’Experta, envisage l’avenir de la société :

« L’enthousiasme autour du renouveau vécu à la BIL se ressent également au sein d’Experta. Forts du soutien de la BIL et de ses nouveaux actionnaires, nous envisageons l’avenir avec confiance et détermination. Experta a comme principal objectif de continuer à répondre de manière professionnelle aux besoins d'une clientèle de plus en plus exigeante par le biais de solutions et de services sur mesure. Pour ce faire, nous nous sommes entourés de collaborateurs expérimentés qui nous apportent le savoir-faire indispensable pour permettre à Experta de se positionner sur un marché fortement concurrencé, où seuls les acteurs les plus ingénieux et proactifs parviendront à s’imposer ».

Les 10 ans d’Experta ont été célébrés le 20 septembre dernier au siège de la BIL, en présence de Francois Pauly et d’Yves Biewer, Administrateurs délégués respectivement de la BIL et d’Experta, d’André Lecoq, Président du Conseil
d’administration d’Experta, ainsi que des 70 collaborateurs de la société.
ARCO
Persbericht : Vennoten van de coöperatieve ARCO-vennootschappen beslissen tot vereffening
Edited: 201112080954

08/12/2011

Brussel, 8 december 2011. – De buitengewone algemene vergaderingen van de coöperatieve vennootschappen Arcopar, Arcoplus en Arcofin – die alle behoren tot Groep ARCO – beslisten vandaag hun vennootschap in vereffening te stellen en benoemden een college van vereffenaars. De vereffenaars zullen alle vennoten informeren over hun persoonlijke situatie in het kader van deze vereffening.

De Buitengewone algemene vergaderingen van Arcofin CVBA, Arcopar CVBA en Arcoplus CVBA hebben het voorstel van hun raad van bestuur om over te gaan tot een vrijwillige ontbinding van de vennootschappen met ruime meerderheid goedgekeurd.

Zij benoemden meteen ook een college van 3 vereffenaars, bestaande uit bedrijfsrevisor Ludo Foqué, mevrouw Francine Swiggers en de heer Marc Tinant. De heer Foqué wordt voorzitter van het college van vereffenaars.

De taak van de vereffenaars bestaat erin om de activa van voormelde ARCO-vennootschappen op een geordende wijze te gelde maken. Daarbij streven zij uiteraard naar een optimale prijs zodat de openstaande schulden maximaal kunnen worden terugbetaald en het eventuele saldo bij afsluiting van de vereffening kan worden verdeeld onder de vennoten naar evenredigheid met hun aandeel in het coöperatieve kapitaal.



Voortaan zullen de vereffenaars instaan voor de communicatie met de vennoten.

Coöperatieve vennoten met vragen kunnen terecht op de website van Groep ARCO of op het gratis nummer van het contactcenter: tel. 0800 94 306.

tag: Dexia
Schoeller Pierre
Cinema: sortie de L'Exercice de l'Etat, un film politique à couper le souffle
Edited: 201110260745
Plus d'informations sur ce film politique extraordinaire
Le cynisme, les coups durs, les adversaires, le peuple, la privatisation, la perception, les médias, les collaborateurs, les comptes à règler, la solitude, ...
Le pouvoir politique est une crocodile qui avale les plus belles choses.

Vander Taelen Luckas
Brussel! De tijdbom tikt verder
Edited: 201109280856
Auteur: Luckas Vander Taelen
Categorie: Mens & maatschappij
Pagina's: 216
Afwerking: paperback
ISBN: 9789089241993
Publicatiedatum: 28/09/2011
Formaat: 14 x 22
Verkoopprijs: € 18,95
Status: Uitverkocht
Van de achterflap:
Brussel is een tijdbom. In deze geactualiseerde versie van Berichten uit Brussel gaat Luckas Vander Taelen verder met zijn analyse van zijn stad. Hij wijst vooral op de problemen als gevolg van de demografische explosie, die nog zal toenemen. Nu al zijn delen van de stad onleefbaar: bedrijven trekken er weg, vrouwen kunnen ’s avonds niet meer over straat, homo’s krijgen steeds meer met agressie te maken… Sommige wijken zijn heuse no go areas geworden. En de oude politieke krokodillen kijken verlamd toe.
Er moet dringend iets gebeuren, want de huidige structuur van Brussel, met zijn 19 gemeenten en zijn loodzware bureaucratie, is niet aangepast aan de uitdagingen van deze eeuw. Een inspirerende toekomstvisie voor het multiculturele Brussel ontbreekt.
De auteur pleit voor een grootstedelijk gewest met één krachtig bestuurscollege. Vlaanderen verwijt hij dan weer onvoldoende in te zien hoezeer de problemen van de hoofdstad onvermijdelijk ook grote gevolgen hebben voor de zeer brede rand van Brussel. ‘Vanuit een goed begrepen eigenbelang zou het moeten duidelijk zijn dat de welvaart van Vlaanderen niets te winnen heeft met miserie en chaos in Brussel. Een bloeiende metropool biedt Vlaanderen meer kansen dan een bloedende grootstad. Wie nu zijn ogen sluit bezondigt zich aan schuldig verzuim. De feiten zijn gekend. We zullen later niet kunnen zeggen dat we het niet geweten hebben.’
VERMEERSCH Etienne in De Standaard
Is dat nu een mens? Etienne Vermeersch vertelt waarom u De welwillenden van Littell moet lezen.
Edited: 200811140722
14 NOVEMBER 2008 | Etienne Vermeersch

Toen ik enkele jaren geleden, om even te bekomen na mijn eerste infarct, besloot eindelijk Célines Voyage au bout de la nuit te lezen, meende ik op het vlak van cynische literatuur het nec plus ultra gevonden te hebben. Maar Jonathan Littell heeft in Les bienveillantes nog enkele registers meer dan Céline. Desondanks, of misschien juist daarom, greep het boek me naar de keel. Bijna dwangmatig las ik door tot de 'welwillende' wraakgodinnen in de laatste zin opdoemen.

Dit is geen werk dat ik aan iedereen zou aanraden; maar wie 894 bladzijden lang het oostfront en de Shoah meebeleeft met een volstrekt cynische figuur die zowel kille waarnemer als mededader is, houdt er iets aan over. Men begint zich bang af te vragen: is dat nu een mens? Is dat misschien de mens? Volstaan fanatisme, ambitie, koele berekening en een welbepaalde context om extreme wreedaardigheid bij daders, en mateloos lijden bij slachtoffers tot een alledaags fait divers te herleiden?

De hoofdfiguur, Max Aue, tegelijk de verteller, is een hoge SS-officier die de gebeurtenissen tijdens de oorlog vanuit een bevoorrechte positie kan volgen. Met zijn scherpe intelligentie doorgrondt hij mensen en situaties. De afwezigheid van enig moreel aanvoelen of medelijden laat hem toe afgrijselijke gebeurtenissen op een afstandelijke wijze te beschrijven.

Een historicus die een zo neutraal en indringend verslag van de massamoord op de Joden van Kiev zou brengen, loopt het gevaar van gevoelskilte verdacht te worden. Maar hier kan dat, want het boek is een roman. Tegenover de 'objectiviteit' in zijn beschrijving van de gruwelen staat dat Max Aue zelf een getormenteerde figuur is, met een complex incestueus en homoseksueel driftleven.

Roman en geschiedenis

Het verhaal van die fascinerende en afstotende man wordt gekaderd binnen een vloed van feitelijke gegevens, waarvan sommige zeker historisch juist zijn. Himmler, Speer, Eichmann, Kaltenbrunner, Höss, Heydrich, Frank, Mengele… ze worden overtuigend gekarakteriseerd en je krijgt de indruk dat ook andere feiten en figuren authentiek zijn; maar waar ligt de grens tussen roman en geschiedenis?

Ergens in het boek zegt Aue dat Degrelle in de buurt is en dat hij die graag zou ontmoeten, 'want voor de oorlog heb ik Brasillach met veel lof over hem horen spreken'. Fictie? Het toeval wil dat ik dertig jaar geleden bij een bouquiniste aan de Seine een brochure van Robert Brasillach gekocht heb waarin die de loftrompet over Degrelle stak.

Brasillach kan voor Littell geen onbekende zijn: hij heeft immers de oorlog en de collaboratie bestudeerd, maar hoe kent hij diens bijzondere relatie met Degrelle?

Niet alleen op het historisch vlak zijn er voortdurend flitsen van verrassing en herkenning. Van Guillaume d'Aquitaine ('ferai un vers de dreyt nien'), over Philippe de Champaigne naar Schoenberg: de hele westerse cultuur komt aan bod. Soms kan dat gratuit lijken, maar nu en dan boort dit kernproblemen aan.

Ondanks zijn cynische houding tegenover de Shoah ontfermt Aue zich over een Joodse jongen die meesterlijk Couperin vertolkt; hij laat zelfs uit Parijs partituren voor hem overkomen. Men heeft het raadselachtig gevonden dat kampcommandanten 's middags gevangenen mishandelden en 's avonds ontroerd naar Beethovens Mondscheinsonate luisterden. Littell komt dicht bij een verklaring hiervoor.

Hoe de talloze historische en culturele verwijzingen overkomen op iemand die op dat vlak weinig of geen voorkennis heeft, valt natuurlijk moeilijk in te schatten. Maar niemand kan ontkomen aan de bekoring die uitgaat van Littells superieure beheersing van de Franse taal, al geeft de Amerikaanse achtergrond van de auteur er misschien een bijzondere tonaliteit aan.

Mijn lectuur werd vooral voortgestuwd door de stijgende aandrang tot begrijpen van het onbegrijpelijke: dat een man zonder mededogen, die geboeid wordt door cultuur en schoonheid, eigenlijk vindt dat de mens alleen zijn basisdrijfveren moet bevredigen: ademen, eten, drinken, zich ontlasten, maar toch ook… streven naar waarheid!
JANSSENS Paul Prof. Dr
Professor Paul Janssens over prinsen, markiezen en baronnendoor Danny Vileyn © Brussel Deze WeekBrussel07:00 - 28/06/2008
Edited: 200800000901
Ze heten conservatief, francofoon en koningsgezind te zijn, en verdedigers van de traditionele gezinswaarden, maar het meest bijzondere kenmerk van de adel is het vermogen om zich aan te passen. Een gesprek met de historicus Paul Janssens aan de vooravond van de Ommegang - waarin traditioneel edellieden opstappen - en de nationale feestdag van 21 juli, die al even traditioneel voorafgegaan wordt door het toekennen van adellijke titels.

Professor Paul Janssens houdt kantoor in een piepklein kamertje van het Ehsal Research Center, het pand tegenover de hoofdzetel van de Ehsal aan de Stormstraat 2, een van de campussen van de nieuwe HUB, de Hogeschool-Universiteit Brussel. Paul Janssens doceert economische geschiedenis en is gespecialiseerd in fiscale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de adel kent hij op zijn duimpje.



Zelfs de lap grond waarop de campus van de Ehsal gebouwd is, heeft een adellijk verleden - dat moet Janssens erg bevallen. "Halverwege de zeventiende eeuw, toen de Nieuwstraat nog een aristocratische straat was, kocht de markies de Berghes - de markiezen van Bergen op Zoom hadden hun naam verfranst - een aantal huizen op de grond waar nu de campus van de Ehsal is. De adel deed toen wat de banken nu doen: huizen kopen, ze platgooien en er een ander soort pand op bouwen. (Janssens doelt op de KBC, die tegenover de Ehsal panden platgooide voor een bankgebouw, DV.) Ze bouwden er een prachtig hôtel de maître, dat ze bewoond hebben tot aan de Franse Revolutie. Dan is er een cercle littéraire in getrokken, waar de leden onder andere de grote Europese kranten kon lezen, en in de negentiende eeuw kreeg het pand een commercië­le bestemming. Toen de Ehsal hier een paar decennia geleden bouwde, was het pand volledig uitgewoond."



Wij vatten de adel van vandaag voor u samen in tien stellingen.



Belgische adel is Brussels gekleurd

"Het is een merkwaardig fenomeen," legt Paul Janssens uit, "maar er bestaat wel degelijk een Brusselse adel, zeker als we 'omvang' als criterium nemen."



Terwijl in het hoofdstedelijk gewest 'maar' tien procent van de Belgische bevolking woont, heeft zowat 33 procent van de adel er zijn vaste stek. In Wallonië woont veertig procent van de adel en in Vlaanderen - met zestig procent van de bevolking - maar twintig tot 25 procent. Janssens' hypothese is dat de adel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen met de taalwetgeving duidelijk werd dat België geen tweetalig land zou worden (de Walen hadden dat afgewezen), een deel van de Vlaamse adel (die zoals in heel Europa Franstalig was) naar Brussel, het enige tweetalige gebied, is verhuisd.



Jongere edelen zijn meertalig

Eeuwenlang waren de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse adel Franstalig. Al wie in de achttiende eeuw in Vlaanderen macht, aanzien en geld had, was Franstalig, dus ook de adel. Dat was het gevolg van een geslaagde Europese taal- en cultuurpolitiek van Lodewijk XIV. "Maar de jongere generaties, de mensen onder de vijftig, hebben begrepen dat de spelverdeling in dit land veranderd is. Ze zijn goed tweetalig, zelfs meertalig. Vaak hebben ze tijdens hun middelbareschooltijd op internaat gezeten in Vlaanderen en hebben ze nadien ook in het buitenland gestudeerd."



Figuren zoals de 75-jarige (niet-benoemde) burgemeester van de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem, François van Hoobrouck d'Aspre (MR), hebben volgens Janssens afgedaan. Ondertussen spreken de meeste edelen in Vlaanderen Nederlands, ook de in ongenade gevallen oom van prinses Mathilde, de mediagenieke Henri d'Udekem d'Acoz, die met een sappig West-Vlaams accent spreekt.



De adel is niet eeuwig

"Het is een wijdverbreid misverstand dat mensen met blauw bloed sinds de kruistochten één grote familie vormen en onder elkaar huwen," zegt Paul Janssens. De meerderheid van de adellijke families is niet ouder dan België zelf, en de samenstelling verandert voortdurend. Families behoren gemiddeld vijf tot zes generaties - of twee eeuwen - tot de adellijke stand. Omdat het adellijk statuut, net als de naam, doorgegeven wordt in mannelijke lijn, houdt het ook op als er geen mannelijke nakomelingen meer zijn. De familie de Merode behoort samen met de Croÿ, de la Faille en de Kerckhove tot de oudste adellijke families van het land en ze zijn ook goed vertegenwoordigd in de hoofdstad. De prinsen de Croÿ behoren al tot de adel sinds de vijftiende eeuw, de prinsen de Merode zelfs iets langer.



Anciënniteit is het belangrijkst

"Hoezeer edellieden ook gehecht zijn aan hun titel, de adellijke anciënniteit vinden ze nog belangrijker," vertelt Janssens.



De 'echte' titels, die voor de Franse Revolutie van 1789 toegekend werden, waren gevestigd op het familiepatrimonium. De oudste titel in ons land is die van graaf van Chimay, een stadje tegen de Franse grens en welbekend voor het bier, en hij dateert uit 1473 - het was Jean de Croÿ die de titel droeg. Deze grondgebonden adellijke titels (die na het overlijden van de vader op de oudste zoon overgingen) dienden om het fami­liaal patrimonium van de grootgrondbezitters te beschermen. Jean de Croÿ bezat de heerlijkheid Chimay en een paar heerlijkheden eromheen die samen het nieuwe graafschap vormden. "Maar de adellijke titulatuur is enorm complex, en in sommige families gaat de titel over op alle kinderen. Vandaar dat België honderden prinsen de Merode en de Croÿ telt," licht Janssens toe.



Meeste edellieden zijn titelloos

Veruit de meeste edellieden moeten het zonder titel stellen. Samen met het grootgrondbezit (de heerlijkheden) had de Franse Revolutie ook de adel afgeschaft. Na het verdwijnen van Napoleon in 1815 herstelde koning Willem I de adel in onze gewesten. Er kwam geen collectieve genoegdoening, maar edelen konden wel individueel een aanvraag indienen. Maar omdat het grootgrondbezit afgeschaft was, werd de titel niet langer aan het patrimonium gelinkt, maar aan de naam. België telt zo'n 25.000 tot 30.000 edellieden, de meesten hebben geen titel.



Zo vader, zo zoon

"Eddy Merckx is eerst in de adelstand opgenomen en nadien baron geworden," legt Janssens uit. Een titel betekent meer prestige, je wordt in de hiërarchie opgenomen. Janssens herinnert aan de verschillende adellijke titels, van hoog naar laag: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron en ridder. De eerste drie worden niet toegekend en zijn dus het voorrecht van de oude adel. "De adellijke titels die nu nog toegekend worden, zijn niet erfelijk. Axel Merckx behoort wel tot de adel omdat zijn vader ertoe behoort, maar de titel van baron heeft hij niet. Ook zijn kinderen behoren tot de adel, maar alleen de zonen geven hem door."



Van de Wolstraat naar de Woluwes

Tot halverwege de negentiende eeuw woonde de Brusselse adel binnen de stadswallen, bijvoorbeeld in de Wolstraat en de Warande. Toen in 1860 de belastingen op de invoer van consumptiegoederen werd afgeschaft, kwam de bevolking van de randgemeenten volop tot ontwikkeling. De adel begon toen uit te zwermen, eerst naar de Leopoldswijk en de Wetstraat, later naar de Woluwes, Ukkel en Elsene.



"De edelen wonen vaak in dezelfde wijken of gemeenten." Dat is, legt Janssens uit, duidelijk te zien in het Carnet Mondain, de jaarlijkse adressenlijst waarin heel de beau monde, en dus het gros van de adel, terug te vinden is. "Voor de aristocratische woningen die in de Leo­poldswijk opgetrokken werden, golden strenge voorschriften. Het stratenplan van de wijk vormt een mooi dambord," legt Janssens uit. "Maar lang is de adel niet in de Leopoldswijk gebleven. Tussen 1800 en 1900 is de Brusselse bevolking vertienvoudigd, van 75.000 naar 750.000 inwoners." Na 1860 kwamen de eerste aristocraten in de Leopoldswijk wonen, in het interbellum verlieten ze de buurt alweer. De Leopoldswijk en de Wetstraat werden opgenomen in het stadsgewoel, en daar houdt de adel niet van. Destijds was de Wetstraat een opeenvolging van prestigieuze herenhuizen met koetspoorten. "De edellieden trokken richting Tervurenlaan, Ukkel en de Woluwes." Janssens wil van de gelegenheid gebruikmaken om het wijdverbreide misverstand recht te zetten als zou de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van het aristocratische karakter van de Leopoldswijk: "In de jaren 1930 was de adel er al weg en werden de panden door kantoren en banken ingenomen; de Wetstraat is van in 1958 een autosnelweg: geen omgeving waar mensen met geld en aanzien willen wonen."



Royalistisch, kerkelijk, conservatief

De adel heet kerkelijker te zijn dan de gemiddelde Belg. Maar dat is zeer moeilijk te meten, zegt Paul Janssens. Het aantal roepingen is een slecht criterium geworden, en of de adel vaker ter kerke gaat dan de gemiddelde Belg, is niet bekend.



Kerkelijkheid impliceert meestal een traditionele gezinsmoraal, maar ook binnen de adel is scheiden niet langer een taboe. Wel hebben ze meer kinderen dan de gemiddelde Belg, maar demografisch onderzoek toont aan dat ook de adel ondertussen aan geboorteplanning doet, wat twee generaties geleden volgens Janssens nog ondenkbaar was.



Dat de gehechtheid aan de monarchie groter is dan bij de rest van de bevolking, is volgens Janssens evident. In de huiskamers van prinsen en hertogen hangen niet zelden foto's waarop de koninklijke familie samen met hen te zien is. "De afstand tussen de koninklijke familie en de rest van de adel is kleiner geworden; koningin Astrid was de laatste van koninklijken huize."



Adel is politiek conservatief

In 1830 waren de meeste edellieden vóór de Belgische revolutie en tegen Willem I, zegt Janssens. Aanvankelijk vond je zowel binnen de katholieke als binnen de liberale partij adel. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de eerste Schoolstrijd losbrak, schakelden de liberale edelen massaal over naar de katholieke partij. Het heeft geduurd tot het Schoolpact van 1958 (liberalen en socialisten waren ervan overtuigd dat dat pact het einde van de christen-democratie in zou luiden) voordat liberaalgezinden van binnen de christendemocratie, ten noorden é
TESSENS Lucas (MERS) in samenspraak met Jos FRANKEN
Slot Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2006 - Een visie op outsourcing en PPS
Edited: 200703150909
De wereldbevolking produceert en kopieert al een tijdje meer digitale informatie in een jaar dan de hele mensheid voordien in haar bestaan deed. Vorig jaar was het 'digitale universum', zoals het studiebureau IDC dat noemt, 161 miljard gigabyte of 161 exabyte groot. Die hoeveelheid is te vergelijken met 3 miljoen keer de informatie in alle boeken die ooit geschreven zijn of het equivalent van 12 stapels boeken die elk de 150
miljoen kilometer tussen de aarde en de zon overbruggen. In 2010 zal de geproduceerde hoeveelheid digitale informatie 988 miljard gigabyte bedragen. Het vergt heel wat inventiviteit van particulieren, bedrijven en de informatica- en telecomindustrie om die groeiende massa digitale informatie in goede banen te leiden en te beheren.
(gelezen in De Tijd van 8 maart 2007)
Die cijfers hoeven geen schrik aan te jagen. De zandkorrels op het strand zijn eveneens ontelbaar. Alleen een gek begint te tellen. Waar we best wel bij stilstaan is het beheer, de selectie en het gebruik van een massa
informatie. Onze kinderen en kleinkinderen staan voor een uitdaging van formaat.
U zult zich afvragen: “Wat heeft dat te maken met Onroerende Voorheffing?” “Alles”, kan dan het antwoord zijn. In het artikel van De Tijd wordt aan de overheid geen rol toebedeeld als het op inventiviteit aankomt. Toch int de Vlaamse overheid sinds 1999, in samenwerking met haar partner CIPAL, de belasting op de onroerende goederen. Zij legde daarvoor een formidabele databank aan. Alle briefwisseling wordt digitaal verwerkt. De toegang tot de statistische informatie in de databank wordt verzekerd door een performant data warehouse. De belastingplichtige krijgt op een veilige manier via het internet zelfs directe toegang tot zijn eigen belastingdossier. De privacy van de gegevens is gegarandeerd. VLABEL realiseert reeds acht jaar lang datgene waar vele andere instanties (publieke of private) nu nog moeten aan beginnen.
Zit er een geheim achter het succes van VLABEL en de outsourcing? Toch wel, en we verklappen het omdat
een overheid die gezag wil uitstralen geen bedrijfsgeheimen hoeft te koesteren. De toverformule bestaat uit
drie componenten: visie, durf en dialoog. Visie wil zeggen verder zien dan wat vandaag waarneembaar is, durf
laat toe onbekende paden te betreden, dialoog betekent openheid en het delen van expertise tussen partners
die samen onderweg zijn. Dat alles was aanwezig.
Vanaf 1 mei 2007, dag van de arbeid, gaan personeelsleden van de OV over naar de Vlaamse overheid in het
kader van de zogenaamde ‘insourcing’. Zij mogen zichzelf, samen met hun ex-collega’s uit Aalst, van de ICTafdeling van CIPAL te Geel en de collega’s van VLABEL-Brussel, beschouwen als de pioniers van het uit te
bouwen Vlaams Fiscaal Platform. CIPAL blijft ook na 1 mei 2007 verantwoordelijk voor het ICT-gedeelte van
de OV-inningen.
Dirigé par Florence Bourillon, Pierre Clergeot, Nadine Vivier
De l'estime au cadastre en Europe, Les systèmes cadastraux aux XIXe et XXe siècles / colloque des 20 et 21 janvier 2005
Edited: 200501201561
Édité par Comité pour l'histoire économique et financière de la France.

STOX Yves
Een paradoxale scheiding De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Edited: 200412320001
jura falconis, jg 41, 2004-2005, nr 1, p. 37-62

Een paradoxale scheiding
De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Yves Stox
Onder wetenschappelijk begeleiding van Prof. Dr. A. Alen en F. Judo
VOORWOORD
De Belgische Grondwet bevat met de artikels 20, 21, 22 en 181 een uitgebalanceerd systeem inzake de verhouding Kerk-Staat. Deze bepalingen werden nooit aangepast en zijn een toonbeeld van de degelijkheid van de oorspronkelijke grondwet uit 1831. De huidige laatmoderne maatschappij verschilt echter sterk van de 19e eeuwse maatschappij. Terwijl de culturele diversiteit en de religieuze heterogeniteit[1] gegroeid zijn, zijn de grondwettelijke bepalingen echter onveranderd gebleven.
De verklaring tot herziening van de Grondwet van 9 april 2003 werd door de Mouvement Réformateur aangegrepen om een strikte scheiding tussen Kerk en Staat in art. 1 G.W. op te nemen. Het voorstel werd weliswaar niet aanvaard, maar vormt de ideale aanleiding om, na een inleidende ideeëngeschiedenis, de verhouding tussen Kerk en Staat in België opnieuw voor het voetlicht te brengen. Aangezien in de “Verantwoording” van het eerste amendement bij het “Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet” uitdrukkelijk verwezen wordt naar Frankrijk, komt vanzelfsprekend ook de verhouding tussen Kerk en Staat bij onze zuiderburen aan bod. Vervolgens wordt het voorstel van de Mouvement Réformateur getoetst aan het juridische kader. Tenslotte wordt een alternatief voorstel onderzocht, namelijk de mogelijkheid van een concordaat.
1. INLEIDENDE IDEEËNGESCHIEDENIS
Op 22 en 23 februari 2003 hield de Mouvement Réformateur in Louvain-la-Neuve een congres met als titel “Engagement citoyen”. De werkgroep “Citoyenneté et Démocratie” van dit congres wees op de waardevolheid van het pluralisme. De maatschappij is een geheel van individuen en elk individu kan zijn eigen opvatting van het “goede leven” kiezen. De overheid dringt de individuen geen opvatting op, maar biedt enkel de mogelijkheid om door een democratisch debat consensus te bereiken. De overheid kan echter deze rol enkel vervullen indien alle burgers de politieke conceptie accepteren die de overheidsinstellingen beheerst. Daarom stelde de werkgroep voor om in de Grondwet de principes te bepalen die de door de overheid erkende organisaties of financieel ondersteunde partijen moeten respecteren.[2] Dergelijk voorstel kan een verregaande invloed hebben op het systeem van erkende erediensten.
Dezelfde politieke filosofie zet de Mouvement Réformateur ertoe aan om de laïcité van de overheid in de Grondwet op te laten nemen. De overheid mag geen religie of filosofische stroming begunstigen, maar moet de meningsvrijheid garanderen aan al haar burgers. Het principe van laïcité houdt in dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen: “(Le principe de la laïcité) ne signifie pas que l’Etat privilégie un courant philosophique ou religieux par rapport à un autre. Au contraire, la laïcité de l’Etat est une garantie de pluralisme des convictions philosophiques et religieuses. C’est l’autorité de l’Etat, supérieure à toute autre autorité, qui fait respecter la liberté de pensée et donc de conviction philosophique et religieuse au bénéfice de tous les citoyens. La laïcité de l’Etat, c’est l’Etat équidistant à l’égard de toutes les religions ou convictions philosophiques.”[3]
Het mag dan ook niet verwonderen dat de heer Maingain (FDF/MR) in de Kamer[4] en de heren Roelants de Vivier (MR) en Monfils (MR) in de Senaat[5] het Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet van de regering op identieke wijze trachtten te amenderen. Dit “humanisme démocratique” maakte ondanks de verwerping van het amendement deel uit van het programma van de MR voor de verkiezingen van 18 mei 2003[6].
2. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT
De verhouding tussen Kerk en Staat heeft betrekking op de relaties tussen de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en hun leden enerzijds en de overheid anderzijds, alsook op de regelgeving die deze relaties beheerst.[7] Hierbij moet opgemerkt worden dat het begrip ‘Kerk’ niet enkel verwijst naar de christelijke godsdiensten, maar ook andere confessies en zelfs niet-confessionele levensbeschouwingen.[8] Het Belgische interne recht hanteert niet het begrip ‘Kerk’, maar wel de begrippen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’. ‘Eredienst’ werd door de auteurs van de Pandectes belges beschouwd als “l’hommage rendu par l’homme à la Divinité”, waarbij vooral “l’exercice public d’une religion” benadrukt wordt.[9] Steeds zal de rechter in concreto nagaan of het om een eredienst gaat.[10] De niet-confessionele levensbeschouwing werd pas in 1993 in de Grondwet opgenomen in het financieel getinte art. 181. Het onderscheid lijkt vooral een historisch karakter te zijn. Men kan zich immers vragen stellen bij de zinvolheid van het hanteren van een al te rigide onderscheid tussen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’.
De houding die de overheid aanneemt ten aanzien van de verschillende levensbeschouwingen is onderhevig aan de gehanteerde politieke opvattingen. Deze houding kan resulteren in een confessioneel systeem, een laïcaal systeem of een mengvorm waarbij samenwerking centraal staat.[11] Deze onderverdeling is archetypisch en moet gerelativeerd worden.
Ten eerste kan de overheid het beginsel van eenheid gebruiken. Zowel de volledige afwezigheid van religieuze neutraliteit is mogelijk, als de positieve religieuze neutraliteit zijn mogelijk. In het eerste geval heeft ofwel de staatsoverheid een overwicht op de religieuze overheid, ofwel de religieuze overheid een overwicht op de staatsoverheid. Soms wordt deze vorm gemilderd door de oprichting van nationale kerken en spreekt men van formeel confessionalisme. In het tweede geval ontstaat een ongelijke behandeling tussen de verschillende erediensten die aanwezig zijn in een bepaalde staat door een systeem van erkenning van erediensten. De positieve religieuze neutraliteit kan men niet alleen in België terugvinden, maar ook in Frankrijk.[12]
Ten tweede kan de overheid het beginsel van scheiding gebruiken. De staat zal zich actief verzetten tegen religieuze groeperingen of zich totaal onthouden. Deze religieuze onverschilligheid beheerst Frankrijk, uitgezonderd Alsace-Moselle.[13]
Ten derde kan een samenwerking ontstaan tussen de staat en de religieuze groeperingen door een systeem van overeenkomsten en verdragen (concordaten), die de belangen van de laatste behartigen. Dit samenwerkingsmodel kan variëren van het beginsel van eenheid tot het beginsel van eerder scheiding zoals in België.[14]
Volgens Ferrari is deze driedeling verouderd. De formele aspecten in de verhouding tussen Kerk en Staat worden te sterk benadrukt, terwijl de inhoudelijke aspecten niet voldoende aan bod kunnen komen.[15] Vandaar dat zowel België als Frankrijk bij twee van de drie systemen ondergebracht kunnen worden. De onderverdeling die op het eerste zicht zeer duidelijk lijkt, blijkt tegenstrijdigheden te generen.
3. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN BELGIË
3.1. DE GRONDWETTELIJKE POSITIE VAN DE EREDIENSTEN IN BELGIË
3.1.1. Discussie in het Nationaal Congres
In het Zuiden van Koninkrijk der Nederlanden ontstonden er twee oppositiebewegingen. De katholieke oppositie verzette zich tegen de godsdienst- en schoolpolitiek van Willem I. De liberale oppositie ijverde voor een parlementair regime, een rechtstreeks verkozen wetgevende macht, het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid en de erkenning van een aantal vrijheden, waaronder de godsdienstvrijheid en de vrijheid van onderwijs. Rond aartsbisschop de Méan was een handvol mensen werkzaam die zochten naar een oplossing voor de gespannen houding tussen Kerk en Staat in de Nederlanden, “de School van Mechelen”. Deze groep vertrok van de theologische opvatting dat God niet twee Machten kan hebben ingesteld die tegenstrijdig waren met elkaar. De Kerk en Staat behoorden in de Nederlanden dus niet gescheiden te zijn, maar er moest een zekere band zijn tussen beiden. De Staat zou effectief moeten waken over het behoud van de cultusvrijheid en zo de cultussen beschermen.[16] De clerus zou ook een wedde moeten krijgen, die als een vergoeding werd beschouwd voor de aangeslagen goederen tijdens de Franse Revolutie.[17] Vanaf 1827 groeiden beide oppositiebewegingen naar elkaar toe en in 1828 was “de Unie der opposities” – het zogenaamde “monsterverbond” – een feit. Oorspronkelijk was slechts een kleine meerderheid voorstander van een afscheuring. Onder invloed van de Juli-revolutie in Parijs op 27 juli 1830 werden de gemoederen opgezweept en de beroerten in Brussel leidden tot dat wat niemand had verwacht, een politieke revolutie.[18]
Nadat het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, vatte men aan met de uitbouw van de nieuwbakken staat. Het opstellen van een grondwet was één van de belangrijkste bekommernissen. Een commissie onder leiding van baron de Gerlache redigeerde een ontwerp van grondwet en de Belgen verkozen een grondwetgevende vergadering, het Nationaal Congres. In november 1830 verscheen in Leuven een anonieme brochure[19] van “de School van Mechelen”. Er stond te lezen dat de Grondwet de godsdienstvrijheid onaantastbaar moest maken. Tevens moest de vrijheid van eredienst gegarandeerd worden. Ook kwam men op voor de vrijheid van de cultus: alleen individuen mogen worden vervolgd indien ze in het kader van een cultus de publieke orde verstoren of strafbare feiten plegen. Daarenboven werd gepleit voor een gewaarborgde vrijheid van onderwijs en voor het beginsel van niet-inmenging in kerkelijke aangelegenheden, onder andere denkend aan de briefwisseling tussen de clerus en de Heilige Stoel. Bovendien werd een wedde voor clerici noodzakelijk geacht; deze wedde werd beschouwd als een rechtvaardige compensatie voor de inbeslagname van kerkelijke goederen. Op 17 december 1830 werd in het Nationaal Congres, waarin de meerderheid bestond uit katholieken, een brief voorgelezen van aartsbisschop de Méan, waarin hij de stellingnamen van de anonieme brochure diplomatisch parafraseerde. Toen het debat in het Nationaal Congres op 21 december 1830 aanving, werd al snel duidelijk dat de vrijheden niet alleen ten aanzien van het katholicisme zouden kunnen gelden, maar ook ten aanzien van de minderheidsgodsdiensten. De niet-confessionele levensbeschouwing kwam echter helemaal nog niet aan bod. Het ontwikkelde systeem van vrijheid zou echter vooral de katholieke godsdienst ten goede komen. De ruimdenkendheid van de katholieken had dus eigenlijk weinig om het lijf. De verspreiding van de andere godsdiensten was immers uiterst minimaal.Het is interessant om de uiteindelijke tekst van de Grondwet te vergelijken met de door de Méan voorgestelde tekst: de wensen van de aartsbisschop werden in grote mate ingewilligd door het Nationaal Congres.[20]
Zowel de katholieken als de liberalen deden bij het opstellen van de Grondwet toegevingen. De afschaffing van het capaciteitskiesrecht en de voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk zijn de voornaamste toegevingen langs katholieke zijde.[21] De liberalen aanvaardden dan weer de vrijheid van eredienst, de staatswedde voor de bedienaars van de eredienst en een staatstoelage voor onderhoud en oprichting van bidhuizen. Ook de vrijheid van onderwijs werd erkend.[22]
De eensgezindheid tussen liberalen en katholieken bleek echter bijzonder broos. Reeds op 22 december viel de liberaal Defacqz het ontwikkelde systeem van vrijheid aan. Hij pleitte voor een overwicht van de Staat op de Kerk “parce que la loi civile étant faite dans l’intérêt de tous, elle doit l’importer sus ce qui n’est que de l’intérêt de quelques-uns”. Door zijn scherp verzet werpt Defacqz een helder licht op sommige van de katholieke drijfveren. Het bleef echter een kleine minderheid van combatieve anti-katholieke liberalen die oppositie voerde. [23] Uiteindelijk aanvaarde het Nationaal Congres de vrijheid van eredienst en een bijzondere scheiding tussen Kerk en Staat.[24] [25]
3.1.2. Godsdienstvrijheid in de Belgische Grondwet
a. Art 19 G.W.
Dit artikel beschermt een aantal facetten van de godsdienstvrijheid. In de eerste plaats wordt de vrijheid van eredienst sensu stricto beschermd. Deze vrijheid moet ruim worden opgevat. Niet alleen het behoren tot een geloofsovertuiging, maar ook de overgang van het ene geloof naar het andere wordt beschermd. De term ‘eredienst/culte’ toont aan dat men vooral aandacht had voor externe aspecten. Een duidelijke definitie van ‘eredienst/culte’ is niet voorhanden, al heeft men dat wel betracht.[26] Het meest belangwekkende element is zeker en vast de uitwendig en publieke manifestatie van religieuze gevoelens.[27]
In de tweede plaats wordt de vrije openbare uitoefening door de Grondwet gewaarborgd. Art. 26, tweede lid bepaald echter dat bijeenkomsten in de open lucht aan de politiewetten onderworpen blijven. Dit artikel wordt door het Hof van Cassatie geïnterpreteerd als een algemeen beginsel dat toegepast kan worden op alle rechten en vrijheden zodra die op openbare wegen en pleinen worden uitgeoefend, zodat preventieve maatregelen mogelijk zijn. De Raad van State is een andere mening toegedaan en vindt dat, behalve voor vergaderingen in open lucht de Grondwet preventieve maatregelen verbiedt. Dit verbod geldt ook voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van eredienst indien deze vrijheden op een openbare plaats uitgeoefend zouden worden.[28]
In de derde plaats waarborgt de art. 20 de vrijheid van meningsuiting, een recht dat ontegensprekelijk raakvlakken vertoont met de vrijheid van eredienst.
In de vierde plaats worden de grenzen van de godsdienstvrijheid in het laatste lid van art. 20 afgebakend. De vrijheden gelden enkel behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Zo wordt het risico vergroot dat een conflict kan ontstaan tussen aspecten van een religieus systeem en de regels die behoren tot de openbare orde van de overheid indien het gedachtegoed van dat religieus systeem afwijken van het waardepatroon van de maatschappij.[29] Ofwel geeft de overheid dan de rechter de mogelijkheid om de grondrechten ten opzichte van elkaar af te wegen, ofwel acht de overheid bepaalde waarden zo belangrijk dat het strafrecht de afdwingbaarheid van deze waarden veilig moet stellen en zo de discussie eenzijdig te beëindigen.[30]
b. Art. 20 G.W.
De negatieve formulering van deze bepaling toont dat de positieve en de negatieve godsdienstvrijheid – het verbod van dwang om zich te bekennen tot een bepaalde levensbeschouwing – onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Sinds oudsher worden in de rechtsleer een aantal concrete situaties gedetailleerd bestudeerd, dat is echter niet het onderwerp van deze studie.[31]
c. Art. 21 G.W.
Terwijl in art. 19 en 20 de godsdienstvrijheid – met een positief en een negatief aspect –abstract geformuleerd wordt, krijgt in art 21 de godsdienstvrijheid inhoudelijk gestalte. Het biedt religies de vrijheid om zich intern te organiseren zoals zij dat wensen. Deze vrijheid omvat drie concrete aspecten. Ten eerste heeft de Staat niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van enige eredienst. Ten tweede de mogelijkheid voor bedienaars van de eredienst om vrij briefwisseling te houden met hun overheid. Ten slotte wordt ook gegarandeerd dat de akten van de kerkelijke overheid openbaar mogen worden gemaakt, maar met behoud van de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking.[32]
Vrijheid van eredienst betekent dus niet alleen de eerbied voor de individuele overtuiging, maar ook het erkennen van de gemeenschapsvormen van een gelovige overtuiging. Het was mogelijk dat de Belgische grondwetgever zich enkel zou beperkt hebben tot de individuele vrijheid en –zoals in Frankrijk – zich niet ingelaten zou hebben met collectieve vormen. In België bezitten echter ook religieuze genootschappen over eigen fundamentele rechten.[33] Daar vloeit niet uit voort dat de overheid geen enkele vorm van controle mag uitoefenen.[34] Wel vloeit hier uit voort dat de profane rechter geen uitspraak mag doen over theologische vraagstukken. Toch kan men een evolutie vaststellen waarbij seculiere rechters zich meer en meer inmengen, ten nadele van de autonomie van religieuze organisaties.[35]
d. Art. 181 G.W.
Art. 181 is het laatste grondwetsartikel dat rechtsreeks van toepassing op de verhouding tussen Kerk en Staat en organiseert de financiering van de erediensten. Katholieke auteurs beschouwden de staatsbezoldiging van bedienaars van de eredienst als compensatie van de tijdens de Franse Revolutie genaaste kerkelijke goederen.[36] Liberale auteurs benadrukten vooral het sociale nut van de eredienst aan de bevolking.[37] Indien het sociale nut benadrukt wordt, dient de bedienaar van de eredienst de opgedragen taak werkelijk waar te nemen.[38] Door de grondwetsherziening van 1993 kreeg art. 181 een tweede lid, waardoor ook “morele lekenconsulenten” in aanmerking komen voor een staatswedde. Deze uitbreiding is weliswaar juridisch overbodig opdat de Staat lekenconsulenten een wedde zou kunnen toekennen, maar deze grondwettelijke erkenning benadrukt de maatschappelijke waarde van de vrijzinnigheid.[39]
Niet elke eredienst verkrijgt echter dergelijke financiering, art. 181, lid 1 geldt enkel en alleen voor de bedienaars van de erkende erediensten. De erkenning als eredienst van een geloofsovertuiging is niet steeds even vanzelfsprekend en heeft een aantal belangrijke rechtsgevolgen.
3.2. DE ERKENDE EN DE NIET-ERKENDE EREDIENSTEN
Het Nationaal Congres wou in de Grondwet geen privileges ten voordele van een eredienst toekennen, alle erediensten worden op voet van gelijkheid beschouwd. Ondanks deze principiële gelijkwaardigheid van alle erediensten zijn sommige erediensten door de overheid erkend. Deze erkenning is noodzakelijk opdat de bedienaars van de eredienst bezoldigd zouden worden door de overheid. Het Belgische systeem lijkt water en vuur met elkaar te willen verzoenen: er is een systeem van absolute gelijkheid tussen alle maatschappelijk aanvaarde godsdiensten, met een systeem van privileges voor de erkende erediensten.[40]
De erkenning gebeurt door of krachtens de wet. De wetgever moet zich hierbij onthouden van elk waardeoordeel en mag zich enkel laten leiden door de vraag of de bewuste eredienst aan de godsdienstige behoeften van (een deel van) de bevolking beantwoordt.[41] Bij de evaluatie dienen de grote christelijke kerken minstens impliciets als toetssteen. Schijnbaar atypische kenmerken van andere religies worden daardoor vaak negatief ingeschat, waardoor de erkenning niet plaatsvindt.[42]
De erkenning brengt ontegensprekelijk belangrijke voordelen met zich mee. Niet alleen verkrijgen de bedienaars van deze erediensten een wedde en nadien een pensioen, maar ook wordt de rechtspersoonlijkheid toegekend aan de openbare instellingen die zijn belast met het beheer van de goederen die voor de eredienst zijn bestemd.[43] Erediensten die niet erkend zijn mogen dan al genieten van de grondwettelijk beschermde godsdienstvrijheid, zij moeten echter een beroep doen op de vzw-techniek om rechtspersoonlijkheid te verwerven.[44]
Ook aan gemeenten en provincies worden, respectievelijk in de Gemeentewet en in de Provinciewet, verplichtingen opgelegd te voordele van de erkende erediensten. Een eerste reeks bepalingen zijn ten voordele van de bedienaars van de eredienst. Zij hebben betrekking op de huisvesting van de bedienaar van de eredienst. Een tweede reeks bepalingen handelen over het beheer van de goederen van de erkende erediensten. Zo worden financiële tekorten aangezuiverd en ontvangt men financiële steun voor de groeve herstellingen aan of de bouw van gebouwen bestemd voor de eredienst. Daarnaast zijn er nog een aantal suppletieve bepalingen in verband met aalmoezeniers in het leger en in de gevangenissen, zendtijd op de openbare omroep en de organisatie van godsdienstonderricht.[45]
De erkenning van bepaalde erediensten en de daar uit voortvloeiende toekenning van een aantal voordelen is een afwijking van het “beginsel van de gelijke behandeling van alle erediensten”. Toch neemt men aan dat het toekennen van voordelen aan erkende erediensten hieraan geen afbreuk doet. De Belgische grondwetgever beoogde immers geen absolute gelijkheid. Indien de overheid de steun zou beperken tot slechts één eredienst, dan zou men wel kunnen spreken van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel.[46] Het lijkt wel alsof er zich door de tijd heen een bijzondere vorm van het gelijkheidsbeginsel ontwikkeld heeft, waarop de ondertussen klassieke criteria van het Arbitragehof niet van toepassing zijn.
3.3. DE BURGERLIJKE RECHTER IN KERKELIJKE AANGELEGENHEDEN
3.3.1. Problematiek
De fundamentele regels die de verhouding regelen tussen de Belgische Staat en de Kerk kunnen we terugvinden in art. 19, 20, 21, 181 G.W.[47], maar ondanks de vele jurisprudentie en juridische geschriften is de problematiek van de burgerlijke rechter die gevraag wordt om tussen te komen in kerkelijke aangelegenheden gebleven.[48]
Het staat buiten kijf dat art. 21 de hoeksteen vormt van deze problematiek. De Staat mag zich niet bemoeien met de benoeming of de afzetting van de bedienaren van de eredienst. Evenmin mag de burgerlijke rechter zich niet bevoegd verklaren om een religieuze dissidentie te beslechten, de orthodoxie van een stelling te beoordelen of religieuze motieven naar waarde te schatten.[49] De rechter kan zich dus enkel uitspreken over de formele procedure. Maar deze controle is echter niet eenduidig. Men kan variëren van een louter formele toetsing van een kerkelijke beslissing tot een kwalitatief beoordelen van de kerkelijke procedure aan de hand van algemene rechtsbeginselen.[50]
3.3.2. Een formele toetsing
Aanvankelijk is de burgerlijke overheid heel terughoudend. De hoven en rechtbanken beperken hun controle van de kerkelijke beslissingen tot een louter formele toetsing. De rechterlijke macht beperkt zich in zaken van benoeming of afzetting tot de vaststelling dat dit gebeurde door de bevoegde kerkelijke overheid, zonder hierbij de wettigheid van deze beslissing te onderzoeken. [51]
Men kan echter een onderscheid maken tussen twee soorten formele toetsing en zo een minimale wijziging in de rechtspraak – in de lijn der verwachtingen – waarnemen. In principe zal de rechter alleen nagaan of de benoeming van een opvolger door de bevoegde kerkelijke overheid is gebeurd. Geleidelijk gaan de hoven en rechtbanken ook controleren of de beslissing tot herroeping door een bevoegde kerkelijke overheid is genomen.[52] Meer dan een formele toetsing blijft echter uitgesloten.
3.3.3. Een controle van de interne procedure
Deze klassieke leer wordt ter discussie gesteld met het arrest van 5 juni 1967, geveld door het Hof van Beroep van Luik. Het hof bevestigt weliswaar de klassieke 19e eeuwse leer en stelt dat de rechter mag nagaan of een bepaalde beslissing door de bevoegde kerkelijke overheid werd genomen, maar voegt hieraan toe dat deze kerkelijke overheid in alle onafhankelijkheid kan handelen overeenkomstig de eigen regels.[53] Tegen het arrest werd cassatieberoep ingesteld, maar het Hof van Cassatie verwierp het beroep met het arrest van 25 september 1975.[54] Het Hof van Cassatie deed echter geen uitspraak over het respecteren van de eigen regels, maar wees een middel af dat gericht was tegen een ten overvloede gegeven motief.[55] Een impliciete evolutie heeft plaatsgevonden. De louter formele controle wordt namelijk uitgebreider geïnterpreteerd: er vindt nu ook een controle van de interne procedure plaats, maar zonder dat deze als zodanig gekwalificeerd wordt.[56] In de rechtsleer werd echter reeds eerder gepleit voor het respecteren van de eigen regels.[57]
3.3.4. Op zoek naar kwaliteitsgaranties voor procedureregels
Het Hof van Beroep van Bergen zet met het arrest van 8 januari 1993 een nieuwe stap. De rechter mag niet alleen nagaan of de kerkelijke overheid bij het nemen van een beslissing conform de eigen regels heeft gehandeld, maar mag ook oordelen of deze regels voldoende (procedurele) garanties bieden. Hierbij verwijst het Hof naar algemene rechtsbeginselen zoals het recht van verdediging en het beginsel van tegenspraak.[58] De rechter zou zich dus niet beperken tot een louter formele toetsing van de bestreden beslissing en de controle van de kerkelijke procedure, maar zou ook een kwaliteitscontrole uitvoeren op deze procedure.[59]
Tegen dat arrest wordt echter cassatieberoep ingesteld en met het arrest van 20 oktober 1994 verbreekt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Bergen.[60] De vrijheid van eredienst (art. 21 G.W.) laat niet toe dat de hoven en rechtbanken onderzoeken of de kerkelijke procedure voldoende waarborgen biedt. Het Hof zich weliswaar niet uit of de maxime patere legem quam ipse fecisti[61] van toepassing is, maar argumenteert “dat de benoeming en de afzetting van de bedienaren van een eredienst alleen maar door de bevoegde geestelijke overheid kunnen geschieden overeenkomstig de regels van de eredienst[62], en, anderzijds, dat de godsdienstige discipline en rechtsmacht op die bedienaren van de eredienst alleen door dezelfde overheid overeenkomstig dezelfde regels kunnen worden uitgeoefend”. Hof expliciteert niet in hoeverre de toepassing van “de regels van de eredienst” onderworpen kunnen worden aan profaan rechterlijke controle, maar suggereert in ieder geval de mogelijkheid.[63] Met het arrest van 3 juni 1999, in dezelfde zaak, herhaalt het Hof – in verenigde kamers – zichzelf.[64]
De twee arresten van het Hof van Cassatie hebben er niet voor kunnen zorgen dat het onweer is gaan liggen. Een minderheid in de rechtsleer stelt dat de arresten niets verandert hebben en verdedigt de traditionele leer. Een andere minderheid is voorstander van een kwaliteitscontrole. De tussenpositie, die focust op de vraag of de kerkelijke overheden de interne regels gerespecteerd hebben en de maxime patere legem quam ipse fecisti toepassen, lijkt echter het meest voor de hand liggend.[65] [66]
3.4. KWALIFICATIE
In de Grondwet wordt nergens de verhouding tussen de overheid en de erkende erediensten of niet-confessionele levensbeschouwingen gekwalificeerd. Tijdens de voorbereidende werken werd weliswaar geopperd dat de verhouding tussen Kerk en Staat als een totale, volledige en absolute scheiding aangeduid moest worden.[67] Deze scheiding is in de praktijk nooit gerealiseerd. Elementen die enerzijds een scheiding aanduiden zijn bijvoorbeeld de afwezigheid van een staatsgodsdienst, de niet-toepasselijkheid van het canoniek recht in burgerlijke zaken, de laïcisering van de openbare ambten en ambtenaren, de niet toekenning van rechtspersoonlijkheid aan kerkelijke verengingen. Anderzijds worden de erkende erediensten door de overheid gefinancierd, wat duidt op samenwerking.[68] De rechtsleer is zich bewust van deze dubbelzinnigheid. De meeste auteurs trachten dan ook allerlei begrippen in te voeren om deze dubbelzinnigheid te verwoorden. Soms heeft men het over een “onderlinge onafhankelijkheid”, een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding”. In ieder geval kan men stellen dat de verhouding in België tussen Kerk en Staat niet bestaat in een absolute scheiding en dat België geen état laïc is.[69]
4. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN FRANKRIJK
In tegenstelling tot België, wordt in Frankrijk de verhouding tussen Kerk en Staat wel gekwalificeerd in de Grondwet van 1958. De huidige Grondwet is echter niet de eerste tekst waarin het fenomeen religie behandeld wordt. De eerste belangrijke wet is ontegensprekelijk die wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat. Voor de eerste keer werd in Frankrijkun régime de liberté religieuse ingevoerd.[70] De kwalificatie laïque werd echter pas ingevoerd in de Grondwet van 1946, waarbijlaïcité gedefinieerd kan worden alsle principe de la séparation de la société civile et de la religion[71].
4.1. DE WET VAN 9 DECEMBER 1905 CONCERNANT LA SÉPARATION DES EGLISES ET DE L’ETAT : EEN LAÏCITÉ DE COMBAT[72]
Voor Koubi heeft de wet van 9 december 1905 elke pertinentie verloren. Sinds het begin van de 20e eeuw heeft het principe van de laïcité immers fundamentele veranderingen ondergaan.[73] [74] Niettemin achten een aantal auteurs het praktisch belang van art. 2, waarin Frankrijk beschreven wordt als een République indivisible, laïque, démocratique et sociale, van de huidige Grondwet onderworpen aan de lezing van de wet van 1905.[75] In ieder geval biedt een bespreking van deze wet een relevante historische inleiding tot de laïcité à la française.
Voordat de wet van 9 december 1905 aangenomen werd, bevonden de katholieke[76], de protestantse en de israëlitische eredienst zich als erkende eredienst in een bijzondere positie. De bedienaars van de eredienst werden bezoldigd door de overheid, die ook deelnam aan hun benoeming. Duguit deinst er niet voor terug om het te hebben over véritables services publics. De niet-erkende erediensten étaient soumis à un régime de police d’autant plus arbitraire.[77]
Duguit haalt twee kritieken aan op deze uitwerking van de verhouding tussen Kerk en Staat. Aan de ene kant zijn de niet-erkende erediensten zijn onderworpen aan een volstrekte willekeurig stelsel. Zij zouden het recht moeten hebben om vrij hun eredienst uit te oefenen. Het stelsel van de erkende erediensten is la négation même de principe de liberté religieuse et du principe de l’Etat laïque en voor de gelovigen un empiétement intolérable de prince sur le domaine de la conscience religieuse.Aan de andere kant schendt het stelsel van erkende van de erediensten het principe de liberté religieuse omdat burgers gedwongen worden om geld uit te geven aan religies die zij niet praktiseren.[78]
De aanhangers van het principe van delaïcité hebben zich op het einde van de 19e eeuwen en in het begin van de 20e eeuw zowel politiek als filosofisch krachtdadig geprofileerd.[79] De formulering van Duguit lijkt niet meer te zijn dan een abstrahering van de strijd die zich heeft afgespeeld. Delaïcitéfrançaiseheeft vorm gekregen in de strijd die gevoerd werd door de Overheid tegen voornamelijk de katholieke Kerk.[80] De laïcité is in de eerste plaats en strijd geweest tegen het triomferende klerikalisme van de 19e eeuw. Er ontstond een ware polemiek tussen cléricauxen laïcs, die gekenmerkt werd door een haast ongekende heftigheid. Toch was het de bedoeling van de Republiek om met de wet van 9 december 1905 een compromis mogelijk te maken en zo een séparation à l’amiable te creëren.[81]
Het doel van de wet van 9 december 1905 is om godsdienstvrijheid mogelijk te maken, waarbij aan elk individu de vrije uitoefening van zijn of haar eredienst wordt verzekerd (art. 1) Hiertoe wordt een volkomen neutraliteit van de Staat noodzakelijk geacht, zodat geen enkele eredienst erkend kan worden en geen enkele eredienst een bezoldiging of subsidiëring kan verkrijgen (art. 2). Naast de bepalingen in verband met de erkenning en subsidiëring van erediensten, kunnen nog vier andere categorieën onderscheiden worden. Een aantal bepalingen handelen over de gebouwen en voorwerpen van de eredienst. Ook de rechtsovergang van kerkelijke goederen komt aan bod. Hiertoe werd in een vierde categorie bepalingen deassociations cultuelles in het leven geroepen. Een vijfde categorie handelt over de politie van de erediensten.[82]
De katholieke Kerk verzette zich echter sterk tegen deze wet en weigerde om deassociations cultuelles op te richten, maar de overheid greep niet in en liet de katholieken toe om de gebouwen van de eredienst te gebruiken zonder dat die daartoe gerechtigd waren. Langzaam maar zeker ontstond een meer serene relatie tussen de katholieke Kerk en de Staat.[83]
4.2. DECONSTITUTIONALISATIE VAN DE LAÏCITÉ[84]
De kwalificatie laïque was ook in 1946 nog altijd erg beladen.[85] Toch werd in art 1 van de Grondwet van 1946 afgekondigd dat Frankrijk een“République indivisible, laïque, démocratique et sociale” is. In de Grondwet van 1958 werd in het huidige art. 1[86] daaraan toegevoegd dat “elle assure l’égalité devant la loi de tous les citoyens sans distinction d’origine, de race ou de religion. Elle respecte toutes les croyances”.[87] De laïcité heeft haar polemisch karakter verloren en maakt deel uit van de grote vrijheden aangezien de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de vrije uitoefening van een eredienst er door beschermd worden[88]; “juridiquement, la laïcité, c’est la neutralité religieuse de l’Etat”[89].
Het Franse constitutionele recht neemt de godsdienstvrijheid van het individu in ogenschouw en niet de collectieve godsdienstvrijheid.[90] Niet de individuele godsdienstvrijheid is problematisch, maar wel de collectieve uitoefening van de eredienst. De Republiek garandeert weliswaar het pluralisme, maar door haar jacobijnse en centralistische tendensen worden intermediaire lichamen, minderheden of etnische, culturele of religieuze gemeenschappen niet (h)erkend.[91]
4.3.UNE SÉPARATION BIEN TEMPÉRÉE
Toch is de verhouding tussen Kerk en Staat veel complexer en diffuser dan dewet van 9 december 1905 en Franse Grondwet doen vermoeden. De wet van 9 december 1905 kadert in een radicaal antiklerikalisme, terwijl de huidige evenwichtsituatie nog het best omschreven kan worden als une séparation bien tempérée.[92] Terwijl de wet van 9 december 1905 de emanatie is van “la conception idéologique ou négative de la laïcité” bekrachtigen de grondwetten van 1946 en 1958 “la conception juridique ou positive de la laïcité”.[93]
Regelmatige en permanente subsidiëring van erediensten mag dan al niet mogelijk zijn (art. 2 van de wet van 9 december 1905). Toch kan de Franse staat activiteiten subsidiëren die plaatsvinden in een confessioneel kader, maar die van algemene aard zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, liefdadigheidsinstellingen, enz.). De Franse overheid moet eveneens bepaalde religieuze diensten rechtstreeks ten laste nemen (bijvoorbeeld aalmoezeniers in openbare instellingen, tehuizen en gevangenissen). Vanzelfsprekend moet de Franse overheid ook instaan voor de bezoldiging van de bedienaars van erediensten wanneer zij diensten verstrekken aan de overheid (bijvoorbeeld gemeentesecretaris, enz.). Priesters en geestelijken kunnen ook beroep doen op sociale zekerheid.[94]
Een opmerkelijk kenmerk van de laïcité in Frankrijk is dat de scheiding tussen Kerk en Staat nooit volledig en rigide is geweest. De Republiek heeft steeds een welwillende neutraliteit aan de dag gelegd. Zelfs in 1905 waren er betrekkingen tussen de Republiek en de kerken.[95]
5. VOORSTEL MAINGAIN (FDF/MR)
5.1. EXEGESE
De opstellers van amendement nr. 2 lijken aan alles te hebben gedacht. Zij schetsen niet alleen de (rechts)historische aanknopingspunten van het principe van delaïcité, maar passen het beginsel ook toe en geven de gevolgen aan van de opname in de Grondwet. Niettemin staat de verantwoording bol van contradicties.
Met de eerste zin geven de auteurs de oorsprong aan de verhouding tussen Kerk en Staat in Frankrijk, “de doorslaggevende rol van de Staat ligt aan de oorsprong van de Franse laïciteit”. De auteurs onderscheiden drie etappes in “(de wens van de politieke overheid om) de individuen en de geledingen van het maatschappelijk leven te onttrekken aan de greep van de Katholieke Kerk”. De eerste etappe is blijkbaar niet de Franse Revolutie, die nochtans door Boyer als een ommekeer beschouwd wordt[96], maar hetrégime concordatairevan Napoleon. Het Concordaat van 1802 herbevestigt echter de belangrijke positie van de Katholieke Kerk in Frankrijk, al tonen deArticles organiquesdie Napoleon unilateraal toevoegde duidelijk de macht die de overheid uitoefende. De tweede etappe wordt volgens de auteurs gevormd door “de schoolwetten van de jaren 1880 die een cursus niet-confessionele moraal organiseren”. Onderwijsvrijheid en levensbeschouwelijke vrijheid zijn weliswaar nauw bij elkaar betrokken, maar gedurende de gehele 19e eeuw zou het concordatair regime verder blijven bestaan. Daaraan komt pas een einde met de wet van 9 december 1905concernant laséparation des Eglises et de l’Etat. Deze wet vormt dan ook de derde stap, die culmineert in de Grondwet van 1958: “la France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale”. De volstrekte scheiding tussen Kerk en Staat was een feit. Volgens Boyer waren het echter “les radicaux qui avaient fait de l’anticléricalisme un combat et un programme espéraient arracher à l’Eglise son pouvoir politique, matériel et même spirituel”[97].
De leden van het Nationaal Congres waren volgens de auteurs vrij godsdienstig en verkozen daardoor een liberale oplossing boven het sluiten van een concordaat met de Heilige Stoel. De formulering lijkt aan te geven dat de auteurs eenrégime concordataireverkiezen boven de vooruitstrevende en innovatieve oplossing van het Nationaal Congres.
De auteurs willen niet meer of minder dan de omzetting van het beginsel van de laïcité in de Belgische Grondwet. Ze zijn zich echter bewust van de bijzondere kenmerken van ons grondwettelijk systeem. Toch zou hun voorstel aansluiten bij het opzet van de Grondwet zoals zij door het Nationaal Congres werd geconcipieerd. Het Franse en Belgische systeem verschillen echter formeel helemaal van elkaar. De Franse wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat is tot stand gekomen in een sfeer van antiklerikalisme, terwijl het Nationaal Congres een meer uitgebalanceerd en pragmatisch systeem ontwikkelde. Deze misvatting kan wellicht verklaard worden doordag het Belgische systeem geheel foutief beschouwd wordt als gebaseerd op “het principe van de wederzijdse niet-inmenging tussen de Staat en de (…) erkende en vertegenwoordigde kerken”. Een aantal elementen duiden weliswaar een scheiding aan, terwijl andere elementen dan weer de samenwerking benadrukken.
De auteurs geven in hun historische schets geven aan dat het Franse en het Belgische systeem van verhouding tussen Kerk en Staat een heel andere ontstaansgeschiedenis kennen en daardoor helemaal van elkaar verschillen. Even later poneren ze dat de omzetting van de laïcité geen problemen stelt aangezien het voorstel aan zou sluiten bij het opzet van de Grondwet van 1830 (sic). In tegenstelling tot wat de auteurs beweren heeft de inschrijving van de laïcité heeft tot gevolg dat de grondwettelijke beginselen wat de betrekking tussen de religies en de overheid betreft in het gedrag komen. Daarenboven zijn ze uit het oog verloren dat de hedendaagse Franse rechtsleer een minder formalistisch uitgangspunt inneemt en de verhouding tussen Kerk en Staat beschrijft als une séparation bien tempérée.[98]
In de “Inleidende ideeëngeschiedenis” heb ik reeds aangegeven dat het principe van laïcité voor de MR inhoudt dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen.[99] Het gaat kortom om een laïcité de combat. Dergelijke visie is een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit: vanuit een scheiding pur sang moet de overheid levensbeschouwelijk neutraal zijn.
De Belgische overheid moedigt echter de vrije ontwikkeling van religieuze en institutionele activiteiten aan, zonder de onafhankelijkheid te beknotten.[100] De overheid maakt een pluralisme van levensbeschouwelijke activiteiten op actieve wijze mogelijk en handelt dus vanuit een positieve religieuze neutraliteit.[101] De opname van de laïcité in de Grondwet zou dus wel degelijk een wijziging betekenen ten opzichte van het huidige regeling.
5.2. HYPOTHETISCHE UITWERKING
De vraag welke wijzigingen zich in concreto zullen voordoen is tot nu toe onbeantwoord gebleven. De bedoeling van dit onderdeel is dan ook kort aan te geven welke gevolgen de opname van de laïcité in de Grondwet, als een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit, zal teweegbrengen.
Indien de laïcité in art. 1 G.W. de verwoording zou zijn van een algemeen principe, zullen de regelingen van art. 19, 20, 21 en 181 G.W. slechts uitzonderingen zijn en als zodanig niet meer constituerend voor de verhouding tussen Kerk en Staat. Naast deze indirecte wijziging van de grondwettelijke bepalingen worden een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen – bijna steeds ten voordele van de erkende erediensten – op de helling gezet.
De erkenning van erediensten is weliswaar tegengesteld aan de negatieve religieuze neutraliteit, maar is verankerd in de Grondwet. Art. 181 G.W. vermeldt de erkenning echter enkel indirect in verband met de financiering. De betaling van de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de eredienst en de morele lekenconsulenten zal de enige overgebleven consequentie zijn van de erkenning.
De huisvesting van de bedienaars van de eredienst (art. 255, 12° Nieuwe Gemeentewet) , de aanzuivering van negatieve saldo’s door gemeenten en provincies (art. 255, 9° Nieuwe Gemeentewet en art. 69, 9° Provinciewet), de gratis zendtijd op de openbare omroep (radio en televisie) en de bijstand door aalmoezeniers en morele lekenconsulenten in gevangenissen en in het leger zijn uitingen van de positieve religieuze neutraliteit en zijn niet verenigbaar met gepropageerde laïcité. Ook de tussenkomst bij de bouw of het herstel van gebouwen bestemd voor de eredienst is problematisch, al zal de restauratie en onderhoudspremies voor beschermde monumenten een belangrijke indirecte financiering blijven. [102]
De rechtspersoonlijkheid van openbare instellingen die belast zijn met het beheer van tijdelijke goederen (bijvoorbeeld de kerkfabrieken) wordt wellicht niet op de helling gezet. Men zou immers een parallellisme kunnen vaststellen met de associations cultuelles van de Franse wet van 1905, die ook kaderde in een negatieve religieuze neutraliteit. Het godsdienstonderricht en het onderricht in de niet-confessionele moraal in het openbaar onderwijs staan ook haaks op het principe van de laïcité. De Schoolpactwet van 29 mei 1959 werd echter verankerd in art. 24 de G.W.[103] en zou dus ook een uitzondering vormen ten opzichte van art. 1 G.W.. Een doorgedreven uitvoering van het principe van de laïcité, geïnspireerd door een negatieve religieuze vrijheid zou dus verregaande gevolgen kunnen hebben. De welwillende houding van de overheid is immers niet alleen terug te vinden in de Grondwet, maar ook in vele andere wetten en wordt weerspiegeld in een dagdagelijkse pragmatische mentaliteit.
6. HET CONCORDAAT, GEEN ALTERNATIEF
In de wandelgangen van de Apostolische Nuntiatuur te Brussel gaan stemmen op die pleiten voor het sluiten van een Concordaat tussen de Heilige Stoel en België. Zij hebben zich blijkbaar laten inspireren door de reeks concordaten die de Heilige stoel heeft gesloten met landen uit het vroegere Oostblok[104] en zich laten aanmoedigen door L’Osservatore Romano, waarin het verdrag van Lateranen tussen de Heilige Stoel en Italië (1929) beschouwd wordt als een modelverdrag voor andere concordaten[105]. Hier wil ik aantonen dat een dergelijk initiatief onverenigbaar is met de Belgische constitutionele rechtsorde en derhalve geen alternatief kan vormen voor het voorstel Maingain (FDF/MR).
6.1. DEFINITIE
Wagnon definieert een concordaat als “une convention conclue entre le pouvoir ecclésiastique (de Heilige Stoel[106]) et le pouvoir civil (de Staat) en vue de régler leurs rapports mutuels dans les multiples matières où ils sont appelés à se rencontrer. C’est un traité bilatéral, né de l’accord des volontés des deux parties, établissant une règle de droit qu’elles sont tenues en justice de maintenir et d’observer fidèlement.”[107] De reden waarom de Heilige Stoel graag concordaten sluit kunnen we ook terugvinden bij Wagnon. Deze vervolgt zijn definitie met: “(un concordat) est un acte solennel qui instaure entre les deux autorités appelées, à des titres divers, à régir les mêmes individus, un régime d’union, de concorde et de collaboration, hautement profitable non seulement aux sujets qui en bénéficient, mais encore à la religion tout comme à la société civile elle-même”.[108]Deze definitie ademt ontegensprekelijk de geest uit van het Rijke Roomse Leven, maar bevat niettemin een aantal meer dan waardevolle elementen. Het concordaat dat de eerste consul van de Republiek, Napoleon Bonaparte en paus Pius VII op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) – Convention entre le Pape et le gouvernement français – kan getypeerd worden als “un traité diplomatique forgé par une modernité de laïcité naissante[109]”.Hoe het begrippenpaar “hautement profitable” ingevuld moet worden is dus niet altijd even duidelijk, het lijkt eerder een eventueel aangenaam gevolg te zijn dan een essentieel kenmerk. Wagnon definieert een concordaat niet als een internationaal verdrag. Nochtans kan men een concordaat als een internationaal verdrag kwalificeren. Art. 2, §1, al. a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 omschrijft een verdrag echter als “een internationale overeenkomst in geschrifte tussen Staten gesloten[110] en beheerst door het volkerenrecht (…)”. Gewoonterechtelijk wordt een verdrag echter gedefinieerd als elk akkoord dat gesloten wordt tussen twee of meer subjecten van het volkerenrecht, met de bedoeling rechtsgevolgen teweeg te brengen en dat beheerst wordt door het volkerenrecht.[111] Deze twee definities spreken elkaar niet tegen: art. 3, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 duidt aan dat art. 2 slechts de werkingssfeer afbakent en vermeldt uitdrukkelijk de rechtskracht van internationale overeenkomsten gesloten tussen Staten en andere subjecten van volkerenrecht.[112] Een concordaat lijkt aan uiteindelijk beide definities te voldoen. Algemeen wordt immers aanvaard dat de Heilige Stoel volkenrechtelijke rechtspersoonlijkheid heeft.[113] Wagnon hoedt er zich echter voor om een concordaat als een internationaal verdrag te kwalificeren, al hebben een concordaat en een internationaal verdrag vanzelfsprekend veel met elkaar gemeen. De verschillen mogen dan al eerder theoretisch van aard zijn, voor Wagnon zijn ze onbetwistbaar. Een concordaat is namelijk een overeenkomst tussen een Staat en de Heilige Stoel, waarbij hetzelfde volk in ogenschouw genomen wordt. Een concordaat zou ook vooral gesloten worden met het oog op morele en religieuze belangen, niet met het oog op politieke en economische belangen.[114] De verschijnselen in onze wereld zijn echter slechte een flauwe afspiegeling van de Ideeën.
6.2. DE ONGRONDWETTELIJKHEID VAN EEN NIEUW CONCORDAAT
Toen op 24 september 1830 een administratieve commissie – reeds op 26 september omgevormd tot het Voorlopig Bewind – het bestuur van de afgescheiden provincies in handen nam, werd de Belgische Staat de facto gevormd. Wagnon stelt dat “(…) il faut nécessairement conclure à la cessation du concordat, sauf renouvellement de l’accord antérieurement en vigueur, soit par un arrangement semblable à celui de 1816-1817 entre Rome et La Haye, soit, plus simplement, en vertu d’une manière d’agir concluante du Saint-Siège et du gouvernement du nouvel Etat.” Het Voorlopig Bewind liet met het decreet van 16 oktober 1830 zelfs uitdrukkelijk verstaan het Concordaat van 1801 niet te willen heraanvatten. Door de godsdienstvrijheid in de Grondwet op te nemen (art. 19 en 20) heeft het Nationaal Congres impliciet aangegeven dat de Belgische Staat zich niet meer wil beroepen op de prerogatieven die het Concordaat van 1801 toekende aan de Franse Staat en dat het régime concordataire dus opgehouden heeft te bestaan.[115] De Raad van State heeft dit, wijzend op de onderlinge onafhankelijkheid van het burgerlijke en het kerkelijke gezag, in zijn adviespraktijk uitdrukkelijk bevestigd.[116] De verhoudingen en sommige afspraken tussen de overheid en de rooms katholieke Kerk zijn echter nog op het Concordaat van 1801 gebaseerd en soms wordt er zelfs nog in KB’s naar verwezen, terwijl de Articles organiques als wetten blijven voortbestaan voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Belgische grondwetsbeginselen.[117] Het sluiten van een concordaat zou dus een grondwetswijziging vereisen. Vervolgens zou de overheid gelijkaardige overeenkomsten moeten sluiten met andere (erkende) erediensten[118], zoniet zou men gewag kunnen maken van een ongeoorloofde discriminatie. Het sluiten van een concordaat, zonder een grondwetswijziging zou in ieder geval een schending van de Grondwet inhouden.
BESLUIT
De betekenis van de titel “Een paradoxale scheiding” zou nu volledig ontrafeld moeten zijn, niettemin is een verdere verduidelijking wellicht gewenst. Bij de bespreking van de verhouding tussen Kerk en Staat in België is gebleken de scheiding tussen beiden helemaal niet volledig is. Veel auteurs hebben deze verhouding trachten te kwalificeren en evenveel kwalificaties hebben het licht gezien. Steeds wordt dezelfde paradox in de rechtsleer blootgelegd: enerzijds wordt de godsdienstvrijheid benadrukt en worden alle erediensten als gelijk beschouwd, anderzijds heeft met een systeem van erkenning ontwikkelt met belangrijke financiële gevolgen. In Frankrijk is de verhouding tussen Kerk en Staat in grotere mate een uitgesproken scheiding.Ook het Voorstel Maingain wordt gekenmerkt door een paradox. Enerzijds vult men de verhouding tussen Kerk en Staat in vanuit een Frans geïnspireerde negatieve religieuze vrijheid en lijkt men eenlaïcité de combat te recreëren. Anderzijds zou naar eigen zeggen de voorgestelde grondwetswijziging aansluiten bij het opzet van het Nationaal Congres. Deze ongerijmdheid is slechts schijn. Men wil niet raken aan de bestaande bepalingen inzake de verhouding tussen Kerk en Staat en tegelijkertijd wil men een scheiding pur sang doorvoeren, waardoor uiteindelijk deze verhouding toch helemaal wijzigt. Een nog niet uitdrukkelijk geformuleerd voorstel om opnieuw een régime concordataire in te voeren is in het geheel niet verenigbaar met de Grondwet, van een paradox is er geen sprake.
[1] Zie U.S. DEPARTEMENT OF STATE – BUREAU OF DEMOCRACY, HUMAN RIGHTS AND LABOR, International Religious Freedom Report 2003: Belgium , http://www.state.gov/g/drl/rls/irf/2003/24346.htm, 21 februari 2004, Online: “The population is predominantly Roman Catholic. According to the 2001 Survey and Study of Religion, jointly conducted by a number of the country's universities and based on self-identification, approximately 47 percent of the population identify themselves as belonging to the Catholic Church. The Muslim population numbers approximately 364,000, and there are an estimated 380 mosques in the country. Protestants number between 125,000 and 140,000. The Greek and Russian Orthodox Churches have approximately 70,000 adherents. The Jewish population is estimated at between 45,000 and 55,000. The Anglican Church has approximately 10,800 members. The largest nonrecognized religions are Jehovah's Witnesses, with approximately 27,000 baptized members, and the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormons), with approximately 3,000 members.” Zie ook DOBBELARE, K., ELCHARDUS, M., KERKHOFS, J., VOYE, L. en BAWIN-LEGROS, B., Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen, Tielt, Lannoo, 2000, 272 p.
[2] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen" – Citoyenneté et Démocratie, p 8-9.
[3] Ibid., p 6. Eigen (de)cursivering.
[4] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl. St. Kamer 2002-2003, nr. 50 2389/002.
[5] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl.St. Senaat, 2002-2003, nr. 50 2-1549/2.
[6] X, La vision et le programme des Réformateurs,http://www.mr.be/docs/du_coeur_a_l_ouvrage.pdf, 18 februari 2004, Online, 24.
[7] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 5.
[8] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[9] Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[10] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[11] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 17.
[12] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 16 en voetnoot 45.
[13] Ibid., 16 en voetnoot 47.
[14] Ibid., 16 en voetnoot 48.
[15] FERRARI, S., “Church and State in Europe. Common Patters and Challenges”, in KIDERLEN, H.-J., TEMPEL, H., TORFS, R. (ed.), Which Relationships between Churches and the European Union? Thoughts for the future, Leuven, Peeters, 1995, 33.
[16]Deze leer week af van die van de veroordeelde Franse priester Lamennais, de vader van het liberaal-katholicisme, die door een algehele scheiding tussen Kerk en Staat de vrijheid wou verwerven. WAGNON, H., “Le Congrès national belge de 1830-1837 a-t-il établi la séparation de l’Eglise et de l’Etat”, in X (ed.), Etudes d’histoire du droit canonique dédiées à Gabriel Le Bras, I, Parijs, Sirey, 1965, 761.
[17] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 39-41 enVAN GOETHEM, H., “L’église catholique et la liberté de religion et du culte en Belgique dans les constitutions de 1815 et 1831”, in VAN GOETHEM, H., WAELKENS, L., en BREUGELMANS, K. (ed.), Libertés, pluralisme et droit. Une approche historique, Brussel, Bruylant, 1995, 185-187.
[18] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 40-53.
[19] X., Considérations sur la liberté religieuse par un unioniste, Leuven, Van Linthout, 1830, 24p.
[20] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 42.
[21] De voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk lijkt wel degelijk te zijn gebruikt als pasmunt voor verregaande faciliteiten voor de erediensten. Zie AUBERT, R., “l' Eglise et l’Etat en Belgique du XIXe Siècle”, Res Publica 1968 (Spécial 2), 20-21.
[22] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 53-54.
[23]VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, inUFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 44-46.
[24] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 817. Andere auteurs gewagen van een “onderlinge onafhankelijkheid van Kerk en Staat” of hebben het over een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding” ZieDE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar (cf. infra).
[25] Ook buiten het Nationaal Congres was er onvrede. Laurent, Gents professor staatsrecht en liberaal, verdedigde de stelling dat alle macht bij de staat moet berusten. (BAERT, G., “Prof. François Laurent een eeuw later (1810-1887-1987)”, T.P.R. 1990, 87.) In Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique behandelt Laurent de verhouding tussen Kerk en Staat. Laurent ziet in de ideeën van Van Espen over het appel du comme d’abus en de vergelijkbare rechtsfiguur van de recursus ad principem zijn thesis bevestigd over de soevereine macht van de Staat: de Staat mag niet dulden dat een andere macht wetten uitvaardigd, zelfs al zijn die slechts in geweten bindend. Hij vindt het betreurenswaardig dat het Nationaal Congres de (bijzondere) scheiding tussen Kerk en Staat heeft aanvaard, want daardoor heeft de Staat alle macht over de Kerk verloren. (LAURENT, F., Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique, Brussel,Lacroix en Van Meenen, 1860, 248 p.) Zie VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus”, Pro Memorie 1999, 100-114 voor de werkelijke opvattingen van Van Espen; zie Pand. b., vis Abus (Appel comme d’), Appel comme d’abus voor een onderzoek naar het voortbestaan van deze rechtsfiguur in het Belgische constitutionele recht. Voor een zoektocht naar sporen van de Recursus ad principem in de hedendaagse verhouding tussen Kerk en Staat, zie VAN STIPHOUT, M., “Legal Continuity and Discontinuity in the Low Countries in Search of a “Recursus ad principem” in Ecclesiastical Cases in the 1990s”, in COOMAN, G., VAN STIPHOUT, M. en WAUTERS, B., Zeger-Bernard Van Espen at the Corssroads of Canon Law, History, Theology and Church-State Relations – Separando certa ab incertis conciliare et explicare, Leuven, Peeters, 2003, XVIII en 498 p, waarin de arresten van het Hof van Cassatie van 20 oktober 1994 en 3 juni 1999 besproken worden, waarna de auteur vaststelt dat de vragen die rezen in het licht van Recursus ad principem in België nog steeds aan de orde zijn en aan de seculiere rechter gesteld worden (cf. infra,).
[26] Zie bijvoorbeeld Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[27] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 42-43.
[28]ALEN, A., Compendium van het Belgisch staatsrecht, I, Diegem, Kluwer, 2000, 54-55.
[29] Denk bijvoorbeeld aan het maatschappelijke debat over de gelijkheid tussen man en vrouw, euthanasie, de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, enz.
[30] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 45-47.
[31] Zie bijvoorbeeld THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 60-63 enDE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 179-219.
[32] ORBAN, O., Le droit constitutionnel de la Belgique, III, Libertés constitutionnelles et principes de législation, Luik, Dessain, 1911, 590-593.
[33] DE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 217.
[34] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 51.
[35] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 21-29 en TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium. Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 87-96.(cf. infra)
[36] THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 363.
[37] GIRON, A., Le droit public de la Belgique, Brussel, Manceaux, 1884, 496.
[38] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 61.
[39] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[40] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128.
[41] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[42] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 60-61.
[43] MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 45-46.
[44] Ibid., 43.
[45] Ibid., 46-47.
[46] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128 en MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 43
[47] cf. supra
[48] Een historisch voorbeeld kan men terugvinden in VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus’, Pro Memorie 1999, 100-102. Zie ook voetnoot 26.
[49] VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 95 en VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 50.
[50]Zie de indirecte controle van de canoniekrechterlijke procedure door het EHRMin het arrest Pellegrini/Italië (n° 30882/96) van juli 2001. In dit arrest wordt Italië door het EHRM veroordeeld wegens schending van art. 6 §1 EVRM omdat de Italiaanse rechtbanken exequatur verleend hadden aan een arrest van de Romeinse Rota– een gevolg van het Concordaat – , zonder zich er van te vergewissen of het recht op een eerlijk proces tijdens de canoniekrechterlijke procedure was nageleefd.
[51] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 22 en de verwijzingen naar rechterlijke uitspraken in voetnoot 4.
[52] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55.
[53] Luik 5 juni 1967, Jur. Liège 1967-68, 138 en MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 23.
[54] Cass. 25 september 1975, Pas. 1975, I, 111.
[55] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55-56.
[56] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 88.
[57] Zie VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 96 en LEMMENS, P., “De Kerkelijke overheid in de greep van de wereldlijke rechter”, in WARNINK, H. (ed.), Rechtsbescherming in de kerk, Leuven, Peeters, 1991, 80, die verwijst naar het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
[58]Bergen, 7 januari 1993, T.S.R. 1993, 69.
[59]TORFS, R., “De verhouding tussen Kerk en Staat op nieuwe wegen?”, (noot onder Bergen 7 januari 1993), T.S.R. 1993, 72-79 enVUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 56.
[60] Cass. 20 oktober 1994, Arr.Cass. 1994, 861.
[61]Volgens dit maxime zou de bevoegde kerkelijke overheid bij het nemen van de beslissing de intern voorgeschreven regels moeten respecteren.
[62] Eigen cursivering.
[63] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 90.
[64] Cass. 3 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 330 en MARTENS, K., “Het Hof van Cassatie en de interpretatie van artikel 21 G.W.: de verhouding tussen Kerk en Staat dan toch niet op nieuwe wegen?”, C.D.P.K. 2000, 215-218.
[65] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 92-96 en de verwijzingen aldaar. Zie ook de verwijzingen bij MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 29, voetnoot 4.
[66] Opmerkelijk is hoe Procureur-general du Jardin verwijst naar Torfs (TORFS, R., “Religieuze gemeenschappen en interne autonomie. Fluwelen evolutie?”, in UFSIA (ed.), Jaarboek Mensenrechten 1998- 2000, Antwerpen, Maklu, 2002, 256-264), maar terwijl deze een gematigde tussenpositie inneemt, interpreteert du Jardin hem als een voorstander van de kwaliteitscontrole (DU JARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003 – Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, http://www.juridat.be/cass/cass_nl/p1.php, 23 maart 2003, Online, 57-58).
[67] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34 en de verwijzingen in voetnoot 106.
[68] Pand. b., v° Autorités ecclésiastiques, nr. 2.
[69] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar.
[70] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502.
[71] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 53, vn. 1.
[72] Waarbij neutraliteit als doel heeft elke religieus of metafysisch element te weren uit de publieke orde. ZieMEERSCHAUT, K. en VANSWEEVELT, N., “De hoofddoek opnieuw uit de kast: godsdienstvrijheid op school in een democratische rechtsstaat”, in INTERUNIVERSITAIR CENTRUM MENSENRECHTEN, Mensenrechten Jaarboek 1998/2000, Antwerpen, Maklu, 2000, 66.
[73] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302. Contra BASDEVANT-GAUDEMET, B., “State and Church in France ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 122
[74] Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de wet van 9 december 1905 niet meer pertinent is. Nog in 1995 heeft men in de Assemblée Nationale een colloquium georganiseerd met als thema: “Faut-il modifier la loi de 1905?”.VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1088.
[75] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, Revue du droit public et de la science politique, 1997, 1309 en de verwijzingen in voetnoot 29. Al verwijst men in de voorbereiding van de huidige grondwet niet naar de wet van 9 december 1905.
[76] De Franse overheid en Pius VII sloten op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) een concordaat, Convention entre le Pape et le gouvernement français. Het Concordaat werd samen met de Articles organiques de la convention du 26 messidor an IX – waartegen Pius VII zich hevig verzette – afgekondigd op 18 Germinal An X (8 april 1802). DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 28-30 en DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 478-479. Zie Pand. b., vis Articles organiques en Concordat, waarin onderzocht wordt in welke mate beide teksten nog gelding hebben in het Belgische constitutionele bestel.
[77] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 495.
[78] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 496-497.
[79] CAPERAN, L., Histoire contemporaine de la laïcité française – La crise dus seize mai et la revanche républicaine, Parijs, Librairie Marcel Rivière et Cie, 1957, IX-XII en 30-36.
[80] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 78.
[81] Ibid., 55-61.
[82] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502-527.
[83] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 62-63.
[84] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 121.
[85] MORANGE, J., “Le régime constitutionnel des cultes en France”, in EUROPEAN CONSORTIUM FOR CHURCH AND STATE RESEARCH (ed.), Le statut constitutionnel des cultes dan les pays de l’union européenne, Parijs, Litec, 1995, 123.
[86] Na de loi constitutionnelle n° 95-880 van 4 augustus 1995, die ervoor zorgde dat het huidige art. 1 bestaat uit de eerste alinea van het oude art. 2, terwijl de andere bepalingen van het oude art. 2 nog steeds deel uitmaken van het huidige art. 2. Deze louter tekstuele verschuiving laat toe om de kenmerken van de Franse Republiek beter te benadrukken. Zie KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP1997, 1309.
[87] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 53-62.
[88] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 65. Zie ook KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302 en 1315.
[89] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1092.
[90] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1312.
[91] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 75.
[92] Ibid., 19.
[93] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1091-1092.
[94] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 55-56.
[95] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 140.
[96] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 29-32.
[97] Ibid., 45.
[98] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 19 en de rechtsvergelijkende bespreking in Deel III.
[99] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen” – Citoyenneté et Démocratie, p 6.
[100] TORFS, R., “State and Church in Belgium ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 18.
[101] DE GROOF, J., “De bescherming van ideologische en filosofische strekkingen. Een inleiding”, in ALEN, A en SUETENS, L. (ed.), Zeven knelpunten na zeven jaar Staatshervorming, Brussel, Story-Scientia, 1988, 312.
[102] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 144-196.
[103] Idem., 385-386.
[104]Bijvoorbeeld het concordaat met Slowakije; http://www.kerknet.be, 19 december 2000.
[105] http://www.kerknet.be, 12 februari 2003.
[106] “L’organe représentatif par lequel agit l’Eglise Catholique” MINNERATH, R., L’Eglise et les Etats concordataires (1846-1981) – la souveraineté spirituelle, Parijs, Cerf, 1983, 78.
[107] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 23.
[108] Ibid., 23.
[109] DURAND, J.-P., “Echos français en droit civil ecclésiastique pour l’année universitaire 2000-2001, European Journal for Church and State Research 2001, 133.
[110] Eigen cursivering.
[111]BOSSUYT, M. en WOUTERS, J., Grondlijnen van internationaal recht, Leuven, Instituut voor Internationaal Recht – KULeuven, 2004, 57.
[112] KOCK, H.R., Rechtliche und politische Aspekte von Konkordaten, Berlijn, Duncker &Humblot, 1983, 23.
[113] Idem., 24-30 en MIGLIORE, C., “Ways and Means of the International Activity of the Holy See”, in FACULTEIT KERKELIJK RECHT – KULEUVEN (ed.), Church and State, Changing Paradigms – Monsignor W. Onclin Chair 1999, Leuven, Peeters, 1999, 32-36.
[114] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 109.
[115] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 376-378 en DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32.
[116]Advies 4 januari 1962, Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 296/1.
[117] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32 en de voorbeelden in vn. 103.
[118]Zoals bijvoorbeeld in Italië gebeurd bij de financiering van religieuze organisaties; TORFS, R., “Should Churches Be Subsidized? Different Models. Some Perspectives”, in X (ed.), The Role of the Churches in the Renewing Societies. Lectures and Documents. Budapest Symposium, March 3-5-1997 , St. Alban’s, International Religious Liberty Association, 1998, 48.
Dirigé par Mireille Touzery
De l'estime au cadastre en Europe. Colloque des 4 et 5 décembre 2003. L'époque moderne
Edited: 200312041661
Édité par Comité pour l'histoire économique et financière de la France
Histoire économique et financière de la France.

Dirigé par Mireille Touzery
De l'estime au cadastre en Europe. Colloque des 4 et 5 décembre 2003. L'époque moderne
Edited: 200312041661
Édité par Comité pour l'histoire économique et financière de la France
Histoire économique et financière de la France.

DEMEESTER Wivina
Over communicatie, taal en branie
Edited: 200309221503
Toespraak van Wivina Demeester bij de opening van het parlementair werkjaar 2003-2004

Waarde collega’s,

In tegenstelling tot vorig jaar, zal het u vandaag niet verrassen dat ik van de gelegenheid gebruik maak om u enkele van mijn gedachten mee te geven. Wees gerust, na dertig jaar wil ik de fakkel doorgeven, het zal dus de laatste keer zijn dat ik het zittingsjaar open.

Vorige keer deed ik een oproep om in dit Glazen Huis meer spraak en tegenspraak te brengen; ik deed een oproep aan de regering om op een volwassen manier met het parlement om te gaan. Vandaag wil ik een oproep doen om de spraak te voeden door bekommernis, en te ontdoen van branie. Ik zal dit beknopt doen. Mijn beknoptheid is mijn respect voor u, uw aandacht is uw respect voor dit Huis.

Meer spraak en tegenspraak, geen omfloerste taal maar een volwaardig parlementair debat. Het heeft allemaal te maken met communicatie. “Communicatie” was een woord dat dertig jaar geleden nauwelijks bestond, of toch niet courant in de mond werd genomen. Toen had men het over “taal”. “De taalstrijd”, “talenkennis”, “symbolentaal”, het zijn woorden die allemaal veel betekenis hebben in de geschiedenis van Vlaanderen en van de Vlamingen. Vlaanderen was fier op zijn taal, en vocht ervoor. De Vlamingen maakten hun talenkennis tot economische troef.

Gaandeweg is dit gegeven aan het verschuiven. We zijn nog steeds meesters in talen, maar we kennen geen taaltechnologie, wel “speech technology”. We kennen geen “taalmeesters”, maar wel “communicatiespecialisten”. De spraak wordt minder en minder belangrijk, en wordt recht evenredig vervangen door “chatsessies”.

Zo verplaatst zich ook het debat. De spreker gaat niet meer naar het forum, maar het forum komt naar het debat. Daarom wordt de macht van de media groter. De spreker komt niet meer naar het Parlement, het Parlement moet naar de TV-studio.

Schaadt dit de democratie? Niet noodzakelijk. Vorig jaar zei ik: “Tonen en tegentonen van de tegengestelde visies vormen de harmonie van onze democratische gemeenschap”. Zolang de mensen een duidelijk zicht krijgen op de tonen en tegentonen, op de standpunten van ieder van ons, is de democratie gewaarborgd. Vanaf het moment dat standpunten niet meer worden uitgewisseld, vanaf het moment dat standpunten niet meer worden ingenomen, vervlakt onze democratie tot een soort “oligarchie van geïnteresseerden”.

Duidelijke standpunten innemen, vrijmoedig en open debatteren is noodzakelijk. Wat is hiervoor nodig? Visie en taal. De visie halen we uit onze bekommernis om de mensen. Samen met politieke gelijkgezinden nemen we standpunten in. Soms is er moed voor nodig, maar het is onze plicht om die moed te tonen.

De taal die we spreken, evolueert. Dertig jaar geleden spraken politici eerder een soort “notaristaal”. Sommigen deden dit schitterend, anderen hadden er meer moeite mee. Misschien is de slinger nu juist naar de andere kant gegaan, en spreken we vandaag teveel “showbizztaal”.

Politici moeten het juiste evenwicht vinden: verstaanbaar én correct zijn. We moeten geen communicatiespecialisten of taalmeesters zijn om dit in de praktijk te brengen. Integendeel, misschien hebben we teveel geluisterd naar (sommige) taalmeesters, die ons zo verstaanbaar maken dat sommige zaken niet meer correct kunnen voorgesteld worden en de waarheid geweld wordt aangedaan. Ook een negatieve boodschap moet kunnen gebracht worden.

We kunnen best wat leren uit andere beroepen. Ervaringen uit andere sectoren leren de politiek op een andere manier te communiceren. De “corporate governance”-plicht in grote beursgenoteerde bedrijven kan een voorbeeld zijn om ook in de politiek correcte taal te hanteren. Het taalgebruik tussen een bedrijfsleider en een werknemer in een KMO kan in de politiek heel waardevol gebruikt worden. En waar is taal belangrijker dan in de zorgsector, waar men per definitie met mensen werkt, waar men per definitie om de mensen bekommerd is?

Ik pleit voor meer bezorgdheid en minder branie. Het Vlaams Parlement moet de plaats zijn waar mannen en vrouwen zich bekommeren om het geluk van allen die in Vlaanderen leven. Laat branie niet het einde zijn. Laat bekommernis de grondstof van de politiek zijn. Ze drijft de goede politici. Ze kent geen leeftijd. Laat branie voor de woordvoerders. Ze haalt geen twee campagnes.

Waarde collega’s, deze prachtige glazen “praatkamer” moet de plaats zijn waar we samen dit parlementair jaar zinvol en genuanceerd van gedachten wisselen over het welzijn van alle mensen die in Vlaanderen leven.

Zoals ik vóór mijn politieke loopbaan hoopte dat mijn boodschap en mijn handelen in het geheugen van mijn leerlingen zou blijven hangen, hoop ik dat de boodschap die ik vorig jaar bracht, om meer spraak en tegenspraak te brengen, en de oproep en wens van vandaag voor een verstaanbare én correcte boodschap, - met bekommernis ten grondslag - ook ergens in het collectief geheugen van dit Parlement een plaats krijgt.

Zoals u ziet, ben ik een beetje lerares gebleven. Samen met die tienduizenden mannen en vrouwen die nu in onze scholen onze jonge Vlamingen vormen voor de toekomst, ben ik daar nog trots op ook.

Ik wens u allen een vruchtbaar en boeiend parlementair jaar, en daarmee verklaar ik de zitting voor geopend.

Wivina Demeester

22 september 2003

LT
Aalst - collage Amylum - kanaal - industrie - visser
Edited: 200303171409
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1944-1949
Edited: 200300194401
De regeringen
Hubert PIERLOT (26/09/1944 - 7/02/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER I (12/02/1945 - 2/08/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER II (2/08/1945 - 9/01/1946) SOC-LIB-COM-UDB
Paul-Henri SPAAK I (13/03/1946 - 19/03/1946) SOC
Achille VAN ACKER III (31/03/1946 - 9/07/1946) SOC-LIB-COM
Camille HUYSMANS (3/08/1946 - 12/03/1947) SOC-LIB-COM
Paul-Henri SPAAK II (20/03/1947 - 19/11/1948) PSB/BSP-PSC/CVP
Paul-Henri SPAAK III (27/11/1948 - 27/06/1949) PSB/BSP-PSC/CVP
Gaston EYSKENS I (11/08/1949 - 6/06/1950) CVP/PSC-LIB

De verkiezingen
17 februari 1946
26 juni 1949 mét kiesplicht voor vrouwen

Het oorlogskabinet Pierlot wordt, onder druk van het (vooral linkse) straatgeweld, uitgebreid met de communisten, die zich vanaf 1945 bekeerden tot het unitarisme onder Franstalig gezag. In zes jaar tijd ziet België 9 regeringen opstaan en vallen. De eerste bewindsploegen regeren zonder een mandaat van de kiezer. Daarmee wordt gewacht tot de verkiezingen van 17 februari 1946. De repressiejaren na tweede wereldoorlog zijn de schandelijkste uit onze geschiedenis. Wraak en haat, persoonlijke afrekeningen, moord en daden, opdoemend uit de laagste instinkten van de mens, kunnen gedijen in een klimaat van rechteloosheid. Het gepeupel en de 'verzetsstrijders' van het laatste uur regeren op straat en in de rechtszalen. De overheid kan, durft of wil deze wantoestanden niet onder controle brengen. Een oorlog roeit nooit het kwaad uit waartegen hij wordt gevoerd.
Er worden executies van collaborateurs verricht tussen november 1944 en 4 juni 1949.
De periode kunnen we er een noemen van anarchie en dubieuze rechtspraak. Het justitiedepartement is een heet hangijzer en wisselt veelvuldig van titularis.
In 1948 publiceerde Gerard Walschap zijn moedig 'Zwart en Wit' en dat zorgt voor heel wat herrie, ook bij Nederlandse critici. De noordelijke verontwaardiging culmineert in een artikel van Johan Van der Woude in Vrij Nederland dat Walschap een medeplichtige noemt, zijn boek een verheerlijking van de karakterloosheid en onfatsoen. Walschap is geen ogenblik bij de pakken blijven zitten en heeft zich verdedigd in een agressief ingezonden stuk aan voornoemd weekblad, waarin hij Van der Woude bestempelt als behorende tot "de blaaskaken die zich door het constateren van de evidente, menselijke realiteit beledigd en te kort gedaan achten. Het is uit dat hoovaardig slijk van de straat, vervolgt Walschap, dat jodenvervolgers, inquisiteurs, ketterjagers, onderzoekers van andermans geweten, met één woord al de ongure typen van de onverdraagzaamheid en het fanatisme zijn samengeraapt." (geciteerd in Omtrent, tijdschrift van het Gerard Walschap Genootschap, november 2005, nr 12).
De koningskwestie leidt naar een pré-revolutionaire fase. Tegen de mogelijke terugkeer van Leopold III wordt vanaf medio 1945 een persoffensief gelanceerd door zowat alle kranten, uitgezonderd de Vlaams-katholieke. De hetze is niet zozeer tegen de monarchie, dan wel tegen de figuur van Leopold gericht. Hierbij worden over en weer taktieken gebruikt die weinig met journalistiek maar alles met propaganda te maken hebben. Dit mag in feite geen verwondering wekken: tijdens de oorlogsjaren heeft men in pers- en omroepmiddens geen andere weg bewandeld dan die van de propaganda. Het vijand-denken en het ongenuanceerd culpabiliseren van de tegenpartij overheerst nog steeds in de pers, die sterk partijpolitiek gebonden is. De radio-omroep fungeert als een verlengstuk van de uitvoerende macht.
De macht van de partijpolitiek wordt in deze periode volledig gerestaureerd en naar onze mening is dat de drijvende kracht achter de gehele koningskwestie. Niet de ruzie tussen ministers en de koning omtrent de capitulatie in mei 1940, niet zijn achterblijven in België, niet diens contact met Hitler, niet zijn huwelijk met Liliane Baels ... Dat zijn slechts de drogredenen waarmee men de publieke opinie kon bewerken. Het werkelijke gevaar ligt in het zogenaamde Politieke Testament van Leopold III, een document dat hij begin 1944 had opgesteld. Het bekend raken van de inhoud ervan was dynamiet en zou zeker een oncontroleerbare kettingreactie teweeg brengen waarbij de particratie en de Franstalige bourgeoisie aan het kortste eind zouden trekken. Alhoewel het Politiek Testament reeds op 9 september 1944 aan premier Pierlot en aan Spaak werd overhandigd, zal de integrale tekst pas vijf jaar later, in 1949, bekend raken. Tegen die tijd was de positie van de drie traditionele politieke partijen stevig geconsolideerd. Het voortdurend streven van de drie grote partijen naar consolidatie van de macht is trouwens een constante in de Belgische politiek. De overlevingskansen van partijpolitieke initiatieven buiten het kader van de grote drie zijn dan ook minimaal of onbestaand.
Maar waarover handelde dan dat zgn. politieke testament ? Waarin schuilde het gevaar?
Het is wellicht niet overbodig de integrale tekst hier in herinnering te brengen. Het mag immers verwondering wekken dat gerenommeerde historici, zoals bvb. Velaers en Van Goethem, die in 1994 een boek van 1.152 bladzijden wijdden aan de koningskwestie, nalaten de lezer zelf te laten oordelen over een van de belangwekkendste teksten uit de Belgische geschiedenis.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1930-1939: Crisisjaren - De ruk naar rechts - De massificatie - De radio wordt een massamedium, een propagandamiddel en een instrument voor volksopvoeding - De radio wordt een staatsmonopolie. De minister van PTT zit de Raad van Beheer voor - Opgenomen radioreportages worden mogelijk (klankband en montage) - Radiotaksen als bron voor financiering van de openbare omroep - Radiodistributie - Nieuwe perstitels
Edited: 200300193001
De regeringen
Jaspar II (22/11/1927-21/5/1931) KAT-LIB
Renkin (5/6/1931-18/10/1932) KAT-LIB
de Broqueville (22/10/1932-13/11/1934) KAT-LIB
Theunis II (20/11/1934-19/3/1935) KAT-LIB
Van Zeeland I (25/3/1935-26/5/1936) KAT-SOC-LIB
Van Zeeland II (13/6/1936-25/10/1937) KAT-SOC-LIB
Janson (23/11/1937-13/5/1938) KAT-SOC-LIB
Spaak I (15/5/1938-9/2/1939) KAT-SOC-LIB
Pierlot I (21/2/1939-27/2/1939) KAT-SOC
Pierlot II (18/4/1939-3/9/1939) KAT-LIB
Pierlot III (3/9/1939-10/5/1940) KAT-SOC-LIB
Verkiezingen
27 november 1932
24 mei 1936
2 april 1939

De algemene toestand
Tijdens de eerste maanden van 1930 kan de Belgische economie nog even profiteren van de gunstige effecten die uitgaan van de wereldtentoonstelling (te Antwerpen en te Luik) en de viering van het Belgische eeuwfeest. In het tweede semester doet de wereldcrisis zich echter ook bij ons ten volle voelen. De uitvoer stuikt in elkaar en zal pas in 1935 terug beginnen groeien. Vanaf 1932 maakt de regeringen gebruik van bijzondere machten en dat stelt het geloof in de parlementaire democratie zwaar op de proef. Op het sociale vlak werkt de ellende de massificatie in de hand. De uitzichtloze toestand van velen is een ideale voedingsbodem voor massabeïnvloeding en populistische propaganda, zowel van uiterst rechts als van uiterst links.
Schandalen plagen de katholieke partij. Daarvan maakt Leon Degrelle, zelf katholiek, met zijn Rexisme gebruik om zwaar uit te halen naar de ultra-conservatieve vleugel van de katholieke partij. Tijdens massameetingen en via eigen periodieken ('Rex', 'Vlan', 'Soirées', 'Foyer' en 'Crois') en dagbladen ('Le pays réel' vanaf 2 mei 1936 en 'De nieuwe Staat' vanaf 1 september 1936) vuurt hij zijn aanhangers, zowel in Wallonië als in Vlaanderen, aan om de traditionele partijen in het kieshokje vaarwel te zeggen. (De Bruyne, 1973: 71-130; Gerard, 1985: 30-33; Gerard, 1994: 75-123) De verkiezingen van 24 mei 1936 brengen een zware nederlaag voor de katholieke partij (- 10% van de stemmen) en een overwinning voor Rex. De Vlaams nationalisten en de communisten halen eveneens heel wat stemmen. De socialisten houden stand. Daarmee is de polarisatie in het land een feit. De zetelverdeling in de Kamer na de verkiezingen van 1932, 1936 en 1939 levert volgend beeld op:


De werkloosheid neemt enorme proporties aan: van nauwelijks 17.000 in 1929 naar 319.000 werklozen in 1932. Zij die nog werk hebben, zien hun uurloon tussen 1929 en 1935 met ongeveer 20% dalen. De prijzen dalen echter evenzeer zodat op het eerste gezicht de koopkracht gehandhaafd blijft. De belastingdruk is evenwel geweldig hoog zodat de privé-bestedingen kelderen.
Hieruit groeit vanzelfsprekend sociale onrust en stakingen zijn schering en inslag. Daarbij moet men bedenken dat het in vele gevallen om wilde stakingen gaat, die de vakorganisaties slechts schoorvoetend erkennen vanwege de enorme druk op hun stakingskassen.
In maart 1935 vormt Paul van Zeeland een regering van nationale unie. De socialisten drukken een groot deel van het zgn. Plan De Man (deficit spending) door. De devaluatie van 28% komt snel: op 31 maart 1935. De economie krijgt weer zuurstof en de uitvoer herneemt. Ook de gezinsconsumptie komt even overeind en de kleinhandelaars zien hun omzet stijgen. Het herstel is echter van korte duur. Naar het eind van de jaren 30 belandt de economie terug in een crisis. De inzinking op de internationale markten verzwakt de uitvoer én dus de omzet van de industrie. Om het overheidsdeficit te financieren grijpt de regering opnieuw naar belastingverhogingen.
Daardoor raakt de binnenlandse consumptie aangetast. Met die infernale cirkel is het depressieklimaat weerom aanwezig. Daar bovenop tekent de oorlogsdreiging zich vanaf 1938 duidelijk af. De generatie van de dertiger jaren gaat volledig ontgoocheld en gefrustreerd een nieuwe wereldoorlog tegemoet.

Het NIR-INR
De Wet van 14 mei 1930 (BSB 19300516) schenkt aan de staat het monopolie van de radiocommunicaties. Artikel 1 van deze wet luidt immers als volgt: "De regeering is gemachtigd de radiotelegrafie, de radiotelefonie en alle andere radioverbindingen in te richten en te exploiteren." Toch krijgen in de periode 1930-1940 nog heel wat particuliere stations de toelating om radioprogramma's uit te zenden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Deze toelatingen zijn echter herroepbaar en er ontstaan vaak hoog oplopende geschillen over. De tweede wereldoorlog zal een einde maken aan het bestaan van deze vergunningen (Van Bol, 1975: 86).
De wet van 18 juni 1930 geeft aan het Nationaal Belgisch Instituut voor Radio-Omroep (NIR/INR) zijn statuut. Artikel 11 van deze wet bepaalt hoe het NIR gefinancierd wordt:
"De inkomsten van het instituut bestaan inzonderheid uit:
a) het bedrag van giften en legaten te zijnen bate, na machtiging of goedkeuring door den Koning;
b) De leeningen die het mocht sluiten (inzonderheid door uitgifte van obligatiën) met machtiging van de regeering. Tot een bedrag van 10.000.000 frank werkelijk ontleend kapitaal, zal de regeering de rente en de delging waarborgen der leeningen welke het instituut mocht sluiten.Een koninklijk besluit bepaalt de voorwaarden van deze waarborg.
c) De jaarlijksche Staatstoelage en, meer bijzonder, een jaarlijksche toelage gelijk aan:
1° 90 t.h. van het voorzien bedrag der ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijksche taxe, welke de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen;
2° Eene som gelijk aan het voorzien bedrag van de ontvangsten der belasting, welke de Staat heft op den groothandelsprijs van de electronenlampen of andere gelijkaardige toestellen voor het detecteren of het versterken van de in radio-electrische ontvangtoestellen bruikbare seinen, loodglanskristallen of andere kristallen uitgezonderd;
d) De toelagen welke openbare besturen en instellingen mochten toekennen;
e) De ontvangsten welke het zou bekomen door zijn uitgaven of naar aanleiding van contracten, door den raad van beheer afgesloten binnen de perken van de bedrijvigheid van het instituut."
Artikel 12 bepaalt dat het instituut een boekhouding moet voeren en een jaarverslag moet overmaken aan de minister van PTT.
Artikel 17 bepaalt: "Bij de gewone begroting van het dienstjaar 1930 van het Ministerie van Posterijen, Telegrafen en Telefonen wordt een crediet geopend onder volgende rubriek: Toelage aan het Belgisch nationaal Instituut voor radio-omroep (N.I.R.): 1.600.000 frank."
De openbare radio, die op 1 februari 1931 begint uit te zenden, wordt niet uit het niets opgericht maar neemt de twee zenders van 15 kW te Veltem over, die eind de jaren twintig door een associatie van Radio Belgique en van de Boerenbond (NV Radio) bij SBR besteld waren. Op het ogenblik van de overname waren beide zenders niet operationeel toen zij werden overgenomen door het INR-NIR. (X 1953:5)
Noteer dat Radio Belgique (Theo Fleischman) zijn uitzendingen stopte op de dag van de stichting van het NIR. Zijn personeel werd in de nieuwe staatsinstelling ingeschakeld (Van Pelt, 1973: 240; Boon G., 1988: 29). Men kan stellen dat Radio Belgique werd genationaliseerd met een ruime compensatie voor de eigenaar(s). Hiervoor kan het eerste jaarverslag van de NIR/INR geraadpleegd worden. In dat jaarverslag vinden we Radio Belgique en de NV Radio terug met een schuldvordering op de NIR ten belope van 1.070.011,20 BEF. Anderzijds vinden we er SBR met een schuldvordering van 95.715,50 BEF. (NIR, 1931-1932: 62) Beide schuldvorderingen samen vertegenwoordigen 91% van alle schulden die het NIR op 31 december 1931 heeft. Volgens Paul Vandenbussche, in een vraaggesprek met ons (23/10/2001), is de oprichting van de NIR-INR het directe gevolg van de financiële moeilijkheden van de S.A. Radio-Belgique. Vanuit die optiek is het ontstaan van de openbare omroep het resultaat van het mislukken van het privé-initiatief en ligt niet (alleen) een politiek verlangen maar (ook) een financieel-economisch débâcle aan de basis van het overheidsinitiatief. Hermanus plaatst de oprichting van het NIR-INR en die van de RTT in dat perspectief en wijst erop dat het dezelfde liberale ministers - Pierre Forthomme voor PTT en Paul-Emile Janson voor Justitie - zijn die zowel de oprichting van het NIR als die van de RTT in het parlement bepleiten. (Hermanus, 1990: 26) Volgens Vandenbussche speelde Prof. Arthur Boon (KU Leuven), voorzitter van de KVRO en voorzitter van de Boerenbond (geen familie van de latere directeur-generaal van de NIR) een grote rol bij de totstandkoming van het NIR-INR.
In artikel 14 van het KB van 28 juni 1930 wordt gesteld dat de "nieuwstijdingen in de vorm van persberichten" bondig moesten zijn. Duiding bij het nieuws was uitgesloten. (Goossens C., 1998: 49). Hier duikt de invloed van de dagbladpers op. Die zag namelijk in het radio-instituut een geducht concurrent. De belangen van de (partij)politieke dagbladen vielen in deze samen met die van de partijen zelf.
Verdere uitbouw van het NIR
Van 1935 tot 1938 wordt er gewerkt aan het nieuwe radiogebouw aan het Flageyplein. In 1937 komt de culturele zelfstandigheid van de Franse (o.l.v. Théo Fleischman) en de Vlaamse uitzendingen tot stand. Het jaarverslag van het NIR-INR bevat dan ook voor de eerste keer de uitgesplitste kosten voor de Franse en de Vlaamse uitzendingen, resp. 5.604.055 BEF en 5.533.911 BEF.
Radiotaks
De wet van 20 juni 1930 (BSB 19300626) en het KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) regelen o.m. de heffing van de radiotaksen voor de bezitters van een radio-ontvangsttoestel. De taks wordt op 60 BEF per jaar bepaald. Dat is 30 BEF minder dan oorspronkelijk in het wetsontwerp (18 april 1929) van minister Lippens (PTT) voorzien was. De parlementsleden brengen het bedrag terug tot 60 BEF per jaar (Goossens C., 1998: 44). Een gewoon huishoudbrood kost in 1930 2,14 centiem en voor een krant dient men 35 centiem neer te tellen. De radiotaks weegt m.a.w. flink door in het budget van het modale gezin want met die 60 frank kan het 28 broden kopen of meer dan een half jaar elke dag de krant lezen.
Een ander KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) bepaalt dat de radiotoestellen waarin uitsluitend kristallen (en dus geen radiolampen) gebruikt worden, belast worden met een jaartaks van 20 BEF.
Het is treffend dat zeer vele bepalingen uit de voornoemde wet de tand des tijds hebben doorstaan en tot in 1987 van kracht blijven: het betalen door middel van een storting op een postcheckrekening, de betaling die alle radiotoestellen in dezelfde woning dekt, de verplichting om een adreswijziging te melden, de vrijstellingen voor blinden en andere invaliden, voor onderwijsinstellingen en voor openbare diensten. In die tijden van grote werkloosheid gaan er stemmen op om de werklozen vrij te stellen van het betalen van de radiotaks. (Van Dyck, 1935:135)
De wetgever van 1930 is wel bijzonder streng voor ontduikers: de geldboete kon oplopen tot vijfmaal de ontdoken taks en dat met drie jaar terugwerkende kracht. Van een ontduiker kan m.a.w. een maximale boete van 900 BEF geëist worden ... een klein fortuin.
De wetgever van 1930 had zich blijkbaar goed geïnformeerd want ook de ontvangtoestellen die beelden konden ontvangen waren verplicht de taks te betalen. Zo'n bepaling verraadt de hand van de RTT-administratie, steeds goed geïnformeerd over de technologische ontwikkelingen. Vergeten we niet dat in 1930 de BBC reeds experimenteerde met de eerste openbare televisie-uitzending.
Door de wet van 27 december 1938 wordt de radiotaks van 60 op 78 BEF gebracht.
RTT int de radiotaksen
De inning van de taksen werd opgedragen aan de in 1930 opgerichte Regie voor Telefoon en Telegraaf. De oprichting van de RTT was, althans zo luidt de officiële versie, nodig om de verschillende telefoonnetwerken, tot dan toe in privé-handen, te interconnecteren. Hermanus is echter een andere mening toegedaan en stelt dat de interconnectie slechts een voorwendsel was. "En réalité, ce n'était qu'un prétexte. Les partisans du libéralisme économique défendaient l'idée de l'intervention de l'Etat uniquement dans des activités non rentables mais indispensables au bon fonctionnement de l'Etat." (Hermanus, 1990: 26)
Er zijn voldoende aanwijzingen om Hermanus' stelling voor waar te aanvaarden.
Collectiviseren van verliezen?
Privatiseren van winsten?
We kunnen dan ook vaststellen dat zowel de oprichting van de NIR-INR als die van de RTT geschiedden om verliezen te collectiviseren, naar de staat toe te schuiven. Onderzoek kan aantonen of zulks ook met andere risicodragende initiatieven binnen de communicatiesector (of andere sectoren) het geval is (geweest). Tegelijk kan men dan ook de 'spiegel-hypothese' toetsen: komen overheidsbedrijven (of stukken ervan) enkel in aanmerking om geprivatiseerd te worden wanneer de investering niet of nauwelijks risicodragend is?
Uiteraard mag men hierbij niet in een zwart-wit analyse vervallen en zal de realiteit zeer complex zijn. Dit neemt niet weg dat het een fundamenteel vraagstuk is bij het kijken naar de relatie tussen staats- en privé-initiatief. De vraagstelling heeft ook een ethische component, laat dat duidelijk zijn.
Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen
Voor de jaren 30 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van Kijk- en Luistergeld (dat werd in 2003 vernietigd maar wij konden enkele belangrijke statistische documenten redden, LT).

In 1930 waren er 76.872 radiotoestellen vergund, in 1939 waren het er 15 maal meer.
Adreslijsten KLG en luisteronderzoek
De massa's adressen die bij de dienst radiotaksen beheerd worden, brengen sommigen op het idee om op basis daarvan te starten met een luisteronderzoek (Van Dyck, 1935: 156-157) of een referendum omtrent de omroep. Dit laatste moet gezien worden tegen de achtergrond van de onvrede met de partijpolitieke uitzendingen op het NIR. "Hoe gemakkelijk nochtans zou het voor haar (bedoeld wordt het NIR, LT) vallen, vermits zij alleen toch (met de Regie) de namen en adressen bezit van allen, die zich van hunne radiotaks kwijten. Zou het dan zoo'n enorme kosten met zich brengen om aan alle die menschen een voor het antwoord gereed gemaakte vragenlijst rond te zenden, welke na invulling vrachtvrij aan het NIR zou kunnen worden weergezonden! (...) Tevens zou door dergelijk referendum de 'Vox Populi' kunnen gekend worden omtrent het ja dan niet toelaten van politieke uitzendingen langs den omroep!" (Van Dyck, 1935: 144)
Gewestelijke verdeling van het radiobezit
Voor het jaar 1939 beschikken we over een gewestelijke verdeling van de 1.112.962 radiotoestellen waarvoor radiotaks betaald wordt: Wallonië (458.124 of 41%), Brussel (209.869 of 19%) en Vlaanderen (444.969 of 41%). De ondervertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest heeft o.i. twee oorzaken: a) de inkomensachterstand in het Vlaamse landsgedeelte, en b) de relatieve sterkte van het populaire programma-aanbod van de 12 particuliere radiostations in Wallonië en Brussel, tegenover slechts 4 in het Vlaamse landsgedeelte.


Financiering van de regionale radiostations
De wet van 14 mei 1930 moet in feite de doodsteek betekenen voor de regionale stations. Artikel 8 verbiedt immers voor alle stations het voeren van handelspubliciteit. De druk van de regionale stations - vooral Radio Schaerbeek ging heftig tekeer - op de minister was echter zo groot, dat die besloot een gedoogbeleid te voeren.
De regionale radiostations deden voor hun financiering ook een beroep op jaarlijkse lidgelden. Zo vermeldt Van Dyck (1935: 134) dat Radio Châtelineau kaarten verkocht tegen 12,50 BEF en steun- en erekaarten tegen resp. 25 en 50 BEF. Radio Antwerpen (ON4ED) verkocht kaarten van 25 BEF. De auteur noemt deze vorm van financiering onwettelijk en verwijst hiervoor naar artikel 9 van het ministerieel besluit van 28 augustus 1931.

De franstalige uitzendingen van de private radiostations haalden een hogere luisterdichtheid dan de franstalige programma's van het INR. Men kan zich voorstellen dat dit niet naar de zin was van Fleischman. Greta Boon vermeldt dan ook uitdrukkelijk: "Een van de redenen waarom de leidinggevende personen van het NIR van de oorlogsomstandigheden later gebruik maakten om die particuliere zenders na de oorlog geen uitzendvergunning meer te geven, was dit grote franstalige overwicht." (Boon G., 1988: 29-33).

De wet wordt niet toegepast
De staatstoelage vormde in de periode 1930-1940 de hoofdmoot van de inkomsten van het unitaire NIR-INR. In de wetenschappelijke literatuur wordt steevast vermeld dat het NIR-NIR 90% ontving van de opbrengst van de radiotaksen. Zo stelt Gekiere in 1983: "In de wet van 18.6.1930 tot oprichting van het N.I.R. was bepaald dat 90% van de opbrengst van het kijk- en luistergeld naar de omroep zou toevloeien. Dit principe werd jaren toegepast en gedurende enkele jaren (o.m. voor 1974), bleek de toelage aan de BRT-instituten zelfs hoger te liggen dan de netto-opbrengst." (Gekiere, 1983: 179).
Ook Greta Boon stelt in 1984: "Voor de tweede wereldoorlog ontving de omroep 90% van het luistergeld." (Boon, 1984:95).
Uit ons onderzoek blijkt dat zulks weliswaar wettelijk voorzien was, doch in de realiteit slechts één jaar gehaald werd.
De beweringen van Gekiere en van Boon, beiden op de BRT werkzaam, moeten wellicht gezien worden als een manoeuver van de BRT in zijn veelvuldige disputen in de jaren 80 met de minister omtrent de BRT-dotatie. We komen hierop terug.
In het jaarverslag van de NIR-INR over het jaar 1932 lezen we: "Over het algemeen staat het aantal ontvangtoestellen in rechtstreekse verhouding met de hoedanigheid van den dienst. Door de veldmetingen heeft men er zich rekenschap kunnen van geven dat de kracht der zenders van Veltem niet voldoende is om over gansch het grondgebied (...) een dienst te verzekeren , die wat de hoedanigheid betreft, niets te wenschen overlaat. Logisch mag dus aangenomen worden dat een merkelijke verhooging der zendkracht, bv. tot 60 of 100 kw. zeer snel een verhooging van de ontvangtoestellen en bijgevolg van de ontvangsten voor gevolg zou hebben."
Het NIR-INR geloofde dus nog in de band tussen de opbrengst van de radiotaksen en haar eigen staatstoelage. Hier wordt expliciet verwezen naar de band die er bestaat tussen het aantal radiotoestellen (200.534 eind 1931, 339.635 einde 1932) en de staatstoelage (13,4 miljoen BEF voor het werkingsjaar 1932). De simpele berekening brengt ons op 12,03 miljoen BEF (200.534 toestellen x 60 BEF). Nergens in het jaarverslag wordt de berekening expliciet gemaakt. Men mag echter veronderstellen dat de berekening van de staatstoelage op het niveau van de beheerraad, waarin de voogdijminister als voorzitter zetelde, gebeurde.
Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.









TESSENS Lucas
Ariadne Vandenbrande - collage - jazz singer
Edited: 200209081638
optreden in het KMSKA op 20020908

TESSENS Lucas / MERS
Brief aan Cas Goossens dd. 22 oktober 2001
Edited: 200110221497
Faxbericht voor Cas Goossens
015-24.37.95

2001-10-22


Cas,


Bedankt voor de cursus van Paul Vandenbussche. Ik heb morgen om 10 uur een afspraak bij hem thuis. Hij lijkt zeer geïnteresseerd.

Ik wil je nog speciaal danken voor de prettige ontvangst in Itegem.

Het jaarverslag BRT 1985 bezorg ik zo snel als mogelijk terug.

Kan je me ook de referenties bezorgen van de boekenreeks omtrent de historiek van de BBC?

Bij gelegenheid zou ik toch nog eens van gedachten willen wisselen over een groots opgezet onderzoeksproject naar de historiek van de openbare omroep.
We zijn het er over eens dat wat tot nu toe gepubliceerd is, te fragmentarisch is. De Vlaamse gemeenschap is het me dunkt aan zichzelf verplicht zo'n historiek - uitgewerkt door een multidisciplinair team - te ondersteunen.

Onlangs herlas ik enkele passages uit de referaten van het 8ste Vlaams Congres voor Communicatiewetenschap (26-27/10/1978). Mijn oog viel op het referaat van mijn diepbetreurde prof en vriend Luk Boone "Synthese en aanbevelingen voor verder onderzoek". Daarin stelt hij dat zijn collega, G. Van Parijs (RU-Gent), twaalf (sic!) jaar voordien (congres te Evian in 1966) de kenmerken van het communicatiewetenschappelijk onderzoek had beschreven.
Eén van die kenmerken was: de geringe contacten tussen (overwegend universitaire) onderzoekscentra en individuele onderzoekers.
M.i. gelden een aantal kenmerken ook vandaag nog. Dat betekent dat het onderzoek gemonopoliseerd zit bij de univ's. Bovendien slagen die "eilanden van kennis" er maar niet in met mekaar te communiceren.
Gezien de (groeiende) complexiteit van de mediasector is er m.i. samenspraak nodig tussen volgende disciplines: communicatiewetenschap, geschiedenis (onvoldragen mediahistoriek), rechten, bedrijfseconomie (de financiële implicaties van de mediabusiness zijn onderbelicht), fiscaliteit, politologie (de drijveren achter mediapolitieke beslissingen; het ontbreken van een "beleidsvisie"), sociologie (sociale draagvlakken waarop bepaalde media-uitingen drijven; de media als spiegel van de maatschappij; we hebben de media die we verdienen), ...
Daarmee is gezegd dat de kennis-basis waarop de huidige mediastudies gebaseerd zijn, te smal is.
Dit als introductie bij een discussie die ooit toch eens zou moeten gevoerd worden.

Een ander idee, dat hier niet totaal los van staat, betreft de digitalisering van het gehele NIR-BRT-BRTN-VRT-archief. In de huidige stand van de ICT-technologie behoort zulks tot de mogelijkheden. Bij de Belastingdienst voor Vlaanderen (Kijk- en Luistergeld & Onroerende Voorheffing) bijvoorbeeld wordt alle inkomende briefwisseling gecodeerd en ingescand en vervolgens verwerkt. Door digitalisering van de archieven van de omroep zouden de stukken voor meerdere gebruikers beschikbaar komen en zou het archief meteen beveiligd worden (brand, waterschade, verlies, diefstal, ...).


Met vriendelijke groeten,





Lucas Tessens
VLAAMS PARLEMENT
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Edited: 200101250908
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Interpellatie van de heer Johan Malcorps tot mevrouw Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid
De voorzitter : Aan de orde is de interpellatie van de heer Malcorps tot mevrouw Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid.
Minister Dua zal ook in naam van minister Vogels antwoorden.
De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, onlangs werd in ons land een vereniging voor asbestslachtoffers opgericht, in navolging van reeds bestaande verenigingen in onder meer Nederland en Frankrijk.
De vereniging vraagt dat er een volwaardig beleid inzake asbestvervuiling en volksgezondheid zou worden gevoerd. Gezien de bevoegdheidsverdelingen is dit zowel een federale opdracht als een taak voor gewesten en gemeenschappen. Zo moet op federaal vlak dringend werk worden gemaakt van het recht op schadevergoeding voor asbestslachtoffers via het Fonds voor Beroepsziekten. Ook niet-werknemers moeten een beroep kunnen doen op de regeling. Het verbod op elke vorm van asbestproductie, -handel of verwerking is een federale aangelegenheid. De uitzonderingen op het koninklijk besluit van 3 februari 1998 kunnen worden opgeheven, omdat er inmiddels voor alle toepassingen vervangproducten bestaan.
Het behoort ook tot de taak van de gemeenschappen om een sluitende inventaris op te maken van alle asbestgerelateerde aandoeningen, zoals de verschillende vormen van asbestose, mesothelioom of buikvlieskanker, asbestgerelateerde longkankers en andere kankers. Het Fonds voor Beroepsziekten levert de cijfers voor werknemers. Er is sprake van een duidelijke toename van het aantal gevallen van asbestose en de voorbije vijftien jaar meer dan een verdubbeling van het aantal gevallen van mesothelioom. Deze informatie komt uit het antwoord dat federaal minister Aelvoet vorig jaar gaf op mijn vraag terzake in de Senaat. De grootste groep van getroffen werknemers komt uit de bouw. Over het aantal asbestgerelateerde kankers bij de rest van de bevolking is geen cijfermateriaal beschikbaar. Het aantal asbestdoden ligt volgens minister Aelvoet tussen de 90 en 110 per jaar. Wellicht is dit een grove onderschatting.
Het probleem van het toenemend aantal asbest-kankerdoden verdient alle aandacht. De internationaal vermaarde specialist Julian Peto voorspelt in The British Journal of Cancer dat in West-Europa de komende 35 jaar maar liefst een kwart miljoen asbestgerelateerde kankerdoden zullen vallen. In een officiële studie in opdracht van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorspelt men 40.000 asbestgerelateerde ziekten onder Nederlandse mannen tegen het jaar 2030.
Uit de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 1998 blijkt dat er een verhoogde sterftekans is in onder meer Sint-Niklaas en Dendermonde. Minister Vogels legde de band met de vroegere asbestverwerkende industrie in de streek : de vroegere Eternit-fabriek in Schoonaarde bij Dendermonde, Eternit in Kapelle op-den-Bos en de fabriek Scheerders-Van Kerckhoven - SVK - in Sint-Niklaas. Het is mogelijk dat het niet enkel om werknemers gaat, maar ook om familieleden van werknemers en om omwonenden.
Als deze band tussen asbest en kanker er echt is, en zelfs in die mate dat hij een merkbare piek veroorzaakt in de algemene gezondheidsstatistieken, dan is dit hoegenaamd geen vrijblijvende zaak. De slachtoffers stellen met reden vragen over de verantwoordelijkheid van de betrokken bedrijven in het verleden. Ze waren al decennialang op de hoogte van het gevaar van asbest voor de gezondheid van werknemers en omwonenden. Toch namen ze te weinig voorzorgsmaatregelen. Ook de overheid zelf wordt aansprakelijk gesteld, want ze kende al jaar en dag de risico´s die verbonden zijn aan de asbestproductie, maar trad al die tijd veel te laks op.
Sinds de Tweede Wereldoorlog staat het verband tussen asbest en kanker wetenschappelijk vast. Toch duurde het tot einde van de jaren negentig vooraleer men echt optrad. Die nalatigheid heeft veel mensenlevens gekost, en zal nog veel mensenlevens kosten. In Frankrijk en Nederland wonnen de vertegenwoordigers van asbestslachtoffers in die zin al verschillende schadeprocessen. Er is een wettelijke regeling ingevoerd om tot billijke schadeloosstellingen te komen. Ook in eigen land moet er een dergelijke regeling te komen. Eens het zo ver is, zullen ook de gewestelijke overheden voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst.
In 1998 stelden de heer Stassen en mevrouw Verwimp vragen aan toenmalig milieuminister Kelchtermans over de gezondheidseffecten voor de omwonenden van de asbestbedrijven in Kapelle-op-den-Bos, Tisselt, Sint-Niklaas, Gent en Mol. Ze werden toen met een kluitje in het riet gestuurd met als argumenten : 'Het gaat om een te kleine groep mensen rond die bedrijven om daarover statistisch zinvolle uitspraken te doen ; het is praktisch onmogelijk om productspecifieke gezondheidsgegevens van burgers te verzamelen rond elke site waar met toxische of kankerverwekkende stoffen wordt gewerkt ; de gezondheidsmonitoring van potentiële asbestpuntbronnen zou slechts een 'end-of-the-pipe-benadering' zijn, die in het beste geval iets zegt over de blootstelling decennia geleden.'
Uit het grootschalig Milieu- en Gezondheidsonderzoek dat eind vorig jaar werd afgerond blijkt dat gebiedsgerichte monitoring wel degelijk relevante beleidsgegevens kan opleveren. In elk geval moet het mogelijk zijn om meer accurate gegevens te verzamelen dan mogelijk is op basis van een globaal onderzoek van gezondheidsindicatoren over heel Vlaanderen. Zo zou men alle sites in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven kunnen screenen en vergelijken met sites waar waarschijnlijk minder risico bestonden en nog bestaan op asbestbesmetting. Ook een nauwkeurig opgezet epidemiologisch onderzoek biedt uitzicht op succes, wegens de onbetwistbare band tussen mesothelioom en asbestose enerzijds en asbestvervuiling anderzijds.
Het feit dat de asbestproductie nu bijna geheel is afgebouwd, betekent niet dat er geen belangrijke opdracht meer is voor de Vlaamse milieudiensten, en meer bepaald de OVAM. Zo blijft de titanenopdracht overeind om op basis van de verplichte asbestinventarissen voor bedrijven en openbare gebouwen alle nog aanwezige asbest te verwijderen en op de meest veilige wijze te verwerken. De federale wetgeving ter bescherming van werknemers is daarbij van toepassing. Een algemene bescherming voor de burger is er dus niet, tenzij indirect. Bewoners en bezoekers van gebouwen zijn maar indirect beschermd, omdat ze ook profiteren van de bescherming van eventuele werknemers in dat gebouw. Dat is uitvoerig aangetoond door mevrouw Lieve Ponnet. Ze schreef daarover het dossier 'Asbest : stof tot nadenken', dat in 1996 werd gepubliceerd in het Arbeidsblad van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De gewesten en gemeenschappen, bevoegd voor de bescherming van privé-personen in een niet-werksituatie hebben nog geen aanvullende reglementering voor asbest in gebouwen zoals privé-woningen opgezet. In de particuliere woningbouw is weliswaar veel minder gespoten asbest gebruikt dan in openbare of industriële gebouwen. De kans op blootstelling is er veel beperkter. Toch werd heel wat spuitasbest verwerkt in grote appartementsgebouwen die zijn gebouwd tussen halfweg de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig. In België zijn hierover geen gegevens beschikbaar. Hier rijst dus een probleem voor onderhouds- of herstellingswerken die door derden of door doe-het-zelvers worden uitgevoerd. Er is te weinig bewustmaking over mogelijke gevaren en risico's.
Ten slotte is er het probleem dat bij doorverkoop of verhuur mensen zich wellicht niet bewust zijn van de aanwezigheid van asbest in een woning. In Nederland is een asbestvrij-verklaring nodig alvorens men tot de sloop van een woning kan overgaan. De invoering van een asbestvrij-attest, samen met het bodemattest, kan worden overwogen.
Verder is het nog maar de vraag of alle asbestafval - bijvoorbeeld van de sloop van gebouwen - op de juiste bestemming terecht komt. In welke mate wordt asbest van afbraakwerken van privé-personen aanvaard op containerparken, en onder welke omstandigheden? Een ander element van de problematiek is de sanering van asbeststorten. Berucht was het Broek in Willebroek, dat nu eindelijk gesaneerd is, maar dit is nog maar het begin. Denk onder meer aan de asbeststorten in de Gentse Kanaalzone, in Hofstade te Aalst en de asbestberg in Kapelle-op-den-Bos.
De eerste opdracht is de sanering van de omgeving van de vroegere bedrijfssites waar met asbest is gewerkt. In de omgeving van asbestbedrijven als Eternit in Kapelle-op-den-Bos werd immers in het verleden zeer achteloos omgesprongen met het levensgevaarlijke asbeststof.
Vrachtwagens met opwaaiend asbeststof reden door de dorpskern. Het asbeststort diende jaren als speelterrein voor jeugdbewegingen. Pas enkele jaren geleden werd het afgesloten en afgedekt. Asbestafdraaisel was gedurende vele jaren een gegeerde grondstof voor de aanleg van wegen, tuinpaden en opritten van garages.
Er moet dringend een grondige inventaris worden opgemaakt van alle grotere en kleinere black points in gemeenten als Kapelle-op-den-Bos en Tisselt, maar ook van andere sites van nog bestaande of inmiddels gesloten bedrijven die asbest verwerken of verwerkten. In Nederland werd door de VROM een subsidieregeling uitgewerkt waarbij eigenaars van asbestwegen subsidies krijgen voor werken waarbij het asbestbevattend materiaal wordt verwijderd door erkende bedrijven of waarbij het risicomateriaal wordt afgedekt met asfalt, beton of klinkers.
Op welke wijze zal Vlaanderen bijdragen aan een afdoende centrale registratie van asbestgerelateerde ziektes zoals asbestose, mesothelioom of longkanker? Op welke termijn kan een sluitende registratie worden opgezet en welke samenwerkingsverbanden met de federale overheid zijn daarvoor nodig?
Wordt er in opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen? Welke informatie is er beschikbaar? Wat is het standpunt van de Vlaamse regering in verband met de vraag naar schadeloosstelling? Zal men met het oog op de schadeloosstelling van asbestslachtoffers ook initiatieven nemen in overleg met de federale overheid?
Welke initiatieven zijn er om de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid verder in kaart te brengen voor heel Vlaanderen en specifiek voor de omgeving van bestaande of gesloten bedrijven waar asbest wordt of werd verwerkt? Is het niet wenselijk hiervan een van de speerpunten te maken van verder milieu- en gezondheidsonderzoek?
Hoe ver staat het met de studie 'Risico-evaluatie en saneringsprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' en met de beleidsnota over asbestbeheersing? Wat was het resultaat van de asbest-meetcampagne? Wanneer start de geplande sensibiliseringscampagne?
Is er een inventaris van asbeststorten in Vlaanderen? Welke prioriteit krijgt de sanering van deze storten, of kiest men eerder voor een degelijke afbakening en afdekking ervan? Wat is de stand van zaken van de asbestsanering in bedrijven en openbare gebouwen en hoe wordt dit opgevolgd? Is er voldoende verwerkingscapaciteit voor het asbest- en asbestcementafval?
Wordt werk gemaakt van een betere regeling voor de bescherming van particulieren tegen asbest in gebouwen en privé-woningen? Wordt gedacht aan de invoering van een attest 'asbestvrije woning'?
In welke mate wordt asbestafval aanvaard in containerparken? Klopt het dat we asbestcementproducten beschouwen als bouw- en sloopafval zonder vrijzittende asbestvezels, waardoor men ze in containerparken moet aanvaarden? Klopt het dat asbestplaten en isolatie van leidingen daarentegen niet aanvaard mogen worden? Zijn de werknemers in containerparken zich voldoende bewust van het gevaar van asbesthoudend sloopafval bij verbrijzeling ervan waardoor vezels kunnen vrijkomen? Is er toezicht op de naleving van de ARAB-reglementering inzake asbestblootstelling in containerparken?
Heeft men bij de OVAM zicht op de hoeveelheid asbesthoudend afval dat in het gewone huishoudelijk afval terechtkomt, zoals asbestkoord uit kachels, versleten remblokjes, asbesthoudende strijkplankjes, vlamverdelers en ovenwanten. Kunnen deze asbesthoudende afvalstoffen worden ingeleverd als KGA?
Wordt werk gemaakt van de inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere black points in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven? Acht de minister een subsidieregeling wenselijk voor de sanering of afdekking van asbestwegen, naar het model van Twente?
De voorzitter : De heer Van Looy heeft het woord.
De heer Jef Van Looy : In Nederland is de verwijdering van golfplaten waarin asbest zit aan zeer strenge reglementering onderworpen. Arbeiders die bijvoorbeeld dergelijke platen van een dak halen, zijn gehuld in beschermende kledij. Is het product werkelijk zo gevaarlijk? Hetzelfde materiaal wordt in Nederland blijkbaar totaal anders benaderd dan in Vlaanderen.
De voorzitter : Minister Dua heeft het woord.
Minister Vera Dua : Mijnheer de voorzitter, mijnheer Malcorps, op uw eerste vier vragen geef ik het antwoord van minister Vogels.
Door de centrale registratie op federaal niveau van de minimale klinische gegevens van gehospitaliseerde patiënten en dus ook van asbestgerelateerde ziektes als asbestose en mesothelioom, zijn er gegevens over het aantal asbestslachtoffers beschikbaar. De Vlaamse regering heeft toegang tot deze gegevens. Ook via de door Vlaanderen gesteunde kankerregistratie is er zicht op de incidentie van kankers die mede veroorzaakt worden door asbest. Momenteel worden trouwens initiatieven genomen om deze registratie nog te verbeteren. Via de mortaliteitsstatistieken die door de Vlaamse administratie worden opgemaakt, zijn ten slotte ook de gegevens inzake asbestgerelateerde overlijdens bekend. Cijfers die een idee geven over asbestgebonden beroepsziekten zijn ook bekend bij het Fonds voor Beroepsziekten.
Er is momenteel niet in specifieke financiële opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen. Voor patiënten met een asbestgerelateerde aandoening is er, net zoals voor andere zieken, financiële steun via de sociale zekerheid. Enkel de werknemers-asbestslachtoffers van bedrijven die een bijdrage storten bij het Fonds voor Beroepsziekten kunnen aanspraak maken op specifieke steun.
De vraag is of de Vlaamse regering of de federale overheid het initiatief moet nemen om naast de algemene steun via de sociale zekerheid ook nog in een specifieke schadevergoeding te voorzien. We doen dit voor het ogenblik ook niet voor andere ziektes. Minister Aelvoet zal de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een en ander onderzoeken. Als de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, zullen de nodige conclusies worden getrokken. Het zou ook goed zijn om eens na te gaan hoe de buurlanden deze problematiek aanpakken.
In verband met de wenselijkheid om van asbest een van de speerpunten te maken van het verder milieu- en gezondheidsonderzoek, moet worden opgemerkt dat het gevoerde onderzoek en de beleidsconclusies die daaraan gekoppeld zijn, zich toespitsen op biomonitoring van bepaalde polluenten.
Het milieu- en gezondheidsonderzoek spitst zich toe op polluenten die nog steeds in min of meer belangrijke mate in het milieu gebracht worden. Het gebruik van asbest is verboden. Asbest komt dus enkel nog vrij via bestaande asbesthoudende producten. Het beleid moet zich nu dus concentreren op een maximale inperking van de resterende vrijzetting, zolang alle asbesthoudende producten niet definitief en veilig zijn geborgen.
Voor asbest lijkt een biomonitoring medisch gezien een onuitvoerbare opdracht. Het zou neerkomen op het meten van de concentratie van asbestvezels in de longen, de zogenaamde broncho-alveolaire lavage. Die gebeurt door een bronchoscopie, waarbij men met een bronchoscoop in de longen kijkt en waarbij een kleine hoeveelheid vocht in de luchtwegen wordt gebracht en er vervolgens wordt uitgezogen voor verder labo-onderzoek.
Aan de hand van de beschikbare gegevens, bekomen via de centrale registraties, is het ook mogelijk om de asbestslachtoffers in kaart te brengen voor heel Vlaanderen. Op deze manier kunnen de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid in principe worden nagegaan.
De studie 'Risico-evaluatie en saneringprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' werd afgewerkt in 2000. De studie wordt gebruikt als basis voor de beleidsnota over asbestbeheersing. Deze beleidsnota bevindt zich momenteel in een ontwerpfase. In de beleidsnota zullen concrete bijkomende Vlaamse maatregelen worden voorgesteld. De planning is om in de loop van 2001 van de ontwerpbeleidsnota het onderwerp te maken van een doelgroepenoverleg en van overleg met de federale overheid, die reeds betrokken was bij de studie.
Dan kom ik nu bij de kwestie van de asbest-meetcampagne. In het kader van het actief overheidsbeleid rond preventie en verwijdering van asbest en asbesthoudende stoffen was het aangewezen om kwantitatieve gegevens te verzamelen over de huidige concentratieniveaus en het vóórkomen van inadembare minerale vezels in de omgevingslucht in Vlaanderen. Op dit ogenblik bestaan er in België voor asbest in buitenmilieu geen kwaliteitseisen. Om dit beleid op een efficiënte en doelgerichte manier te kunnen voeren dient een kwantitatief referentiekader inzake risico's gedefinieerd te worden. Daarmee is men dus nu bezig.
Gedurende de periode van december 1998 tot december 1999 zijn in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek de concentratieniveaus van asbest en minerale vezels opgevolgd op een aantal typische locaties in Vlaanderen. Een totaal van 319 filters en 43 blanco filters, afkomstig van in totaal 10 meetlocaties, werden geanalyseerd tijdens deze meetcampagne. Hierbij werden 50 monsters genomen in een gebied nabij een verkeersrijke locatie, 52 monsters in een residentiële omgeving, 54 in een stedelijke achtergrond, 48 bemonsteringen in een industriële omgeving en 50 stalen in een gebied nabij een mogelijke asbestbron. Bijkomend werden 65 stalen geanalyseerd afkomstig van het meetnet 'Zware metalen' van de VMM. Vermits het gezondheidsrisico gerelateerd is aan de lengte van de asbestvezels, werd een onderscheid gemaakt tussen korte en lange vezels. De korte vezels worden als onschadelijk beschouwd, de lange vezels worden verantwoordelijk gesteld voor een nefast gezondheidseffect. Op basis van de te verwachten asbestconcentraties en de gerelateerde lokale activiteiten kunnen een aantal typen gebieden onderscheiden worden. Ik heb hier een tabel bij, die ik aan u zal laten bezorgen.
Uit de tabel blijkt duidelijk dat men nabij historische bronnen uiteraard een veel hogere concentratie krijgt. In alle gebieden - stedelijk en landelijk - zijn de verwachtingswaarden van de jaargemiddelde concentratieniveaus lager dan 350 vezels per kubieke meter. In de omgeving van een historische bron, zoals een vroegere asbestverwerkende industrie, werden lange - dus schadelijke - vezels aangetroffen. Nabij een druk verkeerskruispunt wordt eerder de korte - dus onschadelijke - fractie waargenomen. De concentraties asbestvezels liggen echter bij het merendeel van de stalen dicht in de buurt van de detectiegrens.
Wanneer we deze waarden vergelijken met metingen die werden uitgevoerd in 1983, dan is er een globale verbetering merkbaar. Voor het doorvoeren van deze vergelijking moet echter een zekere reserve in acht worden genomen aangezien de aard van de metingen verschillend is. In 1983 betrof het immers geen jaargemiddelde concentraties. Meestal ging het om steekproeven met korte monsternemingsperiodes. Ook deze gegevens staan in een tabel. Een eindrapport met al de meetresultaten zal in februari gepubliceerd en publiek bekendgemaakt worden.
Ik zeg heel kort ook iets over de sensibiliseringscampagne. Dit is inderdaad nodig, maar ik acht het opportuun om dit pas te doen na het doelgroepenoverleg en de politieke beslissing over de in voorbereiding zijnde beleidsnota.
Dan is er nog de kwestie van het afvalprobleem. De vergunde asbeststorten zijn opgenomen in een lijst bij de vergunningverlenende overheid en zijn ook beschikbaar bij de OVAM via de lijsten van erkende verwervers en verwerkers. Er is geen aparte inventaris van asbest-blackpoints in Vlaanderen. In de OVAM-databanken zitten wel een aantal dossiers waarbij asbestproductie of asbeststortactiviteiten plaatsvinden of plaatsvonden. Medio jaren negentig zijn de grotere asbestproblemen aangepakt. Meestal werd als saneringsoptie voor een isolatie gekozen. Inzake prioriteit wordt geopteerd voor een snelle aanpak indien er verspreidingsrisico aan de orde is. Door de actie van een vijftal jaar geleden zijn de bekende gevallen ofwel gesaneerd ofwel via een voorzorgsmaatregel aangepakt.
Met betrekking tot de verwerking van asbestafval dient krachtens de huidige Vlarem-regelgeving een onderscheid te worden gemaakt tussen afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten en asbesthoudend afval dat geen vrije vezels bevat, voornamelijk verharde asbestcement. Verharde asbestcement, meer bepaald golfplaten, dakleien en asbestcementen buizen, kunnen worden afgevoerd naar een categorie 3-stortplaats. Gelet op het verbod om nog asbesthoudende materialen op de markt te brengen, is ook het tweedehandsgebruik van asbestcementen materialen niet langer toegestaan, en wordt er geopteerd voor definitieve verwijdering. Er zijn in Vlaanderen een twintigtal categorie 3-stortplaatsen, zodat er voldoende capaciteit is.
Voor afvalstoffen die vrije vezels bevatten, geldt krachtens Vlarem dat ze eerst gecementeerd moeten worden vooraleer ze gestort kunnen worden op een categorie 1-stortplaats. Slechts in het geval van verpakkingsafval en plastiekafval enerzijds en niet-vershredderbaar materiaal dat met asbesthoudend materiaal bekleed of bedekt is anderzijds, kan het dubbelwandig verpakt afval rechtstreeks worden afgevoerd naar een stortplaats. Er is in het Vlaams Gewest één installatie voor de cementering van asbesthoudend afval, meer bepaald van de firma Rematt in Mol. Het gecementeerde afval gaat daarna naar de stortplaats van Indaver in Antwerpen. In de praktijk blijkt de verwerkingscapaciteit voldoende om alle asbesthoudend afval op te vangen.
Hierbij kan wel melding worden gemaakt van een alternatieve verwerkingsmethode in Frankrijk - van een firma nabij Bordeaux - waar het asbestafval wordt verglaasd. Momenteel is het evenwel afval dat vooral vanuit het Brussels Gewest via Mol naar Frankrijk gaat, dat op die manier behandeld wordt. De hoge energiekosten van het verwerkingsproces en de grote transportafstand maken deze alternatieve verwerking immers dubbel zo duur als cementering en storten, wat op zichzelf ook al een dure verwerkingsmethode is. Hoe dan ook, het is een alternatieve methode, die we zeker niet uit het oog mogen verliezen.
Ten slotte kan nog worden vermeld dat momenteel door de VITO in opdracht van de OVAM een studie wordt uitgevoerd waarbij de criteria zijn onderzocht om asbesthoudend afval verder te kwalificeren, meer bepaald met betrekking tot de kwalificatie 'vrije vezels'. Of particulieren al dan niet afdoende beschermd worden tegen asbest in openbare gebouwen waarin werknemers tewerkgesteld zijn, hangt af van de aanwezigheid van de verplichte asbestinventaris en de kwaliteit van het beheersplan en de uitvoering ervan. Dit is echter een federale materie. Ter bescherming van particulieren in privé-woningen wordt in het kader van de beleidsnota een sensibiliseringscampagne overwogen. Daarin kunnen worden opgenomen : illustraties van asbesttoepassingen die kunnen voorkomen in en rondom een woning, een beschrijving van het onderscheid tussen gevaarlijke en minder gevaarlijke toepassingen, een beschrijving van veilige verwijderingsmethoden en de plaatsen waar het afval gedeponeerd kan worden, en het aangeven dat men voor gevaarlijke toepassingen best een gespecialiseerde firma contacteert.
Een attestering 'asbestvrije woning' zoals in Nederland vereist is, alvorens tot de sloop van een woning kan worden overgegaan, zou een vergaande maatregel zijn. Dit komt immers neer op een asbestinventaris voor alle te slopen woningen, die moet worden opgesteld door een gespecialiseerd bedrijf. In Nederland blijkt dit systeem niet zo vlot te lopen : ten eerste omdat er een enorme hoeveelheid aan mensen en middelen ingezet dient te worden en ten tweede omdat de handhaving niet sluitend is. Vooraleer een dergelijk systeem in Vlaanderen ingevoerd wordt, dienen we de haalbaarheid na te gaan. Misschien moeten we inderdaad ook een differentiatie inbouwen. Hoe dan ook, deze suggestie zal meegenomen worden in het doelgroepenoverleg en in de komende beslissing over de beleidsnota Asbest.
Binnenkort start de evaluatie van het sectoraal uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. Ook binnen die procedure zullen we overwegen of de invoering van een voorafgaande inventarisatie van te slopen gebouwen op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen zoals asbest aangewezen is. Dit kan zeer nuttig zijn, want hierdoor kunnen immers ook de kwaliteit en de afzetmogelijkheden van sloopafval verbeteren.
Enkel cementgebonden asbestplaten mogen aanvaard worden op het containerpark. Die platen worden namelijk beschouwd als bouw- en sloopafval. Ze mogen evenwel niet bij het recupereerbare bouw- en sloopafval gevoegd worden. Deze platen moeten te allen tijde apart gehouden worden omdat ze niet mee gerecupereerd mogen worden. De cementgebonden asbestplaten moeten afgevoerd worden naar een klasse 3-stortplaats.
Niet-cementgebonden asbestvezels of producten die asbestvezels bevatten, mogen in geen geval aanvaard worden op een containerpark, maar dienen steeds door een erkende verwijderaar ter plaatse opgehaald en verwerkt te worden. In Vlaanderen zijn er momenteel twee bedrijven die over een milieuvergunning beschikken voor het behandelen van asbestafval. Na behandeling van het asbestafval bij deze bedrijven wordt het afgevoerd naar een klasse 1-stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen. Zoals hoger vermeld, is er ook nog het systeem van verglazing, maar dat is misschien iets wat we op langere termijn moeten bekijken. Op het cementgebonden asbest mag in geen enkel geval ter plaatse een bewerking worden uitgevoerd. Dat staat zo in de Vlarem-reglementering.
Inzake de bescherming van de werknemers op containerparken kunnen we er van uitgaan dat zij normaal gezien een opleiding hebben gekregen waardoor ze zich voldoende bewust moeten zijn van alle gevaarlijke producten waarmee zij in contact komen. Bovendien dient er, zoals bij alle professionele bedrijvigheden, een bedrijfsgezondheidskundig- en veiligheidstoezicht te zijn. Ik wil daarover bij OVAM nog eens navraag doen.
Meer informatie over asbest en asbestafval is te vinden op de website van OVAM, waar zich een document van 28 april 2000 bevindt dat de hele problematiek van verwijdering en verwerking, evenals de mogelijke voorzorgen bij de behandeling ervan, beschrijft. In het overleg tussen gewesten en gemeenten zal worden bekeken hoe gemeenten het best kunnen worden geïnformeerd over hoe om te gaan met asbestafval.
De hoeveelheid asbestkoord, remblokjes, strijkplankjes, vlamverdelers, ovenwanten, enzovoort, die als afvalstoffen ontstaan bij particulieren, is zeer klein in Vlaanderen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat particulieren deze producten niet herkennen. Wanneer ze zich van deze voorwerpen ontdoen, zullen zij ze hoogstwaarschijnlijk meegeven met het huisvuil. Indien ze niet werden verwijderd uit de toestellen waarin ze zijn verwerkt, bijvoorbeeld kachels en dergelijke, dan zullen ze ook in andere huishoudelijke afvalstromen terug te vinden zijn. Dit is een gevolg van het feit dat er geen apart inzamelkanaal voor dit soort afvalstof bestaat ten behoeve van de privé-huishoudens.
Deze afvalstoffen worden hoogstwaarschijnlijk ook niet aangeboden als Klein Gevaarlijk Afval. De mensen leggen die link niet. Trouwens, in de lijst van de KGA-afvalstoffen van het VLAREA worden ze niet expliciet vermeld. Wanneer ze toch als KGA worden aangeboden, zullen ze worden verzameld onder de noemer "KGA van gemengde samenstelling" samen met nog andere niet-identificeerbare en potentieel gevaarlijke afvalstoffen. Momenteel beschikt OVAM niet over concrete informatie met betrekking tot de aanwezigheid van asbesthoudende afvalstoffen in het KGA.
Ook over de aanwezigheid van deze afvalstoffen in het huisvuil of andere huishoudelijke afvalstromen is er momenteel geen concrete informatie beschikbaar. De beleidsnota Asbest zal aangeven hoe deze afvalstromen beter kunnen worden beheerst.
Voor de beleidsnota Asbestbeheersing worden maatregelen overwogen in verband met asbest op wegen. Mogelijkheden zijn voorlichting en sensibilisering van de bevolking. Er komt bijvoorbeeld een brochure die de gevaren en mogelijke saneringswijzen verduidelijkt en een verhoogde responsabilisering van de wegbeheerder - vaak gemeentelijke instanties - onder andere bij asbesthoudend materiaal op openbare wegen.
Bij de subsidieregeling naar het Nederlands model van Twente worden particulieren, bedrijven en instellingen een maatregel toegewezen ter sanering die dan wordt uitgevoerd door de provincie. Daaraan is subsidiëring gekoppeld. Voor een dergelijke subsidieregeling zijn momenteel nog geen budgetten ingeschreven. In het geval de veroorzaker van de verontreiniging bekend is, geldt in elk geval het principe dat de vervuiler betaalt.
Er is momenteel geen initiatief tot inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere blackpoints. De gevallen die gemeld worden, zijn schaars. Hierbij is er niet zozeer sprake van een bodemsaneringsprobleem, maar eerder van een probleem inzake het onoordeelkundig gebruik van afvalstoffen die via opwaaiing een mogelijk gezondheidsrisico kunnen inhouden.
De voorzitter : De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Ik ben blij verrast dat er toch cijfers zijn over asbestgerelateerde aandoeningen. Ik had de vraag ook aan minister Aelvoet gesteld. Buiten het Fonds voor Beroepsziekten kon ze geen cijfers geven. Het is goed nieuws dat er wel zijn op Vlaamse niveau.
Wat betreft biomonitoring in bepaalde risicogebieden rond vroegere asbestbedrijven : het is uiteraard niet de bedoeling om asbestvezels in de longen te meten. Professor Pluyvers wijst er wel op dat via biomonitoring biologische effecten kunnen worden gemeten. Zo kan men preventief optreden. Dat is in gebieden waar men quasi zeker is dat bepaalde personen zware gezondheidsproblemen hebben door de blootstelling aan asbest, uitermate belangrijk.
Nog een derde opmerking in verband met concentraties van asbest in de lucht die in het verleden werden gemeten. Ik stel een verbetering vast en dat is goed nieuws. De concentratie die de WHO als gevaarlijk voor de volksgezondheid heeft vastgelegd, bedraagt 1000 vezels per kubieke meter. De metingen die aan het begin van de jaren tachtig zijn gebeurd in de omgeving van een asbestbedrijf bedroegen concentraties van 20.000 tot 640.000 vezels per kubieke meter. De latentieperiode is dertig tot veertig jaar. Dat illustreert dat we nog een en ander aan problemen kunnen verwachten. Het probleem mag dan ook niet worden onderschat, ook al is de asbestproductie nu stilgelegd.
Tot slot wil ik het nog even hebben over de asbestwegen. Ik weet niet of het probleem schaars is. In Kapelle-op-den-Bos en Tisselt is asbest op grote schaal gebruikt. Natuurlijk moet de vervuiler betalen. Ik daag OVAM echter uit om Eternit daarvoor te laten opdraaien. In elk geval moet het probleem worden opgelost. Zo niet, blijft dit aanslepen voor de volksgezondheid.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
TESSENS Lucas
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar London, 19981119-19981120
Edited: 199811241610
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar
London, 19981119-19981120
Deelnemende landen (11): Austria, Belgium (VL), Denmark, Finland, Germany, Ireland, Italy, Netherlands, Norway, Switzerland, United Kingdom
Organisator: BBC

1. Op donderdagavond vond een eerste en nuttige kennismaking plaats tussen de deelnemers; het eigenlijke seminarie begon op vrijdag.

2. Uit de diverse uiteenzettingen hebben wij het volgende onthouden:

• UK (BBC): int zelf de licence fee; gooit geweldig veel research tegen de inningsactiviteit aan en gaat hierbij tot in het extreme; BBC heeft het makkelijk om campagne te voeren op de eigen TV-stations (bvb. spot met een lengte van 4,5 minuten); hun policy bestaat erin de betalingsmogelijkheden zo ruim mogelijk te maken (tailor made) teneinde de TV-houders tot registratie aan te zetten; vervolgens dirigeren zij de betalers naar een minder kostelijke inningswijze; BBC is afgestapt van een politiek waarbij steeds maar op de inningskosten bespaard wordt en lanceert zich in een policy van return on investment; daarbij wordt wel erkend dat ook in de inningsactiviteit de wet van de verminderde meeropbrengsten geldt; BBC spreekt van "selling a licence" wat aanduidt dat zij de gehele marketing-batterij afvuren op hun "klanten"; voor de bestrijding van ontduiking "on the field" worden hi-tech spionage-technieken gebruikt (BBC geeft zelfs toe hiervoor contact te hebben gezocht met inlichtingendiensten): zo kan men van op de straat detecteren waar een TV-toestel in werking is, naar welk TV-station en naar welk programma er wordt gekeken, is de betrokkene niet geregistreerd dan neemt men een foto van de voordeur van het huis met die gegevens + het uur van de controle erop afgeprint; de "continentalen" hadden hun bedenkingen bij deze inbreuk op de privacy; immers, de gebruikte techniek laat ook toe dat gesprekken binnenskamers gevolgd worden (worden wel weggefilterd, maar toch …); ten aanzien van armen en marginalen wordt een gedoogbeleid gevoerd wegens te hoge kosten bij gedwongen invordering.

• Italy (RAI): ook de RAI int zelf; de wetgeving is verouderd (1938); de databases staan niet op punt; de privacy-wetgeving speelt hen parten; de ontduiking is groot tot enorm (hoe zuidelijker, hoe mee ontduiking > zie tabellen); RAI is volop aan het investeren in een eigen mega-call-center.


• Belgium (VL): uiteenzetting met slides door L. Tessens "Fighting Tax Evasion and the use of a Call Center" (zie slides).

• Germany (GEZ)(Joerg Scholz): TV-houders worden ab initio in het bestand opgenomen en kunnen er in principe niet uit verwijderd worden; 80% van de betalingen geschiedt per domiciliëring; korte en warrige uiteenzetting wegens onvoldoende beheersing van de Engelse taal.


• Netherlands (Omroepbijdragen)(Ruud Peters): Omroepbijdragen is op zoek naar nieuw beheerssysteem en lanceert oproep om samen te investeren in een software-platform; pleit voor hechtere samenwerking, een permanente structuur en een secretariaat. Alle voorstellen van Peters worden verworpen, c.q. "gecommissioneerd". Er is enige animositeit merkbaar tussen David Lane (BBC) en Peters: Omroepbijdragen heeft getracht know how te verkopen aan BBC en zulks is mislukt.


3. In de "wandelgangen" konden we nog volgende interessante feiten optekenen:

• Denmark: worstelt met het feit dat het inzetten van een call center volgens de Europese regels van toewijzing moet gebeuren.

• Switzerland (Thomas Rudin tijdens lunch): Inninigsorganisme (Billag) heeft een verzelfstandigd statuut verkregen na decennia-lange inning door Swiss Telecom; overgeërfde database werd verminkt onder druk van privacy-wetgeving (telefoonnummers geschrapt uit het bestand); bij outsourcing dient Switzerland zich te richten naar firma's in de GATT-landen.


• Ireland (Gerry O'Brien tijdens lunch): inning geschiedt door de Irish Post; database-management is geweldig oubollig; Post redeneert zoals EDP-manager van de jaren 70 (alles is moeilijk en tijdrovend, het systeem laat dit niet toe); RTE is zeer ongelukkig met de bestaande situatie; alle hulp is welkom.

4. Permanente structuur en secretariaat
Tijdens het seminarie heeft Belgium (VL) in samenspraak met Netherlands de idee gelanceerd van een permanente structuur (met lidgeld) met een permanent secretariaat/clearing house te Aalst (CIPAL/Kijk- en Luistergeld). Dit was vrij moeilijk omdat een discussie hierover niet op het agenda voorzien was. Toch zijn wij erin geslaagd deze discussie te laten plaatsvinden.
Tijdens de rondvraag bleek Marti Partanen (Finland/YLE) gekant tegen een eigen structuur en een eigen secretariaat. Volgens MP was de opvolging van licence fee een taak voor de EBU (European Broadcasting Union), die deze problematiek sinds jaar en dag had gevolgd maar de laatste jaren de teugels vierde. We kunnen spreken van een typische RECUPERATIEREFLEX. Na de uiteenzetting van MP sloten de EBU-leden de rangen: RAI (Italy), RTE (Ireland), ORF (Austria), DR (Denmark), WDR (Germany). De BBC had zich slechts neer te leggen bij de meerderheid en trok de coördinatie-werkzaamheden en het de facto voorzitterschap voor het komende jaar naar zich toe.
Noteer dat BBC hiermee een punt scoort. Immers, BBC krijgt nu een pak know how toegeschoven.

5. Conclusies
Licence fee management wordt naar ons gevoel gekenmerkt door 3 tendenzen:
5.1. Database improvement: software om de eigen database te beheersen, matching met analoge bestanden (rijksregister, posterijen, kabel, telefonie). Hier ligt een markt voor IT-bedrijven. Moeilijkheid vormt de nationale en Europese regelgeving inzake privacy. Meerderheid worstelt met overgang van oud naar nieuw bestand in een verzelfstandigde omgeving (nood aan training en input database know how).
5.2. Marketing know how: segmentering en vorming van target groups voor inning en invordering, creatief bespelen van allerlei betalingsmogelijkheden (billing), etcetera.
5.3. Communication know how en opvang feedback: kennis van de media mix en de performantie van de ingezette middelen, capabilities van call centers, creëren van "visibility on the field" teneinde perceptie van pakkans op te voeren (vooral belangrijk in zwak bekabelde regios en niet-voorziene matching met bestanden cable subscribers).

Wij geloven niet in het aanhouden van het losse samenwerkingsverband, meer een gevolg van EBU-recuperatiereflex dan van ratio. Men gooit de oppurtuniteit van een grote "learning zone" weg. Op termijn zal blijken dat meer structuur en professionalisering zich opdringt. Wij verwachten een doorbraak na het interim-presidentschap van Italy.
Een steeds wisselende coördinator in het zgn. clearing house is een slechte zaak voor de continuïteit in de verspreiding van know how. Het is bovendien niet zeker dat voor de full digital option (alle communicatie en info over e-mail) wordt gekozen bij het managen van de informatie (nog communicatie per fax en dus op papier). Op die manier behoudt de beheerder van de digitale info in het clearing house, in casu de BBC, een voorsprong.

Bijgevolg zijn wij tot nader order aangewezen op bilaterale contacten willen wij een voorsprong opbouwen en behouden. Deze kunnen o.i. het best samen met Netherlands opgevolgd worden teneinde een platform van een zekere dimensie te vormen.
Willen we ons profileren als de aanreikers van een "total solution" dan is een verticale integratie van know how een must: mainframe, inter- en intranetworking, datawarehouse, document and information flow, communication and feedback management, call center capabilities, budgetbewaking. Het is onze overtuiging dat wie zich (in teamverband) met deze bagage het eerst Europees als problem solver profileert mooie groeikansen heeft. Deze liggen immers in het bredere veld van de tax collecting.

Lucas TESSENS - MERS (Media Expert Research System) - 1998-11-24
MERS
Draft Press Release on Licence Fee Collection in Flanders by CIPAL
Edited: 199810270938
Recently the National Institute for Statistics (NIS) in Belgium published the statistics of the private households in Belgium.
These figures are important for a good comprehension of the structure of a state since the household is still to be considered as the main consumption unit of cable services. Licence fee collecting also has the household as main target.

The Kingdom of Belgium is a federalized nation.
Belgium comprises of three communities (based upon language): the Dutch (Flemish), the French (Walloon) and the German speaking community.
On the other hand Belgium consists of three regions (based upon territory): Flanders, Brussels and Wallonia. Each of these three regions their own government with growing responsabilities. Flanders is by far the most important region, both in demographic and in economic terms.
Provinces are administrative/territorial divisions of Belgium. There are 10 provinces, 5 in Flanders and 5 in Wallonia.

CIPAL is the firm responsable for the licence fee collection in the region Flanders since 1997. After a competition with the big informatic firms (IBM, EDS, Orda-B, Siemens, …) CIPAL obtained the outsourcing contract for a five year period (1997-2001).
The core business of CIPAL was and still is the treatment of digital data for the municipalities in the provinces Antwerp and Limburg.
The outsourcing of the licence fee collection must be seen as a deliberate new political option of the Flemish government: to delegate jobs to those who are considered to be the best in the market.
The responsabilities of CIPAL are considerable and complex:
• building a strong and visionary management team,
• the complete reorganisation and the training of personnel on new machines and new software,
• the installation of a full digital workflow where paperwork is banned "at the border" of the administrative process,
• the coordination of campaigns against tax evasion,
• the matching of its own database with those of the 21 cable companies in Flanders,
• the constant verification of names and adresses, and so on.

MERS is a consultant in media, communication and cable affairs. Lucas Tessens, managing director, iniated commercial television in Flanders in the 80s and cable telephony in 1994. He also advised the Flemish government and private firms in media and telecom matters. CIPAL and MERS work together from the start of CIPALs new business.

MERS believes that the collection of licence fee is much more than a pure technical matter. The huge penetration of television in households makes tax collecting a fine tuned barometer for financial and sociological trends in society. And a better comprehension of society helps to make better tax consultants and better governments.
LT
Persbericht MERS
Edited: 199810270926
Zopas heeft het NIS het aantal particuliere huishoudens per 1 januari 1998 vrijgegeven. Deze statistiek is geput uit het Rijksregister.

Het MERS had eerder dit jaar het aantal kabelabonnees per 31 december 1997 opgevraagd bij de diverse kabelmaatschappijen.

De bijgaande tabel berekent voor elk van de 308 gemeenten in het Vlaams gewest de BEKABELINGSGRAAD of het percentage particuliere huishoudens dat kabelabonnee is. We maken gewild abstractie van de 3.261 collectieve huishoudens.

De fusiegemeenten werden per provincie gesorteerd en van laag naar hoog qua bekabelingsgraad.

Voor geheel het Vlaams gewest komt de bekabelingsgraad neer op 94 %.
Vlaanderen heeft daarmee de hoogste bekabeling ter wereld.

In de provincie Antwerpen scoren Wuustwezel en Essen, met resp. 76 en 79 procent, eerder laag: de bekabeling kwam er laat op gang en het zijn dun bevolkte gemeenten.
Ook in een aantal steden ligt de bekabelingsgraad aan de lage kant: Antwerpen (81%), Leuven (78%), Tienen (87%), Gent (86%). Zulks heeft te maken met relatieve armoede en een hogere concentratie allochtonen in stedelijke agglomeraties.

Aan de Kust vinden we - vanwege het groot aantal vakantieverblijven - scores boven de 100%, gaande tot 247% voor Koksijde. Nieuwpoort vormt met 85% een uitzondering vanwege een andere abonneetelling (per sindicus) bij de kabelmaatschappij WVEM.

De bekabelingsgraad heeft repercussies voor de nominatieve matching tussen het KLG-bestand en de bestanden van de kabelmaatschappijen.

LT/1998-10-27
LT
Letter to Mme Judith Stelmach (ORF)
Edited: 199810160928
ORF
Mme Judith Stelmach
Audience Research Department
Würzburggasse 30
A - 1136 - WIEN
Austria

Antwerp (Belgium), 1998-10-16


Dear Judith,


Please find hereby the Annual Report of the Flemish Licence Fee organisation (Dienst Kijk- en Luistergeld).

MERS is the external consultant for licence fee collection in Flanders, the Flemish speaking community of federalised Belgium.

On April 1st 1997 the service gained autonomy. Before that date the licence fee organisation was a part of Belgacom, the telecom operator of Belgium, privatised for some years now.
CIPAL, a service company in the informatic field and owned by a large number of cities in Flanders, took over the job (computer technology, organisation and management, etcetera). The Flemish government is the final responsable for and beneficiant of the tax collection. The public broadcast company (VRT) gets a dotation from the Flemish government but one can not say that there is an direct link between the taxes collected and the funding of the public broadcaster. This stays a political decision on a yearly basis. In some respect this situation makes the communication with the public rather difficult ("why you should pay licence fee"). Yet the collected licence fees are considered by the large majority as the main financial source for the VRT.

Note also that taxes are collected per household for TV-sets and per car for car radio.

As of April 1997 CIPAL undertook a number of successfull and speedy actions to improve the organisation of the service: new software, upgrading and training of personnel, large media campaign against tax evasion, etc.
All these efforts resulted in a dramatic rise of the registration rate in Flanders (see the tables in the annual report).
The situation in Flanders is somewhat special because of the very high penetration of cable (teledistribution). This makes it possible to match the databases of cable companies and the licence fee organisation on a nominative basis. This matching proces was made possible by law.
Great efforts go to the improvement of the matching methods because this is one of the keys for evasion rate reduction. The maps at the end of the annual report gives an insight in the evasion rate per province/city/village in Flanders (308 in total). The maps indicate where TV and car radio tax evasion is prominent and this information is to be considered as a management tool for specific and punctual action in the field.

It is my firm belief that international cooperation and data interchange can improve our business. Permanent improvement in tax collection can only evolve when brains work together and ideas flow around the globe.

Kind regards,







Lucas TESSENS
Managing Director MERS
Pouplain-Pédron Catherine
Décès du chanteur Nino Ferrer. R.I.P.
Edited: 199808131478
25/08/1998
C'est au milieu d'un champs de blé à quelques kilomètres de chez lui dans le sud-ouest de la France, que le chanteur Nino Ferrer a choisi de se donner la mort jeudi 13 août, deux jours avant son 64ème anniversaire. Retiré du spectacle dès les années 70, il avait ponctué une carrière en dent-de-scie de tubes majeurs du répertoire français.

Né d'un père italien et d'une mère française, Nino Ferrer a vu le jour le 15 août 1934 à Gênes (Italie) sous le nom d'Agostino Ferrari. Signe du destin, il passe les premières années de sa vie en Nouvelle Calédonie. La famille s'installe en France en 1947 et inscrit Nino dans les plus grands lycées parisiens. Après un diplôme d'ethnologie et d'archéologie à l'Université de la Sorbonne, le jeune homme se tourne vers sa passion, la musique.

Dès 55, il démarre un parcours de guitariste jazz dans les clubs parisiens. Les débuts sont difficiles. Ses premiers textes, entre blues et gospel, sont refusés et Nino gagne sa vie en accompagnant des artistes plus en vogue à l'époque, dont la chanteuse de jazz Nancy Holloway.

Sa carrière décolle subitement en 1965 avec les titres "Mirza" ou "Les Cornichons". La France s'emballe pour ce chanteur qui cultive la dérision et un certain iconoclasme. Il aligne dès lors tube sur tube : "Oh! Hé ! Hein ! Bon !", "Alexandre", "le Téléfon". Sa vie prend un train d'enfer entre les galas et les émissions télévisées. Très vite, Nino se lasse de ce milieu et d'une notoriété étouffante. D'un caractère entier, ses relations avec le show-biz s'enveniment.

Premier exil en Italie à la fin des années 60. Nino y signe un titre différent, plus personnel, "Je voudrais être noir". Puis, c'est dans le Quercy qu'il pose ses valises au début des années 70. S'il ne se montre plus guère, il signe des titres qui marquent le public. En 1972, c'est "La Maison près de la fontaine". Puis le jackpot survient en 75 avec "Le Sud", chef-d'œuvre de son répertoire.

En dépit de ces derniers succès, il reste terré dans sa bastide du XVème siècle avec son épouse Jacqueline, dite Kinou, qu'il épouse en 78. Dans les années 80, après une ultime tournée en compagnie de Jacques Higelin, ce tendre râleur ne fait plus guère parler de lui. Il peint beaucoup, apparaît dans une comédie musicale à tendance mystique en 84 ("L'Arche de Noé") et élève ses deux fils, Pierre et Arthur.

On le retrouve en 95 pour un ultime album au titre évocateur "La désabusion" (jeu de mots sur les mots 'désillusion' et 'désabuser'). Il refait un peu de scène entre autres au festival des Francofolies de la Rochelle. Mais il retourne très vite sur ses terres du Quercy pour s'occuper de sa mère, Mounette. C'est après le décès de cette dernière en juillet dernier, que Nino Ferrer semble s'être définitivement retranché du monde extérieur pour le quitter violemment et à tout jamais le jeudi 13 août 98.

Par : Catherine Pouplain-Pédron
JANSSENS Frederik
Congo Vrijstaat, een blinde vlek in ons collectief geheugen: bespreking van het boek van Hochschild. Met een naschrift over Union Minière.
Edited: 199804090921
Uit het naschrift bij deze bespreking:
De periode die Jules Marchal momenteel bestudeert is de periode tussen 1910 en 1945, de tijd van Belgisch Congo. Hij beschrijft de activiteiten van de Union Minière en wat er gebeurde in de goudmijnen van Kilo-moto. Volgens Marchal is de toestand in Congo na de overdracht door Leopold II verschrikkelijk gebleven. Alle arbeid was dwangarbeid. Slaven werden geleverd door de staat. Hij beseft wel: "Wat ik schrijf zal door de Union Minière resoluut ontkend worden, maar ik houd mij strict aan de gedocumenteerde feiten!". Pas in de jaren vijftig werd de toestand beter in Belgisch-Congo.


LT
... OF HOE ACCURAAT TELENET TEWERK GAAT. ... OF HOE MEN DE HOMOGENITEIT VAN HET VLAAMSE GRONDGEBIED VERKWANSELT.
Edited: 199711190938
Memo van het telefoongesprek met de Stadssecretaris van Landen, Koen Snijders, dd. 19971119.
... OF HOE ACCURAAT TELENET TEWERK GAAT.
... OF HOE MEN DE HOMOGENITEIT VAN HET VLAAMSE GRONDGEBIED VERKWANSELT.

Pro memorie: PBE bedient het grootste deel van Landen-fusiegemeente.
Brutélé is actief in de centrumgemeente. Landen heeft met Brutélé een contract tot 2010.

Landen vreest met zijn centrumgemeente volledig buiten Telenet te vallen.
Verstandhouding tussen PBE en Brutélé is compleet zoek: "Coulst (hoofdir. PBE kan het bloed van Brutélé wel drinken".
PDW had op het kabelcongres in Dublin reeds verklaard dat hij bereid zou zijn om met PBE een ruil aan te gaan: Landen tegen Chastres en Villers-la-Ville.
Deze twee gemeenten hebben via hun burgemeesters echter persoonlijke banden met PBE en willen niet weg bij PBE. Pierre de Wergifosse is nu bereid om Landen los te laten, ook zonder ruil (maar niet gratis).
Snijders zegt dat Landen door niemand erkend wordt: niet door de VKK en niet door Telenet. Telenet heeft nooit contact gezocht met Landen (toch een Regie en juridisch een kabelmaatschappij).
KS heeft van PDW, tevens voorzitter van RTD, moeten vernemen dat op 19971017 de VKK officieel werd opgericht. Toen werd echter een tactische fout begaan: aangezien Brutélé de operator is voor de Regie Landen had het schepencollege er niet beter op gevonden dan PDW volmacht te geven om de Regie Landen (enkel voor de stichting) te vertegenwoordigen binnen de VKK. Toen PDW op 19971017 opdaagde op de stichtingsvergadering van de VKK kunt ge u de consternatie inbeelden: de nationale voorzitter is aanwezig op de stichting van een scheurgroep!!!
Snijders heeft aan PBE en aan Brutélé gevraagd om tegen eind november hun standpunten tegenover band Brutélé-Landen / Landen-PBE kenbaar te maken.
Hij houdt ons op de hoogte.
Men noteert wel dat, althans volgens Snijders, de winstuitkering per abonnee bij Brutélé 4x hoger ligt dan bij PBE.
Terloops: vroeger was de technische support van Brutélé erbarmelijk, nu is dat veel beter geworden; een technicus is 8 uur per dag aanwezig in Landen.
Tenslotte nog dit: Snijders denkt in de richting van een verkoop van het gehele netwerk aan PBE; "dat zou nog geld voor de gemeente opbrengen ook", aldus KS.

>>> vergelijk deze situatie met die van Voeren.

LT/19971119
DE MEESTER Wivina
Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld van outsourcing met de overheid. "In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen."
Edited: 199710171465
Toespraak door Wivina Demeester,
Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid
ter gelegenheid van
het seminarie “outsourcing : ervaring en knelpunten”

“ Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld
van outsourcing met de overheid “
Brussel, 17 oktober 1997

Financieel Economische Tijd en
Caestecker, Lievens, Martens & Partners.

Slide 1



1) INLEIDING

De outsourcing van belastingsinning lijkt op het eerste zicht een contradictio in terminis te zijn. Wie aan de overheid denkt, denkt vrijwel onmiddellijk aan ‘belastingen’. In de perceptie van de bevolking lijkt belastinginning een typische kerntaak van de overheid te zijn. Nochtans blijkt uit de geschiedenis dat overheden pas vrij laat zelf hun belastinginning hebben georganiseerd.

De Franse historicus Fernand Braudel beschrijft hoe omstreeks het begin van de 18de eeuw vele overheden met vallen en opstaan onderzochten op welke wijze de belastingen het meest efficiënt en kosteneffectief konden worden geïnd in een maatschappij die bijzonder snel aan het veranderen was.

Land-eigendom en landopbrengsten werden stilaan verdrongen als eerste en voornaamste bron van inkomsten en dus van belastingen. De overheden moesten dan ook op zoek gaan naar andere manieren om bij hun reeds veelgeplaagde onderdanen meer belastingsgeld te kunnen vinden. Maar waar konden die nog gevonden worden in een samenleving waar vrijwel alles reeds belast was. Er bestond een vorm van wat nu in het modern jargon “road pricing” zou heten : op de drukste wegen werd het transport getaxeerd. Er bestond omzettaksen, er bestonden invoertaksen. Maar de baten waren laag. De kosten voor de inning daarentegen zeer hoog. Bovendien waren de producten, die getaxeerd werden, meestal ook levensnoodzakelijke goederen. De rest van de goederenproduktie, porselein, spiegels etc.. was immers ofwel te klein om te taxeren ofwel bestemd voor afnemers met ruime belastingvrijstellingen zoals de clerus en de adel.

Een voor de hand liggend product om te gaan taxeren was zout. Zout was in die tijd een van de belangrijkste consumptiegoederen voor de modale burger, het werd gebruikt in de meest uiteenlopende voedingswaren. De productie was bovendien relatief goed controleerbaar. Maar de belasting erop was zo hoog, dat het zout zelf zeer duur was. Zo duur dat, toen Lodewijk XIV besliste om de zoutbelasting nog maar eens te verhogen, dit leidde tot stevige rellen en boerenopstanden.

Slimme overheden gingen de weg op van wat wij in moderne taal noemen “efficiëntie-verbetering in het bestuurlijk apparaat”. Een treffend voorbeeld is de organisatie van de inning van de Engelse zoutbelasting. Ongeveer driehonderd jaar terug besliste de Engelse overheid om de inning van de zoutbelasting te ‘nationaliseren’. Voorheen werd de inning van belastingen vaak overgelaten aan het concreet initiatief van particulieren die optraden als geldschieters en financiers van de staat. Er bestonden immers vele systemen van wat wij noemen “alternatieve financiering” : wegen en bruggen bijvoorbeeld werden aangelegd en onderhouden door privé-personen, die daarvoor tol konden innen.

Op het einde van de 17e eeuw werd dat systeem in Engeland gewijzigd : voortaan zouden door de koning aangeduide, staatsambtenaren belastingen en accijnzen zelf gaan ontvangen. De bedoeling van deze nationalisatie was niet zozeer het opdrijven van de efficiëntie van de inning op zich, maar wel het stopzetten van de praktijk van de schaamteloze afroming van de inkomsten van de staat door de particuliere ontvangers. O ok vandaag durven kwatongen al eens beweren dat bv. notarissen al eens een oogje zouden dichtknijpen bij de bepaling van verkoopswaarden, zodat hun cliënt minder belastingen, maar iets meer ereloon betaalt. Blijkbaar was dit vroeger echter schering en inslag.

De nationalisering van de belastinginning in Engeland gaf automatisch aanleiding tot een fikse verhoging van de efficiëntie van de inning en dus van de belastingen, zonder de belastingdruk zelf te verhogen. Door de staatsinkomsten veilig te stellen kwam er in Engeland meer geld beschikbaar voor de koloniale oorlogvoering en de uitbouw van de infrastructuur voor de nakende industriële revolutie. Tegelijk bleef er voldoende geld in de private economie, waardoor langzaamaan de kapitalen werden verzameld, waarmee de geweldige investerings-push, die op gang kwam vanaf de jaren 1780 kon worden gefinancierd.

De andere grote staat van dat ogenblik, Frankrijk, wachtte nog veel langer om de stap tot nationalisatie te zetten. De openbare financiën hingen tot aan de Franse revolutie eveneens af van tussenpersonen die zorg droegen voor de ontvangsten. Deze belastingspachters stortten grote borgsommen, waarop zij dan rente ontvingen. Volgens de voorwaarden van hun contract betaalden zij een vast deel van hun belastingontvangsten uit aan de koning. In werkelijkheid ontving de koning slechts een fractie van de potentiële jaarlijkse inkomsten. De Franse monarchie was dan ook tot de vooravond van de Franse Revolutie overgeleverd aan particuliere belangen, omdat zij bleef vasthouden aan het principe van “outsourcing” van de belastingen.

Sinds die periode groeit bij vrijwel iedere staat de overtuiging dat belastinginning alleen door de overheid kan georganiseerd worden. En toch, tweehonderd en zeven jaar na de Franse Revolutie beslist de Vlaamse Regering om de inning van een gedeelte van haar belastinginning terug aan derden uit te besteden. Een wereldprimeur of een historische vergissing ? Hierop wil ik na deze historische inleidng wat dieper ingaan.

Eerst zou ik nader willen ingaan op de theorie van de outsourcing zelf. Vervolgens bekijken we dan de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld zelf. En ten slotte kijken we naar de toekomst en vragen ons af of de Vlaamse Gemeenschap kan doorgaan op de weg van de outsourcing.



2) DE THEORIE VAN DE OUTSOURCING

Slide 2 : zelf doen vs outsourcen

Uitbesteden is een populair begrip geworden. In feite zijn vele mensen actieve ‘uitbesteders’. We besteden onze kinderen uit aan een onthaalmoeder, steeds meer gezinnen besteden een deel van het huishouden uit aan een poetsvrouw, iemand die de was en de strijk doet, iemand die de tuin onderhoudt... Het is voornamelijk tijdsgebrek, maar soms ook een gebrek aan competentie die steeds meer mensen aanzet tot de beslissing van het uitbesteden van diverse taken.

Kijken we naar het bedrijfsleven, dan neemt het fenomeen van de outsourcing echter meer spectaculaire proporties aan. Quasi alle functies die men in een organisatie kan onderscheiden, komen voor outsourcing in aanmerking. De vraag of dit een goede zaak is, hangt vaak af van het standpunt van waaruit men naar de feiten kijkt. Voor de uitbesteder zijn er ogenschijnlijk meer voordelen van uitbesteding te onderkennen dan voor hen die de functie die uitbesteed wordt vervullen. Nochtans zou ik vandaag eveneens willen benadrukken dat outsourcing ook positieve aspecten kan hebben voor deze laatsten.

Outsourcing kan worden gedefiniëerd als "de contractuele overdracht van een welbepaalde cluster van activiteiten naar een derde partij waarbij een aanzienlijk deel van de controle over de beslissingen over deze activiteiten of diensten wordt afgestaan aan deze derde partij". Daartegenover staat ‘insourcing’. Bij insourcing blijft een groot deel van de controle over de beslissingen bij de oorspronkelijke partij die haar activiteiten of diensten overdraagt. Meestal maakt men een meer praktisch onderscheid tussen out- en insourcing door te verwijzen naar het feit of de controle over de activiteiten buiten of binnen de organisatie wordt behouden.

slide 3 : welke vormen ?

Men kan vervolgens outsourcingcontracten als aankoopfenomeen verder gaan differentiëren naar de stijl en focus. De aankoopstijl varieert tussen twee uitersten.
Aan de ene kant zijn er de zuivere transacties die men afsluit: eenmalige contracten die reeds voldoende detail bezitten om als referentiedocument te dienen. Anderzijds zijn er aankopen van relationele aard te onderkennen die minder gedetailleerd zijn, maar waarbij beide partijen er van uitgaan langere tijd met elkaar zaken te doen.

Wat de focus betreft kan het input-aspect belangrijk zijn, en dan koopt de onderneming hardware, software of kennis in. Is men echter voornamelijk op output gefocused, dan verwacht de onderneming dat de leverancier vooraf gespecificeerde prestaties zal leveren.

Beide dimensies leveren ons een classificatieschema op dat u op de slide terug vindt.

Teruggrijpend naar onze eerdere definities zal u merken dat het insourcen zich eerder links van de 'zogenaamd neutrale' in-house positie bevindt en het outsourcen aan de rechterzijde. Met dit eenvoudige schema kan u alle vormen van uitbesteden positione-ren.
Als dusdanig hebben de dimensies praktische relevantie.

Met een buy-in strategie lossen organisaties tijdelijke noden in, zoals de aanwerving van programmeurs met specifieke expertise tijdens een project. Bij een contracting-out moet de leverancier in zijn totaliteit een resultaat aanreiken. Deze strategie is meest succesvol wanneer de onderneming haar noden kan definiëren in een waterdicht en volledig gedetailleerd contract.

Met een bevoorrechte leverancier worden relaties onderhouden om gebruik te kunnen maken van zijn expertise en faciliteiten. Bijvoorbeeld, een onderneming vraagt informatici aan een leverancier enkel op het moment dat ze er nood aan heeft. Op deze wijze bespaart de onderneming kostbare tijd om offertes aan te vragen. De leverancier, die optreedt voor meerdere opdrachtgevers, is verzekerd van een quasi-continue stroom van opdrachten. Met een bevoorrechte contract-out wil men - aan beide zijden - risico's beperken door gemeenschappelijke doelen na te streven.

De organisatie van de activiteiten die binnenshuis blijven is een cruciale taak, zelfs wanneer quasi 80% van de activiteiten is uitbesteed. Ondernemingen kunnen op lange termijn serieuze problemen ondervinden wanneer de volgende expertise niet meer binnenshuis aanwezig is:
* de expertise om de toestand van het eigen IT-potentieel in te schatten
* de expertise om de IT-noden zoals ze door het top-management worden ervaren te kunnen achterhalen
* en de expertise om op een geschikte wijze naar de markt gaan, offertes en contracten inzake de IT-sourcing te specificeren en de contracten op te volgen.

Nochtans stellen we meer en meer vast dat zelfs het opstellen van offertes wordt uitbesteed aan gespecialiseerde organisaties.


Slide 4 : welke IT-systemen ?

De volgende vraag die men bij overweging van outsourcing kan stellen is uiteraard de vraag: welke activiteiten komen voor outsourcing in aanmerking. Grosso modo vallen die voor de IT-functie uiteen in drie grote groepen: beheer, ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen. Meer specifiek gaat het dan over volgende activiteiten: PC-aankoop en onderhoud, training en ondersteuning, software-ontwikkeling, back-up systemen, telecommunicatienetwerken, software onderhoud, datacenter management, systeem architecturen.

Op welke wijze deze activiteiten zouden kunnen worden ge-outsourced hangt af van twee zaken: in welke mate zijn de activiteiten kritiek voor het succes van de organisatie en in welke mate worden de activiteiten gebruikt om zich te differentiëren van anderen. Voor kritieke differentiërende systemen wordt aangeraden om selectief een aantal activiteiten binnenshuis te behouden en andere uit te besteden onder de vorm van in- of outsourcing.

Men moet hierbij oppassen de kritieke differentiërende systemen niet al te snel te vereenzelvigen met gesofisticeerde high-tech-applicaties die geen enkele andere organisaties heeft. Een goed werkend financieel systeem met een degelijke informatietechnologische ondersteuning van de bv. de boekhouding en cash management is van onschatbare waarde voor onder andere onze Vlaamse overheid.

Slide 5 : welke contracten ?

De vorm die het contract tenslotte aanneemt kan eveneens variëren in functie van de specifieke noden van de organisatie. Voor welke contractvorm uiteindelijk gekozen wordt, hangt af van het antwoord op een aantal vragen. Enkele voorbeelden zijn de volgende:

* Willen we het product of de dienst in de verre toekomst nog zelf produceren?
* Kunnen we technologie of know-verkrijgen via licenties zodat we op continue basis verzekerd zijn van een zekere output?
* Kunnen we de dienst of het product al kant-en-klaar kopen en is dit houdbaar op langere termijn?
* Kunnen we gemeenschappelijk ontwikkelingsprojecten opzetten voor producten of diensten zodat we zeker zijn dat we het beste resultaat krijgen?

Het antwoord op deze vragen is relevant, maar een andere vraag blijft nog steeds onbeantwoord : waarom is dit alles nodig ? (Moeder,) waarom sourcen we ?

In grote lijnen kan dit als volgt beantwoord worden. Vele organisaties hebben onder economische druk hun diversifcatiestrategieën die populair waren in de jaren ‘70 en begin jaren ‘80 moeten opgeven om zich meer te focussen op kerncompetenties. Als gevolg daarvan kwam onmiddellijk de IT functie onder druk te staan. Topkaders beschouwen IT vaak als een niet-kern competentie (in welke ondernemingen zetelen IT-directeurs in de directieraad?). Men is veelal van oordeel dat IT leveranciers meer schaalvoordelen en technische expertise bezitten om IT-diensten te leveren.
Op basis van die redenering, expertise en kritische massa van de eigen IT-functie binnen de onderneming, worden leveranciers meestal dan ook beoordeeld zoals volgende slide aantoont (SLIDE). Te kleine IT-afdelingen met een middelmatige tot slechte expertise, daar wil men van af, dus wordt er ge-outsourced. Beschikt men daarentegen wel over een sterk bemand en professioneel kader dan kan dat enkel maar versterkt worden door bijkomende expertise in te sourcen.

Zonder hier in detail op in te gaan zijn er verschillende factoren die de outsourcing beslissing beïnvloeden. Deze factoren hebben zowel betrekking op zakelijke aspecten (zoals return on investment, competitieve voordelen door IT, strategische heroriëntatie van de activiteiten, ed.) als op meer technologische aspecten (uitbouw van een moderne IT-infrastructuur, upgrading van het informaticapersoneel, enzovoort)..

Outsourcing moet meer zijn dan kostenbesparend. Problemen lost men niet op door ze door te schuiven. Zo moeten slecht presterende entiteiten waarvoor outsourcing overwogen wordt, tegelijkertijd fundamenteel geanalyseerd en eventueel gere-engineered worden wat betreft hun interne processen. Ook de bestaansreden op zich van bepaalde functies moeten kunnen in vraag gesteld worden.

En hiermee komen we bij het volgende deel van uiteenzetting: wat betekent dit nu concreet voor de overheid, in casu de Vlaamse overheid ?

Slide 6 : OESO-tendensen

Overheden in OESO landen worden heden ten dage geconfronteerd met vragen die dwingend zijn en moeten beantwoord worden.

Er is een toenemende tendens waarneembeer tot loskoppeling of desaggregatie van overheidsorganisaties in kleinere onderdelen. We spreken dan van privatiseringen, verzelfstandiging en ook outsourcing. Hiermee samenhangend is er ook een trend naar decentralisatie van verantwoordelijkheden waarneembaar.

Ambtenaren worden verplicht hun administraties te managen zoals hun partners in de private sector. De overheidsmanager is daarbij aansprakelijkheid voor resultaten die door zijn administratie moeten bereikt worden. Door het afsluiten van persoonlijke contracten, zogenaamde prestatie-overeenkomsten, tussen bv. directeur-generaal en een bevoegde minister worden prikkels gegeven om een noodzakelijke mentaliteitswijziging door te voeren.

In deze overeenkomsten wordt niet enkel concreet omschreven welke outputs de overheidsmanager dient te leveren maar ook wat zijn verwachte bijdrage is aan ruimere maatschappelijke problematieken zoals bv. de mobiliteit, het milieu of de gezondheid.
Het vastleggen van de outputs of prestaties, en de beslissing waar en door wie ze zullen worden gerealiseerd, blijft de primaire bevoegdheid van de minister.

OESO-experten wijzen er op dat in vele landen de grootte van het overheidsapparaat, uitgedrukt in percentage van het BNP, te groot is. Ten tweede stellen zij dat kerntaken en niet-kerntaken van de overheid dringend herbekeken dienen te worden in die zin dat de diensten die de overheid momenteel zelf verzorgt eventueel ook in partnership met andere overheden en met de private sector kunnen worden uitgevoerd of zelfs in coproductie met de burger-klant.

Om tegemoet te komen aan deze bekommernissen moet elke overheid concreet nagaan hoe ze haar interne structuur en functioneren beter kan organiseren en financieren. De introductie van prestatiegerichte managementtechnieken zowel in de beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering als de beleidsevaluatie moeten hiertoe bijdragen.

Boeken zoals ‘Reinventing Government’ hameren op professioneel management, nadruk op outputs, expliciete standaarden en prestatiemaatstaven, ene grotere competitie tussen overheden en privé en bovenal het transfereren van managementprakijken uit de publieke sector. Christopher Pollit een Oxford academicus die momenteel een sabbatical leave heeft op de KU-Leuven wijst op de gevaren van deze opvattingen die hij onder het label 'new managerialism' categoriseert. De publieke sector heeft wel degelijk differentiële karakteristieken als de private sector. Wat de IT functie betreft stelt hij dat niet enkel de normen inzake rendabiliteit van informatiesystemen wel eens durven te verschillen, het zijn vooral de politieke en wettelijke kaders die maken dat het ontwikkelen en managen van IT in overheidsorganisaties een particuliere taak is. IT managers moeten onder een andere tijdshorizon werken dan hun collega's uit de private sector. Vaak zijn zij voor ontwikkelingsprojecten gebonden aan legislaturen.

Men kan zich ook vragen stellen in welke mate overheden wel het recht hebben om overheidstaken uit te besteden aan private organisaties. Verschillende auteurs wijzen op het gevaar van uitholling van de staat wanneer een aantal essentiële taken worden uitbesteed. Voorstanders van privatisering benadrukken efficiëntie, effectiviteit en klantentevredenheid als relevante criteria voor de selectie van de wijze van dienstverlening.

Er is echter een grote ‘maar’ : burgers zijn geen klanten. Klanten kiezen tussen producten, burgers hebben rechten en plichten en beslissen bovendien ook wat de overheid concreet moet doen met de ontvangen belastinggelden. De overheid heeft in het verleden vele taken op zich genomen, juist omdat de private sector ze niet kon of niet wilde op zich nemen. Hier botsen twee waarden met elkaar, met name rechtvaardigheid versus efficiëntie.

De organisatie van het overheidsapparaat en de mate waarin men daarin wil outsourcen hangt daarom strikt samen met de visie die een regering heeft op de wijze waarop zij haar overheidsapparaat wil organisaten. Landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Nieuw-Zeeland steunen sterk op het marktprincipe. De private sector treedt in competitie met de overheid voor de uitvoering van essentiële overheidstaken, bv. het beheren van gevangenissen, hospitalen scholen, posterijen enz... .

Andere landen daarentegen steunen op andere fundamentele principes. Frankrijk is gebaseerd op een systeem van rechten. Als voorbeeld van de Latijnse traditie inzake overheidsmanagement zal het dan ook andere criteria hanteren bij outsourcing-beslissingen. België steunt eerder op een systeem van rechten en plichten. Het balanceert als dusdanig tussen verschillende alternatieve structureringswijzen.

In Vlaanderen opteert de Vlaamse regering voor ene meer marktgerichte aanpak, zonder evenwel fundamentele principes inzake rechtszekerheid van het overheidspersoneel te negeren. Toch merken we dat ook Vlaanderen meer en meer opschuift in de richting van het Angelsaksisch model met nadruk op een ‘competitive tendering en contracting’ van overheidsdiensten.

Het is hierbij uiteraard niet de bedoeling dat Vlaanderen een holle staat zou worden. Een aantal fundamentele vragen moeten we dan ook steeds voor ogen blijven houden. Deze vragen vormen ook de achtergrond voor de gevalstudie van de uitbesteding van het Kijk- en Luistergeld


3. DE OUTSOURCING VAN HET KIJK- LUISTERGELD

1. Het kijk- en luistergeld als financiële vergoeding voor een openbare dienst nl. radio en televisie

Het kijk- en luistergeld is bij iedereen bekend. Voor velen was het kijk- en luistergeld de tweede kennismaking met de fiscaliteit, na de ondertussen reeds verdwenen, fietsplaat. Toen de eerste spaarcenten aan een stereoketen werden besteed, diende tot voor de wet van 13 juli 1987, in de winkel een formulier voor het luistergeld ingevuld te worden.
Gelukkig kon vader of moeder dan wel als koper opgegeven worden zodat aan het luistergeld kon ontsnapt worden. Het Kijk- en Luistergeld is vergroeid met de medium radio en televisie. Beide zijn even oud. Radio en televisie maken was een taak die exclusief aan de overheid was voorbehouden. De financiering hiervan gebeurde door een specifieke belasting. Zo dateert de eerste wet van 20 juni 1930. In 1958, nauwelijks vijf jaar na de start van de openbare televisie, werd het luistergeld uitgebreid met het kijkgeld. Toen ook kleurentelevisie mogelijk werd begin jaren 70, werd een verhoogd bedrag voor een kleurentelevisie ingevoerd.

Het Kijk- en Luistergeld is geen louter Belgisch fenomeen. Het bestaat in de meeste Europese landen. In al deze landen was het de overheid die het initiatief nam om radio en televisie te maken. Radio en Televisie waren op het Europese Continent collectieve goederen waarvoor de Overheid moest zorgen.

In de volgende slide (SLIDE) kunt u vaststellen dat op Ijsland (heel kleine bevolking) en Oostenrijk na, België het hoogste kijk- en luistergeld heft van gans Europa.

In de Verenigde Staten waar radio en televisie steeds een privé-initiatief zijn geweest, bestaat geen Kijk- en Luistergeld. Ondertussen hebben ook in Europa radio en televisie hun statuut van collectief goed verloren. Het aantal commerciële zenders dat we ontmoeten bij het zappen, ligt hoger dan het aantal publieke omroepen. Het Kijk- en Luistergeld is dan ook verworden tot een gewone belasting. Er is geen rechtstreeks individueel aanwijsbare tegenprestatie van de overheid meer die evenredig is aan de betaalde som.

2. De eigen inning van het Kijk- en Luistergeld door de Vlaamse Gemeenschap

De inning van het Kijk- en Luistergeld werd in België toevertrouwd aan de Regie voor Telefoon en Telegrafie. Deze feitelijke toestand werd pas geregulariseerd bij Ministerieel Besluit van 31 december 1975.
De R.T.T. werd omgevormd tot “Belgacom” door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. De Vlaamse Gemeenschap was niet echt ontevreden van de prestaties van Belgacom; maar echt tevreden was zij toch ook niet. De inningskosten vertoonden de neiging om continu boven de inflatie uit te stijgen. De geleverde informatie was schaars. Er bleven twijfels over de doeltreffendheid van de inning. De klantentevredenheid - belastingbetalers zijn immers ook klanten - was niet optimaal. Allemaal klachten die zo vaak geassocieerd worden met een overheidsorgaan.

Toen Belgacom, onder druk van de buitenlandse investeerders de beslissing nam om niet langer het kijk- en luistergeld te innen voor de Gemeenschappen, had men allicht gedacht dat de Gemeenschappen het bestaande personeel, de bestaande organisatie en de bestaande procedures zonder meer zouden overnemen - en zoals zo vaak bij de overheid gebeurt - zeer zachtjes aan wat zou moderniseren. Maar de Vlaamse overheid oordeelde er anders over. De Vlaamse regering nam, eind juli 1996, amper 11 maand geleden, de beslissing om de inning van het Kijk & Luistergeld uit te besteden. Deze beslissing werd genomen vanuit het oogpunt van efficiëntie. Niet minder, maar ook niet meer. Belastingen innen is eigenlijk geen kerntaak voor de Vlaamse overheid. De kerntaak van de overheid bestaat erin de samenleving te begeleiden op de weg naar een stabiele sociaal-economische groei. Daarvoor is geld nodig, dat is juist. Maar dat geld - de belastingen - is slechts een hulpmiddel om deze overheidsfunctie waar te maken. Dus is de eerste plicht van de overheid niet een belastingsadministratie uit te bouwen, maar om de belastinginning zo efficiënt mogelijk te organiseren.

Deels tegen de zin in van haar eigen administratie, besliste de Vlaamse overheid om het kijk- en luistergeld niet door de eigen administratie te laten innen, maar op zoek te gaan naar een privé-partner. De directe reden voor deze “outsourcing” was driedubbel. Binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap was weinig know how aanwezig m.b.t. de inning van belastingen. Deze inning erbij nemen veronderstelde de uitbouw van een nieuwe structuur, die - zoals zo vaak gebeurt - dan meteen zijn eigen doelstellingen zou beginnen te volgen. Maar dat was niet de bedoeling van de Vlaamse Regering. Die was primair op zoek naar efficiëntie, doeltreffendheid en klantvriendelijkheid... elementen die weliswaar ook binnen een Ministerie kunnen uitgebouwd worden, maar er vaak langzamer tot stand komen.

Ten tweede was de informatica-omgeving van de Dienst Kijk- en Luistergeld zwaar verouderd. Er diende in elk geval een nieuwe toepassing voor de inning en invordering uitgewerkt te worden. Ook dit is een activiteit die aan een derde moet uitbesteed worden.

Ten derde wijken de personeelsstatuten van de Dienst Kijk- en Luistergeld en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zo sterk van elkaar af dat het quasi-onmogelijk was om de bestaande personeelsleden van de Dienst Kijk- en Luistergeld via de weg van geleidelijkheid te integreren binnen de bestaande structuur van de Vlaamse overheid.

Dit alles leidde tot de beslissing om de inning toe te vertrouwen aan een bedrijf, dat in staat was grote belastings-applicaties te schrijven op korte termijn, de noodzakelijke bedrijfsorganisatorische bekwaamheden in-huis had en kansen bood aan het bestaande personeel zich in een nieuwe bedrijfsomgeving en bedrijfscultuur te kunnen ontplooien.

Dit was geen makkelijke beslissing. Voor de inning van belastingen is outsourcing juridisch immers niet zo evident. Door de jaren heen is er een wetgeving en jurisprudentie gegroeid, waardoor een belasting, die terecht een prerogatief is van de wetgevende macht, quasi automatisch met een overheidstaak wordt geassocieerd. En zelfs al zou bedrijfslogica stellen dat het aangewezen is om taken over te dragen aan een contractant, de wetgeving primeert hoe dan ook.

Het recht holt wel voortdurend achter de feiten aan, maar men kan er niet omheen. De taken die de wetgevende macht uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht delegeert, komen dus niet voor outsourcing in aanmerking. Daarom zullen de aanslag, de controle, de inning zelf en de dwanginvordering dan ook niet aan een derde kunnen worden toevertrouwd. Maar wat wel kan, is deze taken limitatief te bekijken en de ondersteunende en administratieve taken, die wel door een derde kunnen waargenomen worden, binnen de wettelijke grenzen, maximaal te omschrijven. Dat is wat de Vlaamse Regering heeft gedaan : de ondersteunende taken werden zo ruim mogelijk omschreven in het bestek.

Voor deze taken diende de inschrijver bereid te zijn een resultaatsverbintenis of prestatieovereenkomst te onderschrijven. Want al is de toegevoegde waarde van de contractant relatief beperkt, ca. 500 mln F. /per jaar, de schade, die de Vlaamse Gemeenschap kan oplopen indien de contractant zijn verplichtingen niet of relatief slecht nakomt, zijn veel groter en lopen op tot 15 mld F. per jaar, dertig maal groter dan de contractwaarde. De klassieke boete, die erin bestaat een deel van de vergoeding in te houden, had dan ook geen zin. Dus moesten er strikte prestatieverbintenissen worden opgelegd, met draconische strafbepalingen als deze prestaties niet behaald worden.

Het vervolg kent iedereen. Op basis van de resultaten van harde concurrentie en al even harde onderhandelingen besliste de Vlaamse regering op 28 januari 1997, exact vijf maand na haar princiepsbeslissing om de inning te outsourcen, het contract voor een periode van 5 jaar toe te wijzen aan Cipal.

Gedurende een eerste periode van twee jaar zal de Vlaamse Gemeenschap het bestaande personeel van de Dienst Kijk- en Luistergeld “huren” van de Belgische Staat en deze personeelsleden aan Cipal ter beschikking stellen. Vanaf het derde tot en met het vijfde jaar draagt Cipal de volledige verantwoordelijkheid en moet ze zelf instaan voor de aanwerving en betaling van het personeel.

Het is uiteraard nog te vroeg om het echte resultaat van deze operatie te kunnen beoordelen. Toch spreken enkele cijfers nu reeds voor zich. Aan Belgacom diende de Vlaamse Gemeenschap in 1995 ongeveer 435,6 miljoen BEF (excl. BTW) te betalen voor de inning. Het jaar 1999 is eerste jaar dat de volledige lasten door Cipal dienen gedragen te worden. Daarbij werd met Cipal een vast bedrag overeengekomen van 346,9 miljoen BEF of zo’n 90 miljoen minder. Bovendien stegen de bedragen van Belgacom jaarlijks met om en bij de 4%. In het contract met Cipal wordt enkel de personeelskost jaarlijks geïndexeerd volgens het regime dat van toepassing is voor de personeelsleden die in openbare dienst werken. De volgende slide geeft de vergelijking tussen Cipal en Belgacom aan :



Daarenboven investeert de Vlaamse Gemeenschap in een eigentijdse IT-toepassing voor de inning van belastingen. De toepassing kan - in een latere fase - ook voor andere belastingen worden gebruikt.

U zult ongetwijfeld ook reeds gemerkt hebben dat ook de strijd tegen het zwartkijken één van de elementen is van het outsourcingscontract. Cipal kreeg op de opdracht mee om anti-fraude technieken te ontwikkelen en een mediacampagne te organiseren. In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen. Ik geef hier als voorbeeld Vlaams-Brabant (SLIDE).


De voertuigen van de controleteams werden uitgerust met een on-line verbinding met de centrale computer in Aalst. Er kan dus onmiddellijk worden vastgesteld wie betaalt en wie niet betaalt. De combinatie van de kaarten en de moderne communicatie-apparatuur maakt een doelgerichte controle mogelijk. De gemeenten met de hoogste fraudepercentages zullen eerst gecontroleerd worden. Binnen deze gemeenten kan verder gedifferentieerd worden naar de straten met de meeste ontduiking. Deze controles zijn momenteel aan de gang en zullen in de komende maanden worden opgevoerd.

Zoals u ongetwijfeld weet, loopt momenteel loopt ook een mediacampagne. In een eerste fase werd een mediamix samengesteld uit een televisiespot op de BRTN, advertenties in de dag- en weekbladen, folders en affichettes. Deze middelen zijn er in de eerste plaats op gericht de belastingplichtige te informeren en degenen die nog niet betalen aan te zetten om te betalen. Aanmelden kan via een centraal telefoonnummer. Moesten er onder u zijn die tot hiertoe “vergeten” zijn te betalen, die kunnen bellen naar het nummer : 0900-10203.



Ik wil nog wel eens benadrukken dat er geen sprake is van een formele amnestie. Wie tijdens een controle tegen de lamp loopt, betaalt de normale boete. Ook de volgende jaren zal verder gewerkt worden aan de verfijning van de controlemethoden. Er wordt naar gestreefd om de doelgerichtheid van de controle zo groot mogelijk te maken.

4) HISTORISCHE VERGISSING OF WERELDPRIMEUR ?

Ik denk dat ik mag stellen dat de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld een succes mag genoemd worden. We zijn er in geslaagd om op zeer korte tijd nl. nu ongeveer een jaar, de dienst te outsourcen, de continuïteit werd verzekerd nl. op 1 oktober lag voor sommigen het aanslagbiljet in de bus, hetwelke nu verstuurd was door Cipal en niet meer door Belgacom; de strijd tegen de ontduiking werd beloftevol ingezet.

Met het oog op de uitvoering van de motie van het Vlaamse Parlement m.b.t. de fiscale autonomie en dan in bijzonderheid m.b.t. de inning van de eigen gewestbelastingen, wens ik binnen de Vlaamse regering concreet overleg te plegen over de mogelijkheden tot een verderschrijdende uitbesteding van de inning van Vlaamse belastingen. Zeker wanneer in een volgende staatshervorming opnieuw belangrijke delen overgeheveld worden naar de Gewesten en Gemeenschappen en mogelijk zelfs volledig nieuwe belastingscategoriën, moeten wij durven denken, hoe wij de belastinginning optimaal kunnen organiseren. Een doorgedreven informatisering, wellicht in een autonome entiteit, die aan de concurrentie moet onderworpen zijn, is wellicht een sleutelfactor in het welslagen van deze operatie. Of het helemaal op dezelfde manier moet georganiseerd worden, valt nog te bekijken. Elke belasting heeft zijn of haar kenmerken. Klakkeloos kopiëren, is steeds gevaarlijk. Zo zal er, wat bij het Kijk- en Luistergeld niet mogelijk was, moeten gestart worden met de vereenvoudiging van de belasting zelf. Het aantal vrijstellingen, verminderingen en uitzonderingen moet worden teruggedrongen of verleend worden op basis van objectieve criteria. Ik denk aan leeftijd, aantal kinderen, ... Vanuit deze vereenvoudigde belastingsstructuur moet dan gezocht worden naar de meest optimale oplossing. Hierbij moet rekening gehouden worden met alle elementen. Bij het Kijk- en Luistergeld wezen deze in de richting van outsourcing. Maar geen enkele techniek is zaligmakend op zich, ook outsourcing niet.

De Vlaamse overheid heeft opnieuw aangeknoopt bij een praktijk van voor de Franse revolutie nl. de outsourcing van belangstingsontvangsten. Deze praktijk gaat terug op de oudheid, denken we maar aan het Bijbelse verhaal van de tollenaar. Een historische vergissing was deze terugkeer naar de geschiedenis zeker niet. De outsourcing van het Kijk- en Luistergeld was een succes. De resultaten van de eerste eigen inning van de belastingen zijn positief. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse regering hebben beslist om op deze weg verder te gaan. Outsourcing zal hierbij een middel zijn, maar is geen doel op zich.

Ik dank u.
LT
presentatie kijk- en luistergeld en kabel
Edited: 199710160914
*FAXBERICHT • FAX MESSAGE

To: INTEGAN, ter attentie van Ir Staf Waelbers, Hoofdingenieur-Directeur, Boombekelaan 14, 2660 - Antwerpen (Hoboken)
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director MERS
Date: 19971016
Ref: presentatie kijk- en luistergeld en kabel
Pages (this one included): 1
Tel: 03-8.200.200
Fax: 03-8.200.444


Geachte Heer Waelbers,
Beste Jos,



Zoals gezegd ben ik graag bereid om voor Interkabel of voor het VKK een presentatie te geven van onze aanpak van ontduiking van kijk- en luistergeld in het Vlaamse gewest. Zoals u weet dienen wij in dezer CIPAL van advies.
De presentatie bestaat uit een aantal vaststellingen die grafisch in infogram¬men en kleurkaarten zijn uitgewerkt. Zij zou niet meer dan 20 minuten in beslag nemen. Daarna zou er dan mogelijkheid tot het stellen van vragen zijn.

Tijdens die bijeenkomst zou ik ook graag met de kabeldistributeurs van gedachten wisselen over de definitieproblemen rond kabel:
households > TV-households > homes passed > homes connected > sub¬scribers basic cable > subcribers plus package > cable telephony subscri¬bers (combined or dedicated). Plus de notie van 'cable penetration' (hoe meten we dat nu juist?).
Het spreekt vanzelf dat deze problematiek in de toekomst nog meer aan de orde zal zijn al was het maar vanuit matchings-oogpunt.
Ook in functie van Telenet zal men tot klare definities en berekeningswijzen moeten komen.

U zult mij wel willen berichten omtrent de eventuele interesse die er naar voren is gekomen bij uw collegae.


Met vriendelijke groet,



Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
LT
PC's in basisscholen
Edited: 199707160914
*FAXBERICHT • FAX MESSAGE

To: Kabinet van de Vlaamse Minister van Onderwijs, ter attentie van dhr Marc Wouters, Secundair Onderwijs & Informatica-projecten, Mar¬telaarsplein 7, 1000 - Brussel
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director MERS
Date: 19970716
Ref: PC's in basisscholen
Pages (this one included): 1+2+3
Tel: 02-227.21.26 (RL)
Fax: 02-227.27.05



Geachte Heer Wouters,


Aansluitend bij ons telefoongesprek doe ik u hierbij de 10 "bouw¬stenen" geworden die wij aan de evaluatie van de Minister-President voorleg¬den in ons schrijven van 19970715.

Het voornemen van de Vlaamse regering om een substantiële investering te realiseren in het basisonderwijs juich ik toe. Dit ligt in het verlengde van hetgeen het "Studiesyndicaat Nieuwe Diensten via Kabel" (GIMV/¬Vlaamse Gemeenschap) in 1994 voorstelde (het MERS schreef de draft-opdracht voor dit studiesyndicaat en maakte deel uit van de werkgroep) en wat leidde tot Telenet. Het komt er immers op aan de jongeren van de vaardigheden en de middelen te voorzien om een maximaal nut uit de informatiesnelwegen te putten. In een economie die tendeert naar "gewichtloosheid" (des¬industrialisering) is dit voor het vrijwaren van de werkgelegenheid van cruciaal belang.

Tevens zend ik u een nota die de activiteiten van het MERS belicht.

Het MERS wil via de voorgestelde "task force" (punt 1) of op een andere manier een bijdrage leveren aan dit toekomst¬gerichte project.

Met hoogachting,




Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director

(uittreksel uit ons schrijven van 19970715 aan de Minister-President)

Ziehier 10 BOUWSTENEN die wij voor een efficiënte aanpak zien:

1

Installatie van een task force (max. 8 mensen) ter begeleiding van het gehele project. Voorzien van secretariaats-ondersteuning en een budget voor deze task force. Overleg met uw collega L. Van den Bossche.

2

Contacten met leveranciers van hardware teneinde maximale sponsoring te voorzien voor nieuwe pc's; gebruik maken van gerecycleerde pc's en betere organisatie van het recyclage-proces; vastlegging van de mini¬mum-basiscon-figuratie van de te gebruiken pc's (CPU 80386DX).

3

Keuze van de software: o.i. heeft Microsoft een zodanige voorsprong ge¬nomen dat men moet kiezen voor de programma's 'Word' voor het nieuwe lezen/schrijven en 'Excel' voor het nieuwe rekenen, alles in Windows-om¬geving; Vlaanderen zou een mega-licentie voor het basison¬derwijs moeten bedingen.

4

Onmiddellijke start van een korte (minder dan 20 uur) en practisch gerichte lerarenop¬leiding voor pc: het zou o.i. een vergissing zijn te denken in de richting van een specifieke pc-leraar; de 'pc-vaardigheid' wordt best geïnte¬greerd in de lessen Nederlands en rekenen omdat dan de link kan gelegd worden met de klas¬sieke lees-, schrijf- en reken¬methodes.

5

Onmiddelijke start van een middelgroot project in een 200-tal basis¬scholen (zo'n 5.000 pc's), provinciaal gespreid; vastlegging van een gefaseerd plan voor een totaal-dekking van het basisonder¬wijs tegen 2002.


6

Avondgebruik van de pc-klassen voor bijscholing, al dan niet betalend (criteria uitwerken).

7

Gefaseerde inkoppeling van 'Telenet' in de scholen en toelevering van Internet over Telenet; afsluiten van een mega-contract.


8

Installatie of renovatie van de interne kablering in scholen waardoor het project gebruik kan maken van servers; inzet van de know how van de kabelmaatschappijen (bijna alle intercommunales); afsluiten van een mega-contract voor toelevering van kabels (coax/fiber).


9

Jaarlijkse grondige evaluatie en bijsturing van het project tijdens een open studiedag mét publicatie van de resultaten en verspreiding via de media.


10

Instellen van een prijs voor de school met de beste pc-basisopleiding (ince¬n-tive op het project).
TESSENS Lucas
Nota aan de Minister-President
Edited: 199707150915
De heer Luc Van den Brande
Minister-President
Martelaarsplein 19
1000 - BRUSSEL


Antwerpen, 15 juli 1997


Betreft: "Het ogenblik is aangebroken om 'Vlaanderen-Europa 2002' te herijken. Daarbij moeten we nieuwe inhoudelijke klem¬tonen leggen. Het volstaat niet langer dat onze kinderen goed kunnen rekenen en schrijven. Zij zullen ook meertalig moeten zijn, maar ze zullen ook moeten kunnen rijden op de informatiesnelweg. We zullen een belangrijke extra inspan¬ning doen om in een meer¬jarenprogramma er voor te zorgen dat alle leerlingen van het zesde leerjaar evengoed kunnen omgaan met een pc als met een boek." (uit uw officiële 11 juli-redevoering)




Geachte Heer Minister-President,




Bovenstaande passage uit uw 11 juli-redevoering heeft onze speciale aan¬dacht getrokken. Proficiat! Zeer terecht plaatst u lezen, rekenen en pc-vaardigheid op één lijn. Een nieuwe vorm van analfabetisme ("digi¬betisme") steekt de kop op. Enkel een practische opleiding die gebruik maakt van training en routine zal kunnen verhinderen dat deze kwaal onze jongeren aantast.

In 1994 hebben wij uw kabinet en daarna de GIMV geadviseerd aan¬gaande de te nemen stappen inzake de kabel (interconnectie van de verzor¬gingsgebieden en creëren van de terugweg). Dit leidde tot Telenet.
Toen hebben wij binnen het "Studiesyndicaat Nieuwe Diensten over de Kabel", waarvan wij in januari 1994 overigens de draft-opdracht schre¬ven, een lans gebroken voor een maatschappelijke en culturele benade¬ring van de infor-matiesnelwegen.


Aansluitend bij Telenet werd 'Medialab' opgestart. Ook hierover dienden wij het Kabinet van advies. Wij kunnen ons echter niet van de indruk ontdoen dat 'Media¬lab' al te theoretische blijft, cirkelend binnen de universitaire milieus.
Het is van essentieel belang:
• de risico's van een gebrek aan pc-vaardigheid onder ogen te zien;
• pragmatische oplossingen aan te reiken;
• de oplossingen te coördineren.
Die oplossingen liggen zeer zeker in de onderwijssfeer.

Niemand twijfelt aan de noodzaak om onze kinderen te leren lezen, schrijven en rekenen. Maar zij die er nog aan twijfelen dat ook het kunnen werken met een pc een basisvaardigheid is, worden best wan¬delen gestuurd.

In deze materie moet men snel en doortastend tewerk gaan. Zo moeten we de kinderen niet gaan vervelen door uit te leggen welke de com¬ponenten van een pc zijn of hoe een pc werkt. Je leert ook geen wagen besturen via weten¬schap over de ontploffingsmotor of de functie van een versnellingsbak.

Ziehier 10 BOUWSTENEN die wij voor een efficiënte aanpak zien:

1

Installatie van een task force (max. 8 mensen) ter begeleiding van het gehele project. Voorzien van secretariaats-ondersteuning en een budget voor deze task force. Overleg met uw collega L. Van den Bossche.

2

Contacten met leveranciers van hardware teneinde maximale sponsoring te voorzien voor nieuwe pc's; gebruik maken van gerecycleerde pc's en betere organisatie van het recyclage-proces; vastlegging van de mini¬mum-basiscon-figuratie van de te gebruiken pc's (CPU 80386DX).

3

Keuze van de software: o.i. heeft Microsoft een zodanige voorsprong ge¬nomen dat men moet kiezen voor de programma's 'Word' voor het nieuwe lezen/schrijven en 'Excel' voor het nieuwe rekenen, alles in Windows-om¬geving; Vlaanderen zou een mega-licentie voor het basison¬derwijs moeten bedingen.

4

Onmiddellijke start van een korte (minder dan 20 uur) en practisch gerichte lerarenop¬leiding voor pc: het zou o.i. een vergissing zijn te denken in de richting van een specifieke pc-leraar; de 'pc-vaardigheid' wordt best geïnte¬greerd in de lessen Nederlands en rekenen omdat dan de link kan gelegd worden met de klas¬sieke lees-, schrijf- en reken¬methodes.

5

Onmiddelijke start van een middelgroot project in een 200-tal basis¬scholen (zo'n 5.000 pc's), provinciaal gespreid; vastlegging van een gefaseerd plan voor een totaal-dekking van het basisonder¬wijs tegen 2002.


6

Avondgebruik van de pc-klassen voor bijscholing, al dan niet betalend (criteria uitwerken).

7

Gefaseerde inkoppeling van 'Telenet' in de scholen en toelevering van Internet over Telenet; afsluiten van een mega-contract.


8

Installatie of renovatie van de interne kablering in scholen waardoor het project gebruik kan maken van servers; inzet van de know how van de kabelmaatschappijen (bijna alle intercommunales); afsluiten van een mega-contract voor toelevering van kabels (coax/fiber).


9

Jaarlijkse grondige evaluatie en bijsturing van het project tijdens een open studiedag mét publicatie van de resultaten en verspreiding via de media.


10

Instellen van een prijs voor de school met de beste pc-basisopleiding (incen-tive op het project).




Geachte Heer Minister-President, begin 1994 schreven wij zoals gezegd de draft-opdracht voor het "Studiesyndicaat". Vandaag bieden wij onze diensten aan onder de vorm van een nieuw project ("PC? Kinderspel").

Eerstdaags zal ik met Mevrouw Yvette Delameilleure contact opnemen teneinde met u een gesprek te kunnen vastleggen.


Met bijzondere Hoogachting,






Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
LT
Ontwerp brief aan kabelmaatschappijen
Edited: 199707040916
*FAXBERICHT - FAX MESSAGE

To: CIPAL, t.a.v. dhr Jos Franken, Adjunct van de Directeur-Generaal/¬Team Leader KLG, Cipalstraat 1, 2440 GEEL.
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director
Date: 19970704
Ref: Ontwerp brief aan kabelmaatschappijen
Pages (this one included): 1+1
Tel: 014-57.65.52
GSM: 075-23.79.20
Fax: 014-58.35.00


Geachte Heer Franken,


Hierbij ontwerp van schrijven aan de 21 kabelmaatschappijen betref¬fende het doorsturen van abonnee-bestanden.

Om het karakter van de brief uniform te houden hebben wij geopteerd voor de aanspreking "Geachte Heer Voorzitter".


Met vriendelijke groet,





Lucas TESSENS





Ontwerp van schrijven van de Vlaamse Gemeenschap aan de kabel-maatschappijen die actief zijn op het grondgebied van het Vlaamse gewest.
(briefpapier Vlaamse Gemeenschap)

CODITEL, GASELWEST, HAVI-TV, IMEA, INTEGAN, INTERELECTRA, INTER-GEM, INTERMOSANE, INTERTEVE, IVEKA, IVERLEK I, IVERLEK II, PBE, RADIO PUBLIC, REGIE LANDEN, TELEKEMPO, TEVELO, TEVE¬OOST, TEVE-WEST, VEM, WVEM (21 MAATSCHAPPIJEN)




Geachte Heer Voorzitter,


Het is u bekend dat de inning van het Kijk- en Luistergeld door de Vlaamse Gemeenschap sinds 1 april van dit jaar in outsourcing werd gegeven aan de intercommunale CIPAL.

Dientengevolge verzoeken wij u vriendelijk om vanaf 1 augustus 1997 de maand- en jaarbanden (met de gegevens van respectievelijk uw nieuwe abonnees en al uw abonnees) niet meer door te zenden aan de diensten van Belgacom maar aan:

CIPAL
Cipalstraat 1
2440 - GEEL

Telefonische vragen hieromtrent worden beantwoord door dhr François Vandeurzen, Informaticus bij CIPAL (014-56.36.29).


In de overtuiging dat dank zij uw medewerking alles vlot zal verlopen groeten wij


met Hoogachting,




Robert Collin
Wnd. Directeur-generaal
MVG - Departement AZF - ABAFIM
TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
Beknopte historiek van de Standaardgroep (1914-1994) en Het Volk (1891-1994)
Edited: 199411100901


DE STANDAARD

Op 2.5.1914 wordt de NV De Standaard opgericht. Wegens WO I kan het eerste nummer van De Standaard slechts op 4.12.1918 verschijnen. Op 28.7.1919 koopt De Standaard een gebouw aan de E. Jacqmainlaan te Brussel. Vanaf 11.7.1921 laat de uitgeverij te Antwerpen het dagblad 'De Morgenpost' (1921-1940) verschijnen. In 1924 koopt de NV De Standaard de SA Imprimerie Nationale, omgedoopt tot NV Periodica. In 1927 verwerft Gustaaf Sap de meerderheid van de aandelen van de NV De Standaard n.a.v. een kapitaalsverhoging. In 1929 start men met de polulaire editie 'Het Nieuwsblad'. In datzelfde jaar wordt Sap volledig meester van NV De Standaard. In 1937 slorpt Het Nieuwsblad 'Sportwereld' op. In 1940 overlijdt Gustaaf Sap en tijdens WO II verschijnen de kranten van de groep niet. Na het lichten van het sekwester op Periodica kan 'De Nieuwe Standaard' opnieuw verschijnen op 10.11.1944 maar ditmaal onder verantwoordelijkheid van een groep mensen rond Tony Herbert . In 1947 slagen de erven Sap erin de controle terug te krijgen en op 1 mei 1947 verschijnt 'De Standaard' opnieuw. De schoonzoon van Gustaaf Sap, Albert De Smaele, neemt de leiding op zich. In 1957 slorpt 'De Standaard' 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad' op. In mei 1957 verwerft de Standaardgroep 'Het Handelsblad' (8.12.1844-1979) uit Antwerpen. In 1962 koopt de groep de dagbladen 'De Gentenaar' (1879-heden) en 'De Landwacht' (1890-1979) op en schakelt de inhoud van 'Het Handelsblad' gelijk met die van 'Het Nieuwsblad'. In 1966 laat men twee titels vallen : 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad', subtitels geworden van 'Het Nieuwsblad'. In 1969 richten NV De Standaard en NV De Vlijt op paritaire basis de NV Perexma op die het tv-blad 'TV-Ekspres' zal gaan uitgeven. Tegelijk verwerft De Standaard de exploitatierechten op het weekblad ZIE van De Vlijt. Vanaf 1970 gaat de groep zich echt interesseren voor haar inmiddels uitgebouwde aktiviteiten in Frankrijk. In 1972 neemt de NV Periodica twee drukkerijen over van de groep Lambert. In 1974 en daarna gooit de Standaardgroep zich op de touroperator-sektor. In 1975 richten De Vlijt, Concentra en De Standaard samen de Groep I Dagbladen NV op; de samenwerking tussen deze drie voor de gezamelijke acquisitie van nationale themareklame bestond al van in 1968. In 1975 komt de dépistage-dienst van de Rechtbank van Koophandel te Brussel zware financiële moeilijkheden van de Standaardgroep op het spoor. De ministerraad van de regering Tindemans bespreekt de moeilijkheden van drukkerij Periodica en de Standaardgroep op volgende vergaderingen: 5, 12 en 15 december 1975, 27 februari, 5 maart en 14 juni 1976. PDG De Smaele slaat de raad van zijn invloedrijke en uitstekend geïnformeerde hoofdredacteur, dhr Manu Ruys, om de gezonde kranten uit het concern te lichten voor het te laat is, in de wind. Op 19 mei 1976 wordt de NV Periodica, grootste drukkerij van de groep, ambtshalve in faling verklaard. De rest van de groep wordt meegesleurd in dé mega-faling van de Belgische pers. Na mislukte concordataire plannen van de aandeelhouders, politieke interventies, nachtelijke beraadslagingen, komt dhr André Leysen met een reddingsplan. Hij slaagt erin een waterdicht schot te slaan tussen de gefailleerde vennootschappen en de toekomst van de dagbladen, waarvan hij - weliswaar na een justitiële procedure over de waardebepaling - de titels voor 52 miljoen van de curatoren kan kopen. De weekbladen-poot van de groep gaat grotendeels over in de handen van de zgn. groep Maertens-Van Thillo-Brébart. De sociale kost van het faillissement is enorm hoog : meer dan duizend werknemers staan op straat. Voor de dagbladen wordt de oplossing op 26.6.1976 gevonden en op 29 juni 1976 verschijnen ze onder verantwoordelijkheid van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij - afgekort VUM - een vennootschap met een kapitaal van 120 miljoen BEF. De aandeelhouders situeerden zich in de Antwerpse zakenwereld en de scheepvaart. De stroomopwaartse bindingen van de redders van de Standaardgroep stonden toen niet ter discussie. Reeds in 1977 is de VUM winstgevend en dat niettegenstaande de voortdurende weigering van VUM om de directe perssteun te aanvaarden. Op 15.2.1979 laat de VUM Het Handelsblad verdwijnen. In 1979 laat de VUM, als eerste een onderzoek doen dat gaat in de richting van redactionele marketing. Op 30.5.1979 wordt beslist om zowel de maatschappelijke zetel als de administratieve zetel van de VUM over te plaatsen van Antwerpen naar Groot-Bijgaarden. In 1980 trekt de VUM zich terug uit de publicitaire pool Groep I Dagbladen. In 1981 boekt de VUM een rekordwinst van 87 miljoen BEF. Vanaf 1982 begint VUM met een nieuw opmaaksysteem voor de kranten. In 1982 staat dhr Verdeyen, directeur-generaal, aan de wieg van Mediatel, een onderzoekscel van de BVDU, die moet speuren naar de nieuwe mogelijkheden van electronic publishing voor dagbladen. In oktober 1982 verklaart de VUM niet meer mee te willen zoeken met de andere uitgevers naar mogelijkheden voor commerciële tv in Vlaanderen. Op 26.5.1982 beslist de buitengewone algemene vergadering van de VUM bij eenparigheid van stemmen om het kapitaal terug te brengen van 200 miljoen tot 100 miljoen BEF. In juni 1984 sticht VUM samen met Het Belang van Limburg, de Financieel Ekonomische Tijd, Electrafina en Gevaert de vennootschap Onafhankelijke Televisie Vlaanderen. De rest van de Vlaamse pers sticht een CV Vlaamse Media Maatschappij, eveneens erop gericht om in Vlaanderen een commercieel station op te zetten. In 1984 brengt dhr André Leysen een boek uit waarin hij, sprekend over de winstcapaciteit van de VUM, stelt : "We stellen nu vast dat de belasting die we op onze winst betalen, ongeveer overeenkomt met de overheidssteun aan de Vlaamse pers. We voelen ons dan ook de weldoeners van de andere kranten." Die arrogantie zet veel kwaad bloed bij de collegae-uitgevers. Op 20.9.1984 start de VUM, via haar dochter Infotex, met een tabloïd volksdagblad '24 uur' dat echter reeds op 26.10.1984 haar uitgave moet staken; het dagblad werd zwaar geboycot door de dagbladverkopers die het niet namen dat het dagblad ook buiten hun circuit gedistribueerd werd. Op 4.11.1985 beslist OTV bij monde van DG Verdeyen om niet meer deel te nemen aan de zgn. Astoria-gesprekken (de gesprekken tussen de Vaste Commissie van de BRT en VMM en OTV met als thema de overdracht van het tweede BRT-net aan de uitgevers); OTV is van mening dat alleen een volledige privatisering van dat net een volwaardig alternatief is voor een commercieel net. Tussen OTV en VMM komt het uiteindelijk ook niet tot een akkoord om samen zo'n commercieel TV-station op te zetten; ook politieke druk brengt geen aarde aan de dijk. Op 11.7.1986 verpreidt het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven een strooibiljet met daarop de kop van De Standaard en de tekst "Alles voor Leysen, Leysen voor RTL. Leysen toont de weg. VUM - GBL - Frère - Generale - RTL", daarmee doelend op die stroomopwaartse binding. Op 17.10.1986 creëert de VUM winstbewijzen voor het personeel en wil het daarmee belonen voor hun bijdrage tot het resultaat van de onderneming. In 1987 schrijft dhr Leysen in een boek : "We hebben ook een tijdlang in commerciële tv geloofd, maar onze ambities op dat vlak zijn nu merkelijk afgekoeld". De VUM is er dan ook niet bij wanneer op 27.10.1987 VTM wordt opgericht. Concentra, met het Belang van Limburg, had zich tevoren losgemaakt van OTV en de overstap gedaan naar VMM en participeerde zodoende wél in het tv-station. In juli 1988 verlaat dhr Piet Antierens, commercieel direkteur van de VUM, de vennootschap om dezelfde funktie te gaan waarnemen bij de nog op te starten VTM. Op 15.3.1990 verkoopt VUM de belangrijkste produkten en aktiviteiten van de NV Sydes en de NV Infotex aan Delaware Computing NV; het personeel wordt door deze laatste overgenomen. In juni 1990 beslissen BRTN en VUM om samen een publiciteitsregie op te richten voor radioreklame, de VAR. In juli 1990 koopt de VUM het tweetalige blad voor kaderleden 'Intermediair/Intermédiaire' over van Diligentia Business Press. In december 1990 zegt VTM-Voorzitter J. Merckx over een toetreding van de VUM tot de VTM : "VTM est une maison close, mais pas un bordel". In 1991 weigert de VUM haar medewerking aan een sectoriële doorlichting van de pers door Ernst & Young, uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse economie-minister De Batselier. Op 14.11.1991, in een interview in Humo zegt dhr Leysen : "Ik heb me vergist inzake het commercile succes van VTM op korte termijn. Maar ik ben nog altijd blij met onze beslissing omdat De Standaard het boegbeeld zou geworden zijn van die VTM, en ik vreesde dat het cultureel niveau zo laag zou zijn, dat ik niet graag had dat de Standaard-lezer daarmee verbonden werd. En dat gevoel heb ik nog altijd : de programma's zijn niet bijzonder hoogstaand. En ik zou ook vandaag niet participeren." Op 17.3.1992 antwoordt dhr Leysen, in een vraaggesprek met de lezers van De Standaard, op de vraag of onze cultuur in een Europees verband niet in de verdrukking dreigt te komen : "De vervlakking van de Vlaamse cultuur vindt niet zozeer plaats door Engelse of Franse invloeden, als wel door de VTM." Op 20.5.1992 deelt de VUM via haar dagblad De Standaard mee dat, voor de eerste keer in haar geschiedenis, haar omzet gedaald was (-3,61 % in 1991 tegenover 1990). Volgens een mededeling van VUM (DS, 5.6.1993) bedroeg de nettowinst over 1992 148 miljoen tegen 110 miljoen over 1991; de omzet zou gestegen zijn tot 3,74 miljard; terwijl de verkochte oplage van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de populaire bladen van de VUM, daalde, steeg de verspreiding van De Standaard met 1,7 procent in 1992; VUM betaalde over het exploitatiejaar 1992 111 miljoen frank belastingen; het bedrijf investeerde in een derde moderne Wifag-pers. Op 29.1.1993 lanceert VUM Standaard-magazine, een gratis bijlage op vrijdag bij De Standaard. Standaard Magazine wordt gedrukt op de persen van Concentra (Belang van Limburg). Wellicht door deze gratis bijlage steeg de verkochte oplage van De Standaard over de eerste vier maanden van 1993 met 5.000 ex. tot 76.000 ex., aldus een mededeling van VUM. Voor de tweede helft 1993 kondigde de VUM een weekbladinitiatief maar op 3 juli 1993 wordt dit project afgeblazen omdat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn. Verder wordt er in 1993 een vierde Wifag-pers geïnstalleerd (in gebruik sinds juli 1993) en investeert men 250 miljoen in electronische pagina-opmaak. Op 1 oktober 1993 verhoogt De Standaard zijn losse verkoopprijs van 25 naar 28 frank terwijl Het Nieuwsblad en De Gentenaar van 25 naar 26 frank stijgen. De Standaard doet daarmee 3 zaken : het bevestigt zijn karakter van elitekrant, doorbreekt het sinds WO II bestaande prijskartel van de dagbladen en rekent op de inelasticiteit van de vraag naar kranten (zie ook de grafiek betreffende de evolutie van de dagbladprijs sinds 1947 in de bijlagen). De vennootschap raakt eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In februari 1994 komt De Standaardgroep met de Het Volk tot een akkoord om een gezamenlijke reklameregie - 'Scripta Plus' (later omgedoopt tot Scripta) - uit te bouwen tegen het najaar. De VUM neemt een aandeel van 50 % voor zijn rekening. Ook Concentra en Roularta Media Group (RMG) sluiten aan en het aandeel van ieder wordt op 25 % gebracht. Daarmee is, na de totstandkoming van 'Full Page', een tweede grote dagbladregie gecreëerd. Op 5 maart 1994 lanceert 'Het Nieuwsblad' een vaste weekendbijlage 'Zaterdag' (16 blz. tabloïd-formaat, life-style en culturele onderwerpen). Op 4 mei 1994 bevestigt Directeur-Generaal Verdeyen dat er gesprekken over samenwerking aan de gang zijn met SBS, de groep die een commercieel tv-net, naast VTM, wil opstarten in Vlaanderen (zie verder); toch draagt de mogelijkheid van reklame op de BRTN-tv de voorkeur van VUM weg; een participatie van VUM in VTM zou niet meer actueel zijn, aldus de DG. Eind mei 1994 treedt de Concentra-groep met Het Belang van Limburg toe tot de regie Scripta Plus. Tijdens de zomervakantie biedt de VUM Het Nieuwsblad aan de Belgische kust aan tegen een prijs van 15 BEF . Eind augustus 1994 treedt de VUM, in samenspraak met de Roularta-groep, op in de overnamegesprekken voor Het Volk. Ook De Persgroep en De Vlijt waren in de running. Op 4.11.1994 neemt de VUM de NV Drukkerij Het Volk over. In een aantal perscommentaren werd gesteld dat er politieke tussenkomsten waren gevraagd door VUM om Het Volk te kunnen inkopen. In een opiniestuk in De Standaard van 10 november 1994 reageert dhr Leysen, VUM-Voorzitter, hierop als volgt, en wij citeren : "Wij kregen de voorkeur omdat we een betere offerte deden, ook wat de tewerkstelling in Oost-Vlaanderen betreft. Dura veritas, sed veritas." In hetzelfde artikel herneemt dhr Leysen zijn stelling uit 1984 betreffende perssteun en belastingen : "Wij hebben als enige dagbladgroep nooit subsidies aanvaard en hebben meer belasting betaald dan alle andere dagbladgroepen samen, de Belgische weekbladgroepen waarschijnlijk incluis." Prosperitate rerum in vanitatem uti!
(...)
Vanaf 30 september 1999 verdwijnt het AVV-VVK-symbool van de front(sic!)pagina.

(...)
In 2005 lanceert VUM een pulpdagblad onder de titel 'Espresso'. Het blad wordt weldra van de markt gehaald.





HET VOLK
Het Volk is steeds het dagblad in de handen van de Christelijke Arbeidersbeweging geweest en werd gesticht in 1891. In 1928 neemt Het Volk het Brusselse 'De Tijd' over. Na WO II wordt Het Volk geherkapitaliseerd door Adolf Peeters, een Mechels handelaar die zich in 1950 terugtrekt; zijn inbreng wordt vervangen door een lening bij de BAC. Op 9.8.1950 wordt de rotatie geteisterd door brand maar kan blijven verschijnen door hulp van 'De Gentenaar'. Vanaf midden september 1950 wordt 'De Nieuwe Gids' (met het kopblad 'De Antwerpse Gids') gedrukt op de persen van Het Volk. In juni 1951 lanceert Het Volk in Kongo het weekblad "De Week", gedrukt op de persen van "Le Courrier d'Afrique"; De Week is het eerste en enige Vlaamse weekblad in Kongo. Op 1.3.1952 lanceert Het Volk het weekblad 'Zondagsblad'. Op 29.4.1962 lanceert Het Volk 'Spectator'. Op 15.11.1983 brengt de uitgeverij het populair-wetenschappelijk maandblad 'EOS' op de markt. Op 2.3.1985 wordt bij Het Volk een nieuwe coldset rotatie (Colorman) in gebruik genomen en wordt het tabloid-formaat verlaten voor het Belgisch formaat. In augustus 1985 verlaat dhr Van Tongerloo, directeur-generaal, het bedrijf om als directeur-generaal in dienst te treden bij De Vlijt. Hoe raar het ook mag klinken: de overstap van Van Tongerloo was bedisseld door Jan Merckx en werd aan de goedkeuring van o.a. Het Laatste Nieuws voorgelegd tijdens een diner in restaurant 'L'Oasis' te Brussel. In 1986 treedt dhr Antoon Van Melkebeek in dienst als directeur-generaal. Als op 28.10.1987 VTM wordt opgericht participeert NV Drukkerij Het Volk voor 11,11 % in het kapitaal. In februari 1989 komt de uitgeverij met 'TV-Gids' op de markt, een rechtstreekse concurrent voor 'TeVe-Blad' van Perexma. In 1990 voert Het Volk het Electronisch Redactioneel Systeem (ERS) in. In juni 1991 verlaat dhr Antoon Van Melkebeek de uitgeverij. Hij wordt tijdelijk vervangen door een driemanschap bestaande uit de verantwoordelijke van de technische directie (dhr De Geeter), van de redactie (dhr E. Van Den Bergh) en van de administratie (dhr Vandenbussche). Per 16.1.1992 komt dhr Elmar Korntheuer (°1942), voorheen management consultant, in dienst als directeur-generaal en werkt samen met de Direktieraad een strategisch plan uit voor 1992-1996. Dit plan wordt op 25.9.1992 unaniem goedgekeurd door de veelkoppige Raad van Bestuur. Het doel is de oplagedaling om te buigen en de bedrijfsexploitatie opnieuw rendabel te maken; men zal zich concentreren op uitgeven (Het Volk, De Nieuwe Gids, Zondagsblad, TV-Gids, EOS, Jommeke-strips) en drukken in rotatie-offset terwijl andere aktiviteiten die niet tot de core-business behoren zullen worden afgebouwd (8 boekhandels, boekendistributie/grossierderij en de distributie van tijdschriften voor derden). Op 1.7.1992 komt Mevr. M. Moonen (ex-VUM) in dienst als commercieel direkteur. Per 1.1.1993 neemt dhr Karel Anthierens, voordien hoofdredacteur van het weekblad 'Panorama/De Post', de hoofdredactie van Het Volk op zich. Vanaf 16.3.1993 worden de lay-out (Phill Nesbitt, USA) en de redactionele formule van Het Volk gewijzigd. Een en ander gaat gepaard met een dure promotiecampagne die zijn sporen nalaat in de exploitatierekening. In de opmaak is er een belangrijke evolutie : de pagina's komen full-page uit de computer. Voor de drukkerij worden ook in 1992/93 grote investeringen gedaan ter vervanging van de 32 p. heatset rotatiepers. In 1992 werden op het industrieterrein van Erpe-Mere gebouwen aangekocht en wordt er een nieuwe heatset rotatie geïnstalleerd die in november 1993 operationeel werd. Bijkomende investeringen : encartagesysteem voor publicitaire folders, aanpassing van de verzendingszaal en informatisering. Totaal investeringsbedrag 1992-1994 : 850 miljoen BEF geprogrammeerd, 900 miljoen BEF geïnvesteerd. Tegen eind 1993 moest een personeelsinkrimping van 600 naar 550 gerealiseerd zijn (115 afvloeiïngen, waarvan 2/3 door brugpensioen en 65 aanwervingen voor voornamelijk nieuwe funkties). Tijdens het tweede trimester van 1993 neemt Het Volk deel aan de herschikking van de VTM-aandelen in het kader van de oprichting van de Vlaamse Media Holding (VMH). Dit komt per saldo neer op een desinvestering in VTM (van 11,11 % naar onrechtstreeks 7,8 %) hetgeen de financiële struktuur van de uitgeverij ten goede komt (al is die nooit slecht geweest en bleef de solvabiliteit altijd op een meer dan behoorlijk peil) en haar zware investeringen helpt te financieren.

uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling' (1994)
Enkele aanvullingen betreffende de vergaderingen van de ministerraad (20180110)
SIEGEL Rainer-Joachim, [ZWEIG Stefan, 1881-1942]
Stefan ZWEIG: Chronologische Liste. Zählung nach Rainer-Joachim Siegel, in: Gero von Wilpert / Adolf Gühring, Erstausgaben deutscher Dichtung – Eine Bibliographie zur deutschen Literatur 1600–1990, 2. Auflg. S. 1710–1715, Stuttgart: Kröner 1992
Edited: 199209201115


1. Silberne Saiten. Gedichte. 88 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1901
2. Mitübersetzung, Vorwort Charles Baudelaire: Gedichte in Vers und Prosa. Übersetzung S. Z. u. Camill Hoffmann. 152 S. Leipzig: Seemann 1902
3. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gedichte. Eine Anthologie der besten Übertragungen. 122 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1902
4. (Einleitung) A. L. Camille Lemonnier: Die Liebe im Menschen. Aus d. Franz. v. P. Adler. VIII, 202 S. Leipzig-Reudnitz: Magazin-V. Hegner (= Kulturgeschichtliche Liebhaberbibliothek 10) 1903
5. (Einleitung) Ephraim Mose Lilien: Sein Werk. 347 S. mit Abb. 4° Berlin, Leipzig: Schuster & Loeffler 1903
6. Vorwort, Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 90 S., 1 Abb. Berlin: Schuster & Loeffler (350 num. Ex., dav. 25 sign.) 1904
7. Die Liebe der Erika Ewald. Novellen. VI, 179 S. mit Abb. Berlin: Fleischel 1904
8. Verlaine. 83 S., 8 Tafeln, 1 Faks. Berlin: Schuster & Loeffler (= Die Dichtung 30) [1905]
9. Die frühen Kränze. (Gedichte.) 84 S. Leipzig: Insel 1906
10. (Übersetzung) Archibald George Blomefield Russell: Die visionäre Kunstphilosophie des William Blake. 30 S., 1 Abb. Leipzig: Zeitler 1906
11. (Einleitung) Arthur Rimbaud. Leben und Dichtung. Übersetzung K. L. Ammer. 233 S., 1 Porträt. Leipzig: Insel 1907
12. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 138 S. mit Abb. v. J. Flaxman. Leipzig: Insel 1907
13. (Herausgeber, Einleitung) Balzac. Sein Weltbild aus den Werken. 249 S. Stuttgart: Lutz (= Aus der Gedankenwelt großer Geister 11) [1908]
14. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Helena’s Heimkehr. Dem unveröffentl. Manuskript nachgedichtet. 72 S. Leipzig: Insel (300 Ex.) (= 4. Druck der Ernst Ludwig Presse, Darmstadt) 1909
15. (Einleitung) Charles Dickens: Ausgewählte Romane und Novellen. 12 Bände mit Abb. v. Phiz u. a. Leipzig: Insel [1910]
16. Übersetzung Emile Verhaeren: Drei Dramen. 192 S. Leipzig: Insel 1910
17. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 142 S. Leipzig: Insel 1910 (Erw. Aufl. v. Nr. 6)
18. (Vorwort) Camille Lemonnier: Warum ich Männerkleider trug. Erlebnisse einer Frau. Übersetzung P. Cornelius. VIII, 391 S. Berlin-Charlottenburg: Juncker (= Ausgewählte Werke, Band 1) [1910]
19. Emile Verhaeren. 218 S. Leipzig: Insel 1910
20. Erstes Erlebnis. Vier Geschichten aus Kinderland. VII, 229 S. Leipzig: Insel 1911
21. Übersetzung, Vorwort Emile Verhaeren: Hymnen an das Leben. 60 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 5) [1911]
22. (Einleitung) Lafcadio Hearn: Das Japanbuch. Eine Auswahl aus Lafcadio Hearns Werken. VIII, 310 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1911
23. Das Haus am Meer. Ein Schauspiel in zwei Teilen (drei Aufzügen). 170 S. Leipzig: Insel 1912
24. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rembrandt. 112 S., 80 Tafeln Leipzig: Insel 1912
25. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 174 S. Leipzig: Insel 1913 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 17)
26. Der verwandelte Komödiant. Ein Spiel aus dem deutschen Rokoko. 64 S. Leipzig: Insel 1913
27. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rubens. 84 S., 95 Tafeln Leipzig: Insel 1913
28. (Einleitung) Paul Mayer: Wunden und Wunder. Gedichte. 20 Blätter Heidelberg: Saturn-V. (= Lyrische Bibliothek 1) 1913
29. Brennendes Geheimnis. Erzählung. 79 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 122) 1914 (Ausz. a. Nr. 20)
30. (Nachwort) Alexandre Mercereau: Worte vor dem Leben. Übersetzung P. Friedrich. 154 S. Leipzig: Insel 1914
31. (Herausgeber, Nachwort) Nikolaus Lenau an Sophie Löwenthal. 83 S. Leipzig: Insel (= Österreichische Bibliothek 16) [1916]
32. Erinnerungen an Emile Verhaeren. 91 S. [Wien] (Priv.-Dr.; 100 Ex.) 1917
33. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 216 S. Leipzig: Insel 1917
34. Das Herz Europas. Ein Besuch im Genfer Roten Kreuz. 16 S. 4° Zürich: Rascher 1918
35. (Übersetzung) Romain Rolland: Den hingeschlachteten Völkern! 15 S. 4° Zürich: Rascher 1918
36. (Herausgeber, Bearbeitung, Einleitung) J. J. Rousseau: Emil oder Über die Erziehung. 290 S. 4° Potsdam: Kiepenheuer (500 num. Ex.) 1919
37. Fahrten. Landschaften und Städte. 124 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
38. Legende eines Lebens. Ein Kammerspiel in drei Aufzügen. 152 S. Leipzig: Insel 1919
39. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 119 S. Leipzig: Insel 1919 (Veränd. Neuaufl. v. Nr. 12)
40. (Übersetzung) Romain Rolland: Die Zeit wird kommen. Drama in drei Akten. 93 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
41. Angst. Novelle. 47 S. mit Abbildungen v. Ludwig Kainer. Berlin: Hermann (= Der kleine Roman. Illustrierte Wochenschrift 19) 1920
42. (Mitübersetzung) André Suarés: Cressida. Übersetzung S. Z. u. Erwin Rieger. 128 S. Leipzig, Wien, Zürich: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1920
43. (Vorwort) Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn. 349 S., 1 Tafel Leipzig: Insel 1920
44. Drei Meister. Balzac, Dickens, Dostojewski. 219 S. Leipzig: Insel 1920
45. (Einleitung) Andreas Latzko: Le dernier homme. Version nouvelle. 116 S. mit Abbildungen Genève: Sablier (806 Ex.) 1920
46. (Mitübersetzung) Magdeleine Marx [i.e. Magdeleine Paz]: Weib. Roman. Vorw. Henri Barbusse. Übersetzung S. Z. u. Friderike Maria Winternitz-Zweig. VI, 258 S. Basel: Rhein-V. [1920]
47. Der Zwang. Eine Novelle. 84 S., 10 Abb. v. Frans Masereel. Leipzig: Insel (470 num. Ex.) 1920
48. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 266 S., 6 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1921
49. (Einleitung) F. M. Dostojewski: Sämtliche Romane und Novellen. Übersetzung H. Röhl u. K. Nötzel. 25 Bände Leipzig: Insel 1921
50. Amok. Novellen einer Leidenschaft. 295 S. Leipzig: Insel 1922
51. Die Augen des ewigen Bruders. Eine Legende. 64 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 349) [1922]
52. (Übersetzung) Romain Rolland: Clérambault. Geschichte eines freien Gewissens im Kriege. 333 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1922
53. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gesammelte Werke. 2 Bände 359, 415 S. mit Abb. Leipzig: Insel 1922
54. (Vorwort) Ausstellung Gustinus Ambrosi im Kunstmuseum. 18 S. St. Gallen: Tschudy 1923
55. (Vorwort) Franz Hellens [i.e. Friedrich van Ermengen]: Bass-Bassina-Bulu. Roman. Übersetzung H. u. V. Pins. VIII, 337 S. Berlin: Juncker [1923]
56. (Mitverfasser) S. Z. u. A. Holitscher: Frans Masereel. 177 S. mit Abb. 4° Berlin: Juncker (= Graphiker unserer Zeit 1) [1923]
57. (Herausgeber, Einleitung) Charles-Augustin de Sainte-Beuve: Literarische Portraits aus dem Frankreich des XVII.—XIX. Jahrhunderts. 2 Bände 412, 414 S., 2° Abb. Frankfurt/Main, Berlin: Frankfurter Verl.-Anst. [1923]
58. Sainte-Beuve. 24 S., 1 Abb. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. (200 num. Ex.) 1923 (Ausz. a. Nr. 57)
59. (Nachwort) O. Heuschele: Briefe aus Einsamkeiten. Drei Kreise. 127 S. Berlin: Junkker [1924]
60. (Nachwort) Franz Karl Ginzkey: Brigitte und Regine und andere Dichtungen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6453) [1924]
61. (Bearbeitung, Vorwort.) François René Auguste Vicomte de Chateaubriand: Romantische Erzählungen. 186 S. Wien, Leipzig, München: Rikola (= Romantik der Weltliteratur) 1924
62. (Einleitung) Hermann Bahr: Die schöne Frau. Novellen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s U B. 6451) [1924]
63. Die gesammelten Gedichte. 153 S. Leipzig: Insel 1924 (Enth. Nr. 1, 9 u. teilw. 37)
64. Angst. Novelle. Mit e. Nachw. v. Erwin H. Rainalter. 75 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6540) [1925] (Gek. Ausg. v. Nr. 41)
65. Der Kampf mit dem Dämon. Hölderlin – Kleist – Nietzsche. 321 S. Leipzig: Insel 1925
66. (Vorwort) Ernest Renan: Jugenderinnerungen. Dt. H. Szass. 319 S. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. 1925
67. (Nachwort) Jens Peter Jacobsen: Niels Lyhne. 266 S. Leipzig: List (= Epikon) [1925]
68. (Vorwort) Hans Prager: Die Weltanschauung Dostojewskis. 215 S. Hildesheim: Borgmeyer [1925]
69. (Bearbeitung) Ben Jonsons „Volpone“. Eine lieblose Komödie in drei Akten. 148 S. 6 Abb. v. Aubrey Beardsley. Potsdam, Berlin: Kiepenheuer (= Die Liebhaberbibliothek) 1926
70. (Mitherausgeber, Mitverfasser) Liber Amicorum Romain Rolland. Romain Rolland. Sexagenario, ex innumerabilibus amicis paucissimi grates agunt. Hunc librum curaverunt edendum Maxim Gorki, Georges Duhamel, S. Z., imprimendum Emil Roniger. 405 S. mit Abbildungen 4° Zürich: Rotapfel [1926]
71. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 278 S., 7 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1926 (Erw. Neuaufl. v. Nr. 48)
72. Vierundzwanzig Stunden aus dem Leben einer Frau. 89 S. Wien: österreichisches Journal [1926]
73. Abschied von Rilke. Eine Rede. 30 S. Tübingen: Wunderlich [1927]
74. (Vorwort) Anthologie jüngster Lyrik. Herausgeber Willi R. Fehse u. Klaus Mann. 169 S. Hamburg: Enoch [1927]
75. Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Mit Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn u. Friderike Zweig. 261 S., 4 Abb. Leipzig: Insel 1927 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 43)
76. Der Flüchtling. Episode vom Genfer See. 23 S. Leipzig (= Bücherlotterie der Internationalen Buchkunstausstellung, Leipzig 1927, Band 1) 1927
77. (Herausgeber, Einleitung) J. W. v. Goethe: Gedichte. Eine Auswahl. 254 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6782–6784) [1927]
78. Mitübersetzung, Nachwort, Herausgeber Paul Verlaine: Gedichte. Eine Auswahl der besten Übertragungen. 71 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 394) [1927]
79. Die Kette. Ein Novellenkreis. Drei Ringe (= 3 Bände). Leipzig: Insel 1927 (Enth. Nr. 20, 50, 82)
80. Die unsichtbare Sammlung. Eine Episode aus der deutschen Inflation. 22 S. Berlin: Sonderdr. f. d. Mitglieder d. Bibliophilen Ges. (250 num. Ex.) 1927
81. Sternstunden der Menschheit. Fünf historische Miniaturen. 77 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 165) [1927]
82. Verwirrung der Gefühle. Drei Novellen. 273 S. Leipzig: Insel 1927 (Enth. u. a. Nr. 72)
83. (Vorwort) Max Brod: Tycho Brahes Weg zu Gott. 361 S. Berlin: Dt. Buchgemeinschaft [1927]
84. Drei Dichter ihres Lebens. Casanova – Stendhal – Tolstoi. 377 S. Leipzig: Insel 1928
85. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 191 S. Leipzig: Insel 1928 (Neubearb. v. Nr. 33)
86. Reise nach Rußland. 38 S. Wien: österreichisches Journal 1928
87. (Vorwort) Grigol Robakidse: Das Schlangenhemd. Ein Roman des georgischen Volkes. III, 221 S. Jena: Diederichs 1928
88. Kleine Chronik. Vier Erzählungen. 92 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 408) [1929] (Enth. u. a. Nr. 76, 80)
89. Dank an die Bücher. 2 Blätter Leipzig: Verl. Staatl. Akad. f. graph. Künste u. Buchgewerbe 1929
90. (Nachwort) Richard Specht: Florestan Kestners Erfolg. Eine Erzählung aus den Wiener Märztagen. 135 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7038/7039) 1929
91. Joseph Fouché. Bildnis eines politischen Menschen. 332 S., 6 Tafeln Leipzig: Insel 1929
92. Das Lamm des Armen. Tragikomödie in drei Akten (neun Bildern). 137 S. Leipzig: Insel 1929
93. (Nachwort) Oskar Baum: Nacht ist umher. Erzählung. 69 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7005) [1929]
94. (Einleitung) E. T. A. Hoffmann: Princess Brambilla. Caprice. Trad. Alzir Hella, Olivier Bournac. X, 244 S. mit Abb. Paris, Neuchâtel: Attinger (= Romantiques Allemands 1) 1929
95. Der Zwang. Phantastische Nacht. Novellen. 126 S., 15 Abbildungen Wien: Der Strom (= Die Roman-Rundschau 2) 1929 (Enth. Nr. 47 u. teilw. 50)
96. Buchmendel. (Die Novelle wurde dem Bergischen Bibliophilen-Abend vom Verfasser zur Veröffentlichung überlassen.) 30 S. 4° Officina Serpentis 1930 (Ausz. a. Nr. 88)
97. Rahel rechtet mit Gott. Legende. 2° Blätter, 2 Abb. v. W. Preißer. Berlin: Aldus Druck (= Mitgliedsgabe der Soncino-Ges. zur Jahresversamml.; 370 Ex.) 1930
98. (Einleitung) W. A. Mozart: Ein Brief an sein Augsburger Bäsle. 4 S. Faks., 12 S. Text. 4° [Wien: Max Jaffé & Waldheim-Eberle] (50 Ex.) 1931
99. (Vorwort) Das Buch des Jahres 1931. Herausgeber Vereinigte Verleger-Gruppe. VIII, 167 S. mit Abb. Leipzig: Poeschel & Trepte [1931]
100. (Einleitung) Schalom Asch: La Chaise électrique. Trad. par Alzir Hella et J. Altkaufer. VIII, 246 S. Paris: Stock 1931
101. (Einleitung) Maxim Gorki: Erzählungen. Aus d. Russ. übertr. v. A. Luther. 302 S. Leipzig: Insel 1931
102. Ausgewählte Gedichte. 80 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 422) [1931] (Ausz. a. Nr. 63)
103. Die Heilung durch den Geist. Mesmer – Mary Baker-Eddy – Freud. 446 S. Leipzig: Insel 1931
104. Ausgewählte Prosa. (I. Bändchen). Herausgeber u. Vorw. Herman Wolf. 142 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhof’s Samml. dt. Schriftsteller 53) 1931 (Ausz. a. Nr. 81, 88, 91)
105. (Vorwort) Die Internationale Stiftung Mozarteum. 31 S. mit Abb. Salzburg [: Kiesel] 1931
106. (Einleitung) Max Zodykow: Stimme aus dem Dunkel. Eine Ausw. von Gedichten und Prosa. 100 S. Berlin-Charlottenburg: Lehmann [1931]
107. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 639 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel 1932
108. (Übersetzung, Nachwort) Henri Barbusse: Die Schutzflehenden. Der Roman einer Vorkriegsjugend. 247 S. Zürich: Rascher 1932
109. (Einleitung) Jean-Richard Bloch: Vom Sinn unseres Jahrhunderts. Übersetzung Paul Amann. 306 S. Berlin: Wien, Leipzig: Zsolnay 1932
110. The Jewish Children in Germany. (Adress by Mr. Stefan Zweig at the House of Mrs. Anthony de Rothschild, on Thursday, November 30, 1933 and to the Commitee for the Luncheon at the Savoy Hotel, December 20, 1933, in aid of German Jewish women and children.) 8 S. London 1933
111. Die moralische Entgiftung Europas. 15 S. Roma: Reale Accademia d’Italia 1933–XI
112. (Vorwort) Schalom Asch: Petersbourg. Roman. Trad. del’Allemand par A. Vialatte. 382 S. Paris: Crasset [1933]
113. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 575 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel [1934] (Neubearb. Aufl. v. Nr. 107)
114. Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam. 227 S. mit Abb. Wien: 4° Reichner (600 num. Ex.) 1934
115. Die schweigsame Frau. Komische Oper frei nach Ben Jonson. Musik v. R. Strauss (Textbd.) 110 S. Berlin: Fürstner [1935]
116. (Übersetzung) Luigi Pirandello: Man weiß nicht wie. Drei Akte. 89 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
117. Ausgewählte Prosa. (II. Bändchen.) Herausgeber Herman Wolf. 135 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhoffs Samml. dt. Schriftsteller 66) 1935 (Ausz. a. Nr. 107, 114, 119)
118. Sinn und Schönheit der Autographen. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
119. Maria Stuart. 524 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
120. (Einleitung) Paul Stefan: Arturo Toscanini. 72 S., 54 Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
121. Arturo Toscanini. Ein Bildnis. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1935] (S.-A. v. Nr. 120)
122. Baumeister der Welt. Drei Meister. Der Kampf mit dem Dämon. Drei Dichter ihres Lebens. 650 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 44, 65, 84)
123. Castellio gegen Calvin oder Ein Gewissen gegen die Gewalt. 333 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936
124. [Gesammelte Erzählungen. 2 Bände 487, 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 126 u. Ausz. a. Nr. 79; siehe Nr. 126)
125. (Vorwort) Joseph Leftwich: What Will Happen to the jew’s? XII, 268 S. London: King 1936
126. Kaleidoskop. 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner (= Gesamtausgabe des erzählerischen Werkes, 2. Band) 1936 (Enth. u. a. Nr. 51, 64, 81, 88, 97; siehe Nr. 124)
127. Georg Friedrich Händels Auferstehung. Eine historische Miniatur. 58 S. mit Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
128. Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten. 478 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1937] (Enth. u. a. Nr. 11, 32, 34, 56, 58, 66, 73, 75, 77, 89, 99, 111, 118, 121, 130; Ausz. a. Nr. 37)
129. Der begrabene Leuchter. 127 S. mit Abb. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
130. House of a Thousand Destinies. 16 S. mit Abb. London: Shenval [1937]
131. (Einleitung) Gaston Soulié: Plus jamais ça! Deux lettres servant de Préface, Romain Rolland & S. Z. 131 S. Paris: Dedresse 1937
132. (Nachwort) Ödon Horváth: A Child of Our Time. Translated into English by R. Wills Thomas. Foreword by F. Werfel. 263 S. London: Methuen & Co. 1938
133. Magellan. Der Mann und seine Tat. 370 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1938]
134. (Einleitung) Rainer Maria Rilke. Aspects of his mind and poetry. Edited by William Rose, G. Craig Houston. 183 S. London: Sidgwick & Jackson 1938
135. (Einleitung) Paul Leppin: Helldunkle Strophen. Gedichte. 56 S. mit Abb. v. H. Steiner. Prag: Werner (= Leppin: Prager Rhapsodie 1) 1938
136. (Einleitung) Eugen Relgis: Muted voices. Transl. R. Freeman-Ishill. 200 S. mit Abb. Berkeley Heights, N.J.: Oriole Press 1938
137. (Herausgeber) L. N. Tolstoj: Les Pages immortelles de Tolstoj. Texte de S. Z. Trad.: J. Angelloz. 235 S. Paris: Correa (= Les Pages Immortelles) 1939
138. Ungeduld des Herzens. Roman. 443 S. Stockholm: Bermann-Fischer; Amsterdam: de Lange 1939
139. Worte am Sarge Sigmund Freuds. Gesprochen am 26. September 1939 im Krematorium London. 4 Blätter Amsterdam: de Lange (100 Ex.) [1939]
140. The Tide of Fortune. Twelve historical miniatures. Transl. by Eden and Cedar Paul. 232 S. London: Cassell 1940
141. (Vorwort) The Jewish Contribution to Civilization. Ed. C. A. Stonchill. A collection of books formed and offered by C. A. Stonchill, Ltd. 198 S. mit Abbildungen Birmingham: Press of Juckes (= Catalogue, no. 144/1940) 1940
142. (Mitübersetzung) Irwin Edman: Ein Schimmer Licht im Dunkel [Candle in the Dark. A Postscript to Despair. 88p. New York: The Viking Press, 1939]. Übertr. v. Richard Friedenthal u. S. Z. 65 S. Stockholm: Bermann-Fischer (= Schriftenreihe Ausblicke) 1940
143. Brasilien. Ein Land der Zukunft. 293 S., 13 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1941
144. Amerigo. A comedy of errors in history. Transl. by Andrew St. James. 128 S. mit Abbildungen New York: Viking 1942
145. As très Paixês. Très Novelas. Übersetzung Odilon Gallotti u. Elias Davidovich. 213 S. Rio de Janeiro: Editora Gunabara, Waissman Koogan (= Obras complétas 16) 1942 (Enth. u. a. Nr. 146)
146. Schachnovelle. 97 S. Buenos Aires: Pigmalión (250 num. Ex.) bzw. Buenos Aires: Kramer (50 num. Ex.) 1942
147. Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers. 493 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1942
148. (Einleitung) Claire Goll: My sentimental zoo. Animalstories. Transl. M. de Huyn. 125 S. mit Abb. Mount Vernon, N. Y.: The Peter Pauper Press [1942]
149. Sternstunden der Menschheit. Zwölf historische Miniaturen. 300 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 81; Ausz. a. Nr. 126)
150. Zeit und Welt. Gesammelte Aufsätze und Vorträge 1904—1940. Herausgeber u. Nachwort Richard Friedenthal. 401 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 86, 139; Ausz. a. Nr. 37)
151. Amerigo. Die Geschichte eines historischen Irrtums. 132 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1944 (Dt. Ausg. v. Nr. 144)
152. Balzac. Aus dem Nachlaß hg. u. mit e. Nachw. vers. v. Richard Friedenthal. 574 S., 9 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1946
153. (Vorwort) Vincenzo Errante: Lenau. Geschichte eines Märtyrers der Poesie. Übersetzung C. Rau. 359 S. Mengen: Heine 1948
154. Europäisches Erbe. Herausgeber Richard Friedenthal. 282 S. Frankfurt/Main: Fischer 1960 (Enth. u. a. Nr. 22, 61, 67, 94)
155. Fragment einer Novelle. Herausgeber Erich Fitzbauer. 14 Blätter, 4 Abb. v. Hans Fronius. 4° Wien: Verl. d. Internat. Stefan-Zweig-Ges. (= Zweite Sonderpublikation d. Internat. Stefan-Zweig-Ges.) (500 num. Ex.) 1961 [Ausz. a. Widerstand der Wirklichkeit, EA in: Brennendes Geheimnis. Erzählungen [Frankfurt am Main] 1987 [6], S. 221-(271)]
156. Im Schnee. Herausgeber Erich Fitzbauer. 14 Blätter mit Abbildungen v. F. Fischer. Wien: Verl. d. Internat. Stefan-Zweig-Ges. (= Dritte Sonderpublikation d. Internat. Stefan-Zweig-Ges.) (500 num. Ex.) 1963
157. Die Hochzeit von Lyon. Novelle. Herausgegeben u. mit e. Nachwort vers. v. Erich Fitzbauer. 29 S., 4 Abb. v. Hans Fronius. 4° Wien: Ed. Graphischer Zirkel (= Dreizehnte Buchpublikation der Ed. Graphischer Zirkel) (400 num. Ex.) 1980
158. Gesammelte Werke in Einzelbänden. 36 [+1] Bände Herausgeber u. Nachbemerk. Knut Beck. Frankfurt/Main: Fischer 1981–1990
NYT
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75; AUTHOR ON SOVIET AND HAPSBURGS
Edited: 198412041025
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75
By WOLFGANG SAXON
Published: December 4, 1984

Edward Crankshaw, one of the most respected authors on the Soviet Union and chronicler of the Hapsburgs, died last Thursday in his native Britain after what was described as a ''long and painful illness.'' He was 75 years old and lived in Hawkhurst, in rural Kent.

His death was reported Sunday in The Observer, the British weekly for which he kept watch on the Soviet scene starting in 1947. Mr. Crankshaw, who spurned the label of ''Kremlinologist,'' was regarded as Britain's premier journalistic expert on Soviet politics.

The author of about 20 books, including three novels, Mr. Crankshaw contribued a steady flow of prefaces, essays and articles to publications in Britain and the United States, including The New York Times. In addition, he commented on Soviet affairs for the BBC.

Difficult to place politically, Mr. Crankshaw reluctantly became a Soviet specialist when The Observer asked him to take the assignment after World War II, part of which he had spent in Moscow. One of the conclusions he had reached was that Kremlin policies must be seen as something that did not start with the Bolshevik takeover in 1917, but had ancient roots. He Avoided Speculation

Thus, Mr. Crankshaw avoided speculations about absences from the Kremlin wall at anniversary parades. Instead, his basic impressions had been formed when the Russians were fighting for survival, and he took heart from Stalin's evocations of historical ''Holy Russia.''

His political testament came in a preface written this year to a selection from his writings, ''Putting Up With the Russians.''

As a conservative dedicated to the survival of European civilization, he rejected the harsh tones adopted by President Reagan and his supporters, accusing them of trying to turn the Soviet Union into a pariah. Mr. Crankshaw viewed detente with some skepticism, but he insisted on the need for co- existence.

He was the author of ''Russia Without Stalin'' in 1956, regarding the changes in everyday life in the post- Stalin era. He also wrote ''Khrushchev's Russia'' (1960) and ''Khrushchev: A Career,'' published six years later.

He then wrote the introduction for ''Khrushchev Remembers,'' a rich compilation of comments, speeches, conversations and interviews by Nikita I. Khruschev, the Kremlin leader who denounced the Stalinist terror. 'Khrushchev Himself'

Mr. Crankshaw, who also contributed copious footnotes and commentary to the Khrushchev book, helped defend the book against doubters. He said that by ''style and content'' the words were ''Khrushchev himself, quite unmistakably speaking.'' His faith in the book's authenticity has come to be shared by most others since its publication in 1970.

Though ailing for many years, Mr. Crankshaw, a slight and courtly man, continued to write even in bed whenever he was unable to move about.

His last volume published in this country was ''Bismarck'' in 1982. Writing in The New York Times Book Review, George L. Mosse called the book ''a cautionary tale about political and military power'' that sees Bismarck's ''apparent success as a failure because the Iron Chancellor exalted the amoral concept of politics into a principle.''

Edward Crankshaw was born on Jan. 3, 1909, in rural Essex. As a boy, he often visited the London magistrate's court where his father, Arthur, worked as chief clerk. He attended Bishop's Stortford College but left early - hence his claim to having been largely self- taught.

Instead, Mr. Crankshaw went to the Continent to travel, and he lived in Vienna, becoming fluent in German. His Austrian years turned out to be formative ones for his mind as he watched democracy crumble in the new Austrian republic. They also instilled him with a passion for literature and music.

From Europe, he wrote for British publications subjects ranging from twelve-tone music to books, art and the theater. But he gave up journalism to write ''Joseph Conrad: Some Aspects of the Art of the Novel,'' a study of Conrad's methods and the novelist's art in general. Another book, ''Vienna: The Image of a Culture in Decline,'' appeared in 1938. Posted to Moscow in '41

In 1936, Mr. Crankshaw was commissioned into Britain's Territorial Army. In 1941, he was posted to Moscow as an intelligence officer, and he did all he could to understand the Russians, their history, national character and government.

Having also traveled on the periphery of the Soviet Union, he was asked by The Observer to return to journalism as its Russian expert. His early books on the subject were ''Britain and Russia'' (1945), ''Russia and the Russians'' (1947) and ''Russia by Daylight'' (1951).

A well-received history was The Shadow of the Winter Palace: The Drift to Revolution, 1825-1917 which appeared in 1976. Other well-received books were ''The Fall of the House of Hapsburg'' (1963) and ''The Hapsburgs'' (1971).

Of Mr. Crankshaw's ''Maria Theresa'' (1969), Thomas Lask wrote in his review in The New York Times, ''Mr. Crankshaw has managed in what is a model of compression and judicious selection to rescue Maria Theresa from the history books and to turn a monument into a warm and appealing woman.''

Mr. Crankshaw is survived by his wife, the former Clare Chesterton Carr.
La tuerie d'Auriol
Edited: 198107190288
La tuerie d'Auriol a scandalisé la France et précipité la fin du Service d'Action civique (S.A.C.), le service d'ordre et de renseignement du RPR. C'est au nom de ce mouvement que six hommes, en 1981, ont massacré toute une famille, à Auriol, dans les Bouches-du-Rhône. Le dimanche 19 juillet 1981, Marina Massie alerte les gendarmes : tous les membres de sa famille, qu'elle devait rejoindre chez son frère Jacques, ont disparu. Jacques Massie s'avère être le patron départemental du SAC, soupçonné de vouloir rejoindre, documents compromettants sous le coude, les rangs de la gauche. Jean-Joseph Maria, l'adjoint de Massie au SAC, l'ancien légionnaire Lionel Collard et Jean-Bruno Finochietti, un instituteur qui avait donné des cours au fils de Massie, sont soupçonnés du meurtre. Finochietti finit par avouer. Christophe Hondelatte revient sur ce drame.
Sint-Lievenscollege Antwerpen - Economische 1972 - E72 - Een topklas in woelige tijden
Edited: 197206301265
1ste rij: Marc Van Look, François Van Overloop, Lucas Tessens, Guido Hendrickx, Martin Van Bockhaeven, Wout Van Beek
2de rij: Raymond Dalving, Jef Robbroeckx, Dirk Van Huyck, Walter Arnouts, Wilfried De Ley, Luc Anthonissen
3de rij: Johan Franssen, Rudy De Paep, Benny Janssens, Marc De Cuyper, Marc De Bruyne, Karel Deckers, Walter Luyts (titularis)

Buffy Sainte-Maire
My country 'Tis Of Thy People You're Dying
Edited: 197110011761
Now that your big eyes have finally opened,
Now that you're wondering how must they feel,
Meaning them that you've chased across America's movie screens.
Now that you're wondering how can it be real
That the ones you've called colorful, noble and proud
In your school propaganda
They starve in their splendor?
You've asked for my comment I simply will render:
My country 'tis of thy people you're dying.

Now that the longhouses breed superstition
You force us to send our toddlers away
To your schools where they're taught to despise their traditions.
You forbid them their languages, then further say
That American history really began
When Columbus set sail out of Europe, then stress
That the nation of leeches that conquered this land
Are the biggest and bravest and boldest and best.
And yet where in your history books is the tale
Of the genocide basic to this country's birth,
Of the preachers who lied, how the Bill of Rights failed,
How a nation of patriots returned to their earth?
And where will it tell of the Liberty Bell
As it rang with a thud
O'er Kinzua mud,
And of brave Uncle Sam in Alaska this year?

My country 'tis of thy people you're dying.

Hear how the bargain was made for the West:
With her shivering children in zero degrees,
Blankets for your land, so the treaties attest,
Oh well, blankets for land is a bargain indeed,
And the blankets were those Uncle Sam had collected
From smallpox-diseased dying soldiers that day.
And the tribes were wiped out and the history books censored,
A hundred years of your statesmen have felt it's better this way.
And yet a few of the conquered have somehow survived,
Their blood runs the redder though genes have paled.
From the Gran Canyon's caverns to craven sad hills
The wounded, the losers, the robbed sing their tale.
From Los Angeles County to upstate New York
The white nation fattens while others grow lean;
Oh the tricked and evicted they know what I mean.

My country 'tis of thy people you're dying.

The past it just crumbled, the future just threatens;
Our life blood shut up in your chemical tanks.
And now here you come, bill of sale in your hands
And surprise in your eyes that we're lacking in thanks
For the blessings of civilization you've brought us,
The lessons you've taught us, the ruin you've wrought us --
Oh see what our trust in America's brought us.

My country 'tis of thy people you're dying.

Now that the pride of the sires receives charity,
Now that we're harmless and safe behind laws,
Now that my life's to be known as your "heritage,"
Now that even the graves have been robbed,
Now that our own chosen way is a novelty --
Hands on our hearts we salute you your victory,
Choke on your blue white and scarlet hypocrisy
Pitying the blindness that you've never seen
That the eagles of war whose wings lent you glory
They were never no more than carrion crows,
Pushed the wrens from their nest, stole their eggs, changed their story;
The mockingbird sings it, it's all that he knows.
"Ah what can I do?" say a powerless few
With a lump in your throat and a tear in your eye --
Can't you see that their poverty's profiting you.

My country 'tis of thy people you're dying.
LT
De verkeerd begrepen boodschap van Hugo Claus
Edited: 197000000909
Het leven en de werken van Leopold II. 29 Taferelen uit de Belgische Oudheid - Een bespreking

Dit toneelstuk werd oorspronkelijk geschreven in opdracht van de Vereniging Nederlands Toneelverbond voor haar 100-jarig bestaan in 1970. Toneelstuk verhaalt de collusie van Kerk, Kapitaal en Koning inzake Congo. Sommige critici vonden het toneelstuk burlesk ... Claus weerom misbegrepen! Wie de geschiedenis van de Congostaat, Belgisch Congo en Zaïre nog maar een beetje kent, weet dat Claus de historische feiten op de voet volgt. De ludieke verpakking bevat een bloedserieuze gruwel en de hele Belgische 'santeboetiek' moet er aan geloven, inclusief de Société Générale en de VS, die Leopold verkracht. Vanaf de 26ste scene neemt Claus een loopje met het tijdselement en speelt de chronologie geen enkele rol meer: zowel de tijd als de actoren zijn onbelangrijke details in een zich steeds herhalend cynisch proces van bedrog, haat, onverschilligheid en vooral ongetemde hebzucht. De banaliteit van de gevoerde politiek is een schertsvertoning die de werkelijke drijfveren maskeert. Altijd is er de koehandel, met de kardinaal en natuurlijk de paus als mediatoren in een deal met een niet al te geïnteresseerde God, die wel belooft maar gauw vergeet. Op p. 49 maakt Claus duidelijk hoe de grote buurlanden België bekijken: Duitslands beschermeling, de lijfeigene van Frankrijk, de voet aan het Europese vasteland voor de Engelsen.
VANBAELEN Quentin
16 février 1966: Grève des femmes à FN Herstal
Edited: 196602161405
Quentin Vanbaelen
En 2015, en Belgique, les femmes gagnent en moyenne 22 % de moins que les hommes. Il y a 50 ans, à Herstal, quelque 3000 ouvrières ont lancé l’une des plus importantes grèves de l’histoire du pays sous le slogan « à travail égal, salaire égal ».
Le 16 février 1966, les travailleuses de la FN d’Herstal se lançaient dans un mouvement de grève qui allait durer douze semaines. Elles allaient marquer l’histoire du mouvement ouvrier belge, mais aussi celle du mouvement féministe.

Une égalité loin d’être acquise

En théorie, l’égalité salariale était censée être acquise. Le Traité de Rome, adopté en 1957 par les pays fondateurs de la future Union européenne (Allemagne, France, Italie, Belgique, Luxembourg et Pays-Bas), demandait aux pays signataires de l’instaurer dans un délai de 5 ans. Cependant, si le principe avait été concédé par les gouvernements et le patronat, la pratique se révélait encore bel et bien inégalitaire. En Belgique, où les négociations salariales relèvent des secteurs professionnels, une convention signée en 1962 pour le secteur des fabrications métalliques avait ramené en 1965 l’écart à 85 %. Et encore, ce chiffre ne tient pas compte du fait que des métiers ou fonctions occupées majoritairement par des femmes sont moins valorisées.

Le 8 novembre 1965, de nouvelles négociations s’ouvrent. Les discussions sont rudes : les patrons freinent tant qu’ils peuvent. Le 18 février 1966, un projet d’accord est conclu. Il ne comble pas le trou, mais prévoit de porter les salaires des femmes à entre 90 et 96,6 % de ceux des hommes dans les trois classes de salaires les plus basses, dans lesquelles les femmes sont cantonnées.

Pourtant, même si le projet est conclu par les partenaires sociaux, il est trop tard pour éviter la colère des ouvrières. Lorsque le projet est signé, les travailleuses de la FN en sont déjà à deux jours de grève.

5 francs pour les « femmes-machines »

La direction de la FN voulait attendre la conclusion d’un accord national avant de lancer les négociations au sein de l’entreprise, qui possède sa propre échelle barémique. Mais les ouvriers, et surtout les ouvrières, suivent de près l’évolution de la situation. En janvier 1966, des assemblées syndicales ont lieu régulièrement pour informer les travailleurs de l’avancée des négociations… et de l’absence de celles-ci à la FN.

Les ouvrières en ont marre de subir l’injustice et ne veulent plus attendre. Le 9 février, elles débrayent spontanément. Les délégués leur demandent de reprendre le travail et s’engagent à mettre la pression sur la direction pour lancer les négociations internes. Une semaine plus tard, le 16 février, face à un refus persistant de la direction, 3000 ouvrières se mettent en grève. Elles quittent l’usine et manifestent dans les rues d’Herstal, au rythme du tube de Henri Salvador Le travail c’est la santé, dont elles ont réécrit les paroles : « Le travail c’est la santé, mais pour cela il faut être payé. »

Le travail de celles qu’on a baptisées les « femmes-machines » est dur : « Les machines sont vétustes, sur 4000 machines, 2800 datent d’avant-guerre, les poulies, les courroies de transmission apparentes, le bruit infernal, la saleté, l’absence de douche, rien qu’un seau d’eau froide attaché à leur chaise… », se souvient Annie Massay, permanente Setca à l’époque, qui a activement soutenu la grève.

Quant au salaire, les ouvriers hommes les moins qualifiés commencent avec un salaire de classe 4, alors que les femmes n’ont accès qu’aux classes 1 à 3. En outre, il leur est impossible de progresser, puisqu’elles sont exclues de toute possibilité de formation interne et donc de promotion. Concrètement, à l’époque, « les graveurs gagnent 69,50 francs et les graveuses, 65 francs. Les réviseuses gagnent en moyenne 32 francs, les réviseurs, 43 francs. Les emballeuses touchent 32,49 francs, les emballeurs, 43,87 francs ; les manœuvres masculins, 39,75 francs, les femmes-machines, 36,49 francs et les hommes spécialisés aux machines, 50,77 francs. »1

C’est pourquoi, à l’issue de la première assemblée générale, qui a lieu le 17 février dans la salle La Ruche, à la maison du peuple d’Herstal, les femmes se mettent d’accord sur une revendication d’augmentations jusqu’à 5 francs de l’heure.

Or le projet d’accord conclu le 18 février par les partenaires sociaux dans le secteur du métal ne prévoit qu’un franc d’augmentation horaire pour les femmes. Pas de quoi remettre les grévistes au travail, loin de là.


Coll. Carhif, Bruxelles.
Les femmes à l’avant-garde

Convaincre les permanents syndicaux de soutenir la grève aura été une victoire en soi. En effet, dans le mouvement progressiste lui-même, il y a encore beaucoup de travail pour réaliser l’égalité. Ainsi, à la FN, si les femmes représentent 30 % de la main-d’œuvre, elles ne sont que 6,5 % des déléguées FGTB et 9 % à la CSC.

Les responsables syndicaux, bien que d’accord avec l’égalité en principe, « craignaient en l’occurrence que la mise en avant de problèmes qui n’étaient que ceux des femmes, divisât l’unité ouvrière ».2

Cependant, face à la détermination des ouvrières, les permanents décident de soutenir la grève et, lors de la deuxième assemblée générale, le 21 février, les syndicats confirment que la grève est soutenue et que les grévistes seront indemnisées. Les responsables défendront aussi les grévistes face aux attaques de l’establishment. Et celles-ci sont dures.

D’abord, il y a le silence. Il a ainsi fallu plus d’un mois pour qu’un premier reportage télévisé soit réalisé sur la grève. Et, si la radio et plusieurs journaux en parlent, ce n’est pas toujours positivement. Seuls Le Drapeau rouge, quotidien du Parti communiste, et d’autres journaux progressistes rapportent réellement les événements et soutiennent les grévistes.

Ensuite, il y a le sexisme. Le salaire des femmes était encore souvent considéré comme un revenu d’appoint pour les familles, où c’était l’homme qui devait ramener l’argent. Le patronat jouait autant que possible là-dessus pour réduire les coûts de la main d’œuvre. De même, les patrons se plaignaient du taux important d’absentéisme chez les femmes. Ce à quoi la déléguée CSC Jenny Magnée répondit dans un article le 2 avril : « Pourquoi cet absentéisme ?... Pour cause de mauvaises conditions de travail, le travail des femmes-machines est très dur (…) Elles tournent entre 4,5 ou 6 machines pendant 9 heures (…). Elles répètent à longueur de journée, les mêmes gestes dans l’huile (…) Elles sont comme des robots. Le patron se plaint de l’absentéisme des femmes. Que fait-il pour le réduire ? Augmenter les productions sans cesse ! Je voudrais lui donner un conseil : qu’il crée des crèches et des garderies pour les enfants des femmes qui travaillent à la FN car elles ne s’absentent pas toujours pour elles. »3

Enfin, il y a les arguments classiques pour tenter d’isoler les grévistes des autres travailleurs et de la population. Les travailleuses de la FN n’étaient pas les ouvrières les moins bien loties, et elles ont donc été taxées de « privilégiées ». Et le nouveau gouvernement, en place depuis la mi-mars et composé de sociaux-chrétiens et de libéraux, plaidait avec le patronat pour la fin de la grève sous prétexte qu’elle était dommageable pour la région liégeoise, voire pour l’entreprise même. Et ce, bien que la FN connaisse une croissance et que les actionnaires n’aient pas à se plaindre.

Solidarité internationale

Le 28 février, un comité de grève officiel est constitué. Il fait suite à la création d’un comité d’action une semaine avant, mais est cette fois davantage lié aux syndicats. Le comité, composé de 29 grévistes, nomme Charlotte Hauglustaine (FGTB), présidente, et Rita Jeusette (CSC), secrétaire. Ce comité aura un rôle important dans l’organisation de la solidarité avec les grévistes.

Début mars, après deux bonnes semaines de grève, la situation devient de plus en plus difficile. À la fin de la grève, 5 000 hommes seront au chômage technique, dans l’impossibilité de travailler tant les fonctions des femmes sont indispensables.

Pour beaucoup, la grève constitue une grande perte financière. Beaucoup de couples travaillent à la FN, et certains voient leurs revenus diminuer fortement pendant la durée de la grève, d’autant que la direction refuse aux ouvriers en chômage technique une indemnisation complémentaire. Une manière de monter les hommes contre les grévistes, qui ne marche pas : une pétition circule ainsi parmi les ouvriers pour exprimer leur solidarité envers les femmes.

La solidarité concrète s’organise donc. Les journaux progressistes participent aux campagnes de soutien, et le comité de grève se charge de répartir les dons. Ceux-ci proviennent même de l’étranger : des syndicats et mouvements de femmes en France et aux Pays-Bas, notamment, apportent leur soutien aux femmes de la FN. 34 000 francs belges sont ainsi envoyés par la CGT française.

Tâche d’huile

Au fil des semaines, les négociations continuent sans progresser. Les propositions de la direction et du conciliateur social sont toujours en-dessous des revendications.

À la mi-mars, la grève fait tache d’huile. Le 11 mars, les travailleuses des ateliers Jaspar-Westinghouse à Awans-Bierset obtiennent une victoire avec une augmentation de salaire. Le 14, les ouvrières des ACEC de Herstal partent en grève, laquelle s’étendra aux ateliers de Charleroi le 12 avril. Le 22 mars, ce sont celles des Ateliers Schréder d’Ans qui suivront le mouvement.

La direction, voyant la mobilisation grandir, écrit une lettre à chaque gréviste, qui sera répercutée dans Le Soir sous le titre « La FN de Herstal va-t-elle devoir fermer ses portes ? Un appel pressant du patronat aux grévistes ». L’objectif est clair : faire peur et pousser les ouvrières à reprendre le travail. Mais rien n’y fait, et la grève se poursuit.

Le 7 avril, une première manifestation a lieu à Herstal. Elle rassemble les travailleuses de la FN, des ACEC et des Ateliers Schréder. Les organisations syndicales lancent alors, le 16 avril, un appel à manifester dans les rues de Liège le 25 avril, en invitant toutes les organisations qui soutiennent les grévistes à participer. Créé dans la foulée de l’appel à manifester, le comité « À travail égal, salaire égal », deviendra l’un des points d’appui des grévistes (voir l’encadré).

Face à la pression de l’annonce de la manifestation, les négociations s’accélèrent. D’autant que les grévistes des ACEC obtiennent victoire avec une augmentation de 2 francs ainsi que la promesse d’une révision des classifications.

Le 25 avril est une réussite : plus de 5 000 personnes parcourent les rues de Liège sous le slogan « à travail égal, salaire égal ». Des délégations de plusieurs organisations féministes, des syndicalistes de tout le pays, ainsi que d’autres pays d’Europe sont présentes. Les travailleuses des ACEC, des banques et de grands magasins ont arrêté le travail le temps de la manifestation, par solidarité. Dans toute l’Europe, les médias ont parlé de la grève des femmes à Herstal et le 1er Mai est fêté sous le signe de l’égalité salariale.


Photo archivesdutravail.org
« Les femmes étaient davantage conscientes de leurs droits »

Finalement, le 4 mai, syndicats et direction concluent un accord. Celui-ci est approuvé lors de l’assemblée du 5 mai par 1320 voix pour, 205 contre et 20 bulletins nuls. Les travailleuses ont la garantie d’une augmentation horaire de 2 francs dès la reprise et de 0,75 francs au 1er janvier 1967. Une commission pour l’égalisation des salaires sera également mise sur pied. Les grévistes de la FN n’ont pas obtenu les 5 francs demandés, l’égalité n’est pas acquise et, dans l’accord, la direction a réussi à imposer la lutte contre l’absentéisme féminin.

C’est pourtant bel et bien une victoire. D’abord, il y a une augmentation qui est plus de deux fois plus importante que ce qui avait été concédé dans l’accord national. La grève a aussi poussé à la tenue d’une Commission sociale du Parlement européen sur la non-observation par les pays membres de l’égalité salariale prévue par le Traité de Rome, ainsi qu’un arrêté royal en 1967 qui prône l’égalité entre hommes et femmes.

« Après la grève, on a eu quelques aménagements au niveau de l’hygiène, mais les femmes étaient surtout davantage conscientes de leurs droits », expliquait Rita Jeusette.4 Les ouvrières de la FN mèneront ainsi une nouvelle grève importante en 1974, qui permettra une véritable amélioration des conditions d’hygiène, de travail, et ouvrira aux femmes 60 postes qui leur étaient jusqu’alors inaccessibles.

Mais l’enjeu était plus large. Les grévistes ont inspiré d’autres femmes en Belgique et en Europe, et ont permis une évolution importante dans le mouvement syndical. Tant la FGTB que la CSC publieront respectivement en 1967 et 1968 des documents et positions sur les droits des femmes au travail. « À l’époque, j’étais la seule permanente femme de la FGTB en Belgique, explique Annie Massay. Depuis, les choses ont bien changé. Dans la foulée de la grève de la FN, les femmes syndicalistes ont obtenu la modification des statuts de manière à assurer la présence de nombreuses femmes dans les organes de décision. »

Les grévistes ont également lutté contre les conceptions à propos du travail des femmes, en revendiquant un salaire à part entière, qui leur permette de vivre et d’être indépendantes. De même, les grévistes obtiendront la création de la crèche communale d’Herstal. La combinaison des revendications salariales et d’ordre socio-économique se sont, au fil de la lutte, combinées à celles touchant plus largement les droits et la place des femmes dans la société.

La grève des femmes de la FN a ainsi ouvert la voie à la seconde vague de féminisme. « Ce que les femmes ont surtout obtenu, c’est la prise en compte des problèmes de la vie privée dans les positions et les revendications syndicales : crèches, prise en compte des familles monoparentales, contraception, avortement, approche non discriminatoire de l’éducation des filles », analyse Annie Massay.

Aussi, lorsque les ouvrières reprennent le travail, le 10 mai 1966, elles entrent la tête haute dans l’usine, en chantant une dernière fois leur chant de lutte. Elles avaient écrit l’histoire, apporté une pierre essentielle à l’édifice de la lutte (des) ouvrière(s), et contribué à paver le long et encore inachevé chemin vers l’égalité.

1. Marie-Thérèse Coenen, La grève des femmes de la FN en 1966, 1991, Pol-His (CRISP) • 2. Michel Coppé, Les travailleurs aussi fabriquent l’histoire de la FN, 1989, Fondation André Renard et Fédération syndicale des métallurgistes de la province de Liège • 3. Cité dans Marie-Thérèse Coenen, ibid. • 4. Cité dans Marie-Thérèse Coenen, ibid.


Photo archivesdutravail.org
Le comité « À travail égal, salaire égal »

Fondé le 21 avril 1966 à Bruxelles, le comité « À travail égal, salaire égal » est le fruit de la mobilisation des ouvrières de la FN. Son premier but est de les soutenir, et notamment de faire de la manifestation du 25 avril une réussite. Mais le comité, dans lequel on retrouve des personnalités des mouvements féminins ouvriers, socialistes et communistes, perdurera.

Son rôle devient alors plus général, et il fait le lien entre les revendications directes des ouvrières et la question plus générale de la place des femmes. Le comité sera notamment actif à la fin des années 1960 et début des années 1970 dans la lutte pour la contraception et l’avortement.

La chanson des grévistes


Photo Fondation Léon Desarcy
Le travail c’est la santé
Rien faire c’est la conserver
Les prisonniers du boulot
Font pas de vieux os

Les délégués ont demandé
La direction a refusé
Mais nous les femmes, il faut marcher
Pour faire trotter nos délégués

Le travail c’est la santé
Pour ça faut être augmentés
S’ils refusent de nous donner
Faut pas travailler

La direction a proposé
Cinquante centimes aux délégués
Mais nous les femmes on a r’fusé
On n’demande pas la charité

Le travail c’est la santé
Pour ça faut être augmentés
Les centimes c’est pas assez
Pour se faire crever

À chanter sur l’air de « Le travail c’est la santé » d’Henri Salvador, parue en 1965.

Grève des femmes en 1968 à Ford Dagenham (GBR)
8 april 1965: Spécial (WBF) gelanceerd
Edited: 196504082398
Brussels weekblad van Pierre Davister. Davister was voormalig redacteur van Pourquoi Pas? Grote rivaliteit tussen Raymond Naegels van PP? en Davister. Pan stond aan de zijde van PP? Davister werd door Pan 'Bwana Matabiche' genoemd.

Bron: STEPHANY 2002: 216

Zie ook: "Mobutu returned to civilian life just as decolonization began to seem possible. His newspaper articles had brought him to the attention of Pierre Davister, a Belgian editor of the Léopoldville paper L’Avenir. At that time, a European patron was of enormous benefit to an ambitious Congolese; under Davister’ s tutelage, Mobutu became an editorial writer for the new African weekly, Actualités Africaines. Davister later would provide valuable services by giving favorable coverage to the Mobutu regime as editor of his own Belgian magazine, Spécial."

Bron: http://www.congo2000.net/english/history/Mobutu1_govt.html

zie ook: "En février 1950, il est enrôlé à la Force publique et envoyé à l'école centrale de Luluabourg (Kananga) pour suivre la formation de secrétaire-comptable dont il obtient le brevet de en 1952. Troisième de sa promotion, il est affecté en 1953 à l'Etat-Major de la Force Publique à Kinshasa. Là, il collabore à la rédaction du journal de l'armée "Sango ya bisu" et, bientôt, à celle de l'Avenir colonial belge, appelé à devenir plus raisonnablement l'Avenir. En effet, le 5 janvier 1956, la direction de ce journal décide d'ouvrir ses colonnes aux Congolais dans les "Actualités Africaines" et fait parître certains articles signés d'un certain "De Banzy", qui n'est autre que le jeune Mobutu. L'utilisation du pseudonyme s'explique par le fait qu'un soldat n'avait pas le droit d'écrire dans un journal civil. de Banzy dérive de Banzyville, son territoire d'origine, actuellement Mobayi Mbongo.Libéré de ses engagements militaires à la fin de son terme le 31 décembre 1956, il entre dans le comité de rédaction des "Actualités Africaines" avec la recommandation de Pierre Davister. il rencontre pour la première fois Patrice Lumumba en juillet 1956 dans les bureaux des "Actualités Africaines". (http://www.congonline.com/Politiq/mobutu.htm)
Pourquoi Pas?
31 januari 1964: Pourquoi Pas? uit handel genomen wegens interview Tshombe
Edited: 196401311665
"La saisie du Pourquoi Pas? a produit en cette fin de janvier une mauvaise impression dans l'opinion publique. Le moment n'était peut-être pas opportun pour publier les déclarations de M. Tshombe sur l'assassinat de Lumumba, mais c'est là une suestion d'appréciation. Fallait-il pour cela faire donner la grosse artillerie en saisissant le Pourquoi Pas? et en ordonnant au procureur général d'exercer des poursuites contre l'hebdomadaire? Non." (LS 100, 323)

zie ook: GOL 1970: 14 (voetnoot): "L'Edition du vendredi 31 janvier 1964 de l'hebdomadaire Pourquoi Pas? a été saisie à des fins conservatoires sur ordre du ministre de la Justice. L'article incriminé était une interview de M. Tshombe au sujet des circonstances de la mort de P. Lumumba. Dans cette interview, M. Kasa-Vubu, alors président de la République du Congo, était l'objet de graves accusations. Cinq mois plus tard, le 3 juillet 1964, la Chambre du Conseil de Bruxelles rendait une ordonnance de non-lieu sur base de la poursuite intentée pour offenses envers un chef de gouvernement étranger (loi du 20 septembre 1852). En attendant, une édition entière du Pourquoi Pas? avait été retirée de la circulation ..."

uit http://www.urome.be/independance.htm (bezocht op 27/5/2003) citeren we:

Voici la version de Tshombe, chef de l'éphémère Etat du Katanga, recueillie par Pierre Davister, ancien rédacteur en chef du "Courrier d'Afrique" et retrouvée par Jean de la Lune (Vlan, n° du 3& mai 2000) dans le "Pourquoi Pas ?" n° 2357 du 31 janvier 1964, qui fut censuré à l'époque pour cette publication.

"La nécessité de retire Lumumba de la circulation où il gêne beaucoup de monde date de peu après l'indépendance?. Dès le mois d'août 1960, on en parle déjà à Léopoldville. Mais qui veut l'élimination du Premier Ministre de Kasa-Vubu ?

"Des éléments disparates, affirme Tshombe, qui ont raté le coche, des aigris qui souhaitent une nouvelle course au pouvoir. Il y a surtout des délégué de partis….. Moi, ajoute Tshombe, je n'avais aucun intérêt à la disparition de Lumumba. Au contraire, il faisait gaffe sur gaffe et donc donnait à l'indépendance du Katanga son véritable sens.

"En un premier temps, les partisans de l'élimination s'adressent aux représentants en Afrique de la Belgique qui n'a sûrement pas oublié les insultes de Lumumba au Roi le 30 juin 1960. Mais les Belges n'interviendront financièrement qu'avec prudence. Ils auraient versé, selon Tshombe , un acompte de 3 millions, puis d'autres par la suite, pour collaborer à l'élimination politique de Lumumba. L'argent fut employé, paraît-il à des moyens de contre-propagande lumumbiste.

" Une fois son Premier Ministre révoqué par Kasa-Vubu, les événements s'enchaînent, mais, à l'entendre, l'homme fort du Katanga fait des pieds et des mains pour éviter qu'on "lui livre le paquet à Elisabethville.

"Ce n'est pas ce qui se passera. En janvier 1961, l'avion qui emmène le gêneur est interdit d'atterrissage à Bakwanga et file sur Elisabethville où, à court d'essence, il se posera. Mais Lumumba , qui a été frappé, battu, torturé, est mourant.

"Donc, dit Tshombe, il n'y a pas eu crime. Il est mort sans que l'on puisse faire quelque chose. Enterré à la sauvette, le cadavre sera exhumé quelques jours après et dissous dans de l'acide afin d'éviter les conclusions d'une commission spéciale de l'Onu."

zie ook: 19700104: 89
STEINBECK John
10 december 1962: John Steinbeck's speech at the Nobel Banquet at the City Hall in Stockholm.
Edited: 196212102005

"Literature was not promulgated by a pale and emasculated critical priesthood singing their litanies in empty churches - nor is it a game for the cloistered elect, the tinhorn mendicants of low calorie despair. Literature is as old as speech. It grew out of human need for it, and it has not changed except to become more needed." - Steinbeck

"Socialism never took root in America because the poor see themselves not as an exploited proletariat but as temporarily embarrassed millionaires" - Steinbeck

"Our species is the only creative species, and it has only one creative instrument, the individual mind and spirit of a man. Nothing was ever created by two men. There are no good collaborations, whether in art, in music, in poetry, in mathematics, in philosophy. Once the miracle of creation has taken place, the group can build and extend it, but the group never invents anything. The preciousness lies in the lonely mind of a man. And now the forces marshaled around the concept of the group have declared a war of extermination on that preciousness, the mind of man. By disparagement, by starvation, by repressions, forced direction, and the stunning blows of conditioning, the free, roving mind is being pursued, roped, blunted, drugged. It is a sad suicidal course our species seems to have taken. And this I believe: that the free, exploring mind of the individual human is the most valuable thing in all the world.
And this I would fight for: the freedom of the mind to take any direction it wishes, undirected. And this I must fight against: any idea, religion, or government which limits or destroys the individual. This is what I am and what I am about. I can understand why a system built on a pattern must try to destroy the free mind, for this is the one thing which can by inspection destroy such a system. Surely I can understand this, and I hate it and I will fight against it to preserve the one thing that separates us from the uncreative beasts. If the glory can be killed, we are lost." -East of Eden 1952

"I guess this is why I hate governments. It is always the rule, the fine print, carried out by the fine print men. There's nothing to fight, no wall to hammer with frustrated fists."-Travels with Charley, 1962

"What good's an opinion if you don't know?"-Travels with Charley

"Power does not corrupt. Fear corrupts... perhaps the fear of a loss of power."

"...there is a base theme. Try to understand men, if you understand each other you will be kind to each other. Knowing a man well never leads to hate and nearly always leads to love."
JOYE PIERRE
Légende: Le 27 mars 1957, l'économiste Pierre Joye dénonce dans le quotidien communiste belge Le Drapeau rouge la Communauté économique européenne (CEE) qui symbolise à ses yeux l'alliance du grand capital contre les travailleurs européens.
Edited: 195703270904
L'Europe des trusts
Les cloches de Rome sonnaient à toute volée quand P.-H. Spaak apposa, le premier, sa signature en bas des
traités du Marché commun et de l'Euratom. Les enfants des écoles avaient reçu congé et tout avait été mis en
œuvre pour imprimer un caractère solennel à une cérémonie dont les principaux acteurs s'ingénièrent, assez
lourdement, à exalter l'importance : Adenauer en affirmant que « cette signature est un événement
historique » et Spaak renchérissant en déclarant que « le 25 mars » demeurera la date la plus importante de
l'histoire de l'Europe ».
Radio-Vatican, à vrai dire, fut plus lyrique encore : soulignant que la signature se faisait le jour de
l’Annonciation, quand l’ange Gabriel annonça à la Vierge qu’elle allait être la mère de Dieu, le speaker
pontifical formula le vœu que les traités soient aussi annonciateurs d’une ère nouvelle !
En dépit des carillons, de l'éloquence officielle et de la bénédiction papale, ce pas important vers le Marché
commun ne suscite guère d'enthousiasme dans les pays intéressés.
A Rome déjà, à l’issue de la cérémonie, M. Pineau a eu fort à faire pour défendre des projets qui suscitent de
vives critiques dans son pays. A Bonn, en indiquant les conditions qu'il met à la ratification des traités, le
parti social-démocrate allemand a confirmé que ses perspectives sont diamétralement opposées à celles des
promoteurs de l'Europe à Six.
Et en Belgique même, les premiers commentaires sont fort prudents. Tandis que « La Métropole » exprime
l'avis que « la bataille » pour la défense des intérêts raisonnables de chaque nation participante ne fait que
commencer, « La Cote libre » constate que « plus on avance, plus on se rend compte que la Belgiq