Search our collection of 11.967 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 2.861 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 18 books

We found 247 news item(s)

HIMPE Anne
De Beweging in Huis. Vlaamse huizen tijdens het Interbellum.
Pb, 4to, 271 pp., illustraties in ZW en kleur, foto's, bibliografie, chronologie van de stichtingen van de Vlaamse Huizen. Volume 8 in de serie "Bijdragen Museum van de Vlaamse sociale strijd". Interessant en origineel werk, gebaseerd op archiefonderzoek.
Uit de knappe inleiding (Verantwoording) citeren wij:
"De Vlaamse Huizen kaderen in een evolutie die historisch belangrijk is. Zij kwamen tot stand op het ogenblik dat het uit de 19de eeuw daterende cultuurflamingantisme door het dramatisch frontleven in de Ijzervlakten en de naoorlogse anti-flamingante hetze resoluut in nieuwe banen geleid werd. Uit die radicalisering werd het Vlaams-nationalisme als politieke realiteit geboren en als dusdanig van de jaren twintig af tegen de vele liberale, katholieke en socialistische personaliteiten, die de Vlaamse zaak in hun ogen minimaliseerden tot een min of meer fatsoenlijke taalwetgeving in het kader van een unitaire staat. Zij waren ervan overtuigd dat het 100-jarig België afdoende bewezen had de emancipatie van de Vlaamse bevolking niet te kunnen of willen realiseren."
En "Het aantal vermelde lokalen in het hele Vlaamse land steeg voortdurend, van 40 in 1929, naar 161 in 1930, 183 in 1931, 284 in 1932, 287 in 1933 en 309 in 1934." (p. 19)
Het mag verwondering wekken dat aan het thema van de Vlaamse Huizen niet eerder een diepgaand historisch onderzoek werd besteed, temeer omdat hier sprake is van een belangrijk netwerk waar de Vlaamse publieke opinie werd gevormd.
In het Woord Vooraf worden twee projectmedewerkers genoemd: Anne Himpe en Veerle Schiltz. Waarom de naam van de tweede niet werd opgenomen op de titelpagina, is onduidelijk.
€ 20.0

BUY

VAN IMPE H. Prof.
De Staat, wat is dat eigenlijk? Staat, democratie en recht. 2de herwerkte uitgave.
Pb 196 pp. Bedoeld als een bezinning over de relatie mens en maatschappij. Professor Van Impe is directeur van het Centrum voor staats- en bestuursrecht van de Vrije Univ. Brussel. Van Impe noemt het België tussen 1831 en 1893 een "klassenstaat", steunend op het belastingkiesrecht, en een afspiegeling van de toenmalige Belgische klassenmaatschappij.
€ 10.0

BUY

VAN IMPE Marc (samenstelling)
Groot vuil. Het milieuprobleem in België.
Pb, in-8, 235 pp., tabellen, kaartjes, bibliografie, index. Omvat 3 grote delen: lucht, water en bodem. Het boek is gebaseerd op het rapport van het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie (IHE) van 1990. Het woord vooraf is onthullend want het geeft aan hoe er in dit land met ernstige rapportering wordt omgegaan: onderste schuif rechts. Blijkbaar zijn alle beleidsverantwoordelijken en alle politieke partijen (ook Agalev) in dit bedje ziek want het algemeen belang moet bakzeil halen voor ego's, particuliere en electorale belangen.
€ 12.5

BUY

VUCHELEN Jef, VAN IMPE William
Privatisering. Van Macht naar Markt.
Softcover, pb, 8vo, 254 pp., index, bibliografie. [old booknumber 33605]. Wie dit boek vandaag herleest zal tot de vaststelling komen dat het om een gevaarlijk neo-liberaal pamflet gaat dat de gevaren van een globalisering niet onderkende of zelfs ontkende. Het verloop van de privatiseringen heeft aangetoond dat deze blind en overhaast gebeurden en bovendien in een klimaat vol geheimhouding. Het resultaat is niet de creatie van marktconforme verhoudingen geweest (hogere efficiency, lagere prijzen door toegenomen concurrentie) maar heeft de sleutelsectoren in handen gespeeld van een beperkt aantal oligarchen, de zgn. 'global players'. Privatisering > delokalisering > plutocratie. Het gehele werkstuk draagt de stempel van Guy Verhofstadt en Clair Ysebaert. Zie ook de scherpe analyse van Jean Ziegler, Les seigneurs du crime (1998), vertaald als Heren van de misdaad
€ 30.0

BUY

The covers of the following books are not yet photographed

BEHEYDT Ludo, CROLS Frans, DAEMS Sooi, VAN GERVEN Lieven, HOOGHE Liesbet, VAN IMPE Herman, PONETTE Eric, DE ROOVER Peter, Tussen taal en staat. Vooruitkijken voor Vlaanderen., Leuven, Davidsfonds, 1993.

DE KIMPE Henri Lic. H.C.M. Wet./Handelsblad/Kartografisch Instituut E. Patesson (opvolger: Willy Rousseau), De Wereld in woord, in kaart, in beeld. 2 volumes: De vijf werelddelen, Europa., Antwerpen, Het Handelsblad, Lijnwaadmarkt 9, 1951.

DREZE René (woord vooraf), VANDERPOORTEN Herman, VAN IMPE Jean jr, CLAES Albert, ERAUW Fernand, VAN CROMBRUGGE Jean, VERHE Jaak, ANDRIES Emile, SCHELFOUT Willy, Het nationalisatievraagstuk. Documentatie van het sociaal liberalisme, nr 1, Brussel, Sociaal Centrum der Liberale Jeugd vzw, 1947.

DUVOSQUEL Jean-Marie, DE SIMPEL Francis, e.a. , Mémoires de la Société d'histoire de Comines-Warneton et de la région - Tome XXIV - 1994 , Warneton, , 1994.

GIMPEL Jean, La révolution industrielle du Moyen Age, Paris, Editions du Seuil, 1975.

IMP, Vliegtuigen van de wereld (16 delen in 7 ringkaften = volledig!), Utrecht, IMP, 1995.

JANSEN Leo, ROBERT Jan, inl. Han Van Crimpen, Kort geluk. De briefwisseling tussen Theo van Gogh en Jo Bonger, Amsterdam, Van Gogh Museum, 1999.

La Lowa - SA d'Importation & d'Exportation au Congo Belge et autres Pays d'Outre-Mer, La Lowa - SA d'Importation & d'Exportation au Congo Belge et autres Pays d'Outre-Mer, Anvers, , .

SIMPSON George Gaylord, De betekenis van de evolutie., Utrecht, Aula, 1962.

SIMPSON George Gaylord, The meaning of evolution. A study of the history of life and of its significance for man., London, Yale University Press, 1966.

SURDIACOURT Dirck, VAN TRIMPONT Marc, De Witte Congo. Congo ya pembe. Koloniale vergezichten voor Geraardse thuisblijvers. & Naar verre horizonten, de Geraardse kerktoren voorbij., Geraardsbergen, Gerardimontium, 2008.

VAN IMPE Alfons, Over toneel. Vlaamse kroniek van het komediantendom [geschiedenis van het toneel], Tielt, Lannoo, 1978.

VAN TONGERLOO, IMPENS, GVA naar de 100 - Gazet van Antwerpen, Antwerpen, De Vlijt, 1986.

VERWIMP L. en VERLEDENS A. , SCK-CEN 1952-2002, Mol, SCK-CEN. , 2002.

Trump wil ruimteleger
Edited: 201806190944
Trump wil dus loskomen van territoriale imperatieven (basissen op de continenten, vliegdekschepen) en het onderhouden van vazalstaten.
Elk land van de planeet wordt aldus een mogelijk doelwit en binnen enkele seconden kunnen de communicatiesatellieten van de tegenstrever worden uitgeschakeld.
Met een geostationair kanon komt een nieuwe dominantie tot stand en hangt het zwaard van Damokles letterlijk boven de hoofden van niet-bevriende staten.
Dat de USA over de technologische capaciteit beschikt, leidt geen twijfel.

Pro memorie: de dampkring is zo'n 1000 km dik en alle doelwitten komen in de ruimte-optie dus dichterbij te liggen, veel dichter dan voor intercontinentale raketten het geval is. De stuwkracht van raketten kan aanzienlijk verminderd worden omdat de aantrekkingskracht van de aarde als magneet functioneert.

Vergelijk deze strategie van Trump met die van Ronald Reagan in 1983, het zgn. Star Wars programma.
GUTERRES Antonio, UN Secretary General
Really concerned, world heading to a Cold War era
Edited: 201803311255
"I am really very concerned. I think we are coming to a situation that is similar, to a large extent, to what we lived during the Cold War but with two very important differences," UN Secretary General Antonio Guterres said in response to questions by reporters on the US announcement to expel Russian UN diplomats and could a new Cold War be developing.
Guterres said in the Cold War, there were clearly two superpowers with a complete control of the situation of two areas in the world.
"Now, we have many other actors that are relatively independent and with an important role in many of the conflicts that we are witnessing, with risks of escalation that are well known," he said.
1.233: zoveel mensen zet Carrefour aan de deur
Edited: 201801251647
Het telefoontje vanuit Davos:
Kris: 1.233 is wel heel veel hé Alexandre. 't Zijn hier verkiezingen binnenkort.
Alexandre: We hebben wat speling gelaten. We gaan hard onderhandelen en dan geven we u die 233 sukkels cado. Die hebt gij dan zogezegd uit de brand gesleept. Ge moet gewoon zien dat de vakbonden die pluim niet op hunnen hoed steken, hé.
Kris: Ah, zo.
Alexandre: We brengen de gesprekken in een patstelling. Gij roept ons naar het kabinet en daarna is dan de deal rond: van 1233 naar 1000. Ge steekt dan wel iets in mekaar, zo van "de bedrijfseconomische imperatieven" en "de gewijzigde situatie op de markt door de oprukkende e-commerce" ... allez, ge kent da wel, hé. Met die Arco-deal erbij na de verkoop van Belfius zult ge da wel overleven.
Ik denk trouwens da wij wat Belfius gaan kopen ... gezonde bank, hé.


Jaarverslag Carrefour 2016
de privatisering van Belfius is een beroving van de Staat, dus van ons allen
Edited: 201801111307



Halt aan de privatisering van Belfius. Wij vragen een publiek debat over de toekomst van de bank.
De overheid heeft de verkoop van Belfius aangekondigd. De bank is vandaag voor 100 % in handen van de Staat en dus van de bevolking. Voorafgaand aan deze beslissing vond er geen enkel debat plaats. De beslissing om Belfius in een logica van korte-termijn winsten te duwen door een verkoop, zelfs al is die maar gedeeltelijk, zal nochtans een belangrijke impact hebben op de Belgische maatschappij en haar economie :

We ontnemen ons de mogelijkheid om een echte toegang tot bancaire diensten te garanderen : direct contact met het personeel en niet enkel online, bankkantoren in dorpen,…

We ontnemen ons de mogelijkheid om de kredieten te oriënteren in het belang van de maatschappij en de gemeenten: financiering van de energietransitie, investeringen in publieke infrastructuur, …

We ontnemen ons een echt alternatief : een bank waarvan de voornaamste doelstelling is om het publieke belang te dienen en niet de zakken van de aandeelhouders te vullen.

Daarom eisen we :

– De onmiddellijke stopzetting van het privatiseringsproject van Belfius en het einde van het mandaat dat aan de zakenbanken gegeven werd.

– Het openen van een publiek debat (met parlementairen, het middenveld en de werknemers uit de sector) over de toekomst van de bank en over het nut van een publieke bank in België.

We kunnen niet toelaten dat de uitvoerende macht in zijn eentje een lichtzinnige beslissing neemt over de toekomst van één van de voornaamste banken in België. We roepen op tot dringende actie van het Federale Parlement met betrekking tot dit onderwerp.


teken de petitie


zie ook de studie van Dierckx
nws
Premier verdedigt via Facebook zijn vluchtelingenbeleid - Eéntalig in het Frans -Een kreet van onmacht, volgens Carl Devos
Edited: 201801022244
Le sens de la nuance et des responsabilités
CHARLES MICHEL· Mardi 2 janvier 2018
Le gouvernement applique depuis 3 ans une politique migratoire humaine et ferme.
Il n’y a pas en Belgique de jungle de Calais sur la route de la Grande Bretagne. Tout est mis en œuvre pour qu’il n’y en ait pas.
Il n’y a pas de situation non maîtrisée comme dans d’autres pays. Mettant en danger la cohésion sociale et alimentant toutes les formes d’extrémisme.
Le gouvernement a pris ses responsabilités. Nous accueillons ceux qui sont dans les conditions du droit d’asile. Et nous travaillons sur le plan européen pour contrôler les frontières et éviter une situation d’appel d’air qui deviendrait rapidement ingérable.
Malgré la grave crise de l’asile depuis 2015, la situation a été gardée en permanence sous contrôle dans notre pays.
C’est le fruit de l’action coordonnée et résolue du gouvernement et de l’ensemble des services administratifs et policiers.
La Belgique met un point d’honneur à respecter les obligations européennes et internationales.
La politique menée est humaine et appuyée par le respect des décisions des juridictions administratives et judiciaires.
Les campagnes de désinformation régulières m’amènent à mettre les points sur les « i ». J’ai délibérément choisi de le faire avec le recul nécessaire.
La politique de retour en particulier vers le Soudan est un sujet sensible qui appelle de la nuance. Et mérite mieux que les simplismes ou les caricatures dans un sens ou dans un autre.
Je veux ici rétablir quelques vérités très éloignées de la perception que d’aucuns tentent de créer.
- Tout d’abord, cette question est européenne. De nombreux pays appliquent la même politique. Le Royaume-Uni, la France, l’Italie et la Norvège organisent également des missions techniques d’identification avec le Soudan. En 2016, l’Italie a renvoyé 40 ressortissants soudanais, la Suède 15, l’Irlande 5. La Norvège en a renvoyé 60 entre 2015 et 2016 (source: Eurostat). Le Haut Commissariat des Nations unies pour les réfugiés (HCR) a commencé, ce mois de décembre, les rapatriements volontaires vers le Soudan et indique travailler directement avec le gouvernement soudanais pour mener à bien ces opérations de réintégration (source: UNHCR).
- Ensuite les décisions, qu’elles soient administratives ou judiciaires, se prennent toujours au cas par cas, sur base des éléments qui composent le dossier individuel de la personne et son parcours personnel.
Les décisions d’éloignement sont prises par l’Office des étrangers. À cette occasion, l’Office des étrangers est chargé de réaliser une analyse du risque éventuel de violation de l’article 3 de la Convention européenne des droits de l’homme (CEDH) interdisant les traitements inhumains et dégradants. Tout retour doit faire l’objet d’un examen de conformité à l’article 3 de la CEDH, cela a été confirmé par le Directeur général de l’Office des étrangers. Il a aussi précisé que les retours n’ont pas lieu vers des régions jugées dangereuses par le CGRA.
Concrètement, suite à la mission technique d’identification, l’Office des étrangers a décidé du renvoi de 9 ressortissants soudanais (un départ volontaire, trois sans escorte et cinq avec escorte).
- Les décisions sont susceptibles de recours devant des juridictions indépendantes. La personne qui fait l’objet d’une décision d’éloignement peut introduire un recours devant le Conseil du contentieux des étrangers. En cas de recours en extrême urgence, la décision d’éloignement sera suspendue. Si cette personne fait état de sa crainte de subir des répercussions à son retour dans son pays d’origine, elle peut, y compris après la décision d’éloignement de l’Office des étrangers et après identification, introduire une demande d’asile, ce qui aura pour conséquence de suspendre l’éloignement.
Le 20 décembre dernier, la Cour d’Appel de Liège a donné gain de cause à l’Etat en réformant l’ordonnance du Président du Tribunal de Première Instance qui interdisait à l’Etat belge de rapatrier des personnes soudanaises, à la suite d’une procédure introduite par la Ligue des Droits de l’Homme.
- Le Commissaire général aux réfugiés et apatrides a, par ailleurs, analysé la situation spécifique du Soudan dans une récente note d’octobre. Cette note est bien plus nuancée que l’interprétation unilatérale qui en a été donnée. Elle distingue, tout d’abord, différents types de dossiers de personnes d’origine soudanaise et précise le traitement réservé généralement aux demandes d’asile pour chacun des cas. En substance, pour 11 états (provinces), soit la grande majorité du territoire soudanais, la protection subsidiaire n’est pas accordée. Mais bien entendu, comme pour toute autre nationalité, la personne soudanaise qui fait preuve d’une crainte individuelle pourra se voir reconnaitre le statut de réfugié.
Il découle donc de cette note que toute personne d’origine soudanaise n’a pas d’office droit à une protection internationale. Preuve en est, le taux de reconnaissance pour les personnes d’origine soudanaise est en 2017 de 54,7%.
En outre, comme l’indique aussi la note, la question d’une alternative d’asile dans d’autres régions du Soudan est, dans certains cas, évaluée par le CGRA. Ce qui démontre encore que la situation de conflit n’est pas étendue à l’ensemble du territoire, mais concerne uniquement certaines régions.
- Les personnes concernées, pour la plupart, trompées par des passeurs sans scrupules, choisissent de ne pas introduire de demande d’asile en Belgique parce qu’elles souhaitent se rendre au Royaume-Uni. Dans certains cas, l’introduction d’une telle demande impliquerait, conformément au Règlement Dublin, un retour vers l’Italie qui autorise aussi, dans certains cas, le renvoi vers le Soudan.
- Enfin, la Belgique assume largement sa part de solidarité dans un souci de dignité et d’humanité. La protection internationale a en effet été accordée chez nous à (source: CGRA) :
- 10.783 personnes en 2015 ;
- 15.478 personnes en 2016 ;
- 12.679 personnes de janvier à novembre 2017.
En outre, le gouvernement depuis 3 ans délivre bien davantage de visas humanitaires que sous les législatures précédentes : 1.616 en 2017 jusqu’à fin septembre ; 1.185 en 2016 ; 849 en 2015 (contre 208 en 2014 ; 270 en 2013 ; 211 en 2012 ; 270 en 2011 et 357 en 2010).
Voici les éléments objectifs très éloignés des caricatures et simplismes, dans tous les sens, qui peuvent abîmer l’image et la crédibilité de notre pays. Chaque fois que je l’ai jugé nécessaire, j’ai appelé cette exigence de responsabilité et de nuance qui vaut pour l’opposition et la majorité.
En 2016 aussi, un autre dossier de migration avait suscité de vifs débats et des attaques dures contre le gouvernement. Une famille syrienne avait introduit une demande de visa court séjour expressément motivée par l’objectif de venir en Belgique pour y introduire une demande d’asile. Dans une affaire similaire, la Cour de justice de l’Union européenne a rendu un arrêt en mars 2017 en donnant raison sur la toute la ligne à la position défendue par le Gouvernement belge. La Commission européenne et 13 pays européens avaient d’ailleurs soutenu la Belgique dans cette procédure. Cette décision a été suivie... du silence assourdissant des acteurs comme des commentateurs qui avaient pourtant nourri avec hargne la polémique contre le gouvernement quelques semaines plus tôt.
La presse a rapporté des faits de maltraitance et de torture lors de retours au Soudan. Mesurant la gravité de ces allégations, le lancement d’une enquête a été immédiatement décidé. Elle doit être indépendante et à dimension européenne et internationale. Il s’agit de faire la clarté et de permettre l’information transparente pour le Parlement. Ce n’est - fort logiquement - qu’après le résultat de cette enquête que les appréciations politiques pourront être évaluées en connaissance de cause. Dans l’attente des résultats, espérés pour janvier, j’ai annoncé qu’il n’y aurait pas de rapatriements vers le Soudan.
Je souhaite aussi saluer le travail des différents services administratifs, policiers et judiciaires confrontés au quotidien à des situations humaines souvent douloureuses et complexes. Je sais qu’ils veillent à appliquer de bonne foi les lois belges, européennes et internationales. Ils sont les moteurs de notre Etat de droit.
La dignité des personnes concernées doit être au cœur de toutes les décisions. Dans un souci de justice et d’humanité.
C’est dans ce cadre que chaque semaine, le gouvernement rend compte au parlement.
Nous maintiendrons le cap pour une politique humaine et ferme. Avec le sens de la nuance et des responsabilités.
Vous pouvez compter sur ma détermination.
Charles Michel
Premier Ministre
SIPRI/Statista
Wapenexport: de grootste klanten van de USA
Edited: 201712111824
De statistiek is geen verrassing maar in deze tijden van oplopende spanningen verklaart hij toch een stuk van de geopolitiek.





Noot LT: de grafiek verwijst naar TIV wat de vergelijking met andere parameters, uitgedrukt in dollar bijvoorbeeld, bemoeilijkt.


Voor meer gedetailleerde informatie kunt u terecht bij het SIPRI. Hieronder vindt u de Summary van het Yearbook 2017.
Metropolitan (NY) onder vuur voor tonen van Thérèse Dreaming (1938) van Balthus (1908-2001). Petitie tegen zgn. voyeuristisch doek.
Edited: 201712071210
Therese Dreaming (1938)
This work was created the year after Girl and Cat, and towards the end of the period during which he painted Therese. While this girl is in a similar pose to the earlier work, there is a heightened sense of agitation for the subject in the composition. Her eyes are closed and face turned away from the viewer. Therese's body is more defined as an adult; her legs are longer and her face and arms have shed their prepubescent extra weight. Overlapping the title's indication of dreaming, her facial expressions suggest the mixture of possible ecstatic pleasure and an uncertain, uncomfortable or even pained response to unwanted shared sensual experience.

Here, even the cat assumes a different role, no longer a would-be stalwart sentinel but now a predator, albeit a domestic one, intently and sensually lapping at the bowl at Therese's feet.

The heightening of both the sensual experience depicted and the ambivalence of its subject may hint also at the impending loss of innocence in the painter's relationship with Therese at the time of the piece's production, as the following year he ceased painting her.
Oil on canvas - Metropolitan Museum of Art, New York

meer werk van Balthus op de site van The Art Story

Willen we dan maar gelijk Lolita van Nabokov uit de rekken verwijderen ?
En moeten we nu ook Louis Paul Boon opnieuw gaan screenen ?
Alizée verbannen, misschien?
Gainsbourg opgraven?
Te gek.

In het antwoord van de Met kan ik me volledig vinden: “Moments such as this provide an opportunity for conversation, and visual art is one of the most significant means we have for reflecting on both the past and the present and encouraging the continuing evolution of existing culture through informed discussion and respect for creative expression.” (zoals gemeld door de NYT)

Over de geschiedenis van de preutsheid vindt u meer in Girls lean back everywhere.
Als preutsheid je ding is, dan voel je je misschien beter dan de rest, maar wellicht is dat niet zo en ben je gewoon zoals de anderen.
Libération/Laurent Joffrin
Gaat Corsica Catalonië achterna? De verschillen.
Edited: 201712041813
De Barcelone à Ajaccio
La Corse comme la Catalogne ? Cela y ressemble, mais c’est très différent. Certes, les nationalistes ont remporté un succès éclatant en frisant la majorité absolue au premier tour de ces élections régionales (avec une très forte abstention, toutefois) ; certes, l’idée d’indépendance progresse sans cesse en Corse ; certes, les autonomismes et les dissidences émergent partout en Europe ; certes, la Corse n’est pas tout à fait en France (elle est loin, près de l’Italie, elle a gardé sa personnalité malgré l’annexion violente survenue un peu avant la Révolution) ; deux siècles d’intégration républicaine minée par le clientélisme clanique ne l’ont pas effacée comme tant de régions françaises.
Mais les différences sautent aux yeux. A l’inverse de la Catalogne, la Corse est plus pauvre que le reste du pays ; les aides venues de Paris jouent un rôle important dans son économie, même si elle n’est pas «sous perfusion», comme on le dit abusivement (son économie progresse, notamment grâce au tourisme) ; aussi bien, malgré le vote d’hier, personne ne peut affirmer que les Corses veulent couper les ponts avec la France ; il y faudrait un référendum, que les nationalistes sont loin d’avoir gagné d’avance pour la bonne raison qu’on peut parier, dans ce cas, sur une participation beaucoup plus importante ; enfin les vainqueurs, Talamoni et Simeoni, sont des indépendantistes… qui ne veulent pas l’indépendance. En tout cas pas maintenant. Ajaccio est loin de Barcelone…
Pas de panique républicano-patriote, donc. Le grand avantage dans cette affaire, c’est que le nationalisme corse a déposé les armes. Comme toujours, le terrorisme a échoué : c’est l’action politique qui permet aux revendications d’avancer. L’île n’est pas pacifiée pour autant : le banditisme y sévit à un niveau extravagant. Mais au moins, il n’y a plus d’attentats. Les nationalistes vont maintenant pousser les feux vers une plus grande autonomie, ce qui peut se comprendre : la majorité des grandes îles de la Méditerranée ont un statut à part. Langue corse, transfèrement des prisonniers, statut de résident corse : on va négocier. Les mots remplacent les balles, les orateurs sonores – il y a une éloquence corse, spécifique – prennent la suite des tueurs microcéphales. Dans cette approche réformiste, l’indépendance reste un mythe lointain qui laisse l’avenir ouvert. Si le triomphe nationaliste ne débouche pas sur une intolérance c oupable à l’égard de ce qui n’est pas corse (les musulmans, les pinzutti, les étrangers) et qu’on sent parfois dans les motivations des électeurs on aura progressé. Indépendance ou pas.
Et aussi
On dit parfois que les élections n’ont guère d’effet sur la marche des nations, que la politique n’a plus guère d’influence sur la société. En remportant son premier succès législatif, Trump démontre le contraire. Sa réforme fiscale, qui a passé l’obstacle du Sénat et devrait franchir sans trop de mal celui de la Chambre de Représentants, marquera l’histoire économique et sociale du pays.
Baisse de l’impôt sur les sociétés, simplification fiscale profitant d’abord aux plus hauts revenus : le capitalisme américain est exonéré massivement ; les plus riches seront à terme encore plus riches ; la lutte contre les paradis fiscaux est affaiblie. Au passage, Trump et les républicains ont dézingué un peu plus l’Obamacare (qui ressemble désormais à une peau de chagrin), ont autorisé les forages en Alaska et introduit quelques clauses protectionnistes bien senties. Les Etats-Unis, au terme de ce traitement de cheval, seront plus que jamais le continent des milliardaires et des inégalités. Trump est un Reagan isolationniste. Décidément, le clown de la Maison Blanche ne fait pas rire. Pendant la campagne, Trump devait aider la classe moyenne et les oubliés de la mondialisation : il vole au secours du capital et des classes supérieures. Le populisme, décidément, est le moyen le plus sûr de tromper le peuple.
Avaaz
stop de ivoorhandel. Laat je stem horen !
Edited: 201712031035










Europa heeft net een openbare hoorzitting gelanceerd over een totaalverbod op ivoorhandel!

Geldbeluste ivoorhandelaren doen hun best om de handel levend te houden, maar als we massaal oproepen tot een verbod kunnen we dit winnen.

Avaaz zal onze reacties via de officiële weg inzenden. Iedere stem telt! Door genoeg reacties in te sturen kunnen we een verbod op de ivoorhandel afdwingen -- en voorkomen dat deze prachtige dieren uitsterven.



stem hier door een simpele klik
Cable.Co.UK
Study of broadband pricing in 196 countries reveals vast global disparities in the cost of getting online – Belgium ranks with 51,22 US$ 84nd cheapest
Edited: 201711242224
src: cable.co.uk

Infographic: The Most And Least Expensive Countries For Broadband  | Statista
Statista
Afghanistan: opiumproductie stijgt fors
Edited: 201711230605



Afghan opium production has jumped to record levels this year. According to the latest "Afghanistan Opium Survey" released jointly by the Afghan Ministry of Counter Narcotics and United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC), overall production rose by 87 percent compared to last year, to 9,000 metric tons. This is partly due to a 63 percent increase in poppy cultivated cropland, to 328,000 hectares in 2017. Also, the yield has increased by 15 percent to around 27 kilos of opium per hectare.

Afghanistan is the world's top cultivator of poppy from which opium and heroin are produced. The cultivation and sale is a source of revenue for the Taliban insurgency and other terrorist groups, as they levy taxes from farmers cultivating the crop. At the beginning of this week, the U.S. Air Force bombed production facilities in the south Afghan province of Helmand, which is the most prolific production area within Afghanistan.

The steep rise in production also means that more cheap but high quality heroin will be available on illicit markets across the world.

on the consumption side: overdoses rise in the USA


Pro memorie: Op 11 november 2017 bracht de VRT in het journaal een propaganda-reportage: de boeren in Afghanistan waren begonnen met het planten en oogsten van saffraan ... op 3.000 hectaren. Hoe goedgelovig kan je zijn? Met geen woord werd gerept over de enorme productiestijging in de opium-business.

België magneet voor 'geïmporteerde buitenlandse conflicten'
Edited: 201710311122
Koerden - Turken
Catalonië - Spanje

zie ook De Slagvelden van België
Spanje/Calalonië: referendum aan de gang. Rusland kijkt alert toe.
Edited: 201710011225
In Moskou wordt dit referendum scherp in de gaten gehouden. Immers, als de EU nog maar een kleine toegeving zou doen, dan zou dat een impliciete erkenning inhouden van het referendum op de Krim (16 maart 2014).

We kijken even naar het economisch belang van Catalonië binnen Spanje:
grondgebied: 6,3%
BBP: 20%
toerisme: 23,5%.
Madrid heeft veel te verliezen bij deze - zeg maar: 'revolte'.
Reedit 201710011733/201710012359: Guardia Civil - de nationale politie met een bedenkelijke reputatie - treedt hardhandig op en schiet met rubberkogels; meer dan 400 gewonden. (RT = The Russian Telegraph) Tegen het einde van de dag liep het aantal gewonden op tot meer dan 800. Op video-beelden (en die zijn er in overvloed) is te zien dat een Guardia van een trap springt bovenop de borst van een neerliggende burger ... combat boots vooruit !
Waarnemers brengen de repressie in verband met de methodes van het Franco-regime.
De Spaanse minister van Buz verklaarde doodleuk dat er geen disproportioneel geweld was gebruikt. De beelden tonen het tegenovergestelde.
Voor Mariano Rajoy, de premier van Spanje, is er helemaal geen referendum geweest in Catalonië.
Laat het ons hierop houden: de Catalanen hebben hun stem laten horen, de Spaanse staat heeft zijn ware gelaat getoond.


zie ook The Tragic Week, revolte in Barcelona in juli 1909
Nieuws
Alstom en Siemens fuseren rail-activiteiten (MOU) - Grote brok voor grote appetijt?
Edited: 201709301214


Volgens de 1M van Frankrijk, Edouard Philippe, moet de fusie leiden tot een grotere Europese rail-groep die moet kunnen opboksen tegen de concurrentie van China.
Commentaar: Ik zie niet in hoe een schaalvergroting een voordeel zou kunnen zijn, gegeven de significant lagere productiekosten in China. Het conglomeraat Siemens/Alstom wordt eerder een aantrekkelijker prooi voor de grote appetijt van de Chinese investeerders (of Big Players die zich voor Chinezen laten doorgaan). En dus is het best mogelijk dat Siemans/Alstom binnen enkele jaren opgeslokt wordt door het netwerk van de Big Players.

Hieronder het perspericht van Alstom, vrijgegeven op 26/9/2017.

Siemens and Alstom join forces to create a European Champion in Mobility
26/09/2017
Signed Memorandum of Understanding grants exclusivity to combine mobility businesses in a merger of equals
Listing in France and group headquarters in Paris area; led by Alstom CEO with 50 percent shares of the new entity owned by Siemens
Business headquarter for Mobility Solutions in Germany and for Rolling Stock in France
Comprehensive offering and global presence will offer best value to customers all over the world
Combined company’s revenue €15.3 billion, adjusted EBIT of €1.2 billion
Annual synergies of €470 million expected latest four years after closing
Today, Siemens and Alstom have signed a Memorandum of Understanding to combine Siemens’ mobility business including its rail traction drives business with Alstom. The transaction brings together two innovative players of the railway market with unique customer value and operational potential. The two businesses are largely complementary in terms of activities and geographies. Siemens will receive newly issued shares in the combined company representing 50 percent of Alstom’s share capital on a fully diluted basis.

“This Franco-German merger of equals sends a strong signal in many ways. We put the European idea to work and together with our friends at Alstom, we are creating a new European champion in the rail industry for the long term. This will give our customers around the world a more innovative and more competitive portfolio”, said Joe Kaeser, President and CEO of Siemens AG. “The global market-place has changed significantly over the last few years. A dominant player in Asia has changed global market dynamics and digitalization will impact the future of mobility. Together, we can offer more choices and will be driving this transformation for our customers, employees and shareholders in a responsible and sustainable way”, Kaeser added.

“Today is a key moment in Alstom’s history, confirming its position as the platform for the rail sector consolidation. Mobility is at the heart of today’s world challenges. Future modes of transportation are bound to be clean and competitive. Thanks to its global reach across all continents, its scale, its technological know-how and its unique positioning on digital transportation, the combination of Alstom and Siemens Mobility will bring to its customers and ultimately to all citizens smarter and more efficient systems to meet mobility challenges of cities and countries. By combining Siemens Mobility’s experienced teams, complementary geographies and innovative expertise with ours, the new entity will create value for customers, employees and shareholders,” said Henri Poupart-Lafarge, Chairman and Chief Executive Officer of Alstom SA. “I am particularly proud to lead the creation of such a group which will undoubtedly shape the future of mobility.”

The new entity will benefit from an order backlog of €61.2 billion, revenue of €15.3 billion, an adjusted EBIT of €1.2 billion and an adjusted EBIT-margin of 8.0 percent, based on information extracted from the last annual financial statements of Alstom and Siemens. In a combined setup, Siemens and Alstom expect to generate annual synergies of €470 million latest in year four post-closing and targets net-cash at closing between €0.5 billion to €1.0 billion. Global headquarters as well as the management team for rolling stock will be located in Paris area and the combined entity will remain listed in France. Headquarters for the Mobility Solutions business will be located in Berlin, Germany. In total, the new entity will have 62,300 employees in over 60 countries.

As part of the combination, Alstom existing shareholders at the close of the day preceding the closing date, will receive two special dividends: a control premium of €4.00 per share (in total = €0.9 billion) to be paid shortly after closing of the transaction and an extraordinary dividend of up to €4.00 per share (in total = €0.9 billion) to be paid out of the proceeds of Alstom’s put options for the General Electric joint ventures of approximately €2.5 billion subject to the cash position of Alstom. Siemens will receive warrants allowing it to acquire Alstom shares representing two percentage points of its share capital that can be exercised earliest four years after closing.

The businesses of the two companies are largely complementary. The combined entity will offer a significantly increased range of diversified product and solution offerings to meet multi-facetted, customer-specific needs, from cost-efficient mass-market platforms to high-end technologies. The global footprint enables the merged company to access growth markets in Middle East and Africa, India, and Middle and South America where Alstom is present, and China, United States and Russia where Siemens is present. Customers will significantly benefit from a well-balanced larger geographic footprint, a comprehensive portfolio offering and significant investment into digital services. The combination of know-how and innovation power of both companies will drive crucial innovations, cost efficiency and faster response, which will allow the combined entity to better address customer needs.

The Board of Directors of the combined group will consist of 11 members and will be comprised of 6 directors designated by Siemens, one of which being the Chairman, 4 independent directors and the CEO. In order to ensure management continuity, Henri Poupart-Lafarge, will continue to lead the company as CEO and will be a board member. Jochen Eickholt, CEO of Siemens Mobility, shall assume an important responsibility in the merged entity. The corporate name of the combined group will be Siemens Alstom.

The envisaged transaction is unanimously supported by Alstom’s board (further to a review process of the preparation of the transaction by the Audit Committee acting as an ad hoc committee) and Siemens’s supervisory board. Bouygues fully supports the transaction and will vote in favor of the transaction at the Alstom’s board of directors and at the extraordinary general meeting deciding on the transaction to be held before July 31, 2018, in line with Alstom board of director decision. The French State also supports the transaction based on undertakings by Siemens, including a standstill at 50.5 percent of Alstom’s share capital for four years after closing and certain governance and organizational and employment protections. The French State confirms that the loan of Alstom shares from Bouygues SA will be terminated in accordance with its terms no later than October 17, 2017 and that it will not exercise the options granted by Bouygues. Bouygues has committed to keep its shares until the earlier of the extraordinary general meeting deciding on the transaction and July 31, 2018.

In France, Alstom and Siemens will initiate Works Councils’ information and consultation procedure according to French law prior to the signing of the transaction documents. If Alstom were not to pursue the transaction, it would have to pay a €140 million break-fee. The transaction will take the form of a contribution in kind of the Siemens Mobility business including its rail traction drives business to Alstom for newly issued shares of Alstom and will be subject to Alstom’s shareholders’ approval, including for purposes of cancelling the double voting rights, anticipated to be held in the second quarter of 2018. The transaction is also subject to clearance from relevant regulatory authorities, including foreign investment clearance in France and anti-trust authorities as well as the confirmation by the French capital market authority (AMF) that no mandatory takeover offer has to be launched by Siemens following completion of the contribution. Closing is expected at the end of calendar year 2018.

de geschiedenis van Siemens

histoire d'Alstom France
LT
gepland referendum over onafhankelijkheid Catalonië niet ongevaarlijk
Edited: 201709180115
De Spaanse grondwet voorziet niet in een referendum van deze aard.
Madrid dreigt met zware sancties tegen ambtenaren die hun medewerking verlenen en de Guardia Civil is op zoek naar de producenten van de stemurnen en alle materiële middelen die het referendum kunnen waarmaken.
De Catalaanse regering dreigt ermee een feitelijke toestand te creëren, ook indien die onwettig is. Lees: burgerlijke ongehoorzaamheid, inclusief manifestaties.
Voor de Europese Unie dreigt een impasse, maar Juncker zwijgt. Voor Frankrijk stelt zich het probleem van een grens erbij, en de stilte van Macron is veelbetekenend. In eigen land heeft hij de handen vol met zijn 'coup d'état social' die heel Frankrijk in tweeën splijt. En een Catalaanse afscheiding wordt nauwgelet in het oog gehouden in Corsica.
Geopolitiek is de toestand verre van onbelangrijk want staat men in Catalonië toe wat men inzake de Krim veroordeelde? En het confederalisme in België, speerpunt van de NVA? Het wordt alvast geen thema van de verkiezingen in 2019.
Het zijn vele kaarten die op tafel liggen en ze worden niet enkel geschud, ze worden hertekend.
Afspraak op 1 oktober.
Statista
The Terrifiying Rise In U.S. Heroin Overdoses
Edited: 201709141769
Infographic: The Terrifiying Rise In U.S. Heroin Overdoses  | Statista



According to the most recent data from the National Institute on Drug Abuse, fatal heroin overdoses in the U.S. grew from 2,089 in 2002 to 13,219 in 2016. That represents a shocking 533 percent increase. During the same period of time, the number of American heroin users climbed from 404,000 to 948,000.

The data shows just how severe the U.S. opioid crisis has become. In 2008, drug-induced deaths claimed more lives than car crashes for the first time and the gap has continued to widen since then. They have also reached another grim and poignant landmark. Drug overdose deaths are expected to surpass 71,000 this year, a significantly higher death toll than the Vietnam War which claimed just over 58,000 lives.


Amnesty Int
Amnesty International nagelt dictatuur in Turkije en het stilzwijgen van de EU aan de schandpaal
Edited: 201707251205
Dit is een samenvatting van de stellingname van Amnesty:

An attempted coup prompted a massive government crackdown on civil servants and civil society. Those accused of links to the Fethullah Gülen movement were the main target. Over 40,000 people were remanded in pre-trial detention during six months of emergency rule. There was evidence of torture of detainees in the wake of the coup attempt. Nearly 90,000 civil servants were dismissed; hundreds of media outlets and NGOs were closed down and journalists, activists and MPs were detained. Violations of human rights by security forces continued with impunity, especially in the predominantly Kurdish southeast of the country, where urban populations were held under 24-hour curfew. Up to half a million people were displaced in the country. The EU and Turkey agreed a “migration deal” to prevent irregular migration to the EU; this led to the return of hundreds of refugees and asylum-seekers and less criticism by EU bodies of Turkey’s human rights record.



vergelijk met het Bruinboek van 1933
La Voix du Nord
Le parquet de Paris estime qu’il est impossible de dater le début de l’intoxication des victimes, donc d’établir les responsabilités. Une décision qui pourrait ouvrir la voie à des non-lieux dans la vingtaine de dossiers qu’instruit le pôle de santé publique de Paris, dont celui, emblématique, d’Eternit Thiant.
Edited: 201706281139
Stevent Trump af op impeachment?
Edited: 201705171438
Even kijken hoe dat in zijn werk gaat.

Wat vast staat is dat de man geen benul heeft van hoe ver hij te ver kan gaan.
In juridisch jargon wordt zijn optreden obstructie van de rechtsgang genoemd.
Poetin stelt vast dat de USA in een schizofrene toestand verkeert en hij viseerde daarmee waarschijnlijk de mentale toestand van Trump himself.
Wat er ook van zij: met deze president is niet alleen de USA in gevaar maar de gehele wereld.
Het vervelende is dat de stroom aan fratsen continu is, waardoor het stellen van een diagnose ondergedompeld raakt in de mediastorm.
Zelfs de republikeinen zullen op een bepaald moment moeten inzien dat 'impeachment' de enige (legale) manier is om de man te stoppen.
Wat niemand durft te zeggen, misschien enkel zijn familieleden: 'Deze eenzame man heeft dringend verzorging nodig.'
Lettre de Jean-Luc Mélenchon
Edited: 201705061061
Sans être forcément d’accord sur tous les sujets, je crois que nous réagissons de la même façon : on ne peut vivre heureux au milieu d’une marée montante de misère ou de gêne. On ne peut vivre content quand des ouvriers qui défendent leur emploi sont condamnés à de la prison ferme. Surtout quand de puissants personnages restent impunis. On n’accepte plus l’aveuglement dans le productivisme alors que le réchauffement climatique a commencé. On n’aime pas baisser les yeux quand on voit notre pays à la remorque des États-Unis d'Amérique entrer dans la logique de guerre tous azimuts. Ou quand nos dirigeants se font mener par le bout du nez par madame Merkel. Ou quand la France doit demander la permission d’adopter son budget à d’ineptes bureaucrates à Bruxelles. Nous ne supportons plus qu’on se paye de mots avec la République et ne voir partout que des monarques, petits et grands, usent du pouvoir comme d'un privilège personnel. Monarchie présidentielle, richesses produites par le travail de tous accaparées par une poignée d’oligarques, inégalités révoltantes, communautarisme haineux, l’argent maître de toutes décisions, non, ca ne peut plus durer. Nous nous rebellons. Notre vote peut profondément changer le cours des choses. Sinon quoi ?
L’action collective est notre force. Nous allons affronter d’acides campagnes de dénigrements et de falsifications, des flots d’argent, des pluies de sondages improbables, un concert médiatique permanent pour faire de cette élection une nouvelle fois une comédie personnalisée sans perspectives. Tout sera fait pour nous écarter du seul but qui nous motive : permettre à chacun de mener une vie vraiment humaine, libérée de l’angoisse du lendemain, sur une planète respectée, et dans un monde pacifique. Une utopie ? Non, c’est le seul projet raisonnable compte tenu de la situation actuelle et du futur qui nous est annoncé. On peut y parvenir. Cela dépend de nous. Nous ne nous laisserons pas voler l’élection la plus importante de notre pays. Nous ne voulons pas permettre qu’elle se résume à une nouvelle comédie de querelles superficielles entre gens qui, de toute façon, appliquent les mêmes politiques et adoptent les mêmes mœurs monarchiques dès qu’ils sont au pouvoir.
Les malheurs dans lesquels s’enfonce le pays ne tombent pas du ciel. Ce sont les résultats concrets de politiques froidement décidées. Elles sont menées au service de la finance dans toute l’Europe, sous la main de fer de la Commission européenne, en application des traités européens imposés aux Français par supercherie ! Nicolas Sarkozy hier, avec ses gouvernements du centre, de la droite et des transfuges du PS, est coupable. François Hollande, ensuite, avec ses gouvernements PS/EELV où siégeaient notamment MM. Macron, Valls et autres, qui ont mutilé la vie de millions de personnes, sont coupables. Ils ont abaissé le pays et piétiné nos principes républicains les plus essentiels. Le coup de balai a commencé. Les deux anciens présidents ont été sortis. Ne laissons pas leurs anciens ministres et premier ministre continuer leurs politiques ! Tous comptent sur l’épouvantail Le Pen pour vous faire abandonner vos convictions à la porte du bureau de vote au premier comme au deuxième tour. Ils sont très forts quand tout le monde a peur. Peur de tout, et même d’eux quand le dégoût qu’ils inspirent pousse à l’abstention.
Agir dès maintenant c’est refuser de se laisser intimider.
L’année 2017 est propice à l’action. Nous votons le 23 avril et le 7 mai, nos voisins allemands en septembre. Tout peut changer. Surtout que les présidents de l’Europe ont décidé de rédiger un nouveau traité européen…Et que cette année verra aussi présenter la ratification des accords de libre-échange avec le Canada (CETA) et les Etats-Unis (TAFTA).
Mettons-nous donc au travail. Il s’agit d’enraciner solidement notre rebellion. Pour cela il faut accumuler des fonds et des participants à l’action. N’attendez pas les consignes pour agir. Faites ce que vous trouverez de plus utile et convaincant pour élargir le nombre de ceux qui peuvent nous rejoindre et nous aider. Chacun peut rejoindre un groupe d’appui dans son quartier, son entreprise, son université ou en constituer un s’il n’en existe pas encore. Bref là où on vit sa propre vie, là où l’on rencontre les autres. Rejoindre un groupe d’appui n’est pas obligatoire. Mais c’est indispensable pour que vous soyez informés des actions et initiatives à côté de chez vous.
Mais vous pouvez aussi trouver sur ce site des idées à mettre en œuvre, des projets auxquels participer. N’oubliez pas de proposer vos talents ou vos savoirs faire professionnels, tout cela est très précieux. Plus il y aura de signataires plus nous serons forts en ressources, imagination, dévouement. Plus nous aurons de dons, mêmes petits, plus libres nous serons. Car s’ils ont les millions, nous sommes nous des millions !
Il nous faut à la fois convaincre et entraîner. L’idée essentielle c’est de s’adresser au plus grand nombre de ceux qui nous entourent. Notre but est de leur rendre le goût du futur.
Fidèlement,


Marina Abramovic & Ulay
Rest Energy - 1981
Edited: 201705040323

De titel had kunnen zijn: 'Can I help you?'
Het beeld roept in ieder geval vele vragen op.
Stelt dit het feminisme in vraag?
Het heeft niet veel te maken met Amor en Cupido, me dunkt.
De officiële uitleg: onvoorwaardelijk vertrouwen in elkaar.
Maar de interpretatie van een beeld kan in de tijd evolueren en dat heeft de kunstenaar niet onder controle. Die legt hij/zij bij de kijker. Zo trotseert het verstilde beeld de tijd, in een voortdurende stroom van wisselende interpretaties en indrukken, net zoals wij de geschiedenis of de wreedheid herinterpreteren, beschimpen, goedpraten, banaliseren, verheerlijken, negeren, ...

(MUHKA, eigen collectie)
Monique Pinçon-Charlot, Michel Pinçon
Les prédateurs au pouvoir
Edited: 201704121661
ISBN : 2845975856
Paru chez TEXTUEL, le 12/04/2017

Résumé :
Le célèbre couple de sociologues Michel Pinçon et Monique Pinçon-Charlot livre ici une dénonciation impitoyable de la complicité des gouvernements avec le destructeur Dieu Argent. Fidèles à leur méthode rigoureuse, ils démontrent, preuves à l'appui, comment l'argent s'est transformé en une arme de destruction massive aux mains d'une aristocratie de l'argent qui fraye intensément avec celle du pouvoir. A l'heure du "Fillongate", de la violence délirante de Trump, de l'arrogance de Marine Le Pen face à la justice, ou de la mondialisation du droit de polluer à coups de "crédits carbone", l'indignation sociologique des Pinçon-Charlot est indispensable.

La colère sociologique des auteurs est plus vive que jamais : plus de droite ni de gauche. Tous réunis autour du veau d'or. Cynisme et déni de la règle sont devenus le mode de fonctionnement "normal" des dominants. C'est en toute impunité que s'organise la corruption au profit d'une petite caste affamée d'argent sous l’œil bienveillant des gouvernements. Il y a bien sûr Donald, François, Marine et les autres, sur lesquels les deux auteurs alignent des chiffres et faits irréfutables. Ils jettent aussi leur lumière crue sur des pratiques d'une extrême violence : celle de la financiarisation des services à la personne ou à la mondialisation du droit à polluer avec le juteux trafic des "crédits carbone". C'est une guerre que le couple mythique dénonce ici, avec l'argent comme arme de destruction massive .
Une guerre de classe qui menace l'avenir de l'humanité .
CLAUDEL Philippe
Inhumaines
Edited: 201703010524
Vient de paraïtre aux Editions Stock
Collection : La Bleue
Parution : 01/03/2017
176 pages
Format : 137 x 215 mm
EAN : 9782234073388
Prix: 16.50 €
Résumé (Archambault.ca):
« Le rire contre les armes. Et l'ironie pour se moquer de nous. L'homme est sans doute le seul animal à commettre deux fois les mêmes erreurs. Il est aussi l'unique à fabriquer le pire et à le dépasser sans cesse. À observer le monde comme il va, on hésite alors entre les larmes et le rire. J'ai choisi dans Inhumaines de m'affubler d'un nez rouge, d'exagérer le vrai pour en saisir l'atroce. Ma volonté était de cette façon de tempérer la cruauté née de notre société en la croquant de façon grotesque, ce qui permet de s'en moquer, en espérant contribuer à la corriger aussi, même si je n'ai guère d'illusion sur ce point : restons modeste. En 2000, j'avais déjà écrit un roman, J'abandonne, sur la vulgarité de notre monde et sa bêtise. Cela ne me faisait pas rire à l'époque, et le texte était serré comme un coup de poing. Avec le temps, j'ai préféré l'humour et la satire, comme dans Le Paquet ou dans L'Enquête, pour dire comment nous allions droit dans le mur, un mur plus solide que nos pauvres caboches. Je suis convaincu qu'il est des situations où la littérature doit se transformer en papier de verre pour décaper les cervelles : cela fait un peu mal au début mais cela chatouille aussi. Et après tout, à mon très petit niveau, je ne fais avec ce roman de moeurs que m'inscrire dans un sillon tracé depuis longtemps par des aînés prestigieux, Pétrone, Rabelais, Molière, Voltaire, Villiers de L'Isle-Adam, Jarry, l'Apollinaire des romans érotiques et absurdes, Georges Fourest, les Surréalistes, Ionesco, Roland Topor, Pierre Desproges et bien d'autres qui se sont servis de l'outrance et de la farce pour transcrire nos errements, et amuser leur public en le déshabillant. Bien des peintres et graveurs aussi m'ont inspiré depuis longtemps, qui ont su se pencher sur les monstres : Jérôme Bosch, Brueghel, Jacques Callot, Monsu Desiderio, Füssli, George Grosz, Alfred Kubin, Otto Dix, le Topor dessinateur, Reiser, Jean Rustin, Cardon, sans oublier la joyeuse bande du mythique Hara-Kiri. Et dans le cinéma, comment ne pas citer Dino Risi et ses propres Monstres, mais aussi plus près de nous le devenu culte désormais C'est arrivé près de chez vous de Rémy Belvaux, André Bonzel et Benoît Poelvoorde, Inhumaines est inspiré de faits réels. Toute ressemblance avec des personnes ou des situations existant est totalement volontaire. J'ai simplement forcé un peu le trait. À peine. Et je n'ai d'autre ambition que faire rire, même jaune, à nos propres dépens, à commencer par les miens. Inhumaines est à la vérité ce que le palais des glaces est au réel : exhibant un reflet convexe, parfois concave, rétréci ou agrandi, même s'il déforme, il ne ment jamais. »
RUTTE Mark
Open brief aan de Nederlanders: Doe normaal of ga weg
Edited: 201701220807
Aan alle Nederlanders,

Er is iets aan de hand met ons land. Hoe komt het toch dat we als land zo welvarend zijn, maar sommige mensen zich zo armzalig gedragen? Mensen die in toenemende mate de stemming in ons land aan het bepalen zijn. Die bereid zijn om alles waar we als Nederland zo hard voor hebben gewerkt, omver te gooien. Dat laten we toch niet gebeuren?

Verreweg de meesten van ons zijn van goede wil. De stille meerderheid. We hebben het beste met ons land voor. We werken hard, helpen elkaar en vinden Nederland best een gaaf land. Maar we maken ons wel grote zorgen over hoe we met elkaar omgaan. Soms lijkt het wel alsof niemand meer normaal doet.

U herkent het vast wel. Mensen die zich steeds asocialer lijken te gedragen. In het verkeer, in het openbaar vervoer en op straat. Die van mening zijn dat ze altijd maar voorrang hebben. Die afval op straat dumpen. Die conducteurs bespugen. Of die in groepjes rondhangen en mensen treiteren, bedreigen of zelfs mishandelen. Niet normaal.

We voelen een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren, terwijl ze juist naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid. Mensen die zich niet willen aanpassen, afgeven op onze gewoontes en onze waarden afwijzen. Die homo’s lastigvallen, vrouwen in korte rokjes uitjouwen of gewone Nederlanders uitmaken voor racisten. Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat. Dat gevoel heb ik namelijk ook. Doe normaal of ga weg.

Dit gedrag mogen we nooit normaal vinden in ons land. De oplossing is niet om dan maar groepen mensen over één kam te scheren, uit te schelden of hele groepen simpelweg het land uit te zetten. Zo bouwen we toch geen samenleving met elkaar? De oplossing is vooral een mentaliteitskwestie. We zullen glashelder moeten blijven maken wat normaal is en wat niet normaal is in dit land. We zullen onze waarden actief moeten verdedigen.

In Nederland is het namelijk normaal dat je elkaar de hand schudt en gelijk behandelt. Het is normaal dat je van hulpverleners afblijft. Dat je leraren respecteert en mensen niet sart met vlogjes. Het is normaal dat je werkt voor je geld en het beste uit je leven probeert te halen. Elkaar helpt als het even moeilijk gaat en een arm om iemand heen slaat in zware tijden. Het is normaal dat je je inzet en niet wegloopt voor problemen. Dat je fatsoenlijk naar elkaar luistert. In plaats van elkaar te overschreeuwen als je het ergens niet mee eens bent.

De komende tijd is bepalend voor de koers van ons land. Er ligt slechts één vraag voor: wat voor land willen we zijn?

Laten we ervoor strijden dat we ons thuis blijven voelen in ons mooie land. Laten we duidelijk blijven maken wat hier normaal is en wat niet. Ik weet zeker dat we dit voor elkaar gaan krijgen. Dat we alles wat we met elkaar bereikt hebben samen overeind houden. U, ik, wij allemaal. Laten we samenwerken om dit land nóg beter te maken. Want echt, we zijn een ontzettend gaaf land. Ik zou nergens anders willen wonen. U wel?

Groet,
Mark Rutte


(zie ook: verboden toegang )
World inequality
Edited: 201701161104
In the run-up to the Davos meeting hosted by the World Economic Forum in Switzerland, observers have pointed out that the success of nationalist populism around the world might be connected to rising inequality. According to Oxfam, the richest eight people own as much as the whole poorer half of the world’s population.

Infographic: The World's Staggering Wealth Divide | Statista
Turkish Minute / BOZKURT Abdullah
Erdogan’s fifth column in Europe
Edited: 201612040965
Abdullah Bozkurt

The plain, simple and bitter truth is that Turkey’s Islamist rulers have supported and maintained parallel networks in Europe; thrown political, diplomatic and financial support to front NGOs whose role is to promote hatred; and run a campaign of intimidation and curtailed free speech in European nations that are home to large Turkish and Muslim expatriate communities.

Delivering a very passionate speech last month at the European Parliament, Guy Verhofstadt, president of the Alliance of Liberals and Democrats for Europe, called this a fifth column that is being operated by the cronies of autocratic president Recep Tayyip Erdoğan to undermine Europe from within. He called on lawmakers to fight for European values and send a strong message to Erdoğan by freezing the accession talks with Turkey, which will most likely threaten this autocrat’s economic lifeline.

Turkey’s top Islamist has been secretly organizing clandestine networks in Europe to extend his influence and to create a network of supporters among Turkish and Muslim communities (especially from Egypt, Syria, Somalia and the Balkans) that could be called to serve the political goals of Erdogan. Just last week, we saw how this network was mobilized by Erdoğan in Germany, Belgium, Austria and Luxembourg where crowds gathered to show their support for this autocrat’s goals. The drive ran in parallel with similar rallies held by youth and women’s branches of the ruling Justice and Development Party (AKP) in front of the embassies of these countries in Ankara. With this showdown, Erdoğan hopes that the EU will give in on critical issues where the EU has shown resistance.

As opposed to a constructive engagement that would help Turkish and Muslim immigrant communities to better integrate with host nations, Erdoğan’s plan is rather based on playing a “spoiler card” in the heart of Europe by creating a groundswell of public support that will be difficult to restrain when push comes to shove. For that, he funds shell companies to run the fuel line for these networks and even pours in cash from a secret stash of state discretionary funds using the diplomatic pouch. It is not surprising to see that some European politicians including several EU lawmakers were hooked by this. Some have already been exposed by name and shamed publicly, while others are waiting their turn as confidential investigations close in. These Erdoğan apologists, who are now paying their dues by taking a position against his critics and opponents, will be sidelined and marginalized.

The heavyweights in Erdoğan’s fifth column in Europe comprise three major organizations that were set up on political and religious grounds to cater to different constituencies. There are hundreds of other NGOs clustered around these big boys that move in unison when given orders. In addition to raising funds and local recruitment, they are well financed by the Turkish government and supported diplomatically and politically. To volunteers they offer perks such as facilitation of their business and family dealings in the motherland, or positions in the Turkish government or government-linked institutions for their relatives. For Erdoğan critics, they run an intimidation campaign by profiling them and alerting authorities back in Turkey so that friends and families face repression and even jail time.

The easiest way to discern the pattern among these NGOs and Erdoğan’s political machinations is by looking at how they quickly pile on when Erdoğan wants. The first organization is the Union of European Turkish Democrats (UETD), founded in Germany in 2004 but later expanded to other European countries — France, Belgium, Austria, Netherlands and the UK. It has been totally transformed into an Islamist grassroot base for Erdoğan. The organization, working closely with Turkish embassies, is an important vehicle in delivering results for Erdoğan from get-out-to-vote campaigns to lobbying activities in European capitals. Turkish government officials are encouraged to spare time to meet and attend events organized by the UETD when they go to Europe. President Erdoğan’s travel itinerary often includes a meeting with UETD officials on the sidelines of his official visits.

While the UETD focuses exclusively on Turkish expat communities, the Union of NGOs of the Islamic World (UNIW), another NGO set up by Turkish Islamist rulers in 2005, actively works among Muslim communities in Europe and other continents. Among its members are controversial charity groups such as International Humanitarian Relief (IHH), accused of arms smuggling to rebels in Syria, and the Ensar Foundation, which was involved in a spree of rapes of dozens of children in the conservative Turkish district of Karaman. Erdoğan orchestrated the coverup of criminal investigations into both and protected them from prosecution. The UNIW has been running various schemes in Europe, linking up with Muslim groups in order to secure their loyalty to the undeclared Caliph Erdoğan.

The leaked emails of Erdoğan’s son-in-law Berat Albayrak, authenticated inadvertently by a court complaint, revealed that both the UETD and UNIW have worked together in Europe to promote goals set up by the Erdoğan family. In an email dated Jan. 21, 2013 and sent to Albayrak, a man named İsmail Emanet, then head of the youth branches of the UNIW, sent a detailed report to Erdoğan’s son-in-law on activities in Europe. In the 19-page report, Emanet, who is now advisor to Energy Minister Albayrak, said the UETD must be overhauled to better realign with the Islamist government’s goals and suggested that the Turkish-Islamic Union for Religious Affairs (DİTİB), the wealthy organization that is run by imams and was sent by the Turkish government to Europe, work closely with the UETD.

The DİTİB, which used be an apolitical religious network that was relied upon by secular governments in the past, has for some time now been transformed into an instrument of hate-mongering and anti-Western political machinations by President Erdoğan. With its control of so many mosques in Europe and the huge financial resources at its disposal, the DİTİB presents serious challenges to the integration policies of all European countries that host sizable Turkish communities. In November 2015, the UETD awarded DİTİB-affiliated imams in Germany certificates of appreciations for their role in the Nov. 1 elections, which restored the parliamentary majority to Erdoğan’s AKP.

As European politicians are hobbled by internal divisions, Erdoğan sees a moment of opportunity to advance his fifth column in the heart of Europe. Using the front NGOs and transformed grassroot networks, his intelligence operatives have stepped up their intel collection efforts, run clandestine schemes, plan false flags and even plot assassinations and murders of dissidents and critics. Using the migrant deal to blackmail the EU, Erdoğan is twisting arms and threatens Europe with a flood of refugees. It is not hard to imagine what he is planning secretly.

With this trajectory of boosting radicals and hooligans among the Turkish and Muslim communities of Europe, Turkey’s Islamists have set relations with the EU back further. What is more troubling is that Erdoğan’s xenophobic and anti-Western policies give more ammunition to far-right Islamophobic European politicians at the expense of moderate conservatives, liberals and social democrats. In other words, Erdoğan is undermining European values not just by advancing the fifth column of Islamist zealotry in the midst of Europe but also by giving a huge impetus to the extreme right. In the meantime law-abiding and peaceful Turks and Muslims in Europe find themselves under greater suspicion from the larger majority because of closer scrutiny as European authorities are scrambling to defuse the risk of Erdoğan’s fifth column from developing effectively.

As a result, Turkey’s autocratic president has not only migrants to mobilize in order to destabilize Europe but also an Islamist fifth column in the heart of Europe to march forward when the time comes. The militant religious networks are already mushrooming in Europe on fertile ground provided by this fifth column’s clandestine activities.
ERDOGAN Asli
PEN
Edited: 201611151161
15 November 2016 – On the Day of the Imprisoned Writer take action with PEN for writers imprisoned for their work.

On 17 August 2016, renowned novelist and PEN member Aslı Erdoğan was arrested at her home in Istanbul, Turkey. A columnist and member of the pro-Kurdish opposition daily Özgür Gündem’s advisory board, which was shut down under the state of emergency that followed the failed coup of 15 July 2016, her arrest came alongside that of more than 20 other journalists and employees of the paper.

Erdoğan, who suffers from asthma, chronic obstructive pulmonary disease and diabetes, was sent to a jail in Istanbul on preliminary charges of “membership of a terrorist organisation” and “undermining national unity.” She has been in pre-trial detention since her arrest, and no date has currently been set for her trial.

Erdoğan’s arrest comes amid heightened concerns for rights and freedoms following the failed coup attempt in July. As of 24 October 2016, 135 journalists had been charged and were in pre- trial detention; at least 8 others were detained without charge and others were in police custody under investigation.

The Turkish authorities have shut down more than 100 media outlets, censored at least 30 news websites, and stripped more than 600 members of the press of their credentials; 29 publishing houses have been ordered closed and there have been reports of wide-spread ill-treatment in custody. Over 70,000 people have detained, placed under investigation, suspended or fired, including teachers, civil servants, academics and others.

Earlier this month, Turkish President Recep Tayyip Erdogan declared that he would extend the country’s state of emergency by 90 days, holding on to his almost unlimited discretionary powers to rule by decree. The extension came into effect on 19 October and will last for an additional 90 days, and could be renewed.

While recognizing the right of the Turkish authorities to bring those responsible for crimes during the attempted coup to justice, PEN International calls on the Turkish authorities to safeguard freedom of expression, human rights and respect their obligations under international law during the declared state of emergency and to release all journalists and writers held solely in connection with their peaceful exercise of their right to freedom of expression, as appears to be the case with Aslı Erdoğan.

‘I have been very happy and honoured to be chosen as an honorary member of Danish PEN. On August 16, my apartment was busted by special forces policemen… I spent 72 hours in custody, in a cage. I have declared several times to the police, prosecutor and the judge that as a member of the ‘board of advisors’ of Özgür Gündem, I have no legal responsibility for the paper. I hope to be released as soon as I face the real trial.’ – Excerpt from a letter Erdoğan sent to Danish PEN.

Take Action – share on Twitter, Facebook and other social media

Send Appeals to the Turkish authorities:

Urging them to immediately release Aslı Erdoğan who PEN believes is held solely in connection with her peaceful exercise of her right to freedom of expression;
Calling for all detained writers and journalists to have access to lawyers and to be released if they are not to be charged with a recognizably criminal offence and tried promptly in accordance with international fair trial standards;
Calling on them not to use the state of emergency to crack down on peaceful dissent, civil society, media and education.
FERGUSON Niall
The Decline and Fall of History
Edited: 201610281561
On October 28, Niall Ferguson accepted the 2016 Philip Merrill Award for Outstanding Contributions to Liberal Arts Education at the Folger Shakespeare Library in Washington, DC.
Ferguson names 20 important subjects that are underrated in history classes in Stanford, Yale and Harvard.
1. All periods in British History
2. The Reformation
3. The scientific revolution
4. The Enlightment
5. The American Revolution
6. The French Revolution
7. The US Constitution
8. The Industrial Revolution
9. The American Civil War
10. German Unification
11. World War I
12. The Russian Revolution
13. The Great Depression
14. The Rise Of Fascism
15. The Third Reich
16. World War II
17. Decolonization
18. The Cold War
19. The history of Israel
20. European Integration

Comment LT: What I miss in Fergusons' list is The Rise and Decline of the Ottoman Empire.


PowNed
D66 wil een privacyslot op de gegevens van het Kadaster en de Kamer van Koophandel. - Nederland
Edited: 201610110046
A. Tankus
11 oktober 2016 - 10:21
D66 wil een privacyslot op de gegevens van het Kadaster en de Kamer van Koophandel. "Wij vinden het zorgwekkend dat je zo makkelijk privé-gegevens uit het Kadaster kan halen", zegt Kees Verhoeven. "Je moet kunnen zeggen: dit wil ik niet", zegt het Kamerlid vandaag tegen PowNed.
In de aflevering van de De Week van PowNed van vorige week werd aangetoond dat het vrij simpel is om via het Kadaster aan privé-gevevens te komen. Onze verslaggever stond op die manier op de stoep bij de baas van AIVD en de politie.
"Dat een hypotheek openbaar is, vind ik prima. Maar dat iemand die het niet met je eens is zomaar voor je deur kan staan vind ik niet kunnen. Jullie uitzending heeft bewezen dat dit veel te makkelijk is", aldus Verhoeven.
Motie
Hij gaat daarom bij de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie een motie indienen die voorstelt een privacyslot op het Kadaster en Kamer van Koophandel te plaatsen. "Je moet gewoon kunnen zeggen net als vroeger bij het papieren telefoonboek, dit wil ik niet." Hij verwacht dat de motie brede steun zal krijgen in de Tweede Kamer. "Hier zou de hele Tweede Kamer achter moeten staan." 
SP-kamerlid Farshad Bashir heeft inmiddels Kamervragen gesteld aan de Minister van Wonen en Rijksdienst en aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de openbare gegevens in het kadaster. Verhoeven vindt dit echter een "te zacht middel".
Noot LT: beginnen de eigenaars zich in te graven?
Council of Europe
MSI-MED (2016)09rev2 - Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership - Second revised draft
Edited: 201609201696
MSI-MED (2016)09rev2
Recommendation CM/Rec(2017x)xx of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and transparency of media ownership
Second revised draft
Preamble

1. Media freedom and pluralism are crucial components of the right to freedom of expression, as guaranteed by Article 10 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (ETS No. 5, hereinafter “the Convention”). They are central to the functioning of a democratic society as they help to ensure the availability and accessibility of diverse information and views, on the basis of which individuals can form and express their opinions and exchange information and ideas.
2. The media play essential roles in democratic society, by widely disseminating information, ideas, analysis and opinions; acting as public watchdogs, and providing forums for public debate. In the present multi-media ecosystem, these roles continue to be fulfilled by traditional media, but are also increasingly performed by other media and non-media actors, from multinational corporations to non-governmental organisations and individuals.
3. Pluralist democratic societies are made up of a wide range of identities, ideas and interests. It is imperative that this diversity can be communicated through a range of independent and autonomous channels and outlets, thus creating an informed society, contributing to mutual understanding and fostering social cohesion.
4. Different types of media, along with different genres or forms of editorial content or programming contribute to diversity of content. Although content focusing on news and current affairs is of most direct relevance for fostering an informed society, other genres are also very important. Examples include cultural and educational content and entertainment, as well as content aimed at specific sections of society, such as local content.
5. In the present multi-media environment, online media and other internet platforms enable access to a growing range of information from diverse sources. This transformation in how media content is made available and used creates new opportunities for more and more people to interact and communicate with each other and to participate in public debate.
6. This technological evolution also raises concerns for media pluralism. While variety in media sources and types can be instrumental in enhancing diversity of media content and exposure to such diversity, it does not of itself guarantee it. Individuals still have to select what media to use and what content to watch, listen to or read among vast quantities of diverse content distributed across various media. This may result in them selecting or being exposed to information confirming their existing views and opinions, which can, in turn, generate fragmentation and result in a polarised society. While limited news resources and self-imposed restrictions on the choice of content are not new phenomena, the media and internet intermediaries may amplify their inherent risks, through their ability to control the flow, availability, findability and accessibility of information and other content online. This is particularly troubling if the individual users are not aware of these processes or do not understand them.
7. As new actors enter the evolving online market, the ensuing competitive pressures and a shift in advertising revenues towards the internet have contributed to an increase in media consolidation and convergence. Single or a few media owners or groups acquire positions of considerable power where they can separately or jointly set the agenda of public debate and significantly influence or shape public opinion, reproducing the same content across all platforms on which they are present. Convergence trends also lead to cost-cutting, job losses in journalism and media sectors, and the risk of financial dependencies for journalists and the media. These developments may cause a reduction in diversity of news and content generally and ultimately impoverish public debate.
8. Fresh appraisals of existing approaches to media pluralism are called for in order to address the challenges for pluralism resulting from how users and businesses have adapted their behaviour to technological developments. New policy responses and strategic solutions are needed to sustain independent, quality journalism and diverse content across all media types and formats.
9. There is a need for an enhanced role for independent public service media to counteract on-going processes of concentration and convergence in the media. By virtue of their remit, public service media are particularly suited to address the informational needs and interests of all sections of society, as is true of community media in respect of their constituent users. It is of utmost importance for public service media to have within their mandates the responsibility to foster political pluralism and awareness of diverse opinions, notably by providing different groups in society – including cultural, linguistic, ethnic, religious or other minorities – with an opportunity to receive and impart information, to express themselves and to exchange ideas.
10. In light of the increased range of media and content, it is very important for individuals to possess the cognitive, technical and social skills and capacities that enable them to critically analyse media content, and to understand the ethical implications of media and technology. Media literacy contributes to media pluralism and diversity by empowering individuals to effectively access, evaluate and create diverse types of content; by reducing the digital divide; facilitating informed decision-making, especially in respect of political and public affairs and commercial content, and by enabling the identification and countering of false or misleading information and harmful and illegal online content.
11. The adoption and effective implementation of media-ownership regulation plays an important role in respect of media pluralism. Such regulation should ensure transparency in media ownership; it should address issues such as cross-media ownership, direct and indirect media ownership and effective control and influence over the media. It should also ensure that there is effective and manifest separation between the exercise of political authority or influence and control of the media or decision making as regards media content.
12. Transparency of media ownership, organisation and financing help to increase media accountability. Transparency and media literacy are therefore indispensable tools for individuals to make informed decisions about which media they use and how they use them, to search for, access and impart information and ideas of all kinds. This makes them practical instruments of effective pluralism.
13. Against this background, the present Recommendation reaffirms the importance of existing Council of Europe standards dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership and the need to fully implement them in democratic societies. The Recommendation builds further on those standards, adjusting, supplementing and reinforcing them, as necessary, to ensure their continued relevance in the current multi-media ecosystem.
Under the terms of Article 15.b of the Statute of the Council of Europe (ETS No. 1), the Committee of Ministers recommends that governments of member States:
i. fully implement the guidelines set out in the appendix to this recommendation;
ii. remain vigilant to, and address, threats to media pluralism and transparency of media ownership by regularly monitoring the state of media pluralism in their national media markets, assessing risks to media freedom and pluralism and adopting appropriate regulatory responses, including by paying systematic attention to such focuses in the on-going reviews of their national laws and practices;
iii. fully implement, if they have not already done so, previous Committee of Ministers’ Recommendations and Declarations dealing with different aspects of media pluralism and transparency of media ownership, in particular those specified in the guidelines appended to the present Recommendation;
iv. promote the goals of this recommendation at the national and international levels and engage and co-operate with all interested parties to achieve those goals.

Appendix to Recommendation

Guidelines

In the context of this Recommendation, unless otherwise specified, the media are generally understood as including print, broadcast and online media.
I. A favourable environment for freedom of expression and media freedom

1. The principles of freedom of expression and media freedom, as grounded in the Convention, must continue to be developed in a way that takes full account of the features of the present multi-media ecosystem, in which a range of new media actors have come to the fore.
2. States have a positive obligation to foster a favourable environment for freedom of expression, in which everyone can exercise their right to freedom of expression and participate in public debate effectively, irrespective of whether or not their views are received favourably by the State or others. States should guarantee free and pluralistic media for their valuable contribution to robust public debate in which societal diversity can be articulated and explored.
3. National legislative and policy frameworks should safeguard the editorial independence and operational autonomy of all media so that they can carry out their key tasks in democratic society. The frameworks should be designed and implemented in such ways as to prevent the State, or any powerful political, economic, religious or other groups from acquiring dominance and exerting pressure on the media.
4. Relevant legislation should ensure that the media have the freedom at all times to provide accurate and reliable reporting on matters of public interest, in particular concerning vital democratic processes and activities, such as elections, referenda and public consultations on matters of general interest. Adequate safeguards should also be put in place to prevent interference with editorial independence of the media in relation to coverage of conflicts, crises and other sensitive situations where quality journalism and reporting are key tools in countering propaganda and disinformation.
5. In a favourable environment for freedom of expression, media regulatory authorities and other authorities or entities entrusted with responsibility for regulating or monitoring other (media) service providers or media pluralism must be able to carry out their remit in an effective, transparent and accountable manner. A prerequisite for them to be able to do so is that they themselves enjoy independence that is guaranteed in law and borne out in practice.
6. The independence of the authorities and entities referred to in the previous paragraph should be guaranteed by ensuring that they: have open and transparent appointment and dismissal procedures; have adequate human and financial resources and autonomous budget allocation; work to transparent procedures and decision-making; have the power to take autonomous decisions and enforce them, and that their decisions are subject to appeal.

7. States should ensure transparency of media ownership, organisation and financing, as well as promote media literacy, in order to provide individuals with the information and critical awareness that they need in order to access diverse information and participate fully in the present multi-media ecosystem.
II. Media pluralism and diversity of media content

General requirements of pluralism
1. As ultimate guarantors of pluralism, States have a positive obligation to put in place an appropriate legislative and policy framework to that end. This implies adopting appropriate measures to ensure sufficient variety in the overall range of media types, bearing in mind differences in terms of their purposes, functions and geographical reach. The complementary nature of different media types strengthens external pluralism and can contribute to creating and maintaining diversity of media content.
2. States are called upon to ensure that there is periodic independent monitoring and evaluation of the state of media pluralism in their jurisdictions based on a set of objective and transparent criteria for identifying risks to the variety in ownership of media sources and outlets, the diversity of media types, the diversity of viewpoints represented by political, ideological, cultural and social groups, and the diversity of interests and viewpoints relevant to local and regional communities. States are further urged to develop and enforce appropriate regulatory and policy responses effectively addressing any risks found.

Specific requirements of pluralism
Diversity of content
3. States should adopt regulatory and policy measures to promote the availability and accessibility of the broadest possible diversity of media content as well as the representation of the whole diversity of society in the media, including by supporting initiatives by media to those ends.

States should encourage the development of open, independent, transparent and participatory initiatives by social media, media stakeholders, civil society and academia, that seek to improve effective exposure of users to the broadest possible diversity of media content online.

Wherever the visibility, findability and accessibility of media content online is influenced by automated processes, whether they are purely automated processes or used in combination with human decisions, States should encourage social media, media stakeholders, civil society and academia to engage in open, independent, transparent and participatory initiatives that:

- increase the transparency of the processes of online distribution of media content, including automated processes;

- assess the impact of such processes on users’ effective exposure to a broad diversity of media content, and

- seek to improve these distribution processes in order to improve users’ exposure to the broadest possible diversity of media content.

4. States should make particular efforts, taking advantage of technological developments, to ensure that the broadest possible diversity of media content, including in different languages, is accessible to all groups in society, particularly those which may have specific needs or face disadvantage or obstacles when accessing media content, such as minority groups, children, the elderly and persons with cognitive or physical disabilities.
5. Diversity of media content can only be properly gauged when there are high levels of transparency about editorial and commercial content: media and other actors should adhere to the highest standards of transparency regarding the provenance of their content and always signal clearly when content is provided by political sources or involves advertising or other forms of commercial communications, such as sponsoring and product placement. This also applies to user-generated content and to hybrid forms of content, including branded content, native advertising and advertorials and infotainment.
Institutional arrangement of media pluralism
6. States should recognise the crucial role of public service media in fostering public debate, political pluralism and awareness of diverse opinions. States should accordingly guarantee adequate conditions for public service media to continue to play this role in the multi-media landscape, including by providing them with appropriate support for innovation and the development of digital strategies and new services.
7. States should adopt appropriate specific measures to protect the editorial independence and operational autonomy of public service media by keeping the influence of the State at arm’s length. The supervisory and management boards of public service media must be able to operate in a fully independent manner and the rules governing their composition and appointment procedures must contain adequate checks and balances to ensure that independence.
8. States should also ensure stable, sustainable, transparent and adequate funding for public service media in order to guarantee their independence from governmental, political and commercial pressures and enable them to provide a broad range of pluralistic information and diverse content. This can also help to counterbalance any risks caused by a situation of media concentration.
9. States should encourage and support the establishment and functioning of community, minority, regional and local media, including by providing financial mechanisms to foster their development. Such independent media give a voice to communities and individuals on topics relevant to their needs and interests, and are thus instrumental in creating public exposure for issues that may not be represented in the mainstream media and in facilitating inclusive and participatory processes of dialogue within and across communities and at regional and local levels.
10. States should facilitate access to cross-border media, which serve communities outside the country where they are established, supplement national media and can help certain groups in society, including immigrants, refugees and diaspora communities, to maintain ties with their countries of origin, native cultures and languages.

Support measures for the media and media pluralism
11. For the purpose of enhancing media pluralism, States should develop strategies and mechanisms to support professional news media and quality journalism, including news production capable of addressing diverse needs and interests of groups that may not be sufficiently represented in the media. They should explore a wide range of measures, including various forms of non-financial and financial support such as advertising and subsidies, which would be available to different media types and platforms, including those of online media. States are also encouraged to support projects relating to journalism education, media research and innovative approaches to strengthen media pluralism and freedom of expression.
12. Support measures should have clearly defined purposes; be based on pre-determined clear, precise, equitable, objective and transparent criteria, and be implemented in full respect of the editorial and operational autonomy of the media. Such measures could include positive measures to enhance the quantity and quality of media coverage of issues that are of interest and relevance to groups which are underrepresented in the media.
13. Support measures should be administered in a non-discriminatory and transparent manner by a body enjoying functional and operational autonomy such as an independent media regulatory authority. An effective monitoring system should also be introduced to supervise such measures, to ensure that they serve the purpose for which they are intended.
III. Regulation of media ownership: ownership, control and concentration

1. In order to guarantee effective pluralism in their jurisdictions, States should adopt and implement a comprehensive regulatory framework for media ownership and control that is adapted to the current state of the media industry. Such a framework should take full account of media convergence and the impact of online media.
Ownership and control
2. Regulation of competition in the media market including merger control should prevent individual actors from acquiring significant market power in the overall national media sector or in a specific media market/sector at the national level or sub-national levels, to the extent that such concentration of ownership limits meaningful choice in the available media content.
3. Media ownership regulation should apply to all media and could include restrictions on horizontal, vertical and cross-media ownership, including by determining thresholds of ownership in line with Recommendation CM/Rec 2007(2) of the Committee of Ministers to member states on media pluralism and diversity of media content. Those thresholds may be based on a number of criteria such as capital shares, voting rights, circulation, revenues, audience share or audience reach.
4. States should set criteria for determining ownership and control of media companies by explicitly addressing direct and beneficial ownership and control. Relevant criteria can include proprietary, financial or voting strength within a media company or companies and the determination of the different levels of strength that lead to exercising control or direct or indirect influence over the strategic decision-making of the company or companies including their editorial policy.
5. As the key democratic tasks of the media include holding authorities to account, legislation should stipulate that the exercise of political authority or influence is incompatible with involvement in the ownership, management or editorial decision-making of the media. The incompatibility of these functions should be recognised as a matter of principle and should not be made conditional on the existence of particular conditions. The criteria of incompatibility and a range of appropriate measures for addressing conflicts of interest should be set out clearly in law.
6. Any restrictions on the extent of foreign ownership of media should apply in a non-discriminatory manner to all such companies and should take full account of the States’ positive obligation to guarantee pluralism and of the relevant guidelines set out in this Recommendation.
Concentration
7. States are also encouraged to develop and apply suitable methodologies for the assessment of media concentration. In addition to measuring the availability of media sources, this assessment should reflect the real influence of individual media by adopting an audience-based approach and using appropriate sets of criteria to measure the use and impact of individual media on opinion-forming.
8. Media ownership regulation should include procedures to prevent media mergers or acquisitions that could adversely affect pluralism of media ownership or diversity of media content. Such procedures could involve a requirement for media owners to notify the relevant independent regulatory authority of any proposed media merger or acquisition whenever the ownership and control thresholds, as set out in legislation, are met.
9. The relevant independent regulatory authority should be vested with powers to assess the expected impact of any proposed concentration on media pluralism and to make recommendations or decisions, as appropriate, about whether the proposed merger or acquisition should be cleared, subject or not to any restrictions or conditions, including divestiture. Decisions of the independent authority should be subject to judicial review.
IV. Transparency of media ownership, organisation and financing

1. States should guarantee a regime of transparency regarding media ownership that ensures the availability of the data necessary for informed regulation and decision-making and enables the public to access those data in order to help them to analyse and evaluate the information, ideas and opinions disseminated by the media.
2. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure/transparency obligations for media in a clear and precise way. Such obligations should, as a minimum, include the following information:
- Legal name and contact details of a media outlet;
- Name(s) and contact details of the direct owner(s) with shareholdings enabling them to exercise influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet. States are recommended to apply a threshold of 5% shareholding for the purpose of the disclosure obligations.
- Identity and contact details of natural persons with beneficial shareholdings. Beneficial shareholding applies to natural persons who ultimately own or control shares in a media outlet or on whose behalf those shares are held, enabling them to indirectly exercise control or significant influence on the operation and strategic decision-making of the media outlet.
- Information on the nature and extent of the share-holdings or voting rights of the above legal and/or natural persons in other media, media-related or advertising companies which could lead to decision-making influence over those companies, or positions held in political parties;
- Name(s) of the persons with actual editorial responsibility or the actual authors of editorial content;
- Changes in ownership and control arrangements of a media outlet.
3. The scope of the above minima for disclosure/transparency obligations for the media includes legal and natural persons based in other jurisdictions and their relevant interests in other jurisdictions.
4. High levels of transparency should also be ensured with regard to the sources of financing of media outlets in order to provide a comprehensive picture of the different sources of potential interference with the editorial and operational independence of the media and allow for effective monitoring and controlling of such risks.
5. To this end, States should adopt and implement legislation that sets out enforceable disclosure of the following information:
- Information on the sources of the media outlet’s income, including from State and other funding mechanisms and (State) advertising.
- The existence of structural relationships or contractual cooperation with other media or advertising companies, political parties or the State, including in respect of State advertising;
6. Legislation should set out clear criteria as to which media are subject to these reporting obligations. The obligations may be limited with regard to factors such as the commercial nature of the media outlet, a wide audience reach, exercise of editorial control, frequency and regularity of publication or broadcast, etc., or a combination thereof. Legislation should also determine the timeframe within which reporting obligations must be met.
7. Such legislation should also require the maintenance of a public, online database of media ownership and control arrangements in the State, with disaggregated data about different types of media (markets/sectors) and regional and/or local levels, as relevant. Those databases should be kept up to date on a rolling basis and they should be available to the public free of charge. They should be accessible and searchable; their contents should be made available in open formats and there should not be restrictions on their re-use.

8. Reporting requirements relating to media ownership should include the provision of:
- A description of media ownership and control arrangements for media under its jurisdiction (including media whose services are directed at other countries);
- A description of changes to the media ownership and control arrangements within the State during the reporting period;
- An analysis of the impact of those changes on media pluralism in the State.
9. Legislation should provide for the publication of reports on media ownership to be accompanied by appropriate explanations of the data and the methodologies used to collect and organise them, in order to help members of the public to interpret the data and understand their significance.
10. States should issue clear, up-to-date guidance on the interrelationship and implications of the different regulatory regimes and on how to implement them correctly and coherently. That guidance could take the form of user-friendly guidelines, handbooks, manuals, etc.
11. States should also facilitate inter-agency cooperation, including the relevant exchange of information about media ownership held by media regulatory authorities, competition authorities and company registers. Similarly, the exchange of information and best practices with other national authorities, both within their own jurisdiction and in other jurisdictions, should be facilitated.
V. Media literacy/education

1. States should introduce legislative provisions or strengthen existing ones that promote media literacy with a view to enabling individuals to access, understand, critically analyse, evaluate, use and create content through a range of legacy and digital (including social) media.
2. States should also develop a national media literacy policy and ensure its operationalisation and implementation through (multi-)annual action plans. A key strategy for that purpose could be to support the creation of a national media literacy network comprising a wide range of stakeholders, or the further development of such a network where it already exists.
3. In the multi-media ecosystem, media literacy is essential for people of all ages and all walks of life. Law and/or policy measures promoting media literacy should thus help to develop the teaching of media literacy in school curricula at all levels and as part of lifelong learning cycles, including by providing suitable training and adequate resources for teachers and educational institutions to develop teaching programmes. Any measures adopted should be developed in consultation with teachers and trainers with a view to ensuring a fair and appropriate integration of relevant activities in work-flows. Any measures adopted should not interfere with the academic autonomy of educational institutions in curricular matters.
4. States should encourage all media, without interfering with their editorial independence, to promote media literacy through policies, strategies and activities. They should also promote media literacy through support schemes for media, taking into account the particular roles of public service media and community media.
5. States should ensure that independent national regulatory authorities have the scope and resources to promote media literacy in ways that are relevant to their mandates and encourage them to do so.
6. States are encouraged to include in their national media literacy programmes focuses on media pluralism and transparency of media ownership in order to help citizens to make an informed and critical evaluation of the information and ideas propagated via the media. To this end, States are called upon to include in their strategies for ensuring transparency in the media sector educational content which enables individuals to use information relating to media ownership, organisation and financing, in order to better understand the different influences on the production, collection, curation and dissemination of media content.
France3
Amiante: Eternit seul responsable du décès d'un salarié de Saint-Grégoire (35)
Edited: 201605141132
Eternit, le premier producteur français d'amiante-ciment jusqu'à l'interdiction de la fibre, est le seul responsable de la maladie d'un de ses salariés, a considéré la justice, une première qui pourrait faire jurisprudence.
Dans une décision rendue mercredi, la cour d'appel administrative de Versailles a annulé une décision de première instance qui avait condamné l'État à partager, pour moitié, les dommages et intérêts à la famille d'un ouvrier victime de l'amiante. Les magistrats ont considéré que la carence de règlementation des autorités administratives n'engage pas la responsabilité de l'État.

L'ouvrier, préposé à l'usinage des pièces et aux broyeurs de déchets secs sur le site de Saint-Grégoire (Ille-et-Vilaine) de 1974 à 2005, avait développé un cancer de la plèvre dont il avait succombé en juin 2005.

L'entreprise condamnée puis indemnisée par l'Etat
Condamnée, la société Eternit (devenue ECCF) s'était ensuite retournée contre l'État, en estimant que l'absence de règlementation avant 1977 d'une part, une législation insuffisante après 1977 d'autre part, le rendait co-auteur du dommage. Le tribunal administratif de Versailles avait donné raison à la société dans une décision rendue en 2014, en condamnant l'Etat à verser à Eternit plus de 160 000 euros, correspondant à la moitié de la somme versée par la société.

Mais selon les magistrats en appel, Eternit "connaissait ou aurait dû connaître les dangers liés à l'utilisation de l'amiante", même avant la règlementation de 1977, eut égard à "la littérature scientifique" ou "les colloques" portant sur le sujet dès les années 50.

Une décision inédite qui pourrait faire jurisprudence
Dès lors, la faute d'Eternit "a le caractère d'une faute d'une particulière gravité délibérément commise, qui fait obstacle à ce que cette société puisse se prévaloir de la faute de l'administration", a souligné la cour d'appel administrative. Par ailleurs, concernant la période postérieure à 1977, "la société n'établit pas que les maladies professionnelles (de son salarié) développées du fait d'une exposition à l'amiante trouveraient directement leur cause dans une quelconque carence fautive de l'Etat", ont relevé les magistrats.

"Nous sommes satisfaits, parce que la décision de première instance, qui avait condamné l'État, avait inspiré d'autres tribunaux. Cette décision d'appel est inédite et pourrait désormais faire jurisprudence", a commenté auprès de l'AFP le président de l'association nationale de défense des victimes de l'amiante (Andeva), François
Desriaux, partie à la procédure.

Selon les autorités sanitaires, l'amiante pourrait provoquer jusqu'à 100 000 décès d'ici à 2025. Selon l'Andeva, 3 000 personnes meurent chaque année et les autorités sanitaires imputent à l'amiante 10 à 20% des cancers du poumon.

Noot LT: Deze uitspraak haalt de argumentatie voor de vrijspraak (2009) van Karel Vinck onderuit. Algemener: een bedrijf dat gevaarlijke stoffen produceert moet de wetenschappelijke vakliteratuur op de voet volgen en maatregelen nemen, ook als er nog geen wetgeving terzake is uitgewerkt.
LT
In een interview met De Standaard zei minister Jambon dat "een significant deel van de moslimgemeenschap danste naar aanleiding van de aanslagen".
Edited: 201604182216
Heisa alom. Dyab Abou Jahjah dient een klacht in. En inderdaad, de woordkeuze is ongelukkig te noemen.
Maar ... wij hebben een getuigenis van een onverdachte getuige die op 8 januari 2015, vlak na de aanslagen op Charlie Hebdo, zo'n straatfeest meemaakte.
"VILVOORDE 08/01/2015 - Een uurtje na de moord op de redactie van Charlie Hebdo reed ik door Sint-Joost-ten-Node. Het licht sprong op groen maar we konden niet verder. Een karavaan toeterende tweedehands automobielen met opgewonden medeburgers van de derde generatie van elders, zoals dat fatsoenlijk heet, blokkeerde het verkeer. (...)" Was getekend: Marc van Impe, Senior Writer voor MediQuality en voorzitter van het Vlaams Instituut voor Journalistiek. lees het volledige artikel van Marc Van Impe
Statista / ASDA'A Burson-Marsteller
Alarmerende resultaten van recent onderzoek: 13 procent van de arabische jongeren arabieren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika steunen ISIS/DAESH
Edited: 201604131925
Why Young Arabs Are Joining The Islamic State

A recent poll spanning 16 nations across the Middle East and North Africa has found that most young Arabs are against the so-called Islamic State and believe it will ultimately fail to establish a caliphate. The 2016 Arab Youth Survey revealed that 77 percent of Arabs aged 18 to 24 are concerned about the terror group’s rise with 50 percent considering it the biggest obstacle facing the Middle East. Only 13 percent of young Arabs feel they could support the group, even if it was less violent.
Commentaar LT: De interpretatie van Statista is discutabel. Statista spreekt van "only 13 percent". Wij vinden dit een alarmerend percentage! In absolute cijfers: 26 miljoen jongeren steunen ISIS/DAESH !

The poll also examined the primary reasons people are joining the terror group with a major lack of jobs in the region proving a driving factor. Across the countries polled, employment and few opportunities for young people proved a bigger draw than religious extremism or the presence of Western troops in the region.

Infographic: Why Young Arabs Are Joining The Islamic State | Statista



ASDA'A Burson-Marsteller behoort tot de WPP-groep van Sir Martin Sorrell
STATISTA
China Is Still The World's Top Executioner - Islamic countries proportionally execute more people
Edited: 201604122118
According to a recent report from human rights group Amnesty International, 2015 saw a huge rise in the number of executions globally, the highest total since 1989. At least 1,634 people were executed worldwide with 90 percent of that number occurring in just three countries: Iran, Pakistan and Saudi Arabia.

That's excluding China and North Korea where precise numbers are a state secret. However, Amnesty still believes China executes thousands every year, making it the world's top executioner. Despite the spike in executions, Amnesty reported that there is still some hope with four countries expunging the death penalty for good last year.

Commentaar LT: Het aantal executies moet natuurlijk gerelateerd worden aan het aantal inwoners. Dan komen we per miljoen inwoners aan volgend klassement: 1. Iran (10 executies/miljoen inwoners); 2. Saoedi Arabië (5); 3. Pakistan (2); 4. Irak (0.7); 5. China (0.6 maar onderschat).

Infographic: China Is Still The World's Top Executioner | Statista
FAZ
Europarlement-Voorzitter Martin Schultz waarschuwt voor implosie EU
Edited: 201604110914
Statista
The Most Popular Tax Havens In The Panama Papers
Edited: 201604051622
A massive leak of eleven million documents has revealed how the rich and powerful are hiding their wealth in tax havens around the world. Spanning 40 years, the 2.6 terabyte data trove shows how Panamanian law firm Mossack Fonseca has helped its clients evade tax and launder money. The Panama Papers include information on over 210,000 companies in 21 offshore jurisdictions and show that 142 politicians, their families and close associates have been using offshore tax havens. Twelve current or former national heads of state are also counted within the data.

The British Virgin Islands proved the most popular tax haven in Mossack Fonseca’s files. One out of every two companies incorporated by the law firm was in that jurisdiction, over 113,000 in total. Panama was the second most popular jurisdiction with just over 48,000 companies incorporated there while the Bahamas rounded off the top three with just under 16,000.


Infographic: The Most Popular Tax Havens In The Panama Papers | Statista
Learning to Code Yields Diminishing Returns - The future of jobs - A review of Rushkoff's book
Edited: 201604011318

Looking for job security in the knowledge economy? Just learn to code. At least, that’s what we’ve been telling young professionals and mid-career workers alike who want to hack it in the modern workforce—in fact, it’s advice I’ve given myself. And judging by the proliferation of coding schools and bootcamps we’ve seen over the past few years, not a few have eagerly heeded that instruction, thinking they’re shoring up their livelihoods in the process.

Unfortunately, many have already learned the hard way that even the best coding chops have their limits. More and more, "learn to code" is looking like bad advice.

CODING CAN’T SAVE YOU
Anyone competent in languages such as Python, Java, or even web coding like HTML and CSS, is currently in high demand by businesses that are still just gearing up for the digital marketplace. However, as coding becomes more commonplace, particularly in developing nations like India, we find a lot of that work is being assigned piecemeal by computerized services such as Upwork to low-paid workers in digital sweatshops.

This trend is bound to increase. The better opportunity may be to use your coding skills to develop an app or platform yourself, but this means competing against thousands of others doing the same thing—and in an online marketplace ruled by just about the same power dynamics as the digital music business.

Besides, learning code is hard, particularly for adults who don’t remember their algebra and haven’t been raised thinking algorithmically. Learning code well enough to be a competent programmer is even harder.

Although I certainly believe that any member of our highly digital society should be familiar with how these platforms work, universal code literacy won’t solve our employment crisis any more than the universal ability to read and write would result in a full-employment economy of book publishing.

It’s actually worse. A single computer program written by perhaps a dozen developers can wipe out hundreds of jobs. As the author and entrepreneur Andrew Keen has pointed out, digital companies employ 10 times fewer people per dollar earned than traditional companies. Every time a company decides to relegate its computing to the cloud, it's free to release a few more IT employees.

Most of the technologies we're currently developing replace or obsolesce far more employment opportunities than they create. Those that don’t—technologies that require ongoing human maintenance or participation in order to work—are not supported by venture capital for precisely this reason. They are considered unscalable because they demand more paid human employees as the business grows.

TRAINING OUR ROBO-REPLACEMENTS
Finally, there are jobs for those willing to assist with our transition to a more computerized society. As employment counselors like to point out, self-checkout stations may have cost you your job as a supermarket cashier, but there’s a new opening for that person who assists customers having trouble scanning their items at the kiosk, swiping their debit cards, or finding the SKU code for Swiss chard. It’s a slightly more skilled job and may even pay better than working as a regular cashier.

But it’s a temporary position: Soon enough, consumers will be as proficient at self-checkout as they are at getting cash from the bank machine, and the self-checkout tutor will be unnecessary. By then, digital tagging technology may have advanced to the point where shoppers just leave stores with the items they want and get billed automatically.

For the moment, we’ll need more of those specialists than we’ll be able to find—mechanics to fit our current cars with robot drivers, engineers to replace medical staff with sensors, and to write software for postal drones. There will be an increase in specialized jobs before there's a precipitous drop. Already in China, the implementation of 3-D printing and other automated solutions is threatening hundreds of thousands of high-tech manufacturing jobs, many of which have existed for less than a decade.

American factories would be winning back this business but for a shortage of workers with the training necessary to run an automated factory. Still, this wealth of opportunity will likely be only temporary. Once the robots are in place, their continued upkeep and a large part of their improvement will be automated as well. Humans may have to learn to live with it.

HIGH-TECH UNEMPLOYMENT

This conundrum was first articulated back in the 1940s by the cybernetics pioneer Norbert Wiener, whose work influenced members of the Eisenhower Administration to start worrying about what would come after industrialism. By 1966, the United States convened the first and only sessions of the National Commission on Technology, Automation, and Economic Progress, which published six (mostly ignored) volumes sizing up what would later be termed the "post-industrial economy."

Today, it’s MIT’s Erik Brynjolfsson and Andrew McAfee who appear to be leading the conversation about technology’s impact on the future of employment—what they call the "great decoupling." Their extensive research shows, beyond reasonable doubt, that technological progress eliminates jobs and leaves average workers worse off than they were before.

Yet it’s hard to see this great decoupling as a mere unintended consequence of digital technology. It is not a paradox but the realization of the industrial drive to remove humans from the value equation. That’s the big news: The growth of an economy does not mean more jobs or prosperity for the people living in it.

"I would like to be wrong," a flummoxed McAfee confided in the same article, "but when all these science-fiction technologies are deployed, what will we need all the people for?"

When technology increases productivity, a company has a new excuse to eliminate jobs and use the savings to reward its shareholders with dividends and stock buybacks. What would've been lost to wages is instead turned back into capital. So the middle class hollows out, and the only ones left making money are those depending on the passive returns from their investments.

It turns out that digital technology merely accelerates this process to the point where we can all see it occurring. It's just that we haven't all taken notice yet—we’ve been busy coding.

"It’s the great paradox of our era," Brynjolfsson explained to MIT Technology Reviewin 2013. "Productivity is at record levels, innovation has never been faster, and yet at the same time, we have a falling median income and we have fewer jobs. People are falling behind because technology is advancing so fast and our skills and organizations aren’t keeping up."

[This post is based on Douglas Rushkoff’s new book, Throwing Rocks at the Google Bus: How Growth Became the Enemy of Prosperity and originally appeared in Fast Company.]
The Local (daily)
'We can't be like Sweden': Norway's integration minister
Edited: 201603310752
Norway's integration minister has called for tighter immigration policies – to avoid the country becoming like Sweden.
Sylvi Listhaug used Sweden as the cautionary tale when speaking about recent terror attacks in Europe, as well as a package of asylum reforms due before the Norwegian parliament shortly.

“Many of those who have carried out terror attacks in Europe are born and raised in France and Belgium. It shows how important it is to succeed with integration and that is again connected to how many come to Norway. Therefore a tight immigration policy is important,” she said.

In the aftermath of the terror attacks in Brussels, there has been a debate in Norway on so-called parallel societies and neighbourhoods where the police don't dare to patrol. Listhaug acknowledged that the problem exists.

“We have foreign fighters who have left Norway and [we have] radical environments. We should not stick our heads in the sand and say that everything is good here. But fortunately we are a long way from the conditions we see in some other countries, for example Sweden,” she told NTB.

It was revealed earlier this month that a man with suspected links to radical group Isis, who was shot dead in a Brussels raid just days before the terror attack, had previously lived in Sweden.

Sweden has attempted to crack down on foreign fighters, with the security service saying that up to 300 Swedes are believed to have travelled to Syria or Iraq to fight in the past three years. Around 40 are thought to have died in battle and around 125 are understood to remain in the Middle East.

New anti-terror legislation is set to come into effect on Friday, with Sweden criminalizing trips abroad, or the financing of such travels, to participate in acts of terrorism.

From April 15th the country is also tightening restrictions on passports, with people only being able to apply for three passports in a five-year period, to prevent the use of forged identity documents.

But Sweden has struggled to cope with the record 163,000 asylum claims it received last year, and is seeing increasing divides between different ethnic communities in troubled suburbs in the big cities.

Listhaug said that a major reason that Norway doesn't have the same ghetto problems as its Nordic neighbour is that asylum seekers in Norway cannot decide for themselves where they should live. (territorium)

She said that the terror attack in Brussels has created fears and worries that an attack could also hit Scandinavia. But she also stressed that Islamists were not responsible for the terror that struck the nation in 2011, when far-right sympathizer Anders Behring Breivik shot dead several dozens of teenagers on Utoya island.
Press Release Tata Steel HQ
Tata Steel board reviews its European portfolio - TS UK under fire
Edited: 201603291014
March 29, 2016
Mumbai: The Tata Steel board today reviewed the recent performance of the European business of the company, more specifically, of Tata Steel UK. It noted with deep concern the deteriorating financial performance of the UK subsidiary in the last twelve months. While the global steel demand, especially in developed markets like Europe has remained muted following the financial crisis of 2008, trading conditions in the UK and Europe have rapidly deteriorated more recently, due to structural factors including global oversupply of steel, significant increase in third country exports into Europe, high manufacturing costs, continued weakness in domestic market demand in steel and a volatile currency. These factors are likely to continue into the future and have significantly impacted the long term competitive position of the UK operations in spite of several initiatives undertaken by the management and the workers of the business in recent years. Even under these adverse market conditions, the Tata Steel has extended substantial financial support to the UK business and suffered asset impairment of more than £2 billion in the last five years.



The Tata Steel board also reviewed the proposed restructuring and transformation plan for Strip Products UK, prepared by the European subsidiary in consultation with an independent and internationally reputed consultancy firm. Based on the review conducted, the Tata Steel board came to a unanimous conclusion that the plan is unaffordable, requires material funding support in the next two years in addition to significant capital commitments over the long term, the assumptions behind it are inherently very risky, and its likelihood of delivery is highly uncertain. Therefore, the board concluded that it would not be able to support the investment necessary to proceed with the proposed Strip Products UK transformation plan.

The company has also been in deep engagement with the UK government in recent months seeking its support to achieve the best possible outcome for the UK business, within the restrictions of State Aid Rules and other statutory limits. These discussions are ongoing and will continue. Discussions will also continue with Greybull in relation to a sale of the UK Long Products business. The UK government is also involved in the latter discussions.

Following the strategic view taken by the Tata Steel board regarding the UK business, it has advised the board of its European holding company ie Tata Steel Europe, to explore all options for portfolio restructuring including the potential divestment of Tata Steel UK, in whole or in parts. Given the severity of the funding requirement in the foreseeable future, the Tata Steel Europe board will be advised to evaluate and implement the most feasible option in a time bound manner.
Akram Belkaïd dans Le Quotidien d'Oran (Algérie)
Une guerre hybride appelée à durer
Edited: 201603240314
Les attentats de Bruxelles viennent de rappeler plusieurs vérités qu'il ne sert à rien d'éluder. Ces événements dramatiques nous disent que le terrorisme qui endeuille régulièrement le monde, et pas simplement l'Europe, ne va pas disparaître du jour au lendemain. Malgré les promesses et les déclarations martiales des politiciens, malgré les lois liberticides, malgré le « toujours plus » en matière de législation d'exception, ces tueries qui tétanisent les opinions publiques vont continuer.

Elles vont se répéter tant que la situation restera ce qu'elle est au Proche-Orient et notamment en Syrie et en Irak. Dans son ranch du Texas où il peint à ses heures perdues, l'ancien président américain George W. Bush doit être satisfait de son œuvre magistrale. L'invasion de l'Irak en 2003 continue de tuer. Ses conséquences directes et indirectes tuent en Irak mais aussi en Syrie et ailleurs en Europe. A Londres il y a plus de dix ans, à Paris en novembre et à Bruxelles il y a quelques jours. Dans un monde idéal, cet homme devrait être poursuivi par la justice internationale. Mais passons.

Le terrorisme va perdurer parce que, contrairement à ce que racontent des hommes politiques aux affaires - responsables dont il est désormais aisé de constater l'incompétence -, ce n'est pas par « haine de la liberté et de la démocratie » que les terroristes de Daech tuent. Ce n'est pas par « haine de ce qu'est la société occidentale » qu'ils font exploser des bombes. Ces gens-là rendent coup pour coup. Ils sont inscrits dans un projet de création d'une entité politique et religieuse qui a trouvé les forces occidentales sur son chemin. Autrement dit, le terrorisme durera et continuera de frapper l'Europe tant que la Syrie et l'Irak seront confrontés aux ambitions territoriales et religieuses de l'Organisation de l'Etat islamique (OEI).

Ce qui se déroule actuellement en Europe sur ce front invisible et mouvant où des cellules plus ou moins dormantes tentent de prendre de vitesse les services de sécurité n'est pas une guerre classique. Mais ce n'est pas non plus « que » du terrorisme. C'est une guerre hybride. La projection d'un conflit qui se déroule à des milliers de kilomètres de Bruxelles ou de Paris et où des armées européennes sont impliquées. Il y a une dimension politique dans cette bataille qu'il serait dangereux d'éluder. Là-bas, des civils meurent aussi, tous les jours, sous les bombes qu'elles soient russes, syriennes ou occidentales. Pour ceux qui veulent embraser l'Europe, ces victimes sont le symétrique des morts de Bruxelles ou de Paris. C'est une pensée qui peut paraître irrationnelle ou illogique mais c'est ainsi, et il faut en tenir compte. Pour sortir de cette nasse mortifère, les Européens doivent absolument peser pour que la paix revienne en Syrie et en Irak. Cela signifie faire pression sur des puissances régionales au jeu plus que trouble parmi lesquelles l'Arabie saoudite et la Turquie. Cela signifie, on peut toujours rêver, l'urgence de décréter un embargo général sur les armes pour cette région.

Ce terrorisme, ce bruit continu des sirènes, cette peur diffuse qui s'installe avant que la vie ne reprenne ses droits jusqu'au prochain attentat, ce terrorisme donc ne va pas disparaître parce qu'il peut se développer sur le double terreau de la misère sociale et du désarroi identitaire. La lecture attentive des profils et des itinéraires des individus responsables de cette actualité sanglante depuis plusieurs années est édifiante. Elle met en exergue non pas l'échec de l'intégration des populations d'origine maghrébine ou subsaharienne mais, en réalité, l'abandon, délibéré ou non, et l'absence de volonté de les intégrer. Que peut-on attendre de bon quand des populations entières sont oubliées, ghettoïsées durant plusieurs décennies et livrées au premier prêcheur venu ?

Les attentats continueront tant qu'il subsistera aussi une certaine indulgence à l'égard des criminels qui en sont les auteurs. Il suffit de relever les réactions des uns et des autres pour découvrir, effaré, que les théories du complot n'ont jamais été aussi populaires. Par classes entières, des adolescents sont convaincus que les attentats de Paris ou de Bruxelles ne sont pas l'œuvre de Daech. Leurs aînés sont encore plus virulents dans la dénonciation de ce qui ne serait qu'une immense manipulation américano-sioniste. Tant que la réalité sera niée par les populations de confession ou de cultures musulmanes, les brèches dans la raison commune persisteront et il se trouvera toujours des gens pour attenter sans aucun remord à la vie d'autrui.

L'Europe de l'Ouest va au-devant de jours difficiles. La cohésion de ce continent, le « vivre-ensemble » de ses multiples composantes humaines, son modèle social, tout cela est menacé. La réponse sécuritaire est nécessaire. On notera d'ailleurs qu'elle est minée par un manque de moyens qui résulte de décennies de politiques économiques bâties autour du culte de la réduction des dépenses publiques et de la nécessaire rémunération des actionnaires (sinon comment expliquer que des aéroports et des gares rechignent à installer des portiques et des scanners et cela contrairement à ce qui existe en Asie ou en Afrique ?).

Mais la force seule ne suffira pas. On attend encore la révolution que constituerait une remise en cause rigoureuse des politiques d'intervention des Européens au Proche-Orient. Cela, en attendant aussi un règlement de la question palestinienne qui demeure la mère de toutes les frustrations dans le monde arabe et au sein des communautés européennes d'origine maghrébine ou proche-orientale.
news
Anyone who says Turkey is European country wants EU’s death, says Sarkozy
Edited: 201603202340
"It's not just that. What's the idea behind Europe? Europe is a union of European countries. The question is very simple, even in a geographical sense, is Turkey a European country? Turkey has only one shore of the Bosphorus in Europe. Can Turkey be regarded a European country culturally, historically, and economically speaking? If we say that, we want the European Union's death,” he said.

“From that standpoint, if we talk about Turkey's accession, let me tell you that in many ways Russia is a much more European country than Turkey.”
DONAS Marthe
Kanaal in Virginal - Le Canal à Virginal, 1924
Edited: 201603200025

Olieverf op paneel
MSK Gent, 20160319





Ecluse d'Asquempont

Le vieux canal d'Asquempont

Statista
The Countries Set To Receive The Most U.S. Foreign Aid In 2016
Edited: 201603151725
Every year, the United States supports over 100 foreign governments with billions of dollars worth of aid funding. According to the U.S. government, this is done to support global peace, security, and development efforts, and to provide humanitarian relief during times of crisis. Considered vital to U.S. national security, this funding is also allocated for strategic, economic and moral reasons.

The Obama administration has requested Congress allocate $37.9 billion to foreign assistance in the budget for fiscal 2016, the majority of it for governments in the Middle East. The final appropriation could differ significantly. The president requested the largest amount of aid for Israel, some $3.1 billion, primarily in support of peace and security. The budget request also asks for $1.5 billion for Afghanistan in support of security and rebuilding projects, and $1.46 billion for Egypt.

Infographic: Where The Most Foreign Aid Will Be Spent In 2016  | Statista
Islamization and Demographic Denialism in France
Edited: 201603141661
by Michel Gurfinkiel
PJ Media
March 14, 2016

Excerpt of an article originally published under the title "Latest Survey Finds 25% of French Teenagers Are Muslims."

One of the most striking cases of reality denial in contemporary France is demography: issues like birthrate, life expectancy, immigration, and emigration. On the face of it, you can hardly ignore such things, since they constantly reshape your environment and your way of life. Even without resorting to statistics, you are bound to perceive, out of day-to-day experience, what the current balance is between younger and older people, how many kids are to be found at an average home, and the ethnicity or religion of your neighbors, or the people you relate to at work or in business.

The French elites, both on the right and left, managed for five decades at least to dismiss the drastic demographic changes that had been taking place in their country, including the rise of Islam, since they clashed with too many political concepts – or fantasies – they had been brainwashed into accepting: the superiority of the "French social model;" the unique assimilative capacity of French society; equality for equality's sake; the primacy of individual values over family values; secularism; francophonie, or the assumption that all French-speaking nations in the world were a mere extension of France, and that all nations that defined themselves as "Francophone" did speak French or were subdued by French culture; and finally la politique arabe et islamique de la France, a supposed political and strategic affinity with the Arab and Muslim world.

Until 2004, compilation of ethnic, racial, and religious statistics was prohibited under French law.

One way for the elites to deny demographics was to reject ethnic-related investigation on legal or ethical grounds. Until 2004, ethnic, racial, and religious statistics were not allowed under French law – ostensibly to prevent a return of Vichy State-style racial persecutions. Even as the law was somehow relaxed, first in 2004 and again in 2007, many statisticians or demographers insisted on retaining a de facto ban on such investigations.

The issue turned into a nasty civil war among demographers, and especially within INED (the French National Institute for Demographic Studies) between a "classic" wing led by older demographers like Henri Léridon and Gérard Calot and then by the younger Michèle Tribalat, and a liberal or radical wing led by Hervé Le Bras.



Michèle Tribalat
In a recent interview with the French weekly Le Point, Tribalat dryly observed that the "well-connected" Le Bras described her as "the National Front Darling," an assertion that "destroyed her professional reputation." The son of a prestigious Catholic historian, Le Bras is indeed a very powerful man in his own right, who managed throughout his own career to accumulate tenures, honors, and positions of influence both in France and abroad.

The irony about his accusation against Tribalat is that, while intent to discuss the issue of immigration, she is an extremely cautious and conservative expert when it comes to actual figures. She has always tended to play down, in particular, the size of the French Muslim community.

In 1997, I observed in an essay for Middle East Quarterly that figures about French Islam were simply chaotic: there was too much discrepancy between sources:

The Ministry of Interior and Ined routinely speak of a Muslim population in France of 3 million. Sheikh Abbas, head of the Great Mosque in Paris, in 1987 spoke of twice as many – 6 million. Journalists usually adopt an estimate somewhere in the middle: for example, Philippe Bernard of Le Monde uses the figure of 3 to 4 million. The Catholic Church, a reliable source of information on religious trends in France, also estimates 4 million. Arabies, a French-Arab journal published in Paris, provides the following breakdown: 3.1 million Muslims of North African origin, 400,000 from the Middle East, 300,000 from Africa, 50,000 Asians, 50,000 converts of ethnic French origin, and 300,000 illegal immigrants from unknown countries. This brings the total to 4.2 million. One can state with reasonable certainty that the Muslim population of France numbers over 3 million (about 5 percent of the total French population) and quite probably over 4 million (6.6 percent).
Nineteen years later, accuracy has hardly improved in this respect. All sources agree that France as a whole underwent a moderate demographic growth: from 57 to 67 million, a 15% increase. (Throughout the same period of time, the U.S. enjoyed a 22% population increase, and China, under a government-enforced one-child policy, a 27% increase.) All sources agree also that there was a much sharper increase in French Muslim demographics – and that, accordingly, the moderate national growth may in fact just reflect the Muslim growth.

For all that, however, there are still no coherent figures about the Muslim community. According to CSA, a pollster that specializes in religious surveys, 6% of the citizens and residents of France identified with Islam in 2012: about 4 million people out of 65 million. IFOP, a leading national pollster, settled for 7% in 2011: 4.5 million. Pew concluded in 2010 a figure of 7.5%: 4.8 million. The CIA World Factbook mentioned 7% to 9% in 2015: from 4.6 to almost 6 million out of 66 million. INED claimed as early as 2009 an 8% figure: 5.1 million. Later, INED and French government sources gave 9% in 2014: 5.8 million.

Over two decades, the French Muslim population is thus supposed to have increased by 25% according to the lowest estimations, by 50% according to median estimations, or even by 100% if one compares the INED and government figures of 1997 to those of 2014, from 3 million to almost 6 million.

This is respectively almost two times, three times, or six times the French average population growth.

An impressive leap forward, whatever the estimation. But even more impressive is, just as was the case in 1997, the discrepancy between the estimates. Clearly, one set of estimates, at least, must be entirely erroneous. And it stands to reason that the lowest estimates are the least reliable.

First, we have a long-term pattern according to which, even within the lowest estimates, the Muslim population increase is accelerating. One explanation is that the previous low estimates were inaccurate.

Second, low estimates tend to focus on the global French population on one hand and on the global French Muslim population on the other hand, and to bypass a generational factor. The younger the population cohorts, the higher the proportion of Muslims. This is reflected in colloquial French by the widespread metonymical substitution of the word "jeune" (youth) for "jeune issu de l'immigration" (immigrant youth), or "jeune issu de la diversité" (non-European or non-Caucasian youth).

According to the first ethnic-related surveys released in early 2010, fully a fifth of French citizens or residents under twenty-four were Muslims.

Proportions were even higher in some places: 50% of the youth were estimated to be Muslim in the département (county) of Seine-Saint-Denis in the northern suburbs of Paris, or in the Lille conurbation in Northern France. A more recent survey validates these numbers.

Once proven wrong, deniers do not make amends. They move straight from fantasy to surrender.

An investigation of the French youths' religious beliefs was conducted last spring by Ipsos. It surveyed nine thousand high school pupils in their teens on behalf of the French National Center for Scientific Research (CNRS) and Sciences Po Grenoble.

The data was released on February 4, 2016, by L'Obs, France's leading liberal newsmagazine. Here are its findings:

38.8% of French youths do not identify with a religion.
33.2% describe themselves as Christian.
25.5% call themselves Muslim.
1.6% identify as Jewish.
Only 40% of the young non-Muslim believers (and 22% of the Catholics) describe religion as "something important or very important."
But 83% of young Muslims agree with that statement.
Such figures should deal the death blow to demographic deniers. Except that once proven wrong, deniers do not make amends. Rather, they contend that since there is after all a demographic, ethnic, and religious revolution, it should be welcomed as a good and positive thing. Straight from fantasy to surrender.

Michel Gurfinkiel, a Shillman-Ginsburg Fellow at the Middle East Forum, is the founder and president of the Jean-Jacques Rousseau Institute, a conservative think tank in France.
Griekenland in de frontlijn: migranten en vluchtelingen
Edited: 201603050120
The president of the European Council Donald Tusk has visited Greece on Thursday to discuss the high influx of immigrants via Turkey to the Greek islands and then onwards to mainland Greece. The situation there is worsening fast as the route further North across the Balkans towards northern European countries is blocked.

Macedonia has introduced a tight border regime, letting only very few refugees cross the border on a daily basis, and alternative routes haven’t been established yet. More than 120,000 migrants are thought to have arrived in Greece in the first two months of 2016 alone.

The below chart gives an impression of the extent of the refugee crisis as it unfolds in Greece. Comparing the numbers of migrants who arrived in Greece in the first two months of this year to last year’s numbers gives an idea of the magnitude of the problem.

"Do not come to Europe," Council President Tusk said, appealing to the refugees, after a meeting with Greek Prime Minister Alexis Tsipras in Athens. "Do not believe the smugglers. Do not risk your lives and your money. It is all for nothing," he added.

Infographic: Greece on the Frontline | Statista
Survey PEW
Politieke affiliatie en religie in de USA
Edited: 201603031426
Surveys have often shows that religion is an important aspect of an American presidential race. The electorate frequently say that it's important to have a a president with strong religious beliefs in office. Pew Research recently pubslished some interesting data showing the political leanings of several major religious groups in the US. Mormons tend to be strongly Republican while Jews, Muslims and Buddhists identify more with the Democrats. Catholics are strongly divided with 37 percent leaning towards the Republicans and 44 percent towards the Democrats.

This chart shows the political affiliation of selected US religious groups in 2014.

Infographic: The Political Leanings Of US Religious Groups  | Statista
RT news
Sergey Lavrov beroept zich op de geschiedenis en pleit voor Eurasian Economic Union
Edited: 201603031314
Western attempts to exclude Russia from shaping European and global affairs have led to countless historical tragedies over the centuries, according to Russia’s foreign minister, who added lasting stability can only be reached through cooperation.

In an article for the Russia in Global Affairs magazine, Foreign Minister Sergey Lavrov outlines the historical importance of Russian foreign policy over the course of the last 1,000 years, arguing that Russian policy has always been based on preserving the fragile balance of peace and stability in international relations. Any attempts to isolate Moscow as a major world power have led to historical defeats and countless deaths, he says.

“During at least the past two centuries any attempts to unite Europe without Russia and against it have inevitably led to grim tragedies, the consequences of which were always overcome with the decisive participation of our country,” Lavrov wrote.

Being the largest country on earth with a unique “cultural matrix,” Russia has always followed its own national interests, Lavrov argues. Yet at the same time it has served as a bridge between the East and the West, while Russians have always welcomed and respected numerous religions and cultures.

While welcoming Western ideas and applying them to modernize Russia, Moscow has never allowed itself to be consumed by Western culture. At the same time Moscow has always advocated working with the West to achieve common objectives.

Lavrov stressed the constructive role Moscow has played in European affairs, especially during the Napoleonic Wars, as well as in First and Second World Wars. The influence of the Soviet Union in shaping modern Western values should also not be underestimated, the minister argues, highlighting the USSR’s role in decolonization and shaping the European socio-economic system.

“The Soviet Union, for all its evils, never aimed to destroy entire nations,” Lavrov said. “Winston Churchill, who all his life was a principled opponent of the Soviet Union and played a major role in going from the World War II alliance to a new confrontation with the Soviet Union, said that graciousness, i.e. life in accordance with conscience, is the Russian way of doing things,” he added.

The post-Soviet world, Lavrov argues, offered the unique opportunity for European states to unite with Moscow and work towards a wider and more solid security mechanism in Europe – a mechanism that would enable long-lasting peace on the wider continent.

“Logically, we should have created a new foundation for European security by strengthening the military and political components of the Organization for Security and Cooperation in Europe (OSCE),” the minister wrote.

Instead of uniting, some European countries chose to ally themselves with NATO and Washington, and once again embarked on the centuries-old matrix of trying to isolate Russia and expand the military alliance’s borders further east, while pursuing a global agenda of regime change and ‘color’ revolutions.

“It is notable that George Kennan, the architect of the US policy of containment of the Soviet Union, said that the ratification of NATO expansion was ‘a tragic mistake,’” Lavrov said.

Rather than serving as architects of peace, NATO and its member states, Lavrov said, continued to engage in destructive policies that threaten international stability and have already led to the collapse of states, starting from the bombings of Yugoslavia, to the invasions of Iraq and Libya.

Arguing that the liberal system of globalization has failed, the minister stressed that the world is standing at crossroads, where a new system of international relations is taking shape. At such an important historical junction, Lavrov says it is wrong to accuse Russia of “revisionism” just because Moscow refuses to bow or close its eyes to NATO’s policies.

“A reliable solution to the problems of the modern world can only be achieved through serious and honest cooperation between the leading states and their associations in order to address common challenges,” Lavrov wrote.

The most pressing issue in the modern world is the threat of terrorism, which can only be defeated by a united front, he added.

The foreign minister stressed that Russia is not seeking any “confrontation” with the US or the EU. On the contrary, Moscow is and has always been open to “the widest possible cooperation with its Western partners.”

Russia continues to support the notion that the best way to ensure the interests of Europeans would be “to form a common economic and humanitarian space from the Atlantic to the Pacific, so that the newly formed Eurasian Economic Union could be an integrating link between Europe and Asia Pacific.”


biography Sergey Lavrov
CAR/Rt news
CAR onderzoekt leveringen van componenten voor bommen aan ISIS/DAESH
Edited: 201602251309
Over 50 companies from 20 countries, including Turkey, US, the Netherlands and Belgium (Solvay), have produced, sold or received hundreds of components, such as detonators, cables and wires, used by Islamic State terrorists to build improvised explosive devices (IEDs), a major study has found.

Islamic State (IS, formerly ISIS/ISIL) militants have manufactured and deployed IEDs across the battlefield on a "quasi-industrial scale," Conflict Armament Research (CAR), which undertook the 20-month study, stated in the report. Made of cheap and readily available components, IEDs appear to have become IS’s "signature weapon," the European Union-mandated study has found.

full report CAR
SIPRI
Who buys all those weapons?
Edited: 201602221814
The arms trade continues to be a booming business. According to data provided by the SIPRI , the total volume of arms sales from 2006-2010 to 2011-2015 has increased by 14 percent worldwide.

Two major regions are seeking weaponry: sales in Asia and Oceania have increased from 42 to 46 percent, while the Middle East has seen an uptake from 18 to 25 percent in arms acquired and now is in second place of the regions with the most imports. Many weapons for the Middle East are supplied by the United States, accounting for 41 per cent of US arms exports.

Asia and Oceania received 40 percent of US weapons. Also, 68 percent of Russian arms exports went to that same region. The biggest intra-Asia arms trader is China who sold most its weapons to Pakistan, followed by Bangladesh and Myanmar, all of which border China’s regional rival India.

Whilst the acquisition of weapons is also on the rise in Africa, Europe has experienced a sharp decline in the influx of arms. The Americas too are buying slightly fewer weapons.

Infographic: Asia up in Arms | Statista
The Center for Public Integrity
Ford gaf 40 miljoen $ uit om mesothelioom (longvlieskanker) door asbest-remblokjes 'weg te schrijven' - Fordgate
Edited: 201602162013
Science for Sale - Ford spent $40 million to reshape asbestos science - Stung by lawsuits, the automaker hired consultants to change the narrative on the risks of asbestos brakes.
In 2001, toxicologist Dennis Paustenbach got a phone call from a lawyer for Ford Motor Company.

The lawyer, Darrell Grams, explained that Ford had been losing lawsuits filed by former auto mechanics alleging asbestos in brakes had given them mesothelioma, an aggressive cancer virtually always tied to asbestos exposure. Grams asked Paustenbach, then a vice president with the consulting firm Exponent, if he had any interest in studying the disease’s possible association with brake work. A meeting cemented the deal.

Paustenbach, a prolific author of scientific papers who’d worked with Grams on Dow Corning’s defense against silicone breast-implant illness claims, had barely looked at asbestos to that point. “I really started to get serious about studying asbestos after I met Mr. Grams, that’s for sure,” Paustenbach testified in a sworn deposition in June 2015. Before that, he said, the topic “wasn’t that interesting to me.”

Thus began a relationship that, according to recent depositions, has enriched Exponent by $18.2 million and brought another $21 million to Cardno ChemRisk, a similar firm Paustenbach founded in 1985, left and restarted in 2003. All told, testimony shows, Ford has spent nearly $40 million funding journal articles and expert testimony concluding there is no evidence brake mechanics are at increased risk of developing mesothelioma. This finding, repeated countless times in courtrooms and law offices over the past 15 years, is an attempt at scientific misdirection aimed at extricating Ford from lawsuits, critics say.


read more on CPI

zie ook de Eternit-case en het proces in Italië

RT News
15 februari 2016: Erdogan uses ISIS to suppress Kurds, West stays silent says Turkish MP Selma Irmak
Edited: 201602151910
“Erdogan uses ISIS [Islamic State/IS, also known as ISIS/ISIL] against the Kurds. He can’t send the Turkish Army directly to Syrian Kurdistan, but he can use ISIS as an instrument against the Kurds. He has a greater Ottoman Empire in his mind, that’s his dream, while ISIS is one of the instruments [to achieve it],” Selma Irmak, a Turkish MP from the Peace and Democracy Party told RIA Novosti on Monday.

(...)

“Unfortunately, the international community is indifferent towards these events. Turkey has taken Europe prisoner by using Middle Eastern refugees as an instrument of blackmail. The US keeps silent too, having common interests with Turkey. For instance, the US wants to keep using the Incirlik airbase […] and the Turkish Army is emboldened by such impunity.”
Freedom House
Autoritaire regimes winnen wereldwijd veld - Vrijheid onder druk
Edited: 201602151519
Democratic watchdog organization Freedom House recently released its annual rankings of the world's most suppressed nations, finding that global freedom is under pressure. A plethora of crises in 2015 led to harsh crackdowns on dissent by authoritarian regimes around the world as well as increased levels of xenophobia in democratic countries.

Freedom House found that global freedom has declined for the tenth year in a row. 72 countries experienced a decline in freedom while only 43 made gains. In 2016, 40 percent of the world's population is considered free with 24 percent partly free and 36 percent not free.

Infographic: The State Of Freedom Worldwide | Statista
VERMEERSCH Etienne in De Standaard
De vluchtelingencrisis: Ad impossibile nemo tenetur - Niemand is verplicht tot het onmogelijke
Edited: 201602131804
Professor Etienne Vermeersch is een enkeling die durft te zeggen waar het op staat.
Kan Europa een ongelimiteerde stroom vluchtelingen aan? Neen.
Hij argumenteert dat noch de sociale zekerheid noch de psychologische draagkracht van de bevolking dat kunnen torsen.
Hij wijst op de verantwoordelijkheid van politici en journalisten: 'zodra het ongenoegen een bepaald peil heeft bereikt, moeten beleidsmensen en journalisten ermee stoppen anderen betweterig te diaboliseren, vertrekkend vanuit hun torenhoog onbevlekt geweten.'
En dan is er het probleem van de islam.
Vermeersch verwijst naar het onderzoek van PEW Research Center in 2013.
We hebben het onderzoek waarnaar Vermeersch verwijst opgezocht en onderaan vindt u de link naar het complete rapport (226 pp.). Daaruit "blijkt dat 91% van de Iraakse moslims vindt dat de sharia de wet van het land zou moeten zijn. Volgens 92% moet de vrouw altijd haar man gehoorzamen en slechts 22% aanvaardt dat dochters hetzelfde erfrecht hebben als zonen. Bijna de helft (42%, LT) is van mening dat geloofsafval de doodstraf verdient," citeert EV.
En Vermeersch vraagt zich dan ook terecht af: "Zijn onze mensen dom als ze intuïtief vrezen dat opinies en gedragingen niet zomaar verdwijnen als mensen een voet op Europese bodem zetten?"
Tenslotte herhaalt V. zijn voorstel: "Een optimale tijdelijke opvang in de kampen en een snelle beëindiging van de oorlog door troepeninzet tegen IS (ISIS/DAESH, LT), vormen de enige mogelijke oplossing. Maar daar pleiten we al heel lang voor."

Totdaar Vermeersch.
En nu de kranten. Wat de redacties eens zouden moeten doen (zij zeggen zo vaak wat anderen moeten doen en denken!) is twee pagina's besteden aan de kernvragen rond de islam. In de zin van: 'Klopt het dat ...?"
Nu vinden we allerlei kletspraat en feiten door mekaar gehaspeld en de lezers krijgen absoluut geen klare kijk op het type godsdienst dat aan de orde is of die de bestaande rechtsorde wil hervormen.
Twee pagina's met feiten is toch niet teveel gevraagd, me dunkt. Niet om de discussie stil te leggen maar om af te raken van de cafépraat.
Wat mij stoort is dat diegenen die vochten tegen een achterlijk katholicisme nu zwijgen over een verdrukkende islam zonder de mogelijkheid tot emanciperende invulling. Alsof het doel niet hetzelfde zou zijn: boetsering van de geesten, onderdrukking van de vrouw en dominantie door een mannelijke kaste. De stilte is stuitend en wijst op het onvermogen om feitengerichte kritiek uit te brengen. Alsof de Verlichting in Europa niet heeft gewerkt !

LT

Hier kunt u het volledige rapport van PEW lezen - 20130430

Herlees de stellingnamen van Vermeersch dd. 20150905

Statista
The Spread Of The Zika Virus
Edited: 201602050918
Spain has just confirmed that a pregnant woman has been diagnosed with the Zika virus, marking the first such case in Europe. Other European countries including Ireland and Denmark have reported infections but Spain's is the first case involving a pregnant woman.
The Zika virus has been around for over 60 years but it has gone global over the past few weeks with the World Health Organisation warning that it has "explosive pandemic potential". It is a mosquito-borne disease that has symptoms similar to the dengue and chikungunya viruses. Transmission is currently active in several countries across the Americas, Pacific islands and Cape Verde.
Infographic: The Spread Of The Zika Virus | Statista


Microcefalie is een afwijking van het centrale zenuwstelsel waarbij de schedelomvang te klein is. Het is meestal een aangeboren aandoening. De hersenen ontwikkelen zich niet goed waardoor de schedel ook kleiner blijft. Vaak is er sprake van een verstandelijke beperking.
Er bestaat een primaire en secundaire microcefalie. De primaire microcefalie is vaak autosomaal recessief overerfbaar. Bij een secundaire microcefalie, is er sprake van een secundaire oorzaak.
Microcefalie ontstaat door een chromosoomafwijking, een ontwikkelingsstoornis of een infectie tijdens de zwangerschap. Vaak is het een kenmerk van een syndroom.
LT
het gebeurde op 4 februari ...
Edited: 201602041521
1515: Karel V doet zijn plechtige intrede te Mechelen, na de regering over de Nederlanden te hebben aanvaard op 5 januari 1515. Een jaar na zijn aantreden veroverde het Osmaanse Rijk Syrië en Egypte en rukten de legers stelselmatig noordwaarts op. Langs de Dalmatische kust brokkelde het Venetiaanse zeerijk af en werd Apulië bedreigd; in 1521 viel Belgrado in Turkse handen, in 1526 het grootste deel van Hongarije met de koninklijke hoofdstad Buda. Het christelijke Imperium zag zich plots geplaatst tegenover de aanhoudende maritieme en continentale bedreiging van sultan Süleyman de Grote (1520-1566). (19990200:33-35)

1805: huisnummering ingesteld te Parijs door een decreet van Napoleon; dat zal het werk van Fouché, minister van politie aanzienlijk vergemakkelijkt hebben.

1875: Huwelijk van Belgische prinses Louise met Philip van Saksen-Coburg-Gotha, te Brussel. Louise Marie Amélie (Laken, 18 februari 1858 - Wiesbaden, 1 maart 1924), Prinses van België, Prinses van Saksen-Coburg-Gotha was het eerste kind van de latere koning Leopold II van België en diens vrouw Maria Henriëtta.
McCarthy Niall - Statista
Global Laws Against Homosexuality Visualised
Edited: 201602040220
Even in 2016 there are still around a dozen countries in the world which punish homosexual acts with death. Making up the group that deem homosexuality to be a capital offence are countries such as Pakistan, Saudi Arabia and Nigeria. On the flip side, there has been a wave of same-sex marriage legalisation in recent times with the Netherlands (2001) and Belgium (2003) leading the way to some of the most recent changes in France (2013), Great Britain (2014) and the United States (nationwide 2015). Last year, Ireland became the first country to legalize same-sex marriage through popular vote.
Infographic: Global Laws Against Homosexuality Visualised | Statista
Piketty Thomas dans Libération
«Les réformes promises mais non tenues tuent l’idée même de démocratie»
Edited: 201601251001
Critique face au bilan du gouvernement, l’économiste déploie ses idées pour plus de justice sociale, et veut réorienter les politiques tant françaises qu’européennes.

Oui, il est possible de combattre les inégalités, en France et en Europe, ici et maintenant. Contrairement à ce que prétendent les conservateurs, il existe toujours des alternatives, entre la gauche et la droite, bien sûr, mais aussi entre plusieurs politiques de gauche, toutes respectables a priori, mais entre lesquelles il va falloir choisir. Pour redéfinir une alternative de gauche face à la droitisation ambiante, il faut commencer par débattre, au grand jour, de façon exigeante et rigoureuse : c’est la seule façon d’éviter que les décisions soient ensuite confisquées par d’autres.

Pour combattre les inégalités, il faut marcher sur deux jambes : il faut tout à la fois imposer une réorientation de la politique européenne, permettant de sortir de l’austérité et du dumping fiscal et social, et mettre en place en France les réformes progressistes qui s’imposent, dès maintenant, sans se servir de l’inaction européenne comme d’une mauvaise excuse.

La question européenne d’abord. On peut imaginer trois grandes séries de positions, avec toutes sortes de nuances : la recherche de meilleures politiques, dans le cadre des institutions actuelles ; la refondation démocratique et sociale de ces institutions ; la porte de sortie. Première position : certains pensent qu’il est possible, dans le cadre des institutions européennes actuelles, de relancer la croissance et l’emploi et d’améliorer graduellement la situation économique et sociale. C’est la thèse du gouvernement en place depuis 2012 et les résultats n’ont guère été probants. On peut toutefois plaider qu’il est possible de mieux faire à l’avenir et que réformer les traités ne sera pas simple. La seconde position, que je défends, est qu’il est possible et nécessaire, si l’on souhaite mener des politiques de progrès social en Europe, de renégocier le traité budgétaire de 2012. Il faut notamment y ajouter de la démocratie et de la justice. Le choix du niveau de déficit et de la politique de relance doit se faire suivant la règle de la majorité, dans un Parlement de la zone euro représentant tous les citoyens de façon égale et non pas en appliquant des critères budgétaires aveugles. Et il faut sortir de la règle de l’unanimité pour mettre en place un impôt commun sur les grandes sociétés et un minimum de justice fiscale. Si la France, avec l’Italie et l’Espagne (qui ensemble représentent 50 % du PIB et de la population de la zone euro), propose un projet précis, alors l’Allemagne (à peine plus de 25 %) devra accepter un compromis. Et si elle le refuse, alors la position eurosceptique sera irrémédiablement renforcée.

La troisième position, c’est précisément la porte de sortie : on constate l’échec de la zone euro et on envisage un scénario permettant de retrouver de la souveraineté monétaire et budgétaire. Cette position me semble prématurée : je pense qu’il faut d’abord donner une vraie chance à une refondation démocratique et sociale de la zone euro et de l’idée européenne. Mais je comprends l’exaspération. Ce débat ne doit pas être tabou à gauche : certains pays restés à l’extérieur de la zone euro, comme la Suède et le Danemark, mènent des politiques de progrès social au moins aussi performantes que les nôtres. Ils connaissent également les mêmes crises xénophobiques : ils ne font ni mieux ni moins bien, en quelque sorte. Aucun débat ne doit être interdit.

Les réformes progressistes en France, ensuite. Il en existe de nombreuses qui peuvent être menées immédiatement, quelle que soit l’issue des négociations européennes. Comme beaucoup de citoyens, je persiste à penser qu’il est possible de mettre en place un grand impôt progressif sur tous les revenus, prélevé à la source pour plus d’efficacité et de réactivité, individualisé pour favoriser l’égalité hommes-femmes et l’autonomie. Ce nouvel impôt pourrait également permettre de refonder le modèle de financement de notre protection sociale, qui repose trop lourdement sur les cotisations et la masse salariale du secteur privé. Il pourrait être complété par un grand impôt progressif sur le patrimoine, issu du rapprochement de la taxe foncière et de l’impôt sur la fortune, afin d’alléger la charge de ceux qui tentent d’accéder à la propriété et non plus de ceux qui possèdent déjà beaucoup. Mais, là encore, il existe plusieurs positions possibles, dont il va falloir débattre. Certains préféreront maintenir le quotient conjugal, d’autres souhaiteront conserver les cotisations actuelles, ou bien la proportionnalité de la CSG afin d’éviter qu’elle ne devienne elle aussi truffée de niches fiscales de toutes natures. On peut enfin penser qu’aucune réforme fiscale ambitieuse n’est possible et que prétendre le contraire est mentir.

Toutes ces positions sont respectables a priori, à condition toutefois de le dire précisément et clairement avant les élections. Et non de découvrir, après que les électeurs se sont exprimés, que les réformes promises sont impossibles à mettre en œuvre et qu’il faut se résoudre à augmenter la TVA, sans jamais l’avoir évoqué auparavant dans le débat public. Ces mensonges tuent l’idée même de démocratie. Au-delà de la fiscalité, il en va de même dans de multiples autres domaines, qui ne peuvent être qu’effleurés ici : formation, retraites, santé, démocratie sociale. Le système français d’enseignement supérieur est l’un des plus inégaux du monde : il est temps d’investir massivement dans les universités et de les réformer profondément, en conciliant égalité et liberté. Sur les retraites, il est possible d’unifier les régimes privés et publics pour mieux garantir les droits des nouvelles générations et adapter le système à la complexité de leurs trajectoires professionnelles. Les salariés doivent être par ailleurs mieux impliqués dans les stratégies des entreprises et leurs conseils d’administration : c’est la voie choisie en Suède et en Allemagne, cela marche bien mieux qu’ici et cela pourrait encore être amélioré. Sur toutes ces questions, il faut du débat, de la clarté, de la démocratie. C’est la condition pour recréer de l’espoir et sortir de l’ornière.


Kapitaal in de 21ste eeuw

Le Capital au XXIe siècle
Christophe André, Matthieu Ricard, Alexandre Jollien
Trois amis en quête de sagesse
Edited: 201601231101
Résumé :
« Ce livre est né de notre amitié. Nous avions le profond désir d’une conversation intime sur les sujets qui nous tiennent à coeur. »

Un moine, un philosophe, un psychiatre. Depuis longtemps, ils rêvaient d’écrire un livre ensemble, pour être utiles, pour apporter des réponses aux questions que tout être humain se pose sur la conduite de son existence.

Quelles sont nos aspirations les plus profondes ? Comment diminuer le mal-être ? Comment vivre avec les autres ? Comment développer notre capacité au bonheur et à l’altruisme ? Comment devenir plus libre ?

Sur chaque thème, ils racontent leur expérience, leurs efforts et les leçons apprises en chemin. Chaque fois, ils nous proposent des conseils. Leurs points de vue sont différents, mais ils se retrouvent toujours sur l’essentiel.

Un livre limpide et lumineux pour apprendre le métier de vivre. En coédition avec les éditions L’Iconoclaste
news
schaakspel verboden in Saoedi Arabië
Edited: 201601220007
The game of chess is a waste of time and an opportunity to squander money. It causes enmity and hatred between people,” Abdulaziz Bin Abdullah, the most powerful Sunni cleric in Saudi Arabia, said on his weekly call-in show.


Voor diegenen die niet vertrouwd zijn met het schaakspel: een simpele pion kan de koning schaakmat zetten ! De koningin is het machtigste stuk op het schaakbord. Dat is natuurlijk geen leuke gedachte in een monarchale dictatuur.
Yalçin Varnali (1966)
Lost in Time
Edited: 201601191107

Yalçın Varnalı was born in Adapazarı in 1966, now lives in İstanbul, Turkey. Being focused on long exposure seascapes and landscapes, he tries to find simple, almost minimalist compositions.
“Simplicity is the ultimate sophistication,” said Leonardo da Vinci.

Comment: what strikes me is the absence of men in Varnali's photographic work. In total contrast with the images of Ara Güler, the famous Armenian artist.

link to his site
OXFAM
62 people own the same as half the world, reveals Oxfam Davos report | 62 personen bezitten evenveel als de helft van de wereldbevolking, zegt Oxfam in het Davos rapport
Edited: 201601181057
Oxfam gebruikte cijfers van Crédit Suisse en Forbes.
Infographic: The 62 Richest People Are As Wealthy As Half The World | Statista
Statista

zie ons bericht van een jaar geleden


Keizersnede: een verrassende grafiek
Edited: 201601141329
Infographic: Which Countries Conduct The Most Caesarean Sections?  | Statista
EDELMAN Asher
China? Oil Prices? Saudi Arabia? Iran? Why Volatility? The Grand Surprise. Trump hero of the uneducated masses.
Edited: 201601120910
We were saving these ideas for the last chapter of the book. Sadly, things are going so fast; the convergence of factors, other than the obvious, pushing us towards the vortex of a storm touching on the ideas behind our next to last chapter, the last chapter being a description of the ills brought on by the coming worldwide economic cataclysm


America

On September 28th, 2015, we wrote of the driving factor behind increased market volatility, “excessive debt, prime and subprime with no liquidity, a reminder of 2007-2008.” It is clear that new, small, and medium sized businesses can not finance or refinance in such an environment. A recovery propelled by business growth is impossible in the current debt environment. In 2006 63.4% of the U.S. population over 16 years of age was employed. Entering 2016, 59.5% of the population is employed. In constant dollars from 2006 to the present average hourly wages have remained at approximately $20.50 while real (inflation adjusted) mean household income of the middle quadrille has hovered at about $54,000 per annum. Poverty statistics as a ratio of the population from 2006 to 2016 have increased from about 16.8% to more than 19.5%. It is difficult to envision a consumer led exit from the U.S. economic malaise given these statistics. Finance is in the throws of a second “Big Short” for those of you who have seen the movie. Derivatives outstanding within American financial institutions have a face value of more than the world’s total financial assets. Don’t assume that these positions are being managed or regulated by folks smarter and more careful then those in control in 2007. They are not! The cracks are beginning to show and spread whilst the underlying banking assets, severely impaired previously, have yet to be marked to market. Financial institutions are not likely to lead the charge towards a growing economy. In fact, it is more likely we will see a repeat of “The Big Short” in the near future. Government – Helpless – After years of monetary manipulation which accomplished little or nothing the Fed continues to bumble along! There has been little fiscal stimulation and none on the horizon. Helpless!

It is unlikely America will lead the world out of the present morass. With Donald Trump heralded as a hero by the uneducated masses we have only ourselves to thank for the inept economic management of our country. Intelligent leadership seems a dream of the past.

CHINA

What can China do? Nothing. China is in free-fall. Communist dictatorships are not and were never known for forward thinking in economically trying times. China arrests its businessmen, politicians et all (perhaps warranted), closes and manipulates markets, destroys it’s currency, overextends its credit markets in the hope of masking it’s economic catastrophe. It will not lead the world out of recession

EMERGING NATIONS

Emerging nations? Totally dependent on selling natural recourses to China et al. No help there.

EUROPE

Europe? Perhaps the greatest catastrophe on the cusp of discovery. We know that Sovereign debt and bank finance are interdependent. We have seen evidence of that everywhere and evidence of the results when the interdependence breaks down such as in Cyprus and Greece. Neither Cyprus nor Greece is healed with Greece heading for another meaningful debacle. What goes unsaid, for now, is the tightrope the rest of Europe walks. The Southern nations – Italy, Spain and Portugal are on the line of no return with Portugal probably having crossed it. Northern Europe is not far behind with France closest on the heels of the four other significant impending failures. The seriousness of further European defaults to the world economy cannot be overemphasized. With one currency as one nation goes down the rest follow. Diverse currencies allow escapes not available to a large currency block such as the Euro. Compounding the problems of Europe are the long standing banking mores which obfuscate the depth of European banks’ illiquidity and careless lending policies, sometimes bordering on corruption. As regulations and, more so transparency, are enforced on the European banking community it will become apparent that all is not right in the States of Euroland. Prior to the “European Crisis” in, some say 2010 or 2011, practices in play in most banking institutions included reciprocity in lending (you wash my hand I wash yours, we protect each other’s back) - not possible after 2011, careless analysis and regulation as to quality of lending, lassitude as to tracking use of funds (lots of Euros wandered off to the pockets of favored parties), little or no tracking and follow up as to “friend’s loans”, no marks to market or, at least, delayed and inadequate marks against delinquent loans, the creation of vehicles to house gone bad loans which would reduce or eliminate the requirements for mark downs of the bank’s equity, outright conflict of interest and fraudulent transactions. The list is long and goes on but, suffice it to say, the European banking system is awash with mortal problems which are just beginning to surface and are unlikely to be concealed as effectively as in the U.S. – There are too many conflicting political interests within Euroland to preserve the silence of the pack ( the countries and banks themselves.) In the next to last chapter of the book which, I’m afraid, will come out subsequent to the impending crisis we will delineate in detail the methodology by which the many European banks function. It is a lively topic.

In conclusion, 2007-2008 is likely to be repeated in the foreseeable future. This time there are no engines of restoration on the horizon. The catalyst will not be the usual blah blah we read in the financial press. It will be the collapse of the financial structure of Europe, both Sovereign and private. World liquidity, which is strained today, will find its home at “zero”. The recovery will be long and painful.



Asher Edelman

January 12th, 2016
News
Noord-Korea test waterstofbom - Ook China keurt dat af
Edited: 201601071148

Infographic: North Korea Has Conducted Its Fourth Nuclear Test | Statista
WEBB Simon
British Concentration Camps - A brief history from 1900 - 1975
Edited: 201601051416
For many of us, the very expression 'Concentration Camp' is inextricably linked to Nazi Germany and the horrors of the Holocaust. The idea of British concentration camps is a strange and unsettling one. It was however the British, rather than the Germans, who were the chief driving force behind the development and use of concentration camps in the Twentieth Century. The operation by the British army of concentration camps during the Boer War led to the deaths of tens of thousands of children from starvation and disease. More recently, slave-labourers confined in a nationwide network of camps played an integral role in Britain's post-war prosperity. In 1947, a quarter of the country's agricultural workforce were prisoners in labour camps. Not only did the British government run their own concentration camps, they willingly acquiesced in the setting up of such establishments in the United Kingdom by other countries. During and after the Second World War, the Polish government-in-exile maintained a number of camps in Scotland where Jews, communists and homosexuals were imprisoned and sometimes killed.This book tells the terrible story of Britain's involvement in the use of concentration camps, which did not finally end until the last political prisoners being held behind barbed wire in the United Kingdom were released in 1975. From England to Cyprus, Scotland to Malaya, Kenya to Northern Ireland. The book details some of the most shocking and least known events in British history.
Statistica
Twitter: 307 miljoen actieve twitteraars in het 3de kwartaal van 2015 - Turkije zeer actief in censuur
Edited: 201512201202
Dat betekent een vertienvoudiging op 5 jaar tijd.

bron: lees meer


In the first half of 2015, there were 1,003 requests from courts and government agencies to remove content from Twitter. Out of this, 72 percent came from the Turkish authorities. Twitter removal requests leads to tweets no longer being displayed in individual countries rather than being deleted altogether. In the United States, there only 25 requests in the first six months of the year. The number of content removal requests is soaring. In the second half of 2014, 13 percent of these requests were successful; between January and June, it was higher - 42 percent of requests were granted.


Infographic: Turkey Dominates Global Twitter Censorship | Statista
Wikipedia - LT (correcties en aanvullingen)
geschiedenis: Sykes-Picotverdrag, de val van het Ottomaanse Rijk, nieuwe monarchieën
Edited: 201512141458
Het Sykes-Picotverdrag was een geheime overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in mei 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was opgesteld door de Franse onderhandelaar Georges Picot (Paris, 18701221 – 19510620) en de Brit Mark Sykes (18790316 – 19190216). De Italianen en de Russen gingen ermee akkoord.

Volgens dit verdrag zouden de Fransen de kuststrook van Noord-Syrië en Libanon krijgen, met de grote steden Beiroet, Aleppo en Damascus, en de Britten het gebied aan de kop van de Perzische Golf, met als grootste stad Basra. Het binnenland, de eindeloze woestijn, zou worden verdeeld in ‘invloedssferen’, waar een van de beide landen een monopolie op exploitatie van natuurlijke rijkdommen en advisering van lokale potentaten zou hebben. Het zuiden van Syrië tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, dat voor Europeanen met hun Bijbelse opvoeding als ‘Palestina’ een speciale betekenis heeft, zou onder internationaal bestuur komen. Ze besloten ook dat de onafhankelijkheid van de Arabische staten door Frankrijk en Engeland niet erkend zou worden, als het Ottomaanse rijk als verliezer uit de bus zou komen. Een derde macht was in het gebied niet toegestaan.

Op 2 november 1917 had de Britse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour (18480725 – 19300319) ook nog een brief gestuurd aan Lord Lionel Walter Rothschild (18680208 – 19370827), een Joodse bankier die een voorstander was van het Zionisme. In deze brief, die ook wel de Balfour-verklaring wordt genoemd, beloofde hij de steun van de Engelse regering bij de stichting van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina.
His Majesty's government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.

Al deze onderhandelingen waren prematuur, want het Ottomaanse rijk bestond nog en zijn leger vormde een geduchte tegenstander. De Britten hadden al vroeg in de oorlog een expeditieleger aan wal gezet aan de kop van de Perzische Golf, en dit was geleidelijk opgerukt in de richting van Bagdad. Maar in juli 1916 werd de complete Britse voorhoede, 13.000 man sterk, bij al-Koet tot overgave gedwongen. Dit vertraagde de opmars naar Bagdad met bijna een jaar. Na twee mislukte pogingen om door het Ottomaanse front in het zuiden van Palestina heen te breken, veroverden de Britten met Kerstmis 1917 Jeruzalem. In oktober 1918 zakte de Ottomaanse verdediging uiteindelijk in elkaar en konden de Britten, samen met de Arabische opstandelingen, doordringen tot Aleppo en Mosoel in het noorden. Met de wapenstilstand van Mudros op 31 oktober 1918 was de militaire strijd definitief gewonnen, maar de diplomatieke problemen begonnen nu pas goed.

Arabische nationalisten riepen in Damascus de emir Faisal (1885-1933), de feitelijke leider van de Arabische opstand, uit tot koning van een onafhankelijk Arabië (Arab Kingdom of Syria). De Britten waren geneigd de aanspraken van hun protégé Faisal te erkennen. De Fransen wilden echter van geen wijken weten. Syrië moest en zou Frans worden zoals voorzien in de Sykes-Picot-overeenkomst, en uiteindelijk gaven de Britten toe. De overeenkomst werd bezegeld tijdens een aantal vergaderingen van de vredesconferentie begin 1920 in het Italiaanse San Remo. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon, en toen de Arabische nationalisten hiertegen in opstand kwamen, werd die opstand met grof geweld onderdrukt. Faisal ging in augustus 1920 in ballingschap in de UK.

De beloning die de Britten voor hun steun aan Frankrijk bedongen, was aanzienlijk. Het Verenigd Koninkrijk kreeg Zuid-Syrië (dat werd opgedeeld in Palestina en Transjordanië) en de drie Ottomaanse provincies van Mosoel, Bagdad en Basra in het oosten, het gebied dat nu ‘Irak’ werd genoemd. Ook de familie van de Sjarief kreeg zijn deel, al bestond dat uit een serie troostprijzen en niet uit het oorspronkelijk beloofde grote Arabische koninkrijk. De Sjarief (de vader van Faisal) - Hussein ibn Ali al-Hashimi (18540000 – 19310604) - zelf werd koning van de Hejaz (met het dichtbevolkte Jeddah en de heilige steden Mekka en Medina) en zijn zoon Abdullah (18820200 – 19510720) besteeg in het woestijnstadje Amman de troon als emir (vanaf 1946 koning van Jordanië) van Transjordanië. De Britten installeerden de monarchie in Irak en Faisal kreeg in augustus 1921 de troon, nadat het land was ‘gepacificeerd’, een proces waarin Gertrude Bell (18680714 – 19260712) een aanzienlijke rol speelde.

In 1924 versloeg stamhoofd Abdulaziz ibn Saud (18750115 – 19531109) zijn rivaal Hussein ibn Ali al-Hashimi, die eerst naar Cyprus en dan naar Transjordanië vluchtte, waar zijn zoon Abdullah als emir op de troon zat. Abdulaziz legde de grondvesten van het Saoudische Koninkrijk, dat we vandaag kennen. President Roosevelt zou op het einde van WO II met Abdulaziz een akkoord sluiten over de olierijkdommen van het koninkrijk. Voor een biografie van Ibn Saud (Séoud in het Frans) verwijzen wij naar ons boeknummer 19615.

Ook de situatie in Palestina werd onhoudbaar door de verschillende Britse voorstellen die niet verenigbaar waren. Het vertrouwen van zowel de joden als de Arabieren in de Britse regering was verdwenen. Het Verenigd Koninkrijk werd gezien als een zwakke politieagent die niet in staat was de situatie in de hand te houden. De dubbelzinnige Britse houding in de periode tussen 1920 en 1948 tegenover de problemen van Palestina wordt daarom ook gezien als een belangrijke oorzaak van het Palestijns-Israëlisch conflict.

Het Britse mandaat over Irak bleek even impopulair bij de bevolking als het Franse over Syrië. Ook in Irak brak in de zomer van 1920 een heftige volksopstand uit, geleid door een coalitie van stamhoofden, soennitische notabelen en sjiitische geestelijken. De opstand werd met behulp van de Britse Royal Air Force (RAF) in bloed gesmoord. Met name terreurbombardementen van de Britse luchtmacht tegen de inheemse burgerbevolking bleken hierbij zeer effectief, mede door het gebruik van mosterdgas. Dit maakte grote indruk op de militaire experts van die tijd en leidde ertoe dat het bombarderen van burgerdoelen overal in Europa als de strijdwijze van de toekomst werd gezien (cfr. de bombardementen van de Luftwaffe op London en de tapijtbombardementen van de USAF en de RAF op Duitsland tijdens WO II).
RTS - Radio Télévision Suisse
Interview 2012 avec Jean Ziegler, un homme vrai et sincère - A REVOIR !
Edited: 201512120054


Ziegler témoigne entre autre sur:
La faim dans le monde;
2,2 million d'enfants en Espagne ont faim;
L'argent de sang dans les banques suisses;
Le rôle du Crédit Suisse;
L'argent et les crimes de Mobutu au Congo;
L'argent criminelle placé en Suisse;
Son passage au Katanga (1962);
L'Egypte et l'argent de Mubarak (682 millions de FS);
L'argent du Yemen en Suisse;
Les crimes d'Assad ("l'incarnation du mal") en Syrie;
Le rôle du Conseil Fédéral en Suisse;
etcetera.

A propos du procès HSBC-Suisse (SwissLeaks): Hervé Falciani fut condamné par défaut à 5 ans de prison le 20151127.

"En Suisse on est passé de la négation à la répression (les procès) et puis à l'arrogance sans masque vis-à-vis la fraude fiscale et l'argent criminelle."
"La jungle avance en Europe."

Pour information, voici comment le système politique suisse fonctionne. On peut dire qu'il prend la forme de Directoire.
Le Conseil fédéral est l'organe exécutif de la Confédération suisse. Il est formé de sept membres, élus ou réélus — le même jour mais l'un après l'autre — pour un mandat de quatre ans renouvelable par l'Assemblée fédérale. Traditionnellement, un conseiller fédéral est réélu jusqu'à sa démission et les cas de non-réélection sont extrêmement rares (quatre entre 1848 et 2007).

Chacun des membres du Conseil est responsable de l'un des sept départements de l'administration fédérale mais le conseil lui-même fonctionne selon le principe de la collégialité. Le président de la Confédération est élu en son sein par l'Assemblée fédérale pour un an. Celui-ci est un primus inter pares avec un simple rôle de représentation. Son élection se fait traditionnellement par rotation (tournus) sur base de l'ancienneté entre les membres. (src: wiki, 20151212)
France 5 - Yves Calvi
Le double jeu de la Turquie - Emission du 20151202
Edited: 201512030003


Les experts autour de la table:
Dorothée Schmid, Chercheuse spécialiste de la Turquie à l'IFRI;
Frédéric Encel, Docteur en géopolitique;
Pierre Servent, Expert en stratégie militaire et spécialiste des questions de défense;
Jean-Dominique Giuliani, Président de la fondation Robert Schuman.
Présentation: Yves Calvi
Sommaire:
C’est un pacte inédit. Alors que la guerre des mots continue entre Moscou et Ankara, une semaine après que des chasseurs turcs ont abattu un bombardier Soukhoï russe à la frontière syrienne, les Européens ont scellé dimanche un plan d'action avec les Turcs pour freiner le flux de migrants vers l'Union européenne. Trois milliards d’euros vont être accordés à la Turquie pour l’aider à accueillir les 2,2 millions de réfugiés syriens qui sont sur son territoire. En échange de l’engagement d’Ankara à endiguer le flot des migrants, les 28 ont également accepté de faciliter l’obtention de visas pour les Turcs souhaitant séjourner en Europe tandis que le processus d'adhésion de la Turquie à l'UE, ouvert depuis 2005 mais au point mort depuis des années, va être "redynamisé". Est-ce que l’on peut parler d’ "une journée historique", comme l’a fait le Premier ministre turc ? Un nouveau chapitre s’ouvre-t-il dans les relations avec la Turquie ?

Principale porte de sortie des migrants, à commencer par les Syriens, la Turquie est devenue un allié incontournable d’une Europe divisée, inquiète des risques terroristes et déstabilisée par l’afflux des réfugiés. Mais rarement, la Turquie ne s’est montrée aussi ambiguë et aussi imprévisible. Que ce soit sur le dossier des réfugiés, la lutte contre l’Etat islamique ou sur le règlement du conflit syrien, comme l’a montré la semaine dernière la destruction de l’avion russe, qui complique toujours sérieusement la donne d’une coalition élargie contre Daech.

Le groupe Etat islamique contrôle désormais un territoire vaste comme la Grande-Bretagne et poursuit son ancrage hors de la zone irako-syrienne, notamment en Libye "le grand dossier des mois qui viennent", a averti hier le Premier ministre Manuel Valls. "Le terrorisme, cette idéologie totalitaire, mute en permanence", a assuré le chef du gouvernement laissant entendre que des combattants de l'organisation EI ont quitté l’Irak et la Syrie pour poursuivre le combat sur le sol libyen. Un pays où les djihadistes ont mis la main sur la ville de Syrte et profitent du chaos qui y règne pour étendre leur influence. Lundi, on a appris que deux Français qui voulaient rejoindre les camps libyens de Daech ont été arrêtés en Tunisie et remis aux autorités françaises, le 13 novembre 2015.

Remarques:
Giuliani: je suis contre l'adhésion de la Turquie à l'Union européenne; il faut savoir que la Turquie touche 1 mia d'euros par an dans le cadre de la pré-adhésion; Erdogan est en train d'effacer le Kemalisme.
Servent: Poetin va vers le tsarisme, Erdogan rêve de l'empire ottomane; il faut attaquer ISIS/DAESH en Lybie (Syrte) même SANS mandat de la communauté internationale.
Les experts sont d'accord sur le fait qu'une contrebande de pétrole existe entre la Syrie et la Turquie.



France 5 est une chaîne de télévision généraliste française de service public
BBC 20151128
Poetin legt zware sancties op aan Turkije na neerhalen jager
Edited: 201511290034
President Poetin tekende een decreet dat de handelsrelaties tussen Rusland en Turkije zwaar treft: import groenten en fruit, visaplicht voor Turken, zo'n 90.000 Turkse werknemers in Rusland worden geviseerd, chartervluchten tussen beide landen worden beëindigd.
Erdogan weigert nog steeds zich te excuseren maar betuigt 'spijt over het incident'. In diplomatieke taal is dat een hemelsbreed verschil.
27 november 2015: Press Release of the Kurdistan National Congress: Stop Turkish Aggression!
Edited: 201511271624
Stop Turkish Aggression!
November 23, 2015

To The International Democratic Opinion: Stop Turkish Aggression!

While the International Coalition, democracies and many decent people around the world are preoccupied with ISIS´s terrorist activities far beyond Syria and Iraq, Turkey is deepening its war against the Kurdish people as never before. Turkey’s war against the indigenous people in the Middle East comprises prohibiting the mother-tongue, culture and music of these people. Displacements, confiscating properties, imprisonment, persecution and committing preplanned crimes are characteristics of Turkey’s outright war.

On July 23rd Turkey declared that it would become a part of the International Coalition against ISIS, but unfortunately Turkey’s overall support for ISIS has since been intensified rather than reduced. Instead of fighting ISIS, Turkey started to attack Kurdish guerrilla forces, the only forces which are fighting and have fought successfully against ISIS/DAESH.

Turkey has been fighting Kurds despite the Kurdish people’s wish for peace and a political solution. The PKK’s leadership has extended the hand of peace and reconciliation to the Turkish people, presented a road map and concrete models for political solutions and made the proposal for countries and organizations such as the US and EU to mediate. In addition, the HPG (Kurdistan People’s Protection Force) has announced and put into practice many unilateral ceasefires, but Turkey has so far refused to enter into a bilateral ceasefire.

Turkish aggresssion, which intensifies day by day, is not only through its support for ISIS.

Repeated suicide bombs against Kurdish peaceful demonstrators, even in Ankara, gunning down children, women and the elderly, destroying Kurdish cemeteries, burning Kurdish shops and homes and enforcing arbitrary curfews are among the Turkish atrocities. The Turkish special military forces [“police”] are everywhere in Kurdistan. These forces are supported by paramilitary gangs whose identities are unknown. They use tanks, armored vehicles, cannons and helicopters. Kurdish cities such as Diyarbakır, Cizre, Gever, Şırnak, Silopi, Hakkâri and Van are turned into war-zones. The city of Nuseiybin is under Turkish military siege now for the 10th day. Only in Nuseiybin at least 8 civilians have been killed.

At the same time Turkey is attacking Rojawa Kurds (Syrian Kurds), specifically in the areas of Gire Spi and East of the Euphrates river. Turkey wants to provoke a war with Kurds inside Syria too. Its aim is to find “security” excuses to go inside Rojawa (Syria´s territory) and occupy an buffer area.

Turkey is denying the existence of the Kurdish people and waging an extermination war through assimilation and barbaric oppressive policies and ignoring the Kurds’ cry for peace. The AKP government has a problem-focusing approach not a problem-solving perspective, and therefore it does not respond for calls for dialogue and negotiation.

The Kurdish people’s call for peace, democracy and justice must not go unheard. We call on everyone who believes in peace, stability, friendship, justice and democracy to support Kurds and make a stand against this brutal campaign waged to suppress Kurds into silence and surrender. We ask everyone to contribute to a peaceful solution.

Rebwar Rashed
Co-Chairman of the Kurdistan National Congress/ KNK
November 23nd, 2015
LT
Ons onderwijs mist filosofie
Edited: 201511260045
Dat schreef Marc Van Impe enkele dagen na de moordpartij bij Charlie Hebdo.
Ons onderwijs mist filosofie.
Het is een korte en krachtige stellingname en ik onderschrijf die ten volle.
De moraal kunnen we niet langer overlaten aan godsdiensten die een voorgekauwde leerstof afleveren.
Moraal is een levende behoefte, een eeuwige schreeuw naar rechtvaardigheid, een dialoog zonder vooraf gepland eindresultaat, een gesprek met meer vragen dan antwoorden, meer luisteren dan spreken, laten uitspreken zonder onderbreken, ...
Wij dragen verantwoordelijkheid voor onze daden: als we het slecht doen en als we het goed doen.
Camus zei het zo: 'Dans un monde sans dieu il nous reste l'honneur.'
En eer is nooit geprefabriceerd of definitief verworven. Het is de opdracht voor elke dag, tot en met onze laatste dag.
Ons onderwijs mist filosofie.
Marc De Vos, [Frank Vandenbroucke], [Anthony Atkinson]
Ongelijk maar fair - Itinera gaat de mist in
Edited: 201511231824
In dit boek zet professor Marc De Vos (directeur van denktank Itinera) vraagtekens bij de stellingen van Piketty. In een interview wordt al gauw duidelijk waar het werkelijk om gaat: de professor wil zichzelf profileren als diegene die 'anders' nadenkt, diegene die wil verhinderen dat de bevindingen van Piketty uitdraaien op een nieuwe ideologie, diegene die Piketty verwijt én economisch historicus, én politiek raadgever te willen zijn. 'Piketty heeft een verborgen agenda en de discussie is een hype', luidt het.
De Vos stelt de beschikbare statistiek in vraag en zou liever naar de evoluties binnen de gelaagdheid gaan kijken, trajecten van mensen binnen de arbeidsmarkt gaan onderzoeken. Enzovoort. In het Frans noemt men die tactiek 'brouiller les pistes'. Er zijn ook passages over genetisch determinisme, versterkt door contextuele variabelen.
Frank Vandenbroucke noemde in een gesprek voor Kanaal Z (20151119) het boek eenzijdig en herhaalt tweemaal 'het mankeert absoluut nuance'. FVDB poneert dat we - willen we armoede en ongelijkheid verminderen - aandacht moeten hebben voor onze kinderen. De Vos kon nauwelijks weerwerk bieden in de discussie, verloor de pedalen in zijn wirwar van nepargumenten en was zichtbaar blij dat de uitzending afliep. Itinera maakte een slechte beurt.
bekijk het gesprek hier
Commentaar LT:
Economen - het zijn ook maar mensen - hebben de neiging mekaar tegen te spreken, al was het maar om te kunnen surfen op de deining die hun succesvolle collega (Piketty) heeft veroorzaakt. We vrezen dat het boek van De Vos met die bedoeling in elkaar is geknutseld.
Het is wellicht waar dat ongelijkheid van alle tijden is. Het is ook waar dat succes mag worden beloond. Het wordt echter een andere zaak als de rijken, de vermogenden, de grootverdieners via allerlei truuks hun bijdragen aan het inkomen van de staat trachten te minimaliseren. We hebben het hier over de belastingconstructies die o.a. LuxLeaks uitbracht. De staat kan dan niet de nodige middelen verzamelen om bijvoorbeeld kinderen via onderwijs uit de kansarmoede te halen. De superrijken kunnen daarentegen via privé en voortgezet onderwijs hun kinderen bijkomende kansen bieden.
Die redenering missen we bij De Vos. Hij mist totaal de trein door niet te willen inzien dat belastingen een directe impact hebben op de uitkering van dividenden. Belastingen noemt hij iets dat komt NA de bruto-inkomensvorming, terwijl de logica zegt dat belastingen inherent geworden zijn aan de strategie van bedrijven, trusts en concerns. De externe fiscale consultants zijn belangrijker geworden dan de financiële directie van een concern. De herverdelende correctiemechanismen die de staat via belastingen wil laten plaatsvinden worden door de 'global players' ontvlucht en dus gesaboteerd. De staat kan op die manier nog slechts de miserie proberen te managen. De vermogensaccumulatie is in die context pure diefstal en een daad van incivisme.

Het werk van Marc De Vos werd verkozen tot LIBERALES BOEK van 2015; dat zegt in dit geval meer over de kwaliteit van de jury dan over die van het boek.


Omdat er belangrijker boeken zijn dan dat van De Vos geven we hier een lijstje met de boeken van Anthony Atkinson:
Atkinson, Anthony B.; Harrison, Allan J. (1978). Distribution of personal wealth in Britain. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521217354.
Atkinson, Anthony B.; Stiglitz, Joseph E. (1980). Lectures on public economics. London New York: McGraw-Hill Book Co. ISBN 9780070841055.
Atkinson, Anthony B. (1983). The economics of inequality. Oxford Oxfordshire New York: Clarendon Press Oxford University Press. ISBN 9780198772088.
Atkinson, Anthony B. (1995). Incomes and the welfare state: essays on Britain and Europe. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521557962.
Atkinson, Anthony B. (1996). Public economics in action: the basic income/flat tax proposal. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780198292166.
Atkinson, Anthony B. (1999). The economic consequences of rolling back the welfare state. Cambridge, Massachusetts: MIT Press. ISBN 9780262011716.
Atkinson, Anthony B.; Bourguignon, François (2000). Handbook of income distribution. Amsterdam New York: Elvesier. ISBN 9780444816313.
Atkinson, Anthony B; Stern, Nicholas H.; Glennerster, Howard (2000). Putting economics to work: volume in honour of Michio Morishima 22. London: London School of Economics and Political Science, and the STICERD – Suntory-Toyota International Centre for Economics and Related Disciplines. ISBN 9780753013991.
Atkinson, Anthony B. (2004). New sources of development finance. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199278558.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2007). Top incomes over the Twentieth Century: a contrast between Continental European and English-speaking countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286881.
Atkinson, Anthony B. (2008). The changing distribution of earnings in OECD countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199532438.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2010). Top incomes: a global perspective. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286898.
Atkinson, Anthony B. (2014). Public economics in an age of austerity. New York: Routledge. ISBN 9781138018150.
Atkinson, Anthony B. (2014). Inequality: What Can Be Done?. Harvard University Press. p. 384. ISBN 9780674504769.
POPP Philippe Christian (ancien controleur du Cadastre)
Biographie
Edited: 201511101237
Biographie de Philippe-Christian Popp

Philippe-Christian Popp est né le 10 février 1805 à Utrecht (Pays-Bas) d'un père allemand et d'une mère hollandaise. Il est décédé à Bruges le 3 mars 1879.

À la suite du décès de son époux, Mme Popp, née Jeanne Henriette Vanderpant, vient s'établir en Belgique en 1818, accompagnée de ses cinq enfants, une fille et quatre fils

Après avoir terminé ses études moyennes, Philippe-Christian Popp effectue un stage dans les bureaux du Gouvernement provincial à Mons puis entre comme surnuméraire au cadastre. En 1827, il est nommé contrôleur du cadastre à Bruges; cette même année, il épouse Caroline-Clémence Boussart, née à Binche en 1808 et décédée en 1891, qui lui donnera huit enfants.

Dans la foulée de l'indépendance de la Belgique, Popp fait le choix de la nationalité belge et obtient la grande naturalisation le 31 mars 1831. Très rapidement, il s'intéresse à la politique de son pays d'adoption et fonde, le 4 avril 1837, un journal libéral à Bruges sous le nom de "Journal de Bruges", en réaction au lancement, trois jours plus tôt, d'un journal catholique appelé "Nouvelliste de Bruges", et rebaptisé ultérieurement "La Patrie". Jusqu'à la fin de sa vie, il resta directeur de cette gazette dont l'infatigable cheville ouvrière fut toutefois sa femme, Popp étant avec le temps de plus en plus absorbé par ses travaux cartographiques qui resteront uniques en leur genre.

En 1842, Philippe-Christian Popp entame l'édition de son "Atlas parcellaire de la Belgique" à laquelle il se consacrera pleinement jusqu'à sa mort en 1879; à cette date, avaient paru le plan et la matrice cadastrale de toutes les communes des provinces du Brabant, du Hainaut, de Liège et des deux Flandres, le tout composé et imprimé dans les ateliers d'imprimerie dont Philippe-Christian Popp était propriétaire à Bruges.

Tout en consacrant son activité à l'Atlas cadastral, Popp avait nourri un autre projet cartographique ambitieux, à savoir publier la carte topographique au 1/40.000 de toutes les provinces belges. Seule la carte de la Flandre occidentale a pu être dressée en 1856.

Bien que les travaux cartographiques de Philippe-Christian Popp ne soient pas le résultat de relevés effectués sur le terrain, ils n'en sont pas d'excellente qualité. Ils ont d'ailleurs valu à leur auteur maintes distinctions honorifiques et son admission dans plusieurs sociétés savantes.

Noot: Een van de dochters van Popp was Antoinette-Octavie Popp (18410123-19180521), ongehuwd gebleven; zij was lid van de Bond der Belgische Drukpers.
Daarnaast was er nog mejuffer Nelly Popp die zeker tot 1918 de kadastrale plans aanbood via een kleine advertentie in de Stadsbode; zij woonde op de Memlingplaats te Brugge. (bron: Stadbode Brugge)
YouTube
The Forgotten European Slaves of Barbary North Africa and Ottoman Turkey
Edited: 201511081161



Gepubliceerd op 8 nov. 2015
Ohio State University history Professor Robert Davis describes the White Slave Trade as minimized by most modern historians in his book Christian Slaves, Muslim Masters: White Slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast and Italy, 1500–1800 (Palgrave Macmillan). Davis estimates that 1 million to 1.25 million white Christian Europeans were enslaved in North Africa, from the beginning of the 16th century to the middle of the 18th, by slave traders from Tunis, Algiers, and Tripoli alone (these numbers do not include the European people which were enslaved by Morocco and by other raiders and traders of the Mediterranean Sea coast), 16th- and 17th-century customs statistics suggest that Istanbul's additional slave import from the Black Sea may have totaled around 2.5 million from 1450 to 1700. The markets declined after the loss of the Barbary Wars and finally ended in the 1830s, when the region was conquered by France.
Hundreds of thousands of Europeans were captured by Barbary pirates and sold as slaves in North Africa and the Ottoman Empire between the 16th and 19th centuries. These slave raids were conducted largely by Arabs and Berbers rather than Ottoman Turks. However, during the height of the Barbary slave trade in the 16th and 17th centuries, the Barbary states were subject to Ottoman jurisdiction and ruled by Ottoman pashas. Furthermore, many slaves captured by the Barbary corsairs were sold eastward into Ottoman territories before, during, and after Barbary's period of Ottoman rule.

The Barbary Muslim pirates kidnapped Europeans from ships in North Africa’s coastal waters (Barbary Coast). They also attacked and pillaged the Atlantic coastal fishing villages and town in Europe, enslaving the inhabitants. Villages and towns on the coast of Italy, Spain, Portugal and France were the hardest hit. Muslim slave-raiders also seized people as far afield as Britain, Ireland and Iceland.

In 1544, the island of Ischia off Naples was ransacked, taking 4,000 inhabitants prisoners, while some 9,000 inhabitants of Lipari Island off the north coast of Sicily were enslaved.870 Turgut Reis, a Turkish pirate chief, ransacked the coastal settlements of Granada (Spain) in 1663 and carried away 4,000 people as slaves. In 1625, Barbary pirates captured the Lund Island in the Bristol Channel and planted the standard of Islam. From this base, they went ransacking and pillaging surrounding villages and towns, causing a stunning spectacle of mayhem, slaughter and plunder. According to Milton, ‘Day after day, they struck at unarmed fishing communities, seizing the inhabitants, and burning their homes. By the end of the dreadful summer of 1625, the mayor of Plymouth reckoned that 1,000 skiffs had been destroyed and similar number of villagers carried off into slavery.’871 Between 1609 and 1616, the Barbary pirates ‘captured a staggering 466 English trading ships.’

In 1627, Pirates went on a pillaging and enslaving campaign to Iceland. After dropping anchor at Reykjavik, his forces ransacked the town and returned with 400 men, women and children and sold them in Algiers. In 1631, he made a voyage with a brigand of 200 pirates to the coast of Southern Ireland and ransacked and pillaged the village of Baltimore, carrying away 237 men, women and children to Algiers.

The barbaric slave-raiding activities of the Muslim pirates had a telling effect on Europe. France, England, and Spain lost thousands of ships, devastating to their sea-borne trade. Long stretches of the coast in Spain and Italy were almost completely abandoned by their inhabitants until the nineteenth century. The finishing industry was virtually devastated.

Paul Baepler’s White Slaves, African Masters: An Anthology of American Barbary Captivity Narratives lists a collection of essays by nine American captives held in North Africa. According to his book, there were more than 20,000 white Christian slaves by 1620 in Algiers alone; their number swelled to more than 30,000 men and 2,000 women by the 1630s. There were a minimum of 25,000 white slaves at any time in Sultan Moulay Ismail’s palace, records Ahmed ez-Zayyani; Algiers maintained a population of 25,000 white slaves between 1550 and 1730, and their numbers could double at certain times. During the same period, Tunis and Tripoli each maintained a white slave population of about 7,500. The Barbary pirates enslaved some 5,000 Europeans annually over a period of nearly three centuries.
Libé 20151106
Une procédure est lancée aux Etats-Unis contre le géant pétrolier Exxon-Esso, accusé d'avoir sciemment désinformé le public à propos de l'impact de ses activités sur le changement climatique.
Edited: 201511071612
VERMEREN Pierre
Le choc des décolonisations - de la guerre d'Algérie aux printemps arabes
Edited: 201511041534
Le temps semble loin où la France était un empire. Les territoires autrefois colonisés ont été rendus à eux-mêmes et sont désormais maîtres de leur histoire. C’est contre cette vision simpliste et historiquement fausse que s’insurge Pierre Vermeren : les révolutions arabes de 2011 et 2012 sont la conséquence directe, le dernier chapitre de l’histoire de la décolonisation.

De guerre lasse, dans un mélange de bonne conscience et de culpabilité, l’État et les élites de France ont laissé leurs successeurs à la tête du Maroc, de l’Algérie, de la Tunisie et des pays d’Afrique agir en toute impunité. Le silence et l’aveuglement de la France, mais aussi de l’Europe tout entière, ont permis dans ces anciennes colonies l’accaparement des richesses, la confiscation des libertés et la soumission des peuples.

Pierre Vermeren apporte aux événements les plus récents, qu’il s’agisse des explosions de colère au Maghreb comme de la lutte contre le djihadisme, l’éclairage irremplaçable de l’histoire.

Pierre Vermeren est professeur d’histoire contemporaine à l’université Paris-I-Panthéon- Sorbonne, spécialiste des mondes arabes et africains du Nord et de la décolonisation.
Pervenche BERES Députée européenne S&D, membre de la Commission spéciale TAXE , Karine BERGER Députée socialiste , Jean-Paul Fitoussi Economiste , Yann Galut Député socialiste , Pierre-Alain MUET Député socialiste , Thomas Piketty Economiste , Romano PRODI Ancien Premier ministre italien et ancien président de la Commission européenne , Sergio Cofferati Rapporteur du Parlement européen sur la directive droits des actionnaires , Emmanuel Maurel Député européen S&D, membre de la Commission spéciale TAXE , Gianni Pittella Président du Groupe S&D au Parlement européen
Lettre ouverte: Un an après LuxLeaks, rien n’a changé. L’Union européenne a besoin d’un nouveau départ pour lutter contre la fraude et l’évasion fiscales.
Edited: 201511041427
Le 5 novembre 2014, un groupe de journalistes internationaux révélait que plus de 300 multinationales avaient conclu entre 2002 et 2010 des accords secrets - rescrits fiscaux -au Luxembourg dans le but de réduire drastiquement le montant de leurs impôts.

Le scandale LuxLeaks est né ce jour-là. L’ampleur de la tromperie a suscité l’indignation dans le monde entier. Des géants économiques qui réalisent des milliards d’euros de chiffre d’affaires sont parvenus à payer jusqu’à moins de 1 % d’impôts sur les bénéfices transférés au Grand-Duché alors que le petit commerçant ou le citoyen européen - qui n’a pas la chance de bénéficier de tels avantages - subissait de plein fouet cette concurrence déloyale.

Au sein de ce grand marché intérieur, les Etats membres de l’Union européenne pratiquent donc allègrement la concurrence fiscale. Leur imagination est débordante lorsqu’il s’agit d’offrir une variété d’avantages fiscaux pour attirer des entreprises. Ils augmentent ainsi artificiellement leurs revenus et siphonnent une partie des revenus fiscaux de leurs partenaires européens. De l’argent que ces pays auraient pu investir dans des services publics de qualité, des hôpitaux ou des écoles.

Un an s’est écoulé. Rien n’a vraiment changé à l’exception de quelques annonces. L’Europe déçoit. Elle déçoit ses citoyens et ses entreprises. Le 6 octobre, par exemple, les ministres européens des Finances avaient l’opportunité de tirer enfin les leçons du LuxLeaks. Las, leur accord sur l’échange automatique des rescrits fiscaux est bien en-deçà des ambitions de la proposition originale de la Commission européenne. La transparence sur ces accords secrets n’aura donc pas lieu.

Cette situation sape grandement la base fiscale des Etats membres et met à mal le projet européen. Le temps presse. Le marché intérieur ne peut fonctionner de manière efficace qu’en s’appuyant sur un système d’imposition des sociétés transparent et coordonné. Le statu quo n’est pas une option.

L’Union européenne doit s’assurer que les multinationales paient leurs impôts là où elles réalisent leurs profits. Nous demandons des réformes ambitieuses pour réduire la fraude fiscale, combler les trous dans la législation, sanctionner les paradis fiscaux et pour combattre la corruption et le blanchiment d’argent. Nous devons améliorer la transparence et la coopération transfrontière.

Dans ce contexte, nous appelons les Etats membres à soutenir la proposition de «reporting pays par pays» actuellement en discussion dans le cadre de la directive sur les droits des actionnaires. Il s’agit d’obliger les entreprises cotées en Bourse à rendre publiques des informations sur leurs activités et les impôts qu’elles paient dans tous les pays où elles sont actives. Cette mesure permettrait aux autorités fiscales, aux investisseurs, y compris aux citoyens, d’agir en cas de comportement inapproprié ou illicite. Les banques européennes sont aujourd’hui soumises à ces exigences de transparence. Elles n’ont pas entamé leur compétitivité comme l’ont démontré les recherches conduites par la Commission européenne.

Un an après le scandale LuxLeaks, les citoyens européens et les entreprises attendent des résultats concrets. Un accord sur le «reporting pays par pays» représenterait un pas en avant important dans la lutte contre l’évasion et l’évitement fiscaux. Il est grand temps de mettre en place un système fiscal plus juste et plus transparent en Europe. Il s’agit là d’une condition essentielle pour que l’Europe retrouve le chemin d’une croissance économique soutenue. Les enjeux ne sauraient être plus importants.
Boualem Sansal
Auteur de '2084' dans un interview avec Marianne: 'Le temps des Arabes est en toute vraisemblance historiquement fini. Depuis les indépendances, ils n'ont même pas su vivre sur la rente royale (pétrole, soleil, tourisme...) que la nature et l'histoire leur ont offerte en abondance.'
Edited: 201511041311

Marianne : Pensez-vous que les totalitarismes de demain seront de nature théocratique, à la différence de ceux du XXe siècle, le nazisme et le stalinisme, qui furent d'abord antireligieux ?
Boualem Sansal : De quoi demain sera-t-il fait ? Mon idée est faite : à moins d'une révolution puissante des idées et des techniques qui viendrait changer positivement le cours calamiteux des choses, nous nous dirigeons, hélas, très probablement vers des systèmes totalitaires religieux. L'islam radical est déjà pleinement engagé dans la réalisation de cette transformation. Il a redonné vie et force à l'islam, assoupi depuis des siècles, six au moins, et un formidable désir de puissance, de conquête et de revanche aux musulmans épuisés par ces longs siècles d'appauvrissement culturel, économique et politique, aggravé à partir du XIXe siècle par le rouleau compresseur de la colonisation puis par des décennies de dictature postindépendance stérilisante. Sa jeunesse, la détermination de ses stratèges, la foi inaltérable de ses fidèles, la fougue et le goût du sacrifice de ses militants, feront la différence face aux tenants de l'ordre actuel, à leur tour atteints d'atonie, voire de déclin. Installé, rodé et perfectionné, le système ressemblerait assez à celui que je décris dans 2084. Il est possible que les intégristes des autres confessions se fondent dans le mouvement islamiste pour former avec lui le nouveau peuple élu, car aucune des religions du Livre ne peut accepter de se voir péricliter et disparaître, toutes ont besoin d'un pouvoir fort capable de maintenir Dieu sur son trône divin et de protéger son clergé.

Il n'y a plus de totalitarisme politique à l'horizon, seulement des totalitarismes théocratiques. C'est la nouveauté - effrayante - de ce début de XXIe siècle. Croyez-vous à une dérive d'une défaite planétaire de la politique, de l'espoir politique, des Lumières, d'une dépolitisation généralisée ?
B.S. : Je pense qu'on peut parler d'une défaite globale, en tout cas d'un épuisement profond de la pensée et des systèmes politiques issus des Lumières qui ont structuré et animé le monde ces derniers siècles. Les peuples n'en peuvent tant ni plus longtemps de ce marasme qui les réduit à rien et tue en eux et autour d'eux l'espoir d'une vie meilleure, ils sont demandeurs d'un nouvel ordre, fort, exigeant, conquérant, qui remette de la foi et de l'enthousiasme dans la vie et dans le combat quotidien. Le XXIe siècle ne saurait être la continuité du XXe siècle, ou d'un XXe siècle amélioré, il sera en rupture radicale avec l'ancien qui ne produit plus rien, sinon du factice, du jetable, de l'avatar.

L'Abistan - l'utopie théocratique totalitaire que votre livre imagine - renvoie votre lecteur à l'Etat islamique, Daech. Avez-vous pensé à cette parenté en écrivant votre livre ?
B.S. : En partie seulement. Pendant la décennie sanglante que mon pays, l'Algérie, a connue avec les islamistes, et notamment les Groupes islamiques armés, les GIA de triste mémoire, je me suis assez rapidement convaincu que cette branche de l'évolution de l'islam n'avait pas d'avenir, et de fait les GIA n'ont pas vécu plus de quelques années, c'est une branche morte comme a pu l'être la branche de l'homme de Neandertal. La violence seule même magnifiée ne suffit pas, il faut bien d'autres choses pour construire ce califat planétaire dont Daech rêve comme un chien rêve d'un os. Il faut de l'intelligence et du savoir pour dessiner des perspectives longues et cette branche en est dépourvue. Je pensais plutôt à l'Iran, à la Turquie, des pays puissants, organisés, qui ont une histoire depuis longtemps et de manière continue entièrement déterminée par l'islam (sauf l'intermède d'Atatürk pour la Turquie), capables de développer des stratégies de long terme et de se doter des moyens, dont les armes, pour réaliser leurs objectifs. Je vois l'objection qu'on peut faire, mais je suis persuadé qu'ils sauront le moment venu dépasser la vieille rivalité sunnites-chiites et s'unir dans la construction d'un califat mondial capable de résister au temps et à ses ennemis potentiels.

Croyez-vous que l'Etat islamique puisse vaincre, c'est-à-dire forcer d'autres Etats à le reconnaître comme un partenaire politico-diplomatique, comme l'un des leurs ?
B.S. : Je ne le crois pas, il continuera cependant d'attirer massivement les jeunes desperados radicalisés à la va-vite et pressés de mourir en martyrs, par simple chiqué au fond, pour impressionner les copains. Cela, à court terme. A plus longue échéance, une vingtaine d'années, Daech disparaîtra, il étouffe déjà dans un territoire qui ira s'amenuisant sous le coup des bombardements occidentaux et des avancées des forces gouvernementales des pays environnants. La guerre a ses limites, et le temps en est une. Même la guerre de Cent Ans s'est achevée un jour. De plus, l'Etat islamique n'a pas les cadres, les penseurs et les théologiens capables de le hisser intellectuellement et spirituellement au niveau de son ambition de dominer le monde, comparables à ceux qui aux temps glorieux de l'islam ont su édifier un empire et l'administrer brillamment. La suite de l'histoire se pense déjà et s'écrira ailleurs, probablement en Iran, en Turquie, au Pakistan, en Afghanistan. Les printemps arabes et Daech ne sont pour eux qu'une opportunité pour tester la faisabilité du projet grandiose de rétablir l'islam dans sa totalité, qui les hante depuis toujours. Ils savent maintenant que l'appel au djihad peut mobiliser les musulmans où qu'ils soient dans le monde. Le monde arabe, émietté, dispersé et épuisé, est en régression rapide, il perd déjà son leadership historique sur la Nahda islamique mondiale, le fameux Eveil de l'islam. Intégré dans le plan d'ensemble, il sera au mieux un pourvoyeur de ressources, de bases militaires et de djihadistes. Le temps des Arabes est en toute vraisemblance historiquement fini. Depuis les indépendances, ils n'ont même pas su vivre sur la rente royale (pétrole, soleil, tourisme...) que la nature et l'histoire leur ont offerte en abondance.

Pensez-vous que les pays du Maghreb peuvent combattre l'influence que Daech essaie d'acquérir sur leurs populations ?
B.S. : L'influence de Daech au Maghreb est limitée. L'islamisme maghrébin reste centré sur des questions internes. Au Maroc, en Algérie, et en Tunisie dans une moindre mesure, les islamistes dominent culturellement la société, mais, politiquement, leur influence sur la marche du pays a diminué, les pouvoirs en place sont arrivés à leur barrer l'accès au pouvoir, que ce soit par les armes ou par le jeu politique institutionnel. Un équilibre a été trouvé, il est fragile, mais il semble convenir aux uns et aux autres, les pouvoirs, les islamistes, les peuples et les pays occidentaux qui observent le Maghreb. Les pouvoirs en place ne sont au fond pas mécontents de voir leurs djihadistes partir vers Daech, où l'espérance de vie des combattants est des plus réduites.
Passons à la France. L'Etat islamique se livre à la même tentative de séduction et de perversion d'une partie de la jeunesse française. Comment empêcher ce détournement de la jeunesse ?
​B.S. : Les jeunes qui sont séduits par le discours et le combat islamistes sont-ils vraiment dans la République ? Ils sont plutôt dans sa périphérie, dans cette zone grise où, faute d'une médiation intelligente, les valeurs de la République et des valeurs dévoyées venues d'ailleurs s'entrechoquent sans cesse, de plus en plus durement. Le fossé s'élargit et traverse toute la société française, affaiblie par des crises récurrentes et tiraillée par les identités diverses et plurielles qui la composent sans plus vraiment former une unité. Le pacte républicain est mis bien à mal. L'intégration a échoué, il faut le reconnaître et la repenser de fond en comble. Qu'est-ce que la France du XXIe siècle ? Telle est la question première.

La critique de l'islamisme, voire de l'islam, est évidente dans 2084. Mais l'Occident ne paraît plus en mesure de formuler une proposition pour le monde. N'êtes-vous pas aussi implicitement critique de cet Occident qui paraît gagné par le vide et, en particulier, par la réduction de la vie et de la politique à l'économie ?
B.S. : Avec les Lumières, l'Occident a suscité d'immenses espoirs dans le reste du monde et, mieux que cela, il a réussi à l'entraîner dans la dynamique de transformation qu'il a mise en branle chez lui. Faute de moyens, de sincérité, de coordination, et faute d'approfondissement et d'actualisation des idées, la dynamique a tourné court ; sont alors apparus des résistances, des conflits, des ruptures et des contre-projets qui ont donné lieu à des retours catastrophiques aux ordres anciens. L'échec est patent, il est celui de l'Occident et celui du monde. D'où viendraient, alors, les Lumières de demain ? Sans doute pas de la Chine ou de l'Inde, les puissances économiques dominantes en devenir. Ces empires me paraissent condamnés par avance, tant le vide semble les habiter et tant grande est leur méconnaissance des expériences intellectuelles vécues ailleurs, en Europe, en Amérique, dans le monde arabo-musulman. Ils seront au mieux les agents efficaces d'un capitalisme sans âme, informatisé de bout en bout, et les consommateurs d'un marché insatiable.

Vous placez en exergue un propos dans lequel vous dites que les religions poussent à haïr les hommes. Il est vrai que dans l'Abistan, dans les fanatismes religieux de toutes sortes, mais faut-il généraliser ? Vous proposez une très forte et très belle distinction entre la croyance et la foi. Aide-t-elle à comprendre ce propos ?
B.S. : Dans toutes les religions, y compris les plus tolérantes, existe la tentation totalitaire. A la moindre difficulté, elle affleure. C'est cela qui est dénoncé dans l'exergue. Le fait de généraliser participe de la pédagogie, c'est dire aux tolérants : tâchez de ne pas tomber dans le vertige du fanatisme, restez dans la foi, elle est individuelle, silencieuse et humble, ne laissez pas la croyance des foules et ses mots d'ordre brutaux la dominer, il en sortira du mal, on fera de vous des militants aveugles, des extrémistes peut-être.

Que pensez-vous de l'interprétation de Houellebecq de votre livre comme prophétie politologique ?
B.S. : Nos livres sont, de mon point de vue, fondamentalement différents. Il est dans la politique, je suis dans une approche darwiniste, si je puis dire ; je regarde l'évolution d'un monde compulsif et mystérieux et je tente de voir ce qu'il va devenir et ce qui va en sortir. C'est l'élément religieux au cœur de nos réflexions qui a pu lui donner à penser que nous écrivons le même scénario, lui sur le moyen terme et moi sur le long terme.

Souhaitez-vous nous dire quelque chose sur ce qu'on appelle, d'une expression aussi curieuse qu'inappropriée, «la crise des migrants» ?
B.S. : Elle comporte selon moi trois aspects. L'un, humanitaire : il s'agit de venir en aide aux réfugiés, ce sont des sinistrés, il faut le faire sans hésitation, ni calcul, et dans toute la mesure de ses moyens. Les réfugiés sont appelés à retourner chez eux dans un terme qu'eux-mêmes espèrent le plus court possible. Le deuxième aspect est politique : les guerres en cours en Syrie, en Irak, en Afghanistan, au Nigeria, au Mali, en Libye, etc., ont pour ambition de reconfigurer le monde. Ici on dit : «Nous ne voulons pas de chrétiens chez nous» ; là on dit : «Les mauvais musulmans doivent disparaître» ; et là encore : «Telle ethnie doit déguerpir»... Ces mouvements de population sont des déportations, ils menacent l'ordre mondial, il faut les empêcher. Le troisième aspect est sécuritaire : il est source d'appréhensions et de fantasmes, ce qui rend son approche délicate. Il revient aux services de sécurité de veiller à empêcher les infiltrations de terroristes habillés en réfugiés. Les gouvernements européens qui sont les plus sollicités par les réfugiés doivent en débattre franchement et adopter des réponses franches, ce qui n'est pas le cas à cette heure.
Libé 20151030 / Pierre Bénite 20150317 (carte)
La France pauvre en détresse: les retraités en difficulté par la taxe d'habitation et foncière
Edited: 201510311021
Christian Eckert : bientôt «des mesures pour les retraités en difficulté»
Alors que des milliers de contribuables modestes ont constaté une hausse de leur taxe d’habitation et foncière ou vont devoir les acquitter pour la première fois, le secrétaire d’Etat au Budget se veut rassurant, et affirme vouloir prendre des mesures pour les retraités en difficulté.
A un mois du premier tour des régionales, c’est une vraie menace de déflagration : près de 900 000 Français aux revenus modestes ont constaté cet automne une hausse sensible de leur taxe d’habitation et foncière - ou vont devoir les acquitter alorsqu’ils ne les payaient pas auparavant. Dans un courrier adressé le 26 octobre à Manuel Valls, 115 députés de la majorité, confrontés à la «détresse des personnes âgées» dans leur circonscription ont tiré la sonnette d’alarme et appelé le gouvernement à corriger le tir au plus vite. Un message reçu cinq sur cinq à Bercy. Entretien avec le secrétaire d’Etat au Budget, Christian Eckert.

Alors que le gouvernement promet des baisses d’impôts, comment expliquer une telle situation?

Un grand nombre de personnes âgées aux revenus modestes sont touchées par l’évolution, en matière d’impôts locaux, de la mesure dite « ½ part des veuves », votée sous le gouvernement précédent, en 2008, et dont les effets programmés se font sentir aujourd’hui seulement, en les rendant redevables de la taxe d’habitation et, pour ceux qui sont propriétaires, de la taxe foncière. Pour la taxe d’habitation, cette situation concerne environ 250 000 personnes, qui deviennent imposables alors qu’elles étaient jusqu’ici exonérées. Le gouvernement est pleinement conscient de la situation de fragilité dans laquelle se trouvent ces personnes âgées..

Pourquoi le ministère des finances n’a t-il pas anticipé et neutralisé l’effet de cet alourdissement fiscal?

Nous avions de fait anticipé cette difficulté : notre réflexion a rejoint celle de la députée Christine Pires Beaune en discussion du Projet de Loi de finances pour 2016 et nous avions accepté un premier amendement, qui revalorisait le plafond de revenu permettant de bénéficier de l’exonération. Nous avions immédiatement indiqué que nous envisagions d’aller plus loin, de manière à rattraper le plus possible de situations. Nos travaux montrent aujourd’hui que cette mesure qui porte sur les seuils de revenu de référence n’est pas suffisante ; nous allons donc proposer quelque chose de plus ciblé encore en direction des personnes âgées devenues imposables à la taxe d’habitation et à la taxe foncière alors que leur revenu n’avait pas varié.

Ce qui est vrai pour la taxe d’habitation l’est aussi pour la taxe foncière, qui est désormais exigible dans son intégralité dès que le revenu d’un foyer est supérieur à 10 800 euros par an... Savez vous combien de personnes sont touchées à ce titre?

Nous sommes en attente des chiffres mais ils sont par nature beaucoup moins nombreux : en effet, l’exonération de taxe foncière commence à 75 ans et non à 60 ans comme la taxe d’habitation ; et 30 % des personnes de plus de 75 ans ne sont pas propriétaires de leur résidence principale. Pour autant, les situations individuelles peuvent être très difficiles, et nous souhaitons régler le problème de manière globale, à la fois pour la taxe d’habitation et la taxe foncière.

A un mois et demi du premier tour des régionales, cette hausse inopinée des impôts locaux n’est pas vraiment pour redonner confiance à l’électorat populaire. Que comptez-vous faire pour rassurer les les Français concernés?

Comme je l’ai dit, les causes de cette situation remontent à 2008.

Quant aux réponses, le budget 2016 prévoyait dès sa présentation, début octobre, 2,1 Mds € de baisses d’impôt sur le revenu vers les revenus moyens et modestes. Et face à ces retraités en difficulté, nous annoncerons très prochainement des mesures concrètes pour leur apporter de la manière la plus efficace qui soit une solution.

Un grand nombre de personnes âgées aux revenus modestes sont impactées par les effets sur les impôts locaux de la mesure dite « ½ part des veuves », votée sous le gouvernement précédent, en 2008, et dont les effets programmés se font sentir aujourd’hui seulement, en les rendant redevables de la taxe d’habitation et, pour ceux qui sont propriétaires, de la taxe foncière. Cette situation concerne environ 250 000 personnes qui étaient exonérées et deviennent imposables. Le gouvernement est pleinement conscient de la situation de fragilité dans laquelle se trouvent ces personnes âgées qui étaient jusqu’à aujourd’hui exonérées d’impôts.

Recueillis par Nathalie Raulin

IFA
Le Recueil Financier - Digital version by Institute for Financial Archaeology
Edited: 201510310035

Brussels used to be an important financial centre and attracted countless foreign companies, just as London does today. Brussels held a quasi monopoly on tramway and light railway companies, such as Tramways de Koursk, Tramways Napolitains, Tramways de Rosario, Tramways de Tientsin,… These companies were quoted on the big board on a daily basis.

In the now legendary year of 1929, more than 1.000 companies had been listed in Brussels. All types of shares and bonds combined, the big black board included more than 1.500 quote lines. One third of these companies were foreign (France, United Kingdom, Netherlands, Germany,…)

Only one yearbook covered the world of finance and financiers during the 1893-1975 period: “LE RECUEIL FINANCIER: annuaire des valeurs cotées aux bourses de Belgique”. This yearbook has proven to be of inestimable value to those researching the history of the Belgian stock exchanges.

The Recueil Financier contains a wealth of information on stock exchange prices, corporate financial results and balance sheets. The directors of the companies listed get a separate mention, referenced with all their mandates in the listed companies.

Every year a report is published on all companies, highlighting the commercial activities during the course of the year and giving a detailed list of corporate actions (investments, dividends, spin-offs, take-overs, splits…).

Until now the Recueil Financier was only available in printed form, which made research very time consuming. Worse still, no complete series of the yearbooks had survived and only scattered copies could be found in libraries.

All 82 years, encompassing 240.000 pages in 221 volumes, have been digitised by IFA over the last 2 years! IFA owns the reproduction rights.


link to the RFI-page of IFA
IARC
International Agency for Research on Cancer past lijst van kankerverwekkende stoffen aan
Edited: 201510282320
Wanneer we die lijst van naderbij analyseren dan blijkt het overgrote deel van de stoffen (agents) aangemaakt te zijn na Wereldoorlog II.
Uiteraard figureren de bekende kankerverwekkers zoals tabak, alcohol, asbest, e.a. op de lijst. Toch is het opmerkelijk dat vele stoffen niet radicaal verboden werden. Hun productie verhuisde dan wel vaak naar ontwikkelingslanden met een onbestaande wetgeving op de publieke gezondheid, de import van deze stoffen werd haast niet aan banden gelegd. Een blootstelling aan deze stoffen is dan ook onvermijdelijk geworden. Je kan het inademen op straat, binnenshuis, in fabrieken, etc. Maar ook bij de kapper wanneer je je haar laat kleuren. Uit een onderzoek (2014) bleek dat kappers een risicogroep zijn, en vrouwenkappers meer dan mannenkappers.
Conclusie: kaal is veiliger.


consulteer de lijst
De Tijd 20151024
De zaak Essers: onze externe consultants zeiden ons dat 11 ha beschermd bos kappen mogelijk was
Edited: 201510260030
Bervoets (CEO Essers): "Het is een moeilijk verhaal. Wij zijn geen natuurspecialisten. Dus luisteren wij naar externe specialisten: die van de overheid en de milieu-consultants die we zelf geraadpleegd hebben. En als die zeggen dat het kan, dan gaan wij daarmee verder. Zo simpel is het eigenlijk. De hele tijd hebben wij alleen maar gehoord dat het kan."
Commentaar LT: Eigenlijk is het een simpel verhaal, meneer Bervoets: je trekt je niets aan van de wetgeving op de beschermde bossen.

wie is Essers?
LT
Open Brief aan Bart Sturtewagen, opiniërend hoofdredacteur De Standaard
Edited: 201510221515
Bart,

Met je hoofdartikel van vandaag zit je op één millimeter van de oplossing: centraliseer de belastingdienst voor multinationals op het Europese niveau.
De natiestaten hebben het pleit op fiscaal vlak verloren en je zegt zeer terecht ‘In de race naar nul verliezen ze uiteindelijk allemaal’.

Ik heb 10 jaar de Belastingdienst voor Vlaanderen geadviseerd, o.m. voor Onroerende Voorheffing.
Daar werd de belasting op onroerende goederen dus centraal geïnd en vervolgens geristourneerd aan de gemeenten (een klein stukje aan de provincies en aan het Gewest).
Dat verliep vrij vlot en ik ken maar één geval van een onheuse dading in een geschil (het ging wel om een enorm bedrag).

Een centrale inning van de belasting op multinationals is een piste die veel tegenstand zal opwekken.
Maar als niemand de idee lanceert dan komt het er nooit van. En ik zie het de krijsende Verhofstadt niet onmiddellijk doen.

Wanneer men de klassieke weg bewandelt (het omzetten van richtlijnen in nationale wetgeving) dan is die inderdaad nog lang.
Die tijd hebben we niet. We staan voor een implosie van de nationale begrotingen.
En, voor alle duidelijkheid: als de natiestaten inkomsten mislopen door het fiscale ‘shoppen’ dan zijn niet de staten de verliezers, maar alle burgers, de alleenstaanden én de gezinnen én de KMO’s.

Weerom ter overweging.

Met vriendelijke groeten,


Lucas TESSENS
KINZER, STEPHEN
Crescent and Star: Turkey Between Two Worlds
Edited: 201510220137
Hardcover. "Drawing on its unique geography, history, and politics, this study of Turkey considers its prospects for democratic rule and its place among nations in the 21st century. Kinzer travels across the land, interviews its many peoples, and considers the key issues confronting Turkey: the role of its military; the secular and religious traditions; and the politics and human rights issues in relation to joining the European Union. Arguing that Turkey is the most "audacious nation of the twenty-first century" the author explores the unrealized potential of this nation--once the seat of a great empire--sandwiched neatly between Europe and Asia. Offers an intimate report on Turkey today, pulling aside the veil that has hidden it from the outside world. Traces its development into a modern state, and outlines the great dilemmas it now faces.Turkey is poised between Europe and Asia, caught between the glories of its Ottoman past and its hopes for a democratic future, between the traditional power of its army and the needs of its impatient citizens, between Muslim traditions and secular expectations. " 252p. index.
La République Française
Charte de la laïcité à l’école.
Edited: 201510090957
La Nation confie à l’école la mission de faire partager aux élèves les valeurs de la République. La République est laïque. L’école est laïque.
1) La France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale. Elle assure l’égalité devant la loi, sur l’ensemble de son territoire, de tous les citoyens. Elle respecte toutes les croyances.
2) La République laïque organise la séparation des religions et de l’État. L’État est neutre à l’égard des convictions religieuses ou spirituelles. Il n’y a pas de religion d’État.
3) La laïcité garantit la liberté de conscience à tous. Chacun est libre de croire ou de ne pas croire. Elle permet la libre expression de ses convictions, dans le respect de celles d’autrui et dans les limites de l’ordre public.
4) La laïcité permet l’exercice de la citoyenneté, en conciliant la liberté de chacun avec l’égalité et la fraternité de tous dans le souci de l’intérêt général.
5) La République assure dans les établissements scolaires le respect de chacun de ces principes.
6) La laïcité de l’École offre aux élèves les conditions pour forger leur personnalité, exercer leur libre arbitre et faire l’apprentissage de la citoyenneté. Elle les protège de tout prosélytisme et de toute pression qui les empêcheraient de faire leurs propres choix.
7) La laïcité assure aux élèves l’accès à une culture commune et partagée.
8) La laïcité permet l’exercice de la liberté d’expression des élèves dans la limite du bon fonctionnement de l’École comme du respect des valeurs républicaines et du pluralisme des convictions.
9) La laïcité implique le rejet de toutes les violences et de toutes les discriminations, garantit l’égalité entre les filles et les garçons et repose sur une culture du respect et de la compréhension de l’autre.
10) Il appartient à tous les personnels de transmettre aux élèves le sens et la valeur de la laïcité, ainsi que des autres principes fondamentaux de la République. Ils veillent à leur application dans le cadre scolaire. Il leur revient de porter la présente charte à la connaissance des parents d’élèves.
11) Les personnels ont le devoir de stricte neutralité : ils ne doivent pas manifester leurs convictions politiques ou religieuses dans l’exercice de leurs fonctions.
12) Les enseignements sont laïques. Afin de garantir aux élèves l’ouverture la plus objective possible à la diversité des visions du monde ainsi qu’à l’étendue et à la précision des savoirs, aucun sujet n’est a priori exclu du questionnement scientifique et pédagogique. Aucun élève ne peut invoquer une conviction religieuse ou politique pour contester à un enseignant le droit de traiter une question au programme.
13) Nul ne peut se prévaloir de son appartenance religieuse pour refuser de se conformer aux règles applicables dans l’École de la République.
14) Dans les établissements scolaires publics, les règles de vie des différents espaces, précisées dans le règlement intérieur, sont respectueuses de la laïcité. Le port de signes ou tenues par lesquels les élèves manifestent ostensiblement une appartenance religieuse est interdit.
15) Par leurs réflexions et leurs activités, les élèves contribuent à faire vivre la laïcité au sein de leur établissement.
News
Bezoek Erdogan: Belgische en Turkse veiligheidsagenten gaan op de vuist
Edited: 201510070048
Het officiële bezoek van Erdogan aan België verloopt verre van rimpelloos.
Ondertussen komt de VRT-nieuwsdienst opvallend mild uit de hoek voor strijdende Koerden in het Midden-Oosten. Met name Sirwan Barzani en zijn Zwarte Tijgers worden in een gunstig daglicht gezet door Rudy Vranckx, die hen vervoegt aan het front. Tegenover de peshmerga staan de jihadi's van IS.
OESO - OECD - Press Release
OECD presents outputs of OECD/G20 BEPS Project for discussion at G20 Finance Ministers meeting - Reforms to the international tax system for curbing avoidance by multinational enterprises
Edited: 201510070027
05/10/2015 - The OECD presented today the final package of measures for a comprehensive, coherent and co-ordinated reform of the international tax rules to be discussed by G20 Finance Ministers at their meeting on 8 October, in Lima, Peru. The OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) Project provides governments with solutions for closing the gaps in existing international rules that allow corporate profits to « disappear » or be artificially shifted to low/no tax environments, where little or no economic activity takes place.

Revenue losses from BEPS are conservatively estimated at USD 100-240 billion annually, or anywhere from 4-10% of global corporate income tax (CIT) revenues. Given developing countries’ greater reliance on CIT revenues as a percentage of tax revenue, the impact of BEPS on these countries is particularly significant.

“Base erosion and profit shifting affects all countries, not only economically, but also as a matter of trust,” said OECD Secretary-General Angel Gurría. “BEPS is depriving countries of precious resources to jump-start growth, tackle the effects of the global economic crisis and create more and better opportunities for all. But beyond this, BEPS has been also eroding the trust of citizens in the fairness of tax systems worldwide. The measures we are presenting today represent the most fundamental changes to international tax rules in almost a century: they will put an end to double non-taxation, facilitate a better alignment of taxation with economic activity and value creation, and when fully implemented, these measures will render BEPS-inspired tax planning structures ineffective,” Mr Gurría said.

Undertaken at the request of the G20 Leaders, the work to address BEPS is based on the 2013 G20/OECD BEPS Action Plan, which identified 15 actions to put an end to international tax avoidance. The plan was structured around three fundamental pillars: introducing coherence in the domestic rules that affect cross-border activities; reinforcing substance requirements in the existing international standards, to ensure alignment of taxation with the location of economic activity and value creation; and improving transparency, as well as certainty for businesses and governments.

The OECD will present the BEPS measures to G20 Finance Ministers during the meeting hosted by Turkey’s Deputy Prime Minister Cevdet Yilmaz on 8 October, in Lima, Peru.

Following delivery of the BEPS measures to G20 Leaders during their annual summit on 15-16 November in Antalya, Turkey, the focus will shift to designing and putting in place an inclusive framework for monitoring BEPS and supporting implementation of the measures, with all interested countries and jurisdictions invited to participate on an equal footing.

The final package of BEPS measures includes new minimum standards on: country-by-country reporting, which for the first time will give tax administrations a global picture of the operations of multinational enterprises; treaty shopping, to put an end to the use of conduit companies to channel investments; curbing harmful tax practices, in particular in the area of intellectual property and through automatic exchange of tax rulings; and effective mutual agreement procedures, to ensure that the fight against double non-taxation does not result in double taxation.

The BEPS package also revises the guidance on the application of transfer pricing rules to prevent taxpayers from using so-called “cash box” entities to shelter profits in low or no-tax jurisdictions, and redefines the key concept of Permanent Establishment, to curb arrangements which avoid the creation of a taxable presence in a country by reliance on an outdated definition.

The BEPS package offers governments a series of new measures to be implemented through domestic law changes, including strengthened rules on Controlled Foreign Corporations, a common approach to limiting base erosion through interest deductibility and new rules to prevent hybrid mismatch arrangements from making profits disappear for tax purposes through the use of complex financial instruments.

Nearly 90 countries are working together on the development of a multilateral instrument capable of incorporating the tax treaty-related BEPS measures into the existing network of bilateral treaties. The instrument will be open for signature by all interested countries in 2016.

The BEPS measures were agreed after a transparent and intensive two-year consultation process between OECD, G20 and developing countries and stakeholders from business, labour, academia and civil society organisations.

“Everyone has a stake in reversing base erosion and profit shifting,” Mr Gurria said. “The BEPS Project has shown that all stakeholders can come together to bring about change. Swift implementation by governments will ensure a more certain and more sustainable international tax environment for the benefit of all, not just a few.”
Richard Dawkins
over godsdienst, het Midden-Oosten en geweld in 'Kapelaan van de duivel' (A devil's chaplain, 2003, pagina 187)
Edited: 201510060141
'De bittere haatgevoelens die op dit moment de politiek van het Midden-Oosten vergiftigen zijn geworteld in het reële of vermeende onrecht van de instelling van een joodse staat in een islamitische regio. Gelet op alles wat de joden hadden doorgemaakt moet dat een eerlijke en humane oplossing hebben geleken. Een diepe vertrouwdheid met het Oude Testament had de Europese en Amerikaanse besluitvormers waarschijnlijk een idee gegeven dat dit werkelijk het 'historische thuisland' van de joden was (hoewel de verschrikkelijke bijbelverhalen over de manier waarop Jozua en anderen hun Lebensraum veroverden hun te denken hadden kunnen geven). En zelfs al was die beslissing op dat moment niet gerechtvaardigd, zijn er nu goede gronden om ervoor te pleiten dat, nu Israël eenmaal bestaat, het terugdraaien van de status-quo een nog groter onrecht zou inhouden.
Ik ben niet van plan om me in deze discussie te begeven. Maar als er geen godsdienst had geweest, zou het idee van een joodse staat van meet af aan nooit enige betekenis hebben gehad. En evenmin het idee van een islamitisch grondgebied als iets dat kan worden binnengevallen en ontheiligd. In een wereld zonder godsdienst zouden er geen kruistochten zijn geweest, geen inquisitie, geen anti-semitische pogroms (de mensen van de diaspora zouden allang met andere bevolkingsgroepen vermengd zijn, en niet langer te onderscheiden van hun gastheerpopulaties), geen onlusten in Noord-Ierland (geen etiket om de twee 'gemeenschappen' van elkaar te onderscheiden en geen sektarische scholen om kinderen historische haatgevoelens aan te leren - het zou simpelweg één gemeenschap zijn).'
ABICHT Ludo (°1936) in Doorbraak van 24/9/2015
GODSDIENSTVRIJHEID BELANGRIJKER DAN GELIJKHEID MAN-VROUW?
Edited: 201509240938
Ludo Abicht schrok zich een hoedje toen hij las dat volgens sommigen godsdienstvrijheid primeert op de gelijkheid van mannen en vrouwen.
Bij het lezen van deze titel boven een artikel in De Standaard van 24 september 2015 kon ik eerst mijn ogen niet geloven. 'Dat moet een citaat zijn, ' dacht ik, 'of ironisch bedoeld.' Uit het artikel, dat ging over het verbod van islamitische zwempakken voor vrouwen, kledingstukken die onterecht 'boerkini’s' genoemd worden omdat ze, in tegenstelling tot de explosieve (nucleaire) echte bikini, het hele lichaam bedekken, bleek dat het geen van beide was. De discussie tussen de Antwerpse schepen en de eveneens onterecht 'Gelijkekansencentrum' genoemde parastatale instelling ontweek alweer de kern van het debat: men concentreerde zich op het argument dat zo’n boerkini onveilig en onhygiënisch zou zijn, wat het Centrum moeiteloos kon weerleggen. Het andere argument, dat het dragen van dit badpak 'een regelrechte aanval op onze waarden en normen' zou zijn, kon uiteraard ook weerlegd worden, wanneer men kon aantonen dat de meisjes en vrouwen die het wilden dragen dit helemaal niet onder dwang deden en daarmee dus gewoon hun recht op een vrije vestimentaire keuze uitoefenden.
Elk logisch argument heeft twee kanten, wat wil zeggen dat men, ingeval er wél dwang bij te pas komt, als democratische overheid dan ook het recht en de plicht heeft, de meisjes en vrouwen tegen deze dwang vanuit de familie of de gemeenschap te beschermen. In die zin lijkt deze nieuwe discussie op het onzalige debat over de hoofddoeken, want ook daar moet men dwang in de ene of de andere richting als ondemocratisch verwerpen, of die nu uitgaat van de vaders of broers of, - aan de andere kant - van de school of een onderwijsnet. Punt.
Mijn verbijstering en verontrusting gaat dus niet over die boerkini op zich, maar over het schijnbare gemak waarmee één van de meest fundamentele verworvenheden van onze moderne beschaving zo een beetje nebenbei, ni vu ni connu, als het ware op kousenvoeten in de krant en dus in de openbaarheid gebracht wordt, alsof er niets aan de hand zou zijn. Tot vandaag had ik gedacht dat een aantal fundamentele mensenrechten, waaronder de gelijkheid van man en vrouw, op zijn minst in principe onaantastbaar en dus niet langer bespreekbaar geworden waren. Maar ik heb me blijkbaar vergist. En wanneer we de deur zelfs voor gesprekken, laat staan onderhandelingen over deze basiswaarde van onze samenleving openzetten, zal het niet lang duren of de andere waarden zullen volgen. Is godsdienstvrijheid belangrijker dan de mensen- en burgerrechten van homoseksuelen en lesbiennes? Is ze belangrijker dan het wetenschappelijke vrij onderzoek? Primeert godsdienstvrijheid boven de vrijheid van denken en van meningsuiting of eventueel boven het recht om desnoods te beledigen?
Ik vrees dat de brave lieden van het Kansencentrum de kans gemist hebben om dit debat ten gronde te voeren, omdat ze blijkbaar niet beseft hebben wat hier in feite aan het gebeuren is. Neen, godsdiensten kunnen het recht op vrijheid en gelijkheid, die zij voor zover ik de geschiedenis ken niet zelf afgedwongen hebben, niet inroepen om deze fundamentele mensenrechten zelfs ter discussie te stellen. Het Centrum, dat geen andere opdracht heeft dan deze mensenrechten van álle burgers met klem en juridische argumenten te verdedigen, heeft dit volgens mij jammerlijk nagelaten. Of ze nu het recht op het dragen van zo’n badpak verdedigen of afkeuren is hier volkomen naast de kwestie. Wél het feit dat de vertegenwoordigers van om het even welke godsdienst vanuit hun ideologie, die wij in een pluralistische democratie principieel respecteren zonder ervoor te moeten vallen, in dit debat niet als gelijke gesprekspartners kunnen of mogen optreden. Wie de absurditeit van deze verdediging van de absolute godsdienstvrijheid niet inziet heeft dringend behoefte aan een spoedcursus elementaire logica. Wie het nog bonter maakt en begint te zaniken – ik vind geen betere term – over 'wat is deze gelijkheid anders dan een westers, lees imperialistisch begrip?' , plaatst zichzelf buiten het rationele en redelijke discours waarop onze samenleving gebouwd is.
Arnold Böcklin (1827-1901)
Vestal (1874)
Edited: 201509170114
Böcklin sur le symbolisme: 'Un tableau doit raconter quelque chose, donner à penser au spectateur comme une poésie et lui laisser une impression comme un morceau de musique.'

wiki
Mustang is a 2015 internationally co-produced drama film directed by Turkish-French film director Deniz Gamze Ergüven.
Edited: 201509060061
The film starts with Lale, the youngest of the five sisters and the protagonist, bidding an emotional farewell at school to her female teacher, who is moving to Istanbul. The sisters decide to walk home instead of taking a van, to enjoy the sunny day. Along the way, they play in the water at the beach with their classmates. For one game, they sit on boys' shoulders and try to knock each other off. When they reach home, their grandmother scolds and hits them for their having this kind of bodily contact with boys and thus "pleasuring themselves" with them. Their uncle Erol is equally furious. From then on, the girls are forbidden from leaving the house, even for school.

The sisters feel stifled in their home as their grandmother tries to make them suitable for marriage. When in public they must now dress in drab, conservative clothing. Instead of attending school, they must stay home, where they are taught how to cook, clean and sew by their female relatives. Even so, the oldest sister, Sonay, sneaks out occasionally to meet her lover, and Lale looks for various ways to escape.

Lale, who loves football, is forbidden from attending Trabzonspor matches. She resolves to go to a match from which men have been banned due to hooliganism. A friend tells her that the girls in the village are going together on a bus. The sisters, who are happy for an opportunity to leave the house, sneak out of the house with Lale. When they miss the bus, they hitch a ride with a passing truck driver, Yasin, who helps them catch up to it. They’re ecstatic in the exuberant atmosphere of the all-female crowd cheering for their team. Back home, their aunt catches a glimpse of them at the match on TV, just as their uncle and other village men are about to tune in. To prevent the men from finding out, she cuts the house's, and then the whole village's, electricity.

When the girls return, their grandmother decides to start marrying the sisters off. They’re taken to town, ostensibly "to get lemonade", which is actually an opportunity to show them off to potential suitors. Soon enough, a suitor and his family arrive to meet them. Sonay vows to only marry her lover and refuses to meet the prospective suitor and his family. Selma is sent instead and becomes engaged. Sonay gets engaged a short while later to her lover. At the two sisters' joint wedding, Sonay is clearly happy while Selma is not. On the night of her wedding, Selma's in-laws come to view the bed sheets in a traditional ritual to establish that Selma was a virgin before her wedding night. Because there is no blood on the sheet, her in-laws take her to a physician to have her virginity tested.

Next in line for marriage is Ece. It’s revealed that her uncle is sexually abusing her at night. In Lale’s words, she starts acting “dangerously.” When the three remaining girls stop with their uncle near a bank, Ece allows a boy to have sexual contact with her in their car. She makes jokes at the lunch table, inciting loud laughs from her sisters, and is told to go to her room, where she shoots herself and dies. The surviving sisters and their family attend the funeral.

Now it is just the two youngest sisters, Nur and Lale, at home. Lale continues sneaking out. On one impulsive attempt to walk to Istanbul alone she is encountered by Yasin, the truck driver, who is kind to her. At Lale's request, he later teaches her how to drive. When she is caught on the way back into her house, the house is again reinforced to try to make it impossible for them to leave.

It becomes evident that the uncle starts abusing Nur and that their grandmother knows about it. She says that now it is time for her to be married off. Though she is young, she is found a suitor and engaged to be married. On the night of Nur's wedding, Lale convinces her to resist, and the girls bar themselves inside the house while the whole wedding party is outside, much to the embarrassment of their family. As the wedding party disperses, their uncle violently tries to get inside. Lale finds the phone hidden in a cupboard and plugs it in to call Yasin for help. The girls gather up money and a few supplies, grab the uncle's car keys, and sneak out of the house. They manage to escape in the car, crashing it close to their house. They hide and wait for Yasin, who picks them up and takes them to the local bus station. The girls take the bus to Istanbul, where they find their former teacher, who greets them warmly.
LT
Rober Boulin assassiné le 29 octobre 1979: Crime d'état
Edited: 201508130233
“Robert Boulin en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République”


La démonstration est implacable, la conclusion sans appel : pour Pierre Aknine, réalisateur du téléfilm-choc Crime d'Etat, (diffusé sur France 3 ce mardi 29 janvier 2013) Robert Boulin, ministre du Travail et de la Participation sous la présidence de Valéry Giscard d'Estaing a été assassiné pour des raisons politiques. Balayée, la thèse du suicide : le résistant et gaulliste de la première heure, dont le corps a été retrouvé dans un étang de la forêt de Rambouillet le 30 octobre 1979 a été éliminé parce qu'il en savait trop sur les dossiers sulfureux de la Ve République...
Quelle réalité derrière cette fiction passionnante aux allures de film noir ? Pour nous éclairer, Benoît Collombat, journaliste à France Inter et auteur d'Un homme à abattre : contre-enquête sur la mort de Robert Boulin, a accepté de décrypter deux scènes-clé du film, en retissant les liens entre la fiction et la réalité plus que troublante exhumée au fil de ses recherches au long cours.

« Avant sa mort, Robert Boulin avait bien conscience que son propre camp politique, le RPR, tentait de le déstabiliser politiquement en instrumentalisant dans la presse une affaire “bidon” de terrain à Ramatuelle. L’ancien résistant gaulliste savait aussi qu’il avait en face de lui des adversaires dangereux, prêts à utiliser des hommes de main du SAC, le service d’ordre du parti gaulliste, alors en pleine dérive sanglante. Robert Boulin était menacé physiquement.
Pour répliquer, il disposait de dossiers susceptibles de faire taire ses adversaires. Ce recordman du nombre d’années passées dans les ministères de la République (quinze ans) en savait long sur les circuits financiers opaques de notre République.
Secrétaire d’Etat au budget lors de la création en 1965 de l’ERAP (Entreprise de recherches et d’activités pétrolières) puis d’Elf, ministre délégué à l’Economie et aux Finances de 1977 à 1978, Robert Boulin avait connaissance du montant des commissions (légales) dont il autorisait les versements lors de la passation de contrats liés aux affaires pétrolières et africaines. Mais il connaissait aussi l’envers du décor, l’“argent noir” de la Françafrique et les turpitudes de sa propre famille politique : Elf, le Gabon et les réseaux Foccart au service du RPR de Jacques Chirac, à la fin des années 1970. Des mallettes de billets transitent entre Paris et Libreville. Les fonctionnaires des douanes qui connaissent l’intégrité de Boulin font remonter les informations dont ils disposent.
Au cœur du dispositif se trouve une tirelire : la FIBA, la banque d’Elf et du régime gabonais. Or, le conseiller pour la presse de Robert Boulin, Patrice Blank (qui a joué un rôle extrêmement trouble la nuit de la disparition en se rendant au domicile du ministre) était justement membre du conseil d’administration de la FIBA. Autrement dit, un relais important des intérêts qu’entendait dénoncer Boulin se trouvait dans son entourage très proche.
Le corps de Robert Boulin a été retrouvé à proximité de la maison du “monsieur Afrique” de Giscard, René Journiac, comme si Boulin avait voulu “négocier” avec cet ancien bras droit de Jacques Foccart. René Journiac trouvera la mort quelques mois plus tard, en février 1980, dans un accident d’avion suspect en Afrique. L’avion utilisé par Journiac avait été prêté par Omar Bongo…
Aujourd’hui, des témoins sortent de leur silence et confirment la conclusion de mes investigations.
Par exemple, l’ancien assistant parlementaire du suppléant de Boulin, à l’époque, explique qu’avant que les archives de Boulin ne soient toutes détruites par le SAC, il a pu lire une partie de ces documents : Boulin parlait de répliquer en évoquant Elf-Gabon. La fille d’Alexandre Sanguinetti (co-fondateur du SAC) raconte que son père lui a tout de suite dit qu’il s’agissait d’un assassinat et que Boulin voulait contre-attaquer en menaçant d’évoquer le financement occulte des partis. L’ancien “monsieur Afrique” du RPR, Jean-François Probst, estime, lui aussi, que Boulin a été assassiné et fait le lien avec le Gabon.
Avant sa mort en 2005, un homme du sérail m’avait éclairé sur le sujet. L’ancien proche de Foccart et du mercenaire Bob Dénard, Maurice Robert, (ex-responsable du service Afrique des services secrets, espion chez Elf puis ambassadeur de France au Gabon), a clairement parlé devant moi de “crime” en parlant de l’affaire Boulin. Il était bien placé pour le savoir. »

« Dès la découverte du corps, de nombreux témoins expliquent que Boulin avait plus une tête de boxeur qu’une tête de noyé. Le visage est traumatisé, avec du sang sous le nez (or un noyé ne saigne pas du nez), le bras droit est recroquevillé avec une entaille au poignet visible sur certains clichés de l’identité judiciaire.
Les gendarmes sont les premiers à se rendre sur place, à l’étang Rompu. Le colonel de gendarmerie Jean Pépin pense immédiatement qu’il est impossible que Robert Boulin ait pu arriver seul dans cet étang. Un élément médico-légal va d’ailleurs le prouver : le corps du ministre a été retrouvé “dans la position du musulman qui prie”, la tête face au sol de l’étang. Logiquement, les lividités cadavériques, c'est-à-dire les marbrures qui se fixent sur les parties basses du corps après la mort, auraient dû se trouver sur le ventre et les jambes de Boulin. Or, elles se dont fixées sur le dos ! Cela signifie, de manière certaine, que le corps de Boulin a bien été transporté dans l’étang, après sa mort.
Un “bristol d’adieu” grandiloquent avec deux encres différentes est retrouvé dans la voiture du ministre, mais il est truffé d’incohérences, comme les lettres posthumes attribuées à Boulin. Il y a des mégots de cigarette, alors que Boulin ne fumait que des cigares. Les gendarmes n’ont pas le temps d’en savoir plus. L’affaire leur est immédiatement retirée au profit des policiers du SRPJ de Versailles par un personnage trouble : le Procureur général de la Cour d’appel de Versailles, Louis-Bruno Chalret.
Cet homme était, à l’époque une “barbouze judiciaire” au service des réseaux Foccart et du SAC. Il avait déjà fait libérer des truands sur ordre, comme le prouve des écoutes téléphoniques.
Au cours de mes investigations, j’ai établi que ce Procureur très spécial a été prévenu de la découverte du corps de Robert Boulin plus de six heures avant la découverte officielle, à 8 heures 40 du matin. Certains services de l’Etat ont également été prévenus dans la nuit. Le Procureur Chalret s’est immédiatement rendu sur place avec une équipe d’hommes “sûrs”, sans doute pour “arranger” la version officielle du suicide.
L’autopsie du corps est sabotée : il n’y a pas d’examen du crâne, sur ordre du Procureur. Officiellement, pour ne pas “charcuter” le corps à la demande de la famille Boulin qui n’avait pourtant rien demandée. Le corps est ensuite embaumé illégalement. Quant aux prélèvements d’organes du ministre, qui auraient pu faire l’objet de contre-expertises, ils sont tous détruits dans des conditions rocambolesques dans les années 1980.
En 1983, une deuxième autopsie démontre pourtant l’existence de fractures importantes (“traumatisme appuyé du massif facial”) du vivant de Robert Boulin. L’assistant de ces légistes m’explique qu’il avait alors constaté un hématome derrière le crâne du ministre, consécutif à un objet contondant, et une coupure au poignet droit correspondant, selon lui, à un lien.
Ce témoin, comme beaucoup d’autres, attend toujours d’être entendu par un juge d’instruction, indépendant du pouvoir politique. Mais il faudrait pour cela que la justice accepte, enfin, de rouvrir le dossier Boulin. Il est encore temps, puisque l’affaire ne sera prescrite qu’en 2017. »
(1) Publié chez Fayard en 2007


DE WITTE Ludo
Huurlingen, geheim agenten en diplomaten (voorstelling/bespreking)
Edited: 201508081700
ISBN 9789461313294.

De moord op Lumumba, over de eerste democratisch verkozen regeringsleider van Congo in 1961, deed bij verschijnen in 1999 heel wat stof opwaaien. Ludo De Witte's gedetailleerde en gedocumenteerde relaas verplichtte de Belgische politieke klasse voor het eerst de eigen historische verantwoordelijkheid te erkennen.

Het boek leidde tot de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. De commissie-Lumumba leidde wel tot degelijk onderzoek, maar slechts tussen de lijnen van zijn rapport valt voor de kritische lezer te lezen dat de toenmalige regering van Gaston Eyskens (CVP – nu CD&V) en koning Boudewijn niet zomaar toeschouwers waren bij de moord op Patrice Lumumba op 17 januari 1961.

De politieke besluiten van dat onderzoek waren ook typisch Belgisch, een compromis dat niemand tevreden stelde. Eén ding is met het boek van De Witte en de onderzoekscommissie wel veranderd. Niemand die enigszins geloofwaardig wil overkomen, stelt de gebeurtenissen van 1960-1961 nog voor als een louter interne zaak tussen Congolezen.

Vijf jaar chaos


Patrice Lumumba
Na de moord op de enige democratische leider die de Congolezen had samengebracht in al hun etnische, culturele en taalkundige verscheidenheid, volgden vijf jaren van chaos, die het land verder ten gronde richtte. Waar België schoorvoetend enige verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de moord op Lumumba, is dat nog altijd niet het geval met wat gebeurde in de periode die erop volgde en die leidde tot de dictatuur van Mobutu.

Die dictatuur duurde van 1965 tot 1997. Nog steeds zijn er politieke commentatoren die menen dat de staatsgreep van Mobutu een 'noodzakelijk kwaad' was om de vechtende Congolezen tot de orde te roepen. Zij stellen de woelige periode 1961-1965 voor als een louter interne strijd tussen Congolezen, waarbij Belgen en andere Europese ex-kolonisatoren toeschouwers waren, die slechts tussenbeide kwamen om (blanke) mensenlevens te redden. Bovendien, de eerste zes jaar van zijn regime zou Mobutu wel een 'goed' leider geweest zijn, die terug orde en rust bracht.

Goedpraten wordt terug de norm

“Aan die periode van relatieve openheid kwam echter snel een einde, en sinds een jaar of tien gaat het weer de andere kant op.” Vandaag is het terug bon ton om hoogstens kritisch te zijn over de "fouten, overdrijvingen en excessen" van het kolonialisme, de lijfstraffen, het gesegregeerde onderwijs voor de 'évolués', het beroepsverbod voor hogere functies.

Het Belgische koloniale avontuur was slechts een goedbedoelde poging om een volk te emanciperen, waarbij jammer genoeg veel fouten werden gemaakt, de Belgen te Europees dachten, geen rekening hielden met de Afrikaanse karaktertrekken, enzovoort. Weg zijn de economische belangen, het brutale racisme, de collaboratie van de kerk...

“Auteurs als Manu Ruys, Walter Zinzen en David Van Reybrouck houden hun lezers voor dat die coup (van Mobutu in 1965, nvdr) wenselijk en weldoend mag genoemd worden.” De Witte vond slechts één uitzondering op dat discours, het boek van VUB-historicus Guy Van Themsche: Congo. De impact van de kolonie op België (2007), later vertaald als Belgium and the Congo, 1885-1990 (2012)

België was nauw betrokken

Niets is minder waar, stelt Ludo De Witte. De kanker die in 1993-1997 leidde tot de ondergang van Mobutu zat in het systeem ingebakken op de dag zelf dat hij met expliciete goedkeuring van Belgische en Amerikaanse regering de macht greep. Het perscommuniqué, waarin Mobutu zijn coup uitlegde op Radio Leopoldstad1, werd geschreven door Belgisch militair attaché Van Halewijn...

Wanneer na de moord op Lumumba in het oosten van het land ongecoördineerde groepen een opstand beginnen, blijkt het door de Belgen uitgeruste en getrainde Congolese niet bereid zijn leven te wagen tegen tegenstanders die met pijl, boog en machete – tegen beter weten in – niet wegduiken voor het geweervuur van de soldaten.

De simba's ("leeuwen" in het Swahili) geloven immers dat ze onkwetsbaar zijn voor kogels. Waar ieder militair expert een eenzijdige afslachting verwachtte, zoals tijdens de Britse koloniale oorlogen of tijdens de Eerste Wereldoorlog, bleek dit bijgeloof echter een nuttig strategisch wapen.

De ongemotiveerde en nauwelijks betaalde soldaten kozen immers massaal eieren voor hun geld en dropen af voor een tientallen malen kleinere tegenmacht. Voor men in Kinshasa, Brussel en Washington goed en wel doorhad wat er gebeurde, hadden de simba's een groot deel van het land onder controle, een territorium veertig maal groter dan België. Ook de lucratieve mijnen in Katanga kwamen in gevaar.

De leiders van deze simba's, onder wie een jonge Laurent-Désiré Kabila, waren allesbehalve democraten, laat staan dat ze ook maar enige voeling hadden met het communisme. Qua politieke leegheid waren ze de gelijken van de "Binza-boys" die het na de moord op Lumumba in de hoofdstad "Kin" voor het zeggen hadden.

Een allegaartje wint het pleit

Zelfs voor het openlijk neokoloniale weekblad Pourquoi Pas? was de echte oorzaak van deze opstand niet ver te zoeken: “Het is een jacquerie2 van mensen die genoeg hebben van de miserie en de ellendige praktijken van het ANC dat rooft, verkracht en doodt (…) het staat vast dat de beweging spontaan ontstond en aanvankelijk gerechtvaardigd was.”

Het ANC staat hier niet voor de bevrijdingsbeweging van Nelson Mandela maar voor het Armée Nationale Congolaise, het Congolese leger wiens lafheid tegenover gewapende tegenstanders recht evenredig was met zijn gruwelijke roofzucht tegenover de ongewapende bevolking. Dat hun lonen werden gestolen door hun eigen officieren, hielp natuurlijk niet om enige discipline in stand te houden. Bovendien werden de soldaten systematisch gestationeerd in regio's waar ze etnisch of taalkundig geen enkele band mee hadden (een manier van aanpakken die ze van de Belgen hadden overgenomen).

Union Minière

De Belgische regering ging voor een oplossing steeds "te rade" bij de experten ter plaatse. Daar bedoelden ze geenszins Congolese politieke leiders met een basis in de bevolking mee. “Belgische ministers die het beleid in Centraal-Afrika uittekenden, ondernamen weinig zonder de goedkeuring van de bedrijfsleiders van de Union Minière.”


Ooit nog opgericht door koning Leopold II was dit mijnbedrijf onder meer verantwoordelijk voor het delven en verkopen van het uranium in de Shinkolobwe-mijn, dat als brandstof diende voor de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Die Belgische verkoop aan de VS in 1941 maakte het mogelijk dat België naast Frankrijk het enige land ter wereld werd dat volop mee mocht genieten van de Amerikaanse nucleaire knowhow. Met een ver gevolg van die geschiedenis zit België vandaag nog steeds. Geen enkel land ter wereld, na Frankrijk, heeft een dergelijk hoog aandeel in kernenergie voor zijn elektriciteitsproductie (zelfs de VS niet).

De Verenigde Naties

België toonde zich in 1961-1965 een onbeschaamd en openlijk schender van VN-resoluties. De afscheiding van de mijnprovincie Katanga werd logistiek ondersteund. Katangees leider Moïse Thsombé werd na het mislukken van die afscheiding zonder enige schroom binnengehaald als de man die de chaos na Lumumba zou redden.

Zowat heel Afrika protesteerde tegen de benoeming van deze "neokoloniale slaaf" als eerste minister. Brussel lag er niet wakker van. Even gemakkelijk liet Brussel hem vier jaar later vallen, toen een dictatuur onder leiding van stafchef van het leger Joseph Désiré Mobutu een betere optie bleek.

Historische indelingen zijn altijd enigszins arbtitrair, maar de zeven hoofdstukken waarin De Witte de periode 1961-1965 indeelt, zijn logisch. Op de periode-Thsombé volgde de Belgische organisatie van een huurlingenleger ten bate van de grote bedrijven. Het "simbarijk" was van bij het begin immers zeer broos. Het was vooral ontstaan omdat het Congolees leger zo inefficiënt en ongemotiveerd was.

Pokeren met blanke levens

In de Belgische pers werd ondertussen de trom geroffeld van de strijd tegen het communisme. Een humanitaire interventie was noodzakelijk om Belgische gijzelaars uit de handen van de simba's te bevrijden. Er waren inderdaad een aantal Belgische colons vermoord door de simba's, maar dat aantal verbleekte bij de duizenden Congolezen die systematisch werden afgemaakt door het ANC en door de door België ingezette Zuid-Afrikaanse en Rhodesische3 huurlingen.

Het klinkt sinds de oorlogen in de Balkans bekend in de oren, maar de invasie van Stanleystad (Kisangani) en Paulis (Isiro) waren geen gevolg van enige massale afslachting van Belgische en andere gijzelaars. Ze waren er de hoofdoorzaak van. De brutale wreedheden van de ingezette huurlingen waren immers niet van aard de simba's mild te stemmen, wat De Witte gevat omschrijft met de titel van het hoofdstuk 'Pokeren met blanke levens'.

"De Belgen lachen met de koude oorlog"

Washington wilde ondertussen wel helpen om de 'communisten' te bestrijden, maar zat met een 'geloofwaardigheidsprobleem'. “De VS was het enige onafhankelijke land ter wereld – afgezien van het apartheidsregime in Zuid-Afrika – waar mensen wegens hun huidskleur tweederangsburgers waren... [Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken] Dean Rusk erkende informeel dat het binnenlands racisme als een molensteen om de nek van Amerikaanse diplomaten in Afrika hing.”

Belgische bedrijfsleiders wisten ondertussen wel beter. “Tot zijn [minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak] verbazing waren ze het er over eens dat ze met de simbaleiders zaken konden doen als Congo helemaal in hun handen zou vallen.”
De Britten en de VS waren daar niet over te spreken.

“De Britse ambassadeur in Congo... Het Belgisch beleid in Congo is louter dienstig aan de belangen van het bedrijfsleven... Zij zijn niet geïnteresseerd in de Koude Oorlog en lachen met de Amerikanen omdat die achter elke struik een communist zagen.”

Niet bepaald wat in de kranten werd verteld. Bleven Moskou en Beijing afzijdig uit het conflict – al was het maar omdat ze andere interne katten te geselen hadden –, er waren echter wel degelijk 'communisten' aanwezig in het conflict.

De Cubaanse interventie onder leiding van Che Guevara himself was echter nog steeds geheim – satellieten bestonden nog niet – toen ze na enkele maanden al werd afgeblazen. Guevara moest vaststellen dat de leiders van de opstand totaal geen visie hadden op de eigen maatschappij. Het kwam erop neer dat ze zelf aan de macht wilden komen. Daarom alleen hadden ze de leiding van de spontane opstanden van de simba's overgenomen.

'Sterke man Mobutu'


Mobutu Sese Seko
Van het idee dat Mobutu de sterke man zou geweest zijn die boven de strijdende partijen stond, blijft in de analyse van De Witte zo goed als niets over. Meermaals heeft Mobutu tijdens de simba-opstand gevreesd voor zijn overleven.

Hij had ook nauwelijks gezag of controle over zijn troepen, buiten de garnizoenen in Kinshasa zelf. Dat wantrouwen tegenover het eigen leger zou ook tijdens zijn regime blijven voorbestaan. Zonder zijn goed opgeleide en rijkelijk betaalde presidentiële garde liet hij zich nooit zien.

Mobutu was allesbehalve de evidente keuze voor België en de VS, hij was eerder de minst slechte, de minst 'ongeloofwaardige'. Zijn grootste voordeel was dat hij al officieel leider was van het leger. Dat hij geen aanhang had bij de bevolking – zeker niet in de helemaal in het zuiden gelegen hoofdstad Kinshasa, Mobutu kwam uit de noordwestelijke Evenaarsprovincie – was daarbij irrelevant.

Economisch gewin

Wie het boek van De Witte leest ziet een duidelijke lijn in het beleid van de Belgische regering: alles voor het behoud van het economisch gewin, niets voor de Congolese bevolking. Elke Belgische dode was een drama, tienduizenden Congolese doden daarentegen...

De Witte ziet ook een verband met het heden: “Een kritisch onderzoek van het westers beleid inzake Afrika toont aan dat abstracte noties zoals 'de strijd tegen de verspreiding van de Sovjetinvloed' in feite codewoorden waren in de propagandaslag bij de uitbouw van stabiele neokoloniale regimes. Vandaag luiden vanuit dezelfde zorg de codewoorden 'bescherming van fundamentale mensenrechten' en 'plicht tot humanitaire interveniëren'."
Net als toen blijken die nobele principes enkel van toepassing in landen en regimes die tegen westerse economische belangen ingaan.


Ludo De Witte (1956)
Wie liever een geromantiseerd verhaal leest over hoe het goedbedoelde koloniale beschavingsproject is misgelopen kan zijn gade vinden bij vele andere auteurs. Ludo De Witte vertelt daarentegen wat er echt is gebeurd. Dat is meermaals confronterend en voor al wie nog steeds een romantisch beeld koestert van de Belgische kolonisatie onaangenaam om lezen.

Met dit boek neemt De Witte voor de tweede maal het voortouw in een strijd die dit land al zo lang had moeten voeren, voor de eerlijke erkenning van de werkelijkheid van het eigen koloniale verleden.

Ludo De Witte, Huurlingen, geheim agenten en diplomaten, Van Halewyck, Leuven, 2014, ISBN 9789461313294.

1 Leopoldstad, zoals de hoofdstad Kinshasa toen heette. Kinshasa is de naam van het oorspronkelijke dorpje aan de oever van de Congostroom.

2 'Jacquerie', een denigrerende term voor boerenopstanden.

3 Blanke huursoldaten uit de toen nog Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe.

Lode Vanoost
NN
Griekenland door het slijk gehaald. Niet de kolonels maar de EU pleegt coup. De rol van Varoufakis.
Edited: 201507131308
Het akkoord over de Griekse schuld plaatst het land onder curatele.
Zelfs de realisatie van activa (privatiseringen dus) komt in handen van een buitenlands organisme. Het lijkt wel een heruitgave van de Treuhandanstalt.
Hoe Tsipras dat programma gaat verkopen in zijn eigen partij en in het parlement is de grote onbekende.
Het lijkt wel een wraak voor de onthullingen van Varoufakis (zie zijn interview met Schumann). Die legt de ware mechanismen bloot.
De gehele operatie komt erop neer dat de schuldeisers van Griekenland hun vorderingen gevrijwaard weten op de rug van de Europese belastingbetaler. Sinds de onthullingen van Luxleaks weten we wie dat is: de modale burger.
Niemand weet hoe ver we nog verwijderd zijn van een implosie van de euro.

Omdat een militaire coup zeker in Griekenland geen optie leek, koos men voor de technocratische weg om de linkse regering elke geloofwaardigheid te ontnemen.
De erfvijand Turkije, waar Duitse bedrijven enorme belangen hebben opgebouwd, kan enkel garen spinnen bij een Grieks débâcle. Bovendien kan Turkije beter dan Griekenland de rol van bufferstaat vervullen tussen Europa en het explosieve Midden-Oosten met Syrië in de frontlinie.

Hoe de Griekse politieke scene er binnen een paar maanden uitziet, is koffiedik kijken. Maar de stap terug van Varoufakis zou een aanloop kunnen zijn naar een grote linkse overwinning bij nieuwe verkiezingen in een land waar de grote meerderheid van de burgers niets te verliezen heeft. Tsipras wordt dan de pineut die de uitslag van het referendum verloochende, Varoufakis de held die de eer aan zichzelf hield. Dat het emotionele element een hoofdrol gaat spelen staat buiten kijf. Een ongezien democratisch experiment kan het gevolg zijn. In zo'n constellatie dreigt dan weer het Chileense scenario.
Wikipedia + aanvullingen LT
DEMEESTER Wivina - politieke biografie
Edited: 201507111001
Wivina C.F. Demeester-De Meyer (Aalst, 13 december 1943) is een Belgisch politica voor de CD&V.

Wivina Demeester-De Meyer is landbouwkundig ingenieur (UGent). Ze gaf eerst een zevental jaar les voor ze in 1974 voor de CVP een zetel kreeg in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, een mandaat dat ze tot mei 1995 zou blijven uitoefenen. In de periode april 1974-oktober 1980 zetelde ze als gevolg van het toen bestaande dubbelmandaat ook in de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die op 7 december 1971 werd geïnstalleerd. Vanaf 21 oktober 1980 tot mei 1995 was ze lid van de Vlaamse Raad, de opvolger van de Cultuurraad en de voorloper van het huidige Vlaams Parlement. Vervolgens bleef ze gedurende een maand lid van het Vlaams Parlement na de eerste rechtstreekse verkiezingen van 21 mei 1995, waarna ze opnieuw lid werd van de Vlaamse regering. Ze beëindigde haar parlementaire carrière met een mandaat als Vlaams volksvertegenwoordiger van juni 1999 tot juni 2004. Van 1982 tot 1992 en van 2001 tot 2006 was zij ook gemeenteraadslid van Zoersel.

In 1985 werd ze staatssecretaris voor Volksgezondheid in de regeringen Martens VI en VII. Ze maakte oorspronkelijk geen deel uit van de daaropvolgende regering-Martens VIII, maar ze verving later Herman Van Rompuy als staatssecretaris voor Financiën. Toen de Volksunie eind september 1991 uit protest tegen de wapenhandel uit die regering stapte, nam ze van Hugo Schiltz de ministerportefeuilles Begroting en Wetenschapsbeleid over (regering-Martens IX). Tijdens de lange periode van federale regeringsvorming die volgde op Zwarte Zondag, stapte ze over naar het Vlaamse niveau, waar ze van 1992 tot 1999 minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid was.

In die hoedanigheid was zij de Founding Mother van de Belastingdienst voor Vlaanderen (BVV), die in 1997 de inning van het Kijk- en Luistergeld van Belgacom overnam.



In 1999 ging de BVV ook de Onroerende Voorheffing innen. In beide gevallen werd de organisatie van de inning in outsourcing gegeven aan de intercommunale CIPAL. De efficiëntie van de BVV bereikte hoge toppen, mede door de inzet van een gedreven en vernieuwend team.

Op haar initiatief werd in december 1998 Bob Van Reeth als eerste Vlaamse Bouwmeester aangesteld. In een afscheidsbrief aan de Bouwmeester in 2000 verduidelijkt ze dat ze deze bouwmeester nodig had voor haar droom van een brug over de Schelde om de Antwerpse ring te sluiten en omdat de brug een 'kunstwerk' moet zijn, zowel technisch als architecturaal.

Buiten de politiek heeft ze zich ook actief ingezet rond de opvang van mensen met een mentale handicap, o.a. door de oprichting van Monnikenheide, een dienstencentrum voor personen met een mentale handicap. Ook hedendaagse kunst, architectuur en mode interesseren haar sterk. Zo was ze 3 jaar voorzitter van het Flanders Fashion Institute.

Wivina Demeester heeft momenteel een aantal bestuursmandaten in de gezondheids- en welzijnssector. Zo zetelt zij in de Raad van Bestuur van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Daarnaast is zij ook bestuurder van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) die instaat voor de realisatie van het Masterplan Antwerpen en de Oosterweelverbinding, de Karel de Grote Hogeschool Antwerpen, de Singel en van Dexia.

Eind mei 2011 werd bekend dat zij voorzitter wordt van het christelijk geïnspireerd impulsforum, de vzw Logia.

In 2013 nam ze afscheid als voorzitster van het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie, een functie die ze 9 jaar uitoefende.

Onderscheidingen
Op 29 september 2006 nam zij aan de KU Leuven een eredoctoraat in ontvangst voor haar inzet op het vlak van de ontwikkeling van de bio-ethiek in België.
In 2014 werd ze Ridder in de Internationale Orde der Groot Bewakers van de Vrije Schelde voor haar onverdroten inzet van onze Vrije Schelde en de Haven van Antwerpen
Op 11 juli 2015 kreeg ze het Groot Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap, dat toegekend wordt aan Vlamingen die zich gedurende lange tijd verdienstelijk maakten.

website Wivina Demeester
Libération 20150630
En collaboration avec WikiLeaks, «Libération» et «Mediapart» révèlent comment la NSA s'est penchée, dès 2002, sur les intérêts commerciaux français.
Edited: 201506301328
Après les écoutes politiques, l’espionnage économique. Les nouveaux documents publiés par WikiLeaks, en partenariat avec Libération et Mediapart, dévoilent l’ampleur des opérations menées par les services de renseignement américains contre les intérêts français. Cinq rapports de synthèse de l’Agence nationale de sécurité (NSA) montrent que des responsables et diplomates ont été espionnés entre 2004 et 2012, notamment Pierre Moscovici et François Baroin lors de leur passage à Bercy. Une stratégie offensive qui apparaît dans un document secret fixant les objectifs prioritaires des Etats-Unis dans le domaine économique. Baptisée «France : développements économiques» et datée de 2012, cette note constitue la doctrine de la NSA en la matière. Elle vise à recueillir toutes informations pertinentes sur les pratiques commerciales françaises, les relations entre Paris et les institutions financières internationales, l’approche des questions liées au G8 et au G20 ou encore les grands contrats étrangers impliquant la France. Ce dernier point, un des plus sensibles, est détaillé dans une sous-section intitulée «Contrats étrangers-études de faisabilité-négociations». Il s’agit de récupérer toutes les informations possibles sur les contrats d’envergure impliquant des entreprises françaises, notamment ceux dépassant les 200 millions de dollars. Des révélations qui risquent de jeter un froid sur les négociations autour du Tafta, le traité de libre-échange entre l’Europe et les Etats-Unis, dont le prochain round est prévu mi-juillet, à Bruxelles. La plupart des secteurs stratégiques sont visés par la NSA : technologies de l’information, électricité, gaz, pétrole, nucléaire, transports, biotechnologies, etc. Toutes les informations recueillies sont ensuite partagées avec les principales administrations américaines : département de la Sécurité intérieure, département du Commerce, département de l’Energie, agence de renseignement de la Défense, Réserve fédérale, Trésor et même commandement des forces américaines en Europe. Jamais la preuve d’un espionnage économique massif de la France, orchestré au plus haut niveau de l’Etat américain, n’avait été établie aussi clairement.
WARREN Elizabeth
A Fighting Chance
Edited: 201506290023
As a politician and activist, Warren’s great strength is that she retains the outsider’s perspective, and the outsider’s sense of moral outrage, which runs throughout A Fighting Chance. As she sees it, there are at least two sets of villains conspiring to rob ordinary Americans of the decent and improving livelihoods to which their hard work entitles them.
The first are the big banks and other financial concerns, which burden people of modest means with credit card debt, lure them into reckless mortgages they can’t hope to repay, and chisel them with all sorts of outlandish fees.

In Warren’s worldview, the second set of miscreants is the Washington political class, which coddled the banks, encouraged their reckless lending, and eventually bailed them out on extremely generous terms, without any real effort to hold their senior executives accountable.

src: nybooks.com
Le «Mutus Liber», ouvrage de 1677, bénéficie d’une réimpression à l’ancienne, par les Editions À l'Envers.
Edited: 201506250240
Le «Mutus Liber», aux Editions À l’envers, 1200 francs. Coffret limité à 120 exemplaires numérotés. www. editions-alenvers.ch

LT
GR-EXIT en POET-IN
Edited: 201506201157
De toetreding van Griekenland was in de jaren 70 bedoeld om het land uit de handen van de Russen te houden. In 2015 staat Poetin klaar om alsnog door te stoten naar de Middellandse Zee.
Een procédé: men neme 650.000 Russen en parkeert die op Kreta. Vervolgens organiseert men een referendum dat zich moet uitspreken over aansluiting bij de Russische Federatie. De 622.000 Kretenzers zijn in de minderheid. Kreta wordt democratisch ingelijfd.
KR-IM en KR-ETA. Simpel, toch.
MANNONI Dominique-Octave
Prospero and Caliban: The Psychology of Colonization (1991)
Edited: 201506200104
The problem of colonization did not only concern the overseas countries. The process of decolonization – which is in any case far from complete in those countries – is also under way at home, in our schools, in female demands for equality, in the education of small children and in many other fields ... If certain cultures prove capable of destroying others ... the destructive forces brought forth by these cultures also act internally.
Dominique-Octave Mannoni (29 August 1899, Sologne – 30 July 1989)

Commentaar LT: Het grote verschil tussen de kolonisering door Europa en die door de USA, is het feit dat de eerste zich afspeelde buiten het eigen grondgebied terwijl de USA een continent permanent gingen bezetten. De Europese kolonisering werd als beëindigd beschouwd toen de blanke bezetter het grondgebied verliet.

In de USA was de eliminatie van de autochtone bevolking (de indianen) een vermeende voorwaarde om zich het land toe te eigenen. De import van zwarte slaven was in feite niets anders dan het delocaliseren van de bevolking zonder bezetting van diens gronden. Het zogenaamde einde van de 'geïmporteerde' kolonisering veroorzaakt een direct conflict op het 'eigen' grondgebied. De 'destructive forces' - waarover Mannoni het heeft - komen in oppositie te staan met de vroegere verdrukten. De volgehouden wapenwet in de USA heeft ook daarmee te maken: het wapen als terugvalbasis wanneer de staat faalt. De geweldadige excessen met racistische drijfveren zijn dan ook terug te voeren op de nooit beëindigde relatie van verdrukker en verdrukte binnen de eigen grenzen. De huidskleur van de agressor of die van het slachtoffer zet de deur open voor een vlugge racistische interpretatie. Terwijl de dieperliggende oorzaken van de agressie te zoeken zijn in de voortdurende relatie verdrukker-verdrukte.

De uitspraak 'we are all immigrants' gaat voorbij aan het historische gegeven dat er importeurs en geïmporteerden waren.

De visie van Franz Fanon is dan ook verontrustend: 'La zone habitée par les colonisés n'est pas complémentaire de la zone habitée par les colons. Ces deux zones s'opposent, mais non au service d'une unité supérieure. Elles obéissent au principe d'exclusion réciproque : il n'y a pas de conciliation possible, l'un des termes est de trop.' (Les damnés de la terre)
NEDERLAND wijst de weg: BuZa en Kadaster werken aan wereldwijde landregistratie
Edited: 201506121120
Kees de Zeeuw (Kadaster) en minister Ploumen (Ontwikkelingssamenwerking) Foto: Ministerie van Buitenlandse Zaken
11-06-2015 | LAATST GEWIJZIGD: 11-06-2015
Het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Kadaster richtten 11 juni Land Administration for National Development op om wereldwijd het eigendom of gebruik van land zo snel mogelijk te registreren.
In 70 procent van de wereld zijn landrechten nog niet geregistreerd, terwijl die vastlegging een voorwaarde is voor economische groei, aldus de partners. De nieuwe organisatie Land Administration for National Development (Land) moet op een slimme en efficiënte manier de registratie te verbeteren. Het gaat vooral om het bieden van zekerheid over landeigendom en hoe de burgers hun land mogen gebruiken. De hulp bestaat bijvoorbeeld uit consultancy en trainingen aan lokale overheden, ambassades en non-profit hulporganisaties die hiervoor bij het Kadaster aan kunnen kloppen.

Over de noodzaak tot registratie zeggen de partners: ‘De wereldwijde bevolking groeit nog steeds en de druk op het gebruik van land en natuurlijke bronnen neemt toe. Om landconflicten te voorkomen is een adequate registratie van land belangrijk.’ Al jaren biedt het Kadaster hulp aan landen bij het verbeteren van landregistratie. Zo heeft het Kadaster Rwanda geholpen meer dan 10 miljoen landpercelen in slechts enkele jaren te registreren, aldus het Ministerie en het Kadaster.

‘Met de Nederlandse expertise, die tot de beste ter wereld behoort, worden de kosten van landadministratie flink naar beneden gebracht en kunnen veel sneller eigendoms- en pachtbewijzen worden uitgegeven’, aldus minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. ‘Boeren en boerinnen krijgen daardoor de mogelijkheid om leningen af te sluiten en samen te werken met investeerders en bedrijven. Het geeft mensen een bewijs van hun bezit en uitzicht op een beter bestaan.'

Commentaar LT: Hier kunnen de Belgen van leren. Ook België bezit een ruime expertise in kadastrale aangelegenheden. Waarom stellen we die niet internationaal ter beschikking? Enkele jaren geleden kwam er een officiële vraag uit Congo. Wat is daar toen mee gedaan?
In de periode van het kolonialisme was het simpel: alles was van de kolonisator, de inboorling had geen of nauwelijks rechten op de grond die hij al millenia lang bewoonde.
Een goed kadaster is een essentiële voorwaarde voor de vorming en de werking van een staat en voor de gelijkberechtiging van de burgers. Een publiek toegankelijk en dus open kadaster kan corruptie een halt toeroepen en de bevolking bewust maken van de inzet. Overigens kan men ook in West-Europa best meer openheid brengen in het bezit van onroerende goederen. Waarom was die openheid er wel in de 19de eeuw en niet meer in de 21ste? Privacy for a small and superrich minority?


SOME REFERENCES and LINKS OF INTEREST:

see also this link



and this link on cadastre in Africa


see also this article in CATO: An Innovative Approach to Land Registration in the Developing World
Using Technology to Bypass the Bureaucracy

Vient de paraître: Les États-Unis brisent l’élan souverain du Katanga. Seul contre trois - II - M. Moïse Kapend Tshombe face à John F. Kennedy. par Kyoni kya Mulundu
Edited: 201506120901
Thème : Essai / Etude politique
Format : Grand Format (170x240)
Nombre de pages : 350
Date de publication : 12 juin 2015
ISBN : 9782332856708

Résumé:
Pourquoi l'administration Kennedy est contre le Katanga ? Parce que le Katanga produit 8% du cuivre et la famille Kennedy possède des mines cuprifères. Le Katanga gêne un autre pays producteur de cuivre : la Suède. Les émissaires de la famille Kennedy sont venus à Elisabethville. Le frère de Dag Hammarskjoeld, Bo Hammarskjoeld y est venu également, ce qui alarma l'ennemi implacable du Katanga : le ministre des Affaires Etrangères du Royaume de Belgique : Paul-Henri Spaak... La suite se trouve dans ce livre.
MARCHAL Jules (1924-2003), [interviewer: Syp Wynia]
Interview 13/4/1994 afgenomen door Syp Wynia
Edited: 201506040909
Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.
De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003).
Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

Ik bezocht Marchal op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest.
Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula (Bellings, LT) ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen: ‘De ruiten worden hier anders ingegooid’. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de foto’s, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd. (waarom vertelt Wynia er niet bij, LT)

Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant ‘Het Belang van Limburg’ werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten.
Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten.

‘Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland’
door SYP WYNIA (°1953)

De voormalige Belgische koloniën in Centraal-Afrika zijn ten prooi gevallen aan massale moordpartijen, volksverhuizingen, bestuurlijke chaos, honger en armoede. De volstrekt corrupte staat Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, dreigt voortdurend uiteen te vallen nadat dictator Moboetoe het land eerst tientallen jaren uitzoog en gaandeweg zijn greep op het land kwijtraakte.
Het aan Zaïre grenzende, voormalige Belgische mandaatgebied, Roeanda-Boeroendi, werd gesplitst in de republieken Rwanda en Burundi waar de Tutsi’s en de Hutu’s elkaar nu om beurten afmaken. De moordpartijen waarbij Rwandese Hutu’s de afgelopen maanden honderdduizenden Tutsi’s het leven benamen kennen nauwelijks een gelijke in de recente geschiedenis.

De Belgische diplomaat Jules Marchal (69) kwam er twintig jaar geleden tot zijn schrik achter het hoe en waarom van de Belgische aanwezigheid in Afrika. Na twintig jaar als koloniaal ambtenaar en overheidsadviseur in de Kongo te hebben gewerkt geloofde hij nog rotsvast in de Belgische vaderlandse geschiedenis, die wil dat koning Leopold II aan het eind van de vorige eeuw slechts met de beste bedoelingen de Kongo-staat had gevestigd en dat de Belgische aanwezigheid de zwarten niets dan goed had gebracht.
Nadat Marchal, in 1972 Belgisch ambassadeur in Ghana, geen reactie uit Brussel kreeg op zijn verzoek om informatie, zodat hij onmogelijk een door hem als schandelijk ervaren krantenartikel over de Belgische koloniale geschiedenis kon bestrijden, begon bij hem de twijfel te knagen. Sindsdien is Marchal verbeten op zoek naar de waarheid.

Sinds 1985 publiceerde hij onder pseudoniem (‘A.M. Delathuy’) zes, veelal dikke boeken over de eerste 25 jaar van de Belgische aanwezigheid in Kongo: over de trucs die koning Leopold toepaste om dit gigantische gebied in Centraal-Afrika in handen te krijgen, over de bloedige uitbuiting van het land die Brussel grote weelde bracht maar miljoenen Afrikanen het leven kostte. En over de bedenkelijke rol van veel missie-organisaties.

In Marchals zevende boek, dat volgend jaar verschijnt, komt de latere periode aan de orde, die al evenmin zo brandschoon is als Marchal net als de meeste Belgen lange tijd wilde aannemen. Marchal: ‘Sommige Belgische historici willen nu wel toegeven dat Leopold II het te bont gemaakt heeft. Maar, zeggen ze dan, vanaf 1908, toen de Belgische staat de Kongo overnam van de koning, is het net zo geworden als in alle kolonies. Maar dat is niet waar. Hetzelfde koloniale personeel bleef. En België heeft er nooit ene frank in willen steken – anders mocht de regering de Kongo-staat namelijk niet van de koning overnemen. Dat systeem is dus doorgegaan, zij het ontdaan van de scherpste kanten, maar wel met de dwangarbeid en de terreur.’ Na de Tweede Wereldoorlog werd het wel beter, vindt Marchal. ‘Ik kwam er in 1948. Ik ben ervan overtuigd dat het toen begon een normale kolonie te worden. Er was immers overal uitbating, er waren overal dwangcultures.’
In eigen land kregen de boeken van Marchal nauwelijks aandacht, naar hij zegt omdat het thema van de onderdrukking van de Kongo nog steeds taboe is en het Belgische establishment actief poogt hem uit de publiciteit te houden. Oud-kolonialen voeren een lastercampagne tegen hem en zorgden er dit voorjaar nog voor dat ‘Het Belang van Limburg’ afzag van een bijlageartikel over hem en zijn werk. Een uitgever deed zo weinig voor een van zijn boeken, dat Marchal de voorraad uiteindelijk maar zelf opkocht.
In het buitenland lokten zijn studies tot dusver al evenmin veel reacties uit, ook al omdat hij er aanvankelijk voor koos zijn boeken slechts in het Nederlands te publiceren. Daar ziet hij nu van af: zijn eerste boek, ‘E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat’, verschijnt dit najaar bij een Parijse uitgever in het Frans. In België was er geen Franstalige uitgever te vinden voor het werk van deze ‘nestbevuiler’.

Ik ontmoet hem de eerste keer in het voorjaar, als de kersenbloesem grote delen van Belgisch Limburg overdekken. De Rwandese presidentiële troepen hebben dan net het grootste deel van de regering vermoord en en passant tien Belgische VN-militairen afgeslacht. De massale moord op de Tutsi’s is dan net begonnen. Marchal wil wel praten over België en Rwanda, als ik er maar niets over opschrijf, want hij vreest als een landverrader af te worden geschilderd als zijn kritische kanttekeningen over de Belgische aanwezigheid in Rwanda naar buiten komen. Dat de Belgische VN-soldaten die het afgelopen jaar in Somalië beschuldigd werden van te hard optreden verbaasde hem niet: hij denkt dat het voortvloeit uit de neerbuigende Belgische traditie ten opzichte van de inheemse bevolking. De Fransen, er al honderd jaar op uit om de Belgen in Afrika te vervangen, krijgen ook een veeg uit de pan. Maar de bandrecorder moet voortdurend uit: ‘Ik moet geweldig voorzichtig zijn, het is een hysterie in België. De ruiten worden hier ingegooid, zeker als ik dat ook nog eens tegen een buitenlandse krant zeg.’
Inmiddels zijn de kersen rijp en Marchal heeft de meeste krieken rond zijn landhuis geoogst. Zijn angst om voor landverrader uit te worden gemaakt is wat geslonken.
Marchal: ‘België kreeg Roeanda-Boeroendi na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied toegewezen, nadat ze tijdens de oorlog samen met de Engelsen de Duitsers daar hadden verdreven. Het maakte tot dan toe immers deel uit van Duits Oost-Afrika. Dat de Belgen daar überhaupt aan begonnen, was weer die grootsheidswaanzin, nadat eerder de Kongo was doodgebloed door de exploitatie door Leopold II. In plaats van in die uitgebloede Kongo wat te gaan doen en de mensen te beschermen, gingen ze vandaar nog eens Duits Oost-Afrika helpen veroveren.’

Al die tijd lieten de Belgen de Tutsi-minderheid als heersers aan de macht in Rwanda. Maar in 1959 kwam de Gentse kolonel Guy Logiest met zwarte koloniale troepen vanuit Stanleyville in oostelijk Kongo de rust herstellen in Rwanda. Hij is daarna hogelijk geprezen, omdat hij toen alle Tutsi-chefs heeft afgezet en vervangen door Hutu’s, met de goede bedoeling dat de Hutu’s onderdrukt werden. ‘Maar dat was een dommigheid,’ zegt Marchal. ‘Dat blijkt nu wel. Hij heeft die hele samenleving daar ontwricht. En kijk, diezelfde Hutu’s die alles aan de Belgen te danken hebben, beginnen nu meteen Belgische blauwhelmen te vermoorden.’
Marchal denkt dat Frankrijk altijd al probeerde een voet aan de grond te krijgen in Zaïre, Rwanda en Burundi. Het zinde de Fransen vanaf het begin al niet dat de Kongo aan de Belgische koning Leopold toeviel. Maar de Fransen moesten het lijdelijk aanzien omdat de andere grootmachten van die dagen geen toestemming aan Parijs gaven de kolonie van de Belgische koning alsnog in te pikken.
Marchal: ‘Maar de laatste jaren waren de Franse para’s al steeds eerder dan de Belgen in Zaïre als daar onrust was, net zoals dit voorjaar in Rwanda. Het is natuurlijk geen toeval dat Rwanda en Burundi net als Zaïre deelnemen aan de door Frankrijk georganiseerde conferenties over de francofonie. En de Tutsi’s die terugkwamen uit Oeganda om de macht weer in handen te nemen spreken alleen maar Engels.’

Zijn vrouw Paula moet per se mee op de foto. Zij tikte 45 jaar geleden al de processen-verbaal uit, op grond waarvan Marchal als jong koloniaal ambtenaar rechtsprak. Zij maakte soms de wonden schoon van de inlanders die in zijn opdracht zweepslagen toegediend kregen, geheel in de koloniale geest van het Belgisch Kongo van na de Tweede Wereldoorlog. De chicotte van dunne repen nijldierhuid speelde steeds een centrale rol in de Belgische geschiedenis in Afrika.
Zijn vrouw tikt nu op de computer zijn boeken uit, die in twintig jaar van dagen, avonden en weekenden thuiswerk na tijdrovend en kostbaar archiefonderzoek tot stand kwamen. Marchal had na zijn pensionering voor boer willen spelen in het huis dat hij de afgelopen dertig jaar tussen zijn posten als ambassadeur in Afrikaanse landen door liet bouwen nabij het Belgisch-Limburgse Hoepertingen. Het kwam er niet van, ook al heeft hij dan fruitbomen, ganzen en de ezels. Soms sust Paula hem als hij zich al te druk maakt over alle ongeloof, onbegrip en tegenwerking.

Op zijn eigen koloniale verleden kijkt Marchal zonder schuldgevoel terug. Dat geldt ook voor de lijfstraffen die hij zelf toe liet dienen aan de Kongolezen die de katoen die ze verplicht moesten verbouwen onvoldoende verzorgden of andere herendiensten verwaarloosden. Wie de chicotte kreeg moest plat op de grond gaan liggen, waarna de straf in aanwezigheid van de andere dorpelingen werd toegediend.
Marchal: ‘Dat katoen dwangarbeid was, ontging ons. Dat was overal zo, dus daar zie ik geen graten in. Ik heb die lijfstraffen toegediend en ik heb de katoen doen planten. Dat was ook in de Franse Kongo zo, denk ik, en in andere kolonies. Maar tot 1945 was dat allemaal veel erger, veel harder. Ze hebben rond 1930 de spoorlijn langs de watervallen aan de Beneden-Kongo helemaal moeten herbouwen. Dat hebben ze gedaan door dwangarbeiders op te roepen uit de ganse Kongo. Er zijn daar duizenden mensen gestorven, als vliegen. Daar is nooit een woord over geschreven. En weet ge dat de Belgen in de Tweede Wereldoorlog de zwarten opnieuw de bossen ingestuurd hebben om wilde rubber et oogsten, nadat de Japanners de uitvoer van de Indonesische rubber hadden afgesloten? Onze mensen hebben toen gezegd: “Wij gaan u helpen, wij hebben daar nog oerwoud. Wij weten wat rubber is”.’ Hij lacht ongemakkelijk, met een pijnlijke grimas.
Marchal: ‘En toen was het weer hard. Niet meer zoals onder Leopold II, toen ze mensen doodschoten die met te weinig rubber terugkwamen uit het bos, waarna ze de handen afhakten om aan te tonen dat ze goed tekeer waren gegaan. Ze moesten die handen roosteren omdat ze anders onderweg verrotten. Met manden vol handen kwamen ze terug uit de brousse. Zo was het in de jaren veertig niet meer, maar het was weer hard. Dat wil gewoon zeggen dat de Belgen nooit beseft hebben wat ze ginder gedaan hebben. Het is een eeuwige schande. Als ik dan Willy Claes en Jean-Luc Dehaene hoor over de mensenrechten in Zaïre, dan krimp ik in van schaamte – dat wij daarover durven spreken. Dat is een schande als ge zo’n verleden hebt. Dat zouden mijn boeken moeten leren aan de Belgische gezagsdragers, maar ik word niet gelezen. Niemand kent mijn boeken, niemand is daarin geïnteresseerd. Men leeft hier in België in de mythes en legenden van die filantropische Leopold II, die de Arabische slavendrijvers zou hebben vernietigd. Dat terwijl Leopold juist nauw samenwerkte met die slavenhandelaren.’
Ik opper dat de verdringing van het koloniale verleden niet iets typisch Belgisch is. In Engeland en Frankrijk gaat het net zo. Is het in Nederland misschien beter?
‘Ik denk het niet,’ zegt Marchal. ‘Ik verwijs naar professor Jan Breman in Amsterdam, die heeft hetzelfde probleem als ik. Die wordt ook niet geloofd en wordt ook niet gelezen. Gij hebt hetzelfde probleem als wij. Ik weet het, bij u wordt meer aan ontwikkelingssamenwerking gedaan dan in België. En Multatuli was dan wel een Nederlander en hij werd wel een literaire held. Maar ik geloof niet dat de Nederlanders door hem overtuigd zijn. Indonesië heeft nu geweigerd nog iets aan te nemen van Nederland. Ik vind dat fantastisch. Maar Mobutu weigert nog geen hulp, die is zo ver nog niet.’
‘En dan hadden wij nog Rwanda, zoals u Suriname had had, zo’n klein kroonkolonietje waar je alles kon doen wat je wilde. Maar Nederland hoeft niet voortdurend de Nederlanders weg te halen uit Suriname, zoals wij de Belgen bijna jaarlijks moeten evacueren uit Afrika, waarna ze stilletjes met hun duizenden binnen enkele maanden weer terugkeren als Sabena weer gaat vliegen.
In Rwanda hebben we nooit iets verdiend, het heeft alleen geld gekost aan België. Maar in de Kongo hebben we kolossaal fortuin gemaakt. Rwanda was een kolonie zoals alle kolonies, die waren er voor de exploitatie, dat was de geest van de tijd, maar het koloniale verleden is daar heel normaal verlopen. Maar de Kongo, dat is een speciaal geval. Vooral die eerste jaren onder Leopold II. Dat was het wrede systeem dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw in Indië toepasten.’

Toen Marchal er eenmaal achter was dat hij net als de andere Belgen met leugens zoet was gehouden over het Kongolese regime van Leopold II – de twijfels over het vervolg kwamen pas later – gebruikte hij zijn periodieke terugkeer in Brussel om de koloniale archieven in te duiken, voor zover ze tenminste niet waren vernietigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel was daartoe een prima uitvalsbasis: Marchals bureau stond vijftig meter van de koloniale archieven.
Marchal: ‘Dat is wel een van de redenen waarom ik niet gelezen wordt. Ik heb nooit propaganda kunnen maken. Als ik als diplomaat mijn pensioen wilde halen moest ik een beetje opzij leven en een pseudoniem nemen. Dat werd A.M. Delathuy, net als mijn overgrootmoeder. En ik kon geen persconferenties te geven. Tot ik in 1989 met pensioen ging wist niemand wie Delathuy was. Ook al omdat het in het Nederlands verscheen en het dus niet gelezen werd in Zaïre. Bij Buitenlandse Zaken liet men mij begaan, omdat ik me zo kalm hield en me niet als stokebrand gedroeg. Men kon mij weinig verwijten. Door die andere naam, Delathuy, is de minister nooit in moeilijkheden gebracht. En ik zocht er geen glorie mee.’
‘Een andere reden is, dat ik me niet op kon trekken aan de boodschap die ik breng,’ zegt Marchal. ‘Daar ben ik beschaamd over, daar kan ik het land niet mee afreizen. Ge moet van mij niet verwachten dat ik in Rotterdam ga spreken of naar Amsterdam kom om over het banditisme van die Belgen te spreken. Dat kan toch niet? Het is nu bij mijn laatste boek voor het eerst dat ik me op een perspresentatie heb laten zien.’

Marchal lijdt onder de aanvallen van zijn collega’s van vroeger, de oud-kolonialen die zich ook in Belgisch-Limburg gegroepeerd hebben in een club. ‘Die kunnen maar niet begrijpen dat een Limburger zoiets doet, Leopold II zwartmaken. Toen de krant over de presentatie van dat laatste boek schreef, zijn de oud-kolonialen van Hasselt naar de hoofdredacteur gelopen. Ze wilden een rechtzetting. Een rechtzetting van een verslag van een persconferentie? Ik zie dat niet zo goed. Die reporter was enthousiast over mij. Die zei: ik maak een weekendportret. Zodra die mannen van Hasselt daar achter kwamen zijn ze naar de redactie en de directeur gelopen. “Als ge nog iets durft publiceren van die Delathuy, dan verliest ge 5000 lezers,” dreigden ze. Die reporter is weer bij mij gekomen en heeft mij dat verteld. Die zegt: hoe zit dat met die 5000 lezers? Nu ben ik zelf lid van die club geweest. Ik was het 129ste lid. Maar het gevolg is wel: er is niets meer verschenen in Het Belang van Limburg.
‘En als dat laatste boek nou tegen de missie zou zijn, maar dat boek is vóór de missies, het is zelfs gesubsidieerd door een missiecongregatie. Nou ja, de eerste grote ordes die onder aanmoediging van Leopold II naar Kongo gingen, die komen er niet zo mooi uit, dat waren echte potentaten, daar kun je moeilijk wat goeds van vinden. Maar de kleinere ordes, zoals de paters van Mill Hill bij u vandaan, uit Roosendaal – uw paters komen er toch prachtig uit? Die hebben ook niet de internationale propaganda voor de Kongostaat gevoerd waar Leopold op hoopte. En die hebben ook niet deelgenomen aan het met duizenden kidnappen van kinderen die uit dorpen werden gehaald, soms nadat de rest van de bevolking was uitgemoord of de bossen in waren gejaagd, om vervolgens door het koloniale leger over gigantische afstanden te worden vervoerd om in concentratiekampen van de missie te worden opgeleid. Veel kinderen overleefden de tocht niet eens. Tienduizend gekidnapte kinderen stierven op de missies, een veelvoud onderweg daarheen. Meisjes, vaak heel klein nog, werden onderweg verkracht. Duizenden volwassenen werden door paters gekocht om gedoopt te worden als ze al op sterven lagen. Bij de inheemsen leidde dat tot de reputatie dat de doop tot de dood leidde.’
Marchal: ‘Kijk, Leopold II was zijn Kongostaat begonnen voor te stellen als een paradijs. Hij zou er een internationale kolonie, een vrijhandelsstaat, van maken waar iedereen welkom was. Daarom zijn er ook zoveel protestantse zendelingen op afgekomen, lang voor de katholieken. Die protestanten mochten naar binnen, maar dat was dan ook alles. Tot ze begonnen tegen het koloniale regime te schrijven, toen kregen ze geen enkele concessie voor een zendingspost meer. Leopold moest de katholieken er echt naar toe sleuren. Hij moest de missionarissen hebben om te zeggen dat de protestanten lasteraars waren, hij had ze nodig als bondgenoten. Dat kidnappen is alleen in de Kongo gebeurd. Dat was geen praktijk van het Vaticaan, dat was een praktijk van de Kongostaat.’

Voor Marchal was de gewelddadige, gedwongen kerstening in de Kongo een eye-opener. Hij besefte plotseling dat het in West-Europa niet anders gegaan is. ‘Dat is voor mij zo klaar als een klontje. Alle godsdiensten zijn door de staat opgelegd. Allemaal! Waarom zijn er in Nederland zoveel protestanten – omdat het bestuur protestants was! De Spanjaarden hebben ons katholiek gehouden. En waarom zijn wij christelijk? Omdat keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarde. Op school werd ons verteld dat wij hier gekerstend zijn door Willibrord en Bonifatius, dat die hier begonnen te preken en mirakelen te doen. Allemaal larie! Die mannen zijn hier wel geweest, daar niet van. En denk niet dat ik een goddeloze ben, haha. Maar als ge een boek als dit gemaakt hebt begint ge eindelijk lucide te worden. Anders denkt een mens er niet over na hoe zijn voorouders katholiek zijn geworden.’
Net zoals u er tot 1972 niet aan twijfelde dat Leopold II een voorbeeldig, belangeloos koloniaal heerser was geweest?
Marchal: ‘Natuurlijk, waarom niet. Ik ben geen speciale. Ik heb mijn plicht gedaan als koloniaal ambtenaar – ik heb al een koloniaal pensioen sinds 1967 en dat kwam nog eens bovenop mijn wedde van ambassadeur. Ik heb een mooie carrière achter de rug, hoor. Ik geef toe, dat ik geen man ben die iets tegen het establishment had. Ik zit er, zonder te stoefen, eigenlijk volledig in. Ik ben veel hoger van graad dan die mannekes van Hasselt die mij aan het belagen zijn. Maar ik las toen in Ghana verontwaardigd – zoals elk normaal mens zou doen – dat er tien miljoen zwarten kapot zijn gemaakt in de Kongo. Pas toen ik geen antwoord kreeg is het begonnen. Het is werkelijk ongelooflijk. Hier in België hebben historici honderden boeken geschreven over de tijd van de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, die de Kongo optrok en naderhand nog voor Leopold II werkte. Maar je vindt in België nauwelijks een woord over de campagne van de journalist Edmund Morel, die tien jaar lang actie voerde tegen de Kongostaat van Leopold II. Die man stond elke dag met berichten over de terreur, de strafexpedities en de dwangarbeid in de internationale kranten. The Times, dat was bijna zijn spreekbuis. Morels beeld van het koloniale België leeft nog steeds in Engeland en de Verenigde Staten.’

Dat het koloniale verleden van België en dan nog speciaal het koloniale regime van koning Leopold II onbespreekbaar is, verklaart Marchal deels door de betrokkenheid van het koningshuis bij Zaïre, Rwanda en Burundi – een betrokkenheid die tot de dag van vandaag doorgaat. ‘Het is het enige onderwerp dat in België nog onbespreekbaar is. En als die boeken van mij iemand aangaan is het Albert II. Hij zit toch in het kasteel van Laken, dat met koloniaal geld omgebouwd is, zoals Leopold zijn Kongolese goudmijn gebruikte om ook een reeks andere luxeprojekten in België, handelsprojekten in China, een leger op de Nijl en Franse kastelen voor zijn lief te financieren.’
‘Leopold II was gefascineerd door de rijkdom die van Java naar Nederland was gegaan. Toen de Belgen zich van Nederland af hadden gescheurd, was dat tot ongenoegen van Belgische fabrikanten die aan Indonesië leverden. Daarom wilde Leopold II een kolonie hebben – dat brengt fortuin op! Dat heeft hij kunnen flikken door zich als filantroop voor te doen, en dat deed hij onder de vlag van die fictieve Association Internationale Africaine.’
‘In de dorpen in de Kongo weet men nog wat er allemaal gebeurd is,’ zegt Marchal. ‘Ik ben ooit een vrouw tegengekomen die de overlevering nog kende, dat de soldaten bij de mannen de penissen afsneden. Maar mensen als Moboetoe en Loemoemba die bij de paters gestudeerd hadden en niet meer in de dorpen kwamen, die wisten dat niet. Tot de laatste ruzie tussen België en Moboetoe was het grootste compliment dat de zwarten aan Moboetoe konden maken dat hij nu net zo groot was als Leopold de Tweede.’
‘Loemoemba heeft in 1960 met een speech in aanwezigheid van de koning en de eerste minister het spel op de wagen gezet. Dat de Belgen deugnieten waren, dat ze hen geslagen hadden en dat ze niets mochten. Maar Loemoemba had het niet over de periode van de rubber, die had het over de jaren vijftig. Want bij ons in de Kongo was volledige apartheid. De zwarten mochten niks. Die mochten niet in hotels komen, die hadden hun eigen vervoer, ze mochten geen hogere studies doen en ze kregen hongerlonen. De zwarten konden niks, zeiden wij, en die mochten niks. En er wordt hier dan wel afgegeven op de dictatuur van Moboetoe, maar weet goed: in 1959 was in Kinshasa de eerste opstand tegen de blanken en die zijn ongenadig neergekogeld. In onze tijd was er geen kwestie van betogen, hoor. Tegen de grond!’
‘Nu zegt men: de tijd van de Belgen was fantastisch, de Gouden Eeuw. Ja, voor sommigen was het de Gouden Eeuw, zoals voor de oud-kolonialen waarvan de meesten blij zijn dat het ginder nu zo slecht gaat. Het zijn geen deugnieten, hoor, die mensen zijn te beklagen. Hun carrière is daar gebroken toen de onafhankelijkheid kwam. Die smart is gebleven, dat hart is verscheurd en daarom zijn die mensen zo onevenwichtig in hun beoordelingen. Daarom zetten ze mij in hun blaadje neer als iemand die een formidabel koloniaal ambtenaar was, maar een post-koloniaal syndroom heeft gekregen. Ik ben in hun ogen een nestbevuiler, een halve zot.’
‘Ik ben wel teruggegaan naar de Kongo, maar louter als raadgever. Het was gedaan met het chicotte geven. Ook de apartheid was voorbij. Die mensen kwamen toen bij mij over de vloer en ik bij hen – ik vond dat veel aangenamer. Daarmee was ik mentaal voorbereid op de ontdekking die ik later deed, omdat ik de zwarte niet alleen als kolonialist heb gezien maar ook als mens. Dus geloof ik dat ik eigenlijk in de wieg gelegd ben om die boeken te schrijven. Ik heb de tijd van voor 1960 gekend en die van daarna, nadien ben ik diplomaat geworden in Afrikaanse landen. Ik heb gezien wat de Fransen gedaan hebben en wat de Engelsen gedaan hebben. Ik ben geen rijk mens, maar ik ben financieel onafhankelijk, dus ik hoef het niet na te laten om een job te krijgen. Weelde heb ik niet, want ik heb al mijn geld in die opzoekingen gestoken en tot het laatste boek heb ik nooit financiële ondersteuning gehad.’

‘Mijn vrienden, de oud-kolonialen, verwijten mij dat ik niets goeds kon zien in de tijd van Leopold II. Maar wat kan ik daar goed in zien? Dat systeem was slecht, daar was geen enkele goede kant aan. Achteraf is de verdienste van Leopold II dat hij de stichter van Zaïre was. Dat is dus positief, als daar iets positiefs aan is, zo’n groot land dat waarschijnlijk uiteen gaat vallen. Maar goed: dat is hem niet af te nemen, net zoals het hem niet af te nemen is dat Zaïre dankzij Leopold II vandaag de dag het grootste katholieke land van Afrika is. Maar op zich was dat alles geen verdienste: hij had een groot land nodig om veel bos te hebben om veel rubber te kunnen plunderen. Dat was dus gewoon hebzucht, vraatzucht. Overigens begrijp ik imperialisten als hij wel. Wij zijn allemaal imperialisten. Een groot land maken, dat is toch fantastisch?’
(overgenomen van http://www.sypwynia.nl/archief/interview-jules-marchal/)
MARCHAL Jules [DELATHUY]
Jules Marchal over dwangarbeid in Kongo - Interview in Belang van Limburg - 23/03/2002
Edited: 201506040842

Het levend koloniaal geweten van België woont in Zuid-Limburg. Jaren leidde hij een geheim bestaan, verscholen tussen het groen in Hoepertingen en achter de schuilnaam A.M. Delathuy, die verwijst naar zijn overgrootmoeder. De hele tijd is het vuur van de heilige verontwaardiging bij Jules Marchal hevig blijven branden. Alleen wil het lichaam van de 77-jarige oud-diplomaat niet meer echt mee.
Als hij voor de derde keer een document uit zijn indrukwekkende archief haalt, botst hij tegen de boekenkast. «Last van evenwichtsstoornissen. Ik ben maar een halve man meer.» Even later, als we het over de Kongolese avonturen van Jef Geeraerts hebben, lichten de ogen guitig op. «Dat was ne hete. Iedereen in Kongo sprak over de uitspattingen van Geeraerts.»

Maar die middag staan geen wufte verhalen op het programma. Jules Marchal heeft pas de laatste hand aan het derde deel over dwangarbeid in Kongo gelegd. «Dwangarbeid voor de palmolie van Lord Leverhulme», klinkt de titel in het Nederlands - helaas is het boek enkel in het Frans beschikbaar. «Er zijn niet genoeg nederlandstalige lezers voor mijn boeken. Bovendien kunnen de zwarten mijn boeken nu ook lezen», zegt Marchal die zijn carrière als ambassadeur in Ghana, Liberia en Sierra Leone afsloot.
Het nieuwe deel in dit stuk sociale geschiedenis van de Belgische kolonie is een litanie van misbruiken en de meest grove schendingen van de rechten van de zwarte bevolking. Taaie literatuur, maar daarom niet minder uniek en meeslepend. Het onderzoek van Marchal, die een duik in de Belgische archieven nam, lag aan de basis van 'De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo' van de Amerikaanse auteur Adam Hochschild. Jules Marchal beschrijft treffend hoe de Belgische kolonisator het systeem van Leopold II gewoon overnam.

Nijlpaardpees

Jules Marchal heeft de misbruiken in de Belgische kolonie zelf meegemaakt. Van 1948 tot aan de onafhankelijkheid in 1960, was hij territoriaal ambtenaar in Lisala in de Evenaarsprovincie. «Twintig dagen per maand moesten we de brousse intrekken om de zwarten duidelijk te maken wat ze moesten doen. We overnachtten in een gîte d'étape. Die zwarten moesten weten dat wij er waren, dat we hen konden straffen. We reisden rond met zes, zeven zwarte soldaten en onze gevangenen. »

Jules Marchal- Gevangenen?
«Ja, we waren ook politierechter, we konden de zwarten die iets mispeuterd hadden ook in de bak steken. En we konden enkel gevangenen met de chicotte, een gedroogde pees van een nijlpaard laten geven. Dat was zeer vernederend. 's Morgens om zes uur moest de hele bevolking van een dorp acte de présence geven. Daarna werden de gevangenen voorgeleid.
Die mannen waren veroordeeld voor onnozele vergrijpen, maar dat was pure hypocrisie. Ze kregen cel als ze hun katoen niet haalden of als hun hut niet in een perfecte staat was (parfait état de propreté). Er mocht geen sprietje gras in de buurt staan- komaan zeg. Die gevangenen moesten dan hun broek afsteken en dan kregen ze zweepslagen op de billen. In conspectu omnium, waar iedereen bijstond. Zeer vernederend was dat.
Toen ik in '48 in Kongo arriveerde, kregen ze nog 8 slagen met de chicotte. In 1952 is dat verminderd tot 4 - maar dat was even erg. Daarom moesten we 20 dagen per maand de brousse in, om die cinema op te voeren. Dat is de grote leugen in verband met Kongo: onder Leopold II was alles slecht en tijdens de Belgische kolonisatie was alles koek en ei.»

Sunlight

Op papier leek het zo mooi. In 1911 kreeg de Britse industrieel William Lever van de Belgische koloniale overheid niet minder dan 750.000 ha Kongolese plantages in pacht. Lever bouwde op basis van palmolie, de grondstof voor zeep, een heel imperium uit. Trots als een pauw overhandigde de Britse industrieel Lever, die later als Lord Leverhulme in de adelstand werd verheven, in maart 1912 het eerste stuk Kongolese zeep verpakt in een ivoren kistje aan koning Albert I. Leverhulme, de man die de wereld Sunlight en later Lux schonk, gold als een filantroop. «Hij bouwde in de buurt van Liverpool een tuinwijk voor zijn arbeiders. Deze stad, Port Sunlight, stond model voor de tuinwijken die later in Meulenberg, Waterschei en Winterslag zijn gebouwd», zegt Jules Marchal.

Bescheidenheid was Leverhulme vreemd. Het hoofdkwartier van de Huileries du Congo Belge was gelegen in Lusanga, nabij Kikwit. Snel werd Lusanga omgedoopt tot Leverville.
Met de steun van de Kongolese Weermacht en de Belgische overheden bouwde Lever in de buurt van Kikwit immense palmolieplantages uit. Maar hoe kwam Lever, die de basis legde van de Brits-Nederlandse voedingsgigant Unilever, in Kongo terecht?
Jules Marchal: «Hij greep naast de concessies van natuurlijke palmoliebomen in Brits West-Afrika. Die werden daar door de zwarten uitgebaat, de Britten gaven geen palmbossen in concessie. Bij ons moesten de zwarten palmnoten aan Lever leveren. Ze moesten kappen, zoniet vlogen ze de gevangenis in.»

Lever kreeg van de Belgen niet alleen een monopolie, de Belgische autoriteiten leverden hem ook dwangarbeiders die voor een schijntje in zijn plantages moesten werken.
«Lever was geen uitzondering. De administratie deed dat voor iedere colon. De zwarten moesten zogezegd niet voor een loon werken, ze moesten gewoon leren werken, omdat ze lui waren. Maar die zwarten waren geen zotten, he, als ze u niet betalen, dan werkt ge ook niet.»

Orgie

De zwarte bevolking kwam ook in opstand tegen de dwangarbeid in de plantages van Lever. Bijzonder schrijnend is het hoofdstuk waarin Marchal de strafexpeditie tegen de Pende, een plaatselijke stam in het dorpje Kilamba beschrijft.
Bij de komst van territoriaal agent Edouard Burnotte in het dorpje, vluchtten alle mannen de brousse in. Burnotte liet daarop alle vrouwen in een hangar opsluiten. Die avond, op 14 mei 1931, liet Burnotte, die in het gezelschap van enkele andere blanken was, enkele kratten bier aanrukken. «De vijf begonnen te drinken en te zingen. Nadien lieten ze enkele vrouwen halen die in de hangar opgesloten zaten. Het werd een van die monsterachtige orgiën die legendarisch waren onder de blanke vrijgezellen in Kongo», schrijft Marchal.

De dag nadien eiste Matemo, de man van een van de vrouwen bij chef de poste Collignon, naar goede Afrikaanse gewoonte betaling voor het nachtje vertier. Collignon siste Matemo toe dat hij kon oprotten, waarop de zwarte hem enkele klappen verkocht en enkele keren flink beet. Uiteindelijk stuurde de gewestbeheerder zijn medewerker Maximilien Balot ter plaatse om een onderzoek uit voeren.
Op 8 juni arriveerde Balot bij Matemo. Tijdens een gevecht raakte Balot gewond en vluchtte het bos in. Daar werd hij door Matemo afgemaakt. Matemo zou het lijk van Balot in stukken gehakt hebben die hij uitdeelde aan de chefs en Pende-notabelen uit de buurt. De zaken liepen danig uit de hand en uiteindelijk werden 300 tot 500 Pende met machinegeweren afgeslacht.

Dit zou een klassiek verhaal over wilde zwarten en belaagde blanken kunnen zijn, ware het niet dat minister van Koloniën Paul Crockaert in het Belgische parlement enkele vervelende vragen over deze affaire kreeg. Daarop werd de magistraat Eugène Jungers, voorzitter van het Hof van Beroep in Kinshasa, op onderzoek uitgestuurd.
Uit het verslag van Jungers blijkt duidelijk dat de blanken zich bij de Pende absoluut onbehoorlijk gedragen hadden en dat de zwarten wel degelijk redenen hadden om zich tegen de dwangarbeid te verzetten.

Typisch voor de belabberde staat van de Belgische archieven: Jules Marchal heeft het oorspronkelijke verslag van de Jungers zending niet kunnen inkijken. Hij baseerde zich dan maar op de parlementaire tussenkomsten van de socialistische voorman Emile Vandervelde die een jaar later hierover de minister van Koloniën aan de tand voelde. Marchal speelt op: «Alles wat ik schrijf is nieuw. Mijn boeken zijn gebaseerd op archieven die nooit door iemand zijn geconsulteerd, die nooit gebruikt zijn door andere historici.»

Vandaag wordt Kongo opnieuw geplunderd, door de buurlanden Rwanda, Oeganda en Zimbabwe die hun legers naar het land gestuurd hebben. Herhaalt de geschiedenis zich?
«Union Minière en de uitbaters van de Kilo Moto-goudmijnen hebben Kongo veel meer geplunderd. Ik moet lachen met wat men nu plunderingen noemt. Onze bedrijven hebben in die mijnen miljoenen verdiend.»

Het derde deel in de reeks over dwangarbeid is pas klaar. U werkt nu aan deel vier...
«Inderdaad. Het hoogtepunt hierin is de dwangarbeid tijdens de tweede wereldoorlog, de effort de guerre (oorlogsinspanning). Wat dat betreft zijn er nagenoeg geen archieven beschikbaar. In opdracht van de gouverneur-generaal droeg de procureur-generaal de parketten in Kongo op dat ze geen documenten meer moesten bijhouden, dat alles in het teken van de 'effort de guerre' moest staan.
Weet ge dat ze de zwarten terug de bossen hebben ingejaagd, om wilde rubber te tappen? Omdat de rubberplantages in Maleisië en Indonesië door de Japanners bezet waren, was er plots veel natuurlijk rubber nodig. Maar de rubberplantages van Leopold II bestonden niet meer, dus moesten de zwarten op zoek naar natuurlijk rubber in de Kongolese bossen. Verder in dat vierde deel komen de dwangarbeid bij de aanleg van wegen, bij de exploitatie van tin in Maniema en van de teelt van katoen aan bod. Ik vrees echter dat ik dit boek niet zal kunnen afwerken...»

Frank Judo, Kurt Martens (eds)
Handboek Erediensten - Bestuur en organisatie
Edited: 201505270052
Het werk bevat bijdragen van : Frédéric Amez, Patrick De Pooter, Thibault Denotte, Frank Judo, Dirk Lambrecht, Kurt Martens, Adriaan Overbeeke
Reeks Bibliotheek Staats- en Bestuursrecht
Uitgever : Larcier
Ondanks hun wat gedateerde naam spelen de "kerkfabrieken", of moderner: kerkbesturen een niet te verwaarlozen rol in onze samenleving. Zij vervullen hun taak als ondersteuner van religieuze gemeenschappen, en komen zo in contact met vele andere maatschappelijke actoren, zowel particulieren als overheden. De eigen aard van de kerkbesturen zorgt soms voor verwarring, niet alleen bij derden, maar ook bij de verantwoordelijken voor de kerkbesturen zelf. Het bestaan van een versnipperde en soms oudere regelgeving draagt hier zeker toe bij.


Het "Handboek Erediensten" heeft dan ook de ambitie klaarheid te scheppen in de wereld van de kerkbesturen. Daarbij wil het zich even ver houden van academisme als van simplisme. Het is een handboek, dat er in de eerste plaats op gericht is praktisch nuttig te zijn voor wie te maken heeft met een kerkbestuur, hetzij van binnenuit, hetzij van buitenaf. Tegelijk wil het echter meer zijn dan een louter vademecum, en plaatst het de kerkbesturen en de rechtsregels die erop betrekking hebben in een ruimere context, wat duidelijk praktisch nut heeft voor het oplossen van complexere vraagstukken.

Daartoe wordt in een eerste hoofdstuk herinnerd aan de algemene beginselen inzake religierecht, zoals godsdienstvrijheid en wederzijdse onafhankelijkheid van kerkelijke en burgerlijke instanties.

Een tweede hoofdstuk maakt duidelijk hoe het eredienstenrecht kan worden ingepast in de federale staatsordening, met alle praktische gevolgen van dien om te beoordelen welke overheid bevoegd is voor welke materie.

Een derde hoofdstuk bespreekt het praktisch functioneren van de katholieke kerkbesturen, de kerkfabrieken in de klassieke zin van het woord. Het gaat in op concrete vragen inzake samenstelling, organisatie en algemene werking van de kerkfabrieken, met bijzondere aandacht voor heikele vraagstukken als budgetten, jaarrekeningen, meerjarenplannen en overheidsopdrachten. Ook wordt dieper ingegaan op de relatie van de kerkfabrieken met andere instanties, en met name met het gemeentebestuur.

Door de staatshervorming is er een zekere afstand gegroeid tussen het eredienstenrecht in de verschillende gewesten. Een vierde hoofdstuk gaat dan ook nader in op de specifieke regelingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

In een vijfde hoofdstuk ten slotte wordt nagegaan in welke mate niet-katholieke erediensten recht hebben op een eigen benadering, dan wel genoopt zijn zich aan te passen aan het traditionele model, dat voornamelijk geïnspireerd is door de katholieke eredienst. Ook hier ligt de nadruk op de praktische gevolgen van een en ander voor de werking van de betrokken kerkbesturen.

Het "Handboek erediensten" is een onmisbaar hulpmiddel voor wie als vrijwilliger of professioneel te maken heeft met de dagelijkse werking van kerkbesturen. Zijn praktijkgerichte opbouw en wetenschappelijke fundering maken het tot een trefzeker instrument voor een modern bestuur van deze traditionele instelling.

Prijs: 109 EUR

Inhoudstafel: zie File1
AGEFI/Tribune de Genève
ETERNIT: L’Etat italien demande des dommages-intérêts
Edited: 201505230338



AGEFI:
VENDREDI, 22.05.2015
Affaire Eternit. Trois instances se sont constituées partie civile dans le but de porter plainte contre le Suisse Stephan Schmidheiny pour atteinte à l’image du pays.
L’Italie demande des dommages-intérêts à l’homme d’affaires suisse Stephan Schmidheiny. Le gouvernement invoque une atteinte à l’image de l’Etat italien à cause de la transformation de l’amiante par la société Eternit S.p.A.

Tribune de Genève:
Lors de l'audience préliminaire, jeudi à Turin, trois instances de l'Etat se sont constituées partie civile, a dit Lisa Meyerhans, porte-parole de l'industriel suisse. Ce sont la Présidence du Conseil des ministres, la région du Piémont et la province d'Alexandrie.

La défense s'opposera «évidemment par tous les moyens légaux à cette exigence absurde», a assuré Lisa Meyerhans. Le fait est que l'Etat italien «s'est fiché» durant des décennies de réglementer la transformation de l'amiante, a-t-elle estimé. Elle a ajouté qu'en Italie, outre Eternit S.p.A., un millier d'autres entreprises - dont plusieurs appartenant à l'Etat - travaillaient sur ce créneau.

Défaillances de l'Etat

Les défaillances de l'Etat sont décrites de façon détaillée dans l'arrêt de la Cour de cassation du 19 novembre 2014 qui sanctionne le premier procès Eternit en Italie. L'Etat a commencé à réglementer la transformation de l'amiante longtemps après la faillite d'Eternit S.p.A en 1986, fait valoir la porte-parole de Stephan Schmidheiny.

Si l'Union Européenne a publié en 1983 la directive n° 83/477 sur la protection des travailleurs contre les risques liés à l'amiante au travail, Mme Meyerhans a noté que ces lignes directrices, qui fixent la concentration maximale de fibres d'amiante dans les industries, auraient dû être reprises en droit national par les Etats membres au plus tard début 1987.

Or dans son arrêt de décembre 1990, la Cour de justice de l'Union Européenne a constaté que l'Italie n'avait pas intégré ces lignes directrices, faisant fi de ses obligations, a souligné Lisa Meyerhans.

Période «suisse»

Ce n'est qu'en 1991, soit cinq ans après la faillite de l'entreprise, que le gouvernement italien a adopté la directive correspondante; l'interdiction générale de l'amiante a suivi en mars 1992.

«Pour ce soi-disant préjudice d'image, le gouvernement italien ne peut s'en prendre qu'à lui-même», a poursuivi la porte-parole. Concernant la transformation de l'amiante par Eternit, comme il a été établi en première instance, les usines durant la période dite «suisse» (1973-1986) ont maintenu les standards internationaux de sécurité avec d'importants investissements (75 milliards de lires).

Autre procès possible

Stephan Schmidheiny pourrait faire l'objet d'un autre procès sur l'amiante en Italie. Le procureur de Turin l'accuse d'homicide volontaire et aggravé pour le décès de 258 personnes dans les régions où se trouvaient des usines d'amiante du groupe Eternit S.p.A.

Du point de vue du ministère public, le milliardaire suisse n«ignorait rien des dangers de la transformation de l«amiante. Il aurait néanmoins, par pure cupidité, continué à faire fonctionner les usines, omis de mettre un terme à l«usage privé de déchets du fibrociment et omis d«adopter des mesures efficaces pour améliorer la situation. (ats/Newsnet)

Dictionnaire de l'Académie française, première édition, Paris, chez la veuve de Jean-Baptiste Coignard, imprimeur ordinaire du roi et de l’Académie française, 1694, article « Templier », p. 635.
Edited: 201505182304
« TEMPLIER. Substantif masculin. C'était autrefois un chevalier d'un ordre militaire et religieux, institué dans l'onzième siècle pour conduire et défendre contre les infidèles, les pèlerins qui allaient visiter la Terre sainte. On les appela Templiers parce que la première habitation qu'ils eurent était proche du temple de Jérusalem et qu’ils en avaient la garde. On appelait aussi temples les lieux de leur demeure dans les autres villes. Et on appelle encore à Paris Le Temple le lieu où ils demeuraient autrefois. L’ordre des Templiers a été aboli.

« On dit proverbialement Boire comme un templier pour dire boire beaucoup, boire avec excès. »

Texte modernisé par l’auteur, tiré de : Dictionnaire de l'Académie française, première édition, Paris, chez la veuve de Jean-Baptiste Coignard, imprimeur ordinaire du roi et de l’Académie française, 1694, article « Templier », p. 635.

On notera que la définition ne varie pas dans la deuxième édition du dictionnaire intitulée Nouveau dictionnaire de l'Académie française et datée de 1718 (p. 670).
Vient de paraître: L'Enjeu katangais. Les années décisives 1956-1960. par Kyoni Kya Mulundu
Edited: 201505130902
Thème : Essai / Etude autres
Format : Grand Format (170x240)
Nombre de pages : 398
Date de publication : 13 mai 2015
ISBN : 9782332909947

Résumé:
1956 est une année faste pour le capital colonial. Trois sociétés fondées en 1906 fêtent 50 ans de leur existence. Deux sont installées sur le sol du Katanga : l'union minière du Haut-Katanga et la BCK. Tous les invités ont appréhendé l'importance des investissements au cœur de l'Afrique et au Katanga. Lorsque les festivités touchent à leur fin et que les invités partent, les autochtones (indigènes pour les coloniaux) subissent un électrochoc. Les changements dans les colonies voisines amènent une timide ouverture au Congo belge.

En 1957, les indigènes sont appelés aux urnes. Les Katangais se sont interrogés, très tôt, sur les futures fondations d'un Congo indépendant. Finalement, les Belges tricheront et le Katanga, en juillet 1960, prendra le large.
NN
Quand la Wallonie était française
Edited: 201505092305
Parution de l'ouvrage "Quand la Wallonie était française"

Mercredi, 29 Avril, 2015
Avec le tome 1 de l’ouvrage « Quand la Wallonie était française », le Service public de Wallonie vient de poser le premier jalon d’une entreprise qui devrait s’achever en 2018, à savoir l’édition de plans par masses de cultures du territoire de la Wallonie réalisés entre 1802 à 1808.

Ce premier tome couvre le territoire de la province de Namur et propose une photographie du paysage rural à la veille de la Révolution industrielle au travers de plans édités pour la première fois depuis leur réalisation ! Il s’agit de plans au 1/5000e d’ensembles ininterrompus de terrains affectés à une même utilisation ou une même culture au sens large puisque les espaces forestiers, les jardins, les plans d’eau et les parties bâties étaient aussi pris en compte.

Chaînon manquant dans la cartographie régionale

La décision de réaliser ces plans date du 2 novembre 1802, l’abandon de leur réalisation de fin 1807. Dès lors, une période courte durant laquelle on estime qu’environ 16.000 communes ont été cadastrées dans l’empire.

Ces plans sont donc situés entre les cartes de Ferraris (1770-1778) et la publication des premiers plans cadastraux par Ph. Vandermaelen (1837-1847) puis par Ph. Popp (1842-1879). Ils peuvent être considérés comme une sorte de chaînon manquant dans l’histoire de la cartographie de nos régions. Source de première importance tant pour l’historien du paysage que pour l’amateur d’histoire locale, leur échelle permet d’observer, de manière assez précise, l’occupation des sols.

Certains de ces plans sont accompagnés de rapports d’expertise cadastrale qui constituent un complément et une clé de lecture puisqu'ils reprennent la liste des propriétaires avec leur lieu de résidence, parfois leur profession, classée en fonction du type de propriété. Ces rapports fournissent également des renseignements sur l’économie et l’habitat,. le type de culture pratiquée, les assolements, les engrais, l’élevage, les brasseries, les moulins et les industries (mines, forges, manufactures…).

135 plans pour le premier tome

L’actuelle province de Namur était comprise pour l’essentiel dans le département de l’Entre-Sambre-et-Meuse et pour sa partie sud dans le département des Ardennes. 135 plans de communes ou de hameaux de la province ont été découverts, conservés en ordre principal aux Archives de l’État à Namur, au département des archives de l’armée de Terre à Vincennes mais aussi aux archives départementales des Ardennes, à Charleville-Mézières, et aux Archives nationales de France, à Paris.

Au fil des années, ces plans ont été remplacés par la confection du cadastre parcellaire, dit aussi cadastre napoléonien ; ils ont perdu de leur intérêt pour les administrations qui les ont, dans le meilleur des cas, oublié. Quelques historiens en avaient bien vu l’intérêt mais aucune édition systématique ne leur avait été consacrée.

Comment se procurer l'ouvrage ?

Édité par la direction de la Documentation et des Archives régionales, en collaboration avec la direction de l’Identité et des Publications du SPW, le premier tome de "Quand la Wallonie était française" est vendu au prix de 65 € (frais de ports Belgique et pays limitrophes compris).

Il peut être commandé :

en ligne
par téléphone au 1718, le nouveau numéro de renseignement gratuit de la Wallonie (1719 pour les germanophones)
par e-mail à l’adresse suivante : publications@spw.wallonie.be .
L’ouvrage peut également être acheté à la librairie « Le Vieux Quartier » (rue de la Croix, 30 à 5000 Namur - 081 22 19 94).
MARCHAL Jules
Poursuite du travail forcé après Léopold II
Edited: 201505031615
Interview de Jules Maréchal
TOUDI
JULES MARCHAL
Toudi mensuel n°42-43, décembre-janvier 2001-2002
Histoire de la monarchie belge

Les faces cachées de la dynastie belge.




TOUDI - Jean Stengers prétend qu'à partir de la reprise du Congo par la Belgique en 1908, les abus ont cessé?

JULES MARCHAL - Rien n'a changé. Et d'ailleurs c'est le même personnel qui est resté sur place. Si la Colonie a été administrée convenablement ce n'est qu'après 1945 voire 1950...

TOUDI - Pourtant on entend tant de coloniaux dire qu'ils sont été déçus parce que le Congo avait été merveilleusement équipé de routes, de chemins de fer, d'hôpitaux et que la décolonisation a détruit tout cela...

JULES MARCHAL - Tout cela a été fait pour les Blancs pas pour les Noirs. Ces routes ont été construites dans les années 1920 et 1930 par des gens qui n'étaient même pas payés. Ou alors 50 centimes par jour, ce qui est à comparer au prix du pain plusieurs fois supérieur ou d'une simple couverture qui coûtait 115 f en 1945. Le chemin de fer Matadi-Kinshasa a été reconstruit dans les années 1920. On a recruté des gens dans tout le Congo et on les a contraints à venir y travailler la corde au cou. Ce sont les soi-disant chefs coutumiers qui étaient chargés de désigner les gens à prendre pour ces besognes. Bien sûr ces travailleurs forcés tentaient de s'enfuir mais ils étaient exilés loin de leurs régions natales... Beaucoup moururent.

TOUDI - Mais le régime n'était-il pas aussi dur dans les autres colonies?

JULES MARCHAL - Certaines sociétés payaient 1 F par jour, dans les années 40 au Kivu. Le maximum était de 3 F à l'Union Minière du Haut Katanga. Mais à la même époque, au Kenya, les gens étaient payés un shilling par jour ce qui signifie sept fois plus. Bien sûr l'employeur était obligé de loger et de nourrir des travailleurs aussi peu payés, mais cela se faisait dans de misérables conditions. Et pourtant les maintenir en bonne santé était quand même un minimum. En fait de logement, les travailleurs recevaient un jour de congé pour construire leur hutte. C'est à partir du plan décennal 1950-1960 que les gens ont commencé à être mieux payés.

TOUDI - Les chemins de fer ont fait combien de morts?

JULES MARCHAL - Dans mon livre Travail forcé pour le rail, j'ai établi un nécrologe où apparaissent 3684 noms. Ces gens mourraient des conditions de travail qui leur étaient imposées. Il y avait tellement de morts partout où les gens étaient soumis au travail forcé que le gouverneur général a demandé que l'on en établisse des listes mensuelles. Le total des morts est le double de ceux figurant sur les listes..

TOUDI - Quel était le nombre de morts. Morel parle de 10 millions de morts durant l'époque de Léopold II (1985-1908) ou de l'État indépendant du Congo...

JULES MARCHAL - La dépopulation du Congo a causé de l'inquiétude jusqu'en 1950. Quand la Belgique a repris le Congo on a fait l'estimation d'une population de 7 millions et par après on a monté l'estimation jusqu'à 10 millions, ce qui était la population en 1960. Maintenant, on estime la population au Congo à 30 à 40 millions d'habitants. Je sais que l'on parle toujours de la misère du Congo après la décolonisation. Mais le Congo n'a jamais été aussi peuplé. On parle aussi actuellement d'une mise en coupe réglée du Congo par les sociétés étrangères mais le pillage était bien plus grave sous la domination belge.

TOUDI - Hochschild parle lui aussi de 10 millions de morts...

JULES MARCHAL - Tout ce qu'il dit est exact, il n'y aucune exagération. Ni dans les affirmations de Morel selon lesquelles la colonisation belge - dans son premier stade - a été la plus effroyable des colonisations après celle des Espagnols en Amérique indienne au 16e siècle. Quand Stanley a pénétré la première fois au Congo il a estimé la population - on ne peut jamais faire que des estimations à l'époque - à 40 millions d'habitants. Puis les estimations ont été revues à la baisse: à 17 millions. Au premier recensement de 1910, on a compté 7 millions d'habitants. La différence donne le chiffre de Morel de 10 millions de morts. J'estime que, durant les 30 ou 40 ans qui suivent la reprise du Congo par la Belgique, il y a eu encore d'innombrables milliers de morts à cause du travail forcé et des conditions générales de vie imposées par la colonisation. C'est à peine si la population a augmenté durant toute la colonisation alors que depuis 60 elle s'est multipliée par trois, passant de 10 à 30 millions d'habitants.

TOUDI - Vous avez été fonctionnaire colonial et donc vous avez vécu toutes ces réalités-là sur le terrain mais comment vous documentez-vous?

JULES MARCHAL - Depuis 25 ans, je vais constamment consulter les archives à l'ancien ministère des colonies. Aucun autre historien ne réalise ce travail.

TOUDI - Y avait-il une telle différence entre le Congo et les autres colonies?

JULES MARCHAL - Dans de nombreux coins d'Afrique poussaient autour des villages des palmeraies naturelles ou semi-naturelles. Dans les colonies britanniques les Anglais laissèrent les Noirs les exploiter. Au Congo, l'État s'en déclara propriétaire et les attribua e.a. à Unilever qui devint un grand exportateur d'huile de palme. Non seulement les Noirs étaient privés du fruit de cette culture mais encore étaient-ils recrutés pour y travailler dans des conditions très pénibles. Au Nigeria par exemple, le gouvernement britannique a laissé l'exploitation de ces palmeraies aux Noirs et le Nigeria a été longtemps le premier exportateur d'huile de palme. Cela fait toute une différence...

TOUDI - Si vous avez été fonctionnaire colonial, vous avez dû être le témoin direct du système léopoldien (ou des traces qui en demeuraient peut-être), puis de ce qui a suivi?

JULES MARCHAL - Quand je suis arrivé au Congo en 1948, il y avait déjà une amélioration. Le travail forcé avait cessé. On commençait à payer un peu mieux les gens et on traitait mieux la main d'oeuvre. Mais vous savez, même à mon époque, la contrainte existait encore. Je l'avoue, comme fonctionnaire, j'avais les pouvoirs d'un juge de tribunal de simple police. Et en tant que tel je condamnais les Noirs, dont se plaignait la société cotonnière, à quelques jours de prison. Je les condamnais à la suite d'un dialogue de ce genre : - Pourquoi n'as-tu pas fait ton champ de coton? - Ma femme était malade. - Ce n'est pas ta femme qui doit le faire. Sept jours de prison. Et je le mettais en prison. C'était une prison ambulante. Chaque matin on sortait trois ou quatre prisonniers à qui on donnait la chicotte pour effrayer les autres Noirs astreints aux travaux dans les champs de coton. La chicotte, c'était un instrument de torture tellement c'était douloureux. De mon temps, on en donnait encore 8 puis quatre coups de chicotte par séance. À l'époque, on en donnait jusque 100, entraînant parfois la mort. Et le coton que les Noirs étaient obligés de récolter, c'était payé à vil prix par les Belges. On comprend que dans ces conditions le Congolais n'a pas pu s'épanouir. Nous l'avons pillé.

TOUDI - Vous avez participé à ce système?

JULES MARCHAL - J'étais fier de ce que je faisais. Je ne me rendais pas compte à quel système je participais. Lorsque j'ai été ambassadeur au Liberia, j'ai lu dans un journal ce qui est bien connu dans tous les pays de langue anglaise à savoir que la colonisation du Congo par Léopold II y a diminué de moitié la population, entraînant un nombre de morts estimé à 10 millions. J'ai aussitôt cherché à rassembler les preuves que ce n'était qu'un mensonge, et cela pour défendre la réputation de la Belgique dont j'étais responsable en tant qu'ambassadeur. Mais les preuves que c'était un mensonge, évidemment, je ne les ai jamais trouvées. Je me suis mis alors à chercher, chercher et j'ai écrit plusieurs milliers de pages sur le Congo en compulsant à l'infini les archives. Quand Hochschild a eu le projet d'écrire son livre sur le Congo de Léopold II, il a contacté l'un des grands historiens belges spécialistes de la colonisation, Van Sina qui enseigne à l'Université du Wisconsin. Van Sina n'a pas recommandé ses propres collègues à Hochschild, ni Stengers, ni Vellut (etc.), mais il a dit à Hoschild d'aller me trouver. L'histoire, la recherche scientifique sur le Congo... Ces gens devraient s'offusquer de ce que j'ai fait leur travail. Car tous ces historiens n'ont jamais exposé le système à l'exception de Jean-Philippe Peemans mais qui n'a écrit que sporadiquement. Savez-vous que l'Union Minière finance encore aujourd'hui une chaire africaine à Louvain-la-neuve?

TOUDI - Comment expliquer qu'un tel silence se soit maintenu durant la colonisation, du moins en Belgique?

JULES MARCHAL - Il y a tout de même quelqu'un qui s'en tire avec honneur, c'est Émile Vandervelde qui n'a cessé de dénoncer les atrocités avant et après la reprise du Congo et encore en 1931 par exemple. Mais les gouvernements belges, après Léopold II et les rois qui lui ont succédé se sont faits les complices de l'exploitation. La Belgique s'est vantée de sa mission civilisatrice, d'avoir libéré le Congo de l'esclavage alors qu'elle l'a plongé dans une forme de travail forcé qui est encore pire que l'esclavage.

TOUDI - Mais qui pouvait couvrir cela?

JULES MARCHAL - La hiérarchie des missions catholiques. Les sociétés l'aidaient à construire des églises et des écoles pour l'évangélisation. Les missions étaient subsidiées par l'État et ceux qui arrivaient piller le Congo et, derrière la façade missionnaire, l'exploitation a pu se poursuivre. Quand Vandervelde dénonçait, les évêques le démentaient. En revanche, les missionnaire protestants, ne jouissant pas de subsides, étaient libres de ce qu'ils pouvaient dire. Les missionnaires catholiques ont couvert les crimes de la colonisation. C'est grâce aux missionnaires protestants que Morel a pu dénoncer la politique néfaste de Léopold II et qu'une Commission internationale a pu la constater, forçant le roi à céder le Congo à la Belgique qui devait y mettre bon ordre, ce qu'elle n'a pas réellement fait... À noter que le missionnaire catholique individuel, travaillant avec beaucoup d'abnégation, n'est pas à blâmer. J'ai toujours été son ami au Congo.

TOUDI - Peut-on utiliser le mot d'holocauste?

JULES MARCHAL- Faites attention d'utiliser ce terme, car il fait penser à génocide. Ce mot fait partie du vocabulaire juif et il n'est pas approprié à la décimation des Congolais (même si Hochschild l'utilise). Léopold II n'avait pas du tout l'intention d'exterminer les Congelais, mais il voulait se faire beaucoup d'argent sur leur compte et financer sa colonie et c'est ainsi que des millions de gens sont morts, mais uniquement pour l'argent pas en fonction d'une idéologie.

TOUDI - Les Congolais sont-ils conscients de tout cela?

JULES MARCHAL - Je crois, comme on le voit dans le discours de Lumumba du 30 juin 1960, qu'ils ont été conscients des humiliations infligées. Vous savez, le Congo belge c'était l'apartheid. Cet apartheid était aussi grave qu'en Afrique du Sud. Les Congolais ne pouvaient venir en Belgique, car ils y auraient vu des Blancs moins riches, des misérables, de pauvres diables etc. Et cela aurait cassé l'image de supériorité du Blanc qu'on voulait donner aux Congolais. Les Congolais ne sont pas conscients de l'exploitation effrénée dont ils ont été l'objet.

TOUDI - On se souvient que les coloniaux ont terriblement critiqué la venue de Noirs à l'exposition de 1958, visite considérée par eux comme la première erreur ayant mené à une certaine émancipation des esprits ou prise de conscience. Les Belges sont-ils plus conscients que les Congolais?

JULES MARCHAL - Les Belges n'en sont pas plus conscients. On sent même percer cela chez Colette Braeckman à l'occasion de ses reportages: elle se montre nostalgique des réalisations du Congo belge, tout en condamnant le régime de Léopold II. Les Belges ont le sentiment, à cause des mensonges de l'époque coloniale, qu'ils ont apporté au Congo tout un système sanitaire et scolaire entre autres. Mais ce système scolaire n'a été mis en place que pour l'enseignement primaire: on ne peut parler de réussite sociale dans le système que je vous ai narré.

TOUDI - Pourtant on souligne souvent que le Congo a été une réussite sociale ou matérielle mais un échec politique, notamment parce que l'on n'a pas formé d'élites.

JULES MARCHAL - Les " réussites matérielles " profitaient uniquement aux Blancs. Il y a avait un hôpital par territoire (correspondant à la moitié de la Belgique) au Congo, vous trouvez que c'est une réussite cela?

TOUDI - Pensez-vous que le personnage de Kurz dans Au coeur des ténèbres de Joseph Conrad serait un bon représentant de ce qu'a été la colonisation du Congo?

JULES MARCHAL - Kurz avait entouré sa maison de piquets auxquels étaient accrochées des têtes humaines décapitées. Il montre que l'environnement colonial peut créer un homme capable d'aller jusqu'au bout du crime et de l'horreur, c'est ce que veut faire sentir Joseph Conrad. Mais il n'est pas à considérer comme représentant de la généralité des Blancs.

TOUDI - Mais enfin cela, c'est les débuts de la colonisation?

JULES MARCHAL - Je voudrais bien insister ici. c'est vrai que le Congo léopoldien a été terrible, mais seulement la Terreur inaugurée par l'État indépendant du Congo a prolongé ses effets très loin sous le régime proprement belge. Vous comprenez, les Africains n'y touchant que des salaires de famine, n'avaient aucune envie d'aller travailler dans les plantations, les usines et les mines de cuivre, de diamants etc. La Terreur instaurée du temps de l'État indépendant du Congo a été soutenue jusqu'en 1950 par des méthodes qu'on appelait (par gradation): 1. les occupations militaires 2. les opérations militaires. On est même allée jusqu'à tirer sur des hommes désarmés avec des mitrailleuses comme chez les Pende au Kwilu en 1931. Ce dernier fait, le ministre des colonies Paul Tschoffen l'a reconnu à la Chambre le 21 juin 1932.

Il faut bien le voir: après la cession du Congo à la Belgique par Léopold II, le régime est resté pratiquement le même jusqu'en 1945, le nombre de morts diminuant quantitativement, mais l'exploitation étant demeurée la même sur le plan qualitatif d'un nouvel esclavagisme.

Le texte de cette conversation a été établi par Jules Marchal et la rédaction de la revue TOUDI.

Très bonne actualisation (ajout du 9/12/2009): Des millions de morts au Congo, l'avis d'un médecin en 1930.

link
de Pradel de Lamase, Paul (1849-1936)
Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Edited: 201504070912
L'extrait qui fait suite, est tiré de l'ouvrage de Paul de Pradel de Lamase (1849-1936), "Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution". Il illustre une bien courte partie de la vie du château d'allassac (mais pas que lui) sur lequel je faisais quelques recherches.

Malgré le caractère "conséquent" de la citation, j'ai tenu pourtant à garder ce chapitre intact et complet car sa richesse et son contenu donne un éclairage très particulier, que je n'ai pas souvent rencontré, de la révolution Française dans son ensemble et une vue précise de l'agonie du château d'allassac.

Il me semble évident qu'une certaine forme de partialité concernant la période révolutionnaire se dégage de ce texte, même si les faits exposés semblent avoir été vérifiés et prouvés, il n'en reste pas moins que les actions décrites mettent surtout l'accent sur le vandalisme de la révolution, et laissent plus largement sous silence les motivations souvent justifiées de certains de sortir d'un régime que nous n'avons toutefois jamais vraiment quitté. N'ayant pas souvent sous les yeux la vision qua pu avoir l'auteur il m'a semblé interessant de la partager.

A plusieurs reprises lors de la lecture, l'auteur se livre à des analyses qui semblent pertinentes et il sait mettre en avant les arguments que nous utiliserions encore aujourd'hui. De même, une fois passé le vocabulaire tranchant qu'il utilise pour qualifier certains groupes on découvre une personnes avisée et clairvoyante sur la nature humaine.

Pour le reste, la description des biens et de l'histoire de leur disparition est une pure merveille de rédaction et de précision qu'il m'est difficile de couper. Jugez en par vous même :

La curée

Le plus important est fait; la famille de Lamase est en exil; ses grands biens sont privés de l'oeil du maître ; il s'agit maintenant de les priver du maître lui même, de les nationaliser, en un mot. Pour cet objet, il n'y a plus qu'à laisser le plan révolutionnaire se développer dans toute sa beauté. Ce plan est simple : les propriétaires dont la fortune est adjugée d'avance aux affiliés sont d'abord contraints de sortir de France ; on les empêchera ensuite d'y rentrer; on les punira de la confiscation pour être sortis ou pour n'être pas rentrés, et le tour sera joué.

L'Assemblée Constituante accomplit en deux ans la première partie du programme. Elle provoque le désordre, elle encourage l'émeute, l'assassinat et le pillage; elle renverse les lois et coutumes établies depuis des siècles; elle anéantit les parlements et les anciennes juridictions indépendantes; elle les remplace par des tribunaux dont les juges sont à la nomination du pouvoir politique, par conséquent à sa dévotion. Toutes les institutions garantissant la vie et les propriétés des sujets du roi sont supprimées en théorie quand cette assemblée de malheur passe la main à la Législative, au mois d'octobre 1791. Les bons citoyens ne peuvent plus se faire aucune illusion. Le roi, avili et sans force, est incapable de les protéger; plus de cent mille familles vont chercher à l'étranger le minimum de protection auquel a droit tout homme civilisé.

Il ne faut qu'un an à la Législative pour exécuter la deuxième partie du programme, pour ouvrir l'ère des injustices les plus criantes, des scélératesses les plus effrontées.

Quand elle aura terminé son oeuvre, toutes les victimes désignées seront solidement ligotées; la Convention et le Directoire n'auront plus qu'à frapper dans le tas, les yeux fermés. Il ne sera même plus nécessaire de disposer de tribunaux dociles pour priver les citoyens de leur liberté, de leur fortune, au besoin de leur tête. Celle-ci sera parfois à la discrétion des geôliers qui s'amuseront à massacrer vingt-cinq ou trente mille prisonniers dans les premiers jours de septembre 1792; les survivants, on les laissera mourir de faim au fond des geôles puantes, ou on les guillotinera. Le résultat sera le même. Ni les uns ni les autres ne viendront réclamer leurs biens, et c'est le seul point essentiel.

J'ai dit que la Législative avait rétabli la loi de confiscation et aboli le droit naturel d'aller et de venir dont les Français avaient toujours joui.

L'acte d'émigration ayant passé « crime » digne de mort et de confiscation, l'heure avait sonné en Limousin de faire main basse sur le patrimoine du plus incontestablement riche et du plus bienfaisant seigneur de la contrée. Dès le mois de septembre 1792, mon bisaïeul fût inscrit sur la liste des émigrés. De quel droit ? Ses bourreaux ignoraient le lieu de sa retraite et ils ne firent aucune démarche pour la découvrir. M. de Lamase vivait à l'écart; dès que les jours devinrent très sombres, il avait pris un correspondant à Strasbourg, et toutes les lettres qu'il fit parvenir de sa retraite à ses compatriotes sont datées de cette ville alors française. Les prescripteurs devaient présumer qu'il n'avait pas franchi la frontière .

En l'inscrivant, sans plus ample informé, sur les tablettes de l'émigration, les administrateurs du district d'Uzerche, préjugeant le « crime » sans le constater, commettaient une première forfaiture. Je la signale ici pour mémoire, le chapitre suivant devant établir que le « coupable » ne fut jamais émigré, au sens que les lois homicides de l'époque attachaient à ce mot.

Les scellés furent apposés sur ses meubles et ses biens-fonds placés sous séquestre. C'était la première formalité de la dispersion aux quatre vents d'une fortune acquise par dix générations, au prix de mille efforts d'intelligence et d'économie.

Deux des frères de Jean de Lamase et un de ses fils, qui tous trois étaient restés dans leur province ou y étaient revenus, essayèrent d'obvier aux effets désastreux de cette mesure préparatoire en opposant à son exécution des moyens dilatoires, soit en revendiquant leur légitime sur les héritages, soit en se faisant nommer séquestres de quelques domaines, soit encore en rachetant aux enchères les meubles auxquels ils étaient particulièrement attachés.



Pauvres moyens ! Au jeu de l'intrigue les honnêtes gens en lutte avec les malfaiteurs ont toutes chances de succomber, car il est écrit depuis trois mille ans que « les enfants des ténèbres sont mieux avisés que les enfants de lumière dans la conduite des affaires temporelles ».

On le fit bien voir à ces infortunés. Les persécutions qu'ils endurèrent sur place furent parfois plus amères que celles de l'exil. Ils furent aussi bien et aussi complètement volés que le chef de famille... et bernés, par-dessus le marché ; ce qui est plus humiliant que d'être assassiné.

Quand on voulut mettre en vente les immeubles séquestrés, aucun acquéreur sérieux ne se présenta, tout d'abord.

C'était au commencement de 1793. Les fermiers seuls auraient eu l'audace de s'approprier les terres qu'ils avaient le cynisme de faire valoir, pour le compte de la nation; mais comme ils ne croyaient point à la durée de l'orgie; comme, d'autre part, ils ne payaient au département qu'un prix de fermage dérisoire, ils préféraient de beaucoup profiter de l'aubaine pour épuiser les champs et les vignes, en tirer le plus possible de revenus annuels et mettre ces revenus, convertis en numéraire, à l'abri des retours de la fortune.

Les paysans, les vrais, ceux qui mangent leur pain à la sueur de leur front, éprouvaient une horreur invincible à se souiller d'un vol perpétré à la face du soleil.

Leur conscience était restée et reste encore foncièrement respectueuse de la propriété d'autrui. Il existait, sur la question, un précédent qui leur fait trop d'honneur pour que je m'abstienne de le raconter ici où il trouve naturellement sa place.

Vers le commencement du seizième siècle, un Pérusse des Cars avait consumé sa fortune en fondations d'hôpitaux et d'autres bonne oeuvres. Afin de subvenir aux besoins de ses onéreuses créations, il avait hypothéqué la part de patrimoine que la loi lui interdisait formellement d'aliéner, sous n'importe quelle forme.

Ses dettes étaient donc nulles légalement ; mais le pieux seigneur n'entendait point rendre des créanciers confiants victimes de libéralités exagérées. En un testament admirable de piété et d'honneur il rendit compte à ses enfants de la situation, les suppliant, en vue du repos de son âme, de tenir pour bons et valables les engagements prohibés qu'il avait pris.

Ceux-ci cherchèrent à se conformer à ses désirs, mais ils rencontrèrent, pour l'exécution, une résistance opiniâtre dans la volonté des créanciers qui ne voulaient pas être payés et dans le refus des habitants d'acheter les terres qui servaient de gages aux créances. De guerre lasse, les des Cars abandonnèrent les domaines engagés, purement et simplement.

L'un de ceux-ci consistait en une vaste prairie attenant au fief de Roffignac. Pendant cent ans et plus cette prairie resta close comme lieu sacré, tabou. La cloture tomba enfin d'elle-même et l'enclos devint, par la force de l'habitude, bien communal où chacun menait, à son gré, paître son bétail ; c'était, plutôt qu'un bien communal, une prairie nullius. Elle a traversé même la révolution dans ces conditions, et ce n'est qu'après 1860 qu'elle a trouvé un acquéreur, lequel a déposé le prix d'achat dans la caisse municipale.

Si les vrais paysans persistaient dans leur aversion du bien d'autrui, les autres, les petits bourgeois des environs et les passe-paysans, pour qui la révolution semblait avoir été faite, témoignaient encore de la méfiance.

Les propriétés de mon arrière-grand-père étaient d'ailleurs offertes en bloc, et j'ai pu me convaincre qu'à cette époque, il en avait été de même dans presque toute la France.

En refusant de morceler les latifundia, la république montrait ainsi qu'elle entendait ne rien faire pour le menu peuple et qu'elle désirait simplement présider à la substitution de riches par d'autres riches... Mais allez faire comprendre cette claire vérité aux malheureux enivrés des mots sonores de Liberté et d'Egalité !...

En attendant que la Convention autorisât le morcellement, d'abord en gros lots, puis en lots minuscules, on s'attaqua aux divers mobiliers qui garnissaient les châteaux ou les simples maisons de l'exilé.

Je ne m'occuperai que du mobilier de Roffignac et de celui d'Uzerche.

L'invasion de Roffignac, le 25 janvier 1790, par les émeutiers et les gardes nationaux de Brive, complices du désordre et du pillage, avait considérablement détérioré les richesses amoncelées dans l'antique demeure. Les procès-verbaux officiels, rédigés quelques jours après l'événement, ne parlent que de placards éventrés, d'étoffes lacérées, de barriques de vin et d'eau-de-vie défoncées, de glaces brisées, et sont muets d'ailleurs sur le nombre et la nature des meubles emportés, quoiqu'il fût notoire que chacun des envahisseurs en eût pris à sa convenance, sans être le moins du monde inquiété !

Les chaumières des environs et aussi nombre de maisons bourgeoises s'étaient largement approvisionnées de lits, de couvertures, de draps, de serviettes, de fauteuils, de chaises, de tableaux de prix et de miniatures représentant de petits amours devant lesquels les femmes des voleurs s'agenouillaient pieusement, les prenant pour des Enfants Jésus.

Cependant la conscience des paysans se tourmente facilement ; elle est plus craintive que celle des messieurs ; la peur d'un retour offensif de la justice humaine les talonnait. Ils se défirent, moyennant quelques sous, des objets de valeur qu'ils étaient d'ailleurs incapables d'apprécier.

Les beaux meubles ne tardèrent pas à orner les logis bourgeois de la contrée ; ce fut bientôt un luxe à la mode, parmi les familles comme il faut et inclinées dans le sens de la révolution, de se faire honneur d'objets artistiques ayant appartenu bien authentiquement au château de Roffignac.

Cette mode n'est pas tout à fait éteinte au bout d'un siècle révolu.

Je sais un grand prêtre du droit, aujourd'hui mort, forcé de son vivant, — fait unique dans les annales de son Ordre — de vendre sa charge pour y avoir exécuté des tours de sa façon, qui s'est rendu acquéreur, au prix de 400 francs, d'une vaste armoire armoriée et sculptée, laquelle vaut vingt fois plus, au cours actuel des meubles anciens. Mais un de ses parents pauvres la détenait, et il a saisi l'occasion de faire la bonne affaire, à ses dépens et aux miens. Car ce meuble m'appartient toujours, il n'y a pas de révolution qui tienne.

Si je m'étais avisé pourtant de la réclamer à ce ruffian, il m'aurait répondu certainement que « possession vaut titre. »

Nous verrons bien !

Quoique découronné de ses pièces les plus belles et les plus apparentes, le mobilier de Roffignac, où l'utile était mêlé au somptueux, avait de quoi satisfaire encore bien des cupidités et bien des curiosités.

L'administration républicaine en jugea ainsi, espérant que les amateurs se présenteraient aussi nombreux que les acquéreurs des biens-fonds se faisaient rares. Voler un meuble ne semble pas, en effet, aussi coupable ni surtout aussi accusateur que voler un champ. Le meuble se détruit à l'usage, et quand il est usé il n'en est plus question ; un champ reste, au contraire, et le blé qu'il produit chaque année reproche son crime au larron, et ceci à perpétuité.

Le calcul était juste. On commença par le mobilier d'Uzerche. Celui-ci était intact ou semblait intact, car je dirai tout à l'heure ce qu'il y manquait d'essentiel.

Il fut divisé en huit cent soixante lots, sauf légères erreurs dans mes additions,car j'ai la nomenclature sous les yeux et je tiens à être précis. Ces huit cent soixante lots furent adjugés pour la somme totale de 7.083 livres 8 sols 3 deniers.

Cette vente, présidée par le citoyen Roume,semble avoir été effectuée en un seul encan, le 25 mars 1793, ce qui montre à quel point on avait hâte d'en finir avec cette opération véreuse.

Les prix s'en ressentirent. Les acheteurs payant en assignats, et les assignats étant tombés déjà à ce moment à 50 p. 100 de leur valeur nominale, il convient de fixer à 3.500 francs environ la somme réellement perçue par le Trésor.

Quant à l'estimation véritable de tous ces objets, dont la possession allait embellir et empoisonner tant de maisons, on s'en fera une idée quand j'aurai noté que deux fauteuils en bon état et recouverts de velours d'Utrecht furent vendus 8 livres en assignats; et une excellente bergère 10 livres de la même monnaie.

En évaluant à 50.000 francs le prix marchand de notre mobilier meublant d'Uzerche, je crois rester au-dessous de la vérité.

Que de noms on relève dans cette longue liste d'acheteurs, qui seraient étonnés de s'y voir couchés tout vifs ! Mais il me plaît d'être discret.

Il est d'ailleurs probable, qu'un certain nombre d'entre eux, obligés de donner des gages de civisme, avaient, en s'appropriant certains objets, la bonne intention de les rendre plus tard au légitime possesseur et même de s'en faire accroire à ses yeux, au cas où la contre-révolution eût été victorieuse et où M. de Lamase serait revenu en maître.

Mais voilà ! Le contraire s'est produit et l'enfer est pavé de bonnes intentions. Presque tous ces enchérisseurs ont pensé que ce qui est bon à prendre est bon à garder... et ils ont tout gardé! Peut-être en est-il encore, parmi leurs descendants, qui se couchent dans nos draps et s'essuient avec nos serviettes, tant, dans les anciennes maisons, le linge était abondant et de qualité durable.

Je ne connais, dans l'espèce, que deux cas de restitution.

En 1837, un de mes grands-oncles, accablé par l'âge, désira mourir sinon dans le lit, du moins dans le fac-similé du lit à baldaquin où il était né. Il connaissait le paroissien qui, moyennant 17 livres 10 sols, se l'était approprié et, depuis un demi-siècle, y étendait tous les soirs ses membres maintenant engourdis par la vieillesse.

Mon oncle lui demanda par lettre de permettre à son ébéniste d'en prendre le dessin et la mesure. Le bonhomme, qui était devenu dévot, non par crainte de dieu mais par peur du diable, répondit en envoyant l'objet et ses accessoires, regrettant que tout cela ne fût plus très neuf. J'ajoute qu'il restituait un vieux lit, mais qu'il retenait une terre importante qui n'avait pas vieilli.

En 1910, un pauvre artisan d'Uzerche l'a imité, en rendant spontanément un papier de famille; c'est un diplôme de l'Université de Bordeaux, concernant un de mes ancêtres; ce parchemin n'a aucune valeur, même à mes yeux; le geste ayant été honnête, je tiens à le noter.

L'opération de la vente d'Uzerche s'étant effectuée sans trop de scandale, on procéda à celle de Roffignac, mais celle-ci fut singulièrement plus longue et ne dura pas moins de dix décadis consécutifs.

La valeur en était beaucoup plus importante, tellement importante que le citoyen Lavergne, commissaire du district de Brive, vint s'installer au château pour y diriger l'encan et y vivre grassement aux frais de la princesse, assisté des citoyens Chicou et Deyzat.

Commencées le 1er septembre, les enchères ne furent terminées qu'en décembre et produisirent un total d'environ 50.000 livres en assignats, équivalant à un peu plus de 25.000 en numéraire, ce qui porte la valeur marchande aux alentours de 300.000.

Et une bonne partie de la marchandise avait été abîmée par le passage des barbares.

Les réflexions suggérées par les opérations effectuées à Uzerche s'imposent au sujet de celles d'Allassac. J'userai d'une égale discrétion en ce qui concerne les noms des profiteurs d'occasion, évidemment plus nombreux... cinq ou six cents ! Je ne me permettrai qu'une observation au point de vue de l'art.

Mon arrière-grand-père, jaloux de moderniser Roffignac et de lui imprimer le cachet de distinction alors à la mode, avait orné l'escalier d'honneur d'une rampe magnifique en fer forgé. Ce chef-d'oeuvre était calqué exactement sur la rampe du palais ducal de Nancy qui passait pour une merveille de ferronnerie et qui est réputée de nos jours encore pour une chose remarquable. Les brutes officielles la cassèrent en vingt et un morceaux et la subdivisèrent en autant de lots qu'achetèrent vingt et une autres brutes sans épithète.

Qu'ont-ils fait de ces lots ? Quelques-uns sans doute portèrent les leurs au forgeron qui dut les transformer en instruments aratoires. Mais j'en soupçonne d'autres, déjà messieurs quoique sans-culottes, de les avoir gardés jusqu'à des temps plus calmes pour les revendre à bénéfice, car la belle orfèvrerie de fer a toujours été prisée des connaisseurs.

Je ne dois pas terminer ce rappel de la venté nationale de nos mobiliers sans faire une constatation d'ordre général, car elle s'applique à toutes les rapines du même genre, sur toute la surface du territoire de la république.

Dans les inventaires interminables qui défilent sous mes yeux, je vois bien aligner des lits, des draps, du linge, des fauteuils, des canapés, des chaises, des pots de chambre, des balais, des bahuts, des bois de bibliothèques, des ustensiles de ménage et de cuisine, etc., etc.; je ne vois jamais figurer de bijoux, d'argenterie, de tableaux et de livres précieux. Et Dieu sait si mon arrière-grand-père était fourni de ces objets de luxe, aussi bien d'ailleurs que la plupart des châtelains, des bourgeois et même des campagnards aisés de son temps ! Rien que son argenterie de table représentait une fortune. Et cependant on ne met en vente ni un seul couvert ni un seul plat d'argent. Tout cela est évanoui. L'invasion bestiale des émeutiers de Roffignac a mutilé et brisé des meubles qui se voient, des pendules, des glaces, laissant intacts l'or et l'argent rangés dans des coffres qu'ils ont négligé d'éventrer. Mais à l'invasion des rustres en blouse et en sabots ont succédé plusieurs invasions de gens bien mis et bien chaussés, qui, sous prétexte d'apposition de scellés ou de formalités d'inventaires, ont clandestinement pénétré dans les riches demeures, fracturant les serrures et emportant le solide; tout ce qui, sous un volume médiocre, représente la forte somme réalisable à toute heure et dont personne ne s'avise de demander compte. Ils laissent les miettes du festin au menu peuple, fabriquent ainsi des milliers de complices et, grossissent la responsabilité de ces complices, dans le but de les déterminer à persister à jamais dans l'hérésie révolutionnaire ; ils se dissimulent dans l'ombre et s'emparent de l'or et de l'argent, sûrs que la possession de ces métaux les mettra à l'abri des réclamations futures; car l'argent ni l'or ne portent avec eux la marque du possesseur légitime, ou, s'ils la portent, il est facile de l'effacer.

Ce phénomène, encore une fois, s'est produit partout, d'abord secrètement, puis ouvertement, à la face du soleil. Les grands guillotineurs forcent les détenteurs de numéraire et d'orfèvrerie à les déposer, sans reçu, entre leurs mains. Ils volent les calices et les ciboires des églises, brûlent les chapes sacerdotales pour en extraire les fils précieux.

Fouché, après son proconsulat de Nevers, entasse les produits métalliques de ses exploits dans quatre fourgons qu'il expédie tranquillement vers sa maison de Paris. Lequinio fait faire des perquisitions domiciliaires à Rochefort et remplit trois tonnes d'écus de six livres, qui constituent ses petits profits. On verra plus loin qu'on allait jusqu'à fouiller dans les poches pour en extraire la monnaie.

Cette raréfaction de l'or et de l'argent, opérée par les chefs de la révolution et à leur avantage exclusif, produisait fatalement la disette, laquelle occasionnait les accaparements du blé et, finalement, déterminait la banqueroute. Ces trois dénouements, faciles à prévoir, devaient être trois nouvelles sources de lucre pour les bandits. Ils les escomptaient, et ce calcul odieux n'est pas un des côtés les moins intéressants de la philosophie révolutionnaire.

La France, on ne saurait trop insister sur cette vérité, possédait cinq milliards de métaux d'échange en 1789, beaucoup plus proportionnellement qu'aujourd'hui, étant donnés les besoins décuplés du commerce. La moitié de ce trésor national était monnayée; l'autre était convertie en objets d'art. Cette joaillerie était la réserve de la France, car, dans un besoin pressant de l'Etat, ses détenteurs n'hésitaient jamais à la porter au trésor public pour y être traduite en numéraire.

La révolution n'avait pas sévi trois ans qu'il ne circulait plus en France une seule pièce d'or et d'argent, et qu'on ne mangeait plus que dans des assiettes de faïence avec des fourchettes de fer.

Les divers hôtels des Monnaies, autrefois et depuis si actifs, tombèrent en sommeil comme les Loges. C'est à peine s'il a été frappé, de 1790 à 1801, pour quinze millions de numéraire jaune et blanc. La frappe du billon, dont la valeur intrinsèque est insignifiante, fut seule intarissable, comme l'impression des assignats.

Où avaient donc passé ces cinq milliards ? Evidemment dans les poches des chefs de la conspiration.

Aussitôt l'ordre matériel rétabli et la Banque de France instituée, on vit s'engouffrer dans ce réservoir national tous les métaux précieux naguère introuvables. Après les avoir liquidés les fripons éprouvaient le besoin de les solidifier à nouveau ("Sarepta dicitur Gallia, ubi metallis rapiendis et liquandis" Exégèse rabbinique de la Bible). Si, de 1790 à 1802, la Monnaie n'a fabriqué que quinze millions de pièces métalliques, elle en a jeté en circulation pour plus de quatre milliards dans les dix années qui suivent.

Il semble bien que voler soit le propre de l'homme, presque autant que forniquer. Il faut une grande vertu naturelle et beaucoup de religion pour résister à la tentation de pratiquer ces deux vices, quand le diable les présente dénués de danger et abrités contre la honte.

En 1793 vertu et religion étaient également bafouées.

Quand les gens demi-honnêtes eurent compris qu'on pouvait, en prenant quelques précautions légales, s'approprier le mobilier d'autrui, sans éprouver de trop cuisants remords et sans être montrés au doigt par le voisin aussi peu innocent qu'eux-mêmes, ils estimèrent que la prise de possession des maisons et des terres du prochain ne tirerait pas beaucoup plus à conséquence.

Il se présenta donc des acquéreurs pour concourir aux adjudications des biens-fonds.

On avait vite renoncé à former des lots considérables auxquels seuls auraient pu prétendre les gros bonnets du pays, du moins ceux qui ne refusaient point de se déshonorer mais prétendaient y mettre des formes.

Il convenait donc de laisser les paysans s'engager les premiers dans cette opération malhonnête. Ils en auraient la honte et, plus tard, on s'arrangerait pour racheter leurs petites parcelles, d'autant plus aisément que les cahiers des charges contenaient une clause de rescission de vente en cas de non-paiement dans les délais stipulés. En outre, il fallait payer comptant le premier dixième de l'adjudication; c'était un moyen de vider à fond les bas de laine des cultivateurs et de « liquider » tous les métaux de France, jusqu'au dernier louis, jusqu'au dernier écu de six livres, conformément au programme.

D'ailleurs, le conventionnel Cambon, le receleur en chef de tous les biens volés, criait misère. Les biens, dits nationaux, étaient les gages des assignats et les assignats baissaient, baissaient toujours.

La Convention ordonna alors de diviser les latifundia en plusieurs lots, de vendre chaque parcelle à n'importe quel prix et d'accorder aux acheteurs de grandes facilités de paiement.

En ce qui concerne les domaines de mon arrière-grand-père, les administrateurs de la Corrèze décidèrent qu'il serait politique de commencer par la mise en vente d'une vaste prairie qui s'étendait au pied de sa maison patrimoniale d'Uzerche, et qui, par sa situation en contre-bas des anciens remparts, était d'une fécondité rare. Constamment arrosée par la Vézère et engraissée par les eaux de la ville, elle excitait la convoitise des sans-culottes peu délicats.

La prairie, d'une contenance de 24.800 toises carrées d'après l'inventaire officiel, c'est-à dire de dix hectares environ, fut divisée en huit lots.

Sept furent vendus le 19 ventôse de l'an II, ce qui correspond au 9 mars 1794.

Oh ! par cher. Cette propriété, qui vaut certainement aujourd'hui plus de 100.000 fr. en bloc, pouvait être évaluée à cette époque 60.000 livres. Elle fut cédée aux amateurs pour le prix de 15.925 fr.

Un peu plus du quart, dira-t-on. Il est donc exagéré de prétendre que les biens nationaux ont perdu sur le marché 95 p. 100 de leur valeur.

Attendez ! Le prix de 15.925 francs existe bien sur le papier officiel, mais la somme effectivement versée au Trésor fut réduite au chiffre plus modeste de 1.218 fr. 55. La dépréciation réelle subie par notre prairie d'Uzerche fut donc de 98 p. 100.

Par quel miracle d'opération mathématique et de rouerie fiscale en est-on arrivé à ce résultat fantastique ?

Oh ! bien simple. Les acquéreurs avaient la faculté de se libérer en assignats reçus à leur taux nominal, et ils en usaient avec d'autant plus d'enthousiasme que l'assignat était déjà tombé au commencement de 1794 à 40 p. 100 de sa valeur fiduciaire ; mais ils avaient aussi le droit d'anticiper les payements fixés à dix échéances annuelles, toutes égales.

Ils en usèrent de même ; cependant ce ne fut point par excès de zèle.

Je prends comme exemple l'individu qui se rendit adjudicataire du lot n° 1 au prix officiel de 2.400 francs. Le jour de l'enchère il versa deux cent quarante livres en assignats, soit quatre-vingt-dix francs convertis en numéraire. L'année suivante, cent francs d'assignats ne valaient plus que vingt francs. Il donna encore deux cent quarante livres, soit cinquante francs en numéraire. Au commencement de 1796, la troisième année de l'acquisition, un vent de ruine soufflait sur toute la France. On achetait couramment mille livres en assignats avec un louis d'or authentique ou avec quatre écus de six livres.

Tous les acheteurs du pré Lamase jugèrent le moment favorable pour anticiper les payements. Ils acquittèrent huit annuités d'avance. L'adjudicataire du premier lot paya donc les 1.920 francs qu'il devait encore en monnaie de singe, je veux dire avec huit ou dix écus de six livres, en sorte que sa nouvelle propriété, si elle lui coûta son honneur et peut-être le salut de son âme, ne l'appauvrit que de 161 fr. 55, pas même la valeur de la moitié d'une récolte de foin.

Cette spéculation était à la portée de toutes les intelligences. Parmi les soixante-dix à quatre-vingts voleurs de nos immeubles je n'en ai remarqué qu'un seul n'ayant pas su profiter de l'occasion. C'était un sot qui paya cher sa sottise. En effet, vers la fin de 1796, les grands chefs de la révolution, ayant jugé que la vaste escroquerie des assignats avait procuré le maximum de profit qu'ils pouvaient raisonnablement en attendre, décrétèrent leur première banqueroute. Disqualifiant eux-mêmes les quarante-sept milliards de petits papiers revêtus de leurs signatures, ils décidèrent que ceux-ci ne seraient plus reçus, à aucun taux, dans aucune caisse publique. Il fallut payer en numéraire et bon nombre d'acheteurs de biens nationaux en étant démunis furent déchus de leur acquisition. Le vol leur coûta au lieu de leur rapporter, et beaucoup de paysans apprirent à leurs dépens qu'il en cuit parfois de s'acoquiner avec les fripons des villes.

Les bourgeois et les gentilshommes dévoyés attendaient ce moment-là pour reprendre, à meilleur marché encore qu'en 1793 et 94, les parcelles qu'on avait abandonnées aux miséreux et arrondir les gros lots dont ils étaient déjà nantis. Ce mouvement tournant et enveloppant leur fut facilité par le gouvernement du Directoire qui décida dès lors qu'on ne mettrait plus les biens nationaux aux enchères mais qu'on les céderait de gré à gré.

On peut imaginer la nouvelle gabegie à laquelle donna lieu cette mesure.

Voici pourquoi les latifundia, qu'on ne voulait plus souffrir aux mains des nobles, se reconstituèrent entre les griffes des clercs d'huissiers, hommes de loi, secrétaires de mairie, magisters de villages, prêtres défroqués et autres espèces qui composèrent l'immense majorité des gros acheteurs, et dont quelques-uns ont fait souche d'honnêtes gens, défenseurs du trône, de l'autel, surtout partisans irréductibles du principe sacro-saint de la propriété. Leurs descendants croiraient manquer à toutes les traditions de la chevalerie s'ils n'ornaient point leurs noms de la particule, s'ils ne le flanquaient point même parfois d'un titre ronflant.

Cette note historique et philosophique m'a éloigné un peu du sujet principal du chapitre. Aussi bien, dois-je supposer que les digressions de cette nature offrent un intérêt plus général que la nomenclature un peu sèche des biens ravis, alors même que j'imprimerais tout vifs les noms des personnages qui ne rougirent pas de s'enrichir de ces dépouilles, noms qui sont au bout de ma plume mais qui n'en sortiront pas encore. Il me suffit, pour l'instant, de troubler leurs héritiers dans une possession... moralement irrégulière.

Je me suis étendu assez longuement sur la vente de la prairie d'Uzerche, afin de mettre à nu les procédés de liquidation de l'époque révolutionnaire, et pour expliquer pourquoi l'immense vol des biens nationaux ne constitua finalement qu'une opération financière des plus médiocres. Cinq cent quarante millions seulement sont tombés dans les poches du détrousseur en chef, Cambon, et l'on estime à vingt-cinq milliards la valeur marchande des propriétés qui furent confisquées, soit huit milliards au clergé tant régulier que séculier, quinze milliards aux émigrés et deux milliards aux décapités. Cela fait à peine du 3 p. 100, moins que les brocanteurs louches ne donnent aux cambrioleurs et moins que les banqueroutiers frauduleux qui se respectent, après fortune faite, n'attribuent à leurs clients.

Il semble d'ailleurs que ce soit un prix fait. Le milliard des congrégations, je l'ai dit dans la préface, ne produit que trente millions, soit 3 p. 100 de l'estimation, et les prolétaires septuagénaires n'en tirent pas plus de profit que les pauvres de 93 n'ont tiré de revenant-bon de la spoliation des nobles et des prêtres. C'est le métier des déshérités de la fortune d'être toujours dupes.





Si le pré Lamase n'a procuré que 1.218 fr. 55 net au Trésor, la belle terre de Roffignac a rapporté moins encore proportionnellement. En 1789, elle était estimée un million environ. Sa valeur s'est beaucoup accrue depuis, tant à cause de la bonification de la culture qu'en raison de l'exploitation d'ardoisières d'un excellent rapport (Ces ardoisières sont exploitées par une société en actions, en sorte qu'un nombre notable de mes compatriotes se partagent nos trésors souterrains. On trouve parmi les actionnaires, non seulement la quantité mais parfois aussi la qualité, je veux dire certains noms qu'on aimerait autant ne pas rencontrer sur la liste). Jusqu'en 1796 c'est à peine si l'on en avait détaché quelques lambeaux, achetés par des paysans ambitieux d'agrandir le champ dont ils étaient riverains. En 1795 on divisa le bloc en quatre lots qui furent acquis par trois petits bourgeois d'Allassac et un ancien valet de chambre du château. Celui-ci consacra à l'accomplissement de sa mauvaise action les économies de ses gages; ce qui constitua un placement avantageux, car ses descendants vivent encore sur la terre plantureuse acquise ainsi par l'ancêtre, en bons rentiers, craignant Dieu et les gendarmes. Je respecte leur quiétude en ne les nommant pas. Par charité je tais aussi le nom de ses trois camarades qui expièrent, de leur vivant, par des fins lamentables, leur faute jugée par Dieu impardonnable en ce monde.

Les quatre gros lots et les petits furent adjugés au prix global de 252.000 livres, payées sur-le-champ ou en deux termes, avec des assignats valant un louis les mille livres, — mettons deux pour faire bonne mesure — ce qui ramène la somme versée au Trésor au maximum de dix ou douze mille livres — un peu plus de 1 p. 100.

La terre de Vignols fut divisée en neuf lots. L'un d'eux fut généreusement abandonné à mon grand-père qui, n'ayant pas émigré, avait droit au quart des biens de son père, c'est-à-dire au septième du quart, puisqu'il ne représentait qu'un septième de la descendance. Mais on lui rogna quand même ce vingt-huitième de portion. Après ventilation, il n'obtint qu'une maison d'habitation et une quinzaine d'hectares de prés, terres, bois et vignes. Il dut s'en contenter, car il y allait de la vie de protester, et j'ignore s'il ne fut pas même contraint de dire merci! Coûte que coûte, il importait de sauver du naufrage universel ce lopin de l'héritage des Maulmont, l'illustre famille qui a eu l'honneur de donner deux papes à l'Église, Clément VI et Grégoire XI.

Les terres possédées sur le territoire de la ville d'Uzerche, y compris la prairie Lamase, furent adjugées au prix total de 262.000 livres, qui rapportèrent à Cambon dans les trente mille francs ; ce qui fait presque du 9 p. 100 sur l'adjudication; mais pour obtenir la valeur réelle il faut, comme dans les autres cas, multiplier 262.000 par 4.

Dans la commune de Vigeois, huit cents hectares environ, subdivisés en vingt-cinq ou vingt-six domaines et constituant cinq seigneuries, Roupeyroux, Haute et Basse-Mase, Charliac, Charliaguet et La Nauche évitèrent le morcellement à l'infini. Il semble que chacune de ces propriétés ait été adjugée à un seul enchérisseur, et les prix atteints furent relativement élevés. C'est ainsi qu'on paya la Haute-Mase 31.000 livres et la Basse-Mase 32.000. La Nauche fut adjugée à un métayer, nommé Lacroix, qui emprunta à un usurier l'argent qu'il jugeait utile à la faisance-valoir. Au bout de deux ans le prêteur le fit exproprier, et Lacroix, sans ressources, se fit bandit et coupeur de routes, estimant ce métier plus honorable que celui de voleur de biens. Les gendarmes le massacrèrent dans un chemin creux, en 1799, au cours d'une de ses expéditions nocturnes. Un des domaines de Charliac fut laissé à mon grand-père, soit disant pour compléter, avec les quinze hectares de Vignols, la part de sa légitime.

Le reste de la propriété de Charliac fut morcelé, mais les divers acquéreurs subirent, plus ou moins, la fâcheuse destinée de Lacroix. Leurs premiers successeurs ne furent pas plus heureux. Quand les drames parurent oubliés, un spéculateur patient fit masse de tous les morceaux et en constitua, en les joignant à la terre et au château de la Nauche, une des plus belles propriétés du pays.

Le Roupeyroux fut adjugé à un ancien huissier, le nommé B..., celui-là même qui a rendu en 1837 le lit à baldaquin. Il l'a transmis à ses enfants et c'est maintenant son petit-gendre qui l'occupe, quand il n'occupe pas au tribunal.

Le domaine de Fleyniat à Lagraulière fut adjugé au prix officiel de 25.000 livres. Les beaux et nombreux domaines de Perpezac-le-Blanc, de Perpezac-le-Noir, d'Orgnac, de Voutezac, du Lonzac, etc., furent vendus à des aigrefins dont j'ai la liste (Un des acquéreurs, sans le sou, se porta adjudicataire d'un domaine pour le prix de 30.000 livres. II courut à sa nouvelle propriété, en détacha une paire de boeufs et s'empressa de les vendre à la foire voisine au prix de 40.000 livres en assignats. Il en donna 30.000 au fisc, et avec le reste acheta deux veaux. Je défie bien les apologistes les plus déterminés de la révolution de démontrer qu'une propriété constituée de cette façon repose sur des bases inébranlables.).

Je me dispense de la divulguer; mais j'exprime un regret cuisant en songeant à la perte de la terre de Montéruc, au demeurant d'assez mince valeur. Elle nous venait des Roffignac qui la tenaient eux-mêmes, par suite de trois alliances consécutives, du cardinal Aubert de Montéruc, neveu du pape Pierre Aubert des Monts, connu dans l'histoire sous le nom d'Innocent VI (1352-1362) (Si Montéruc n'avait pas grande importance, en tant que terre régie par le seigneur, elle en avait une inappréciable par le nombre des redevances auxquelles étaient astreints les habitants du pays. Je n'ai pas compté moins de trois cents de ces tributaires, payant qui une géline, qui une douzaine d'oeufs, ou une gerbe de blé ou une gerle de vin, etc. Ces redevances ou servitudes provenaient de ventes régulières ou de donations à titre légèrement onéreux; elles servaient à maintenir un lien très ténu mais indéchirable entre le maître primitif et les familles de ses anciens tenanciers ; c'était un rappel de propriété. En détruisant tous ces titres dans la fatale nuit du 4 août, l'Assemblée Constituante a donc commis un attentat contre le bien d'autrui, premier crime qui a facilité les autres.).

Avant de clore ce chapitre des spoliations, il est juste de consacrer quelques pages à la destinée du château de Roffignac, dont les conjurés du Bas-Limousin ne pouvaient considérer l'aspect majestueux sans qu'une basse envie ne pénétrât leurs âmes cupides et n'échauffât la haine qu'ils avaient vouée au châtelain.

Aucun cependant n'avait osé l'acheter pour s'y prélasser en maître. Même aux heures de complet bouleversement et de travestissement de toutes les conditions sociales, les usurpateurs les plus osés reculent devant certains ridicules.

En sus des quatre gros lots du bloc domanial, il existait une réserve assez importante entourant la demeure seigneuriale. L'administration de l'enregistrement l'avait affermée à un sans-culotte qui était, en même temps, un sans-soutane, car c'était un prêtre défroqué (J'ai longtemps cru que ce malheureux était le curé d'Allassac, mais des renseignements plus précis m'ont appris qu'il était curé d'une paroisse voisine où nous avions aussi des biens. Le scandale reste d'ailleurs le même.).

Cet apostat y faisait bombance tandis qu'une affreuse disette sévissait sur toute la contrée, et il s'efforçait de donner tous les jours des gages de plus en plus irrécusables de son sans-culottisme. Les novices du crime ont toujours peur de n'y être point enfoncés assez profondément pour étouffer leur conscience et pour donner aux professionnels des preuves suffisantes de leur sincérité. Ce double sentiment explique pourquoi les plus forcenés terroristes furent généralement des prêtres ou des ex-dévots.

Le spectre du vieil exilé, dont il dévorait audacieusement les revenus, hantait ses rêves. Il lui aurait volontiers fait couper le cou, mais la victime était hors de portée. Ne pouvant lui prendre la tête, il résolut de s'en prendre à son château et de détruire ainsi une demeure de gens de bien.

La démolition de Roffignac ne pouvait rien rapporter à personne. Le peuple criait la faim : on lui offrait des pierres. Il paraît que le système a du bon puisqu'il réussit encore quelquefois.

Quand l'ex-curé proposa à la municipalité de la commune d'Allassac de découronner le château, celle-ci fut choquée qu'il prît une initiative aussi radicale. L'apostat menaça alors les officiers municipaux de porter contre eux une accusation de modérantisme. Epouvantés, ils le supplièrent de faire du moins les choses régulièrement, de présenter une requête officielle sur laquelle ils prendraient une délibération conforme à ses désirs. Le déprêtrisé s'exécuta, mais comme c'était un prévoyant de l'avenir le texte de sa pétition a totalement disparu.

Il reste pourtant les procès-verbaux des actes officiels auxquels donna lieu ce document.

C'est d'abord le récit des événements qui provoquèrent la première réunion du conseil municipal d'Allassac :

La pétition avait été transmise par l'intermédiaire de deux jacobins de la commune et renvoyée à une commission; mais sans attendre que la municipalité eût statué sur sa demande, l'apostat avait ameuté deux fois le peuple, et le peuple avait menacé de procéder sans autorisation à la démolition. On l'avait calmé en le « pérorant », et en promettant d'envoyer sur-le-champ deux commissaires à Brive, chargés de solliciter des administrateurs du district, « seuls investis du pouvoir d'ordonner la destruction d'un bien national, la permission d'abattre Roffignac ».

Manifestement, les officiers municipaux ne cherchaient qu'à gagner du temps. Mais ils n'avaient pas eu la main heureuse dans le choix des commissaires expédiés au district de Brive. L'un de ceux-ci, fesse-mathieu de la localité, était capable de marcher sur le cadavre de son père pour parvenir à faire parler de lui.

Les bruits les plus sinistres couraient sur l'autre, tout jeune homme, étranger au pays. Il y était apparu depuis six mois à peine, amené de très loin par un marchand roulier qui, le sachant réfractaire à la conscription, l'avait caché dans le chenil de sa carriole pour le dérober aux recherches des gendarmes. On assurait que, levantin d'origine et conduit en France par un officier de marine qui l'avait fait instruire, il avait livré son libérateur au bourreau. Audacieux et bavard intarissable, il n'avait pas tardé à prendre la tête des sans-culottes du pays, et les honnêtes gens le redoutaient.

La municipalité d'Allassac lui avait donné, ainsi qu'à son collègue, l'instruction secrète de rapporter à tout prix un arrêté du district de Brive prescrivant de surseoir indéfiniment à la démolition du château.

Par la lecture de l'arrêté qui suit on va voir comment les deux drôles s'étaient acquittés de cette mission de confiance.

Je passe sur les préliminaires, rappelant la pétition du mauvais prêtre R...

"L'administration du district, n'entendant pas contrarier la voix du peuple pour la démolition du cy-devant château de Roffignac, déclare recommander à la loyauté du peuple de la Commune d'Allassac la conservation du mobilier et des denrées, tant en vins qu'en grains, qui sont dans les bâtiments de ce cy-devant château, dont le peuple serait responsable tant collectivement qu'individuellement, en cas de dilapidation ou dégradation; sous la même responsabilité, de pourvoir à la sûreté des dits objets, soit par le moyen des scellés sur les portes des bâtiments qui les contiennent, s'ils ne doivent pas être démolis, soit par le déplacement, s'il y a lieu, après en avoir préalablement constaté les quantités et qualités par un procès-verbal énumératif régulièrement fait, avec recommandation expresse à la dite municipalité de prendre toutes les autres mesures de précaution que sa prudence lui suggérera suivant les circonstances, pour la conservation des dits objets.

Fait au conseil d'administration du district de Brive, le 1er germinal, an II, de la Rép. fr., une et indivisible.

Suivent cinq signatures."

Il n'y avait plus qu'à s'exécuter et, dès le lendemain, la municipalité d'Allassac faisait procéder à la nomenclature du mobilier restant encore dans le château.

Cet inventaire n'offre point par lui-même grand intérêt ; il témoigne seulement de l'inquiétude des malheureux obligés de le dresser et des précautions qu'ils prennent pour accroître, le plus possible, le nombre des responsables. Neuf signatures, en effet, sont apposées au bas de ce long document, et l'une d'elles a même été, ultérieurement, grattée frénétiquement. A ces neuf noms sont ajoutés ceux de douze commissaires désignés pour surveiller les travaux de la démolition et prendre garde que les matériaux ne soient point détériorés. Tout le long du papier, ces infortunés officiers municipaux protestent qu'ils agissent ainsi à leur corps défendant.

La destruction méthodique dura quatorze jours, du 4 au 18 germinal de l'an II. La population, que les citoyens R... et X... avaient représentée comme désireuse d'accomplir au plus vite cet acte de vandalisme, fit preuve, au contraire, d'une remarquable tiédeur, et il fallut menacer les paysans poulies forcer à coopérer à l'enlèvement gratuit et obligatoire de pierres qui ne serviraient plus à rien. Beaucoup se demandaient si c'était pour aboutir à pareil résultat qu'on avait supprimé la corvée avec tant de fracas (la corvée avait été abolie en Limousin par Turgot, dès 1761 ; elle le fut également pour toute la France en 1789, non seulement la corvée seigneuriale mais encore la corvée publique, autrement dite « prestation ». Elle fut rétablie le 20 prairial an II, sous le nom de réquisition, et dans les conditions les plus abusives, puisque les citoyens furent contraints de travailler les uns pour les autres, sous peine de déportation).

Les tyranneaux des départements trouvèrent moyen d'exaspérer encore l'arbitraire de la Convention. J'ai sous les yeux une circulaire des administrateurs d'Uzerche adressée par eux à tous les maires du district en leur transmettant le décret du 20 prairial. A la peine de déportation édictée par la Convention contre les ouvriers agricoles qui se déroberaient à l'obligation de la corvée, ils substituent, de leur propre autorité, la menace de la guillotine, et ce n'était point un vain épouvantail ; le men-

Enfin la partie du château condamnée à mort était tombée le 18 germinal, comme le constate une pièce officielle datée de ce jour et revêtue de la signature du maire et de deux de ses officiers municipaux. Le défroqué requis de signer également s'y refusa avec énergie. Ce n'était pas seulement un misérable, c'était un roué. On ne peut rien invoquer contre une signature authentique, mais on peut toujours nier avoir participé à un acte criminel quand la culpabilité ne laisse pas de témoignages décisifs.

Toujours harcelé par l'esprit de prudence, il ne voulait pas se rendre acquéreur des restes du château et des jardins, quoiqu'on lui offrit le tout à vil prix. Cependant; il fallait que le décret des Loges fût exécuté. Mes parents, quoi qu'il advînt, ne devaient pas rentrer en maîtres dans leur vieille demeure, même en ruinés, et c'est pour cette raison — rien que pour cette raison — qu'on les fit languir dix-huit mois à Paris.

Un petit bourgeois d'Allassac se laissa tenter, en 1802, par l'esprit de Spéculation.

Il morcela les terrains aplanis par la démolition de germinal, an II, ainsi que les beaux jardins escarpés qui grimpaient jusqu'au mur d'enceinte de là petite ville. On a construit sur ces emplacements des masures, maintenant lamentables de vétusté;

Le corps du château, en dépit de son émasculation vandalique, gardait encore belle apparence avec sa tour carrée centrale décapitée, abritant à droite et à gauche deux corps de logis.

N'en pouvant rien tirer et n'osant l'habiter de peur d'être l'objet des moqueries de ses concitoyens, le premier spéculateur le céda à un second.

Celui-ci emprunta de l'argent à un homme qui avait le plus grand intérêt moral à faire disparaître les derniers témoins muets de ses hypocrisies d'antan.

Cet homme n'eut garde de faire exproprier son débiteur, mais il avait assez d'influence sur le conseil municipal pour le déterminer à acheter le monument, sous le prétexte de bâtir une maison d'école. Le marché fut conclu. Le créancier commença naturellement par se rembourser avec les deniers publics; puis Roffignac fut rasé et la maison d'école, telle qu'on la voit encore aujourd'hui, a été construite sur les fondements du château.

En l'édifiant on avait évité, par motif d'économie, de défoncer les caves voûtées qui témoignaient toujours de l'importance et de la solidité des antiques constructions.

En 1897, la municipalité d'Allassac, composée d'ailleurs de braves gens, gênée par ces voûtes pour ses opérations de voirie, en décréta l'effondrement ainsi que la suppression d'une porte gothique, dernier reste des fortifications de la petite ville.

...etiam periere ruinae.

Il n'y a plus rien !... rien de ce Roffignac qui fut, suivant les traditions les mieux accréditées, le berceau du christianisme dans les Gaules; qui aurait abrité saint Martial; qui, sûrement, a donné l'hospitalité au pape Innocent VI, à quatre rois de France, au duc d'Anjou, vainqueur de Jarnac et de Moncontour, à Henri IV, au duc de Bouillon et à son illustre fils, le maréchal de Turenne, à nombre d'autres personnages éminents;... qui avait étendu, à travers les siècles, son ombre bienfaisante sur toute la contrée.

Il existe encore à Allassac une grosse tour ronde ayant toujours dépendu du fief seigneurial. Edifiée par Pépin le Bref, lors de ses guerres contre les aquitains, elle est d'une allure imposante et constitue un beau joyau pour son propriétaire, — sans utilité pratique d'ailleurs.

Elle n'avait pas été vendue et, depuis 1814 jusqu'en 1846 environ, mon grand-père et ses frères avaient exigé de la ville d'Allassac un fermage de deux francs, établissant leur droit de propriété et interrompant la prescription. A cette dernière date, le maire du lieu, sous couleur d'ardente amitié, confia à mon père, avec des tremblements dans la voix, qu'il aurait la douleur de lui faire un procès au nom de la commune, s'il ne renonçait pas à sa rente de quarante sous. Mon père, qui n'était pas processif, céda.

Je fais mention de cette tour parce que les voyageurs la remarquent dans le trajet du chemin de fer de Paris à Toulouse, dominant la plaine, et parce que je ne dois rien oublier de nos revendications.

On l'avait rendue à mon arrière-grand-père, après le décret d'amnistie de 1802, mais il n'en pouvait rien faire.

On lui avait aussi rendu sa maison d'Uzerche, mais dans quel état ?

Diminuée des trois quarts comme son château de Roffignac. Pendant la période jacobine, l'administration d'Uzerche avait, elle aussi, pris un arrêté prescrivant de la démolir sous prétexte qu'elle affectait les allures d'une forteresse et qu'elle flanquait la porte « Pradel », ce qui constituait évidemment une double injure à la liberté.

Ce qu'on voit maintenant de notre vieille demeure ne représente pas même l'ombre de son aspect d'autrefois, quand elle était rapprochée du mur d'enceinte, ornée de tours à ses quatre angles, entourée de murs et de fossés, rendant l'accès de la ville presque impraticable à l'ennemi.

Il est extrêmement probable qu'elle avait été bâtie par mon premier ancêtre limousin, Géraud ; son style architectural est indiscutablement du quinzième siècle, comme on peut s'en assurer par la photographie publiée ci-contre, qui reproduit une gravure ancienne conservée à la mairie d'Uzerche.

La partie de la maison laissée debout, et servant autrefois de communs, avait été convertie en prison où l'on entassa, sous la Terreur, les femmes suspectes du district, et Dieu sait si elles étaient nombreuses !

C'est à cause de cette particularité qu'elle n'avait pas été mise en vente et qu'elle fit retour à son légitime possesseur, mais aussi nue qu'au jour lointain où le maître « ès-art maconnerie » l'avait livrée à son premier propriétaire.

Impossible en 1802 d'acheter des meubles, faute d'argent; donc, impossible de l'habiter.

Mes parents furent réduits à accepter l'hospitalité de l'un de leurs proches.

Ces deux vieillards, qui avaient été les rois de leur pays, rois par l'opulence et la dignité de leur vie, rentrèrent chez eux dénués des ressources les plus élémentaires. La révolution les avait contraints à cette détresse, parce qu'ils auraient commis le crime d'émigration, inexistant en droit pur et rayé expressément du code au mois de septembre 1791.

Le plus étrange, c'est que ce crime, même entendu et interprété dans le sens le plus révolutionnaire, mon arrière-grand-père ne l'a jamais commis.

Titre : Le Pillage des biens nationaux. Une Famille française sous la Révolution
Auteur : Pradel de Lamase, Paul de (1849-1936)
Éditeur : Perrin (Paris)
Date d'édition : 1912
GEBHARDT Miriam
Als die Soldaten kamen. Die Vergewaltigung deutscher Frauen am Ende des Zweiten Weltkriegs.
Edited: 201503150814

ISBN 978-3-421-04633-8
Darin werden insbesondere Vergewaltigungen durch westliche Alliierte thematisiert, wodurch das Werk eine kontroverse Debatte auslöste. Gebhardt fordert unter anderem, Vergewaltigungen nach Kriegsende stärker aufzuarbeiten.Rezensenten lobten, Gebhardt habe eine „Stärkung der Empathiekompetenz der Öffentlichkeit“ zum Ziel.
Miriam Gebhardt (* 28. Januar 1962 in Freiburg) ist eine deutsche Historikerin, Autorin und Journalistin.

Comment in English:
A million women were raped by Allied soldiers in Germany in the immediate aftermath of World War II, a new books claims.
‘When The Soldiers Came,’ by historian Miriam Gebhardt, is hailed as the definitive account of the treatment meted out to the defeated women of Nazi Germany which they remained silent about for decades out of shame and humiliaton.
‘At the very least 860,000 women and girls – and also men and young boys – were raped by the occupying Allied soldiers and their helpers. It happened everywhere,’ begins the book.
Until now it was widely thought that only the Red Army, which advanced on Germany with rape as a weapon sanctioned by Soviet dictator Josef Stalin, committed the mass rapes upon tens of thousands of women, many of whom committed suicide.
‘Soldiers of the western Allies were also guilty,’ said Mrs. Gebhardt, a renowned historian in Germany who tracked down some victims to interview them about their ordeal at the hands of British and American soldiers.
‘I researched the book for over a year and-a-half,’ she said. ‘I wanted to tell the story of what ‘happened from the perspective of the victims. I wanted to reconstruct the crimes as gently as I could.’
She said the ‘terrible crimes’ did not only take place in the Soviet zones of occupation – long chronicled and well-known about – but also in French, British and American sectors.
A familiar slogan of the times was: ‘It took six years for the Americans to struggle against the German armies but it only took a day and a slab of chocolate for them to conquer German women.’
But not all collaboration in the bedroom was voluntary, writes Gebhardt.
She said the false impression grew up after the war that German women gave themselves to western soldiers because they brought with them things they desperately needed – nylons, food, cigarettes, coffee.
‘The impression grew that there was no rape in the west but rather a kind of prostitution grew up,’ said the author.
But in fact countless women were raped, she said, with soldiers believing they could treat them as they wanted after bearing coveted gifts.
‘Post-war society was hardly ready to differentiate between voluntary and forced sexual contact.
‘Between women who prostituted themselves out of emergency needs and those who had become victims of rape.’
Added to the trauma of the western victims was the shame suffered by the children they bore from their attackers.
‘Their fathers were, mostly, unknown, and the women received no financial help at all,’ said Gebhardt.
She said in parts of southern Germany, occupied by American troops, there were often ‘free nights’ where soldiers were encouraged to abuse women at will for up to 48 hours at a time.
The alleged victims are ‘relieved’ their hardship is coming to light, she added.

Source Credits: Allan Hall in the Daily Mail from Berlin.
CHAGALL
Les grenouilles qui demandent un roi - De kikkers die een koning wilden - The Frogs Asking for a King
Edited: 201503150048
Gouache sur papier - Gouache op papier - Gouache on paper. Production year: 1927 - Private collection. - Foto MERS 20150314.
Compare:
THE FROGS, grieved at having no established Ruler, sent ambassadors to Jupiter entreating for a King. He, perceiving their simplicity, cast down a huge log into the lake. The Frogs, terrified at the splash occasioned by its fall, hid themselves in the depth of the pool. But no sooner did they see that the huge log continued motionless, than they swam again to the top of the water, dismissed their fears, and came so to despise it as to climb up, and to squat upon it... After some time they began to think themselves ill-treated in the appointment of so inert a Ruler, and sent a second deputation to Jupiter to pray that he would set over them another sovereign. He then gave them an Eel to govern them. When the Frogs discovered his easy good nature, they yet a third time sent to Jupiter to beg that he would once more choose for them another King.
Jupiter, displeased with all their complaints, sent a Heron, who preyed upon the Frogs day by day, till there were none left to complain ...
Source:
Aesop's Fables
Copyright 1881
Translator: unknown
WM. L. Allison, New York
Illustrator: Harrison Weir, John Tenniel, Ernest Griset, et.al.
Oil Industry News
Britain's North Sea Oil and Gas Firms must Look to Future Abroad: Kemp
Edited: 201503130901
Published in on Friday, 13 March 2015

The North Sea has already produced 42 billion barrels of oil and gas, but could have as much as 24 billion barrels left, according to FT columnist Nick Butler (“Don’t abandon the North Sea” Feb 22).

For North Sea operators and their supporters, the remaining reserves provide a compelling economic reason to keep producing to avoid leaving value locked in the ground.

The reserves represent tens of billions of dollars in profits, wages and tax revenues that would be lost if the North Sea fields are abandoned prematurely.

North Sea reserves have a strong political dimension because most operators and service companies are based in Scotland, where separatist sentiment remains strong despite the rejection of independence in last year’s referendum.

The economic reality is more complicated. The notional value of the oil and gas that would remain locked in the ground is not a convincing reason why it should be developed. In a market-based economy, resources are developed only if they can be extracted profitably.

And there are many instances where resources have been left in the ground or abandoned because it was no longer possible to exploit them profitably.

The distinction between exhaustion and profitability was central to the year-long dispute between the National Union Mineworkers (NUM) and the Conservative government led by Margaret Thatcher, the defining moment in Britain’s modern economic history.

In the early 1980s, Britain’s state-owned coal company wanted to close mines that were no longer profitable while the NUM resolved “to re-affirm the union’s opposition to all pit closures other than on grounds of exhaustion.”

The NUM demanded that pits remain open as a source of employment and national energy security as long as there was valuable coal underground (“Crisis management in the power industry” 1995).

Ironically, coal’s nemesis came from the giant gas fields found in the North Sea between the 1950s and 1970s, which threatened coal’s dominance in power generation (“Energy, the State and the Market” 2003).

Once the government’s support for coal was removed after the strike was broken, construction of coal-fired power plants ended and power producers raced to build cheaper gas-fired facilities to capitalize on the cheaper fuel.

By the end of the 1990s, nearly all of Britain’s pits had closed, although there were still billions of tonnes of coal left underground. Twenty years later, Britain’s gas supplies are dwindling, and the country increasingly relies on imported gas from overseas, raising concerns about “energy security”.

If energy security had been the clinching argument, the government would have intervened to keep more pits open. Instead, Britain chose a market-based approach. There is no reason why North Sea oil and gas producers should be treated any differently.

UNFAVORABLE CONDITIONS

Britain’s oil and gas producers are among the victims of the North American shale revolution and the price war between OPEC and the U.S. shale industry.

Like Canada’s oil sands industry, which is also suffering, the North Sea is a relatively expensive source of oil and gas. In recent years, its prospects have depended on oil and gas remaining scarce and prices remaining high.

The North Sea must compete for investment with other oil and gas plays around the world. Before the shale revolution North Sea oil and gas appeared marginally profitable. But with oil prices now around $60 per barrel and widely expected to remain well below $100 for the next few years, the North Sea is no longer an attractive investment proposition.

UK operators tend to blame their problems on the tax regime, which they claim is more punitive and complicated than in other parts of the world. While there is some truth in this argument, the tax regime’s complexity is the legacy of government efforts to clamp down on previous tax avoidance.

In any event, the UK North Sea’s problems run much deeper than tax. Offshore platforms in a notoriously stormy area are a more expensive way to produce oil and gas than onshore shale plays in the United States.

The giant oil and gas fields discovered in the 1960s, 1970s and 1980s could spread the fixed costs of platforms, pipelines and other infrastructure over a large volume of production. Recent field discoveries have been much smaller and have no such economies of scale.

Recent discoveries can only be profitable if they can utilize the existing infrastructure. The problem is that the infrastructure isn’t free and it isn’t public property: it belongs to existing operators, most of them major oil and gas companies, who have a legal obligation to decommission it.

If the infrastructure’s life is to be extended and decommissioning is to be deferred, money will have to be found for routine maintenance as well as capital upgrades.

There is a standoff between the would-be operators of small-scale new fields (who want the infrastructure to be preserved but don’t want to pay high fees) and the bigger legacy operators (who want to get on with decommissioning or charge significant fees to maintain the infrastructure for longer).

The dispute is often caricatured as a disagreement between entrepreneurial operators and stubborn greedy majors. In truth, it is a dispute about the costs of prolonging the life of the infrastructure and who should pay for them.

In a world where oil and gas were thought to be running out and prices were expected to keep on rising, it might have made sense to extend the useful life of the North Sea infrastructure. In a world of $60 oil, the economics are much more challenging.

Over the last 50 years, Britain has developed world-class expertise in offshore oil and gas engineering, which supports thousands of highly skilled jobs, and it would be a shame to lose it. But the industry’s future increasingly lies in selling that expertise abroad, rather than developing the North Sea itself.

Source - www.reuters.com
DEMEUR Adolphe
Les sociétés anonymes ...
Edited: 201501212334
DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique en 1857. Collection complète des statuts collationnés sur les textes officiels, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1859.




DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique à partir du 1er janvier 1858. Suite et complément de la collection complète des statuts en 1857, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1859.




DEMEUR Adolphe : Les sociétés anonymes de Belgique années 1870-1873 jusqu'à la mise en vigueur de la loi du 18 mai 1873. Suite et complément de la collection complète des statuts en 1857, Bruxelles : Chez l'Editeur, 1874.



Résumé




La publicité des actes et documents relatifs aux sociétés commerciales est un principe important qui est inscrit dans la législation commerciale belge depuis le début du XIXème siècle.


Le statut de société anonyme (SA) apparaît dans le Code de commerce de 1807 et sa création est soumises à des dispositions très restrictives. Parmi les conditions de formation des nouvelles sociétés et de modification de statuts des anciennes, il fallait que l'entreprise dépasse par son besoin de grands capitaux ou son côté chanceux les portées des sociétés "normales". La nouvelle SA ne pouvait pas porter préjudice aux entreprises déjà en place. La publication de tous les actes officiels est obligatoire. Enfin, la société devait avoir un caractère purement commercial. De par ces mesures restrictives, on compte seulement cinq cent quarante quatre (544) créations de société anonymes belges entre 1819 et 1873.


Le juriste A. Demeur publie de 1859 à 1876 son ouvrage : Les sociétés anonymes en Belgique. Collection complète de statuts en vigueur collationnés sur les textes officiels avec une introduction et des notes. La publication compte quatre volumes. Elle reprend les statuts d'une grande partie des sociétés anonymes crées en Belgique entre 1819 et 1873. Plus de 478 statuts et modifications de statuts sont enregistrés dans leur intégralité. Cinq cents documents (jurisprudence, bilans, etc.) accompagnent les actes. Les sociétés sont regroupées en fonction de leur secteur d'activité. Chaque volume est précédé d'une introduction juridique et historique. Cet ouvrage est idéal pour connaître les publications antérieures à 1830 et peut servir d'index au Moniteur.


Aujourd'hui, les ouvrages de Demeur forment un outil fondamental et indispensable pour les historiens qui étudient les sphères financières et économiques de la Belgique du XIXème siècle. La numérisation de ces ouvrages vise à répondre aux difficultés croissantes de consultation dues à la détérioration rapide et à la rareté de ces volumes.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales : actes et documents à partir de la mise en vigueur de la loi du 18 mai 1873 jusqu'au 1er janvier 1876, Bruxelles : Chez l'Editeur, nd.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales de la Belgique : actes et documents : statuts, documents divers, jurisprudence, années 1876, 1877, 1878, Chez l'Editeur, nd.


DEMEUR Adolphe : Les sociétés commerciales de la Belgique : actes et documents : statuts, documents divers, jurisprudence, années 1879-1884 Chez l'Editeur, nd..


La publicité des actes et documents relatifs aux sociétés commerciales est un principe important qui est inscrit dans la législation commerciale belge depuis le début du XIXème siècle.


Alors que la publication des statuts dans le Moniteur belge était seulement nécessaire pour les sociétés anonymes, les grandes réformes de 1873 vont rendre cette publication obligatoire pour l'ensemble des types de sociétés. A cette fin, le gouvernement crée des Annexes au Moniteur belge, Recueil des actes, extraits d'actes, procès-verbaux et documents relatifs aux sociétés.




L'utilisation de cette publication est rendue extrêmement difficile par une absence totale d'index jusqu'en 1876. A partir de ce moment, un index annuel classé selon le statut des sociétés est publié au quatrième trimestre de l'année. Cette organisation est fort peu pratique si l'on ne connaît pas le statut de la société que l'on recherche. De plus, les modalités de classement de cet index répondent à des lois qui sont très incohérentes.


Pour faciliter le travail des juristes et notaires, ainsi que l'information des investisseurs potentiels A. Demeur va publier de 1876 à 1886 trois volumes des Sociétés commerciales de la Belgique, actes et documents. Cette publication va reprendre dans leur intégralité les actes concernant les sociétés les plus importantes et pour les autres un intitulé et une référence aux Annexes du Moniteur.
OBAMA Barack
State of the Union 2015: Let's turn the page and fight inequality.
Edited: 201501210958
(extract)
President Obama's State of the Union address as prepared for delivery on Jan. 20, 2015:

Mr. Speaker, Mr. Vice President, Members of Congress, my fellow Americans:
(...)


Now, the truth is, when it comes to issues like infrastructure and basic research, I know there's bipartisan support in this chamber. Members of both parties have told me so. Where we too often run onto the rocks is how to pay for these investments. As Americans, we don't mind paying our fair share of taxes, as long as everybody else does, too. But for far too long, lobbyists have rigged the tax code with loopholes that let some corporations pay nothing while others pay full freight. They've riddled it with giveaways the superrich don't need, denying a break to middle class families who do.

This year, we have an opportunity to change that. Let's close loopholes so we stop rewarding companies that keep profits abroad, and reward those that invest in America. Let's use those savings to rebuild our infrastructure and make it more attractive for companies to bring jobs home. Let's simplify the system and let a small business owner file based on her actual bank statement, instead of the number of accountants she can afford. And let's close the loopholes that lead to inequality by allowing the top one percent to avoid paying taxes on their accumulated wealth. We can use that money to help more families pay for childcare and send their kids to college. We need a tax code that truly helps working Americans trying to get a leg up in the new economy, and we can achieve that together.


LT
wetsvoorstel belasting op grote vermogens neergelegd in de Kamer
Edited: 201501201808
Hieronder geven we de Memorie van Toelichting.
DAMES EN HEREN,
Het is van heel groot belang dat voor iedereen toegankelijke openbare diensten en alle vormen van sociale bescherming behouden blijven, om aldus de economische en de sociale ongelijkheden weg te werken.
Die doelstellingen impliceren een fiscaal beleid dat uitgaat van een billijke bijdrage tot de overheidsfinanciën.
De fiscale ontvangsten zijn echter nog steeds voor ruim 70% afkomstig van de belasting op de inkomsten uit arbeid en van heffingen op de consumptie van de gezinnen (btw en accijnzen); een heel groot deel van die consumptie wordt overigens betaald met de inkomsten uit arbeid.
De gelijke spreiding van het vermogen neemt gaandeweg af, niet alleen doordat vermogen steeds meer met inkomsten uit kapitaal wordt opgebouwd, maar ook doordat vooral de inkomsten uit arbeid en de consumptie van de gezinnen worden belast. Die vaststelling toont aan dat het absoluut noodzakelijk is dat het kapitaal meer bijdraagt tot de financiering van de collectieve behoeften.
De indieners van dit wetsvoorstel menen dat die bijdrage tot de collectieve behoeften, om rechtvaardig en billijk te zijn, rekening moet houden met de bijdragecapaciteit van elkeen en moet steunen op het beginsel van de progressiviteit van de belastingen via een belastingschaal met progressief hogere schijven, waarbij “drempeleffecten” worden voorkomen.
De bijdragecapaciteit van de belastingplichtige kan worden bepaald op grond van zijn vermogen. Een vermogen biedt immers zekerheid, en verschaft de belastingplichtige de mogelijkheid inkomsten te verkrijgen.
Dit wetsvoorstel beoogt een heffing in te stellen op de grote vermogens wanneer die 1 250 000 euro netto overschrijden. Het ligt dus niet in de bedoeling de middenklasse,
de lagere inkomens of de kleine spaarders te treffen. Deze belasting geldt evenmin voor de vennootschappen, noch voor de bezittingen die worden aangewend voor een beroepsactiviteit. Dit wetsvoorstel beoogt dus “slapend kapitaal” te doen bijdragen, niet het kapitaal dat wordt gebruikt voor economische activiteiten die banen scheppen en inkomsten genereren.
Dat bedrag van 1 250 000 euro wordt berekend per natuurlijke persoon die onderworpen is aan de belasting op de grote vermogens (de belastingplichtige). Wanneer een natuurlijke persoon samen met een andere belastingplichtige een goed bezit, zal de waarde die voor de belasting op de grote vermogens in aanmerking wordt genomen, worden berekend in verhouding tot diens aandeel in de onverdeelde eigendom van het goed dat hij in mede-eigendom bezit.
Het vermogen omvat alle roerende en onroerende goederen, alsook alle waarden en rechten die een belastingplichtige volledig of deels bezit.
Er is in een aantal uitzonderingen voorzien. De indieners hebben onder meer beslist bij de vermogensberekening geen rekening te houden met de goederen die uitsluitend voor de uitoefening van een beroepsbezigheid worden aangewend. Zoals al is aangegeven, is het
immers niet de bedoeling de economische activiteit te benadelen.
Voorts komt de eigen woning evenmin in aanmerking voor de vermogensberekening. De belasting zal omwille van de fiscale billijkheid progressief stijgen (per schijf) en een regeling omvatten die ertoe strekt ongewenste drempeleffecten te voorkomen. Er wordt voorzien in verschillende percentages opdat de belastingdruk niet contraproductief wordt, want die
percentages worden jaarlijks toegepast op een vermogen, niet op een inkomen.
De indieners beogen meer fiscale rechtvaardigheid, waarbij men zeker niet mag vervallen in een fiscale regeling die al te forse happen uit vermogens haalt.
De voorgestelde regeling houdt aangifteplicht in: elke belastingplichtige die deze belasting verschuldigd is, moet bij de belastingadministratie een aangifte indienen, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.

lees hier het wetsvoorstel 


 

VERMEREN Pierre
Le choc des décolonisations - de la guerre d'Algérie aux printemps arabes
Edited: 201501201534
Le temps semble loin où notre pays était un empire. Les territoires autrefois colonisés ont été rendus à eux-mêmes et sont désormais maîtres de leur histoire. C’est contre cette vision simpliste et historiquement fausse que s’insurge Pierre Vermeren : les révolutions arabes de 2011 et 2012 sont la conséquence directe, le dernier chapitre de l’histoire de la décolonisation.

De guerre lasse, dans un mélange de bonne conscience et de culpabilité, l’État et les élites de France ont laissé leurs successeurs à la tête du Maroc, de l’Algérie, de la Tunisie et des pays d’Afrique agir en toute impunité. Le silence et l’aveuglement de la France, mais aussi de l’Europe tout entière, ont permis dans ces anciennes colonies l’accaparement des richesses, la confiscation des libertés et la soumission des peuples.

Pierre Vermeren apporte aux événements les plus récents, qu’il s’agisse des explosions de colère au Maghreb comme de la lutte contre le djihadisme, l’éclairage irremplaçable de l’histoire.

Pierre Vermeren est professeur d’histoire contemporaine à l’université Paris-I-Panthéon- Sorbonne, spécialiste des mondes arabes et africains du Nord et de la décolonisation.
VAN IMPE Marc
Ik ben helemaal Charlie (blog)
Edited: 201501090951
VILVOORDE 08/01/2015 - Een uurtje na de moord op de redactie van Charlie Hebdo reed ik door Sint-Joost-ten-Node. Het licht sprong op groen maar we konden niet verder. Een karavaan toeterende tweedehands automobielen met opgewonden medeburgers van de derde generatie van elders, zoals dat fatsoenlijk heet, blokkeerde het verkeer. Ik lees deze ochtend een lezersbrief in de krant van een Antwerpse leraar die beschrijft hoe hij op de bus zat tussen juichende Marokkaanse jongeren. In mijn mailbox excuses van enkele van mijn studenten: dat de meerderheid van de moslims echt zo niet zijn. En zij zeker niet.
Het is moeilijk om sereen te blijven. Dit was geen willekeur. De daders hebben in het pand redactieleden naar hun naam gevraagd alvorens zij begonnen te schieten, zegt dokter Gerald Kierzek, die slachtoffers behandelde en sprak met overlevenden, tegen Franse media. Volgens de dokter werden bovendien vrouwen van de mannen gescheiden.
Er was geen sprake van een ongerichte kogelregen, maar van gerichte executies, aldus Kierzek. De tijd van de kamikazevliegtuigen (New York 2001), explosies in treinen (Madrid 2004) of zelfmoordterroristen in bussen en metro's (Londen 2005), is voorbij. Zelfmoordterrorisme is uit. De terrorist van nu wil het er levend vanaf te brengen, wetende dat er een proces volgt en dat de doodstraf in het beschaafde Westen is afgeschaft.
De Franse terrorismedeskundige Roland Jacquard waarschuwde in 2008 al dat er 'een klein legertje in het hart van de samenleving wordt gebracht met als doel om zoveel en zolang mogelijk te doden'. Het jaar daarop doodde de Frans-Algerijnse Mohammed Merrah in korte tijd zeven Fransen. De Frans-Algerijnse ex-Syriëganger Mehdi Nemmouche executeerde drie mensen in het Brussels Joodse museum. Dat is geen toeval. De realiteit is dat er nu duizenden Europese jihadisten in Syrië zijn die daar voldoende expertise opdoen om grootscheepse terreuracties op touw te zetten. Het merendeel van die jongens komt uit Frankrijk. Voor hen heeft het integratiebeleid gefaald. Het wordt tijd dat men dit inziet.
Integratie begint bij opvoeding, thuis en op school. In scholen waar een moslimmeerderheid aan leerlingen is vermijdt men nu al lessen over de evolutieleer en de holocaust, schrijft dezelfde leraar in zijn lezersbrief. Het heet dat men niet wil provoceren. Kwaliteitsvol onderwijs gaat echter over meer dan leren rekenen, lezen en schrijven. Humor en respect voor de mening van anderen bijbrengen is even belangrijk. Ook dat moet aangeleerd worden. Ons onderwijs mist filosofie.
Ik surf naar de website van intelligente Belgisch-Algerijnse Yasmine Kherbache, de voormalige kabinetschef van Elio Di Rupo, op zoek naar een zinnige reactie op de dramatische gebeurtenissen maar lees enkel een pleidooi voor de openstelling van overheidsfuncties voor niet EU'ers. Er zal eerst moeten overlegd worden, vrees ik.
Tenslotte nog deze bedenking: de jihad leeft bij gratie van de sociale media. Op Facebook is men zo kuis dat men de foto van een naakte kleuter weg censureert. Waarom niet elk bericht met het woord Allah erin verbieden? Zijn naam zal dan tenminste niet ijdel gebruikt worden. Gericht doden is overigens geen typische moslim tactiek. De eerste die dit toepaste was de Noorse terrorist Anders Behring Breivik die in juli 2011 69 sociaal-democratische jongeren afslachtte.
Marc van Impe
Marc van Impe is Senior Writer voor MediQuality. Hij is ook voorzitter van het Vlaams Instituut voor Journalistiek.
Prix Goncourt
Prix Goncourt - Le Palmares (1903-2016)
Edited: 201501012311


Le Palmarès
2016 Leïla Slimani, Chanson douce
2015 Mathias Enard Boussole Actes Sud
2014 Lydie Salvayre Pas pleurer Seuil
2013 Pierre Lemaitre Au revoir là-haut Albin-Michel
2012 Jérôme Ferrari Le sermon sur la chute de Rome Actes Sud
2011 Alexis Jenni L'Art français de la guerre Gallimard
2010 Michel Houellebecq La Carte et le Territoire Flammarion
2009 Marie NDiaye Trois Femmes puissantes Gallimard
2008 Atiq Rahimi Syngué Sabour. Pierre de Patience POL
2007 Gilles Leroy Alabama Song Mercure de France
2006 Jonathan Littell Les Bienveillantes Gallimard
2005 François Weyergans Trois jours chez ma mère Grasset
2004 Laurent Gaudé Le soleil des Scorta Actes Sud
2003 Jacques-Pierre Amette La maîtresse de Brecht Albin Michel
2002 Pascal Quignard Les ombres errantes Grasset
2001 Jean-Christophe Rufin Rouge Brésil Gallimard
2000 Jean-Jacques Schuhl Ingrid Caven Gallimard
1999 Jean Echenoz Je m'en vais Minuit
1998 Paule Constant Confidence pour confidence Gallimard
1997 Patrick Rambaud La Bataille Grasset
1996 Pascale Roze Le Chasseur zéro Albin Michel
1995 Andreï Makine Le Testament français Mercure de France
1994 Didier Van Cauwelaert Un aller simple Albin Michel
1993 Amin Maalouf Le rocher de Tanios Grasset
1992 Patrick Chamoiseau Texaco Gallimard
1991 Pierre Combescot Les filles du calvaire Grasset
1990 Jean Rouaud Les champs d'honneur Minuit
1989 Jean Vautrin Un grand pas vers le Bon Dieu Grasset
1988 Erik Orsenna L'exposition coloniale Seuil
1987 Tahar Ben Jelloun La nuit sacrée Seuil
1986 Michel Host Valet de nuit Grasset
1985 Yann Quéffelec Les noces barbares Gallimard
1984 Marguerite Duras L'amant Minuit
1983 Fréderick Tristan Les Egarés Balland
1982 Dominique Fernandez Dans la main de l'ange Grasset
1981 Lucien Bodard Anne-Marie Grasset
1980 Yves Navarre Le jardin d'acclimatation Flammarion
1979 Antonine Maillet Pélagie la charette Grasset
1978 Patrick Modiano Rue des boutiques obscures Gallimard
1977 Didier Decoin John l'Enfer Seuil
1976 Patrick Grainville Les Flamboyants Seuil
1975 Emile Ajar La vie devant soi Mercure de France
1974 Pascal Laîné La dentellière Gallimard
1973 Jacques Chessex L'ogre Grasset
1972 Jean Carrière L'Epervier de Maheux J-J. Pauvert
1971 Jacques Laurent Les Bétises Grasset
1970 Michel Tournier Le roi des Aulnes Gallimard
1969 Félicien Marceau Creezy Gallimard
1968 Bernard Clavel Les fruits de l'hiver Laffont
1967 André Pieyre de Mandiargues LaMarge Gallimard
1966 Edmonde Charles-Roux Oublier Palerme Grasset
1965 Jacques Borel L'adoration Gallimard
1964 Georges Conchon L'état sauvage Albin Michel
1963 Armand Lanoux Quand la mer se retire Julliard
1962 Anna Langfus Les bagages de sable Gallimard
1961 Jean Cau La pitié de Dieu Gallimard
1960 prix attribué à Vintila Horia et non décerné à cause du passé politique de l'auteur, inopinément révélé (zie fascistische Ijzeren Garde)
1959 André Schwart-Bart Le dernier des justes Seuil
1958 Francis Walder Saint-Germain ou la négociation Gallimard
1957 Roger Vailland LaLoi Gallimard
1956 Romain Gary Les racines du Ciel Gallimard
1955 Roger Ikor Les eaux mêlées (T.II Les fils d'Avrom) Albin Michel
1954 Simone de Beauvoir Les Mandarins Gallimard
1953 Pierre Gascar Les Bêtes Le temps des morts Gallimard
1952 Beatrix Beck Léon Morin, prêtre Gallimard
1951 Julien Gracq Le rivage des Syrtes J.Corti
1950 Paul Colin Les jeux sauvages Gallimard
1949 Robert Merle Week-end à Zuydcoote Gallimard
1948 Maurice Druon Les grandes familles Julliard
1947 Jean-Louis Curtis Les forêts de la nuit Julliard
1946 Jean-Jacques Gautier Histoire d'un fait divers Julliard
1945 Jean-Louis Bory Mon village à l'heure allemande Flammarion
1944 Elsa Triolet Le premier accroc coûte deux cents francs Gallimard
1943 Marius Grout Passage de l'homme Gallimard
1942 Marc Bernard Pareils à des enfants Gallimard
1941 Henri Pourrat Vent de Mars Gallimard
1940 Francis Ambrière Les grandes vacances Nouvelle France
1939 Philippe Hériat Les enfants gâtés Gallimard
1938 Henri Troyat L'araigne Plon
1937 Charles Plisnier Faux-passeports CorrÍa
1936 Maxence Van der Meersch L'empreinte de Dieu Albin Michel
1935 Joseph Peyré Sang et Lumière Grasset
1934 Roger Vercel Capitaine Conan Albin Michel
1933 André Malraux La condition humaine Gallimard
1932 Guy Mazeline Les loups Gallimard
1931 Jean Fayard Mal d'amour Fayard
1930 Henri Fauconnier Malaisie Stock
1929 Marcel Arland L'ordre Gallimard
1928 Maurice Constantin-Weyer Un homme se penche sur son passé Rieder
1927 Maurice Bedel Jérôme, 60° latitude nord Gallimard
1926 Henry Deberly Le supplice de Phèdre Gallimard
1925 Maurice Genevoix Raboliot Grasset
1924 Thierry Sandre Le chèvrefeuille Gallimard
1923 Lucien Fabre Rabevel ou le mal des ardents Gallimard
1922 Henri Béraud Le vitriol de lune et Le Martyre de l'obèse Albin Michel
1921 René Maran Batouala Albin Michel
1920 Ernest Pérochon Nêne Clouzot (puis Plon)
1919 Marcel Proust A l'ombre des jeunes filles en fleurs Gallimard
1918 Georges Duhamel Civilisation Mercure de France
1917 Henri Malherbe La flamme au poing Albin Michel
1916 Henri Barbusse Le feu Flammarion
1915 René Benjamin Gaspard Fayard
1914 Adrien Bertrand L'appel du sol Calmann-Lévy
1913 Marc Elder Le peuple de la mer Calmann-Lévy
1912 André Savignon Filles de Pluie Grasset
1911 Alphonse de Chateaubriant Monsieur de Lourdines Grasset
1910 Louis Pergaud De Goupil à Margot Mercure de France
1909 Marius-Ary Leblond En France Fasquelle
1908 Francis de Miomandre Ecrit sur l'eau Emile-Paul
1907 Emile Moselly Terres lorraines Plon
1906 Jérôme et Jean Tharaud Dingley, l'illustre écrivain Plon
1905 Claude Farrère Les civilisés Flammarion
1904 Léon Frapié La maternelle Albin Michel
1903 John-Antoine Nau Force ennemie La Plume
Rekenhof
PERSBERICHT van 19 december 2014. Verslag aan het federale parlement:Beheer van de vastgoedbehoeften van de Staat door de Regie der Gebouwen
Edited: 201412281511
De Regie der Gebouwen beheert sinds 1971 de vastgoedbehoeften van de Staat. In 2006
heeft de wetgever de Regie voorzien van een directiecomité en de grote lijnen uitgezet
voor een nieuwe werking. Zo moest de Regie een interne controle en een interne audit
organiseren en werk maken van een meerjarenplanning van de vastgoedbehoeften
van de klanten. De implementatie van die nieuwe organisatie is niet voltooid. Zo
wordt de Regie nog altijd aangestuurd op basis van het managementplan 2009?2011.
Dat plan werd bijgewerkt noch vervangen, hoewel de regelgeving bepaalt dat het
jaarlijks moet worden aangepast.

In zijn internetverslag onderzoekt het Rekenhof de toepassing van de wet van 20 juli 2006
en de strategie van de Regie om aan de vastgoedbehoeften van haar klanten te voldoen. Het
maakt een algemene analyse van het internecontrolesysteem en evalueert twee van de drie
vakgebonden processen van de Regie (renovatie en grote werken, algemeen onderhoud).

Het Rekenhof stelt vast dat de doelstellingen van het managementplan 2009?2011, dat nog
steeds wordt gebruikt, stroken met de reorganisatie die de wetgever wenste. Ook stemmen
ze overeen met de strategische richtlijnen van de regering, zoals de ontwikkeling van een
doeltreffend vastgoedbeheer. De doelstellingen zijn echter relatief vrijblijvend, moeilijk te
evalueren en worden niet geconcretiseerd voor de verschillende niveaus van de organisatie.
De implementering van de nieuwe, in 2006 gewenste organisatie vereist overigens nog
maatregelen, zoals nieuwe delegatiebesluiten.

De interne controle bij de Regie is ontoereikend. Pas in 2014 werd een interne auditor
aangesteld. Gezien de trage vooruitgang tussen 2008 en 2012 heeft het directiecomité het
risicobeheer nieuw leven ingeblazen door een deskundige in dienst te nemen voor de interne
controle en door een project op te zetten om dat risicobeheer te verbeteren. Dit project moet
worden voortgezet en ontwikkeld.

De Regie beschikt overigens niet over voldoende kennis over de onroerende goederen die ze
beheert en over de bezetting ervan. Met de beschikbare gegevens kan onmogelijk aan
proactief beheer worden gedaan. Het Rekenhof concludeert dat een achterstand van enkele
jaren moet worden ingehaald om een complete en grondige kennis van het patrimonium te
verwerven.

De koninklijke besluiten waarin de wet sinds 2006 voorziet voor het verzamelen, het
analyseren en het programmeren van de behoeften, zijn nog niet genomen. De Ministerraad
keurde pas op 14 oktober 2013 ontwerpen in die zin goed. De Regie heeft heel wat vooruitgang
geboekt in het verzamelen en analyseren van verzoeken van klanten, maar de manier waarop
rekening wordt gehouden met het beschikbare personeel en budget om aan de behoeften te
voldoen, blijft vooralsnog onvoldoende duidelijk.

Het Rekenhof benadrukt ook dat klanten niet financieel geresponsabiliseerd worden voor de
kosten van hun huisvesting en de Regie niet voor haar optreden. Daarover nadenken zou
moeten leiden tot een vorm van contractgebonden werking.
De planning van de vastgoedprojecten is beperkt tot de lijst van de investeringen waarvoor
tijdens het jaar een vastlegging in de begroting is gepland. De planning zou rekening moeten
houden met de stappen vóór en na de begrotingsvastlegging. Informatie over de looptijd van
werkzaamheden kan onder meer klanten ertoe brengen hun behoeften te herzien en zo
nodeloos werk vermijden.

Een groot deel van de geplande investeringen is bovendien niet in de begroting vastgelegd.
De plaatselijke directies van de Regie beschikken niet over één dossier dat een investering
volledig weergeeft. De oorzaken van vertragingen worden niet geregistreerd. Ook worden
klanten niet systematisch op de hoogte gebracht van de vooruitgang en uitvoering van hun
projecten. Werven worden daarentegen wel regelmatig opgevolgd en gedocumenteerd.
In het kader van het risicobeheer zijn er diverse IT?toepassingen en acties gepland om
verzoeken van klanten beter te registreren en op te volgen. Ze zouden sneller moeten worden
ontwikkeld en veralgemeend.



NULTY Thomas
Back to the land
Edited: 201412271246
The Most Reverend Dr. Thomas Nulty or Thomas McNulty (1818-1898) was born to a farming family in Fennor, Oldcastle, Co. Meath,[1][2] on July 7, 1818 and died in office as the Irish Roman Catholic Bishop of Meath[3] on Christmas Eve, 1898. Nulty was educated at Gilson School, Oldcastle, County Meath, St. Finians, Navan Seminary and Maynooth College. He was ordained in 1846. Nulty was a cleric during the Irish Potato Famine. During the course of his first pastoral appointment, he officiated at an average 11 funerals of famine victims (most children or the aged) a day, and in 1848 he described a large-scale eviction of 700 tenants in the diocese.[4]

Nulty rose to become the Most Reverend Bishop of Meath and was known as a fierce defender of the tenant rights of Irish tenant farmers throughout the 34 years that he served in that office from 1864 to 1898.[5][6] Thomas Nulty is famed for his 1881 tract Back to the Land, wherein he makes the case for land reform of the Irish land tenure system.[7] Nulty was a friend and supporter of the Irish nationalist Charles Stewart Parnell until Parnell's divorce crisis in 1889.[8][9]

Dr. Thomas Nulty, who had attended the First Vatican Council in 1870, said his last mass on December 21, 1898.

To the Clergy and Laity of the Diocese of Meath:

Dearly Beloved Brethren,-

I venture to take the liberty of dedicating the following Essay to you, as a mark of my respect and affection. In this Essay I do not, of course, address myself to you as your Bishop, for I have no divine commission to enlighten you on your civil rights, or to instruct you in the principles of Land Tenure or Political Economy. I feel, however, a deep concern even in your temporal interests — deeper, indeed, than in my own; for what temporal interests can I have save those I must always feel in your welfare? It is, then, because the Land Question is one not merely of vital importance, but one of life and death to you, as well as to the majority of my countrymen, that I have ventured to write on it at all.

With a due sense of my responsibility, I have examined this great question with all the care and consideration I had time to bestow on it. A subject so abstruse and so difficult could not, by any possibility, be made attractive and interesting. My only great regret, then, is that my numerous duties in nearly every part of the Diocese for the last month have not left me sufficient time to put my views before you with the perspicuity, the order and the persuasiveness that I should desire. However, even in the crude, unfinished form in which this Essay is now submitted to you, I hope it will prove of some use in assisting you to form a correct estimate of the real value and merit of Mr. Gladstone’s coming Bill.

For my own part, I confess I am not very sanguine in my expectations of this Bill — at any rate, when it shall have passed the Lords. The hereditary legislators will, I fear, never surrender the monopoly in the land which they have usurped for centuries past; at least till it has become quite plain to them that they have lost the power of holding it any longer. It is, however, now quite manifest to all the world — except, perhaps, to themselves — that they hold that power no longer.

We, however, can afford calmly to wait. While we are, therefore, prepared to receive with gratitude any settlement of the question which will substantially secure to us our just rights, we will never be satisfied with less. Nothing short of a full and comprehensive measure of justice will ever satisfy the tenant farmers of Ireland, or put an end to the Land League agitation.

The people of Ireland are now keenly alive to the important fact that if they are loyal and true to themselves, and that they set their faces against every form of violence and crime, they have the power to compel the landlords to surrender all their just rights in their entirety.

If the tenant farmers refuse to pay more than a just rent for their farms, and no one takes a farm from which a tenant has been evicted for the non-payment of an unjust or exorbitant rent, then our cause is practically gained. The landlords may, no doubt, wreak their vengeance on a few, whom they may regard as the leaders of the movement; but the patriotism and generosity of their countrymen will compensate these abundantly for their losses, and superabundantly reward them for the essential and important services they have rendered to their country at the critical period of its history.

You know but too well, and perhaps to your cost, that there are bad landlords in Meath, and worse still in Westmeath, and perhaps also in the other Counties of this Diocese. We are, unfortunately, too familiar with all forms of extermination, from the eviction of a Parish Priest, who was willing to pay his rent, to the wholesale clearance of the honest, industrious people of an entire district. But we have, thank God, a few good landlords, too. Some of these, like the Earl of Fingal, belong to our own faith; some, like the late Lord Athlumny, are Protestants; and some among the very best are Tories of the highest type of conservatism.

You have always cherished feelings of the deepest gratitude and affection for every landlord, irrespective of his politics or his creed, who treated you with justice, consideration and kindness. I have always heartily commended you for these feelings.

For my own part, I can assure you, I entertain no unfriendly feelings for any landlord living, and in this Essay I write of them not as individuals, but as a class, and further, I freely admit that there are individual landlords who are highly honourable exceptions to the class to which they belong. But that I heartily dislike the existing system of Land Tenure, and the frightful extent to which it has been abused, by the vast majority of landlords, will be evident to anyone who reads this Essay through.

I remain, Dearly Beloved Brethren, respectfully yours,
+THOMAS NULTY.

BACK TO THE LAND
Our Land System Not justified by its General Acceptance.

Anyone who ventures to question the justice or the policy of maintaining the present system of Irish Land Tenure will be met at once by a pretty general feeling which will warn him emphatically that its venerable antiquity entitles it, if not to reverence and respect, at least to tenderness and forbearance.

I freely admit that feeling to be most natural and perhaps very general also; but I altogether deny its reasonableness. It proves too much. Any existing social institution is undoubtedly entitled to justice and fair play; but no institution, no matter what may have been its standing or its popularity, is entitled to exceptional tenderness and forbearance if it can be shown that it is intrinsically unjust and cruel. Worse institutions by far than any system of Land Tenure can and have had a long and prosperous career, till their true character became generally known and then they were suffered to exist no longer.

Human Slavery Once Generally Accepted.

Slavery is found to have existed, as a social institution, in almost all nations, civilised as well as barbarous, and in every age of the world, up almost to our own times. We hardly ever find it in the state of a merely passing phenomenon, or as a purely temporary result of conquest or of war, but always as a settled, established and recognised state of social existence, in which generation followed generation in unbroken succession, and in which thousands upon thousands of human beings lived and died. Hardly anyone had the public spirit to question its character or to denounce its excesses; it had no struggle to make for its existence, and the degradation in which it held its unhappy victims was universally regarded as nothing worse than a mere sentimental grievance.

On the other hand, the justice of the right of property which a master claimed in his slaves was universally accepted in the light of a first principle of morality. His slaves were either born on his estate, and he had to submit to the labour and the cost of rearing and maintaining them to manhood, or he acquired them by inheritance or by free gift, or, failing these, he acquired them by the right of purchase — having paid in exchange for them what, according to the usages of society and the common estimation of his countrymen, was regarded as their full pecuniary value. Property, therefore, in slaves was regarded as sacred, and as inviolable as any other species of property.

Even Christians Recognised Slavery.

So deeply rooted and so universally received was this conviction that the Christian religion itself, though it recognised no distinction between Jew and Gentile, between slave or freeman, cautiously abstained from denouncing slavery itself as an injustice or a wrong. It prudently tolerated this crying evil, because in the state of public feeling then existing, and at the low standard of enlightenment and intelligence then prevailing, it was simply impossible to remedy it.

Thus then had slavery come down almost to our own time as an established social institution, carrying with it the practical sanction and approval of ages and nations, and surrounded with a prestige of standing and general acceptance well calculated to recommend it to men’s feelings and sympathies. And yet it was the embodiment of the most odious and cruel injustice that ever afflicted humanity. To claim a right of property in man was to lower a rational creature to the level of the beast of the field; it was a revolting and an unnatural degradation of the nobility of human nature itself. (etc, see link)

Back to the land
IMF
IMF on tax shift in Belgium
Edited: 201412162207
Tax policy. The tax policy measures of the government program contain a net reduction in labor taxes and a useful simplification of various social security abatement schemes, which should help limit unwanted distortions. At the same time we see scope for going further in tax reform. Income from capital is not taxed uniformly, and a more harmonized treatment would put the taxation of such income on a more equal footing with labor income. Property taxes could be rebalanced from transaction taxes to recurrent taxes on immovable property. This would stabilize tax collection and enhance labor mobility. We also see scope for reducing deviations from the standard VAT rate, e.g., for electricity, and to increase environmental taxes. Revenue gains from such reforms would be available to reduce labor taxes further.

Read more ...
CINGANO Federico
OECD SOCIAL, EMPLOYMENT AND MIGRATION WORKING PAPERS No. 163 - TRENDS IN INCOME INEQUALITY AND ITS IMPACT ON ECONOMIC GROWTH
Edited: 201412090905
20141209 - ABSTRACT

1. In most OECD countries, the gap between rich and poor is at its highest level since 30 years.
Today, the richest 10 per cent of the population in the OECD area earn 9.5 times the income of the poorest
10 per cent; in the 1980s this ratio stood at 7:1 and has been rising continuously ever since. However, the
rise in overall income inequality is not (only) about surging top income shares: often, incomes at the
bottom grew much slower during the prosperous years and fell during downturns, putting relative (and in
some countries, absolute) income poverty on the radar of policy concerns. This paper explores whether
such developments may have an impact on economic performance.

2. Drawing on harmonised data covering the OECD countries over the past 30 years, the
econometric analysis suggests that income inequality has a negative and statistically significant impact on
subsequent growth. In particular, what matters most is the gap between low income households and the rest
of the population. In contrast, no evidence is found that those with high incomes pulling away from the rest
of the population harms growth. The paper also evaluates the “human capital accumulation theory” finding
evidence for human capital as a channel through which inequality may affect growth. Analysis based on
micro data from the Adult Skills Survey (PIAAC) shows that increased income disparities depress skills
development among individuals with poorer parental education background, both in terms of the quantity
of education attained (e.g. years of schooling), and in terms of its quality (i.e. skill proficiency).
Educational outcomes of individuals from richer backgrounds, however, are not affected by inequality.

3. It follows that policies to reduce income inequalities should not only be pursued to improve
social outcomes but also to sustain long-term growth. Redistribution policies via taxes and transfers are a
key tool to ensure the benefits of growth are more broadly distributed and the results suggest they need not
be expected to undermine growth. But it is also important to promote equality of opportunity in access to
and quality of education. This implies a focus on families with children and youths – as this is when
decisions about human capital accumulation are made -- promoting employment for disadvantaged groups
through active labour market policies, childcare supports and in-work benefits.

Note LT: the famous book of Piketty (Capital) is not mentioned in the bibliography of this report!; Methodology: measurement of inequality with the use of Gini.
Read the report in PDF here ...
Bloomberg / Reuters / Telecompaper / Dow Jones
Neemt Vodafone Liberty Global (en dus Telenet) over? Op weg naar Quad-play?
Edited: 201412020123


Vodafone onderzoekt de mogelijkheden rondom potentiële overnamekandidaten, waaronder kabelbedrijf Liberty Global. Dat schrijft Reuters op basis van gesprekken met niet nader genoemde bronnen. Een eventuele acquisitie van Liberty zou grote impact hebben op de telecommarkten in diverse Europese landen. Aan de basis ligt echter de situatie in het VK, zo weet Reuters. De overname van Virgin Media, onderdeel van Liberty Global, zou een antwoord zijn op de consolidatie in het VK.
BT Group onthulde in november dat het overnamegesprekken voert met de mobiele operators EE en met Telefonica-dochter O2. Ook Hutchison Whampoa, eigenaar van het mobiele merk 3 UK, zou zijn oog op deze twee operators hebben laten vallen.

Mocht Vodafone erin slagen Liberty Global over te nemen, dan wordt het tevens eigenaar van UPC in Nederland (dat op dit moment aan het fuseren is met Ziggo en onder die naam verder gaat) en van Telenet in België.

Volgens één van de bronnen van Reuters zou Vodafone al eerder dit jaar toenadering tot Liberty hebben gezocht, maar was het gat tussen vraag en aanbod te groot.

Vodafone en Liberty Global willen niet reageren.

Lees meer ...

Last update: 20141207



The Legatum Institute
LI publishes The prosperity index
Edited: 201411192113
Is a nation’s prosperity defined solely by its GDP? Prosperity is more than just the accumulation of material wealth, it is also the joy of everyday life and the prospect of an even better life in the future. This is true for individuals as well as nations. The Prosperity Index is a global measurement of prosperity based on both income and wellbeing.

Find out more here


The econometric analysis of LI has identified 89 variables, which are spread across eight sub-indices:

1) Economy;

2) Governance;

3) Entrepreneurship & Opportunity;

4) Education;

5) Health;

6) Personal freedom;

7) Safety & Security;

8) Sociale Capital & Social Values.
Each of the 8 variables are subdivided in two: 1) having an effect on income 2) having an impact on wellbeing.

The sociological data were mainly retrieved from the Gallup World Poll.

Methodology for income and wellbeing scores. For each country, the latest data available in 2013 were gathered for the 89 variables. The raw values are standardised and multiplied by the weights. The weighted variable values are then summed to produce a country’s wellbeing and income score in each sub-index. The income and wellbeing scores are then standardised so that they can be compared.

Critical note LT: a) What we miss in the Prosperity Index is some kind of measurement of inequality and the measured effect of taxes on income redistribution (e.g. Gini before and after taxation). b) The GDP/capita is not critisized by Legatum Institute for being a variable not taking into account inequality.
MercoPress News Agency & President Energy (press release 20141117)
UK company confirms discovery of oil in the Paraguayan Chaco
Edited: 201411181904



The company is President Energy Plc (PPC:LSE), its CEO is Peter Levine. Oil well's name: Lapacho well. The Chaco region is dominated by big landowners. Note that Paraguay is a net importer of fuel.
The LandReport
The Land Report 100 - 100 largest landowners in the United States - private empires
Edited: 201411161449
In the USA the magazine 'The LandReport 2014' published for the fourth time its list of the 100 largest landowners in the USA. Some of them own large estates in Canada too. And things go fast: in all, private holdings increased by nearly 500,000 acres since the 2013 Land Report 100 was completed.

On 1 is cable tycoon John Malone, owner of Liberty Global (Telenet Vlaanderen, UPC Holland, Ziggo Holland, etc.), with 2,2 million acres (history: +290.100 acres - the Bell Ranch from the Lane family - in 2010; + 1.000.000 acres - in Maine and New Hampshire from GMO Renewable Resources - in 2011). On 2 is Ted Turner with 2 million acres. On 3 is the Emmerson Family with 1,860 million acres. To estimate the span: on Number 100, the Butler Heirs, own 0.1 million acres.



The names:
1. John Malone
2. Ted Turner
3. Emmerson Family
4. Brad Kelley
5. Reed Family
6. Irving family
7. Singleton Family
8. King Ranch Heirs
9. Stan Kroenke
10. Pingree Heirs

11. Ford Family
12. Lykes Heirs
13. Briscoe Family
14. W.T. Waggoner Estate
15. O’Connor Heirs
16. Philip Anschutz
17. Drummond Family
18. Simplot Family
19. Holding Family
20. Hughes Family

21. Malone Mitchell 3rd
22. Wilks Brothers
23. Collins Family
24. Nunley Family
25. Jeff Bezos
26. Collier Family
27. Kokernot Heirs
28. Anne Marion
29. Babbitt Heirs
30. Llano Partners

31. Mike Smith
32. D.R. Horton
33. Lyda Family
34. Jones Family
34. Killam Family
34. True Family
37. Reynolds Family
38. Paul Fireman
39. D.K. Boyd
40. Koch Family

41. Bidegain Family
41. Benjy Griffith III
43. Scott Heirs
44. Louis Moore Bacon
45. East Family Foundation
46. Hearst Family
47. Gage Heirs
48. Cassidy Heirs
49. Eugene Gabrych
49. Langdale Family

51. Bogle Family
52. Hunt Family
53. Williams Family
54. Robert A. Funk
55. McCoy & Remme Families
56. Russell Gordy
57. Broadbent Family
57. Irwin Heirs
59. Sugg Family
60. Fasken Family

61. Mike Mechenbier
62. Cogdell Family
62. Fanjul Family
64. JA Ranch Heirs
65. Ellison Family
66. Bass Family
66. Boswell Family
66. Eddy Family
66. Emily Garvey Bonavia
66. William Henry Green Heirs

71. David Murdock
72. Wells Family
73. L-A-D Foundation
74. Gerald J. Ford
75. Stefan Soloviev
76. Patrick Broe
77. Harrison Family
77. Lane Family
77. Oppliger Family
80. Crosby Family

81. Ellwood Heirs
81. Monahan Family
83. Davis Heirs
84. Booth Family
84. Brite Heirs
86. Reese Family
87. Milliken Family
88. Roxanne Quimby
89. Moursund Family
90. Scharbauer Family

91. Clayton Williams Jr.
92. Stan Harper
93. Frank VanderSloot
94. Linnebur Family
95. Richard Evans
96. Luther King
97. Arthur Nicholas
98. Robinson Family
99. Riggs Family
100. Butler Heirs (0.1 million acres)

See the full list with comments here (link to the website of The LandReport)

P.M.: 1 acre = 0,4047 ha = 0,0040469 km²



Reminder: In 2002 Kevin Cahill published a book 'Who owns Britain. The hidden facts behind landownership in the UK and Ireland' (ref MERS 20020079). In 2006 his book 'Who owns the World' (ref MERS 20060030) gave a global scoop. Both books didn't get the media attention they diserved.
TESSENS Lucas
the creation of private empires
Edited: 201411141158


A portion of the growing wealth of the superrich, not reinjected in the economy, goes to investment in land ownership; land - by nature - is limited; private empires emerge.

This is exacty the same process that took place in Western Europe before the French Revolution. The Noblesse and the abbeys owned a very large portion of the arable land and of the woods (energy). By means of privileges they were exempted of paying taxes. Loyalty to King and Crown was considered more important.

During the French Revolution land property of the Church was redistributed but - again - only the rich could benefit from it. Napoleon's cadastre confirmed the new situation.

During the 19th Century collective land property was privatised to create even larger domains. At the end of that century the existence of large domains was heavily critisized by the socialists. After WW1 that discussion was burried and forgotten. The socialists aimed at political dominance but this strategy failed.

Now, after a century, the (re)distribution of wealth is again a topic.


Sources:

TESSENS Lucas & DEBAETS Eddy, De herschikking van het onroerend goed op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw (ca. 1770 tot 1815), in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2004, pp. 70-86;

TESSENS Lucas, De tweede schepping. Het landschap in mutatie (1813-1865), in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2005, pp. 92-116;

TESSENS Lucas, Fortuin en Confrontatie (1865-1914) in: Belastingdienst voor Vlaanderen, Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2006, pp. 82-114.

More than 1.200 sources were consulted to write these three articles.
Lucas Tessens
Materie en Goede Smaak
Edited: 201411082145
Neen, dit is geen advertentie voor een wagen maar wel een argument dat het onderhouden van een oldtimer niets met materialisme hoeft te maken te hebben. In een verspillende materialistische samenleving is er geen respect voor het materiële. De materie wordt misbruikt en weggeworpen.
Het koesteren van een auto in zijn oorspronkelijke staat is een ode aan de geest, aan de passie en aan de inventiviteit van de ontwerpers en de makers van het product. Net zoals een mooi oud gebouw, een meubel, een degelijk kledingstuk, een schilderij, een beeldhouwwerk en zelfs een paar goedzittende schoenen respect verdienen. Daar ligt ook de diepere betekenis van onze musea.
Want de verspillende mens is de echte materialist. Hij ziet groei als het voortdurend reproduceren van identieke goederen. Om ze zonder spijt te kunnen weggooien. Alsof het geluk daarin zou kunnen liggen.

En zoals een auto mooi oud kan worden, zo ook kan een mens dat. Zeker voor een boek kan dat waar zijn. Want welke pretentie schuilt er niet in de (weliswaar nooit expliciete) bewering dat vandaag de beste inzichten zouden groeien, dat enkel filosofen, economisten, schrijvers van heden de essenties naar voor zouden brengen. Dat is de logica achter de boekenindustrie die steeds op zoek is naar wat u graag leest en minder en minder geïnteresseerd is in wat u eigenlijk zou moeten lezen. Wie zijn verleden niet kent, kan geen gefundeerde uitspraken doen over de kwaliteit van de hedendaagse inzichten en plannen.
En laat ons eens terugkeren naar de notie 'groei'. Een BBP dat enkel kwantitatief wordt gepresenteerd, maakt abstractie van de kwaliteit van wat wordt geproduceerd. Het doet er dan niet toe. De werknemers die de zaken maken doen er dan niet toe. Dan telt ENKEL het cijfer, het getal, de procentuele 'vooruitgang', de gemiddelde stijging, de gerealiseerde winst.
Een verkregen of gekregen product is geen bron van blijdschap meer, zoals kinderen die soms beleven. Het product wordt beheerst door de dwanggedachte van de noodzakelijke vervanging in de nabije toekomst. En de mens verwordt tot louter consument, éénling in een publicitaire doelgroep. Eveneens vervangbaar.

Ik heb me afgevraagd hoe het toch komt dat vele superrijken smakeloos wonen. Misschien omdat ze precies de voeling missen met het esthetische aspect van de materie, en dus zichzelf en de anderen willen imponeren met de prijs ervan. Zo zijn ook zij slachtoffers van de materiële mythe en is hun leven - even eindig als het onze - mogelijk holler. Het is een vermoeden dat mij niet blijer maakt.

P.S. De auto op de foto is een BMW type 535i van 30 jaar oud
Wage Indicator
Lonen en kosten voor levensonderhoud wereldwijd vergelijken ? Dat kan ...
Edited: 201410282328

Methodology: WageIndicator introduces the concept of a globally comparable living wage that informs on how costly is to lead a decent life in different parts of the world. The living wage estimates calculate the monthly expenses necessary to cover the cost of food, housing and other non-specified discretionary purchases (e.g. telephone, clothing, health care, etc.). The estimation is based on a data base of prices collected by the WageIndicator Cost of Living Surveys. WageIndicator provides the approximate range of living wage estimates to capture the variation in prices. Figures are published in the national currency or converted to EUR with the exchange rate taken on October 25 2014.



Het spreekt vanzelf dat als het minimumloon niet hoger ligt dan de noodzakelijk te maken kosten voor levensonderhoud, de kans reëel is dat een groot deel van de bevolking in armoede leeft of erin terecht komt. Er groeit dan ook een parallelle economie, de georganiseerde misdaad krijgt vrij spel en de emigratie - gepaard gaande met mensenhandel - wordt het enige vooruitzicht op overleven. De cijfers gelden voor het nationale niveau terwijl bepaalde regio's zwaar getroffen worden door desindustrialistie. Dat zit niet verdisconteerd in de cijfers. Anderzijds ontbreken een aantal Europese kernlanden zoals Frankrijk en Duitsland in de analyse. Heel de situatie lijkt sterk op de toestanden die ontstaan waren op het einde van de 19de eeuw: de markt van de landbouwproducten werd toen overstroomd door goedkope import en dat maakte leven van het land onmogelijk. Mijn eigen overgrootouders die boerden in de Kempen, hebben dat meegemaakt.
«Le Canard enchaîné»
Edited: 201410231242
«Le Canard enchaîné» révèle que Bercy a noté des écarts entre les déclarations de patrimoine des parlementaires et leurs feuilles d’impôts. Moins d’un an après sa mise en place, la Haute Autorité pour la transparence de la vie publique (HATVP) n’en finit pas de faire de vagues. Selon le Canard enchaîné, des renseignements transmis à Bercy par cette administration indépendante auraient permis d’identifier une soixantaine de parlementaires en délicatesse avec le fisc. (Libé 20141023)


YELLEN Janet L., Chair Federal Reserve Board
The extent of and continuing increase in inequality in the United States greatly concern me
Edited: 201410192014
"The past several decades have seen the most sustained rise in inequality since the 19th century after more than 40 years of narrowing inequality following the Great Depression. (...) The distribution of wealth is even more unequal than that of income, and the SCF shows that wealth inequality has increased more than income inequality since 1989. The wealthiest 5 percent of American households held 54 percent of all wealth reported in the 1989 survey. Their share rose to 61 percent in 2010 and reached 63 percent in 2013." ...
Read the full text of this most important speech here

See her accompanying dataset here

For her biography look here

In fact, Yellen follows the findings of Thomas Piketty. Let's see where this brings us and the US ...

TESSENS Lucas
A selection of books on Italy - click to play
Edited: 201410180008
A trial video produced by MERS for the project BOS600 (later renamed BOS451) in november 2013.
The project was stopped for three reasons:
1) production time of the video was too long for a small firm like ours;

2) although mp4 has a considerable compression ratio, files stay rather heavy for handling and publishing over the network;

3) the app proved to be unsuccessfull in terms of directly generated ROI.
However, the results of the R&D were beneficial to later improvements and the enhancement of the multimedia CMS (Content Management System) that was developed during the year 2014.


University of Michigan
How people in Muslim countries prefer women to dress in public
Edited: 201410041408



An important issue in the Muslim world is how women should dress in public. A recent survey from the University of Michigan’s Institute for Social Research conducted in seven Muslim-majority countries (Tunisia, Egypt, Iraq, Lebanon, Pakistan, Saudi Arabia and Turkey), finds that most people prefer that a woman completely cover her hair, but not necessarily her face. Only in Turkey and Lebanon do more than one-in-four think it is appropriate for a woman to not cover her head at all in public.


The survey treated the question of women’s dress as a visual preference. Each respondent was given a card depicting six styles of women’s headdress and asked to choose the woman most appropriately outfitted for a public place. Although no labels were included on the card, the styles ranged from a fully-hooded burqa (woman #1) and niqab (#2) to the less conservative hijab (women #4 and #5). There was also the option of a woman wearing no head covering of any type.

Overall, most respondents say woman #4, whose hair and ears are completely covered by a white hijab, is the most appropriately dressed for public. This includes 57% in Tunisia, 52% in Egypt, 46% in Turkey and 44% in Iraq. In Iraq and Egypt, woman #3, whose hair and ears are covered by a more conservative black hijab, is the second most popular choice.

In Pakistan, there is an even split (31% vs. 32%) between woman #3 and woman #2, who is wearing a niqab that exposes only her eyes, while nearly a quarter (24%) choose woman #4. In Saudi Arabia, a 63%-majority prefer woman #2, while an additional 11% say that the burqa worn by woman #1 is the most appropriate style of public dress for women.

In several countries, substantial minorities say it is acceptable for a woman to not cover her hair in public. Roughly a third (32%) of Turks take this view, as do 15% of Tunisians. Nearly half (49%) in Lebanon also agree that it is acceptable for a woman to appear in public without a head covering, although this may partly reflect the fact that the sample in Lebanon was 27% Christian. Demographic information, including results by gender, were not included in the public release of this survey.
TESSENS Lucas
Voorbereiding FIPP 1983 te Brugge met het damescomité - 28 maart 1983
Edited: 201409061639



vlnr: Lucas Tessens, Monique Tessens-Gysels, Greta Boesmans (echtgenote van Jacques Boesmans, De Post), mevrouw De Kimpe (echtgenote van Henri De Kimpe, adviseur NFIW), Lutgard Huysmans (echtgenote van Karel Huysmans, IUM), Claudette Op de Beeck - Herreboudt (echtgenote van Patrick Op de Beeck, Brugsch Handelsblad), De Cuyper (De Voorpost, Dendermonde)
Jacques AMURI
Gouvernement provincial du Katanga et recouvrement de l'impot foncier "regard sur la DRKAT"
Edited: 201406301930
Université de Lubumbashi - Licence en SPA 2014


TESSENS Lucas
Paradox inzake privatisering
Edited: 201404281155
Is het niet merkwaardig dat de Europese Commissie - toch zelf een overheidslichaam - jarenlang de privatisering en de deregulering predikt, omdat het de efficiëntie zou bevorderen. De Commissie zou dus de enige 'overheidsfabriek' zijn die wél efficiënt draait. Met Richtlijnen dicteert de EC de lidstaten welke wetgeving imperatief moet worden doorgevoerd op nationaal niveau. Worden daardoor de nationale parlementen niet monddood gemaakt en moeten we dan niet spreken van een 'democratic loss' ? Een en ander is toch een merkwaardige evolutie na WO II !
LT/20140428
BORGER Julian - The Guardian 20140404
Dag Hammarskjöld's plane may have been shot down, ambassador warned. Newly declassified 1961 cable called for grounding of Belgian mercenary hours after UN secretary general crashed in Africa theguardian.com, Friday 4 April 2014 14.27 BST
Edited: 201404091004
Hours after a plane carrying the UN secretary general, Dag Hammarskjöld, crashed over central Africa in September 1961, the US ambassador to Congo sent a cable to Washington claiming that the aircraft could have been shot down by a Belgian mercenary pilot.

In the newly declassified document, the ambassador, Ed Gullion, does not directly implicate the Belgian or Rhodesian governments in what he calls "this operation", but calls for US pressure on them to ground the mercenary, adding it was "obviously [a] matter of highest importance". He said the pilot had been hampering UN operations and warned that if not stopped "he may paralyse air-rescue operations".

The document was released after an international panel of retired judges called last year for a fresh inquiry into the Hammarskjöld crash, saying that new evidence "undoubtedly" existed. The UN secretary general, Ban Ki-moon, decided in February to put the panel's findings on the agenda of the UN general assembly.

The Gullion cable was not seen by previous official inquiries. A commission formed by the Rhodesian colonial authorities blamed the crash on pilot error, while a later UN investigation recorded an open verdict.A Guardian investigation in 2011 found surviving witnesses near the crash site outside Ndola, in what is now Zambia, saying they saw a second plane shooting at the DC-6 aeroplane carrying Hammarskjöld and his aides. A book published later that year, Who Killed Hammarskjöld? by Susan Williams, a University of London researcher, found further evidence of foul play.

Williams's book pointed to the existence of US National Security Agency (NSA) radio intercepts of warplanes in the area, which are still top secret after 52 years. Hammarskjöld's death came at the height of a conflict between the UN-backed Congolese government in Leopoldville, now Kinshasa, and secessionists from the mineral-rich province of Katanga, supported by Belgian colonialists.

The US and British were angry at an abortive UN military operation that the secretary general had ordered days before his death on behalf of the Congolese government against the rebellion in Katanga, which was backed by western mining companies and mercenaries.

The Hammarskjöld commission, chaired by a former British court of appeal judge, Sir Stephen Sedley, called for the NSA intercepts to be released.

The commission highlighted several key pieces of evidence, including the testimony of two policemen of seeing sparks and a flash in the sky, and the account of a local official who said he saw a smaller aeroplane flying above and then alongside the DC-6, known as the Albertina.

In his cable, sent at 11am on 18 September, Gullion correctly identifies the Ndola area as the crash site. He also names the suspected Belgian pilot as "Vak Riesseghel", almost certainly a mis-spelling of Jan van Risseghem, who had served in the South African and Rhodesian air forces, and commanded the small Katanga air force.


In another cable sent two days before the crash, Gullion passed on a commercial pilot's report that the Belgian mercenary, flying a Katangese jet, "flew wing to wing" with him – a highly dangerous manoeuvre.

Gullion's two telegrams call into question Van Risseghem's insistence that he had not been in Katanga in September 1961. Van Risseghem was never questioned by any of the official inquiries.

"The telegram reveals that on the morning after the crash, the ambassador thought it credible that the plane had been shot down by a mercenary pilot – so credible, in fact, as to justify asking US diplomats in Brussels and Salisbury [now Harare] to put pressure on the Belgian and Rhodesian governments to ground the pilot," said Williams, a senior researcher at the University of London's Institute of Commonwealth Studies.

In her book, Williams provides the account of an American naval pilot, Commander Charles Southall, who was working at the NSA listening station in Cyprus in 1961. Shortly after midnight on the night of the crash, Southall and other officers heard an intercept of a pilot's commentary in the air over Ndola – 3,000 miles away.

Southall recalled the pilot saying: "I see a transport plane coming low. All the lights are on. I'm going down to make a run on it. Yes, it is the Transair DC-6. It's the plane," adding that his voice was "cool and professional". Then he heard the sound of gunfire and the pilot exclaiming: "I've hit it. There are flames! It's going down. It's crashing!"

Williams said: "We need to know if the US state department holds the raw intelligence that led Gullion to think [the plane could have been shot down] and … if there is other intelligence, notably in the form of intercepts, that is held by the NSA in relation to Hammarskjöld's flight on the night of 17-18 September 1961.

"This newly released document reinforces the argument that the UN general assembly should ask US agencies, including the NSA, to produce the evidence they hold."
Human Rights Watch
Saudi Arabia: New Terrorism Regulations Assault Rights
Edited: 201403200901
(Beirut) – Saudi Arabia’s new terrorism law and a series of related royal decrees create a legal framework that appears to criminalize virtually all dissident thought or expression as terrorism. The sweeping provisions in the measures, all issued since January 2014, threaten to close down altogether Saudi Arabia’s already extremely restricted space for free expression.

“Saudi authorities have never tolerated criticism of their policies, but these recent laws and regulations turn almost any critical expression or independent association into crimes of terrorism,” said Joe Stork, deputy Middle East and North Africa director at Human Rights Watch. “These regulations dash any hope that King Abdullah intends to open a space for peaceful dissent or independent groups.”

The new regulations come amid a campaign to silence independent activists and peaceful dissidents through intimidation, investigations, arrests, prosecutions, and imprisonment. On March 9, the prominent human rights activists Abdullah al-Hamid and Mohammed al-Qahtani completed their first year in prison, serving 11 and 10-year sentences, respectively, for criticizing the government’s human rights abuses and for membership in an unlicensed political and civil rights organization.

Two other human rights activists, Waleed Abu al-Khair and Mikhlif al-Shammari, recently lost appeals and will probably begin their three-month and five-year respective sentences soon for criticizing Saudi authorities.

On January 31, Saudi authorities promulgated the Penal Law for Crimes of Terrorism and its Financing (the “terrorism law”). The law has serious flaws, including vague and overly broad provisions that allow authorities to criminalize free expression, and the creation of excessive police powers without judicial oversight. The law cites violence as an essential element only in reference to attacks carried out against Saudis outside the kingdom or onboard Saudi transportation carriers. Inside the kingdom, “terrorism” can be non-violent – consisting of “any act” intended to, among other things, “insult the reputation of the state,” “harm public order,” or “shake the security of society,” which the law fails to clearly define.

On February 3, two days after the terrorism law came into force, King Abdullah issued Royal Decree 44, which criminalizes “participating in hostilities outside the kingdom” with prison sentences of between three and 20 years. On March 7, the Interior Ministry issued further regulations designating an initial list of groups the government considers terrorist organizations, including the Muslim Brotherhood and the Houthi group in Yemen, along with “Al-Qaeda, Al-Qaeda in the Arabian Peninsula, Al-Qaeda in Yemen, Al-Qaeda in Iraq, Da`ish [the Islamic State of Iraq and Sham, or ISIS], Jabhat al-Nusra, and Hezbollah inside the kingdom.”

The interior ministry regulations include other sweeping provisions that authorities can use to criminalize virtually any expression or association critical of the government and its understanding of Islam. These “terrorism” provisions include the following:

Article 1: “Calling for atheist thought in any form, or calling into question the fundamentals of the Islamic religion on which this country is based.”
Article 2: “Anyone who throws away their loyalty to the country’s rulers, or who swears allegiance to any party, organization, current [of thought], group, or individual inside or outside [the kingdom].”
Article 4: “Anyone who aids [“terrorist”] organizations, groups, currents [of thought], associations, or parties, or demonstrates affiliation with them, or sympathy with them, or promotes them, or holds meetings under their umbrella, either inside or outside the kingdom; this includes participation in audio, written, or visual media; social media in its audio, written, or visual forms; internet websites; or circulating their contents in any form, or using slogans of these groups and currents [of thought], or any symbols which point to support or sympathy with them.”
Article 6: “Contact or correspondence with any groups, currents [of thought], or individuals hostile to the kingdom.”
Article 8: “Seeking to shake the social fabric or national cohesion, or calling, participating, promoting, or inciting sit-ins, protests, meetings, or group statements in any form, or anyone who harms the unity or stability of the kingdom by any means.”
Daily Record / White Ribbon Scotland
One in four young Scots believe rape victims are partly to blame if drunk or dressed 'provocatively' when attacked
Edited: 201308140001
A QUARTER of young people in Scotland believe that a rape victim is partly to blame if she was attacked when she was drunk or dressed “provocatively”.

The shocking attitude was revealed among 16 to 24-year-olds in a new survey of our nation’s view of violence against women.

One-sixth of all respondents believed that rapists are men who can’t control their sexual urges and a third thinks it’s a woman’s responsibilty to walk out if she is the victim of domestic violence.

Callum Hendry, campaign co-ordinator of White Ribbon Scotland, said the survey results showed drastic action was needed to address ignorant attitudes in Scotland.

He said: “The fact that almost one in four young people believe that a woman can be held responsible for being raped because of her clothing or for being drunk is a huge concern.

“We need to continue to deliver education messages that change this attitude.

“This type of victim blaming prevents women from coming forward for support. We just cannot allow that to continue – it is a disservice to all women.”

The research exposes dangerous myths that exist around the issue of violence against women, which was apparent in all age groups but particularly in youngsters.

Ten per cent of people thought that rapes were carried out by a stranger to the victim while in reality that happens in only eight per cent of cases.

This misinformed view doubled in the 16 to 24 age group.

The survey was designed as a snapshot of attitudes in Scotland, using just less than 2000 people from every local authority.

It is seven years since a similar analysis was conducted north of the border.

The research involved focus groups in Falkirk, Inverclyde and Edinburgh, two of which were with men under the age of 25 and two were conducted with men over 25.

White Ribbon was set up in 2010 to involve men in ending violence against women through education and campaigning.

In the focus groups it found, there was a consensus that “others” raped, not “normal” people and that they had to be “sick”.

The report said: “The idea that it is something abnormal or “sick” can lead people to believe that those around them are incapable of being violent towards women.

“This belief can easily lead to absolving rapists of responsibilty unless they fit a violent or “sick” stereotype, which, as we know, is not the case.

“Such attitudes create an environment in which victims may feel less able to come forward for support as they feel they will not be believed or receive the justice they deserve.”

A commonly held myth was that men raped because they couldn’t control their sexual urges.

The report said: “Believing men are unable to control themselves against subconscious sexual urges implies that they are not entirely accountable for their actions but rather are victims themselves to their needs.”

The truth is that rape is often about power and control over a victim and not about sexual urges.

Much of White Ribbon Scotland’s work exists to combat myths that can blame the victim rather than the perpetrator.

Some of the views in relation to domestic abuse were just as disturbing. A third believe it is a woman’s responsibility to leave an abusive relationship.

The report said this underestimates the trauma, the fear, control and difficulties faced by women in abusive relationships, which create significant obstacles in attempts to escape abuse.

But there was awareness that domestic violence was not only about physical abuse, with only eight per cent believing that was the case.

But 80 per cent thought alcohol and drugs caused men to be violent to their partners, which detracts from the abuser’s responsibilty for his actions and the fact that domestic violence is about maintaining power and control over victims.

Lily Greenan from Scottish Women’s Aid said she was encouraged that respondents realised that domestic abuse could be mental and verbal torture, not just physical abuse.

But she said: “Victim blaming stops women reporting it. It stops them from seeking support and it stops them from getting justice. We need to work with young people to change the question from ‘Why does she stay?’ to ‘Why does he abuse?’.”

When asked if the purchase of sex or sexual images can create harmful attitudes towards women, two-thirds agreed it did. Linda Thompson from The Women’s Support Project said she was heartened to find most people agreed that prostitution and pornography were damaging.

She said: “This highlights that men and women are aware of the wider potential cultural impact of the opportunity to buy sexual activity from, and view sexual images of, women on how women are viewed and treated.”

The report also gives a fascinating insight into how society views masculinity – there was still a view of men as being stereotypically macho.

Seven in 10 associated the word “control” with men, eight in 10 said they were expected be physically strong and two-thirds said they should be viewed as powerful.

Yet only three in every hundred thought they should be emotional and five per cent thought they should be sensitive.

The report said: “This narrow view of masculinity is reflected in the difference in how young boys and girls are spoken to as they grow up, and even in how products are marketed.

“The emphasis on physical strength and the lack of emphasis of sensitivity may influence how men behave in relationships and towards women.”

Almost 90 per cent of people agreed that sexual inequality contributes to a society where violence against women is acceptable.

And 97 per cent said everyone in society shared a duty in ending violence against women.

The report recommends that campaigning on issues such as gender gaps in pay and sexual inequality could help change the attitudes that perpetuate violence.

It suggests parents should be targeted to encourage them to educate children about sexual inequality, preventing violence and sexual consent.

It also emphasises the need to redefine its definition of masculinity and encourage men to stand up against violence and change controlling behaviour.



Read the full report here
Spike Jonze
Her
Edited: 201307192332
Theodore (Joaquin Phoenix), esseulé dans un monde aseptisé, tombe amoureux de son système d’exploitation, doté de la voix sensuelle de Scarlett Johansson. Un scénario magistral, porté par des acteurs vibrants et des plans subtils.

Theodore se sent seul. Il se remet mal de son divorce et sa belle plume ne sert qu'à pallier les défauts de communication de ses contemporains. Écrivain public numérique, il rédige à la demande des messages enamourés ou des souhaits émus d'anniversaire de mariage. Abruti par sa vie divisée entre travail, jeux vidéo et sexe froid, il découvre, au cours d'une mise à jour, que tous ses appareils high-tech disposent d'un nouveau système d'exploitation, qui prend la voix délicatement éraillée de Scarlett Johansson. Conçue pour s'adapter et évoluer, cette intelligence artificielle le trouble : elle perçoit les sentiments humains avec précision et subtilité, comprend l’art, la beauté, l’humour, la tristesse, la nuance et, surtout, l’amour. Theodore s'engage dans une relation qui le dépasse…

Tendre et cruel

Fondé sur un scénario éblouissant, "Her" est un conte philosophique mâtiné de science-fiction. Remarquablement interprété par un Joaquin Phoenix bouleversant, accroché à la voix sensuelle de Scarlett Johansson, le film réussit à rendre crédible cette histoire d'amour déroutante. Dialogues percutants, bande originale séduisante, plans travaillés : la mise en scène, brillante, fait évoluer les personnages dans un environnement hipster et impersonnel, délavé par un filtre sépia qui renforce la confusion entre réel et virtuel. Un film à la fois lucide, tendre et cruel, dont on ne sait s’il s’agit d’une audacieuse utopie ou d’une chimère tristement réaliste, située dans un futur proche.
paperjam
Experta Luxembourg: Giuliano Bidoli: « Les clients recherchent des structures qui leur permettent d’avoir l’efficience fiscale.»
Edited: 201304241600
Si 2013 s’inscrit encore à l’encre noire, les perspectives pour 2014 semblent plus positives. Giuliano Bidoli, head of tax au sein d’Experta, voit matière à relancer la machine, avec plus que jamais l’excellence en point de mire.

Monsieur Bidoli, la crise a, dit-on, modifié les demandes des clients. Comment percevez-vous la situation ?

« Oui, la crise a rendu la clientèle plus exigeante. Ses demandes sont plus spécifiques, elle sait ce qu’elle veut et prend son temps afin de comparer, notamment, la qualité des services des différents prestataires. Les clients sont également bien plus regardants sur les prix : lorsqu’ils paient, ils veulent pouvoir contrôler l’avancement et la qualité des services. Aujourd’hui, les fiduciaires du Luxembourg pâtissent encore trop d’une mauvaise réputation née du travail douteux de quelques petits acteurs du marché. L’amalgame, facile entre Chypre et le Grand-Duché, fait par certains, prouve que cette réputation est encore vivace. Pourtant, une majorité d’acteurs travaillent en toute transparence, respectant les principes fiscaux et les normes législatives. De toute manière, les clients recherchent des structures qui permettent d’avoir l’efficience fiscale et de dormir sur leurs deux oreilles. Enfin, on constate une concentration des prestataires sur le marché : regrouper toutes les compétences nécessaires sous un même toit permet de mieux répondre aux exigences des clients.

Comment voyez-vous l’évolution à court et moyen termes ?

« 2013 sera encore une année difficile. J’utiliserais le terme de turnaround pour la définir. Je pense que, pour passer ce cap, il faut changer les mentalités quant à la façon de travailler, il faut se remettre en question, ne plus se reposer sur ses acquis. Certains domaines connaîtront un exercice plus difficile que d’autres. Dans le private equity par exemple, les entreprises réfléchissent à deux fois avant de faire des investis­sements. Notre secteur devrait, pour quelques mois encore, avancer dans le brouillard. Mais j’espère que l’activité connaîtra un nouvel élan en 2014. Les soubresauts sont là. Par exemple, le Luxembourg a d’ores et déjà mis en place de nouvelles réglementations concernant le family office. L’AIFMD a été transposée au Luxembourg bien avant les autres pays et pourrait à terme attirer des fonds qui, pour le moment, sont essentiellement basés à Jersey et Guernesey.

Recherchez-vous actuellement des profils particuliers ?

« Nous avons besoin de bons comptables, de juristes et de fiscalistes. De plus, comme nous nous dirigeons de plus en plus vers des véhicules régulés, nous cherchons également des comptables de fonds. Dans tous les cas, pour nous, il est important que des spécialistes soient opérationnels dès le deuxième jour. De tels professionnels sont, avouons-le, peu évidents à trouver. Ce n’est donc pas un hasard si les délais de recrutement augmentent et que nous multiplions les entretiens et les tests divers. Parfois en vain. Nous ne trouvons pas de comptable sachant parler l’allemand, par exemple.

Que modifier ici pour que l’économie reprenne sa marche en avant ?

« Même si je peux comprendre le gouvernement luxembourgeois, je pense que l’augmentation de l’impôt minimum n’est pas une bonne chose, car cette disposition réduit fortement la volonté d’implantation d’une certaine catégorie de clients, PME et TPE essentiellement. Il aurait peut-être été plus judicieux de pousser sur la substance exigée lors­que l’on crée une société, pour permettre aux sociétés de s’implanter effectivement. Je pense que l’État doit passer par cette étape, peut-être pas facile à mettre en place. Mais il faut insuffler un changement qui aura des répercussions positives sur le marché.  »
WINOCK Michel
Flaubert
Edited: 201303071661
Paru aux éditions Gallimard le 7/3/2013. 544 pages + 16 p. hors texte, 32 ill., sous couverture illustrée, 155 x 225 mm

«Je porte en moi la mélancolie des races barbares, avec ses instincts de migrations et ses dégoûts innés de la vie, qui leur faisait quitter leur pays, pour se quitter eux-mêmes.» Dans cette déclaration de Gustave Flaubert (1821-1880), qu'y a-t-il de vrai? Le migrant, à part le grand voyage en Orient et quelques escapades en Bretagne, en Angleterre ou en Corse, a surtout vécu dans le «trou» qu'il s'est «creusé» à Croisset, sa demeure normande, où il écrit son œuvre et où il meurt foudroyé.
Peut-on se fuir soi-même, bien qu'on professe la poétique de l'«impersonnalité»? Peut-on lâcher son siècle? Le détester, oui, lui préférer une Antiquité imaginaire, certes, mais Flaubert, comme tout le monde, est entraîné dans les tourbillons du temps. Son œuvre portera cette double marque : le rêve carthaginois d'un monde flamboyant à jamais disparu mais recréé et la peinture vengeresse du siècle de Monsieur Prudhomme et du pharmacien Homais.
Michel Winock porte un regard d'historien sur cette vie tout entière vouée à la littérature. Il raconte l'enfance créative de l'écrivain, le suit dans ses pérégrinations de jeunesse, décrit ses amours tumultueuses, l'accompagne dans les salons parisiens et met en scène sa ferveur dans l'amitié – Maxime Du Camp, George Sand, les Goncourt, Zola, Daudet, Maupassant, Tourgueniev...
Son dégoût proclamé de la vie, Flaubert ne l'a transcendé ni par l'expérience amoureuse (somme toute décevante), ni par la foi en Dieu (il est incroyant), ni par quelque idéal politique (scepticisme revendiqué), mais par la religion de l'Art, dont il fut un pèlerin absolu.
BIL - Experta
12 octobre 2012: Communiqué de Presse
Edited: 201210121614
Experta Corporate and Trust Services SA, Luxembourg (Experta) créé le 20 septembre 2002 et filiale à 100 % de la Banque Internationale à
Luxembourg (BIL), a fêté ses dix ans le 20 septembre dernier dans un contexte de renouveau insufflé par sa maison mère dont les nouveaux actionnaires sont Precision Capital, un groupement d’investisseurs privés du Qatar et l’Etat luxembourgeois.

Le segment Corporate Engineering a été créé il y a plus de 50 ans au sein de la BIL. En 2002, cette activité a été restructurée et Experta a été intégrée en tant que filiale de la banque, sous le statut de professionnel du secteur financier luxembourgeois (PSF).

Les 70 professionnels multilingues d’Experta, qualifiés dans divers domaines, notamment la fiscalité, les services aux entreprises, la consolidation et la comptabilité, proposent à une clientèle internationale privée et institutionnelle des solutions sur mesure de structures d'entreprise et d'investissement via l’utilisation de véhicules luxembourgeois réglementés et non réglementés.

Dans une volonté de renouveau inspirée par la BIL qui vient de vivre un changement d’actionnaires, Experta a récemment mis en place une nouvelle équipe de direction composée de spécialistes dotés d’un grand savoir-faire technique et commercial. Les rangs d’Experta ont également été renforcés par de nouveaux collaborateurs spécialisés en fiscalité dont les recrutements ont permis d’augmenter l’expertise
d’Experta dans ce domaine. Sa collaboration rapprochée avec la BIL permet d’ailleurs à Experta de proposer une offre globale et sur mesure à ses clients, quelle que soit la complexité de leur situation patrimoniale.

En tant que filiale d’une « nouvelle » BIL, dans un environnement bancaire et financier déjà fortement régulé et qui a vocation à le devenir davantage, voici comment Yves Biewer, le nouveau CEO d’Experta, envisage l’avenir de la société :

« L’enthousiasme autour du renouveau vécu à la BIL se ressent également au sein d’Experta. Forts du soutien de la BIL et de ses nouveaux actionnaires, nous envisageons l’avenir avec confiance et détermination. Experta a comme principal objectif de continuer à répondre de manière professionnelle aux besoins d'une clientèle de plus en plus exigeante par le biais de solutions et de services sur mesure. Pour ce faire, nous nous sommes entourés de collaborateurs expérimentés qui nous apportent le savoir-faire indispensable pour permettre à Experta de se positionner sur un marché fortement concurrencé, où seuls les acteurs les plus ingénieux et proactifs parviendront à s’imposer ».

Les 10 ans d’Experta ont été célébrés le 20 septembre dernier au siège de la BIL, en présence de Francois Pauly et d’Yves Biewer, Administrateurs délégués respectivement de la BIL et d’Experta, d’André Lecoq, Président du Conseil
d’administration d’Experta, ainsi que des 70 collaborateurs de la société.
DUMOLYN Thomas
De Industriële Transformatie van België. Economische Groei en Investeringen 1953-1966. (thesis U Gent 2012)
Edited: 201206311405


Commentaar LT: Onze speciale aandacht ging naar paragraaf 4.2.2. over Steenkool.
Het aantal mijnwerkers daalde tussen 1954 en 1962 met 50.000 eenheden.
De auteur vernoemt wel de overschotten die niet verkocht raakten vanaf 1958 (6 miljoen ton) maar we hadden toch ook graag importcijfers van steenkool en olie gezien.
De thesis is o.i. teveel gebaseerd op het werk van Baudhuin (1970).
LT
Berlusconi
Edited: 201107130155
Enkele feiten en namen.
Invloedsferen:
Immobiliën (Milano 2, Milano 3)
TV: Mediaset
Ideeëngoed: Loggia Propaganda 2 / P2 van Licio Gelli
Sport: AC Milan
Politiek: Forza Italia

Enkele betrokkenen van de Cosa Nostra:
Marcello Dell'Utri
Stefano Bontate
Francesco Di Carlo
Vittorio Mongano
Massimo Ciancimino

Magistraten contra B. en de corruptie:
Antonio Ingroia
Scarpinato
Gherardo Colombo
Antonio Di Pietro
Paolo Borsellino (1940-1992)
Giovanni Falcone (1939-1992)

Het televisie-imperium start met TeleMilano, een lokaal station.
Na deze opstart koopt B. meerdere lokale TV-stations.
Aldus komt hij tot Canale 5, een nationaal station.

Europa 7 wordt door B. tegengewerkt door het de frequentie te blijven bezetten.

Pro Memorie: uitgeverij Mondadori is in handen van B., net zoals meerdere kranten en weekbladen.


STATOIL
Algeria: Statoil, BP and Sonatrach sign US$1.5 billion EPC contract for In Salah Southern Fields
Edited: 201104120901

12 Apr 2011
Statoil, BP and Sonatrach have signed a USD 1.15 billion engineering, procurement and construction (EPC) contract with Petrofac International (UAE) in Algiers for the execution of the In Salah Southern Fields development project. The EPC contract is part of the phase two development of the In Salah licence. For Development and Production International the project marks an important step towards maturing barrels for profitable production.

The three gas fields – Krechba, Teg and Reg – located in the northern part of the licence, were initially developed in phase one, with the objective of delivering a production profile of nine billion cubic metres of gas annually. This phase started in late 2001, and first commercial gas was delivered in July 2004. Based on the expected decline of gas production from these three fields, phase two of the development has now implemented to maintain the production plateau and sustain long-term gas sales commitments. It consists of four gas fields – Garet El Bifna, Gour Mahmoud, In Salah and Hassi Moumene – in the southern part of the licence.

Under the EPC contract Petrofac will build a number of facilities – including well pads, manifolds, flowlines, and a new central processing facility (CPF) with a gas processing capacity of 17 million cubic metres per day. The CPF will be constructed north of In Salah town and tied back to the existing producing facilities located in Reg for further transport of the gas to Krechba CPF for carbon dioxide removal and gas export.

In his speech, Victor Sneberg, Statoil's country president in Algeria, stated his expectation to Petrofac to deliver on time, cost and schedule.

First gas from the Southern Fields development project is expected for the first half of 2014. Gas produced from In Salah is marketed by joint marketing company 'In Salah Gas Limited' – an association between Sonatrach, BP and Statoil. The three partners in the In Salah license have investment shares of 35% (Sonatrach), 33.15% (BP) and 31.85% (Statoil), respectively.

Source: Statoil
MATT, CRUDE OIL PEAK
History of Libyan oil 1955-2008
Edited: 201102230901
Libya produced 1.65 mb/d of crude oil in Oct. 2010 and exported 1.2 mb/d crude in 2008. Both crude production and exports have recently peaked.

Libya is a maturing oil province in which 27 Gb have been produced, out of an estimated ultimate of 40-60 Gb. Therefore, the depletion midpoint has been reached or will be reached in this decade. Due to the low population (6.5 million) and a local consumption of petroleum products of just 250 kb/d Libya will remain an oil exporter for a long time to come even when taking into account population growth and higher per capita consumption rates. However, we do not know to which extent the current unrest will impact on future oil production.


History of Libyan oil:
1955: Petroleum Law, entry of British and American oil companies
1957: First oil discovery: light crude in Zelten, Sirte basin
1959: Discoveries: Amal 4.5 Gb, Beda 1 Gb, Nasser 1 Gb
1961: BP finds remote giant Serir field, 5 Gb
1960: Discovery Defa 2 Gb
1961: Discovery Gialo 3.5 Gb, Sarir 6 Gb, Waha 1 Gb
1962: Libya joins OPEC
1965: Discovery Augila-Nafoora 2 Gb
1967: Discovery Intisar 2.25 Gb
1967: Libyan oil gains strategic importance after 6-day war
1968: Discovery Bu Attifel 1.5 Gb
1969: King Idris ousted by Colonel Gaddafi
1970: Oil production peak at 3.3 mb/d
1970s: Nationalisation of oil industry results in production decline
1973: OPEC embargo on oil exports
1977: War with Egypt
1978: War with Chad starts (Aouzou strip, until 1987)
1980s: OPEC quotas introduced, quota is now 1.5 mb/d
1986: US aerial attack
1988: Pan Am explodes over Lockerbie
1993: UN sanctions banning import of refinery equipment,
1996: US trade sanctions
2002: Oil output increased due to an international re-orientation
2004: Tony Blair shakes hands with Gaddafi, US sanctions lifted
2008: Libya-Italy friendship treaty ($5 bn compensation from Italy for colonial occupation)
Goed beleid onder Verhofstadt ?
Edited: 200905151511
Dagboek
Johan Slembrouck

De Financietoren werd in 2001 samen met het aanpalende Rijksadministratief Centrum verkocht aan het Nederlandse vastgoedbedrijf Breevast. Om een begroting in evenwicht in te dienen werden de gebouwen door de toenmalige paarse regering Verhofstadt I verkocht via een sale-and-lease-back-constructie.

Het Brusselse gerecht onderzocht enkele dubieuze geldstromen rond de verkoop na een klacht van de Bijzondere Belastinginspectie. Het onderzoek is afgerond en het parket heeft nu een eindvordering opgesteld. Het parket stelt vast dat drie zakenlui verdachte commissielonen hebben opgestreken voor hun tussenkomst in de verkoop aan het Nederlandse vastgoedbedrijf. Het gaat over enkele miljoenen euro die via Luxemburgse vennootschappen zijn verborgen gehouden voor de Belgische fiscus.

Eén van de zakenlui is Rony Van Goethem, hij zou de commissies ontvangen hebben via een Luxemburgse vennootschap. Van Goethem zou aan het gerecht verklaard hebben dat het geld enkel en alleen voor hemzelf was bestemd, maar gezien de omvang van het bedrag hechten de speurders weinig geloof aan die uitleg. Er is sprake van commissies van 1 tot 2 miljoen euro, waarvan een deel mogelijk bestemd was voor de omgeving van toenmalig minister van Overheidsbedrijven Rik Daems (Open Vld), die verantwoordelijk was voor de verkoop van de Financietoren. Een andere lobbyist is Michel Bellemans, hij was tot eind 2004 bestuurder bij de federale participatiemaatschappij en werkte tot maart 2000 als adviseur voor minister van Overheidsbedrijven Rik Daems (Open Vld).

In 2006 had ik reeds een artikel gewijd aan de verkoop van de financietoren waarvan de volgende tekst nog steeds actueel is:

Een flagrant voorbeeld van hoe de paarse regering van VERHOFSTADT met belastinggeld morst is de verkoop van de Financietoren in 2001 voor 276.525.227 euro en dit gebeurde zonder gedetailleerde schatting van het gebouw, aldus het Rekenhof.

De Financietoren werd verkocht met de voorwaarde dat de Staat het gebouw na de verkoop voor 25 jaar zou huren. De huurlast per jaar bedroeg: 25.907.229 euro met een duurtijd van 25 jaar. De nieuwe eigenaar verplichtte zich ertoe het asbest te verwijderen en het gebouw te renoveren. De huurprijs na de werken zou worden vastgesteld door de basishuur te vermeerderen met 7,65 % van de kosten van de asbestverwijdering en de renovatiewerken. Beide partijen kwamen overeen dat deze huur echter marktconform moest zijn en stelden 34.705.093 euro als marktconforme huur vast. Het gebouw bleek meer asbest te bevatten dan oorspronkelijk gedacht. Er ontstond een een dispuut over wat verstaan moest worden onder het asbestvrij maken van het gebouw. Om uit de impasse te raken stelde de eigenaar/verhuurder een alternatieve oplossing voor: het gebouw zou bij de renovatie ingrijpend worden gewijzigd waardoor 30.000 m² extra kantoorruimte ter beschikking zou komen. Door die extra kantoorruimte zouden 4.600 ambtenaren kunnen worden gehuisvest in plaats van de oorspronkelijke 3.200. Op basis van dit alternatieve voorstel werd opnieuw onderhandeld. Het alternatieve voorstel werd aanvaard en vastgelegd in een addendum bij het oorspronkelijke huurcontract. De huurprijs werd vastgesteld op 42.700.000 euro. De looptijd van het huurcontract werd vastgesteld op 27 jaar vanaf de datum van aanvaarding van de werken (of een totale looptijd van 33 jaar).

Conclusie: de overheid zal na 33 jaar 1.345.140.744 euro (ongeveer 1,4 miljard euro) betaald hebben voor de financietoren dat voor 276,5 miljoen werd verkocht. Of een verschil met de verkoopprijs van 1.068.615.517 (ongeveer 1,1 miljard euro).

De huur zou intussen oplopen tot bijna 50 miljoen euro, of minstens 900 euro per maand per ambtenaar. Het contract loopt tot in 2031. Dit is volgens Verhofstadt en zijn VLD goed beleid!
JANSSENS Paul Prof. Dr
Professor Paul Janssens over prinsen, markiezen en baronnendoor Danny Vileyn © Brussel Deze WeekBrussel07:00 - 28/06/2008
Edited: 200800000901
Ze heten conservatief, francofoon en koningsgezind te zijn, en verdedigers van de traditionele gezinswaarden, maar het meest bijzondere kenmerk van de adel is het vermogen om zich aan te passen. Een gesprek met de historicus Paul Janssens aan de vooravond van de Ommegang - waarin traditioneel edellieden opstappen - en de nationale feestdag van 21 juli, die al even traditioneel voorafgegaan wordt door het toekennen van adellijke titels.

Professor Paul Janssens houdt kantoor in een piepklein kamertje van het Ehsal Research Center, het pand tegenover de hoofdzetel van de Ehsal aan de Stormstraat 2, een van de campussen van de nieuwe HUB, de Hogeschool-Universiteit Brussel. Paul Janssens doceert economische geschiedenis en is gespecialiseerd in fiscale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de adel kent hij op zijn duimpje.



Zelfs de lap grond waarop de campus van de Ehsal gebouwd is, heeft een adellijk verleden - dat moet Janssens erg bevallen. "Halverwege de zeventiende eeuw, toen de Nieuwstraat nog een aristocratische straat was, kocht de markies de Berghes - de markiezen van Bergen op Zoom hadden hun naam verfranst - een aantal huizen op de grond waar nu de campus van de Ehsal is. De adel deed toen wat de banken nu doen: huizen kopen, ze platgooien en er een ander soort pand op bouwen. (Janssens doelt op de KBC, die tegenover de Ehsal panden platgooide voor een bankgebouw, DV.) Ze bouwden er een prachtig hôtel de maître, dat ze bewoond hebben tot aan de Franse Revolutie. Dan is er een cercle littéraire in getrokken, waar de leden onder andere de grote Europese kranten kon lezen, en in de negentiende eeuw kreeg het pand een commercië­le bestemming. Toen de Ehsal hier een paar decennia geleden bouwde, was het pand volledig uitgewoond."



Wij vatten de adel van vandaag voor u samen in tien stellingen.



Belgische adel is Brussels gekleurd

"Het is een merkwaardig fenomeen," legt Paul Janssens uit, "maar er bestaat wel degelijk een Brusselse adel, zeker als we 'omvang' als criterium nemen."



Terwijl in het hoofdstedelijk gewest 'maar' tien procent van de Belgische bevolking woont, heeft zowat 33 procent van de adel er zijn vaste stek. In Wallonië woont veertig procent van de adel en in Vlaanderen - met zestig procent van de bevolking - maar twintig tot 25 procent. Janssens' hypothese is dat de adel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen met de taalwetgeving duidelijk werd dat België geen tweetalig land zou worden (de Walen hadden dat afgewezen), een deel van de Vlaamse adel (die zoals in heel Europa Franstalig was) naar Brussel, het enige tweetalige gebied, is verhuisd.



Jongere edelen zijn meertalig

Eeuwenlang waren de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse adel Franstalig. Al wie in de achttiende eeuw in Vlaanderen macht, aanzien en geld had, was Franstalig, dus ook de adel. Dat was het gevolg van een geslaagde Europese taal- en cultuurpolitiek van Lodewijk XIV. "Maar de jongere generaties, de mensen onder de vijftig, hebben begrepen dat de spelverdeling in dit land veranderd is. Ze zijn goed tweetalig, zelfs meertalig. Vaak hebben ze tijdens hun middelbareschooltijd op internaat gezeten in Vlaanderen en hebben ze nadien ook in het buitenland gestudeerd."



Figuren zoals de 75-jarige (niet-benoemde) burgemeester van de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem, François van Hoobrouck d'Aspre (MR), hebben volgens Janssens afgedaan. Ondertussen spreken de meeste edelen in Vlaanderen Nederlands, ook de in ongenade gevallen oom van prinses Mathilde, de mediagenieke Henri d'Udekem d'Acoz, die met een sappig West-Vlaams accent spreekt.



De adel is niet eeuwig

"Het is een wijdverbreid misverstand dat mensen met blauw bloed sinds de kruistochten één grote familie vormen en onder elkaar huwen," zegt Paul Janssens. De meerderheid van de adellijke families is niet ouder dan België zelf, en de samenstelling verandert voortdurend. Families behoren gemiddeld vijf tot zes generaties - of twee eeuwen - tot de adellijke stand. Omdat het adellijk statuut, net als de naam, doorgegeven wordt in mannelijke lijn, houdt het ook op als er geen mannelijke nakomelingen meer zijn. De familie de Merode behoort samen met de Croÿ, de la Faille en de Kerckhove tot de oudste adellijke families van het land en ze zijn ook goed vertegenwoordigd in de hoofdstad. De prinsen de Croÿ behoren al tot de adel sinds de vijftiende eeuw, de prinsen de Merode zelfs iets langer.



Anciënniteit is het belangrijkst

"Hoezeer edellieden ook gehecht zijn aan hun titel, de adellijke anciënniteit vinden ze nog belangrijker," vertelt Janssens.



De 'echte' titels, die voor de Franse Revolutie van 1789 toegekend werden, waren gevestigd op het familiepatrimonium. De oudste titel in ons land is die van graaf van Chimay, een stadje tegen de Franse grens en welbekend voor het bier, en hij dateert uit 1473 - het was Jean de Croÿ die de titel droeg. Deze grondgebonden adellijke titels (die na het overlijden van de vader op de oudste zoon overgingen) dienden om het fami­liaal patrimonium van de grootgrondbezitters te beschermen. Jean de Croÿ bezat de heerlijkheid Chimay en een paar heerlijkheden eromheen die samen het nieuwe graafschap vormden. "Maar de adellijke titulatuur is enorm complex, en in sommige families gaat de titel over op alle kinderen. Vandaar dat België honderden prinsen de Merode en de Croÿ telt," licht Janssens toe.



Meeste edellieden zijn titelloos

Veruit de meeste edellieden moeten het zonder titel stellen. Samen met het grootgrondbezit (de heerlijkheden) had de Franse Revolutie ook de adel afgeschaft. Na het verdwijnen van Napoleon in 1815 herstelde koning Willem I de adel in onze gewesten. Er kwam geen collectieve genoegdoening, maar edelen konden wel individueel een aanvraag indienen. Maar omdat het grootgrondbezit afgeschaft was, werd de titel niet langer aan het patrimonium gelinkt, maar aan de naam. België telt zo'n 25.000 tot 30.000 edellieden, de meesten hebben geen titel.



Zo vader, zo zoon

"Eddy Merckx is eerst in de adelstand opgenomen en nadien baron geworden," legt Janssens uit. Een titel betekent meer prestige, je wordt in de hiërarchie opgenomen. Janssens herinnert aan de verschillende adellijke titels, van hoog naar laag: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron en ridder. De eerste drie worden niet toegekend en zijn dus het voorrecht van de oude adel. "De adellijke titels die nu nog toegekend worden, zijn niet erfelijk. Axel Merckx behoort wel tot de adel omdat zijn vader ertoe behoort, maar de titel van baron heeft hij niet. Ook zijn kinderen behoren tot de adel, maar alleen de zonen geven hem door."



Van de Wolstraat naar de Woluwes

Tot halverwege de negentiende eeuw woonde de Brusselse adel binnen de stadswallen, bijvoorbeeld in de Wolstraat en de Warande. Toen in 1860 de belastingen op de invoer van consumptiegoederen werd afgeschaft, kwam de bevolking van de randgemeenten volop tot ontwikkeling. De adel begon toen uit te zwermen, eerst naar de Leopoldswijk en de Wetstraat, later naar de Woluwes, Ukkel en Elsene.



"De edelen wonen vaak in dezelfde wijken of gemeenten." Dat is, legt Janssens uit, duidelijk te zien in het Carnet Mondain, de jaarlijkse adressenlijst waarin heel de beau monde, en dus het gros van de adel, terug te vinden is. "Voor de aristocratische woningen die in de Leo­poldswijk opgetrokken werden, golden strenge voorschriften. Het stratenplan van de wijk vormt een mooi dambord," legt Janssens uit. "Maar lang is de adel niet in de Leopoldswijk gebleven. Tussen 1800 en 1900 is de Brusselse bevolking vertienvoudigd, van 75.000 naar 750.000 inwoners." Na 1860 kwamen de eerste aristocraten in de Leopoldswijk wonen, in het interbellum verlieten ze de buurt alweer. De Leopoldswijk en de Wetstraat werden opgenomen in het stadsgewoel, en daar houdt de adel niet van. Destijds was de Wetstraat een opeenvolging van prestigieuze herenhuizen met koetspoorten. "De edellieden trokken richting Tervurenlaan, Ukkel en de Woluwes." Janssens wil van de gelegenheid gebruikmaken om het wijdverbreide misverstand recht te zetten als zou de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van het aristocratische karakter van de Leopoldswijk: "In de jaren 1930 was de adel er al weg en werden de panden door kantoren en banken ingenomen; de Wetstraat is van in 1958 een autosnelweg: geen omgeving waar mensen met geld en aanzien willen wonen."



Royalistisch, kerkelijk, conservatief

De adel heet kerkelijker te zijn dan de gemiddelde Belg. Maar dat is zeer moeilijk te meten, zegt Paul Janssens. Het aantal roepingen is een slecht criterium geworden, en of de adel vaker ter kerke gaat dan de gemiddelde Belg, is niet bekend.



Kerkelijkheid impliceert meestal een traditionele gezinsmoraal, maar ook binnen de adel is scheiden niet langer een taboe. Wel hebben ze meer kinderen dan de gemiddelde Belg, maar demografisch onderzoek toont aan dat ook de adel ondertussen aan geboorteplanning doet, wat twee generaties geleden volgens Janssens nog ondenkbaar was.



Dat de gehechtheid aan de monarchie groter is dan bij de rest van de bevolking, is volgens Janssens evident. In de huiskamers van prinsen en hertogen hangen niet zelden foto's waarop de koninklijke familie samen met hen te zien is. "De afstand tussen de koninklijke familie en de rest van de adel is kleiner geworden; koningin Astrid was de laatste van koninklijken huize."



Adel is politiek conservatief

In 1830 waren de meeste edellieden vóór de Belgische revolutie en tegen Willem I, zegt Janssens. Aanvankelijk vond je zowel binnen de katholieke als binnen de liberale partij adel. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de eerste Schoolstrijd losbrak, schakelden de liberale edelen massaal over naar de katholieke partij. Het heeft geduurd tot het Schoolpact van 1958 (liberalen en socialisten waren ervan overtuigd dat dat pact het einde van de christen-democratie in zou luiden) voordat liberaalgezinden van binnen de christendemocratie, ten noorden é
TESSENS Lucas
Woodstock 15 augustus 1969
Edited: 200612031489
En toen was er Woodstock. De puriteinse USA wisten niet wat hen overkwam. Het protest tegen de oorlog in Viëtnam (de schrille en schrijnende klanken uit de gitaar van Jimmy Hendrix) en dus het in vraag stellen van de premissen van de Koude Oorlog, de sexuele revolutie (het naaktzwemmen en het gebruik van de pil), het afwijzen van de overconsumptie, het onderhuids verlangen naar samenhorigheid (Need a little help from my friends, Beautiful People, ...), de verzoening tussen blank en zwart, het verwerpen van nationalisme en imperialisme, ... Alles is aanwezig in de smeltkroes van die gevaarlijke generatie die tot transatlantische verstandhouding komt. Het zijn enkele jaren waarin Europa zich in Amerika herkent, en vice versa. De beweging zal echter doodlopen op de perverse, want uitgelokte of - beter - geënsceneerde, oliecrisis van 1973 (*) en de economische crisis met torenhoge werkloosheid die er het gevolg van is. Hebt u er al eens bij stil gestaan dat in 1973 niet de oliesjeiks de lakens uitdeelden in de Arabische oliestaten maar dat het de Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen waren. En bedenk eens het volgende: elke spanning die ontstaat of wordt opgewekt in het Midden-Oosten, en die automatisch de olieprijzen de hoogte indrijft, komt de Texaanse oliebaronnen ten goede. Omdat presidentsverkiezingen in de VS gewonnen worden mits de inzet van enorme geldmassa's in publiciteitscampagnes op TV, is het draineren van dollars naar deze of gene staat van kapitaal belang. De blijvende druk op de ketel van het Midden-Oosten garandeert met andere woorden het in stand houden van de republikeinse dominantie in de VS. Aldus heeft de controle over de geopolitieke spanning een rechtstreekse invloed op de binnenlandse VS-politiek.
(*) Over de oliecrisis van 1973 schreef Leonard Mosley in Grof Spel (1974) het volgende: "Het is veelbetekenend, dat terwijl het voornaamste doelwit van het Arabisch olieëmbargo de 'onvriendelijke' Verenigde Staten waren, geen van de Amerikaanse maatschappijen werd genationaliseerd en in Saoedi-Arabië, Koeweit, Aboe Dhabi, de Neutrale Zone, Bahrein en Oman bleven maatschappijen als Exxon, Gulf, Socal, Mobil en Getty haar enorme winsten maken uit de bedragen die de 'vriendelijke' Europese naties gedwongen werden te betalen voor olie uit het Midden-Oosten." (onze cursivering, pagina 465)

Op de knieën zal de generatie van 1968 moeten smeken om werk ... Enkel diegenen die in eer en geweten willen spreken over de periode vóór en na 1968 weten welke kentering er toen heeft plaats gegrepen: het bespreekbaar maken van eender welk onderwerp en het afwijzen van (vaak religieus geïnspireerde) taboes. Op sexueel vlak werd een doorbraak geforceerd en de brede emancipatie beloofde te leiden naar maatschappelijk aanvaarde volwassenheid. In die context was er ook plaats voor welbegrepen feminisme (The woman is the nigger of the world). Juist daarom is het doodjammer en schandalig dat vandaag (in 2005) de westerse maatschappij tenonder gaat in puberale excessen, uitgedragen door massamedia die het alleen te doen is om kijkcijfers en geldgewin.
Is het helemaal onbegrijpelijk dat de islam zo'n maatschappijmodel verwerpt en bestrijdt? Wat hebben de 'blanke honden' te bieden? En hoe diep zit niet de angst dat het afleggen van sluier en burka morgen overgaat in het omarmen van de holle 'cultuur' van de blote tieten en de wiegende konten? Zolang de westerse wereld geen fatsoen en geen eerlijke verdeling van de rijkdom kan bieden, zolang zal de oppositie van de harde kern aan de overzijde groeien.
Vlaanderen is ten prooi gevallen aan media-managers die openlijk het 'opleuken' van de persberichtgeving en zelfs van de informatieve programma's van de openbare omroep propageren. De strijd om de culturele ontvoogding is stil gevallen en in een scherpe U-bocht loopt nu het pad terug naar de onderdrukking die van alle tijden is. We amuseren ons kapot ... gehuld in onmondigheid.
Kennedy Paul
about his book The Rise and Fall of the Great Powers and the USA
Edited: 200609280901
In een interview met het Egyptische weekblad Al-Ahram op 28/9/2006, zei Kennedy: "My book came out in January 1988. It was strongly attacked by American conservatives who said that the economic recovery of the United States in the 1990s proved the thesis wrong. I would rather say that if they had read my book carefully they would have seen I was talking about the tendency or the dangers of IMPERIAL OVERSTRETCH for America by the year 2010."
Le Soir
BRUXELLES Un arrêt favorable à Sterop
Edited: 200504071620
BORLOO,JEAN-PIERRE
Page 6
Jeudi 7 avril 2005
BRUXELLES
Un arrêt favorable à Sterop
L'arrêt de la cour d'appel de Bruxelles est, dans les grandes lignes, favorable à Luc Eykerman et à son épouse. Les patrons du groupe pharmaceutique Sterop, autrefois accusés de vendre au tiers-monde des médicaments périmés, ont été acquittés pour la plupart des préventions (faux, escroquerie, vente de psychotropes, mauvais étiquetage...). Seuls subsistent trois faits mineurs pour lesquels la cour d'appel leur a juste accordé une simple déclaration de culpabilité. Les juges ont tenu compte du dépassement du délai raisonnable, les faits datant de 1992 à 1996. (J.-P. B.)
STOX Yves
Een paradoxale scheiding De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Edited: 200412320001
jura falconis, jg 41, 2004-2005, nr 1, p. 37-62

Een paradoxale scheiding
De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Yves Stox
Onder wetenschappelijk begeleiding van Prof. Dr. A. Alen en F. Judo
VOORWOORD
De Belgische Grondwet bevat met de artikels 20, 21, 22 en 181 een uitgebalanceerd systeem inzake de verhouding Kerk-Staat. Deze bepalingen werden nooit aangepast en zijn een toonbeeld van de degelijkheid van de oorspronkelijke grondwet uit 1831. De huidige laatmoderne maatschappij verschilt echter sterk van de 19e eeuwse maatschappij. Terwijl de culturele diversiteit en de religieuze heterogeniteit[1] gegroeid zijn, zijn de grondwettelijke bepalingen echter onveranderd gebleven.
De verklaring tot herziening van de Grondwet van 9 april 2003 werd door de Mouvement Réformateur aangegrepen om een strikte scheiding tussen Kerk en Staat in art. 1 G.W. op te nemen. Het voorstel werd weliswaar niet aanvaard, maar vormt de ideale aanleiding om, na een inleidende ideeëngeschiedenis, de verhouding tussen Kerk en Staat in België opnieuw voor het voetlicht te brengen. Aangezien in de “Verantwoording” van het eerste amendement bij het “Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet” uitdrukkelijk verwezen wordt naar Frankrijk, komt vanzelfsprekend ook de verhouding tussen Kerk en Staat bij onze zuiderburen aan bod. Vervolgens wordt het voorstel van de Mouvement Réformateur getoetst aan het juridische kader. Tenslotte wordt een alternatief voorstel onderzocht, namelijk de mogelijkheid van een concordaat.
1. INLEIDENDE IDEEËNGESCHIEDENIS
Op 22 en 23 februari 2003 hield de Mouvement Réformateur in Louvain-la-Neuve een congres met als titel “Engagement citoyen”. De werkgroep “Citoyenneté et Démocratie” van dit congres wees op de waardevolheid van het pluralisme. De maatschappij is een geheel van individuen en elk individu kan zijn eigen opvatting van het “goede leven” kiezen. De overheid dringt de individuen geen opvatting op, maar biedt enkel de mogelijkheid om door een democratisch debat consensus te bereiken. De overheid kan echter deze rol enkel vervullen indien alle burgers de politieke conceptie accepteren die de overheidsinstellingen beheerst. Daarom stelde de werkgroep voor om in de Grondwet de principes te bepalen die de door de overheid erkende organisaties of financieel ondersteunde partijen moeten respecteren.[2] Dergelijk voorstel kan een verregaande invloed hebben op het systeem van erkende erediensten.
Dezelfde politieke filosofie zet de Mouvement Réformateur ertoe aan om de laïcité van de overheid in de Grondwet op te laten nemen. De overheid mag geen religie of filosofische stroming begunstigen, maar moet de meningsvrijheid garanderen aan al haar burgers. Het principe van laïcité houdt in dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen: “(Le principe de la laïcité) ne signifie pas que l’Etat privilégie un courant philosophique ou religieux par rapport à un autre. Au contraire, la laïcité de l’Etat est une garantie de pluralisme des convictions philosophiques et religieuses. C’est l’autorité de l’Etat, supérieure à toute autre autorité, qui fait respecter la liberté de pensée et donc de conviction philosophique et religieuse au bénéfice de tous les citoyens. La laïcité de l’Etat, c’est l’Etat équidistant à l’égard de toutes les religions ou convictions philosophiques.”[3]
Het mag dan ook niet verwonderen dat de heer Maingain (FDF/MR) in de Kamer[4] en de heren Roelants de Vivier (MR) en Monfils (MR) in de Senaat[5] het Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet van de regering op identieke wijze trachtten te amenderen. Dit “humanisme démocratique” maakte ondanks de verwerping van het amendement deel uit van het programma van de MR voor de verkiezingen van 18 mei 2003[6].
2. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT
De verhouding tussen Kerk en Staat heeft betrekking op de relaties tussen de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en hun leden enerzijds en de overheid anderzijds, alsook op de regelgeving die deze relaties beheerst.[7] Hierbij moet opgemerkt worden dat het begrip ‘Kerk’ niet enkel verwijst naar de christelijke godsdiensten, maar ook andere confessies en zelfs niet-confessionele levensbeschouwingen.[8] Het Belgische interne recht hanteert niet het begrip ‘Kerk’, maar wel de begrippen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’. ‘Eredienst’ werd door de auteurs van de Pandectes belges beschouwd als “l’hommage rendu par l’homme à la Divinité”, waarbij vooral “l’exercice public d’une religion” benadrukt wordt.[9] Steeds zal de rechter in concreto nagaan of het om een eredienst gaat.[10] De niet-confessionele levensbeschouwing werd pas in 1993 in de Grondwet opgenomen in het financieel getinte art. 181. Het onderscheid lijkt vooral een historisch karakter te zijn. Men kan zich immers vragen stellen bij de zinvolheid van het hanteren van een al te rigide onderscheid tussen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’.
De houding die de overheid aanneemt ten aanzien van de verschillende levensbeschouwingen is onderhevig aan de gehanteerde politieke opvattingen. Deze houding kan resulteren in een confessioneel systeem, een laïcaal systeem of een mengvorm waarbij samenwerking centraal staat.[11] Deze onderverdeling is archetypisch en moet gerelativeerd worden.
Ten eerste kan de overheid het beginsel van eenheid gebruiken. Zowel de volledige afwezigheid van religieuze neutraliteit is mogelijk, als de positieve religieuze neutraliteit zijn mogelijk. In het eerste geval heeft ofwel de staatsoverheid een overwicht op de religieuze overheid, ofwel de religieuze overheid een overwicht op de staatsoverheid. Soms wordt deze vorm gemilderd door de oprichting van nationale kerken en spreekt men van formeel confessionalisme. In het tweede geval ontstaat een ongelijke behandeling tussen de verschillende erediensten die aanwezig zijn in een bepaalde staat door een systeem van erkenning van erediensten. De positieve religieuze neutraliteit kan men niet alleen in België terugvinden, maar ook in Frankrijk.[12]
Ten tweede kan de overheid het beginsel van scheiding gebruiken. De staat zal zich actief verzetten tegen religieuze groeperingen of zich totaal onthouden. Deze religieuze onverschilligheid beheerst Frankrijk, uitgezonderd Alsace-Moselle.[13]
Ten derde kan een samenwerking ontstaan tussen de staat en de religieuze groeperingen door een systeem van overeenkomsten en verdragen (concordaten), die de belangen van de laatste behartigen. Dit samenwerkingsmodel kan variëren van het beginsel van eenheid tot het beginsel van eerder scheiding zoals in België.[14]
Volgens Ferrari is deze driedeling verouderd. De formele aspecten in de verhouding tussen Kerk en Staat worden te sterk benadrukt, terwijl de inhoudelijke aspecten niet voldoende aan bod kunnen komen.[15] Vandaar dat zowel België als Frankrijk bij twee van de drie systemen ondergebracht kunnen worden. De onderverdeling die op het eerste zicht zeer duidelijk lijkt, blijkt tegenstrijdigheden te generen.
3. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN BELGIË
3.1. DE GRONDWETTELIJKE POSITIE VAN DE EREDIENSTEN IN BELGIË
3.1.1. Discussie in het Nationaal Congres
In het Zuiden van Koninkrijk der Nederlanden ontstonden er twee oppositiebewegingen. De katholieke oppositie verzette zich tegen de godsdienst- en schoolpolitiek van Willem I. De liberale oppositie ijverde voor een parlementair regime, een rechtstreeks verkozen wetgevende macht, het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid en de erkenning van een aantal vrijheden, waaronder de godsdienstvrijheid en de vrijheid van onderwijs. Rond aartsbisschop de Méan was een handvol mensen werkzaam die zochten naar een oplossing voor de gespannen houding tussen Kerk en Staat in de Nederlanden, “de School van Mechelen”. Deze groep vertrok van de theologische opvatting dat God niet twee Machten kan hebben ingesteld die tegenstrijdig waren met elkaar. De Kerk en Staat behoorden in de Nederlanden dus niet gescheiden te zijn, maar er moest een zekere band zijn tussen beiden. De Staat zou effectief moeten waken over het behoud van de cultusvrijheid en zo de cultussen beschermen.[16] De clerus zou ook een wedde moeten krijgen, die als een vergoeding werd beschouwd voor de aangeslagen goederen tijdens de Franse Revolutie.[17] Vanaf 1827 groeiden beide oppositiebewegingen naar elkaar toe en in 1828 was “de Unie der opposities” – het zogenaamde “monsterverbond” – een feit. Oorspronkelijk was slechts een kleine meerderheid voorstander van een afscheuring. Onder invloed van de Juli-revolutie in Parijs op 27 juli 1830 werden de gemoederen opgezweept en de beroerten in Brussel leidden tot dat wat niemand had verwacht, een politieke revolutie.[18]
Nadat het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, vatte men aan met de uitbouw van de nieuwbakken staat. Het opstellen van een grondwet was één van de belangrijkste bekommernissen. Een commissie onder leiding van baron de Gerlache redigeerde een ontwerp van grondwet en de Belgen verkozen een grondwetgevende vergadering, het Nationaal Congres. In november 1830 verscheen in Leuven een anonieme brochure[19] van “de School van Mechelen”. Er stond te lezen dat de Grondwet de godsdienstvrijheid onaantastbaar moest maken. Tevens moest de vrijheid van eredienst gegarandeerd worden. Ook kwam men op voor de vrijheid van de cultus: alleen individuen mogen worden vervolgd indien ze in het kader van een cultus de publieke orde verstoren of strafbare feiten plegen. Daarenboven werd gepleit voor een gewaarborgde vrijheid van onderwijs en voor het beginsel van niet-inmenging in kerkelijke aangelegenheden, onder andere denkend aan de briefwisseling tussen de clerus en de Heilige Stoel. Bovendien werd een wedde voor clerici noodzakelijk geacht; deze wedde werd beschouwd als een rechtvaardige compensatie voor de inbeslagname van kerkelijke goederen. Op 17 december 1830 werd in het Nationaal Congres, waarin de meerderheid bestond uit katholieken, een brief voorgelezen van aartsbisschop de Méan, waarin hij de stellingnamen van de anonieme brochure diplomatisch parafraseerde. Toen het debat in het Nationaal Congres op 21 december 1830 aanving, werd al snel duidelijk dat de vrijheden niet alleen ten aanzien van het katholicisme zouden kunnen gelden, maar ook ten aanzien van de minderheidsgodsdiensten. De niet-confessionele levensbeschouwing kwam echter helemaal nog niet aan bod. Het ontwikkelde systeem van vrijheid zou echter vooral de katholieke godsdienst ten goede komen. De ruimdenkendheid van de katholieken had dus eigenlijk weinig om het lijf. De verspreiding van de andere godsdiensten was immers uiterst minimaal.Het is interessant om de uiteindelijke tekst van de Grondwet te vergelijken met de door de Méan voorgestelde tekst: de wensen van de aartsbisschop werden in grote mate ingewilligd door het Nationaal Congres.[20]
Zowel de katholieken als de liberalen deden bij het opstellen van de Grondwet toegevingen. De afschaffing van het capaciteitskiesrecht en de voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk zijn de voornaamste toegevingen langs katholieke zijde.[21] De liberalen aanvaardden dan weer de vrijheid van eredienst, de staatswedde voor de bedienaars van de eredienst en een staatstoelage voor onderhoud en oprichting van bidhuizen. Ook de vrijheid van onderwijs werd erkend.[22]
De eensgezindheid tussen liberalen en katholieken bleek echter bijzonder broos. Reeds op 22 december viel de liberaal Defacqz het ontwikkelde systeem van vrijheid aan. Hij pleitte voor een overwicht van de Staat op de Kerk “parce que la loi civile étant faite dans l’intérêt de tous, elle doit l’importer sus ce qui n’est que de l’intérêt de quelques-uns”. Door zijn scherp verzet werpt Defacqz een helder licht op sommige van de katholieke drijfveren. Het bleef echter een kleine minderheid van combatieve anti-katholieke liberalen die oppositie voerde. [23] Uiteindelijk aanvaarde het Nationaal Congres de vrijheid van eredienst en een bijzondere scheiding tussen Kerk en Staat.[24] [25]
3.1.2. Godsdienstvrijheid in de Belgische Grondwet
a. Art 19 G.W.
Dit artikel beschermt een aantal facetten van de godsdienstvrijheid. In de eerste plaats wordt de vrijheid van eredienst sensu stricto beschermd. Deze vrijheid moet ruim worden opgevat. Niet alleen het behoren tot een geloofsovertuiging, maar ook de overgang van het ene geloof naar het andere wordt beschermd. De term ‘eredienst/culte’ toont aan dat men vooral aandacht had voor externe aspecten. Een duidelijke definitie van ‘eredienst/culte’ is niet voorhanden, al heeft men dat wel betracht.[26] Het meest belangwekkende element is zeker en vast de uitwendig en publieke manifestatie van religieuze gevoelens.[27]
In de tweede plaats wordt de vrije openbare uitoefening door de Grondwet gewaarborgd. Art. 26, tweede lid bepaald echter dat bijeenkomsten in de open lucht aan de politiewetten onderworpen blijven. Dit artikel wordt door het Hof van Cassatie geïnterpreteerd als een algemeen beginsel dat toegepast kan worden op alle rechten en vrijheden zodra die op openbare wegen en pleinen worden uitgeoefend, zodat preventieve maatregelen mogelijk zijn. De Raad van State is een andere mening toegedaan en vindt dat, behalve voor vergaderingen in open lucht de Grondwet preventieve maatregelen verbiedt. Dit verbod geldt ook voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van eredienst indien deze vrijheden op een openbare plaats uitgeoefend zouden worden.[28]
In de derde plaats waarborgt de art. 20 de vrijheid van meningsuiting, een recht dat ontegensprekelijk raakvlakken vertoont met de vrijheid van eredienst.
In de vierde plaats worden de grenzen van de godsdienstvrijheid in het laatste lid van art. 20 afgebakend. De vrijheden gelden enkel behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Zo wordt het risico vergroot dat een conflict kan ontstaan tussen aspecten van een religieus systeem en de regels die behoren tot de openbare orde van de overheid indien het gedachtegoed van dat religieus systeem afwijken van het waardepatroon van de maatschappij.[29] Ofwel geeft de overheid dan de rechter de mogelijkheid om de grondrechten ten opzichte van elkaar af te wegen, ofwel acht de overheid bepaalde waarden zo belangrijk dat het strafrecht de afdwingbaarheid van deze waarden veilig moet stellen en zo de discussie eenzijdig te beëindigen.[30]
b. Art. 20 G.W.
De negatieve formulering van deze bepaling toont dat de positieve en de negatieve godsdienstvrijheid – het verbod van dwang om zich te bekennen tot een bepaalde levensbeschouwing – onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Sinds oudsher worden in de rechtsleer een aantal concrete situaties gedetailleerd bestudeerd, dat is echter niet het onderwerp van deze studie.[31]
c. Art. 21 G.W.
Terwijl in art. 19 en 20 de godsdienstvrijheid – met een positief en een negatief aspect –abstract geformuleerd wordt, krijgt in art 21 de godsdienstvrijheid inhoudelijk gestalte. Het biedt religies de vrijheid om zich intern te organiseren zoals zij dat wensen. Deze vrijheid omvat drie concrete aspecten. Ten eerste heeft de Staat niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van enige eredienst. Ten tweede de mogelijkheid voor bedienaars van de eredienst om vrij briefwisseling te houden met hun overheid. Ten slotte wordt ook gegarandeerd dat de akten van de kerkelijke overheid openbaar mogen worden gemaakt, maar met behoud van de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking.[32]
Vrijheid van eredienst betekent dus niet alleen de eerbied voor de individuele overtuiging, maar ook het erkennen van de gemeenschapsvormen van een gelovige overtuiging. Het was mogelijk dat de Belgische grondwetgever zich enkel zou beperkt hebben tot de individuele vrijheid en –zoals in Frankrijk – zich niet ingelaten zou hebben met collectieve vormen. In België bezitten echter ook religieuze genootschappen over eigen fundamentele rechten.[33] Daar vloeit niet uit voort dat de overheid geen enkele vorm van controle mag uitoefenen.[34] Wel vloeit hier uit voort dat de profane rechter geen uitspraak mag doen over theologische vraagstukken. Toch kan men een evolutie vaststellen waarbij seculiere rechters zich meer en meer inmengen, ten nadele van de autonomie van religieuze organisaties.[35]
d. Art. 181 G.W.
Art. 181 is het laatste grondwetsartikel dat rechtsreeks van toepassing op de verhouding tussen Kerk en Staat en organiseert de financiering van de erediensten. Katholieke auteurs beschouwden de staatsbezoldiging van bedienaars van de eredienst als compensatie van de tijdens de Franse Revolutie genaaste kerkelijke goederen.[36] Liberale auteurs benadrukten vooral het sociale nut van de eredienst aan de bevolking.[37] Indien het sociale nut benadrukt wordt, dient de bedienaar van de eredienst de opgedragen taak werkelijk waar te nemen.[38] Door de grondwetsherziening van 1993 kreeg art. 181 een tweede lid, waardoor ook “morele lekenconsulenten” in aanmerking komen voor een staatswedde. Deze uitbreiding is weliswaar juridisch overbodig opdat de Staat lekenconsulenten een wedde zou kunnen toekennen, maar deze grondwettelijke erkenning benadrukt de maatschappelijke waarde van de vrijzinnigheid.[39]
Niet elke eredienst verkrijgt echter dergelijke financiering, art. 181, lid 1 geldt enkel en alleen voor de bedienaars van de erkende erediensten. De erkenning als eredienst van een geloofsovertuiging is niet steeds even vanzelfsprekend en heeft een aantal belangrijke rechtsgevolgen.
3.2. DE ERKENDE EN DE NIET-ERKENDE EREDIENSTEN
Het Nationaal Congres wou in de Grondwet geen privileges ten voordele van een eredienst toekennen, alle erediensten worden op voet van gelijkheid beschouwd. Ondanks deze principiële gelijkwaardigheid van alle erediensten zijn sommige erediensten door de overheid erkend. Deze erkenning is noodzakelijk opdat de bedienaars van de eredienst bezoldigd zouden worden door de overheid. Het Belgische systeem lijkt water en vuur met elkaar te willen verzoenen: er is een systeem van absolute gelijkheid tussen alle maatschappelijk aanvaarde godsdiensten, met een systeem van privileges voor de erkende erediensten.[40]
De erkenning gebeurt door of krachtens de wet. De wetgever moet zich hierbij onthouden van elk waardeoordeel en mag zich enkel laten leiden door de vraag of de bewuste eredienst aan de godsdienstige behoeften van (een deel van) de bevolking beantwoordt.[41] Bij de evaluatie dienen de grote christelijke kerken minstens impliciets als toetssteen. Schijnbaar atypische kenmerken van andere religies worden daardoor vaak negatief ingeschat, waardoor de erkenning niet plaatsvindt.[42]
De erkenning brengt ontegensprekelijk belangrijke voordelen met zich mee. Niet alleen verkrijgen de bedienaars van deze erediensten een wedde en nadien een pensioen, maar ook wordt de rechtspersoonlijkheid toegekend aan de openbare instellingen die zijn belast met het beheer van de goederen die voor de eredienst zijn bestemd.[43] Erediensten die niet erkend zijn mogen dan al genieten van de grondwettelijk beschermde godsdienstvrijheid, zij moeten echter een beroep doen op de vzw-techniek om rechtspersoonlijkheid te verwerven.[44]
Ook aan gemeenten en provincies worden, respectievelijk in de Gemeentewet en in de Provinciewet, verplichtingen opgelegd te voordele van de erkende erediensten. Een eerste reeks bepalingen zijn ten voordele van de bedienaars van de eredienst. Zij hebben betrekking op de huisvesting van de bedienaar van de eredienst. Een tweede reeks bepalingen handelen over het beheer van de goederen van de erkende erediensten. Zo worden financiële tekorten aangezuiverd en ontvangt men financiële steun voor de groeve herstellingen aan of de bouw van gebouwen bestemd voor de eredienst. Daarnaast zijn er nog een aantal suppletieve bepalingen in verband met aalmoezeniers in het leger en in de gevangenissen, zendtijd op de openbare omroep en de organisatie van godsdienstonderricht.[45]
De erkenning van bepaalde erediensten en de daar uit voortvloeiende toekenning van een aantal voordelen is een afwijking van het “beginsel van de gelijke behandeling van alle erediensten”. Toch neemt men aan dat het toekennen van voordelen aan erkende erediensten hieraan geen afbreuk doet. De Belgische grondwetgever beoogde immers geen absolute gelijkheid. Indien de overheid de steun zou beperken tot slechts één eredienst, dan zou men wel kunnen spreken van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel.[46] Het lijkt wel alsof er zich door de tijd heen een bijzondere vorm van het gelijkheidsbeginsel ontwikkeld heeft, waarop de ondertussen klassieke criteria van het Arbitragehof niet van toepassing zijn.
3.3. DE BURGERLIJKE RECHTER IN KERKELIJKE AANGELEGENHEDEN
3.3.1. Problematiek
De fundamentele regels die de verhouding regelen tussen de Belgische Staat en de Kerk kunnen we terugvinden in art. 19, 20, 21, 181 G.W.[47], maar ondanks de vele jurisprudentie en juridische geschriften is de problematiek van de burgerlijke rechter die gevraag wordt om tussen te komen in kerkelijke aangelegenheden gebleven.[48]
Het staat buiten kijf dat art. 21 de hoeksteen vormt van deze problematiek. De Staat mag zich niet bemoeien met de benoeming of de afzetting van de bedienaren van de eredienst. Evenmin mag de burgerlijke rechter zich niet bevoegd verklaren om een religieuze dissidentie te beslechten, de orthodoxie van een stelling te beoordelen of religieuze motieven naar waarde te schatten.[49] De rechter kan zich dus enkel uitspreken over de formele procedure. Maar deze controle is echter niet eenduidig. Men kan variëren van een louter formele toetsing van een kerkelijke beslissing tot een kwalitatief beoordelen van de kerkelijke procedure aan de hand van algemene rechtsbeginselen.[50]
3.3.2. Een formele toetsing
Aanvankelijk is de burgerlijke overheid heel terughoudend. De hoven en rechtbanken beperken hun controle van de kerkelijke beslissingen tot een louter formele toetsing. De rechterlijke macht beperkt zich in zaken van benoeming of afzetting tot de vaststelling dat dit gebeurde door de bevoegde kerkelijke overheid, zonder hierbij de wettigheid van deze beslissing te onderzoeken. [51]
Men kan echter een onderscheid maken tussen twee soorten formele toetsing en zo een minimale wijziging in de rechtspraak – in de lijn der verwachtingen – waarnemen. In principe zal de rechter alleen nagaan of de benoeming van een opvolger door de bevoegde kerkelijke overheid is gebeurd. Geleidelijk gaan de hoven en rechtbanken ook controleren of de beslissing tot herroeping door een bevoegde kerkelijke overheid is genomen.[52] Meer dan een formele toetsing blijft echter uitgesloten.
3.3.3. Een controle van de interne procedure
Deze klassieke leer wordt ter discussie gesteld met het arrest van 5 juni 1967, geveld door het Hof van Beroep van Luik. Het hof bevestigt weliswaar de klassieke 19e eeuwse leer en stelt dat de rechter mag nagaan of een bepaalde beslissing door de bevoegde kerkelijke overheid werd genomen, maar voegt hieraan toe dat deze kerkelijke overheid in alle onafhankelijkheid kan handelen overeenkomstig de eigen regels.[53] Tegen het arrest werd cassatieberoep ingesteld, maar het Hof van Cassatie verwierp het beroep met het arrest van 25 september 1975.[54] Het Hof van Cassatie deed echter geen uitspraak over het respecteren van de eigen regels, maar wees een middel af dat gericht was tegen een ten overvloede gegeven motief.[55] Een impliciete evolutie heeft plaatsgevonden. De louter formele controle wordt namelijk uitgebreider geïnterpreteerd: er vindt nu ook een controle van de interne procedure plaats, maar zonder dat deze als zodanig gekwalificeerd wordt.[56] In de rechtsleer werd echter reeds eerder gepleit voor het respecteren van de eigen regels.[57]
3.3.4. Op zoek naar kwaliteitsgaranties voor procedureregels
Het Hof van Beroep van Bergen zet met het arrest van 8 januari 1993 een nieuwe stap. De rechter mag niet alleen nagaan of de kerkelijke overheid bij het nemen van een beslissing conform de eigen regels heeft gehandeld, maar mag ook oordelen of deze regels voldoende (procedurele) garanties bieden. Hierbij verwijst het Hof naar algemene rechtsbeginselen zoals het recht van verdediging en het beginsel van tegenspraak.[58] De rechter zou zich dus niet beperken tot een louter formele toetsing van de bestreden beslissing en de controle van de kerkelijke procedure, maar zou ook een kwaliteitscontrole uitvoeren op deze procedure.[59]
Tegen dat arrest wordt echter cassatieberoep ingesteld en met het arrest van 20 oktober 1994 verbreekt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Bergen.[60] De vrijheid van eredienst (art. 21 G.W.) laat niet toe dat de hoven en rechtbanken onderzoeken of de kerkelijke procedure voldoende waarborgen biedt. Het Hof zich weliswaar niet uit of de maxime patere legem quam ipse fecisti[61] van toepassing is, maar argumenteert “dat de benoeming en de afzetting van de bedienaren van een eredienst alleen maar door de bevoegde geestelijke overheid kunnen geschieden overeenkomstig de regels van de eredienst[62], en, anderzijds, dat de godsdienstige discipline en rechtsmacht op die bedienaren van de eredienst alleen door dezelfde overheid overeenkomstig dezelfde regels kunnen worden uitgeoefend”. Hof expliciteert niet in hoeverre de toepassing van “de regels van de eredienst” onderworpen kunnen worden aan profaan rechterlijke controle, maar suggereert in ieder geval de mogelijkheid.[63] Met het arrest van 3 juni 1999, in dezelfde zaak, herhaalt het Hof – in verenigde kamers – zichzelf.[64]
De twee arresten van het Hof van Cassatie hebben er niet voor kunnen zorgen dat het onweer is gaan liggen. Een minderheid in de rechtsleer stelt dat de arresten niets verandert hebben en verdedigt de traditionele leer. Een andere minderheid is voorstander van een kwaliteitscontrole. De tussenpositie, die focust op de vraag of de kerkelijke overheden de interne regels gerespecteerd hebben en de maxime patere legem quam ipse fecisti toepassen, lijkt echter het meest voor de hand liggend.[65] [66]
3.4. KWALIFICATIE
In de Grondwet wordt nergens de verhouding tussen de overheid en de erkende erediensten of niet-confessionele levensbeschouwingen gekwalificeerd. Tijdens de voorbereidende werken werd weliswaar geopperd dat de verhouding tussen Kerk en Staat als een totale, volledige en absolute scheiding aangeduid moest worden.[67] Deze scheiding is in de praktijk nooit gerealiseerd. Elementen die enerzijds een scheiding aanduiden zijn bijvoorbeeld de afwezigheid van een staatsgodsdienst, de niet-toepasselijkheid van het canoniek recht in burgerlijke zaken, de laïcisering van de openbare ambten en ambtenaren, de niet toekenning van rechtspersoonlijkheid aan kerkelijke verengingen. Anderzijds worden de erkende erediensten door de overheid gefinancierd, wat duidt op samenwerking.[68] De rechtsleer is zich bewust van deze dubbelzinnigheid. De meeste auteurs trachten dan ook allerlei begrippen in te voeren om deze dubbelzinnigheid te verwoorden. Soms heeft men het over een “onderlinge onafhankelijkheid”, een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding”. In ieder geval kan men stellen dat de verhouding in België tussen Kerk en Staat niet bestaat in een absolute scheiding en dat België geen état laïc is.[69]
4. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN FRANKRIJK
In tegenstelling tot België, wordt in Frankrijk de verhouding tussen Kerk en Staat wel gekwalificeerd in de Grondwet van 1958. De huidige Grondwet is echter niet de eerste tekst waarin het fenomeen religie behandeld wordt. De eerste belangrijke wet is ontegensprekelijk die wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat. Voor de eerste keer werd in Frankrijkun régime de liberté religieuse ingevoerd.[70] De kwalificatie laïque werd echter pas ingevoerd in de Grondwet van 1946, waarbijlaïcité gedefinieerd kan worden alsle principe de la séparation de la société civile et de la religion[71].
4.1. DE WET VAN 9 DECEMBER 1905 CONCERNANT LA SÉPARATION DES EGLISES ET DE L’ETAT : EEN LAÏCITÉ DE COMBAT[72]
Voor Koubi heeft de wet van 9 december 1905 elke pertinentie verloren. Sinds het begin van de 20e eeuw heeft het principe van de laïcité immers fundamentele veranderingen ondergaan.[73] [74] Niettemin achten een aantal auteurs het praktisch belang van art. 2, waarin Frankrijk beschreven wordt als een République indivisible, laïque, démocratique et sociale, van de huidige Grondwet onderworpen aan de lezing van de wet van 1905.[75] In ieder geval biedt een bespreking van deze wet een relevante historische inleiding tot de laïcité à la française.
Voordat de wet van 9 december 1905 aangenomen werd, bevonden de katholieke[76], de protestantse en de israëlitische eredienst zich als erkende eredienst in een bijzondere positie. De bedienaars van de eredienst werden bezoldigd door de overheid, die ook deelnam aan hun benoeming. Duguit deinst er niet voor terug om het te hebben over véritables services publics. De niet-erkende erediensten étaient soumis à un régime de police d’autant plus arbitraire.[77]
Duguit haalt twee kritieken aan op deze uitwerking van de verhouding tussen Kerk en Staat. Aan de ene kant zijn de niet-erkende erediensten zijn onderworpen aan een volstrekte willekeurig stelsel. Zij zouden het recht moeten hebben om vrij hun eredienst uit te oefenen. Het stelsel van de erkende erediensten is la négation même de principe de liberté religieuse et du principe de l’Etat laïque en voor de gelovigen un empiétement intolérable de prince sur le domaine de la conscience religieuse.Aan de andere kant schendt het stelsel van erkende van de erediensten het principe de liberté religieuse omdat burgers gedwongen worden om geld uit te geven aan religies die zij niet praktiseren.[78]
De aanhangers van het principe van delaïcité hebben zich op het einde van de 19e eeuwen en in het begin van de 20e eeuw zowel politiek als filosofisch krachtdadig geprofileerd.[79] De formulering van Duguit lijkt niet meer te zijn dan een abstrahering van de strijd die zich heeft afgespeeld. Delaïcitéfrançaiseheeft vorm gekregen in de strijd die gevoerd werd door de Overheid tegen voornamelijk de katholieke Kerk.[80] De laïcité is in de eerste plaats en strijd geweest tegen het triomferende klerikalisme van de 19e eeuw. Er ontstond een ware polemiek tussen cléricauxen laïcs, die gekenmerkt werd door een haast ongekende heftigheid. Toch was het de bedoeling van de Republiek om met de wet van 9 december 1905 een compromis mogelijk te maken en zo een séparation à l’amiable te creëren.[81]
Het doel van de wet van 9 december 1905 is om godsdienstvrijheid mogelijk te maken, waarbij aan elk individu de vrije uitoefening van zijn of haar eredienst wordt verzekerd (art. 1) Hiertoe wordt een volkomen neutraliteit van de Staat noodzakelijk geacht, zodat geen enkele eredienst erkend kan worden en geen enkele eredienst een bezoldiging of subsidiëring kan verkrijgen (art. 2). Naast de bepalingen in verband met de erkenning en subsidiëring van erediensten, kunnen nog vier andere categorieën onderscheiden worden. Een aantal bepalingen handelen over de gebouwen en voorwerpen van de eredienst. Ook de rechtsovergang van kerkelijke goederen komt aan bod. Hiertoe werd in een vierde categorie bepalingen deassociations cultuelles in het leven geroepen. Een vijfde categorie handelt over de politie van de erediensten.[82]
De katholieke Kerk verzette zich echter sterk tegen deze wet en weigerde om deassociations cultuelles op te richten, maar de overheid greep niet in en liet de katholieken toe om de gebouwen van de eredienst te gebruiken zonder dat die daartoe gerechtigd waren. Langzaam maar zeker ontstond een meer serene relatie tussen de katholieke Kerk en de Staat.[83]
4.2. DECONSTITUTIONALISATIE VAN DE LAÏCITÉ[84]
De kwalificatie laïque was ook in 1946 nog altijd erg beladen.[85] Toch werd in art 1 van de Grondwet van 1946 afgekondigd dat Frankrijk een“République indivisible, laïque, démocratique et sociale” is. In de Grondwet van 1958 werd in het huidige art. 1[86] daaraan toegevoegd dat “elle assure l’égalité devant la loi de tous les citoyens sans distinction d’origine, de race ou de religion. Elle respecte toutes les croyances”.[87] De laïcité heeft haar polemisch karakter verloren en maakt deel uit van de grote vrijheden aangezien de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de vrije uitoefening van een eredienst er door beschermd worden[88]; “juridiquement, la laïcité, c’est la neutralité religieuse de l’Etat”[89].
Het Franse constitutionele recht neemt de godsdienstvrijheid van het individu in ogenschouw en niet de collectieve godsdienstvrijheid.[90] Niet de individuele godsdienstvrijheid is problematisch, maar wel de collectieve uitoefening van de eredienst. De Republiek garandeert weliswaar het pluralisme, maar door haar jacobijnse en centralistische tendensen worden intermediaire lichamen, minderheden of etnische, culturele of religieuze gemeenschappen niet (h)erkend.[91]
4.3.UNE SÉPARATION BIEN TEMPÉRÉE
Toch is de verhouding tussen Kerk en Staat veel complexer en diffuser dan dewet van 9 december 1905 en Franse Grondwet doen vermoeden. De wet van 9 december 1905 kadert in een radicaal antiklerikalisme, terwijl de huidige evenwichtsituatie nog het best omschreven kan worden als une séparation bien tempérée.[92] Terwijl de wet van 9 december 1905 de emanatie is van “la conception idéologique ou négative de la laïcité” bekrachtigen de grondwetten van 1946 en 1958 “la conception juridique ou positive de la laïcité”.[93]
Regelmatige en permanente subsidiëring van erediensten mag dan al niet mogelijk zijn (art. 2 van de wet van 9 december 1905). Toch kan de Franse staat activiteiten subsidiëren die plaatsvinden in een confessioneel kader, maar die van algemene aard zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, liefdadigheidsinstellingen, enz.). De Franse overheid moet eveneens bepaalde religieuze diensten rechtstreeks ten laste nemen (bijvoorbeeld aalmoezeniers in openbare instellingen, tehuizen en gevangenissen). Vanzelfsprekend moet de Franse overheid ook instaan voor de bezoldiging van de bedienaars van erediensten wanneer zij diensten verstrekken aan de overheid (bijvoorbeeld gemeentesecretaris, enz.). Priesters en geestelijken kunnen ook beroep doen op sociale zekerheid.[94]
Een opmerkelijk kenmerk van de laïcité in Frankrijk is dat de scheiding tussen Kerk en Staat nooit volledig en rigide is geweest. De Republiek heeft steeds een welwillende neutraliteit aan de dag gelegd. Zelfs in 1905 waren er betrekkingen tussen de Republiek en de kerken.[95]
5. VOORSTEL MAINGAIN (FDF/MR)
5.1. EXEGESE
De opstellers van amendement nr. 2 lijken aan alles te hebben gedacht. Zij schetsen niet alleen de (rechts)historische aanknopingspunten van het principe van delaïcité, maar passen het beginsel ook toe en geven de gevolgen aan van de opname in de Grondwet. Niettemin staat de verantwoording bol van contradicties.
Met de eerste zin geven de auteurs de oorsprong aan de verhouding tussen Kerk en Staat in Frankrijk, “de doorslaggevende rol van de Staat ligt aan de oorsprong van de Franse laïciteit”. De auteurs onderscheiden drie etappes in “(de wens van de politieke overheid om) de individuen en de geledingen van het maatschappelijk leven te onttrekken aan de greep van de Katholieke Kerk”. De eerste etappe is blijkbaar niet de Franse Revolutie, die nochtans door Boyer als een ommekeer beschouwd wordt[96], maar hetrégime concordatairevan Napoleon. Het Concordaat van 1802 herbevestigt echter de belangrijke positie van de Katholieke Kerk in Frankrijk, al tonen deArticles organiquesdie Napoleon unilateraal toevoegde duidelijk de macht die de overheid uitoefende. De tweede etappe wordt volgens de auteurs gevormd door “de schoolwetten van de jaren 1880 die een cursus niet-confessionele moraal organiseren”. Onderwijsvrijheid en levensbeschouwelijke vrijheid zijn weliswaar nauw bij elkaar betrokken, maar gedurende de gehele 19e eeuw zou het concordatair regime verder blijven bestaan. Daaraan komt pas een einde met de wet van 9 december 1905concernant laséparation des Eglises et de l’Etat. Deze wet vormt dan ook de derde stap, die culmineert in de Grondwet van 1958: “la France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale”. De volstrekte scheiding tussen Kerk en Staat was een feit. Volgens Boyer waren het echter “les radicaux qui avaient fait de l’anticléricalisme un combat et un programme espéraient arracher à l’Eglise son pouvoir politique, matériel et même spirituel”[97].
De leden van het Nationaal Congres waren volgens de auteurs vrij godsdienstig en verkozen daardoor een liberale oplossing boven het sluiten van een concordaat met de Heilige Stoel. De formulering lijkt aan te geven dat de auteurs eenrégime concordataireverkiezen boven de vooruitstrevende en innovatieve oplossing van het Nationaal Congres.
De auteurs willen niet meer of minder dan de omzetting van het beginsel van de laïcité in de Belgische Grondwet. Ze zijn zich echter bewust van de bijzondere kenmerken van ons grondwettelijk systeem. Toch zou hun voorstel aansluiten bij het opzet van de Grondwet zoals zij door het Nationaal Congres werd geconcipieerd. Het Franse en Belgische systeem verschillen echter formeel helemaal van elkaar. De Franse wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat is tot stand gekomen in een sfeer van antiklerikalisme, terwijl het Nationaal Congres een meer uitgebalanceerd en pragmatisch systeem ontwikkelde. Deze misvatting kan wellicht verklaard worden doordag het Belgische systeem geheel foutief beschouwd wordt als gebaseerd op “het principe van de wederzijdse niet-inmenging tussen de Staat en de (…) erkende en vertegenwoordigde kerken”. Een aantal elementen duiden weliswaar een scheiding aan, terwijl andere elementen dan weer de samenwerking benadrukken.
De auteurs geven in hun historische schets geven aan dat het Franse en het Belgische systeem van verhouding tussen Kerk en Staat een heel andere ontstaansgeschiedenis kennen en daardoor helemaal van elkaar verschillen. Even later poneren ze dat de omzetting van de laïcité geen problemen stelt aangezien het voorstel aan zou sluiten bij het opzet van de Grondwet van 1830 (sic). In tegenstelling tot wat de auteurs beweren heeft de inschrijving van de laïcité heeft tot gevolg dat de grondwettelijke beginselen wat de betrekking tussen de religies en de overheid betreft in het gedrag komen. Daarenboven zijn ze uit het oog verloren dat de hedendaagse Franse rechtsleer een minder formalistisch uitgangspunt inneemt en de verhouding tussen Kerk en Staat beschrijft als une séparation bien tempérée.[98]
In de “Inleidende ideeëngeschiedenis” heb ik reeds aangegeven dat het principe van laïcité voor de MR inhoudt dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen.[99] Het gaat kortom om een laïcité de combat. Dergelijke visie is een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit: vanuit een scheiding pur sang moet de overheid levensbeschouwelijk neutraal zijn.
De Belgische overheid moedigt echter de vrije ontwikkeling van religieuze en institutionele activiteiten aan, zonder de onafhankelijkheid te beknotten.[100] De overheid maakt een pluralisme van levensbeschouwelijke activiteiten op actieve wijze mogelijk en handelt dus vanuit een positieve religieuze neutraliteit.[101] De opname van de laïcité in de Grondwet zou dus wel degelijk een wijziging betekenen ten opzichte van het huidige regeling.
5.2. HYPOTHETISCHE UITWERKING
De vraag welke wijzigingen zich in concreto zullen voordoen is tot nu toe onbeantwoord gebleven. De bedoeling van dit onderdeel is dan ook kort aan te geven welke gevolgen de opname van de laïcité in de Grondwet, als een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit, zal teweegbrengen.
Indien de laïcité in art. 1 G.W. de verwoording zou zijn van een algemeen principe, zullen de regelingen van art. 19, 20, 21 en 181 G.W. slechts uitzonderingen zijn en als zodanig niet meer constituerend voor de verhouding tussen Kerk en Staat. Naast deze indirecte wijziging van de grondwettelijke bepalingen worden een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen – bijna steeds ten voordele van de erkende erediensten – op de helling gezet.
De erkenning van erediensten is weliswaar tegengesteld aan de negatieve religieuze neutraliteit, maar is verankerd in de Grondwet. Art. 181 G.W. vermeldt de erkenning echter enkel indirect in verband met de financiering. De betaling van de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de eredienst en de morele lekenconsulenten zal de enige overgebleven consequentie zijn van de erkenning.
De huisvesting van de bedienaars van de eredienst (art. 255, 12° Nieuwe Gemeentewet) , de aanzuivering van negatieve saldo’s door gemeenten en provincies (art. 255, 9° Nieuwe Gemeentewet en art. 69, 9° Provinciewet), de gratis zendtijd op de openbare omroep (radio en televisie) en de bijstand door aalmoezeniers en morele lekenconsulenten in gevangenissen en in het leger zijn uitingen van de positieve religieuze neutraliteit en zijn niet verenigbaar met gepropageerde laïcité. Ook de tussenkomst bij de bouw of het herstel van gebouwen bestemd voor de eredienst is problematisch, al zal de restauratie en onderhoudspremies voor beschermde monumenten een belangrijke indirecte financiering blijven. [102]
De rechtspersoonlijkheid van openbare instellingen die belast zijn met het beheer van tijdelijke goederen (bijvoorbeeld de kerkfabrieken) wordt wellicht niet op de helling gezet. Men zou immers een parallellisme kunnen vaststellen met de associations cultuelles van de Franse wet van 1905, die ook kaderde in een negatieve religieuze neutraliteit. Het godsdienstonderricht en het onderricht in de niet-confessionele moraal in het openbaar onderwijs staan ook haaks op het principe van de laïcité. De Schoolpactwet van 29 mei 1959 werd echter verankerd in art. 24 de G.W.[103] en zou dus ook een uitzondering vormen ten opzichte van art. 1 G.W.. Een doorgedreven uitvoering van het principe van de laïcité, geïnspireerd door een negatieve religieuze vrijheid zou dus verregaande gevolgen kunnen hebben. De welwillende houding van de overheid is immers niet alleen terug te vinden in de Grondwet, maar ook in vele andere wetten en wordt weerspiegeld in een dagdagelijkse pragmatische mentaliteit.
6. HET CONCORDAAT, GEEN ALTERNATIEF
In de wandelgangen van de Apostolische Nuntiatuur te Brussel gaan stemmen op die pleiten voor het sluiten van een Concordaat tussen de Heilige Stoel en België. Zij hebben zich blijkbaar laten inspireren door de reeks concordaten die de Heilige stoel heeft gesloten met landen uit het vroegere Oostblok[104] en zich laten aanmoedigen door L’Osservatore Romano, waarin het verdrag van Lateranen tussen de Heilige Stoel en Italië (1929) beschouwd wordt als een modelverdrag voor andere concordaten[105]. Hier wil ik aantonen dat een dergelijk initiatief onverenigbaar is met de Belgische constitutionele rechtsorde en derhalve geen alternatief kan vormen voor het voorstel Maingain (FDF/MR).
6.1. DEFINITIE
Wagnon definieert een concordaat als “une convention conclue entre le pouvoir ecclésiastique (de Heilige Stoel[106]) et le pouvoir civil (de Staat) en vue de régler leurs rapports mutuels dans les multiples matières où ils sont appelés à se rencontrer. C’est un traité bilatéral, né de l’accord des volontés des deux parties, établissant une règle de droit qu’elles sont tenues en justice de maintenir et d’observer fidèlement.”[107] De reden waarom de Heilige Stoel graag concordaten sluit kunnen we ook terugvinden bij Wagnon. Deze vervolgt zijn definitie met: “(un concordat) est un acte solennel qui instaure entre les deux autorités appelées, à des titres divers, à régir les mêmes individus, un régime d’union, de concorde et de collaboration, hautement profitable non seulement aux sujets qui en bénéficient, mais encore à la religion tout comme à la société civile elle-même”.[108]Deze definitie ademt ontegensprekelijk de geest uit van het Rijke Roomse Leven, maar bevat niettemin een aantal meer dan waardevolle elementen. Het concordaat dat de eerste consul van de Republiek, Napoleon Bonaparte en paus Pius VII op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) – Convention entre le Pape et le gouvernement français – kan getypeerd worden als “un traité diplomatique forgé par une modernité de laïcité naissante[109]”.Hoe het begrippenpaar “hautement profitable” ingevuld moet worden is dus niet altijd even duidelijk, het lijkt eerder een eventueel aangenaam gevolg te zijn dan een essentieel kenmerk. Wagnon definieert een concordaat niet als een internationaal verdrag. Nochtans kan men een concordaat als een internationaal verdrag kwalificeren. Art. 2, §1, al. a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 omschrijft een verdrag echter als “een internationale overeenkomst in geschrifte tussen Staten gesloten[110] en beheerst door het volkerenrecht (…)”. Gewoonterechtelijk wordt een verdrag echter gedefinieerd als elk akkoord dat gesloten wordt tussen twee of meer subjecten van het volkerenrecht, met de bedoeling rechtsgevolgen teweeg te brengen en dat beheerst wordt door het volkerenrecht.[111] Deze twee definities spreken elkaar niet tegen: art. 3, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 duidt aan dat art. 2 slechts de werkingssfeer afbakent en vermeldt uitdrukkelijk de rechtskracht van internationale overeenkomsten gesloten tussen Staten en andere subjecten van volkerenrecht.[112] Een concordaat lijkt aan uiteindelijk beide definities te voldoen. Algemeen wordt immers aanvaard dat de Heilige Stoel volkenrechtelijke rechtspersoonlijkheid heeft.[113] Wagnon hoedt er zich echter voor om een concordaat als een internationaal verdrag te kwalificeren, al hebben een concordaat en een internationaal verdrag vanzelfsprekend veel met elkaar gemeen. De verschillen mogen dan al eerder theoretisch van aard zijn, voor Wagnon zijn ze onbetwistbaar. Een concordaat is namelijk een overeenkomst tussen een Staat en de Heilige Stoel, waarbij hetzelfde volk in ogenschouw genomen wordt. Een concordaat zou ook vooral gesloten worden met het oog op morele en religieuze belangen, niet met het oog op politieke en economische belangen.[114] De verschijnselen in onze wereld zijn echter slechte een flauwe afspiegeling van de Ideeën.
6.2. DE ONGRONDWETTELIJKHEID VAN EEN NIEUW CONCORDAAT
Toen op 24 september 1830 een administratieve commissie – reeds op 26 september omgevormd tot het Voorlopig Bewind – het bestuur van de afgescheiden provincies in handen nam, werd de Belgische Staat de facto gevormd. Wagnon stelt dat “(…) il faut nécessairement conclure à la cessation du concordat, sauf renouvellement de l’accord antérieurement en vigueur, soit par un arrangement semblable à celui de 1816-1817 entre Rome et La Haye, soit, plus simplement, en vertu d’une manière d’agir concluante du Saint-Siège et du gouvernement du nouvel Etat.” Het Voorlopig Bewind liet met het decreet van 16 oktober 1830 zelfs uitdrukkelijk verstaan het Concordaat van 1801 niet te willen heraanvatten. Door de godsdienstvrijheid in de Grondwet op te nemen (art. 19 en 20) heeft het Nationaal Congres impliciet aangegeven dat de Belgische Staat zich niet meer wil beroepen op de prerogatieven die het Concordaat van 1801 toekende aan de Franse Staat en dat het régime concordataire dus opgehouden heeft te bestaan.[115] De Raad van State heeft dit, wijzend op de onderlinge onafhankelijkheid van het burgerlijke en het kerkelijke gezag, in zijn adviespraktijk uitdrukkelijk bevestigd.[116] De verhoudingen en sommige afspraken tussen de overheid en de rooms katholieke Kerk zijn echter nog op het Concordaat van 1801 gebaseerd en soms wordt er zelfs nog in KB’s naar verwezen, terwijl de Articles organiques als wetten blijven voortbestaan voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Belgische grondwetsbeginselen.[117] Het sluiten van een concordaat zou dus een grondwetswijziging vereisen. Vervolgens zou de overheid gelijkaardige overeenkomsten moeten sluiten met andere (erkende) erediensten[118], zoniet zou men gewag kunnen maken van een ongeoorloofde discriminatie. Het sluiten van een concordaat, zonder een grondwetswijziging zou in ieder geval een schending van de Grondwet inhouden.
BESLUIT
De betekenis van de titel “Een paradoxale scheiding” zou nu volledig ontrafeld moeten zijn, niettemin is een verdere verduidelijking wellicht gewenst. Bij de bespreking van de verhouding tussen Kerk en Staat in België is gebleken de scheiding tussen beiden helemaal niet volledig is. Veel auteurs hebben deze verhouding trachten te kwalificeren en evenveel kwalificaties hebben het licht gezien. Steeds wordt dezelfde paradox in de rechtsleer blootgelegd: enerzijds wordt de godsdienstvrijheid benadrukt en worden alle erediensten als gelijk beschouwd, anderzijds heeft met een systeem van erkenning ontwikkelt met belangrijke financiële gevolgen. In Frankrijk is de verhouding tussen Kerk en Staat in grotere mate een uitgesproken scheiding.Ook het Voorstel Maingain wordt gekenmerkt door een paradox. Enerzijds vult men de verhouding tussen Kerk en Staat in vanuit een Frans geïnspireerde negatieve religieuze vrijheid en lijkt men eenlaïcité de combat te recreëren. Anderzijds zou naar eigen zeggen de voorgestelde grondwetswijziging aansluiten bij het opzet van het Nationaal Congres. Deze ongerijmdheid is slechts schijn. Men wil niet raken aan de bestaande bepalingen inzake de verhouding tussen Kerk en Staat en tegelijkertijd wil men een scheiding pur sang doorvoeren, waardoor uiteindelijk deze verhouding toch helemaal wijzigt. Een nog niet uitdrukkelijk geformuleerd voorstel om opnieuw een régime concordataire in te voeren is in het geheel niet verenigbaar met de Grondwet, van een paradox is er geen sprake.
[1] Zie U.S. DEPARTEMENT OF STATE – BUREAU OF DEMOCRACY, HUMAN RIGHTS AND LABOR, International Religious Freedom Report 2003: Belgium , http://www.state.gov/g/drl/rls/irf/2003/24346.htm, 21 februari 2004, Online: “The population is predominantly Roman Catholic. According to the 2001 Survey and Study of Religion, jointly conducted by a number of the country's universities and based on self-identification, approximately 47 percent of the population identify themselves as belonging to the Catholic Church. The Muslim population numbers approximately 364,000, and there are an estimated 380 mosques in the country. Protestants number between 125,000 and 140,000. The Greek and Russian Orthodox Churches have approximately 70,000 adherents. The Jewish population is estimated at between 45,000 and 55,000. The Anglican Church has approximately 10,800 members. The largest nonrecognized religions are Jehovah's Witnesses, with approximately 27,000 baptized members, and the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormons), with approximately 3,000 members.” Zie ook DOBBELARE, K., ELCHARDUS, M., KERKHOFS, J., VOYE, L. en BAWIN-LEGROS, B., Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen, Tielt, Lannoo, 2000, 272 p.
[2] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen" – Citoyenneté et Démocratie, p 8-9.
[3] Ibid., p 6. Eigen (de)cursivering.
[4] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl. St. Kamer 2002-2003, nr. 50 2389/002.
[5] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl.St. Senaat, 2002-2003, nr. 50 2-1549/2.
[6] X, La vision et le programme des Réformateurs,http://www.mr.be/docs/du_coeur_a_l_ouvrage.pdf, 18 februari 2004, Online, 24.
[7] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 5.
[8] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[9] Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[10] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[11] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 17.
[12] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 16 en voetnoot 45.
[13] Ibid., 16 en voetnoot 47.
[14] Ibid., 16 en voetnoot 48.
[15] FERRARI, S., “Church and State in Europe. Common Patters and Challenges”, in KIDERLEN, H.-J., TEMPEL, H., TORFS, R. (ed.), Which Relationships between Churches and the European Union? Thoughts for the future, Leuven, Peeters, 1995, 33.
[16]Deze leer week af van die van de veroordeelde Franse priester Lamennais, de vader van het liberaal-katholicisme, die door een algehele scheiding tussen Kerk en Staat de vrijheid wou verwerven. WAGNON, H., “Le Congrès national belge de 1830-1837 a-t-il établi la séparation de l’Eglise et de l’Etat”, in X (ed.), Etudes d’histoire du droit canonique dédiées à Gabriel Le Bras, I, Parijs, Sirey, 1965, 761.
[17] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 39-41 enVAN GOETHEM, H., “L’église catholique et la liberté de religion et du culte en Belgique dans les constitutions de 1815 et 1831”, in VAN GOETHEM, H., WAELKENS, L., en BREUGELMANS, K. (ed.), Libertés, pluralisme et droit. Une approche historique, Brussel, Bruylant, 1995, 185-187.
[18] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 40-53.
[19] X., Considérations sur la liberté religieuse par un unioniste, Leuven, Van Linthout, 1830, 24p.
[20] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 42.
[21] De voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk lijkt wel degelijk te zijn gebruikt als pasmunt voor verregaande faciliteiten voor de erediensten. Zie AUBERT, R., “l' Eglise et l’Etat en Belgique du XIXe Siècle”, Res Publica 1968 (Spécial 2), 20-21.
[22] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 53-54.
[23]VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, inUFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 44-46.
[24] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 817. Andere auteurs gewagen van een “onderlinge onafhankelijkheid van Kerk en Staat” of hebben het over een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding” ZieDE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar (cf. infra).
[25] Ook buiten het Nationaal Congres was er onvrede. Laurent, Gents professor staatsrecht en liberaal, verdedigde de stelling dat alle macht bij de staat moet berusten. (BAERT, G., “Prof. François Laurent een eeuw later (1810-1887-1987)”, T.P.R. 1990, 87.) In Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique behandelt Laurent de verhouding tussen Kerk en Staat. Laurent ziet in de ideeën van Van Espen over het appel du comme d’abus en de vergelijkbare rechtsfiguur van de recursus ad principem zijn thesis bevestigd over de soevereine macht van de Staat: de Staat mag niet dulden dat een andere macht wetten uitvaardigd, zelfs al zijn die slechts in geweten bindend. Hij vindt het betreurenswaardig dat het Nationaal Congres de (bijzondere) scheiding tussen Kerk en Staat heeft aanvaard, want daardoor heeft de Staat alle macht over de Kerk verloren. (LAURENT, F., Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique, Brussel,Lacroix en Van Meenen, 1860, 248 p.) Zie VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus”, Pro Memorie 1999, 100-114 voor de werkelijke opvattingen van Van Espen; zie Pand. b., vis Abus (Appel comme d’), Appel comme d’abus voor een onderzoek naar het voortbestaan van deze rechtsfiguur in het Belgische constitutionele recht. Voor een zoektocht naar sporen van de Recursus ad principem in de hedendaagse verhouding tussen Kerk en Staat, zie VAN STIPHOUT, M., “Legal Continuity and Discontinuity in the Low Countries in Search of a “Recursus ad principem” in Ecclesiastical Cases in the 1990s”, in COOMAN, G., VAN STIPHOUT, M. en WAUTERS, B., Zeger-Bernard Van Espen at the Corssroads of Canon Law, History, Theology and Church-State Relations – Separando certa ab incertis conciliare et explicare, Leuven, Peeters, 2003, XVIII en 498 p, waarin de arresten van het Hof van Cassatie van 20 oktober 1994 en 3 juni 1999 besproken worden, waarna de auteur vaststelt dat de vragen die rezen in het licht van Recursus ad principem in België nog steeds aan de orde zijn en aan de seculiere rechter gesteld worden (cf. infra,).
[26] Zie bijvoorbeeld Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[27] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 42-43.
[28]ALEN, A., Compendium van het Belgisch staatsrecht, I, Diegem, Kluwer, 2000, 54-55.
[29] Denk bijvoorbeeld aan het maatschappelijke debat over de gelijkheid tussen man en vrouw, euthanasie, de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, enz.
[30] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 45-47.
[31] Zie bijvoorbeeld THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 60-63 enDE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 179-219.
[32] ORBAN, O., Le droit constitutionnel de la Belgique, III, Libertés constitutionnelles et principes de législation, Luik, Dessain, 1911, 590-593.
[33] DE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 217.
[34] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 51.
[35] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 21-29 en TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium. Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 87-96.(cf. infra)
[36] THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 363.
[37] GIRON, A., Le droit public de la Belgique, Brussel, Manceaux, 1884, 496.
[38] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 61.
[39] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[40] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128.
[41] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[42] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 60-61.
[43] MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 45-46.
[44] Ibid., 43.
[45] Ibid., 46-47.
[46] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128 en MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 43
[47] cf. supra
[48] Een historisch voorbeeld kan men terugvinden in VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus’, Pro Memorie 1999, 100-102. Zie ook voetnoot 26.
[49] VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 95 en VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 50.
[50]Zie de indirecte controle van de canoniekrechterlijke procedure door het EHRMin het arrest Pellegrini/Italië (n° 30882/96) van juli 2001. In dit arrest wordt Italië door het EHRM veroordeeld wegens schending van art. 6 §1 EVRM omdat de Italiaanse rechtbanken exequatur verleend hadden aan een arrest van de Romeinse Rota– een gevolg van het Concordaat – , zonder zich er van te vergewissen of het recht op een eerlijk proces tijdens de canoniekrechterlijke procedure was nageleefd.
[51] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 22 en de verwijzingen naar rechterlijke uitspraken in voetnoot 4.
[52] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55.
[53] Luik 5 juni 1967, Jur. Liège 1967-68, 138 en MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 23.
[54] Cass. 25 september 1975, Pas. 1975, I, 111.
[55] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55-56.
[56] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 88.
[57] Zie VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 96 en LEMMENS, P., “De Kerkelijke overheid in de greep van de wereldlijke rechter”, in WARNINK, H. (ed.), Rechtsbescherming in de kerk, Leuven, Peeters, 1991, 80, die verwijst naar het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
[58]Bergen, 7 januari 1993, T.S.R. 1993, 69.
[59]TORFS, R., “De verhouding tussen Kerk en Staat op nieuwe wegen?”, (noot onder Bergen 7 januari 1993), T.S.R. 1993, 72-79 enVUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 56.
[60] Cass. 20 oktober 1994, Arr.Cass. 1994, 861.
[61]Volgens dit maxime zou de bevoegde kerkelijke overheid bij het nemen van de beslissing de intern voorgeschreven regels moeten respecteren.
[62] Eigen cursivering.
[63] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 90.
[64] Cass. 3 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 330 en MARTENS, K., “Het Hof van Cassatie en de interpretatie van artikel 21 G.W.: de verhouding tussen Kerk en Staat dan toch niet op nieuwe wegen?”, C.D.P.K. 2000, 215-218.
[65] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 92-96 en de verwijzingen aldaar. Zie ook de verwijzingen bij MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 29, voetnoot 4.
[66] Opmerkelijk is hoe Procureur-general du Jardin verwijst naar Torfs (TORFS, R., “Religieuze gemeenschappen en interne autonomie. Fluwelen evolutie?”, in UFSIA (ed.), Jaarboek Mensenrechten 1998- 2000, Antwerpen, Maklu, 2002, 256-264), maar terwijl deze een gematigde tussenpositie inneemt, interpreteert du Jardin hem als een voorstander van de kwaliteitscontrole (DU JARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003 – Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, http://www.juridat.be/cass/cass_nl/p1.php, 23 maart 2003, Online, 57-58).
[67] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34 en de verwijzingen in voetnoot 106.
[68] Pand. b., v° Autorités ecclésiastiques, nr. 2.
[69] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar.
[70] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502.
[71] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 53, vn. 1.
[72] Waarbij neutraliteit als doel heeft elke religieus of metafysisch element te weren uit de publieke orde. ZieMEERSCHAUT, K. en VANSWEEVELT, N., “De hoofddoek opnieuw uit de kast: godsdienstvrijheid op school in een democratische rechtsstaat”, in INTERUNIVERSITAIR CENTRUM MENSENRECHTEN, Mensenrechten Jaarboek 1998/2000, Antwerpen, Maklu, 2000, 66.
[73] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302. Contra BASDEVANT-GAUDEMET, B., “State and Church in France ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 122
[74] Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de wet van 9 december 1905 niet meer pertinent is. Nog in 1995 heeft men in de Assemblée Nationale een colloquium georganiseerd met als thema: “Faut-il modifier la loi de 1905?”.VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1088.
[75] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, Revue du droit public et de la science politique, 1997, 1309 en de verwijzingen in voetnoot 29. Al verwijst men in de voorbereiding van de huidige grondwet niet naar de wet van 9 december 1905.
[76] De Franse overheid en Pius VII sloten op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) een concordaat, Convention entre le Pape et le gouvernement français. Het Concordaat werd samen met de Articles organiques de la convention du 26 messidor an IX – waartegen Pius VII zich hevig verzette – afgekondigd op 18 Germinal An X (8 april 1802). DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 28-30 en DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 478-479. Zie Pand. b., vis Articles organiques en Concordat, waarin onderzocht wordt in welke mate beide teksten nog gelding hebben in het Belgische constitutionele bestel.
[77] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 495.
[78] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 496-497.
[79] CAPERAN, L., Histoire contemporaine de la laïcité française – La crise dus seize mai et la revanche républicaine, Parijs, Librairie Marcel Rivière et Cie, 1957, IX-XII en 30-36.
[80] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 78.
[81] Ibid., 55-61.
[82] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502-527.
[83] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 62-63.
[84] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 121.
[85] MORANGE, J., “Le régime constitutionnel des cultes en France”, in EUROPEAN CONSORTIUM FOR CHURCH AND STATE RESEARCH (ed.), Le statut constitutionnel des cultes dan les pays de l’union européenne, Parijs, Litec, 1995, 123.
[86] Na de loi constitutionnelle n° 95-880 van 4 augustus 1995, die ervoor zorgde dat het huidige art. 1 bestaat uit de eerste alinea van het oude art. 2, terwijl de andere bepalingen van het oude art. 2 nog steeds deel uitmaken van het huidige art. 2. Deze louter tekstuele verschuiving laat toe om de kenmerken van de Franse Republiek beter te benadrukken. Zie KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP1997, 1309.
[87] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 53-62.
[88] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 65. Zie ook KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302 en 1315.
[89] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1092.
[90] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1312.
[91] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 75.
[92] Ibid., 19.
[93] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1091-1092.
[94] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 55-56.
[95] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 140.
[96] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 29-32.
[97] Ibid., 45.
[98] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 19 en de rechtsvergelijkende bespreking in Deel III.
[99] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen” – Citoyenneté et Démocratie, p 6.
[100] TORFS, R., “State and Church in Belgium ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 18.
[101] DE GROOF, J., “De bescherming van ideologische en filosofische strekkingen. Een inleiding”, in ALEN, A en SUETENS, L. (ed.), Zeven knelpunten na zeven jaar Staatshervorming, Brussel, Story-Scientia, 1988, 312.
[102] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 144-196.
[103] Idem., 385-386.
[104]Bijvoorbeeld het concordaat met Slowakije; http://www.kerknet.be, 19 december 2000.
[105] http://www.kerknet.be, 12 februari 2003.
[106] “L’organe représentatif par lequel agit l’Eglise Catholique” MINNERATH, R., L’Eglise et les Etats concordataires (1846-1981) – la souveraineté spirituelle, Parijs, Cerf, 1983, 78.
[107] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 23.
[108] Ibid., 23.
[109] DURAND, J.-P., “Echos français en droit civil ecclésiastique pour l’année universitaire 2000-2001, European Journal for Church and State Research 2001, 133.
[110] Eigen cursivering.
[111]BOSSUYT, M. en WOUTERS, J., Grondlijnen van internationaal recht, Leuven, Instituut voor Internationaal Recht – KULeuven, 2004, 57.
[112] KOCK, H.R., Rechtliche und politische Aspekte von Konkordaten, Berlijn, Duncker &Humblot, 1983, 23.
[113] Idem., 24-30 en MIGLIORE, C., “Ways and Means of the International Activity of the Holy See”, in FACULTEIT KERKELIJK RECHT – KULEUVEN (ed.), Church and State, Changing Paradigms – Monsignor W. Onclin Chair 1999, Leuven, Peeters, 1999, 32-36.
[114] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 109.
[115] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 376-378 en DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32.
[116]Advies 4 januari 1962, Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 296/1.
[117] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32 en de voorbeelden in vn. 103.
[118]Zoals bijvoorbeeld in Italië gebeurd bij de financiering van religieuze organisaties; TORFS, R., “Should Churches Be Subsidized? Different Models. Some Perspectives”, in X (ed.), The Role of the Churches in the Renewing Societies. Lectures and Documents. Budapest Symposium, March 3-5-1997 , St. Alban’s, International Religious Liberty Association, 1998, 48.
AUDIGIER François
Histoire du S.A.C. Service d'action civique. La part d'ombre du gaullisme
Edited: 200306310003
Fondé en 1959 après le retour au pouvoir des gaullistes et en pleine guerre d'Algérie, le Service d'action civique a défrayé la chronique judiciaire jusqu'à sa dissolution en 1982, après la sanglante tuerie d'Auriol. Son nom a été associé aux grands scandales des vingt premières années de la Ve République.
Certes le SAC, fondé par Paul Comiti, Pierre Debizet et Charles Pasqua, avait de quoi nourrir tous les fantasmes. Dirigée à distance par le mystérieux et puissant Jacques Foccart, abritant des malfrats jouissant d'une étonnante impunité policière et judiciaire, fonctionnant dans l'opacité la plus totale, cette organisation paramilitaire alimentait bien des rumeurs. Vingt ans après la dissolution du SAC, il est temps de faire la lumière sur cette légende noire. Première étude fondée sur l'exploitation de sources ouvertes (le dossier de presse, les périodiques du SAC, le rapport de la commission parlementaire de 1982...) Le SAC permet de redéfinir la véritable nature de cette formation : structure politique à part entière, le SAC constitua la principale force militante du gaullisme jusqu'à la création du RPR en 1977. Véritable machine à gagner les élections, îlot de résistance en cas de coup dur, cette organisation de la fidélité entretenait avec le Général un rapport exclusif. Avec en contrepartie, une dimension de violence, une logique de compagnonnage et un souci d'efficacité qui tirent leurs origines des premiers temps du gaullisme, celui de la Résistance et du RPF anticommuniste de la Guerre froide. .
Henri De Kimpe (1914-2003) overleden. R.I.P.
Edited: 200305301473
Geboren te Ekeren op 20 april 1914, overleden te Merksem in het Jan Palfijnziekenhuis op 30 mei 2003.
Weduwnaar van Joanna (Joke) Scheltiens.
Ere-Secretaris-Generaal van de Belgische Vereniging van de Dagblad Uitgevers (BVDU), in die functie opgevolgd door Jean Hoet.
Adviseur van de Nationale Federatie der Informatie Weekbladen (NFIW/FNHI) in de jaren 80 van de vorige eeuw.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1930-1939: Crisisjaren - De ruk naar rechts - De massificatie - De radio wordt een massamedium, een propagandamiddel en een instrument voor volksopvoeding - De radio wordt een staatsmonopolie. De minister van PTT zit de Raad van Beheer voor - Opgenomen radioreportages worden mogelijk (klankband en montage) - Radiotaksen als bron voor financiering van de openbare omroep - Radiodistributie - Nieuwe perstitels
Edited: 200300193001
De regeringen
Jaspar II (22/11/1927-21/5/1931) KAT-LIB
Renkin (5/6/1931-18/10/1932) KAT-LIB
de Broqueville (22/10/1932-13/11/1934) KAT-LIB
Theunis II (20/11/1934-19/3/1935) KAT-LIB
Van Zeeland I (25/3/1935-26/5/1936) KAT-SOC-LIB
Van Zeeland II (13/6/1936-25/10/1937) KAT-SOC-LIB
Janson (23/11/1937-13/5/1938) KAT-SOC-LIB
Spaak I (15/5/1938-9/2/1939) KAT-SOC-LIB
Pierlot I (21/2/1939-27/2/1939) KAT-SOC
Pierlot II (18/4/1939-3/9/1939) KAT-LIB
Pierlot III (3/9/1939-10/5/1940) KAT-SOC-LIB
Verkiezingen
27 november 1932
24 mei 1936
2 april 1939

De algemene toestand
Tijdens de eerste maanden van 1930 kan de Belgische economie nog even profiteren van de gunstige effecten die uitgaan van de wereldtentoonstelling (te Antwerpen en te Luik) en de viering van het Belgische eeuwfeest. In het tweede semester doet de wereldcrisis zich echter ook bij ons ten volle voelen. De uitvoer stuikt in elkaar en zal pas in 1935 terug beginnen groeien. Vanaf 1932 maakt de regeringen gebruik van bijzondere machten en dat stelt het geloof in de parlementaire democratie zwaar op de proef. Op het sociale vlak werkt de ellende de massificatie in de hand. De uitzichtloze toestand van velen is een ideale voedingsbodem voor massabeïnvloeding en populistische propaganda, zowel van uiterst rechts als van uiterst links.
Schandalen plagen de katholieke partij. Daarvan maakt Leon Degrelle, zelf katholiek, met zijn Rexisme gebruik om zwaar uit te halen naar de ultra-conservatieve vleugel van de katholieke partij. Tijdens massameetingen en via eigen periodieken ('Rex', 'Vlan', 'Soirées', 'Foyer' en 'Crois') en dagbladen ('Le pays réel' vanaf 2 mei 1936 en 'De nieuwe Staat' vanaf 1 september 1936) vuurt hij zijn aanhangers, zowel in Wallonië als in Vlaanderen, aan om de traditionele partijen in het kieshokje vaarwel te zeggen. (De Bruyne, 1973: 71-130; Gerard, 1985: 30-33; Gerard, 1994: 75-123) De verkiezingen van 24 mei 1936 brengen een zware nederlaag voor de katholieke partij (- 10% van de stemmen) en een overwinning voor Rex. De Vlaams nationalisten en de communisten halen eveneens heel wat stemmen. De socialisten houden stand. Daarmee is de polarisatie in het land een feit. De zetelverdeling in de Kamer na de verkiezingen van 1932, 1936 en 1939 levert volgend beeld op:


De werkloosheid neemt enorme proporties aan: van nauwelijks 17.000 in 1929 naar 319.000 werklozen in 1932. Zij die nog werk hebben, zien hun uurloon tussen 1929 en 1935 met ongeveer 20% dalen. De prijzen dalen echter evenzeer zodat op het eerste gezicht de koopkracht gehandhaafd blijft. De belastingdruk is evenwel geweldig hoog zodat de privé-bestedingen kelderen.
Hieruit groeit vanzelfsprekend sociale onrust en stakingen zijn schering en inslag. Daarbij moet men bedenken dat het in vele gevallen om wilde stakingen gaat, die de vakorganisaties slechts schoorvoetend erkennen vanwege de enorme druk op hun stakingskassen.
In maart 1935 vormt Paul van Zeeland een regering van nationale unie. De socialisten drukken een groot deel van het zgn. Plan De Man (deficit spending) door. De devaluatie van 28% komt snel: op 31 maart 1935. De economie krijgt weer zuurstof en de uitvoer herneemt. Ook de gezinsconsumptie komt even overeind en de kleinhandelaars zien hun omzet stijgen. Het herstel is echter van korte duur. Naar het eind van de jaren 30 belandt de economie terug in een crisis. De inzinking op de internationale markten verzwakt de uitvoer én dus de omzet van de industrie. Om het overheidsdeficit te financieren grijpt de regering opnieuw naar belastingverhogingen.
Daardoor raakt de binnenlandse consumptie aangetast. Met die infernale cirkel is het depressieklimaat weerom aanwezig. Daar bovenop tekent de oorlogsdreiging zich vanaf 1938 duidelijk af. De generatie van de dertiger jaren gaat volledig ontgoocheld en gefrustreerd een nieuwe wereldoorlog tegemoet.

Het NIR-INR
De Wet van 14 mei 1930 (BSB 19300516) schenkt aan de staat het monopolie van de radiocommunicaties. Artikel 1 van deze wet luidt immers als volgt: "De regeering is gemachtigd de radiotelegrafie, de radiotelefonie en alle andere radioverbindingen in te richten en te exploiteren." Toch krijgen in de periode 1930-1940 nog heel wat particuliere stations de toelating om radioprogramma's uit te zenden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Deze toelatingen zijn echter herroepbaar en er ontstaan vaak hoog oplopende geschillen over. De tweede wereldoorlog zal een einde maken aan het bestaan van deze vergunningen (Van Bol, 1975: 86).
De wet van 18 juni 1930 geeft aan het Nationaal Belgisch Instituut voor Radio-Omroep (NIR/INR) zijn statuut. Artikel 11 van deze wet bepaalt hoe het NIR gefinancierd wordt:
"De inkomsten van het instituut bestaan inzonderheid uit:
a) het bedrag van giften en legaten te zijnen bate, na machtiging of goedkeuring door den Koning;
b) De leeningen die het mocht sluiten (inzonderheid door uitgifte van obligatiën) met machtiging van de regeering. Tot een bedrag van 10.000.000 frank werkelijk ontleend kapitaal, zal de regeering de rente en de delging waarborgen der leeningen welke het instituut mocht sluiten.Een koninklijk besluit bepaalt de voorwaarden van deze waarborg.
c) De jaarlijksche Staatstoelage en, meer bijzonder, een jaarlijksche toelage gelijk aan:
1° 90 t.h. van het voorzien bedrag der ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijksche taxe, welke de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen;
2° Eene som gelijk aan het voorzien bedrag van de ontvangsten der belasting, welke de Staat heft op den groothandelsprijs van de electronenlampen of andere gelijkaardige toestellen voor het detecteren of het versterken van de in radio-electrische ontvangtoestellen bruikbare seinen, loodglanskristallen of andere kristallen uitgezonderd;
d) De toelagen welke openbare besturen en instellingen mochten toekennen;
e) De ontvangsten welke het zou bekomen door zijn uitgaven of naar aanleiding van contracten, door den raad van beheer afgesloten binnen de perken van de bedrijvigheid van het instituut."
Artikel 12 bepaalt dat het instituut een boekhouding moet voeren en een jaarverslag moet overmaken aan de minister van PTT.
Artikel 17 bepaalt: "Bij de gewone begroting van het dienstjaar 1930 van het Ministerie van Posterijen, Telegrafen en Telefonen wordt een crediet geopend onder volgende rubriek: Toelage aan het Belgisch nationaal Instituut voor radio-omroep (N.I.R.): 1.600.000 frank."
De openbare radio, die op 1 februari 1931 begint uit te zenden, wordt niet uit het niets opgericht maar neemt de twee zenders van 15 kW te Veltem over, die eind de jaren twintig door een associatie van Radio Belgique en van de Boerenbond (NV Radio) bij SBR besteld waren. Op het ogenblik van de overname waren beide zenders niet operationeel toen zij werden overgenomen door het INR-NIR. (X 1953:5)
Noteer dat Radio Belgique (Theo Fleischman) zijn uitzendingen stopte op de dag van de stichting van het NIR. Zijn personeel werd in de nieuwe staatsinstelling ingeschakeld (Van Pelt, 1973: 240; Boon G., 1988: 29). Men kan stellen dat Radio Belgique werd genationaliseerd met een ruime compensatie voor de eigenaar(s). Hiervoor kan het eerste jaarverslag van de NIR/INR geraadpleegd worden. In dat jaarverslag vinden we Radio Belgique en de NV Radio terug met een schuldvordering op de NIR ten belope van 1.070.011,20 BEF. Anderzijds vinden we er SBR met een schuldvordering van 95.715,50 BEF. (NIR, 1931-1932: 62) Beide schuldvorderingen samen vertegenwoordigen 91% van alle schulden die het NIR op 31 december 1931 heeft. Volgens Paul Vandenbussche, in een vraaggesprek met ons (23/10/2001), is de oprichting van de NIR-INR het directe gevolg van de financiële moeilijkheden van de S.A. Radio-Belgique. Vanuit die optiek is het ontstaan van de openbare omroep het resultaat van het mislukken van het privé-initiatief en ligt niet (alleen) een politiek verlangen maar (ook) een financieel-economisch débâcle aan de basis van het overheidsinitiatief. Hermanus plaatst de oprichting van het NIR-INR en die van de RTT in dat perspectief en wijst erop dat het dezelfde liberale ministers - Pierre Forthomme voor PTT en Paul-Emile Janson voor Justitie - zijn die zowel de oprichting van het NIR als die van de RTT in het parlement bepleiten. (Hermanus, 1990: 26) Volgens Vandenbussche speelde Prof. Arthur Boon (KU Leuven), voorzitter van de KVRO en voorzitter van de Boerenbond (geen familie van de latere directeur-generaal van de NIR) een grote rol bij de totstandkoming van het NIR-INR.
In artikel 14 van het KB van 28 juni 1930 wordt gesteld dat de "nieuwstijdingen in de vorm van persberichten" bondig moesten zijn. Duiding bij het nieuws was uitgesloten. (Goossens C., 1998: 49). Hier duikt de invloed van de dagbladpers op. Die zag namelijk in het radio-instituut een geducht concurrent. De belangen van de (partij)politieke dagbladen vielen in deze samen met die van de partijen zelf.
Verdere uitbouw van het NIR
Van 1935 tot 1938 wordt er gewerkt aan het nieuwe radiogebouw aan het Flageyplein. In 1937 komt de culturele zelfstandigheid van de Franse (o.l.v. Théo Fleischman) en de Vlaamse uitzendingen tot stand. Het jaarverslag van het NIR-INR bevat dan ook voor de eerste keer de uitgesplitste kosten voor de Franse en de Vlaamse uitzendingen, resp. 5.604.055 BEF en 5.533.911 BEF.
Radiotaks
De wet van 20 juni 1930 (BSB 19300626) en het KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) regelen o.m. de heffing van de radiotaksen voor de bezitters van een radio-ontvangsttoestel. De taks wordt op 60 BEF per jaar bepaald. Dat is 30 BEF minder dan oorspronkelijk in het wetsontwerp (18 april 1929) van minister Lippens (PTT) voorzien was. De parlementsleden brengen het bedrag terug tot 60 BEF per jaar (Goossens C., 1998: 44). Een gewoon huishoudbrood kost in 1930 2,14 centiem en voor een krant dient men 35 centiem neer te tellen. De radiotaks weegt m.a.w. flink door in het budget van het modale gezin want met die 60 frank kan het 28 broden kopen of meer dan een half jaar elke dag de krant lezen.
Een ander KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) bepaalt dat de radiotoestellen waarin uitsluitend kristallen (en dus geen radiolampen) gebruikt worden, belast worden met een jaartaks van 20 BEF.
Het is treffend dat zeer vele bepalingen uit de voornoemde wet de tand des tijds hebben doorstaan en tot in 1987 van kracht blijven: het betalen door middel van een storting op een postcheckrekening, de betaling die alle radiotoestellen in dezelfde woning dekt, de verplichting om een adreswijziging te melden, de vrijstellingen voor blinden en andere invaliden, voor onderwijsinstellingen en voor openbare diensten. In die tijden van grote werkloosheid gaan er stemmen op om de werklozen vrij te stellen van het betalen van de radiotaks. (Van Dyck, 1935:135)
De wetgever van 1930 is wel bijzonder streng voor ontduikers: de geldboete kon oplopen tot vijfmaal de ontdoken taks en dat met drie jaar terugwerkende kracht. Van een ontduiker kan m.a.w. een maximale boete van 900 BEF geëist worden ... een klein fortuin.
De wetgever van 1930 had zich blijkbaar goed geïnformeerd want ook de ontvangtoestellen die beelden konden ontvangen waren verplicht de taks te betalen. Zo'n bepaling verraadt de hand van de RTT-administratie, steeds goed geïnformeerd over de technologische ontwikkelingen. Vergeten we niet dat in 1930 de BBC reeds experimenteerde met de eerste openbare televisie-uitzending.
Door de wet van 27 december 1938 wordt de radiotaks van 60 op 78 BEF gebracht.
RTT int de radiotaksen
De inning van de taksen werd opgedragen aan de in 1930 opgerichte Regie voor Telefoon en Telegraaf. De oprichting van de RTT was, althans zo luidt de officiële versie, nodig om de verschillende telefoonnetwerken, tot dan toe in privé-handen, te interconnecteren. Hermanus is echter een andere mening toegedaan en stelt dat de interconnectie slechts een voorwendsel was. "En réalité, ce n'était qu'un prétexte. Les partisans du libéralisme économique défendaient l'idée de l'intervention de l'Etat uniquement dans des activités non rentables mais indispensables au bon fonctionnement de l'Etat." (Hermanus, 1990: 26)
Er zijn voldoende aanwijzingen om Hermanus' stelling voor waar te aanvaarden.
Collectiviseren van verliezen?
Privatiseren van winsten?
We kunnen dan ook vaststellen dat zowel de oprichting van de NIR-INR als die van de RTT geschiedden om verliezen te collectiviseren, naar de staat toe te schuiven. Onderzoek kan aantonen of zulks ook met andere risicodragende initiatieven binnen de communicatiesector (of andere sectoren) het geval is (geweest). Tegelijk kan men dan ook de 'spiegel-hypothese' toetsen: komen overheidsbedrijven (of stukken ervan) enkel in aanmerking om geprivatiseerd te worden wanneer de investering niet of nauwelijks risicodragend is?
Uiteraard mag men hierbij niet in een zwart-wit analyse vervallen en zal de realiteit zeer complex zijn. Dit neemt niet weg dat het een fundamenteel vraagstuk is bij het kijken naar de relatie tussen staats- en privé-initiatief. De vraagstelling heeft ook een ethische component, laat dat duidelijk zijn.
Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen
Voor de jaren 30 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van Kijk- en Luistergeld (dat werd in 2003 vernietigd maar wij konden enkele belangrijke statistische documenten redden, LT).

In 1930 waren er 76.872 radiotoestellen vergund, in 1939 waren het er 15 maal meer.
Adreslijsten KLG en luisteronderzoek
De massa's adressen die bij de dienst radiotaksen beheerd worden, brengen sommigen op het idee om op basis daarvan te starten met een luisteronderzoek (Van Dyck, 1935: 156-157) of een referendum omtrent de omroep. Dit laatste moet gezien worden tegen de achtergrond van de onvrede met de partijpolitieke uitzendingen op het NIR. "Hoe gemakkelijk nochtans zou het voor haar (bedoeld wordt het NIR, LT) vallen, vermits zij alleen toch (met de Regie) de namen en adressen bezit van allen, die zich van hunne radiotaks kwijten. Zou het dan zoo'n enorme kosten met zich brengen om aan alle die menschen een voor het antwoord gereed gemaakte vragenlijst rond te zenden, welke na invulling vrachtvrij aan het NIR zou kunnen worden weergezonden! (...) Tevens zou door dergelijk referendum de 'Vox Populi' kunnen gekend worden omtrent het ja dan niet toelaten van politieke uitzendingen langs den omroep!" (Van Dyck, 1935: 144)
Gewestelijke verdeling van het radiobezit
Voor het jaar 1939 beschikken we over een gewestelijke verdeling van de 1.112.962 radiotoestellen waarvoor radiotaks betaald wordt: Wallonië (458.124 of 41%), Brussel (209.869 of 19%) en Vlaanderen (444.969 of 41%). De ondervertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest heeft o.i. twee oorzaken: a) de inkomensachterstand in het Vlaamse landsgedeelte, en b) de relatieve sterkte van het populaire programma-aanbod van de 12 particuliere radiostations in Wallonië en Brussel, tegenover slechts 4 in het Vlaamse landsgedeelte.


Financiering van de regionale radiostations
De wet van 14 mei 1930 moet in feite de doodsteek betekenen voor de regionale stations. Artikel 8 verbiedt immers voor alle stations het voeren van handelspubliciteit. De druk van de regionale stations - vooral Radio Schaerbeek ging heftig tekeer - op de minister was echter zo groot, dat die besloot een gedoogbeleid te voeren.
De regionale radiostations deden voor hun financiering ook een beroep op jaarlijkse lidgelden. Zo vermeldt Van Dyck (1935: 134) dat Radio Châtelineau kaarten verkocht tegen 12,50 BEF en steun- en erekaarten tegen resp. 25 en 50 BEF. Radio Antwerpen (ON4ED) verkocht kaarten van 25 BEF. De auteur noemt deze vorm van financiering onwettelijk en verwijst hiervoor naar artikel 9 van het ministerieel besluit van 28 augustus 1931.

De franstalige uitzendingen van de private radiostations haalden een hogere luisterdichtheid dan de franstalige programma's van het INR. Men kan zich voorstellen dat dit niet naar de zin was van Fleischman. Greta Boon vermeldt dan ook uitdrukkelijk: "Een van de redenen waarom de leidinggevende personen van het NIR van de oorlogsomstandigheden later gebruik maakten om die particuliere zenders na de oorlog geen uitzendvergunning meer te geven, was dit grote franstalige overwicht." (Boon G., 1988: 29-33).

De wet wordt niet toegepast
De staatstoelage vormde in de periode 1930-1940 de hoofdmoot van de inkomsten van het unitaire NIR-INR. In de wetenschappelijke literatuur wordt steevast vermeld dat het NIR-NIR 90% ontving van de opbrengst van de radiotaksen. Zo stelt Gekiere in 1983: "In de wet van 18.6.1930 tot oprichting van het N.I.R. was bepaald dat 90% van de opbrengst van het kijk- en luistergeld naar de omroep zou toevloeien. Dit principe werd jaren toegepast en gedurende enkele jaren (o.m. voor 1974), bleek de toelage aan de BRT-instituten zelfs hoger te liggen dan de netto-opbrengst." (Gekiere, 1983: 179).
Ook Greta Boon stelt in 1984: "Voor de tweede wereldoorlog ontving de omroep 90% van het luistergeld." (Boon, 1984:95).
Uit ons onderzoek blijkt dat zulks weliswaar wettelijk voorzien was, doch in de realiteit slechts één jaar gehaald werd.
De beweringen van Gekiere en van Boon, beiden op de BRT werkzaam, moeten wellicht gezien worden als een manoeuver van de BRT in zijn veelvuldige disputen in de jaren 80 met de minister omtrent de BRT-dotatie. We komen hierop terug.
In het jaarverslag van de NIR-INR over het jaar 1932 lezen we: "Over het algemeen staat het aantal ontvangtoestellen in rechtstreekse verhouding met de hoedanigheid van den dienst. Door de veldmetingen heeft men er zich rekenschap kunnen van geven dat de kracht der zenders van Veltem niet voldoende is om over gansch het grondgebied (...) een dienst te verzekeren , die wat de hoedanigheid betreft, niets te wenschen overlaat. Logisch mag dus aangenomen worden dat een merkelijke verhooging der zendkracht, bv. tot 60 of 100 kw. zeer snel een verhooging van de ontvangtoestellen en bijgevolg van de ontvangsten voor gevolg zou hebben."
Het NIR-INR geloofde dus nog in de band tussen de opbrengst van de radiotaksen en haar eigen staatstoelage. Hier wordt expliciet verwezen naar de band die er bestaat tussen het aantal radiotoestellen (200.534 eind 1931, 339.635 einde 1932) en de staatstoelage (13,4 miljoen BEF voor het werkingsjaar 1932). De simpele berekening brengt ons op 12,03 miljoen BEF (200.534 toestellen x 60 BEF). Nergens in het jaarverslag wordt de berekening expliciet gemaakt. Men mag echter veronderstellen dat de berekening van de staatstoelage op het niveau van de beheerraad, waarin de voogdijminister als voorzitter zetelde, gebeurde.
Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.









BRUYNEEL Tineke
Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oeuvre van de negentiende-eeuwse Gentse volkszanger Karel Waeri (1842-1898)
Edited: 20020081
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte,
voor het behalen van de graad van
Licentiaat in de Geschiedenis.
Academiejaar: 2001-2002
Universiteit Gent
Promotor: Prof. Prof. Dr. G. DENECKERE
Karel Waeri blijkt een veelzijdig volkszanger te zijn geweest. Hij zong niet alleen voor een arbeiderspubliek, maar ook voor de burgerij, op feesten, banketten en in lusthoven aan de stadsrand. Bij zo’n gelegenheden putte Waeri waarschijnlijk uit zijn uitgebreide verzameling kluchtige liederen. Het spreekt vanzelf dat hij op deze momenten moeilijk zijn onvrede met het lot van de arbeidersbevolking en zijn sympathieën voor de socialistische partij kon laten horen. Toch probeerde Waeri ook in deze liedjes, hoewel eerder impliciet en in beperkte mate, zijn ideeën hieromtrent te verwerken. In verband met de liederen in het kader van de sociale strijd valt op dat Waeri enorm veel belang hechtte aan het eergevoel van het werkvolk. Waeri probeerde met zijn liedjes in te gaan tegen het minderwaardigheidsgevoel dat bij veel arbeiders leefde. Men moet dit bekijken binnen het kader van de sociale strijd. Mensen gaan pas in opstand komen tegen iets als ze zich zeker van hun stuk voelen, als ze beseffen dat de ellende die hen overkomt niet rechtvaardig is en als ze weten dat een mooiere toekomst in het verschiet ligt. We zien dan ook dat veel liedjes van Waeri een belangrijk bewustmakend element in zich dragen. Sommige liederen weerspiegelen de realiteit waarin de arbeiders zich bevinden en vertellen wat er oneerlijk aan is. De arbeiders waren zich immers niet altijd bewust dat bijvoorbeeld zoiets als kinderarbeid slecht was. Men mag ook niet vergeten dat de fysieke conditie van de arbeiders waarschijnlijk zeer slecht was en dat ze daardoor in een zekere lethargie vervielen. Het was dus nodig om het werkvolk precies uit te leggen wat hun situatie was en waarom ze ertegen moesten strijden. Waeri geeft in verschillende liedjes als het ware les. Daarnaast toonde Waeri ook de toekomst die bereikt kon worden. Een toekomst waarin iedereen vrij en gelijk zou zijn. Het was die toekomst waarvoor de arbeiders moesten vechten. Rond de politieke eisen en sociale strijdpunten heeft Waeri heel wat liedjes geproduceerd. Een zeer groot aantal handelt over de strijd voor algemeen stemrecht. Het bleek dat Waeri in deze liedjes voornamelijk de ideeën van de socialistische beweging vertolkte. Waeri moet ongetwijfeld een belangrijk onderdeel geweest zijn van de grote propagandamachine van de BWP. Toch stond Waeri soms ook verrassend onafhankelijk tegenover die partij. Dit was meerbepaald het geval toen hij een kritisch lied schreef over het meervoudig stemrecht, dat tegen de propaganda van de socialistische partij in- ging. Toch volgde Waeri bijna altijd de socialistische ideeën. Dit deed hij ook in zijn liedjes over de loting. Deze droegen ook weer dat belangrijke bewustmakende element in zich. De achturendag werd door Waeri vooral bezongen in zijn typische 1 Mei liederen
TESSENS Lucas / MERS
Brief aan Cas Goossens dd. 22 oktober 2001
Edited: 200110221497
Faxbericht voor Cas Goossens
015-24.37.95

2001-10-22


Cas,


Bedankt voor de cursus van Paul Vandenbussche. Ik heb morgen om 10 uur een afspraak bij hem thuis. Hij lijkt zeer geïnteresseerd.

Ik wil je nog speciaal danken voor de prettige ontvangst in Itegem.

Het jaarverslag BRT 1985 bezorg ik zo snel als mogelijk terug.

Kan je me ook de referenties bezorgen van de boekenreeks omtrent de historiek van de BBC?

Bij gelegenheid zou ik toch nog eens van gedachten willen wisselen over een groots opgezet onderzoeksproject naar de historiek van de openbare omroep.
We zijn het er over eens dat wat tot nu toe gepubliceerd is, te fragmentarisch is. De Vlaamse gemeenschap is het me dunkt aan zichzelf verplicht zo'n historiek - uitgewerkt door een multidisciplinair team - te ondersteunen.

Onlangs herlas ik enkele passages uit de referaten van het 8ste Vlaams Congres voor Communicatiewetenschap (26-27/10/1978). Mijn oog viel op het referaat van mijn diepbetreurde prof en vriend Luk Boone "Synthese en aanbevelingen voor verder onderzoek". Daarin stelt hij dat zijn collega, G. Van Parijs (RU-Gent), twaalf (sic!) jaar voordien (congres te Evian in 1966) de kenmerken van het communicatiewetenschappelijk onderzoek had beschreven.
Eén van die kenmerken was: de geringe contacten tussen (overwegend universitaire) onderzoekscentra en individuele onderzoekers.
M.i. gelden een aantal kenmerken ook vandaag nog. Dat betekent dat het onderzoek gemonopoliseerd zit bij de univ's. Bovendien slagen die "eilanden van kennis" er maar niet in met mekaar te communiceren.
Gezien de (groeiende) complexiteit van de mediasector is er m.i. samenspraak nodig tussen volgende disciplines: communicatiewetenschap, geschiedenis (onvoldragen mediahistoriek), rechten, bedrijfseconomie (de financiële implicaties van de mediabusiness zijn onderbelicht), fiscaliteit, politologie (de drijveren achter mediapolitieke beslissingen; het ontbreken van een "beleidsvisie"), sociologie (sociale draagvlakken waarop bepaalde media-uitingen drijven; de media als spiegel van de maatschappij; we hebben de media die we verdienen), ...
Daarmee is gezegd dat de kennis-basis waarop de huidige mediastudies gebaseerd zijn, te smal is.
Dit als introductie bij een discussie die ooit toch eens zou moeten gevoerd worden.

Een ander idee, dat hier niet totaal los van staat, betreft de digitalisering van het gehele NIR-BRT-BRTN-VRT-archief. In de huidige stand van de ICT-technologie behoort zulks tot de mogelijkheden. Bij de Belastingdienst voor Vlaanderen (Kijk- en Luistergeld & Onroerende Voorheffing) bijvoorbeeld wordt alle inkomende briefwisseling gecodeerd en ingescand en vervolgens verwerkt. Door digitalisering van de archieven van de omroep zouden de stukken voor meerdere gebruikers beschikbaar komen en zou het archief meteen beveiligd worden (brand, waterschade, verlies, diefstal, ...).


Met vriendelijke groeten,





Lucas Tessens
VLAAMS PARLEMENT
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Edited: 200101250908
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Interpellatie van de heer Johan Malcorps tot mevrouw Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid
De voorzitter : Aan de orde is de interpellatie van de heer Malcorps tot mevrouw Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid.
Minister Dua zal ook in naam van minister Vogels antwoorden.
De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, onlangs werd in ons land een vereniging voor asbestslachtoffers opgericht, in navolging van reeds bestaande verenigingen in onder meer Nederland en Frankrijk.
De vereniging vraagt dat er een volwaardig beleid inzake asbestvervuiling en volksgezondheid zou worden gevoerd. Gezien de bevoegdheidsverdelingen is dit zowel een federale opdracht als een taak voor gewesten en gemeenschappen. Zo moet op federaal vlak dringend werk worden gemaakt van het recht op schadevergoeding voor asbestslachtoffers via het Fonds voor Beroepsziekten. Ook niet-werknemers moeten een beroep kunnen doen op de regeling. Het verbod op elke vorm van asbestproductie, -handel of verwerking is een federale aangelegenheid. De uitzonderingen op het koninklijk besluit van 3 februari 1998 kunnen worden opgeheven, omdat er inmiddels voor alle toepassingen vervangproducten bestaan.
Het behoort ook tot de taak van de gemeenschappen om een sluitende inventaris op te maken van alle asbestgerelateerde aandoeningen, zoals de verschillende vormen van asbestose, mesothelioom of buikvlieskanker, asbestgerelateerde longkankers en andere kankers. Het Fonds voor Beroepsziekten levert de cijfers voor werknemers. Er is sprake van een duidelijke toename van het aantal gevallen van asbestose en de voorbije vijftien jaar meer dan een verdubbeling van het aantal gevallen van mesothelioom. Deze informatie komt uit het antwoord dat federaal minister Aelvoet vorig jaar gaf op mijn vraag terzake in de Senaat. De grootste groep van getroffen werknemers komt uit de bouw. Over het aantal asbestgerelateerde kankers bij de rest van de bevolking is geen cijfermateriaal beschikbaar. Het aantal asbestdoden ligt volgens minister Aelvoet tussen de 90 en 110 per jaar. Wellicht is dit een grove onderschatting.
Het probleem van het toenemend aantal asbest-kankerdoden verdient alle aandacht. De internationaal vermaarde specialist Julian Peto voorspelt in The British Journal of Cancer dat in West-Europa de komende 35 jaar maar liefst een kwart miljoen asbestgerelateerde kankerdoden zullen vallen. In een officiële studie in opdracht van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorspelt men 40.000 asbestgerelateerde ziekten onder Nederlandse mannen tegen het jaar 2030.
Uit de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 1998 blijkt dat er een verhoogde sterftekans is in onder meer Sint-Niklaas en Dendermonde. Minister Vogels legde de band met de vroegere asbestverwerkende industrie in de streek : de vroegere Eternit-fabriek in Schoonaarde bij Dendermonde, Eternit in Kapelle op-den-Bos en de fabriek Scheerders-Van Kerckhoven - SVK - in Sint-Niklaas. Het is mogelijk dat het niet enkel om werknemers gaat, maar ook om familieleden van werknemers en om omwonenden.
Als deze band tussen asbest en kanker er echt is, en zelfs in die mate dat hij een merkbare piek veroorzaakt in de algemene gezondheidsstatistieken, dan is dit hoegenaamd geen vrijblijvende zaak. De slachtoffers stellen met reden vragen over de verantwoordelijkheid van de betrokken bedrijven in het verleden. Ze waren al decennialang op de hoogte van het gevaar van asbest voor de gezondheid van werknemers en omwonenden. Toch namen ze te weinig voorzorgsmaatregelen. Ook de overheid zelf wordt aansprakelijk gesteld, want ze kende al jaar en dag de risico´s die verbonden zijn aan de asbestproductie, maar trad al die tijd veel te laks op.
Sinds de Tweede Wereldoorlog staat het verband tussen asbest en kanker wetenschappelijk vast. Toch duurde het tot einde van de jaren negentig vooraleer men echt optrad. Die nalatigheid heeft veel mensenlevens gekost, en zal nog veel mensenlevens kosten. In Frankrijk en Nederland wonnen de vertegenwoordigers van asbestslachtoffers in die zin al verschillende schadeprocessen. Er is een wettelijke regeling ingevoerd om tot billijke schadeloosstellingen te komen. Ook in eigen land moet er een dergelijke regeling te komen. Eens het zo ver is, zullen ook de gewestelijke overheden voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst.
In 1998 stelden de heer Stassen en mevrouw Verwimp vragen aan toenmalig milieuminister Kelchtermans over de gezondheidseffecten voor de omwonenden van de asbestbedrijven in Kapelle-op-den-Bos, Tisselt, Sint-Niklaas, Gent en Mol. Ze werden toen met een kluitje in het riet gestuurd met als argumenten : 'Het gaat om een te kleine groep mensen rond die bedrijven om daarover statistisch zinvolle uitspraken te doen ; het is praktisch onmogelijk om productspecifieke gezondheidsgegevens van burgers te verzamelen rond elke site waar met toxische of kankerverwekkende stoffen wordt gewerkt ; de gezondheidsmonitoring van potentiële asbestpuntbronnen zou slechts een 'end-of-the-pipe-benadering' zijn, die in het beste geval iets zegt over de blootstelling decennia geleden.'
Uit het grootschalig Milieu- en Gezondheidsonderzoek dat eind vorig jaar werd afgerond blijkt dat gebiedsgerichte monitoring wel degelijk relevante beleidsgegevens kan opleveren. In elk geval moet het mogelijk zijn om meer accurate gegevens te verzamelen dan mogelijk is op basis van een globaal onderzoek van gezondheidsindicatoren over heel Vlaanderen. Zo zou men alle sites in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven kunnen screenen en vergelijken met sites waar waarschijnlijk minder risico bestonden en nog bestaan op asbestbesmetting. Ook een nauwkeurig opgezet epidemiologisch onderzoek biedt uitzicht op succes, wegens de onbetwistbare band tussen mesothelioom en asbestose enerzijds en asbestvervuiling anderzijds.
Het feit dat de asbestproductie nu bijna geheel is afgebouwd, betekent niet dat er geen belangrijke opdracht meer is voor de Vlaamse milieudiensten, en meer bepaald de OVAM. Zo blijft de titanenopdracht overeind om op basis van de verplichte asbestinventarissen voor bedrijven en openbare gebouwen alle nog aanwezige asbest te verwijderen en op de meest veilige wijze te verwerken. De federale wetgeving ter bescherming van werknemers is daarbij van toepassing. Een algemene bescherming voor de burger is er dus niet, tenzij indirect. Bewoners en bezoekers van gebouwen zijn maar indirect beschermd, omdat ze ook profiteren van de bescherming van eventuele werknemers in dat gebouw. Dat is uitvoerig aangetoond door mevrouw Lieve Ponnet. Ze schreef daarover het dossier 'Asbest : stof tot nadenken', dat in 1996 werd gepubliceerd in het Arbeidsblad van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De gewesten en gemeenschappen, bevoegd voor de bescherming van privé-personen in een niet-werksituatie hebben nog geen aanvullende reglementering voor asbest in gebouwen zoals privé-woningen opgezet. In de particuliere woningbouw is weliswaar veel minder gespoten asbest gebruikt dan in openbare of industriële gebouwen. De kans op blootstelling is er veel beperkter. Toch werd heel wat spuitasbest verwerkt in grote appartementsgebouwen die zijn gebouwd tussen halfweg de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig. In België zijn hierover geen gegevens beschikbaar. Hier rijst dus een probleem voor onderhouds- of herstellingswerken die door derden of door doe-het-zelvers worden uitgevoerd. Er is te weinig bewustmaking over mogelijke gevaren en risico's.
Ten slotte is er het probleem dat bij doorverkoop of verhuur mensen zich wellicht niet bewust zijn van de aanwezigheid van asbest in een woning. In Nederland is een asbestvrij-verklaring nodig alvorens men tot de sloop van een woning kan overgaan. De invoering van een asbestvrij-attest, samen met het bodemattest, kan worden overwogen.
Verder is het nog maar de vraag of alle asbestafval - bijvoorbeeld van de sloop van gebouwen - op de juiste bestemming terecht komt. In welke mate wordt asbest van afbraakwerken van privé-personen aanvaard op containerparken, en onder welke omstandigheden? Een ander element van de problematiek is de sanering van asbeststorten. Berucht was het Broek in Willebroek, dat nu eindelijk gesaneerd is, maar dit is nog maar het begin. Denk onder meer aan de asbeststorten in de Gentse Kanaalzone, in Hofstade te Aalst en de asbestberg in Kapelle-op-den-Bos.
De eerste opdracht is de sanering van de omgeving van de vroegere bedrijfssites waar met asbest is gewerkt. In de omgeving van asbestbedrijven als Eternit in Kapelle-op-den-Bos werd immers in het verleden zeer achteloos omgesprongen met het levensgevaarlijke asbeststof.
Vrachtwagens met opwaaiend asbeststof reden door de dorpskern. Het asbeststort diende jaren als speelterrein voor jeugdbewegingen. Pas enkele jaren geleden werd het afgesloten en afgedekt. Asbestafdraaisel was gedurende vele jaren een gegeerde grondstof voor de aanleg van wegen, tuinpaden en opritten van garages.
Er moet dringend een grondige inventaris worden opgemaakt van alle grotere en kleinere black points in gemeenten als Kapelle-op-den-Bos en Tisselt, maar ook van andere sites van nog bestaande of inmiddels gesloten bedrijven die asbest verwerken of verwerkten. In Nederland werd door de VROM een subsidieregeling uitgewerkt waarbij eigenaars van asbestwegen subsidies krijgen voor werken waarbij het asbestbevattend materiaal wordt verwijderd door erkende bedrijven of waarbij het risicomateriaal wordt afgedekt met asfalt, beton of klinkers.
Op welke wijze zal Vlaanderen bijdragen aan een afdoende centrale registratie van asbestgerelateerde ziektes zoals asbestose, mesothelioom of longkanker? Op welke termijn kan een sluitende registratie worden opgezet en welke samenwerkingsverbanden met de federale overheid zijn daarvoor nodig?
Wordt er in opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen? Welke informatie is er beschikbaar? Wat is het standpunt van de Vlaamse regering in verband met de vraag naar schadeloosstelling? Zal men met het oog op de schadeloosstelling van asbestslachtoffers ook initiatieven nemen in overleg met de federale overheid?
Welke initiatieven zijn er om de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid verder in kaart te brengen voor heel Vlaanderen en specifiek voor de omgeving van bestaande of gesloten bedrijven waar asbest wordt of werd verwerkt? Is het niet wenselijk hiervan een van de speerpunten te maken van verder milieu- en gezondheidsonderzoek?
Hoe ver staat het met de studie 'Risico-evaluatie en saneringsprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' en met de beleidsnota over asbestbeheersing? Wat was het resultaat van de asbest-meetcampagne? Wanneer start de geplande sensibiliseringscampagne?
Is er een inventaris van asbeststorten in Vlaanderen? Welke prioriteit krijgt de sanering van deze storten, of kiest men eerder voor een degelijke afbakening en afdekking ervan? Wat is de stand van zaken van de asbestsanering in bedrijven en openbare gebouwen en hoe wordt dit opgevolgd? Is er voldoende verwerkingscapaciteit voor het asbest- en asbestcementafval?
Wordt werk gemaakt van een betere regeling voor de bescherming van particulieren tegen asbest in gebouwen en privé-woningen? Wordt gedacht aan de invoering van een attest 'asbestvrije woning'?
In welke mate wordt asbestafval aanvaard in containerparken? Klopt het dat we asbestcementproducten beschouwen als bouw- en sloopafval zonder vrijzittende asbestvezels, waardoor men ze in containerparken moet aanvaarden? Klopt het dat asbestplaten en isolatie van leidingen daarentegen niet aanvaard mogen worden? Zijn de werknemers in containerparken zich voldoende bewust van het gevaar van asbesthoudend sloopafval bij verbrijzeling ervan waardoor vezels kunnen vrijkomen? Is er toezicht op de naleving van de ARAB-reglementering inzake asbestblootstelling in containerparken?
Heeft men bij de OVAM zicht op de hoeveelheid asbesthoudend afval dat in het gewone huishoudelijk afval terechtkomt, zoals asbestkoord uit kachels, versleten remblokjes, asbesthoudende strijkplankjes, vlamverdelers en ovenwanten. Kunnen deze asbesthoudende afvalstoffen worden ingeleverd als KGA?
Wordt werk gemaakt van de inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere black points in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven? Acht de minister een subsidieregeling wenselijk voor de sanering of afdekking van asbestwegen, naar het model van Twente?
De voorzitter : De heer Van Looy heeft het woord.
De heer Jef Van Looy : In Nederland is de verwijdering van golfplaten waarin asbest zit aan zeer strenge reglementering onderworpen. Arbeiders die bijvoorbeeld dergelijke platen van een dak halen, zijn gehuld in beschermende kledij. Is het product werkelijk zo gevaarlijk? Hetzelfde materiaal wordt in Nederland blijkbaar totaal anders benaderd dan in Vlaanderen.
De voorzitter : Minister Dua heeft het woord.
Minister Vera Dua : Mijnheer de voorzitter, mijnheer Malcorps, op uw eerste vier vragen geef ik het antwoord van minister Vogels.
Door de centrale registratie op federaal niveau van de minimale klinische gegevens van gehospitaliseerde patiënten en dus ook van asbestgerelateerde ziektes als asbestose en mesothelioom, zijn er gegevens over het aantal asbestslachtoffers beschikbaar. De Vlaamse regering heeft toegang tot deze gegevens. Ook via de door Vlaanderen gesteunde kankerregistratie is er zicht op de incidentie van kankers die mede veroorzaakt worden door asbest. Momenteel worden trouwens initiatieven genomen om deze registratie nog te verbeteren. Via de mortaliteitsstatistieken die door de Vlaamse administratie worden opgemaakt, zijn ten slotte ook de gegevens inzake asbestgerelateerde overlijdens bekend. Cijfers die een idee geven over asbestgebonden beroepsziekten zijn ook bekend bij het Fonds voor Beroepsziekten.
Er is momenteel niet in specifieke financiële opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen. Voor patiënten met een asbestgerelateerde aandoening is er, net zoals voor andere zieken, financiële steun via de sociale zekerheid. Enkel de werknemers-asbestslachtoffers van bedrijven die een bijdrage storten bij het Fonds voor Beroepsziekten kunnen aanspraak maken op specifieke steun.
De vraag is of de Vlaamse regering of de federale overheid het initiatief moet nemen om naast de algemene steun via de sociale zekerheid ook nog in een specifieke schadevergoeding te voorzien. We doen dit voor het ogenblik ook niet voor andere ziektes. Minister Aelvoet zal de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een en ander onderzoeken. Als de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, zullen de nodige conclusies worden getrokken. Het zou ook goed zijn om eens na te gaan hoe de buurlanden deze problematiek aanpakken.
In verband met de wenselijkheid om van asbest een van de speerpunten te maken van het verder milieu- en gezondheidsonderzoek, moet worden opgemerkt dat het gevoerde onderzoek en de beleidsconclusies die daaraan gekoppeld zijn, zich toespitsen op biomonitoring van bepaalde polluenten.
Het milieu- en gezondheidsonderzoek spitst zich toe op polluenten die nog steeds in min of meer belangrijke mate in het milieu gebracht worden. Het gebruik van asbest is verboden. Asbest komt dus enkel nog vrij via bestaande asbesthoudende producten. Het beleid moet zich nu dus concentreren op een maximale inperking van de resterende vrijzetting, zolang alle asbesthoudende producten niet definitief en veilig zijn geborgen.
Voor asbest lijkt een biomonitoring medisch gezien een onuitvoerbare opdracht. Het zou neerkomen op het meten van de concentratie van asbestvezels in de longen, de zogenaamde broncho-alveolaire lavage. Die gebeurt door een bronchoscopie, waarbij men met een bronchoscoop in de longen kijkt en waarbij een kleine hoeveelheid vocht in de luchtwegen wordt gebracht en er vervolgens wordt uitgezogen voor verder labo-onderzoek.
Aan de hand van de beschikbare gegevens, bekomen via de centrale registraties, is het ook mogelijk om de asbestslachtoffers in kaart te brengen voor heel Vlaanderen. Op deze manier kunnen de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid in principe worden nagegaan.
De studie 'Risico-evaluatie en saneringprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' werd afgewerkt in 2000. De studie wordt gebruikt als basis voor de beleidsnota over asbestbeheersing. Deze beleidsnota bevindt zich momenteel in een ontwerpfase. In de beleidsnota zullen concrete bijkomende Vlaamse maatregelen worden voorgesteld. De planning is om in de loop van 2001 van de ontwerpbeleidsnota het onderwerp te maken van een doelgroepenoverleg en van overleg met de federale overheid, die reeds betrokken was bij de studie.
Dan kom ik nu bij de kwestie van de asbest-meetcampagne. In het kader van het actief overheidsbeleid rond preventie en verwijdering van asbest en asbesthoudende stoffen was het aangewezen om kwantitatieve gegevens te verzamelen over de huidige concentratieniveaus en het vóórkomen van inadembare minerale vezels in de omgevingslucht in Vlaanderen. Op dit ogenblik bestaan er in België voor asbest in buitenmilieu geen kwaliteitseisen. Om dit beleid op een efficiënte en doelgerichte manier te kunnen voeren dient een kwantitatief referentiekader inzake risico's gedefinieerd te worden. Daarmee is men dus nu bezig.
Gedurende de periode van december 1998 tot december 1999 zijn in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek de concentratieniveaus van asbest en minerale vezels opgevolgd op een aantal typische locaties in Vlaanderen. Een totaal van 319 filters en 43 blanco filters, afkomstig van in totaal 10 meetlocaties, werden geanalyseerd tijdens deze meetcampagne. Hierbij werden 50 monsters genomen in een gebied nabij een verkeersrijke locatie, 52 monsters in een residentiële omgeving, 54 in een stedelijke achtergrond, 48 bemonsteringen in een industriële omgeving en 50 stalen in een gebied nabij een mogelijke asbestbron. Bijkomend werden 65 stalen geanalyseerd afkomstig van het meetnet 'Zware metalen' van de VMM. Vermits het gezondheidsrisico gerelateerd is aan de lengte van de asbestvezels, werd een onderscheid gemaakt tussen korte en lange vezels. De korte vezels worden als onschadelijk beschouwd, de lange vezels worden verantwoordelijk gesteld voor een nefast gezondheidseffect. Op basis van de te verwachten asbestconcentraties en de gerelateerde lokale activiteiten kunnen een aantal typen gebieden onderscheiden worden. Ik heb hier een tabel bij, die ik aan u zal laten bezorgen.
Uit de tabel blijkt duidelijk dat men nabij historische bronnen uiteraard een veel hogere concentratie krijgt. In alle gebieden - stedelijk en landelijk - zijn de verwachtingswaarden van de jaargemiddelde concentratieniveaus lager dan 350 vezels per kubieke meter. In de omgeving van een historische bron, zoals een vroegere asbestverwerkende industrie, werden lange - dus schadelijke - vezels aangetroffen. Nabij een druk verkeerskruispunt wordt eerder de korte - dus onschadelijke - fractie waargenomen. De concentraties asbestvezels liggen echter bij het merendeel van de stalen dicht in de buurt van de detectiegrens.
Wanneer we deze waarden vergelijken met metingen die werden uitgevoerd in 1983, dan is er een globale verbetering merkbaar. Voor het doorvoeren van deze vergelijking moet echter een zekere reserve in acht worden genomen aangezien de aard van de metingen verschillend is. In 1983 betrof het immers geen jaargemiddelde concentraties. Meestal ging het om steekproeven met korte monsternemingsperiodes. Ook deze gegevens staan in een tabel. Een eindrapport met al de meetresultaten zal in februari gepubliceerd en publiek bekendgemaakt worden.
Ik zeg heel kort ook iets over de sensibiliseringscampagne. Dit is inderdaad nodig, maar ik acht het opportuun om dit pas te doen na het doelgroepenoverleg en de politieke beslissing over de in voorbereiding zijnde beleidsnota.
Dan is er nog de kwestie van het afvalprobleem. De vergunde asbeststorten zijn opgenomen in een lijst bij de vergunningverlenende overheid en zijn ook beschikbaar bij de OVAM via de lijsten van erkende verwervers en verwerkers. Er is geen aparte inventaris van asbest-blackpoints in Vlaanderen. In de OVAM-databanken zitten wel een aantal dossiers waarbij asbestproductie of asbeststortactiviteiten plaatsvinden of plaatsvonden. Medio jaren negentig zijn de grotere asbestproblemen aangepakt. Meestal werd als saneringsoptie voor een isolatie gekozen. Inzake prioriteit wordt geopteerd voor een snelle aanpak indien er verspreidingsrisico aan de orde is. Door de actie van een vijftal jaar geleden zijn de bekende gevallen ofwel gesaneerd ofwel via een voorzorgsmaatregel aangepakt.
Met betrekking tot de verwerking van asbestafval dient krachtens de huidige Vlarem-regelgeving een onderscheid te worden gemaakt tussen afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten en asbesthoudend afval dat geen vrije vezels bevat, voornamelijk verharde asbestcement. Verharde asbestcement, meer bepaald golfplaten, dakleien en asbestcementen buizen, kunnen worden afgevoerd naar een categorie 3-stortplaats. Gelet op het verbod om nog asbesthoudende materialen op de markt te brengen, is ook het tweedehandsgebruik van asbestcementen materialen niet langer toegestaan, en wordt er geopteerd voor definitieve verwijdering. Er zijn in Vlaanderen een twintigtal categorie 3-stortplaatsen, zodat er voldoende capaciteit is.
Voor afvalstoffen die vrije vezels bevatten, geldt krachtens Vlarem dat ze eerst gecementeerd moeten worden vooraleer ze gestort kunnen worden op een categorie 1-stortplaats. Slechts in het geval van verpakkingsafval en plastiekafval enerzijds en niet-vershredderbaar materiaal dat met asbesthoudend materiaal bekleed of bedekt is anderzijds, kan het dubbelwandig verpakt afval rechtstreeks worden afgevoerd naar een stortplaats. Er is in het Vlaams Gewest één installatie voor de cementering van asbesthoudend afval, meer bepaald van de firma Rematt in Mol. Het gecementeerde afval gaat daarna naar de stortplaats van Indaver in Antwerpen. In de praktijk blijkt de verwerkingscapaciteit voldoende om alle asbesthoudend afval op te vangen.
Hierbij kan wel melding worden gemaakt van een alternatieve verwerkingsmethode in Frankrijk - van een firma nabij Bordeaux - waar het asbestafval wordt verglaasd. Momenteel is het evenwel afval dat vooral vanuit het Brussels Gewest via Mol naar Frankrijk gaat, dat op die manier behandeld wordt. De hoge energiekosten van het verwerkingsproces en de grote transportafstand maken deze alternatieve verwerking immers dubbel zo duur als cementering en storten, wat op zichzelf ook al een dure verwerkingsmethode is. Hoe dan ook, het is een alternatieve methode, die we zeker niet uit het oog mogen verliezen.
Ten slotte kan nog worden vermeld dat momenteel door de VITO in opdracht van de OVAM een studie wordt uitgevoerd waarbij de criteria zijn onderzocht om asbesthoudend afval verder te kwalificeren, meer bepaald met betrekking tot de kwalificatie 'vrije vezels'. Of particulieren al dan niet afdoende beschermd worden tegen asbest in openbare gebouwen waarin werknemers tewerkgesteld zijn, hangt af van de aanwezigheid van de verplichte asbestinventaris en de kwaliteit van het beheersplan en de uitvoering ervan. Dit is echter een federale materie. Ter bescherming van particulieren in privé-woningen wordt in het kader van de beleidsnota een sensibiliseringscampagne overwogen. Daarin kunnen worden opgenomen : illustraties van asbesttoepassingen die kunnen voorkomen in en rondom een woning, een beschrijving van het onderscheid tussen gevaarlijke en minder gevaarlijke toepassingen, een beschrijving van veilige verwijderingsmethoden en de plaatsen waar het afval gedeponeerd kan worden, en het aangeven dat men voor gevaarlijke toepassingen best een gespecialiseerde firma contacteert.
Een attestering 'asbestvrije woning' zoals in Nederland vereist is, alvorens tot de sloop van een woning kan worden overgegaan, zou een vergaande maatregel zijn. Dit komt immers neer op een asbestinventaris voor alle te slopen woningen, die moet worden opgesteld door een gespecialiseerd bedrijf. In Nederland blijkt dit systeem niet zo vlot te lopen : ten eerste omdat er een enorme hoeveelheid aan mensen en middelen ingezet dient te worden en ten tweede omdat de handhaving niet sluitend is. Vooraleer een dergelijk systeem in Vlaanderen ingevoerd wordt, dienen we de haalbaarheid na te gaan. Misschien moeten we inderdaad ook een differentiatie inbouwen. Hoe dan ook, deze suggestie zal meegenomen worden in het doelgroepenoverleg en in de komende beslissing over de beleidsnota Asbest.
Binnenkort start de evaluatie van het sectoraal uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. Ook binnen die procedure zullen we overwegen of de invoering van een voorafgaande inventarisatie van te slopen gebouwen op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen zoals asbest aangewezen is. Dit kan zeer nuttig zijn, want hierdoor kunnen immers ook de kwaliteit en de afzetmogelijkheden van sloopafval verbeteren.
Enkel cementgebonden asbestplaten mogen aanvaard worden op het containerpark. Die platen worden namelijk beschouwd als bouw- en sloopafval. Ze mogen evenwel niet bij het recupereerbare bouw- en sloopafval gevoegd worden. Deze platen moeten te allen tijde apart gehouden worden omdat ze niet mee gerecupereerd mogen worden. De cementgebonden asbestplaten moeten afgevoerd worden naar een klasse 3-stortplaats.
Niet-cementgebonden asbestvezels of producten die asbestvezels bevatten, mogen in geen geval aanvaard worden op een containerpark, maar dienen steeds door een erkende verwijderaar ter plaatse opgehaald en verwerkt te worden. In Vlaanderen zijn er momenteel twee bedrijven die over een milieuvergunning beschikken voor het behandelen van asbestafval. Na behandeling van het asbestafval bij deze bedrijven wordt het afgevoerd naar een klasse 1-stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen. Zoals hoger vermeld, is er ook nog het systeem van verglazing, maar dat is misschien iets wat we op langere termijn moeten bekijken. Op het cementgebonden asbest mag in geen enkel geval ter plaatse een bewerking worden uitgevoerd. Dat staat zo in de Vlarem-reglementering.
Inzake de bescherming van de werknemers op containerparken kunnen we er van uitgaan dat zij normaal gezien een opleiding hebben gekregen waardoor ze zich voldoende bewust moeten zijn van alle gevaarlijke producten waarmee zij in contact komen. Bovendien dient er, zoals bij alle professionele bedrijvigheden, een bedrijfsgezondheidskundig- en veiligheidstoezicht te zijn. Ik wil daarover bij OVAM nog eens navraag doen.
Meer informatie over asbest en asbestafval is te vinden op de website van OVAM, waar zich een document van 28 april 2000 bevindt dat de hele problematiek van verwijdering en verwerking, evenals de mogelijke voorzorgen bij de behandeling ervan, beschrijft. In het overleg tussen gewesten en gemeenten zal worden bekeken hoe gemeenten het best kunnen worden geïnformeerd over hoe om te gaan met asbestafval.
De hoeveelheid asbestkoord, remblokjes, strijkplankjes, vlamverdelers, ovenwanten, enzovoort, die als afvalstoffen ontstaan bij particulieren, is zeer klein in Vlaanderen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat particulieren deze producten niet herkennen. Wanneer ze zich van deze voorwerpen ontdoen, zullen zij ze hoogstwaarschijnlijk meegeven met het huisvuil. Indien ze niet werden verwijderd uit de toestellen waarin ze zijn verwerkt, bijvoorbeeld kachels en dergelijke, dan zullen ze ook in andere huishoudelijke afvalstromen terug te vinden zijn. Dit is een gevolg van het feit dat er geen apart inzamelkanaal voor dit soort afvalstof bestaat ten behoeve van de privé-huishoudens.
Deze afvalstoffen worden hoogstwaarschijnlijk ook niet aangeboden als Klein Gevaarlijk Afval. De mensen leggen die link niet. Trouwens, in de lijst van de KGA-afvalstoffen van het VLAREA worden ze niet expliciet vermeld. Wanneer ze toch als KGA worden aangeboden, zullen ze worden verzameld onder de noemer "KGA van gemengde samenstelling" samen met nog andere niet-identificeerbare en potentieel gevaarlijke afvalstoffen. Momenteel beschikt OVAM niet over concrete informatie met betrekking tot de aanwezigheid van asbesthoudende afvalstoffen in het KGA.
Ook over de aanwezigheid van deze afvalstoffen in het huisvuil of andere huishoudelijke afvalstromen is er momenteel geen concrete informatie beschikbaar. De beleidsnota Asbest zal aangeven hoe deze afvalstromen beter kunnen worden beheerst.
Voor de beleidsnota Asbestbeheersing worden maatregelen overwogen in verband met asbest op wegen. Mogelijkheden zijn voorlichting en sensibilisering van de bevolking. Er komt bijvoorbeeld een brochure die de gevaren en mogelijke saneringswijzen verduidelijkt en een verhoogde responsabilisering van de wegbeheerder - vaak gemeentelijke instanties - onder andere bij asbesthoudend materiaal op openbare wegen.
Bij de subsidieregeling naar het Nederlands model van Twente worden particulieren, bedrijven en instellingen een maatregel toegewezen ter sanering die dan wordt uitgevoerd door de provincie. Daaraan is subsidiëring gekoppeld. Voor een dergelijke subsidieregeling zijn momenteel nog geen budgetten ingeschreven. In het geval de veroorzaker van de verontreiniging bekend is, geldt in elk geval het principe dat de vervuiler betaalt.
Er is momenteel geen initiatief tot inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere blackpoints. De gevallen die gemeld worden, zijn schaars. Hierbij is er niet zozeer sprake van een bodemsaneringsprobleem, maar eerder van een probleem inzake het onoordeelkundig gebruik van afvalstoffen die via opwaaiing een mogelijk gezondheidsrisico kunnen inhouden.
De voorzitter : De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Ik ben blij verrast dat er toch cijfers zijn over asbestgerelateerde aandoeningen. Ik had de vraag ook aan minister Aelvoet gesteld. Buiten het Fonds voor Beroepsziekten kon ze geen cijfers geven. Het is goed nieuws dat er wel zijn op Vlaamse niveau.
Wat betreft biomonitoring in bepaalde risicogebieden rond vroegere asbestbedrijven : het is uiteraard niet de bedoeling om asbestvezels in de longen te meten. Professor Pluyvers wijst er wel op dat via biomonitoring biologische effecten kunnen worden gemeten. Zo kan men preventief optreden. Dat is in gebieden waar men quasi zeker is dat bepaalde personen zware gezondheidsproblemen hebben door de blootstelling aan asbest, uitermate belangrijk.
Nog een derde opmerking in verband met concentraties van asbest in de lucht die in het verleden werden gemeten. Ik stel een verbetering vast en dat is goed nieuws. De concentratie die de WHO als gevaarlijk voor de volksgezondheid heeft vastgelegd, bedraagt 1000 vezels per kubieke meter. De metingen die aan het begin van de jaren tachtig zijn gebeurd in de omgeving van een asbestbedrijf bedroegen concentraties van 20.000 tot 640.000 vezels per kubieke meter. De latentieperiode is dertig tot veertig jaar. Dat illustreert dat we nog een en ander aan problemen kunnen verwachten. Het probleem mag dan ook niet worden onderschat, ook al is de asbestproductie nu stilgelegd.
Tot slot wil ik het nog even hebben over de asbestwegen. Ik weet niet of het probleem schaars is. In Kapelle-op-den-Bos en Tisselt is asbest op grote schaal gebruikt. Natuurlijk moet de vervuiler betalen. Ik daag OVAM echter uit om Eternit daarvoor te laten opdraaien. In elk geval moet het probleem worden opgelost. Zo niet, blijft dit aanslepen voor de volksgezondheid.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
Le Soir
Bruxelles Un an de prison avec sursis pour Luc Eykerman Pharmacien faussaire condamné - STEROP
Edited: 200101101534
BORLOO,JEAN-PIERRE
Page 20
Mercredi 10 janvier 2001
Bruxelles Un an de prison avec sursis pour Luc Eykerman Pharmacien faussaire condamné
C'est au terme d'un jugement long et technique que Luc Eykerman et son épouse Rita ont tous deux été condamnés à un an de prison avec sursis pour une quantité importante de fraudes sur des médicaments. Tous deux ont déjà annoncé qu'ils iraient en appel de cette décision.
Après avoir répondu à tous les arguments de procédure, le président de la 55e chambre du tribunal correctionnel de Bruxelles, Pierre Sprockeels, a détaillé toutes les préventions à charge du pharmacien d'industrie. Un déferlement de faux surgit de la lecture de son jugement: falsification de la date de péremption, reproduction frauduleuse de certificats d'analyse et recopiage intégral d'autres certificats... Ces documents laissaient croire erronément que des analyses avaient été refaites sur les produits vendus.
La société Sterop, du prévenu Eykerman, a également importé frauduleusement des produits, sans autorisation, et les a revendus en Belgique. Elle a, par ailleurs, détenu et vendu d'autres substances sans bénéficier de l'autorisation spécifique. D'autres préventions, déclarées établies, visent le respect des principes de bonnes pratiques de fabrication de médicaments. L'Inspection générale de la pharmacie avait aussi découvert des produits périmés dans les stocks de Sterop; le pharmacien aurait dû les supprimer.
Luc Eykerman est également condamné pour avoir commercialisé un lot en 1995 au départ d'un autre lot, datant de 1990 et ayant fait l'objet d'une manipulation - mention enlevée sur un coin de l'emballage pour y apposer d'autres mentions. Enfin, les prévenus sont encore condamnés pour avoir facturé et envoyé des médicaments mal étiquetés vers l'Afrique.
Les prévenus reconnaissaient une part des faits, mais ils parlaient d'erreurs et niaient l'intention frauduleuse. Ils criaient aussi au complot quand la RTBF a dénoncé ce trafic ainsi que l'appartenance de Luc Eykerman au Front national puis au Parti libéral chrétien.
Outre la peine de prison avec sursis, Luc Eykerman a aussi écopé d'une amende d'un million de francs et son épouse d'une amende de 400.000F. Ses trois sociétés sont civilement responsables.*
J.-P. B.
TESSENS Lucas
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar London, 19981119-19981120
Edited: 199811241610
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar
London, 19981119-19981120
Deelnemende landen (11): Austria, Belgium (VL), Denmark, Finland, Germany, Ireland, Italy, Netherlands, Norway, Switzerland, United Kingdom
Organisator: BBC

1. Op donderdagavond vond een eerste en nuttige kennismaking plaats tussen de deelnemers; het eigenlijke seminarie begon op vrijdag.

2. Uit de diverse uiteenzettingen hebben wij het volgende onthouden:

• UK (BBC): int zelf de licence fee; gooit geweldig veel research tegen de inningsactiviteit aan en gaat hierbij tot in het extreme; BBC heeft het makkelijk om campagne te voeren op de eigen TV-stations (bvb. spot met een lengte van 4,5 minuten); hun policy bestaat erin de betalingsmogelijkheden zo ruim mogelijk te maken (tailor made) teneinde de TV-houders tot registratie aan te zetten; vervolgens dirigeren zij de betalers naar een minder kostelijke inningswijze; BBC is afgestapt van een politiek waarbij steeds maar op de inningskosten bespaard wordt en lanceert zich in een policy van return on investment; daarbij wordt wel erkend dat ook in de inningsactiviteit de wet van de verminderde meeropbrengsten geldt; BBC spreekt van "selling a licence" wat aanduidt dat zij de gehele marketing-batterij afvuren op hun "klanten"; voor de bestrijding van ontduiking "on the field" worden hi-tech spionage-technieken gebruikt (BBC geeft zelfs toe hiervoor contact te hebben gezocht met inlichtingendiensten): zo kan men van op de straat detecteren waar een TV-toestel in werking is, naar welk TV-station en naar welk programma er wordt gekeken, is de betrokkene niet geregistreerd dan neemt men een foto van de voordeur van het huis met die gegevens + het uur van de controle erop afgeprint; de "continentalen" hadden hun bedenkingen bij deze inbreuk op de privacy; immers, de gebruikte techniek laat ook toe dat gesprekken binnenskamers gevolgd worden (worden wel weggefilterd, maar toch …); ten aanzien van armen en marginalen wordt een gedoogbeleid gevoerd wegens te hoge kosten bij gedwongen invordering.

• Italy (RAI): ook de RAI int zelf; de wetgeving is verouderd (1938); de databases staan niet op punt; de privacy-wetgeving speelt hen parten; de ontduiking is groot tot enorm (hoe zuidelijker, hoe mee ontduiking > zie tabellen); RAI is volop aan het investeren in een eigen mega-call-center.


• Belgium (VL): uiteenzetting met slides door L. Tessens "Fighting Tax Evasion and the use of a Call Center" (zie slides).

• Germany (GEZ)(Joerg Scholz): TV-houders worden ab initio in het bestand opgenomen en kunnen er in principe niet uit verwijderd worden; 80% van de betalingen geschiedt per domiciliëring; korte en warrige uiteenzetting wegens onvoldoende beheersing van de Engelse taal.


• Netherlands (Omroepbijdragen)(Ruud Peters): Omroepbijdragen is op zoek naar nieuw beheerssysteem en lanceert oproep om samen te investeren in een software-platform; pleit voor hechtere samenwerking, een permanente structuur en een secretariaat. Alle voorstellen van Peters worden verworpen, c.q. "gecommissioneerd". Er is enige animositeit merkbaar tussen David Lane (BBC) en Peters: Omroepbijdragen heeft getracht know how te verkopen aan BBC en zulks is mislukt.


3. In de "wandelgangen" konden we nog volgende interessante feiten optekenen:

• Denmark: worstelt met het feit dat het inzetten van een call center volgens de Europese regels van toewijzing moet gebeuren.

• Switzerland (Thomas Rudin tijdens lunch): Inninigsorganisme (Billag) heeft een verzelfstandigd statuut verkregen na decennia-lange inning door Swiss Telecom; overgeërfde database werd verminkt onder druk van privacy-wetgeving (telefoonnummers geschrapt uit het bestand); bij outsourcing dient Switzerland zich te richten naar firma's in de GATT-landen.


• Ireland (Gerry O'Brien tijdens lunch): inning geschiedt door de Irish Post; database-management is geweldig oubollig; Post redeneert zoals EDP-manager van de jaren 70 (alles is moeilijk en tijdrovend, het systeem laat dit niet toe); RTE is zeer ongelukkig met de bestaande situatie; alle hulp is welkom.

4. Permanente structuur en secretariaat
Tijdens het seminarie heeft Belgium (VL) in samenspraak met Netherlands de idee gelanceerd van een permanente structuur (met lidgeld) met een permanent secretariaat/clearing house te Aalst (CIPAL/Kijk- en Luistergeld). Dit was vrij moeilijk omdat een discussie hierover niet op het agenda voorzien was. Toch zijn wij erin geslaagd deze discussie te laten plaatsvinden.
Tijdens de rondvraag bleek Marti Partanen (Finland/YLE) gekant tegen een eigen structuur en een eigen secretariaat. Volgens MP was de opvolging van licence fee een taak voor de EBU (European Broadcasting Union), die deze problematiek sinds jaar en dag had gevolgd maar de laatste jaren de teugels vierde. We kunnen spreken van een typische RECUPERATIEREFLEX. Na de uiteenzetting van MP sloten de EBU-leden de rangen: RAI (Italy), RTE (Ireland), ORF (Austria), DR (Denmark), WDR (Germany). De BBC had zich slechts neer te leggen bij de meerderheid en trok de coördinatie-werkzaamheden en het de facto voorzitterschap voor het komende jaar naar zich toe.
Noteer dat BBC hiermee een punt scoort. Immers, BBC krijgt nu een pak know how toegeschoven.

5. Conclusies
Licence fee management wordt naar ons gevoel gekenmerkt door 3 tendenzen:
5.1. Database improvement: software om de eigen database te beheersen, matching met analoge bestanden (rijksregister, posterijen, kabel, telefonie). Hier ligt een markt voor IT-bedrijven. Moeilijkheid vormt de nationale en Europese regelgeving inzake privacy. Meerderheid worstelt met overgang van oud naar nieuw bestand in een verzelfstandigde omgeving (nood aan training en input database know how).
5.2. Marketing know how: segmentering en vorming van target groups voor inning en invordering, creatief bespelen van allerlei betalingsmogelijkheden (billing), etcetera.
5.3. Communication know how en opvang feedback: kennis van de media mix en de performantie van de ingezette middelen, capabilities van call centers, creëren van "visibility on the field" teneinde perceptie van pakkans op te voeren (vooral belangrijk in zwak bekabelde regios en niet-voorziene matching met bestanden cable subscribers).

Wij geloven niet in het aanhouden van het losse samenwerkingsverband, meer een gevolg van EBU-recuperatiereflex dan van ratio. Men gooit de oppurtuniteit van een grote "learning zone" weg. Op termijn zal blijken dat meer structuur en professionalisering zich opdringt. Wij verwachten een doorbraak na het interim-presidentschap van Italy.
Een steeds wisselende coördinator in het zgn. clearing house is een slechte zaak voor de continuïteit in de verspreiding van know how. Het is bovendien niet zeker dat voor de full digital option (alle communicatie en info over e-mail) wordt gekozen bij het managen van de informatie (nog communicatie per fax en dus op papier). Op die manier behoudt de beheerder van de digitale info in het clearing house, in casu de BBC, een voorsprong.

Bijgevolg zijn wij tot nader order aangewezen op bilaterale contacten willen wij een voorsprong opbouwen en behouden. Deze kunnen o.i. het best samen met Netherlands opgevolgd worden teneinde een platform van een zekere dimensie te vormen.
Willen we ons profileren als de aanreikers van een "total solution" dan is een verticale integratie van know how een must: mainframe, inter- en intranetworking, datawarehouse, document and information flow, communication and feedback management, call center capabilities, budgetbewaking. Het is onze overtuiging dat wie zich (in teamverband) met deze bagage het eerst Europees als problem solver profileert mooie groeikansen heeft. Deze liggen immers in het bredere veld van de tax collecting.

Lucas TESSENS - MERS (Media Expert Research System) - 1998-11-24
MERS
Draft Press Release on Licence Fee Collection in Flanders by CIPAL
Edited: 199810270938
Recently the National Institute for Statistics (NIS) in Belgium published the statistics of the private households in Belgium.
These figures are important for a good comprehension of the structure of a state since the household is still to be considered as the main consumption unit of cable services. Licence fee collecting also has the household as main target.

The Kingdom of Belgium is a federalized nation.
Belgium comprises of three communities (based upon language): the Dutch (Flemish), the French (Walloon) and the German speaking community.
On the other hand Belgium consists of three regions (based upon territory): Flanders, Brussels and Wallonia. Each of these three regions their own government with growing responsabilities. Flanders is by far the most important region, both in demographic and in economic terms.
Provinces are administrative/territorial divisions of Belgium. There are 10 provinces, 5 in Flanders and 5 in Wallonia.

CIPAL is the firm responsable for the licence fee collection in the region Flanders since 1997. After a competition with the big informatic firms (IBM, EDS, Orda-B, Siemens, …) CIPAL obtained the outsourcing contract for a five year period (1997-2001).
The core business of CIPAL was and still is the treatment of digital data for the municipalities in the provinces Antwerp and Limburg.
The outsourcing of the licence fee collection must be seen as a deliberate new political option of the Flemish government: to delegate jobs to those who are considered to be the best in the market.
The responsabilities of CIPAL are considerable and complex:
• building a strong and visionary management team,
• the complete reorganisation and the training of personnel on new machines and new software,
• the installation of a full digital workflow where paperwork is banned "at the border" of the administrative process,
• the coordination of campaigns against tax evasion,
• the matching of its own database with those of the 21 cable companies in Flanders,
• the constant verification of names and adresses, and so on.

MERS is a consultant in media, communication and cable affairs. Lucas Tessens, managing director, iniated commercial television in Flanders in the 80s and cable telephony in 1994. He also advised the Flemish government and private firms in media and telecom matters. CIPAL and MERS work together from the start of CIPALs new business.

MERS believes that the collection of licence fee is much more than a pure technical matter. The huge penetration of television in households makes tax collecting a fine tuned barometer for financial and sociological trends in society. And a better comprehension of society helps to make better tax consultants and better governments.
LT
Letter to Mme Judith Stelmach (ORF)
Edited: 199810160928
ORF
Mme Judith Stelmach
Audience Research Department
Würzburggasse 30
A - 1136 - WIEN
Austria

Antwerp (Belgium), 1998-10-16


Dear Judith,


Please find hereby the Annual Report of the Flemish Licence Fee organisation (Dienst Kijk- en Luistergeld).

MERS is the external consultant for licence fee collection in Flanders, the Flemish speaking community of federalised Belgium.

On April 1st 1997 the service gained autonomy. Before that date the licence fee organisation was a part of Belgacom, the telecom operator of Belgium, privatised for some years now.
CIPAL, a service company in the informatic field and owned by a large number of cities in Flanders, took over the job (computer technology, organisation and management, etcetera). The Flemish government is the final responsable for and beneficiant of the tax collection. The public broadcast company (VRT) gets a dotation from the Flemish government but one can not say that there is an direct link between the taxes collected and the funding of the public broadcaster. This stays a political decision on a yearly basis. In some respect this situation makes the communication with the public rather difficult ("why you should pay licence fee"). Yet the collected licence fees are considered by the large majority as the main financial source for the VRT.

Note also that taxes are collected per household for TV-sets and per car for car radio.

As of April 1997 CIPAL undertook a number of successfull and speedy actions to improve the organisation of the service: new software, upgrading and training of personnel, large media campaign against tax evasion, etc.
All these efforts resulted in a dramatic rise of the registration rate in Flanders (see the tables in the annual report).
The situation in Flanders is somewhat special because of the very high penetration of cable (teledistribution). This makes it possible to match the databases of cable companies and the licence fee organisation on a nominative basis. This matching proces was made possible by law.
Great efforts go to the improvement of the matching methods because this is one of the keys for evasion rate reduction. The maps at the end of the annual report gives an insight in the evasion rate per province/city/village in Flanders (308 in total). The maps indicate where TV and car radio tax evasion is prominent and this information is to be considered as a management tool for specific and punctual action in the field.

It is my firm belief that international cooperation and data interchange can improve our business. Permanent improvement in tax collection can only evolve when brains work together and ideas flow around the globe.

Kind regards,







Lucas TESSENS
Managing Director MERS
Le Soir
Le PLC est bien un parti d'extrême droite
Edited: 199803201524
n.c.
Page 3
Vendredi 20 mars 1998
Jugement du tribunal de Liège favorable au «Soir» Le PLC est bien un parti d'extrême droite Le 19 mai 1995, «Le Soir» recensait les petits partis candidats aux élections du 21mai 1995.
Sur les listes BEB et Ralbol, nous avions repéré le nom de Luc Eykerman.
Nous écrivions que celui-ci a fugacement fait partie du FN et qu'il est l'animateur du PLC, que nous classions à l'extrême droite.
Comme le décrit le Crisp («Courrier» n o1350), le PLC (Parti libéral chrétien, rebaptisé Parti de la liberté du citoyen) a été fondé en octobre 1982, dans le prolongement du Cepic, émanation droitière du PSC.
Refusant d'être qualifié d'homme d'extrême droite , M.
Eykerman a saisi la justice en 1996.
Ce 17 mars, le tribunal de première instance de Liège a donné raison au «Soir».
Le juge donne acte à M.
Eykerman de ce qu'il conteste fermement être un homme d'extrême droite et se présente comme l'animateur d'un «mouvement qui allie le libéralisme économique à la mode thatchérienne à la philosophie chrétienne à la mode de l'ancien parti catholique».
Mais le tribunal ne relève pas, dans notre chef, une faute en cataloguant le demandeur et son parti comme faisant partie de l'extrême droite.
Pour M.
Eykerman, ce qualificatif l'assimile à un néo-fasciste , à un admirateur, un continuateur de Hitler ou Mussolini .
Le juge réplique: Contrairement ce que feint de croire le demandeur, l'extrême droite ne contient pas uniquement des mouvements néo-nazis.
S'y rencontrent (...) diverses factions aux objectifs parfois sensiblement différents.
Le tribunal accorde à la presse le droit de «cataloguer» un homme public lorsqu'il s'agit de «présenter au lecteur une vision globale du paysage politique belge».
Toute catégorie étant forcément arbitraire (ce que le lecteur n'ignore pas), ce sont (...) des tendances qui doivent être relevées, les points de convergence et non les oppositions mineures entre mouvements rivaux, à peine de créer autant de catégories que de mouvements politiques.
La défense a produit au tribunal un document prouvant la participation d'Eykerman, en juillet 1989, à une commission de travail du Front national.
Le juge note que l'intéressé lui-même admet que ce parti auquel il a adhéré fugacement ou très fugacement mérite l'appellation de parti d'extrême droite. «Le Soir» a aussi évoqué la participation d'Eykerman, en février 1996, à un dîner-débat organisé par Marguerite Bastien (en présence d'Yvan Blot, député européen FN, de Roger Nols et de M.
Escada, président d'Unie).
Eykerman dira avoir accepté l'invitation de Bastien en raison de son passé de haut magistrat et de «sa longue présence parmi les proches de M.
Gol au PRL».
Mais, pour le juge, le demandeur n'ignorait pas les sympathies, en 1996, de Mm e Bastien, député FN.
Dirigeant de sociétés pharmaceutiques (Sterop), Eykerman invoqua le fait que ses activités commerciales sont largement centrées sur l'Afrique et qu'il emploie de nombreux étrangers. L'argument n'a pas empêché le juge de relever que son parti prône le renvoi des clandestins, chômeurs et délinquants.
Que ses publications (dont «Liberté») se caractérisent par un discours agressif, méprisant, virulent et simplificateur de type «tous pourris; coup de balai» tandis qu'il présente, sur le fond, un certain nombre d'analogies avec celui de partis qui sont habituellement étiquetés d'extrême droite.
Et que, dans certains articles, le PLC juge vital pour notre industrie de se séparer progressivement (...) de sa population immigrée, culturellement sous-développée.
Eykerman estimait encore que nos sources (dont le Crisp) étaient engagées politiquement et a priori hostiles .
Le juge a estimé que le Crisp était une source d'information sérieuse .
Etant donné les opinions professées par M.
Eykerman, les relations qu'il affiche, son parcours et l'analyse du Crisp, le juge a donc donné raison au «Soir».
MEUWISSEN Eric
Il y a juste deux siècles, le tiers de la superficie du Brabant wallon changeait de propriétaire suite à des opérations immobilières inouïes
Edited: 199801170634
Le Soir, Samedi 17 janvier 1998, Page 37
Les bourgeois de Bruxelles ont roulé les paysans du cru
Une « opération satanique d'anticléricaux» aux origines de l'implantation de la bourgeoisie bruxelloise dans le Brabant wallon ? Pas si simple.
Les touristes qui visitent l'abbaye de Villers se demandent souvent pourquoi ce site jadis si opulent est devenu une telle ruine ? Et pourquoi les bois qui ceinturent Villers appartiennent à la famille Boël qui règne encore, au départ de la ferme du Chenois (notre photo), sur un domaine de plus de 2.000 ha ?
La réponse se trouve tout simplement dans la vente des biens nationaux. A savoir la vente dans la foulée de la Révolution française de biens d'origine ecclésiastique (2.885 ha pour l'abbaye de Villers par exemple). Une vente sur laquelle l'historien François Antoine (30 ans) s'est penché à travers sa thèse de doctorat (ULB) (1). Elle nous permet de mieux comprendre pourquoi par la suite le Brabant wallon fut plus que n'importe qu'elle autre région, placé dans une grande dépendance à l'égard de Bruxelles et comment il généra des flux financiers des campagnes vers la ville, de l'agriculture vers l'industrie. Bref, une étude très fouillée (dont nous n'abordons ici qu'un des nombreux aspects) et qui nous donne une des explications de la présence de grandes propriétés foncières en Brabant wallon. Des grandes propriétés qui ne furent pas étrangères à l'installation de l'UCL à Ottignies, ou encore à la concentration anormalement élevée de golfs dans la nouvelle province.
«UNE ORGIE FINANCIÈRE»
On y apprend ainsi qu'entre 1796 et 1801 plus de 30.000 hectares ont changé de mains en Brabant wallon ! Cela équivaut au tiers de la superficie de la région (Genappe détient le pompon avec plus de 3.400 ha vendus, suivi de Braine-l'Alleud 2.772 ha, Jodoigne 2.431 ha, Grez 2.379 ha...). Une incroyable mutation foncière qui a eu pour conséquence de transférer la grande propriété des mains des abbayes à celles de la bourgeoisie bruxelloise. Certains historiens évoquèrent «une opération satanique d'anticléricaux» venus de France dilapider les plus beaux joyaux de nos régions. D'autres parlèrent de «véritables orgies financières». A chaque fois, l'historien fait la part des choses même s'il ne cache pas que ces ventes donnèrent lieu à des spéculations scandaleuses, effrénées et extrêmement lucratives qui permirent aux plus «audacieux» de se constituer en quelques années des fortunes colossales. Que l'on pense au fameux Mosselman, ancêtre de la reine Paola, à Maximilien Plovits, né sans fortune, et bientôt propriétaire d'une partie du couvent des Carmes à Wavre et de la ferme de Mellemont à Thorembais...
Cette vente des biens nationaux eut pour conséquence de maintenir le «régime des grandes fermes» puisque la plupart des grands ensembles agricoles ont été aliénés en bloc. Le résultat en fut le maintien en Brabant wallon des structures rurales d'Ancien Régime et l'émergence d'une agriculture de type capitaliste. Nous sommes là aux antipodes des aspirations jacobines de redistribution de la propriété foncière à l'avantage de la paysannerie. Paradoxe d'une révolution !
DU CASH POUR MONTER DES AFFAIRES
La grande bourgeoisie bruxelloise put grâce à ce tranfert de propriété préparer sa mainmise politique et économique sur tout le XIXe siècle. La classe des négociants manufacturiers est ainsi parvenue à utiliser les biens ecclésiastiques sis en Brabant wallon notamment comme un puissant levier pour favoriser leur passage du négoce à l'industrie. En d'autres mots, les biens nationaux permirent aux bourgeois d'avoir du cash pour monter des affaires.
Prenons le cas de Daniel-Patrice Hennesy qui réinvestit ses profits en acquérant par exemple les papeteries de La Hulpe ou de Pierre-François Tiberghien qui convertit en vastes ensembles industriels textiles l'abbaye d'Heylissem. Dès lors, on ne s'étonnera pas de voir que ce sont ces grands acheteurs de biens nationaux (ou leurs fils) qui «mirent la main» sur la Société Générale et qui contrôlèrent l'économie du pays durant une bonne partie du XIXe siècle. Le meilleur exemple étant celui du châtelain d'Argenteuil, Ferdinand de Meuûs, gouverneur de la Société Générale, et dont le père fut un des « fossoyeurs du monachisme» pour reprendre une expression imagée et polémique de l'époque.
ERIC MEUWISSEN
(1) François Antoine : «La vente des biens nationaux dans le département de la Dyle». Archives Générales du Royaume. 1997. 545 pages. 850 F. Renseignements : 02-513.76.80.
Politiek Overzicht 1998
Edited: 199800001261
Res Publica 1999/2-3 - (265-284) Stefaan FIERS and Mark DEWEERDT - Belgian politics in 1998

(summary) For the third consecutive year, Belgian politics was to a large extent dominated by the aftermath of the Dutroux-pedophile case. The political world was under pressure to reform the judiciary and the police-forces, as these had shown lack of competence in this case. The pressure mounted after Dutroux' brief escape on April 23rd, which caused the resignation of the ministers of Interior (Van de Lanotte) and of Justice (De Clerck). Dutroux' escape, however, reunited the majority and the opposition parties to make a deal on the reforms of the judiciary and the police-forces (the Octopus-agreements).

The aftermath of Dutroux' escape, and the Octopus-agreements overshadowed the entry of Belgium into the EMU. It also made an end to the everlasting speculations about snap elections.

From autumn 1998 onwards, most attention was paid to the policy on asylum and the Agusta/Dassault trial. The dead of a Nigerian refugee during her forced repatriation caused the resignation of deputy prime minister Tobback, and a limited adjustment of the procedure to grant asylum. In December 1998, the Court of Cassation convicted the politicians that were charged in the Agusta/Dassault-bribery cases.

Other important issues in 1998 were the policy on employment, the right to vote for non-Belgian citizens and disputes on the implementation of the language-laws in communities with a special linguistic status.
De Tijd
Financietoren wordt in de loop van volgend jaar verkocht
Edited: 199712051111
05 december 1997 00:00
(tijd) - Minister van Ambtenarenzaken André Flahaut (PS) heeft de Regie der Gebouwen de opdracht gegeven de verkoop van 15 overheidsgebouwen in de loop van 1998 voor te bereiden. De twee pronkstukken op de lijst zijn zonder twijfel de Financietoren en het gebouw van het Rekenhof. De verkoop moet minstens 9 miljard frank opbrengen.Flahaut bevestigde dit donderdag in de Kamer in antwoord op een vraag van VLD-kamerlid Van Aperen. Het bestaan van de lijst was een dag eerder gesignaleerd door de socialistische ambtenarenbond ACOD. De Financietoren, de imposante toren in Noord-Brussel waarin het grootste deel van de centrale fiscale administratie gehuisvest is, is zonder twijfel het meest opvallende bouwwerk op de lijst. Verderop, zij het met een lagere verkoopprioriteit, vinden we nog de classicistische 'residentie' waarin het Rekenhof huist. Ook gebouwen van de ministeries van Verkeer en Buitenlandse Zaken en een aantal gronden en terreinen in de provincie prijken op het lijstje.
LT
persverslaggeving KLG-persconferentie
Edited: 199710020902
*FAXBERICHT • FAX MESSAGE

To: Dienst Kijk- en Luistergeld, ter attentie van de heer Eddy DEBAETS, Manager, Bauwensplaats 13, 9300 AALST
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director MERS
Date: 19971002
Ref: persverslaggeving KLG-persconferentie
Pages (this one included): 1+5
Tel: 053-72.25.00
Fax: 053-70.02.84



Geachte Heer Debaets,
Beste Eddy,



Hierbij zend ik u de persverslaggeving uit volgende dagbladen:
FET, De Standaard, Het Laatste Nieuws, De Morgen.

Commentaar:
U merkt dat de onderscheiden dagbladen op verschillende wijze het thema belichten en dat er enkele fouten slopen in de cijfergegevens (zelfs de gezaghebbende FET ontsnapt er niet aan: 150.000 "zwartluis¬teraars").
De titel van HLN "7 controleurs voor 150.000 zwartkijkers" minima¬liseert impliciet de pakkans, terwijl toch matching het meest effectieve in¬strument is voor het opsporen van de zwartkijkers. HLN is de enige krant die het 0900-nummer vermeldt.
De Morgen geeft een foutieve interpretatie aan de notie "Mission State¬ment".

Toch is de toon overwegend positief en krijgen de berichten een goede plaats (cover + blz. 2 of 3). Er mag dan ook gesproken worden van een uitstekend "gecoverde" boodschap. Vergeten we ook niet dat de TV-spot, integraal opgenomen in het BRTN-nieuws, zorgt voor "free publi¬city" voor het 0900-nummer. De carroussel-formule van het Journaal (TV1) in de late avond zorgde dan nog eens voor een mul¬tiplicator-effect.

Met vriendelijke groet,



Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
MODEN Jacques - CRISP
La restructuration du Crédit Communale > Dexia, BIL, Experta, Cregem (extrait)
Edited: 199605052010
La Banque internationale à Luxembourg-BIL est la principale filiale du Crédit communal. Cette banque, la plus importante du Luxembourg, dispose d’un réseau étoffé d’agences au Grand-Duché de Luxembourg (46 agences) et de succursales ou de bureaux de représentation dans de nombreux pays. Elle est active dans de nombreux segments, dont le “private banking” (gestion de fortune notamment), le marché des capitaux (prise ferme et syndication d’émissions en francs luxembourgeois), la gestion de fonds communs de placement Son total bilantaire s’établissait, à la fin 1995, à 888 milliards de francs luxembourgeois et ses capitaux propres au sens large à 47,8 milliards. Elle a dégagé, l’an dernier, un bénéfice consolidé de 2,8 milliards. La BIL représente un quart du total du bilan du groupe Crédit communal et contribue à concurrence de 27 % à ses résultats.
72
À l’étranger, au travers surtout de ses filiales et sous-filiales BIL, Cregem et Experta, le Crédit communal est présent au Grand-Duché de Luxembourg, en Suisse, à Monaco, dans les îles anglo-normandes, en Irlande, aux Pays-Bas, en France, aux États-Unis, aux Bahamas, dans les Antilles néerlandaises, à Singapour et à Hong-Kong.

source: https://www.cairn.info/revue-courrier-hebdomadaire-du-crisp-1996-34-page-1.htm



tags: Gemeentekrediet, BIL, Experta, CREGEM, Dexia, BELFIUS, bad bank
TESSENS Lucas
Perexma: een beknopte historiek
Edited: 199506120961
Beknopte historiek :

De NV Perexma wordt, na een grondige markt¬studie over de haalbaarheid van een televi¬sieblad in Vlaanderen, op 2.5.1969 (BS 17.5¬.1969) opgericht. Het is een joint-ven¬ture van NV De Vlijt en NV De Standaard. Het ka¬pitaal bedraagt 4 MBEF en is verdeeld in 4000 aandelen. Op 6.6.1969 verschijnt het eerste nummer van 'TV-Ekspres' dat ook 'TV-Strip' van de IUM integreert. De gehele re¬dactie¬ploeg van 'Zondagmorgen' was overgeno¬men voor de start van het blad.
Op 25.5.1976 wordt dhr J. Merckx benoemd tot beheerder-directeur. Deze benoeming wordt op 27.8.1976 bevestigd. Tussen die twee data was de Stan¬daard¬groep in faling gegaan en werden tal van ven¬noot¬schappen, behorend tot de groep, meege¬sleurd. Perexma kon de dans ontsprin¬gen voorna-melijk omdat de verweven¬heid met de schuldpositie van de groep onbe¬staande ble¬ek. VNU, dat toen al een bod deed op Per¬exma, greep naast de kans wegens het bestaan van voorkoop¬rechten binnen de Raad van Be¬heer.
In 1977 wordt ZIE, voorma¬lige 'Zon¬d¬ags¬vriend', van De Vlijt ingelijfd bij Per¬exma en wordt de inhoud geleidelijk ge¬lijk¬ge¬schakeld met die van TV-Ekspres. Op 2.5.¬1978 (buitengewone alge¬mene verga-dering) worden volgende aandelen-aantal¬len geteld : dhr Impens (570), dhr Westen (570), dhr Stevens (570), dhr Van Assche (1140), dhr Jan Merckx (570), dhr Antoon Sap (570), Handels¬blad - eveneens behorend tot de oude Stan¬daard¬groep - (9). Tijdens diezelfde ver¬gade¬ring wordt beslist de aan¬delen, tot dan toe op naam, om te zetten in aandelen aan toon¬der. Op 1.6.1981 lanceert Perexma 'TeVe-Blad', een mini-magazine. Dat geschiedt enkel in de provincie Limburg en blokkeert daarmee een gelijkaardig initia¬tief van VNU. Op 6.5.1985 worden op de alge¬mene ver¬gade¬ring volgende aandelen-aan¬tallen geteld : dhr Impens (20), dhr Stevens (20), dhr Westen (102), dhr Vertongen (1), Handelsblad (8), Fi¬nimtrust Luxembourg (80¬0). Op 28.10.¬1987 wordt VTM opgericht en Perexma partici¬peert voor 11,11 %. Voorzit¬ter van de Raad van Bestuur van VTM wordt dhr J. Mer¬ckx.
In 1988 verkoopt dhr Albert De Smae¬le , voorma¬lig directeur-generaal van de Stan¬daard¬groep, zijn belang van 28 % in Perexma aan de Nederlandse holding Alvarior. Wellicht was hij tot dan toe op de achter¬grond gebleven tijdens algemene verga¬derin¬gen en werden zijn stem¬gerechtigde aandelen vertegenwoordigd door dhr Van As¬sche en la¬ter door het Luxemburgse Finimtrust. Volgens onze berekeningen kon dhr De Smaele in de periode 1977-1988 rekenen op dividenduit¬keringen die samen ver boven de 100 miljoen BEF lagen.
Begin 1989 lanceert Het Volk 'TV-Gids', een haast per¬fecte copie van 'TeVe-Blad', aan een pu¬blieks-prijs van 20 BEF. 'TeVe-Blad' (25 BEF) moet daar¬door ook met zijn prijs naar bene¬den. Om heibel met de dagbladhande¬laars te vermijden krijgen die wel de¬zelfde com¬missie (in fran¬ken, niet in percenten) gegaran¬deerd. In 1989 daalt de door AAS (nu MMB) gemeten publici¬teits¬omzet van Per¬exma scherp en dat voor de eerste keer in haar geschie¬denis : van 245 miljoen BEF naar 123 miljoen BEF voor 'TV-Ekspres' en van 71 naar 42 MBEF voor 'TeVe-Blad'; de reden is voorna¬melijk de start van VTM en het - overigens voorspelde - wegzuigingseffect dat daarvan uitgaat. In 1991 wordt dhr W. Hen¬drickx, journalist bij Humo, direc¬teur van de Perex¬ma-redac¬ties; dhr Rob Jans blijft wel hoofdre¬dacteur. In mei 1992 verlaat dhr Hen¬drickx Per¬exma. Op 24.6.1992 wordt aangekon¬digd dat De Vlijt Asmedia, regie voor natio¬nale the¬mare¬kla¬me en waarin Perexma en De Vlijt op pari¬tai¬re basis participeren, ver-laat; de aande¬len Asmedia komen voor 100 % in handen van Per¬exma. Op 8.8.1992 over¬lijdt de patron van Perexma, dhr Jan Merckx. Tot aan zijn dood was hij was gede¬legeerd be¬stuurder van NV Perex¬ma, voorzit¬ter-stich¬ter van VTM, lid van de Raad van bestuur van First Class In¬terna¬tio¬nal, een PR-vennoot¬schap, Ere-Voor¬zitter en lid van de Raad van Bestuur van de NFIW, gedelegeerd bestuurder van NV Het Han¬dels¬blad, van Asme¬dia en van de NV MEE.

Op 21.1¬.1993 meldt men in het VTM-n¬ieuws van 19 uur dat Perexma is overge¬nomen door VNU. Perexma is, na haar loskop¬peling van de S¬tandaardgroep, steeds een zeer winstgevend bedrijf ge-weest, getuige daarvan het volgen¬de over¬zicht van de winst na be¬lastingen (1977-1989) in miljoen BEF : 6 in 77, 32 in 78, 47 in 79, 53 in 80, 38 in 81, 97 in 82, 79 in 83, 94 in 84, 109 in 85, 111 in 86, 115 in 87, 135 in 88. Per¬exma bezit één van de beste archieven ter wereld als het over te¬levisie-programma's gaat. 'TV-Ekspres' is aan een dringende herpositione¬ring op de lezersmarkt toe sinds de opgang van concurrent 'Dag Allemaal', zo schreven wij in eerdere versies van onderhavige studie. Tijdens de algemene vergadering der aandeelhouders op 3.5.1993 worden de heren Huysmans, Lamiroy en Elbersen, allen behorend tot de IUM-groep, benoemd tot leden van de Raad van Bestuur; ook de heer Alfons Uyttersprot, commercieel directeur van Perexma, treedt toe tot de Raad van Bestuur. Het mandaat van de heer Cyriel Stevens en dat van Laboratorium A.J. Hendrix werd verlengd tot de volgende algemene vergadering van 1994. Tenslotte werd het bestuurs¬mandaat van de heer Wim Merckx verlengd tot 1999. 'TV-Ekspres' nummer 20 van 16 mei 1994 heet 'De Nieuwe TV-Ekspres' : het blad heeft een restyling ondergaan. Met een nieuw formaat (273 x 210 mm), een nieuw logo en een gewijzigde lay-out, gepaard aan een campagne in o.m. het Eurybia-affichagenet, wil Perexma de adverteer¬ders- en de lezersmarkt tegemoet treden. Op 12 juni 1995 verhuist Perexma naar de IUM-gebouwen aan de Jan Blockxstraat te Antwerpen. De hoofdredactie van TV-Ekspres is in handen van dhr Lex Moolenaar, TeVe-Blad heeft dhr Rob Jans als hoofdredacteur.
bron: uittreksel uit 'De Vlaamse Media: Een sector in de stroomversnelling' (1994-1995)
TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
Beknopte historiek van de Standaardgroep (1914-1994) en Het Volk (1891-1994)
Edited: 199411100901


DE STANDAARD

Op 2.5.1914 wordt de NV De Standaard opgericht. Wegens WO I kan het eerste nummer van De Standaard slechts op 4.12.1918 verschijnen. Op 28.7.1919 koopt De Standaard een gebouw aan de E. Jacqmainlaan te Brussel. Vanaf 11.7.1921 laat de uitgeverij te Antwerpen het dagblad 'De Morgenpost' (1921-1940) verschijnen. In 1924 koopt de NV De Standaard de SA Imprimerie Nationale, omgedoopt tot NV Periodica. In 1927 verwerft Gustaaf Sap de meerderheid van de aandelen van de NV De Standaard n.a.v. een kapitaalsverhoging. In 1929 start men met de polulaire editie 'Het Nieuwsblad'. In datzelfde jaar wordt Sap volledig meester van NV De Standaard. In 1937 slorpt Het Nieuwsblad 'Sportwereld' op. In 1940 overlijdt Gustaaf Sap en tijdens WO II verschijnen de kranten van de groep niet. Na het lichten van het sekwester op Periodica kan 'De Nieuwe Standaard' opnieuw verschijnen op 10.11.1944 maar ditmaal onder verantwoordelijkheid van een groep mensen rond Tony Herbert . In 1947 slagen de erven Sap erin de controle terug te krijgen en op 1 mei 1947 verschijnt 'De Standaard' opnieuw. De schoonzoon van Gustaaf Sap, Albert De Smaele, neemt de leiding op zich. In 1957 slorpt 'De Standaard' 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad' op. In mei 1957 verwerft de Standaardgroep 'Het Handelsblad' (8.12.1844-1979) uit Antwerpen. In 1962 koopt de groep de dagbladen 'De Gentenaar' (1879-heden) en 'De Landwacht' (1890-1979) op en schakelt de inhoud van 'Het Handelsblad' gelijk met die van 'Het Nieuwsblad'. In 1966 laat men twee titels vallen : 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad', subtitels geworden van 'Het Nieuwsblad'. In 1969 richten NV De Standaard en NV De Vlijt op paritaire basis de NV Perexma op die het tv-blad 'TV-Ekspres' zal gaan uitgeven. Tegelijk verwerft De Standaard de exploitatierechten op het weekblad ZIE van De Vlijt. Vanaf 1970 gaat de groep zich echt interesseren voor haar inmiddels uitgebouwde aktiviteiten in Frankrijk. In 1972 neemt de NV Periodica twee drukkerijen over van de groep Lambert. In 1974 en daarna gooit de Standaardgroep zich op de touroperator-sektor. In 1975 richten De Vlijt, Concentra en De Standaard samen de Groep I Dagbladen NV op; de samenwerking tussen deze drie voor de gezamelijke acquisitie van nationale themareklame bestond al van in 1968. In 1975 komt de dépistage-dienst van de Rechtbank van Koophandel te Brussel zware financiële moeilijkheden van de Standaardgroep op het spoor. De ministerraad van de regering Tindemans bespreekt de moeilijkheden van drukkerij Periodica en de Standaardgroep op volgende vergaderingen: 5, 12 en 15 december 1975, 27 februari, 5 maart en 14 juni 1976. PDG De Smaele slaat de raad van zijn invloedrijke en uitstekend geïnformeerde hoofdredacteur, dhr Manu Ruys, om de gezonde kranten uit het concern te lichten voor het te laat is, in de wind. Op 19 mei 1976 wordt de NV Periodica, grootste drukkerij van de groep, ambtshalve in faling verklaard. De rest van de groep wordt meegesleurd in dé mega-faling van de Belgische pers. Na mislukte concordataire plannen van de aandeelhouders, politieke interventies, nachtelijke beraadslagingen, komt dhr André Leysen met een reddingsplan. Hij slaagt erin een waterdicht schot te slaan tussen de gefailleerde vennootschappen en de toekomst van de dagbladen, waarvan hij - weliswaar na een justitiële procedure over de waardebepaling - de titels voor 52 miljoen van de curatoren kan kopen. De weekbladen-poot van de groep gaat grotendeels over in de handen van de zgn. groep Maertens-Van Thillo-Brébart. De sociale kost van het faillissement is enorm hoog : meer dan duizend werknemers staan op straat. Voor de dagbladen wordt de oplossing op 26.6.1976 gevonden en op 29 juni 1976 verschijnen ze onder verantwoordelijkheid van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij - afgekort VUM - een vennootschap met een kapitaal van 120 miljoen BEF. De aandeelhouders situeerden zich in de Antwerpse zakenwereld en de scheepvaart. De stroomopwaartse bindingen van de redders van de Standaardgroep stonden toen niet ter discussie. Reeds in 1977 is de VUM winstgevend en dat niettegenstaande de voortdurende weigering van VUM om de directe perssteun te aanvaarden. Op 15.2.1979 laat de VUM Het Handelsblad verdwijnen. In 1979 laat de VUM, als eerste een onderzoek doen dat gaat in de richting van redactionele marketing. Op 30.5.1979 wordt beslist om zowel de maatschappelijke zetel als de administratieve zetel van de VUM over te plaatsen van Antwerpen naar Groot-Bijgaarden. In 1980 trekt de VUM zich terug uit de publicitaire pool Groep I Dagbladen. In 1981 boekt de VUM een rekordwinst van 87 miljoen BEF. Vanaf 1982 begint VUM met een nieuw opmaaksysteem voor de kranten. In 1982 staat dhr Verdeyen, directeur-generaal, aan de wieg van Mediatel, een onderzoekscel van de BVDU, die moet speuren naar de nieuwe mogelijkheden van electronic publishing voor dagbladen. In oktober 1982 verklaart de VUM niet meer mee te willen zoeken met de andere uitgevers naar mogelijkheden voor commerciële tv in Vlaanderen. Op 26.5.1982 beslist de buitengewone algemene vergadering van de VUM bij eenparigheid van stemmen om het kapitaal terug te brengen van 200 miljoen tot 100 miljoen BEF. In juni 1984 sticht VUM samen met Het Belang van Limburg, de Financieel Ekonomische Tijd, Electrafina en Gevaert de vennootschap Onafhankelijke Televisie Vlaanderen. De rest van de Vlaamse pers sticht een CV Vlaamse Media Maatschappij, eveneens erop gericht om in Vlaanderen een commercieel station op te zetten. In 1984 brengt dhr André Leysen een boek uit waarin hij, sprekend over de winstcapaciteit van de VUM, stelt : "We stellen nu vast dat de belasting die we op onze winst betalen, ongeveer overeenkomt met de overheidssteun aan de Vlaamse pers. We voelen ons dan ook de weldoeners van de andere kranten." Die arrogantie zet veel kwaad bloed bij de collegae-uitgevers. Op 20.9.1984 start de VUM, via haar dochter Infotex, met een tabloïd volksdagblad '24 uur' dat echter reeds op 26.10.1984 haar uitgave moet staken; het dagblad werd zwaar geboycot door de dagbladverkopers die het niet namen dat het dagblad ook buiten hun circuit gedistribueerd werd. Op 4.11.1985 beslist OTV bij monde van DG Verdeyen om niet meer deel te nemen aan de zgn. Astoria-gesprekken (de gesprekken tussen de Vaste Commissie van de BRT en VMM en OTV met als thema de overdracht van het tweede BRT-net aan de uitgevers); OTV is van mening dat alleen een volledige privatisering van dat net een volwaardig alternatief is voor een commercieel net. Tussen OTV en VMM komt het uiteindelijk ook niet tot een akkoord om samen zo'n commercieel TV-station op te zetten; ook politieke druk brengt geen aarde aan de dijk. Op 11.7.1986 verpreidt het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven een strooibiljet met daarop de kop van De Standaard en de tekst "Alles voor Leysen, Leysen voor RTL. Leysen toont de weg. VUM - GBL - Frère - Generale - RTL", daarmee doelend op die stroomopwaartse binding. Op 17.10.1986 creëert de VUM winstbewijzen voor het personeel en wil het daarmee belonen voor hun bijdrage tot het resultaat van de onderneming. In 1987 schrijft dhr Leysen in een boek : "We hebben ook een tijdlang in commerciële tv geloofd, maar onze ambities op dat vlak zijn nu merkelijk afgekoeld". De VUM is er dan ook niet bij wanneer op 27.10.1987 VTM wordt opgericht. Concentra, met het Belang van Limburg, had zich tevoren losgemaakt van OTV en de overstap gedaan naar VMM en participeerde zodoende wél in het tv-station. In juli 1988 verlaat dhr Piet Antierens, commercieel direkteur van de VUM, de vennootschap om dezelfde funktie te gaan waarnemen bij de nog op te starten VTM. Op 15.3.1990 verkoopt VUM de belangrijkste produkten en aktiviteiten van de NV Sydes en de NV Infotex aan Delaware Computing NV; het personeel wordt door deze laatste overgenomen. In juni 1990 beslissen BRTN en VUM om samen een publiciteitsregie op te richten voor radioreklame, de VAR. In juli 1990 koopt de VUM het tweetalige blad voor kaderleden 'Intermediair/Intermédiaire' over van Diligentia Business Press. In december 1990 zegt VTM-Voorzitter J. Merckx over een toetreding van de VUM tot de VTM : "VTM est une maison close, mais pas un bordel". In 1991 weigert de VUM haar medewerking aan een sectoriële doorlichting van de pers door Ernst & Young, uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse economie-minister De Batselier. Op 14.11.1991, in een interview in Humo zegt dhr Leysen : "Ik heb me vergist inzake het commercile succes van VTM op korte termijn. Maar ik ben nog altijd blij met onze beslissing omdat De Standaard het boegbeeld zou geworden zijn van die VTM, en ik vreesde dat het cultureel niveau zo laag zou zijn, dat ik niet graag had dat de Standaard-lezer daarmee verbonden werd. En dat gevoel heb ik nog altijd : de programma's zijn niet bijzonder hoogstaand. En ik zou ook vandaag niet participeren." Op 17.3.1992 antwoordt dhr Leysen, in een vraaggesprek met de lezers van De Standaard, op de vraag of onze cultuur in een Europees verband niet in de verdrukking dreigt te komen : "De vervlakking van de Vlaamse cultuur vindt niet zozeer plaats door Engelse of Franse invloeden, als wel door de VTM." Op 20.5.1992 deelt de VUM via haar dagblad De Standaard mee dat, voor de eerste keer in haar geschiedenis, haar omzet gedaald was (-3,61 % in 1991 tegenover 1990). Volgens een mededeling van VUM (DS, 5.6.1993) bedroeg de nettowinst over 1992 148 miljoen tegen 110 miljoen over 1991; de omzet zou gestegen zijn tot 3,74 miljard; terwijl de verkochte oplage van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de populaire bladen van de VUM, daalde, steeg de verspreiding van De Standaard met 1,7 procent in 1992; VUM betaalde over het exploitatiejaar 1992 111 miljoen frank belastingen; het bedrijf investeerde in een derde moderne Wifag-pers. Op 29.1.1993 lanceert VUM Standaard-magazine, een gratis bijlage op vrijdag bij De Standaard. Standaard Magazine wordt gedrukt op de persen van Concentra (Belang van Limburg). Wellicht door deze gratis bijlage steeg de verkochte oplage van De Standaard over de eerste vier maanden van 1993 met 5.000 ex. tot 76.000 ex., aldus een mededeling van VUM. Voor de tweede helft 1993 kondigde de VUM een weekbladinitiatief maar op 3 juli 1993 wordt dit project afgeblazen omdat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn. Verder wordt er in 1993 een vierde Wifag-pers geïnstalleerd (in gebruik sinds juli 1993) en investeert men 250 miljoen in electronische pagina-opmaak. Op 1 oktober 1993 verhoogt De Standaard zijn losse verkoopprijs van 25 naar 28 frank terwijl Het Nieuwsblad en De Gentenaar van 25 naar 26 frank stijgen. De Standaard doet daarmee 3 zaken : het bevestigt zijn karakter van elitekrant, doorbreekt het sinds WO II bestaande prijskartel van de dagbladen en rekent op de inelasticiteit van de vraag naar kranten (zie ook de grafiek betreffende de evolutie van de dagbladprijs sinds 1947 in de bijlagen). De vennootschap raakt eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In februari 1994 komt De Standaardgroep met de Het Volk tot een akkoord om een gezamenlijke reklameregie - 'Scripta Plus' (later omgedoopt tot Scripta) - uit te bouwen tegen het najaar. De VUM neemt een aandeel van 50 % voor zijn rekening. Ook Concentra en Roularta Media Group (RMG) sluiten aan en het aandeel van ieder wordt op 25 % gebracht. Daarmee is, na de totstandkoming van 'Full Page', een tweede grote dagbladregie gecreëerd. Op 5 maart 1994 lanceert 'Het Nieuwsblad' een vaste weekendbijlage 'Zaterdag' (16 blz. tabloïd-formaat, life-style en culturele onderwerpen). Op 4 mei 1994 bevestigt Directeur-Generaal Verdeyen dat er gesprekken over samenwerking aan de gang zijn met SBS, de groep die een commercieel tv-net, naast VTM, wil opstarten in Vlaanderen (zie verder); toch draagt de mogelijkheid van reklame op de BRTN-tv de voorkeur van VUM weg; een participatie van VUM in VTM zou niet meer actueel zijn, aldus de DG. Eind mei 1994 treedt de Concentra-groep met Het Belang van Limburg toe tot de regie Scripta Plus. Tijdens de zomervakantie biedt de VUM Het Nieuwsblad aan de Belgische kust aan tegen een prijs van 15 BEF . Eind augustus 1994 treedt de VUM, in samenspraak met de Roularta-groep, op in de overnamegesprekken voor Het Volk. Ook De Persgroep en De Vlijt waren in de running. Op 4.11.1994 neemt de VUM de NV Drukkerij Het Volk over. In een aantal perscommentaren werd gesteld dat er politieke tussenkomsten waren gevraagd door VUM om Het Volk te kunnen inkopen. In een opiniestuk in De Standaard van 10 november 1994 reageert dhr Leysen, VUM-Voorzitter, hierop als volgt, en wij citeren : "Wij kregen de voorkeur omdat we een betere offerte deden, ook wat de tewerkstelling in Oost-Vlaanderen betreft. Dura veritas, sed veritas." In hetzelfde artikel herneemt dhr Leysen zijn stelling uit 1984 betreffende perssteun en belastingen : "Wij hebben als enige dagbladgroep nooit subsidies aanvaard en hebben meer belasting betaald dan alle andere dagbladgroepen samen, de Belgische weekbladgroepen waarschijnlijk incluis." Prosperitate rerum in vanitatem uti!
(...)
Vanaf 30 september 1999 verdwijnt het AVV-VVK-symbool van de front(sic!)pagina.

(...)
In 2005 lanceert VUM een pulpdagblad onder de titel 'Espresso'. Het blad wordt weldra van de markt gehaald.





HET VOLK
Het Volk is steeds het dagblad in de handen van de Christelijke Arbeidersbeweging geweest en werd gesticht in 1891. In 1928 neemt Het Volk het Brusselse 'De Tijd' over. Na WO II wordt Het Volk geherkapitaliseerd door Adolf Peeters, een Mechels handelaar die zich in 1950 terugtrekt; zijn inbreng wordt vervangen door een lening bij de BAC. Op 9.8.1950 wordt de rotatie geteisterd door brand maar kan blijven verschijnen door hulp van 'De Gentenaar'. Vanaf midden september 1950 wordt 'De Nieuwe Gids' (met het kopblad 'De Antwerpse Gids') gedrukt op de persen van Het Volk. In juni 1951 lanceert Het Volk in Kongo het weekblad "De Week", gedrukt op de persen van "Le Courrier d'Afrique"; De Week is het eerste en enige Vlaamse weekblad in Kongo. Op 1.3.1952 lanceert Het Volk het weekblad 'Zondagsblad'. Op 29.4.1962 lanceert Het Volk 'Spectator'. Op 15.11.1983 brengt de uitgeverij het populair-wetenschappelijk maandblad 'EOS' op de markt. Op 2.3.1985 wordt bij Het Volk een nieuwe coldset rotatie (Colorman) in gebruik genomen en wordt het tabloid-formaat verlaten voor het Belgisch formaat. In augustus 1985 verlaat dhr Van Tongerloo, directeur-generaal, het bedrijf om als directeur-generaal in dienst te treden bij De Vlijt. Hoe raar het ook mag klinken: de overstap van Van Tongerloo was bedisseld door Jan Merckx en werd aan de goedkeuring van o.a. Het Laatste Nieuws voorgelegd tijdens een diner in restaurant 'L'Oasis' te Brussel. In 1986 treedt dhr Antoon Van Melkebeek in dienst als directeur-generaal. Als op 28.10.1987 VTM wordt opgericht participeert NV Drukkerij Het Volk voor 11,11 % in het kapitaal. In februari 1989 komt de uitgeverij met 'TV-Gids' op de markt, een rechtstreekse concurrent voor 'TeVe-Blad' van Perexma. In 1990 voert Het Volk het Electronisch Redactioneel Systeem (ERS) in. In juni 1991 verlaat dhr Antoon Van Melkebeek de uitgeverij. Hij wordt tijdelijk vervangen door een driemanschap bestaande uit de verantwoordelijke van de technische directie (dhr De Geeter), van de redactie (dhr E. Van Den Bergh) en van de administratie (dhr Vandenbussche). Per 16.1.1992 komt dhr Elmar Korntheuer (°1942), voorheen management consultant, in dienst als directeur-generaal en werkt samen met de Direktieraad een strategisch plan uit voor 1992-1996. Dit plan wordt op 25.9.1992 unaniem goedgekeurd door de veelkoppige Raad van Bestuur. Het doel is de oplagedaling om te buigen en de bedrijfsexploitatie opnieuw rendabel te maken; men zal zich concentreren op uitgeven (Het Volk, De Nieuwe Gids, Zondagsblad, TV-Gids, EOS, Jommeke-strips) en drukken in rotatie-offset terwijl andere aktiviteiten die niet tot de core-business behoren zullen worden afgebouwd (8 boekhandels, boekendistributie/grossierderij en de distributie van tijdschriften voor derden). Op 1.7.1992 komt Mevr. M. Moonen (ex-VUM) in dienst als commercieel direkteur. Per 1.1.1993 neemt dhr Karel Anthierens, voordien hoofdredacteur van het weekblad 'Panorama/De Post', de hoofdredactie van Het Volk op zich. Vanaf 16.3.1993 worden de lay-out (Phill Nesbitt, USA) en de redactionele formule van Het Volk gewijzigd. Een en ander gaat gepaard met een dure promotiecampagne die zijn sporen nalaat in de exploitatierekening. In de opmaak is er een belangrijke evolutie : de pagina's komen full-page uit de computer. Voor de drukkerij worden ook in 1992/93 grote investeringen gedaan ter vervanging van de 32 p. heatset rotatiepers. In 1992 werden op het industrieterrein van Erpe-Mere gebouwen aangekocht en wordt er een nieuwe heatset rotatie geïnstalleerd die in november 1993 operationeel werd. Bijkomende investeringen : encartagesysteem voor publicitaire folders, aanpassing van de verzendingszaal en informatisering. Totaal investeringsbedrag 1992-1994 : 850 miljoen BEF geprogrammeerd, 900 miljoen BEF geïnvesteerd. Tegen eind 1993 moest een personeelsinkrimping van 600 naar 550 gerealiseerd zijn (115 afvloeiïngen, waarvan 2/3 door brugpensioen en 65 aanwervingen voor voornamelijk nieuwe funkties). Tijdens het tweede trimester van 1993 neemt Het Volk deel aan de herschikking van de VTM-aandelen in het kader van de oprichting van de Vlaamse Media Holding (VMH). Dit komt per saldo neer op een desinvestering in VTM (van 11,11 % naar onrechtstreeks 7,8 %) hetgeen de financiële struktuur van de uitgeverij ten goede komt (al is die nooit slecht geweest en bleef de solvabiliteit altijd op een meer dan behoorlijk peil) en haar zware investeringen helpt te financieren.

uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling' (1994)
Enkele aanvullingen betreffende de vergaderingen van de ministerraad (20180110)
BLEIER Ronald, [DAVID Ron]
The following book review of Ron David's Arabs and Israel for Beginners was published (with minor changes) in Middle East Policy, Volume III, 1994, Number 3, pp. 170-173.
Edited: 199409001014
ARABS AND ISRAEL FOR BEGINNERS, review by Ronald Bleier

ARABS & ISRAEL FOR BEGINNERS, by Ron David
Illustrated by Susan David
Writers and Readers Publishing, Inc.
New York, 1993. 210 pp.
Ron David begins Arabs and Israel for Beginners by explaining that he wants to let the reader know "where his book is heading. That way, if you consider it despicable, you can leave it in the bookstore." David's embattled stance is understandable because his book challenges the popular, pro-Israeli version of the Israeli-Arab conflict. In his view, the Palestinian Arabs, who had populated Palestine for many generations before the Jewish settlers began to arrive in the tens of thousands in the late nineteenth century, were robbed of their country by the successful Zionist effort to create a Jewish state there. Ron David's book is an attempt to tell the "real" story of the struggle for Palestine stripped of Zionist mythology which misrepresents the essential elements of how the Pales tinians lost their land.
In his review of the history of the Middle East, the author reminds us that the name "Israel" comes from Genesis in the Old Testament when Jacob changed his name to Israel after fighting with an angel and that from Jacob's twelve sons came the twelve tribes of Israel. He explains that the name Canaan, meaning "land of purple" came from the precious purple dyes that were traded in the Mediterrane an coastal plain. The author suggests an explanation for the biblical story that the Jews spent forty years in the desert after escaping from Egypt. When Moses sent spies out to the land of Canaan "their report was discouraging: 'It's full of people.'" So the Jews waited in the desert until they were strong enough militarily to conquer the native inhabitants.

The author presents a useful "Summary of Jewish Countries in the Middle East" detailing the Jewish Kingdoms from 1020 BC to 586 BC. By 6 A.D., however, the author writes, the Romans made Judah a Rom an province and although "there were a couple last gasps of Jewish revolt -- Masada and Bar Kokhba ... the Jews and the ancient Middle East had had enough of each other."

Perhaps for reasons of space -- or perhaps such a task is too complicated for the purposes of this book -- Ron David decided not to provide a similar chart of Jewish habitation in the Middle East after the fall of the Jewish kingdoms and the fall of the second temple in 70 A.D. Such a chart might have been useful if only in order to give the reader a better idea of the strength of present Jewish claims to the area.

Ron David makes a point of covering Islam in some depth. The well established Arab / Bedouin code of virtue, the muruwwah, is explained. We learn that Muhammad's inspiration came from his understanding that the wealthy and powerful merchant class were ignoring their duty to the poor, an essential tenet of the muruwwah. Perhaps because of Islam's dramatic appeal to the masses, barely a century a fter the death of Mohammad in 632, "Muslims controlled an empire that stretched from Spain to the borders of China and the Arabs were entering a Golden Age."

Some of the examples of the flowering of Arab civilization in literature, psychology, science, medicine and mathematics are detailed. It is also emphasized that Islam (which means surrender to God) nurtured and was nurtured by the cultures it embraced, especially Jewish culture. "Teaching the knowledge-hungry Muslims got the Jewish scholars' creative juices flowing. The result was a Jewish Golden Age, especially in Spain, during which doctors, poets, and scholars combined secular and religious knowledge in a way that has never been achieved since."

As Ron David tells it, the Crusades (1096 - 1270) and then the Mongol invasions (1218 - 1258) brought an end to the zenith of Arab culture. After 200 years of fighting "in their own backyards, the Arabs were all used up." At the same time, the author emphasizes the irony that "the knowledge that [the Crusaders] got from the Arabs helped them break out of the brain - dead Middle Ages into the Renaissance ..."

A crucial section of the book is devoted to the events leading up to the emergence of the State of Israel in 1948. This momentous event, a huge victory for world Jewry, is at the same time for Palestinians, al-Nakbah, the catastrophe.

THE OTTOMAN LAND CODE

The new Ottoman land code of 1850 over time led to the removal of the Palestinian peasants from their land. Previously Palestinian peasants could live on and cultivate their land and pass it on to their heirs. The new land law changed that and as a result, through land purchases, often from absentee Arab landlords in Beirut, Jewish settlers began to move Palestinian peasants off the land that they had farmed for generations.
Note Lucas Tessens (201602020): This is a difficult matter in Ron David's exposé but it is key and needs more attention than it gets: If the Jews really bought the land, the Arabs no longer owned it in a legal sense. If the French buy half of Belgium they become the legal owners. In my view it is the inequality in purchasing power that leads to desinheritance of the land and the expulsion of their former tenants/farmers. Refusing to accept this process is in fact rejecting the whole capitalist system. Or should land be excluded from the list of goods that can be bought? If the answer is 'YES' then you are in a new system.


The expulsion of Palestinian farmers by the Jewish settlers frequently led to confrontations between the two sides as early as the last decade of the 19th century. The fierce rioting of 1929 in which there were hundreds of casualties on both sides resulted in a new British policy statement in late 1930 which was meant to restrict Jewish immigration and land purchases. If the new policy had held for the long term, the Palestinians might not have lost their country. However, in only a few months, the Zionists in England were powerful enough to cause the British Prime Minister, Ramsay MacDonald, to rescind the new policy statement and revert back to the pro-Jewish policies of the Balfour Declaration (1917) which stated that the British government would "view with favor the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people ... "

The advent of Hitler in 1933 and the pro-Jewish immigration policies of the British led to the Arab revolt of 1936 - 1939. Afterwards, when the British tried to redress the balance in favor of the Arabs it became the turn of the Jews to rebel and their successful terrorist actions played a key role in forcing the British to give up their mandate in Palestine in favor of the U.N.

THE U.N. PARTITION RESOLUTION

The U.N. Partition Resolution of November 29, 1947, recommended the division of Palestine into a Jewish state and an Arab state. While the Jews hailed it as a major breakthrough, the Arabs rejected it because it gave much of what was theirs to the Jews. The Jewish community in Palestine which at that time made up about a third of the population and held less than 7% of the land, were "given" more than 50% of the area of Palestine, including prime Arab farmland in the Galilee and on the Mediterranean coast and elsewhere. Equally important, the U.N. scheme placed hundreds of thousands of Palestinian Arabs in areas that were to be controlled by the Jews. This would mean that there would be about 500,000 Arabs in a state of about 650,000 Jews -- a plan that both sides, in effect, rejected.
It is widely believed that the war between the Arabs and the Jews began with the Arab invasion on May 15, 1948, immediately after the Jews declared their state. In reality, the war actually began after the U.N. Partition Resolution, in December 1947. In this communal war the much better organized and equipped Jews captured the areas that the British were evacuating. As Israeli historian Simha F lapan writes, so successful were the Jewish forces that by the beginning of May 1948, they held most of the territory that was designated for their state by the U.N. Resolution.

The success of the Jewish campaign against the Palestinian forces may be gauged by the 300,000 Arab refugees who were forced to flee their homeland before the middle of May 1948. The situation was such an international scandal -- comparable to the ethnic cleansing in the former Yugoslavia -- that the U.S. and other countries actually entertained plans to substitute a trusteeship for Palestine rather than allow the U.N. Partition Resolution to stand. In the event, the Truman administration, with its eye on the Jewish lobby at home, withdrew its objections and was quick to recognize the new Jewish state.

When the Jewish leaders declared their new state on May 14, 1948, there were still about 400,000 Palestinians in areas that became Israel. Ben Gurion's government decided to risk war because they wished to increase their territorial gains and to cleanse the area of more Palestinians. Viewed in the light of Jewish military victories, the Arab invasion of May 15, becomes not, as pictured by the Zionists, an attempt by implacable enemy forces to drive the Jews into the sea, but rather, in large part, a pan-Arab effort to stave off further Jewish gains in Palestine and to stem the flow of even more Palestinian refugees.

Moreover, in Zionist mythology, no credit is given to Jordan, Lebanon, Syria and Egypt for sheltering and sustaining the hundreds of thousands of Palestinian refugees. Indeed Zionists frequently say that the Arab countries created and maintained the Palestinian refugee problem as a way of scoring propaganda points against Israel. It turns out that the opposite is the case. In Michael Palumbo's The Palestinian Catastrophe: The 1948 Expulsion of a People From Their Homeland (1987), evidence is presented which indicates that Ben-Gurion flatly rejected proposals by the U.S. and Syria to permanently resettle hundreds of thousands of Palestinian refugees. Palumbo thinks that Ben-Gurion's motivation was the idea that "as long as the refugee problem remained unsolved there would be tensions in the region which could eventually be used to ignite a new war of conquest."

Palumbo points to the territory that Israel conquered in 1967 in Palestine, Jordan, and Syria as evidence of Israel's expansionist program. Ron David's section on Lebanon provides more support to Palumbo's thesis as well as it adds perspective on Israel's control of its self-designated "security zone" in Southern Lebanon which it has held illegally since 1982. Ron David cites evidence from the diaries of Moshe Sharett, Israel's second Prime Minister, that as early as the 1950s, Israel was planning to destabilize Lebanon by pitting the Moslem community against the Lebanese Christians. The idea was to create a puppet state there so that Israel could control the land and water resources in the south.

In view of Zionist responsibility for the carnage and instability in the Middle East for much of this century, it's understandable that Ron David should raise the question at the end of his book of the billions of dollars in aid that the U.S. gives Israel every year. The author quotes an article by Jeffrey Blankfort in Lies of Our Times, pointing out how secretive our own media is on the issue of U.S. aid to Israel. "February 1989," Blankfort writes, "was the last time the New York Times ran a story describing Congress' role in approving aid to Israel." In a wonderful quote, Ron David writes, "I would rather flush that money down the toilet than give it to Israel.... At least when you flush money down the toilet, it doesn't hurt anybody."

Arabs and Israel for Beginners, one of a series of "documentary comic books," with its format of illustrations on every page, is easy to read and is highly recommended for those interested in a controversial and more objective point of view. Unfortunately, it is marred by a score or more of typos, frequent use of street language, and some mistakes: the 35,000 Arabs that Ron David says were expelled in the '56 war is silently corrected two pages later to 3,000 to 5,000; and "Eretz Yisrael" means not only, as Ron David has it, the biblical land of Israel but also the modern state of Israel . However, these lapses are a small price to pay for an extremely important book which challenges old assumptions on an issue that may be with us for generations despite the promise of the Oslo Accords.
KROP, BRAECKMAN
28 januari 1993: +Bernard (Philippe -), ambassadeur FRA, vermoord
Edited: 199301281584
28 janvier 1993: Assassinat de Philippe Bernard, ambassadeur de France à Kinshasa (Zaïre)
Pour s'opposer à une évolution démocratique de son pays, avec l'élection en août 1992 de Etienne Tshisekedi comme Premier ministre par la conférence nationale, le dictateur Mobutu joue la politique du pire en incitant les militaires à se mutiner. Ces derniers pillent Kinshasa dans le but d'abattre Etienne Tshisekedi.
Faussement invité à l'ambassade de France, Tshisekedi devait y être assassiné, mais, mis au courant par l'ambassadrice des USA, Melissa Wells, celui-ci ne s'y rend pas. Les tueurs des Forces d'Intervention Spéciales arrivent à l'ambassade de France et ne trouvent que l'ambassadeur et le téléphoniste zaïrois que, dépités, ils tuent. Les auteurs seraient deux officiers chargés de la sécurité du président Mobutu, le colonel Lémy Lissika et le lieutenant Komadja. Selon la thèse officielle l'ambassadeur de France a été victime d'une balle perdue.
Implication de la France :
C'est la confusion, aucune enquête n'est ordonnée par Paris, Mobutu n'est pas condamné. Au contraire, au sommet de la francophonie à l'île Maurice, le 16 octobre 1993, Mobutu est présent, flanqué des deux assassins présumés. L'année suivante après le génocide rwandais, la France le réhabilite et le déclare élément stabilisateur de la région.

Sources :
Pascal Krop, Le génocide franco-africain, J.C. Lattès, 1994, page 131-138; Colette Braeckmann, Terreur africaine, Fayard, 1996, page 214-217.

http://perso.wanadoo.fr/jacques.morel67/ccfo/crimcol/node18.html (20030628)
SIEGEL Rainer-Joachim, [ZWEIG Stefan, 1881-1942]
Stefan ZWEIG: Chronologische Liste. Zählung nach Rainer-Joachim Siegel, in: Gero von Wilpert / Adolf Gühring, Erstausgaben deutscher Dichtung – Eine Bibliographie zur deutschen Literatur 1600–1990, 2. Auflg. S. 1710–1715, Stuttgart: Kröner 1992
Edited: 199209201115


1. Silberne Saiten. Gedichte. 88 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1901
2. Mitübersetzung, Vorwort Charles Baudelaire: Gedichte in Vers und Prosa. Übersetzung S. Z. u. Camill Hoffmann. 152 S. Leipzig: Seemann 1902
3. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gedichte. Eine Anthologie der besten Übertragungen. 122 S. Berlin: Leipzig: Schuster & Loeffler 1902
4. (Einleitung) A. L. Camille Lemonnier: Die Liebe im Menschen. Aus d. Franz. v. P. Adler. VIII, 202 S. Leipzig-Reudnitz: Magazin-V. Hegner (= Kulturgeschichtliche Liebhaberbibliothek 10) 1903
5. (Einleitung) Ephraim Mose Lilien: Sein Werk. 347 S. mit Abb. 4° Berlin, Leipzig: Schuster & Loeffler 1903
6. Vorwort, Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 90 S., 1 Abb. Berlin: Schuster & Loeffler (350 num. Ex., dav. 25 sign.) 1904
7. Die Liebe der Erika Ewald. Novellen. VI, 179 S. mit Abb. Berlin: Fleischel 1904
8. Verlaine. 83 S., 8 Tafeln, 1 Faks. Berlin: Schuster & Loeffler (= Die Dichtung 30) [1905]
9. Die frühen Kränze. (Gedichte.) 84 S. Leipzig: Insel 1906
10. (Übersetzung) Archibald George Blomefield Russell: Die visionäre Kunstphilosophie des William Blake. 30 S., 1 Abb. Leipzig: Zeitler 1906
11. (Einleitung) Arthur Rimbaud. Leben und Dichtung. Übersetzung K. L. Ammer. 233 S., 1 Porträt. Leipzig: Insel 1907
12. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 138 S. mit Abb. v. J. Flaxman. Leipzig: Insel 1907
13. (Herausgeber, Einleitung) Balzac. Sein Weltbild aus den Werken. 249 S. Stuttgart: Lutz (= Aus der Gedankenwelt großer Geister 11) [1908]
14. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Helena’s Heimkehr. Dem unveröffentl. Manuskript nachgedichtet. 72 S. Leipzig: Insel (300 Ex.) (= 4. Druck der Ernst Ludwig Presse, Darmstadt) 1909
15. (Einleitung) Charles Dickens: Ausgewählte Romane und Novellen. 12 Bände mit Abb. v. Phiz u. a. Leipzig: Insel [1910]
16. Übersetzung Emile Verhaeren: Drei Dramen. 192 S. Leipzig: Insel 1910
17. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 142 S. Leipzig: Insel 1910 (Erw. Aufl. v. Nr. 6)
18. (Vorwort) Camille Lemonnier: Warum ich Männerkleider trug. Erlebnisse einer Frau. Übersetzung P. Cornelius. VIII, 391 S. Berlin-Charlottenburg: Juncker (= Ausgewählte Werke, Band 1) [1910]
19. Emile Verhaeren. 218 S. Leipzig: Insel 1910
20. Erstes Erlebnis. Vier Geschichten aus Kinderland. VII, 229 S. Leipzig: Insel 1911
21. Übersetzung, Vorwort Emile Verhaeren: Hymnen an das Leben. 60 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 5) [1911]
22. (Einleitung) Lafcadio Hearn: Das Japanbuch. Eine Auswahl aus Lafcadio Hearns Werken. VIII, 310 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1911
23. Das Haus am Meer. Ein Schauspiel in zwei Teilen (drei Aufzügen). 170 S. Leipzig: Insel 1912
24. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rembrandt. 112 S., 80 Tafeln Leipzig: Insel 1912
25. Übersetzung Emile Verhaeren: Ausgewählte Gedichte. 174 S. Leipzig: Insel 1913 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 17)
26. Der verwandelte Komödiant. Ein Spiel aus dem deutschen Rokoko. 64 S. Leipzig: Insel 1913
27. (Übersetzung) Emile Verhaeren: Rubens. 84 S., 95 Tafeln Leipzig: Insel 1913
28. (Einleitung) Paul Mayer: Wunden und Wunder. Gedichte. 20 Blätter Heidelberg: Saturn-V. (= Lyrische Bibliothek 1) 1913
29. Brennendes Geheimnis. Erzählung. 79 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 122) 1914 (Ausz. a. Nr. 20)
30. (Nachwort) Alexandre Mercereau: Worte vor dem Leben. Übersetzung P. Friedrich. 154 S. Leipzig: Insel 1914
31. (Herausgeber, Nachwort) Nikolaus Lenau an Sophie Löwenthal. 83 S. Leipzig: Insel (= Österreichische Bibliothek 16) [1916]
32. Erinnerungen an Emile Verhaeren. 91 S. [Wien] (Priv.-Dr.; 100 Ex.) 1917
33. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 216 S. Leipzig: Insel 1917
34. Das Herz Europas. Ein Besuch im Genfer Roten Kreuz. 16 S. 4° Zürich: Rascher 1918
35. (Übersetzung) Romain Rolland: Den hingeschlachteten Völkern! 15 S. 4° Zürich: Rascher 1918
36. (Herausgeber, Bearbeitung, Einleitung) J. J. Rousseau: Emil oder Über die Erziehung. 290 S. 4° Potsdam: Kiepenheuer (500 num. Ex.) 1919
37. Fahrten. Landschaften und Städte. 124 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
38. Legende eines Lebens. Ein Kammerspiel in drei Aufzügen. 152 S. Leipzig: Insel 1919
39. Tersites. Ein Trauerspiel in drei Aufzügen. 119 S. Leipzig: Insel 1919 (Veränd. Neuaufl. v. Nr. 12)
40. (Übersetzung) Romain Rolland: Die Zeit wird kommen. Drama in drei Akten. 93 S. Leipzig, Wien: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1919
41. Angst. Novelle. 47 S. mit Abbildungen v. Ludwig Kainer. Berlin: Hermann (= Der kleine Roman. Illustrierte Wochenschrift 19) 1920
42. (Mitübersetzung) André Suarés: Cressida. Übersetzung S. Z. u. Erwin Rieger. 128 S. Leipzig, Wien, Zürich: Tal (= Die zwölf Bücher, Reihe 1) (1000 num. Ex.) 1920
43. (Vorwort) Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn. 349 S., 1 Tafel Leipzig: Insel 1920
44. Drei Meister. Balzac, Dickens, Dostojewski. 219 S. Leipzig: Insel 1920
45. (Einleitung) Andreas Latzko: Le dernier homme. Version nouvelle. 116 S. mit Abbildungen Genève: Sablier (806 Ex.) 1920
46. (Mitübersetzung) Magdeleine Marx [i.e. Magdeleine Paz]: Weib. Roman. Vorw. Henri Barbusse. Übersetzung S. Z. u. Friderike Maria Winternitz-Zweig. VI, 258 S. Basel: Rhein-V. [1920]
47. Der Zwang. Eine Novelle. 84 S., 10 Abb. v. Frans Masereel. Leipzig: Insel (470 num. Ex.) 1920
48. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 266 S., 6 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1921
49. (Einleitung) F. M. Dostojewski: Sämtliche Romane und Novellen. Übersetzung H. Röhl u. K. Nötzel. 25 Bände Leipzig: Insel 1921
50. Amok. Novellen einer Leidenschaft. 295 S. Leipzig: Insel 1922
51. Die Augen des ewigen Bruders. Eine Legende. 64 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 349) [1922]
52. (Übersetzung) Romain Rolland: Clérambault. Geschichte eines freien Gewissens im Kriege. 333 S. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1922
53. Herausgeber, Einleitung, Mitübersetzung Paul Verlaine: Gesammelte Werke. 2 Bände 359, 415 S. mit Abb. Leipzig: Insel 1922
54. (Vorwort) Ausstellung Gustinus Ambrosi im Kunstmuseum. 18 S. St. Gallen: Tschudy 1923
55. (Vorwort) Franz Hellens [i.e. Friedrich van Ermengen]: Bass-Bassina-Bulu. Roman. Übersetzung H. u. V. Pins. VIII, 337 S. Berlin: Juncker [1923]
56. (Mitverfasser) S. Z. u. A. Holitscher: Frans Masereel. 177 S. mit Abb. 4° Berlin: Juncker (= Graphiker unserer Zeit 1) [1923]
57. (Herausgeber, Einleitung) Charles-Augustin de Sainte-Beuve: Literarische Portraits aus dem Frankreich des XVII.—XIX. Jahrhunderts. 2 Bände 412, 414 S., 2° Abb. Frankfurt/Main, Berlin: Frankfurter Verl.-Anst. [1923]
58. Sainte-Beuve. 24 S., 1 Abb. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. (200 num. Ex.) 1923 (Ausz. a. Nr. 57)
59. (Nachwort) O. Heuschele: Briefe aus Einsamkeiten. Drei Kreise. 127 S. Berlin: Junkker [1924]
60. (Nachwort) Franz Karl Ginzkey: Brigitte und Regine und andere Dichtungen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6453) [1924]
61. (Bearbeitung, Vorwort.) François René Auguste Vicomte de Chateaubriand: Romantische Erzählungen. 186 S. Wien, Leipzig, München: Rikola (= Romantik der Weltliteratur) 1924
62. (Einleitung) Hermann Bahr: Die schöne Frau. Novellen. 76 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s U B. 6451) [1924]
63. Die gesammelten Gedichte. 153 S. Leipzig: Insel 1924 (Enth. Nr. 1, 9 u. teilw. 37)
64. Angst. Novelle. Mit e. Nachw. v. Erwin H. Rainalter. 75 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6540) [1925] (Gek. Ausg. v. Nr. 41)
65. Der Kampf mit dem Dämon. Hölderlin – Kleist – Nietzsche. 321 S. Leipzig: Insel 1925
66. (Vorwort) Ernest Renan: Jugenderinnerungen. Dt. H. Szass. 319 S. Frankfurt/Main: Frankfurter Verl.-Anst. 1925
67. (Nachwort) Jens Peter Jacobsen: Niels Lyhne. 266 S. Leipzig: List (= Epikon) [1925]
68. (Vorwort) Hans Prager: Die Weltanschauung Dostojewskis. 215 S. Hildesheim: Borgmeyer [1925]
69. (Bearbeitung) Ben Jonsons „Volpone“. Eine lieblose Komödie in drei Akten. 148 S. 6 Abb. v. Aubrey Beardsley. Potsdam, Berlin: Kiepenheuer (= Die Liebhaberbibliothek) 1926
70. (Mitherausgeber, Mitverfasser) Liber Amicorum Romain Rolland. Romain Rolland. Sexagenario, ex innumerabilibus amicis paucissimi grates agunt. Hunc librum curaverunt edendum Maxim Gorki, Georges Duhamel, S. Z., imprimendum Emil Roniger. 405 S. mit Abbildungen 4° Zürich: Rotapfel [1926]
71. Romain Rolland. Der Mann und das Werk. 278 S., 7 Bildn., 3 Faks. Frankfurt/Main: Rütten & Loening 1926 (Erw. Neuaufl. v. Nr. 48)
72. Vierundzwanzig Stunden aus dem Leben einer Frau. 89 S. Wien: österreichisches Journal [1926]
73. Abschied von Rilke. Eine Rede. 30 S. Tübingen: Wunderlich [1927]
74. (Vorwort) Anthologie jüngster Lyrik. Herausgeber Willi R. Fehse u. Klaus Mann. 169 S. Hamburg: Enoch [1927]
75. Marceline Desbordes-Valmore. Das Lebensbild einer Dichterin. Mit Übertr. v. Gisela Etzel-Kühn u. Friderike Zweig. 261 S., 4 Abb. Leipzig: Insel 1927 (Verm. Neuaufl. v. Nr. 43)
76. Der Flüchtling. Episode vom Genfer See. 23 S. Leipzig (= Bücherlotterie der Internationalen Buchkunstausstellung, Leipzig 1927, Band 1) 1927
77. (Herausgeber, Einleitung) J. W. v. Goethe: Gedichte. Eine Auswahl. 254 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 6782–6784) [1927]
78. Mitübersetzung, Nachwort, Herausgeber Paul Verlaine: Gedichte. Eine Auswahl der besten Übertragungen. 71 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 394) [1927]
79. Die Kette. Ein Novellenkreis. Drei Ringe (= 3 Bände). Leipzig: Insel 1927 (Enth. Nr. 20, 50, 82)
80. Die unsichtbare Sammlung. Eine Episode aus der deutschen Inflation. 22 S. Berlin: Sonderdr. f. d. Mitglieder d. Bibliophilen Ges. (250 num. Ex.) 1927
81. Sternstunden der Menschheit. Fünf historische Miniaturen. 77 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 165) [1927]
82. Verwirrung der Gefühle. Drei Novellen. 273 S. Leipzig: Insel 1927 (Enth. u. a. Nr. 72)
83. (Vorwort) Max Brod: Tycho Brahes Weg zu Gott. 361 S. Berlin: Dt. Buchgemeinschaft [1927]
84. Drei Dichter ihres Lebens. Casanova – Stendhal – Tolstoi. 377 S. Leipzig: Insel 1928
85. Jeremias. Eine dramatische Dichtung in neun Bildern. 191 S. Leipzig: Insel 1928 (Neubearb. v. Nr. 33)
86. Reise nach Rußland. 38 S. Wien: österreichisches Journal 1928
87. (Vorwort) Grigol Robakidse: Das Schlangenhemd. Ein Roman des georgischen Volkes. III, 221 S. Jena: Diederichs 1928
88. Kleine Chronik. Vier Erzählungen. 92 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 408) [1929] (Enth. u. a. Nr. 76, 80)
89. Dank an die Bücher. 2 Blätter Leipzig: Verl. Staatl. Akad. f. graph. Künste u. Buchgewerbe 1929
90. (Nachwort) Richard Specht: Florestan Kestners Erfolg. Eine Erzählung aus den Wiener Märztagen. 135 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7038/7039) 1929
91. Joseph Fouché. Bildnis eines politischen Menschen. 332 S., 6 Tafeln Leipzig: Insel 1929
92. Das Lamm des Armen. Tragikomödie in drei Akten (neun Bildern). 137 S. Leipzig: Insel 1929
93. (Nachwort) Oskar Baum: Nacht ist umher. Erzählung. 69 S. Leipzig: Reclam (= Reclam’s UB. 7005) [1929]
94. (Einleitung) E. T. A. Hoffmann: Princess Brambilla. Caprice. Trad. Alzir Hella, Olivier Bournac. X, 244 S. mit Abb. Paris, Neuchâtel: Attinger (= Romantiques Allemands 1) 1929
95. Der Zwang. Phantastische Nacht. Novellen. 126 S., 15 Abbildungen Wien: Der Strom (= Die Roman-Rundschau 2) 1929 (Enth. Nr. 47 u. teilw. 50)
96. Buchmendel. (Die Novelle wurde dem Bergischen Bibliophilen-Abend vom Verfasser zur Veröffentlichung überlassen.) 30 S. 4° Officina Serpentis 1930 (Ausz. a. Nr. 88)
97. Rahel rechtet mit Gott. Legende. 2° Blätter, 2 Abb. v. W. Preißer. Berlin: Aldus Druck (= Mitgliedsgabe der Soncino-Ges. zur Jahresversamml.; 370 Ex.) 1930
98. (Einleitung) W. A. Mozart: Ein Brief an sein Augsburger Bäsle. 4 S. Faks., 12 S. Text. 4° [Wien: Max Jaffé & Waldheim-Eberle] (50 Ex.) 1931
99. (Vorwort) Das Buch des Jahres 1931. Herausgeber Vereinigte Verleger-Gruppe. VIII, 167 S. mit Abb. Leipzig: Poeschel & Trepte [1931]
100. (Einleitung) Schalom Asch: La Chaise électrique. Trad. par Alzir Hella et J. Altkaufer. VIII, 246 S. Paris: Stock 1931
101. (Einleitung) Maxim Gorki: Erzählungen. Aus d. Russ. übertr. v. A. Luther. 302 S. Leipzig: Insel 1931
102. Ausgewählte Gedichte. 80 S. Leipzig: Insel (= Insel-Bücherei 422) [1931] (Ausz. a. Nr. 63)
103. Die Heilung durch den Geist. Mesmer – Mary Baker-Eddy – Freud. 446 S. Leipzig: Insel 1931
104. Ausgewählte Prosa. (I. Bändchen). Herausgeber u. Vorw. Herman Wolf. 142 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhof’s Samml. dt. Schriftsteller 53) 1931 (Ausz. a. Nr. 81, 88, 91)
105. (Vorwort) Die Internationale Stiftung Mozarteum. 31 S. mit Abb. Salzburg [: Kiesel] 1931
106. (Einleitung) Max Zodykow: Stimme aus dem Dunkel. Eine Ausw. von Gedichten und Prosa. 100 S. Berlin-Charlottenburg: Lehmann [1931]
107. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 639 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel 1932
108. (Übersetzung, Nachwort) Henri Barbusse: Die Schutzflehenden. Der Roman einer Vorkriegsjugend. 247 S. Zürich: Rascher 1932
109. (Einleitung) Jean-Richard Bloch: Vom Sinn unseres Jahrhunderts. Übersetzung Paul Amann. 306 S. Berlin: Wien, Leipzig: Zsolnay 1932
110. The Jewish Children in Germany. (Adress by Mr. Stefan Zweig at the House of Mrs. Anthony de Rothschild, on Thursday, November 30, 1933 and to the Commitee for the Luncheon at the Savoy Hotel, December 20, 1933, in aid of German Jewish women and children.) 8 S. London 1933
111. Die moralische Entgiftung Europas. 15 S. Roma: Reale Accademia d’Italia 1933–XI
112. (Vorwort) Schalom Asch: Petersbourg. Roman. Trad. del’Allemand par A. Vialatte. 382 S. Paris: Crasset [1933]
113. Marie Antoinette. Bildnis eines mittleren Charakters. 575 S., 10 Tafeln Leipzig: Insel [1934] (Neubearb. Aufl. v. Nr. 107)
114. Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam. 227 S. mit Abb. Wien: 4° Reichner (600 num. Ex.) 1934
115. Die schweigsame Frau. Komische Oper frei nach Ben Jonson. Musik v. R. Strauss (Textbd.) 110 S. Berlin: Fürstner [1935]
116. (Übersetzung) Luigi Pirandello: Man weiß nicht wie. Drei Akte. 89 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
117. Ausgewählte Prosa. (II. Bändchen.) Herausgeber Herman Wolf. 135 S. Amsterdam: Meulenhoff (= Meulenhoffs Samml. dt. Schriftsteller 66) 1935 (Ausz. a. Nr. 107, 114, 119)
118. Sinn und Schönheit der Autographen. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
119. Maria Stuart. 524 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
120. (Einleitung) Paul Stefan: Arturo Toscanini. 72 S., 54 Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1935
121. Arturo Toscanini. Ein Bildnis. 13 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1935] (S.-A. v. Nr. 120)
122. Baumeister der Welt. Drei Meister. Der Kampf mit dem Dämon. Drei Dichter ihres Lebens. 650 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 44, 65, 84)
123. Castellio gegen Calvin oder Ein Gewissen gegen die Gewalt. 333 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936
124. [Gesammelte Erzählungen. 2 Bände 487, 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1936 (Enth. Nr. 126 u. Ausz. a. Nr. 79; siehe Nr. 126)
125. (Vorwort) Joseph Leftwich: What Will Happen to the jew’s? XII, 268 S. London: King 1936
126. Kaleidoskop. 464 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner (= Gesamtausgabe des erzählerischen Werkes, 2. Band) 1936 (Enth. u. a. Nr. 51, 64, 81, 88, 97; siehe Nr. 124)
127. Georg Friedrich Händels Auferstehung. Eine historische Miniatur. 58 S. mit Abbildungen Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
128. Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten. 478 S. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1937] (Enth. u. a. Nr. 11, 32, 34, 56, 58, 66, 73, 75, 77, 89, 99, 111, 118, 121, 130; Ausz. a. Nr. 37)
129. Der begrabene Leuchter. 127 S. mit Abb. Wien, Leipzig, Zürich: Reichner 1937 (Ausz. a. Nr. 126)
130. House of a Thousand Destinies. 16 S. mit Abb. London: Shenval [1937]
131. (Einleitung) Gaston Soulié: Plus jamais ça! Deux lettres servant de Préface, Romain Rolland & S. Z. 131 S. Paris: Dedresse 1937
132. (Nachwort) Ödon Horváth: A Child of Our Time. Translated into English by R. Wills Thomas. Foreword by F. Werfel. 263 S. London: Methuen & Co. 1938
133. Magellan. Der Mann und seine Tat. 370 S. mit Tafeln Wien, Leipzig, Zürich: Reichner [1938]
134. (Einleitung) Rainer Maria Rilke. Aspects of his mind and poetry. Edited by William Rose, G. Craig Houston. 183 S. London: Sidgwick & Jackson 1938
135. (Einleitung) Paul Leppin: Helldunkle Strophen. Gedichte. 56 S. mit Abb. v. H. Steiner. Prag: Werner (= Leppin: Prager Rhapsodie 1) 1938
136. (Einleitung) Eugen Relgis: Muted voices. Transl. R. Freeman-Ishill. 200 S. mit Abb. Berkeley Heights, N.J.: Oriole Press 1938
137. (Herausgeber) L. N. Tolstoj: Les Pages immortelles de Tolstoj. Texte de S. Z. Trad.: J. Angelloz. 235 S. Paris: Correa (= Les Pages Immortelles) 1939
138. Ungeduld des Herzens. Roman. 443 S. Stockholm: Bermann-Fischer; Amsterdam: de Lange 1939
139. Worte am Sarge Sigmund Freuds. Gesprochen am 26. September 1939 im Krematorium London. 4 Blätter Amsterdam: de Lange (100 Ex.) [1939]
140. The Tide of Fortune. Twelve historical miniatures. Transl. by Eden and Cedar Paul. 232 S. London: Cassell 1940
141. (Vorwort) The Jewish Contribution to Civilization. Ed. C. A. Stonchill. A collection of books formed and offered by C. A. Stonchill, Ltd. 198 S. mit Abbildungen Birmingham: Press of Juckes (= Catalogue, no. 144/1940) 1940
142. (Mitübersetzung) Irwin Edman: Ein Schimmer Licht im Dunkel [Candle in the Dark. A Postscript to Despair. 88p. New York: The Viking Press, 1939]. Übertr. v. Richard Friedenthal u. S. Z. 65 S. Stockholm: Bermann-Fischer (= Schriftenreihe Ausblicke) 1940
143. Brasilien. Ein Land der Zukunft. 293 S., 13 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1941
144. Amerigo. A comedy of errors in history. Transl. by Andrew St. James. 128 S. mit Abbildungen New York: Viking 1942
145. As très Paixês. Très Novelas. Übersetzung Odilon Gallotti u. Elias Davidovich. 213 S. Rio de Janeiro: Editora Gunabara, Waissman Koogan (= Obras complétas 16) 1942 (Enth. u. a. Nr. 146)
146. Schachnovelle. 97 S. Buenos Aires: Pigmalión (250 num. Ex.) bzw. Buenos Aires: Kramer (50 num. Ex.) 1942
147. Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers. 493 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1942
148. (Einleitung) Claire Goll: My sentimental zoo. Animalstories. Transl. M. de Huyn. 125 S. mit Abb. Mount Vernon, N. Y.: The Peter Pauper Press [1942]
149. Sternstunden der Menschheit. Zwölf historische Miniaturen. 300 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 81; Ausz. a. Nr. 126)
150. Zeit und Welt. Gesammelte Aufsätze und Vorträge 1904—1940. Herausgeber u. Nachwort Richard Friedenthal. 401 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1943 (Enth. u. a. Nr. 86, 139; Ausz. a. Nr. 37)
151. Amerigo. Die Geschichte eines historischen Irrtums. 132 S. Stockholm: Bermann-Fischer 1944 (Dt. Ausg. v. Nr. 144)
152. Balzac. Aus dem Nachlaß hg. u. mit e. Nachw. vers. v. Richard Friedenthal. 574 S., 9 Tafeln Stockholm: Bermann-Fischer 1946
153. (Vorwort) Vincenzo Errante: Lenau. Geschichte eines Märtyrers der Poesie. Übersetzung C. Rau. 359 S. Mengen: Heine 1948
154. Europäisches Erbe. Herausgeber Richard Friedenthal. 282 S. Frankfurt/Main: Fischer 1960 (Enth. u. a. Nr. 22, 61, 67, 94)
155. Fragment einer Novelle. Herausgeber Erich Fitzbauer. 14 Blätter, 4 Abb. v. Hans Fronius. 4° Wien: Verl. d. Internat. Stefan-Zweig-Ges. (= Zweite Sonderpublikation d. Internat. Stefan-Zweig-Ges.) (500 num. Ex.) 1961 [Ausz. a. Widerstand der Wirklichkeit, EA in: Brennendes Geheimnis. Erzählungen [Frankfurt am Main] 1987 [6], S. 221-(271)]
156. Im Schnee. Herausgeber Erich Fitzbauer. 14 Blätter mit Abbildungen v. F. Fischer. Wien: Verl. d. Internat. Stefan-Zweig-Ges. (= Dritte Sonderpublikation d. Internat. Stefan-Zweig-Ges.) (500 num. Ex.) 1963
157. Die Hochzeit von Lyon. Novelle. Herausgegeben u. mit e. Nachwort vers. v. Erich Fitzbauer. 29 S., 4 Abb. v. Hans Fronius. 4° Wien: Ed. Graphischer Zirkel (= Dreizehnte Buchpublikation der Ed. Graphischer Zirkel) (400 num. Ex.) 1980
158. Gesammelte Werke in Einzelbänden. 36 [+1] Bände Herausgeber u. Nachbemerk. Knut Beck. Frankfurt/Main: Fischer 1981–1990
MEUWISSEN Eric
C'ETAIT AU TEMPS DE L'INDUSTRIE PAPETIERE WAVRIENNE - L'AVENTURE D'UN EMPLOYE LA HULPOIS
Edited: 199201061010
Le Soir, Lundi 6 janvier 1992, Page 16

Bernard Mathieu et l'industrie papetière wavrienne. Ainsi s'intitule le dernier numéro de la revue bimestrielle «Wavriensia». Une revue dans laquelle Joseph Tordoir signe un article consacré à une des sociétés papetières établies dans l'arrondissement de Nivelles durant la première moitié du XIXe siècle. Une société qui fut à l'origine d'une des trois premières SA du monde de la fabrication du papier.
L'aventure industrielle de Bernard Mathieu, meunier et employé aux papeteries de la Hulpe, commence en 1832 avec la rachat du moulin de Basse-Wavre. Elle continue en 1836 avec l'acquisition de plusieurs parcelles au lieudit: «La Gastuche».
Joseph Tordoir nous apprend ainsi que les premiers travaux de construction de la papeterie de Gastuche commencèrent en juin 1837 et que l'usine de Basse-Wavre abritait un des outillages les plus perfectionnés de l'époque.
Bien vite, note Joseph Tordoir, on parla d'extension. Une extension au lieu dit Asquempont, sous la commune de Virginal. Et les choses prirent une si bonne allure qu'à la fin de l'année 1853, la Société Mathieu et Cie possédait trois papeteries. Respectivement situées à Basse-Wavre, à Gastuche et à Virginal. Elle exploitait à titre de locataire les papeteries de Chaumont-Gistoux et Corroy-le-Grand.
Mais la conjoncture devait bientôt se dégrader et on en vint en 1855 à la dissolution de la société Mathieu et Cie. Les papeteries de Basse-Wavre, Gastuche et Virginal allaient être mises en vente publique. La papeterie de Gastuche et les diverses terres sous Grez, de même que l'usine de Basse-Wavre furent alors acquises par un gros négociant bruxellois: Isidore Mosselman.
Par ailleurs, Guillaune-Joseph de Nelis, bourgmestre de Virginal et président de la Chambre de commerce, racheta la papeterie de Restemont. Il possédait désormais deux papeteries sous Virginal. Il les revendit l'année suivante à Babolein Nicolas-Isaïe Olin et Gustave-Victor Demeurs, respectivement fabricants de papier à Bruxelles et à Huizingen.
On le voit, Bernard Mathieu attira à Wavre, Grez-Doiceau et accessoirement à Virginal, des capitaux et un nombre considérable d'emplois pour la classe ouvrière.
Ainsi on estime que pas moins de trois cent vingt personnes trouvèrent de l'emploi aux papeteries de Basse-Wavre, de Gastuche, de Chaumont-Gistoux et de Corroy-le-Grand. L'usine de Gastuche employait cent nonante ouvriers soit trois fois plus que celle de Basse-Wavre.
Enfin sachez encore qu'une étude plus approfondie de l'histoire de la société des papeteries belges et de la SA qui lui succéda en 1879 sous la raison sociale «Les Papeteries de Gastuche» paraîtra prochainement. On mesurera encore mieux l'importance de l'initiative du meunier de La Hulpe, Bernard Mathieu, dans l'essor économique de la région wavrienne.
E. Mn
«Wavriensia T.XL 1991», no 4. Bulletin du cercle historique et archéologique de Wavre et de la Région. Pages 97 à 121.
X
18 juli 1991: André Cools (PS) vermoord
Edited: 199107180611
André Cools est né et a grandi dans le monde ouvrier, plus précisément dans la Maison du Peuple que géraient ses parents à Flémalle. Son grand-père paternel, ouvrier à Marihaye, fut longtemps privé du droit de vote en raison d’un lourd casier judiciaire pour fait syndical. Son père, Marcel, était délégué syndical des métallurgistes de la province de Liège et échevin du POB à Flémalle. La pensée d’André Cools restera imprégnée de ce milieu rempli de solidarité et d’amitiés : ce sont les amis (Joseph Sevrin, Émile Deloye, etc.) de son père, déporté et décapité à Mauthausen (1942), qui le prendront en charge, lui permettant de terminer ses humanités gréco-latines.

Sa participation au Congrès national wallon de Liège, en octobre 1945, les manifestations contre le retour de Léopold III (il accomplit alors son service militaire) ainsi que les grèves de 1960 lui font prendre conscience de la réalité wallonne. Membre de Wallonie libre (1959), disciple d'André Renard, il adhère au Mouvement populaire wallon dès sa création en 1961. Présent à tous les grands rendez-vous wallons du début des années 60, André Cools fait notamment partie du comité de patronage du pétitionnement (1963). Quand, avec Freddy Terwagne, Léon Hurez et Ernest Glinne, le nouveau bourgmestre de Flémalle se retrouve à la lisière du PSB, en décembre 1964, il choisit de défendre l'idée wallonne à l'intérieur du PSB. Considéré comme rebelle à ce moment, il se retrouve, cinq ans plus tard, à la suite du décès de JJ Merlot, à la tête du gouvernement qui introduit dans la Constitution les principes de réformes institutionnelles instaurant un fédéralisme en Belgique. Coprésident du PSB et premier président du PS, André Cools se dit favorable à un régionalisme radical proche d'une forme de confédéralisme. Il contribue à la deuxième réforme de l'Etat qui crée les communautés et les régions disposant d'un exécutif et d'une assemblée légiférant par décret.

Secrétaire-receveur de la commission d'assistance publique en 1947, André Cools est devenu l'un des principaux mandataires du Parti socialiste. Élu tour à tour conseiller communal (1949-1968), député (1958-1991), il a été pour exercer les mandats de bourgmestre de Flémalle-Haute (1964-1991), ministre du Budget (1968-1971), vice-Premier ministre (1969-1972), président du Parti socialiste belge (1973-1978) puis du Parti socialiste (1978-1981), ministre d’État (1983), président du Conseil régional wallon (1982-1985), et ministre de la Région wallonne, en charge des Pouvoirs locaux, Travaux subsidiés et Eau (1988-1990). Il attache notamment son nom au décret sur l'eau avant de se retirer de la vie politique, le 1er mai 1990.

Néanmoins, à la tête d'un véritable réseau qu'il avait tissé (SMAP, SA Néos, Holding Meusinvest, présence dans de nombreuses intercommunales), il entendait continuer à oeuvrer pour le développement économique de la région liégeoise, lorsque, le 18 juillet 1991, un bras meurtrier a mis un terme à la vie de cette personnalité hors du commun. Le procès visant à élucider cet assassinat s’est ouvert à Liège le 17 octobre 2003.


Pour une biographie plus complète, on se reportera à la notice qui lui est consacrée dans l’Encyclopédie du Mouvement wallon, sous la direction scientifique de Paul Delforge, Philippe Destatte et Micheline Libon, Charleroi, 2000, tome 1, p. 367-369.

src: Institut Destrée (201602141602)
FIPP Madrid - Damesprogramma Toledo 19850523 - (wie?), Joke De Kimpe, Monique Tessens-Gysels, Henri De Kimpe, Lutgart Huysmans
Edited: 198505231501
TESSENS Lucas
1985: 29ste Algemene Statutaire Vergadering van de Nationale Federatie der Informatieweekbladen (NFIW) te Brugge op 19850510 op uitnodiging van het Brugsch Handelsblad
Edited: 198505101685



Op de foto o.m. Voorzitter Jan Merckx, Marc Naegels, Jef Turf, Monique Gysels, Dirk De Cuyper, Patrick Op de Beeck, Herman Sansen, Jan Herreboudt, Greet Forier (mijn secretaresse), Patrick de Borchgrave, Henri De Kimpe, André Declercq (Le Soir), Greta Boesmans, Lutgard Huysmans, Rik De Nolf, Jacques Boesmans
Robert Gilman
The Idea Of Owning Land An old notion forged by the sword is quietly undergoing a profound transformation
Edited: 198412210004
One of the articles in Living With The Land (IC#8)
Originally published in Winter 1984 on page 5
Copyright (c)1985, 1997 by Context Institute
HOWEVER NATURAL “owning” land may seem in our culture, in the long sweep of human existence, it is a fairly recent invention. Where did this notion come from? What does it really mean to “own” land? Why do we, in our culture, allow a person to draw lines in the dirt and then have almost complete control over what goes on inside those boundaries? What are the advantages, the disadvantages, and the alternatives? How might a humane and sustainable culture re-invent the “ownership” connection between people and the land?

These questions are unfamiliar (perhaps even uncomfortable) to much of our society, for our sense of “land ownership” is so deeply embedded in our fundamental cultural assumptions that we never stop to consider its implications or alternatives. Most people are at best only aware of two choices, two patterns, for land ownership – private ownership (which we associate with the industrial West) and state ownership (as in the Communist East).

Both of these patterns are full of problems and paradoxes. Private ownership enhances personal freedom (for those who are owners), but frequently leads to vast concentrations of wealth (even in the U.S., 75% of the privately held land is owned by 5% of the private landholders), and the effective denial of freedom and power to those without great wealth. State ownership muffles differences in wealth and some of the abuses of individualistic ownership, but replaces them with the often worse abuses of bureaucratic control.

Both systems treat the land as an inert resource to be exploited as fully as possible, often with little thought for the future or respect for the needs of non-human life. Both assume that land ownership goes with a kind of exclusive national sovereignty that is intimately connected to the logic of war.

In short, both systems seem to be leading us towards disaster, yet what other options are there?

The answer, fortunately, is that there are a number of promising alternatives. To understand them, however, we will need to begin by diving deeply into what ownership is and where it has come from.

THE HISTORICAL ROOTS

Beginnings Our feelings about ownership have very deep roots. Most animal life has a sense of territory – a place to be at home and to defend. Indeed, this territoriality seems to be associated with the oldest (reptilian) part the brain (see IN CONTEXT, #6) and forms a biological basis for our sense of property. It is closely associated with our sense of security and our instinctual “fight or flight” responses, all of which gives a powerful emotional dimension to our experience of ownership. Yet this biological basis does not determine the form that territoriality takes in different cultures.

Humans, like many of our primate cousins, engage in group (as well as individual) territoriality. Tribal groups saw themselves connected to particular territories – a place that was “theirs.” Yet their attitude towards the land was very different from ours. They frequently spoke of the land as their parent or as a sacred being, on whom they were dependent and to whom they owed loyalty and service. Among the aborigines of Australia, individuals would inherit a special relationship to sacred places, but rather than “ownership,” this relationship was more like being owned by the land. This sense of responsibility extended to ancestors and future generations as well. The Ashanti of Ghana say, “Land belongs to a vast family of whom many are dead, a few are living and a countless host are still unborn.”

For most of these tribal peoples, their sense of “land ownership” involved only the right to use and to exclude people of other tribes (but usually not members of their own). If there were any private rights, these were usually subject to review by the group and would cease if the land was no longer being used. The sale of land was either not even a possibility or not permitted. As for inheritance, every person had use rights simply by membership in the group, so a growing child would not have to wait until some other individual died (or pay a special fee) to gain full access to the land.

Early Agricultural Societies Farming made the human relationship to the land more concentrated. Tilling the land, making permanent settlements, etc., all meant a greater direct investment in a particular place. Yet this did not lead immediately to our present ideas of ownership. As best as is known, early farming communities continued to experience an intimate spiritual connection to the land, and they often held land in common under the control of a village council. This pattern has remained in many peasant communities throughout the world.

It was not so much farming directly, but the larger-than- tribal societies that could be based on farming that led to major changes in attitudes towards the land. Many of the first civilizations were centered around a supposedly godlike king, and it was a natural extension to go from the tribal idea that “the land belongs to the gods” to the idea that all of the kingdom belongs to the god-king. Since the god-king was supposed to personify the whole community, this was still a form of community ownership, but now personalized. Privileges of use and control of various types were distributed to the ruling elite on the basis of custom and politics.

As time went on, land took on a new meaning for these ruling elites. It became an abstraction, a source of power and wealth, a tool for other purposes. The name of the game became conquer, hold, and extract the maximum in tribute. Just as The Parable Of The Tribes (see IN CONTEXT, #7) would suggest, the human-human struggle for power gradually came to be the dominant factor shaping the human relationship to the land. This shift from seeing the land as a sacred mother to merely a commodity required deep changes throughout these cultures such as moving the gods and sacred beings into the sky where they could conveniently be as mobile as the ever changing boundaries of these empires.

The idea of private land ownership developed as a second step – partly in reaction to the power of the sovereign and partly in response to the opportunities of a larger-than- village economy. In the god-king societies, the privileges of the nobility were often easily withdrawn at the whim of the sovereign, and the importance of politics and raw power as the basis of ownership was rarely forgotten. To guard their power, the nobility frequently pushed for greater legal/customary recognition of their land rights. In the less centralized societies and in the occasional democracies and republics of this period, private ownership also developed in response to the breakdown of village cohesiveness. In either case, private property permitted the individual to be a “little king” of his/her own lands, imitating and competing against the claims of the state.

Later Developments By the early days of Greece and Rome, community common land, state or sovereign land, and private land all had strong traditions behind them. Plato and Aristotle both discussed various mixtures of private and state ownership in ideal societies, with Aristotle upholding the value of private ownership as a means of protecting diversity. As history progressed, the “great ownership debate” has continued between the champions of private interests and the champions of the state, with the idea of community common land often praised as an ideal, but in practice being gradually squeezed out of the picture. Feudal Europe was basically a system of sovereign ownership. The rise of commerce and then industrialism shifted power to the private ownership interests of the new middle class (as in the United States). The reaction against the abuses of industrialism during the past 150 years swung some opinion back again, bringing renewed interest in state ownership (as in the Communist countries).

As important as these swings have been historically, they have added essentially nothing to our basic understanding of, or attitudes about, ownership. Throughout the whole history of civilization land has been seen as primarily a source of power, and the whole debate around ownership has been, “To what extent will the state allow the individual to build a personal power base through land ownership rights?”

TAKING A FRESH LOOK

But the human-human power struggle is hardly the only, or even the most important, issue in our relationship to the land. Whatever happened to the tribal concerns about caring for the land and preserving it for future generations? What about issues like justice, human empowerment and economic efficiency? How about the rights of the land itself? If we are to move forward towards a planetary/ecological age, all of these questions and issues are going to need to be integrated into our relationship to the land. To do this we will have to get out beyond the narrow circle of the ideas and arguments of the past.

We have been talking about “ownership” as if it was an obvious, clear-cut concept: either you own (control) something or you don’t. For most people (throughout history) this has been a useful approximation, and it has been the basis of the “great ownership debate.” But if you try to pin it down (as lawyers must), you will soon discover that it is not so simple. As surprising as it may seem, our legal system has developed an understanding of “owning” that is significantly different from our common ideas and has great promise as the basis for a much more appropriate human relationship to the land.

Ownership Is A Bundle Of Rights The first step is to recognize that, rather than being one thing, what we commonly call “ownership” is in fact a whole group of legal rights that can be held by some person with respect to some “property.” In the industrial West, these usually include the right to:

use (or not use);
exclude others from using;
irreversibly change;
sell, give away or bequeath;
rent or lease;
retain all rights not specifically granted to others;
retain these rights without time limit or review.
These rights are usually not absolute, for with them go certain responsibilities, such as paying taxes, being liable for suits brought against the property, and abiding by the laws of the land. If these laws include zoning laws, building codes, and environmental protection laws, you may find that your rights to use and irreversibly change are not as unlimited as you thought. Nevertheless, within a wide range you are the monarch over your property.

No One Owns Land Each of these rights can be modified independent of the others, either by law or by the granting of an easement to some other party, producing a bewildering variety of legal conditions. How much can you modify the above conditions and still call it “ownership”? To understand the answer to this, we are going to have to make a very important distinction. In spite of the way we normally talk, no one ever “owns land”..In our legal system you can only own rights to land, you can’t directly own (that is, have complete claim to) the land itself. You can’t even own all the rights since the state always retains the right of eminent domain. For example, what happens when you sell an easement to the power company so that they can run power lines across you land? They then own the rights granted in that easement, you own most of the other rights, the state owns the right of eminent domain – but no single party owns “the land.” You can carry this as far as you like, dividing the rights up among many “owners,” all of whom will have a claim on some aspect of the land.

The wonderful thing about this distinction is that it shifts the whole debate about land ownership away from the rigid state-vs.-individual, all-or-nothing battle to the much more flexible question of who (including community groups, families, etc. as well as the state and the individual) should have which rights. This shift could be as important as the major improvement in governance that came with the shift from monolithic power (as in a monarchy) to “division of powers” (as exemplified in the U.S. Constitution with its semi-independent legislative, executive and judicial branches).

Legitimate Interests How might the problems associated with exclusive ownership (either private or state) be solved by a “division of rights” approach? To answer this, we need to first consider what are the legitimate interests that need to be included in this new approach. If we are to address all the concerns appropriate for a humane sustainable culture we need to recognize that the immediate user of the land (be that a household or a business), the local community, the planetary community, future generations, and all of life, all have legitimate interests. What are these interests?

The immediate users need the freedom to be personally (or corporately) expressive, creative, and perhaps even eccentric. They need to be able to invest energy and caring into the land with reasonable security that the use of the land will not be arbitrarily taken away and that the full equity value of improvements made to the land will be available to them either through continued use or through resale should they choose to move.
The local community needs optimal use of the land within it, without having land held arbitrarily out of use by absentee landlords. It needs to be able to benefit from the equity increases in the land itself due to the overall development of the community, and it needs security that its character will not be forced to change through inappropriate land use decisions made by those outside the community or those leaving the community.
The planetary community, future generations, and all of life need sustainable use – the assurance that ecosystems and topsoil that have been developed over hundreds of thousands of years will not be casually destroyed; that the opportunities for life will be enhanced; that non-renewal resources will be used efficiently and for long term beneficial purposes. This larger community also needs meaningful recognition that the earth is our common heritage.
Is it possible to blend these various interests in a mutually supportive way, rather than seeing them locked in a power struggle? The answer, fortunately, is yes. Perhaps the best developed alternative legal form that does this is called a land trust.

LAND TRUSTS

A land trust is a non-governmental organization (frequently a non-profit corporation) that divides land rights between immediate users and their community. It is being used in a number of places around the world including India, Israel, Tanzania, and the United States. Of the many types of land trusts, we will focus here on three – conservation trusts, community trusts, and stewardship trusts. These will be discussed in more detail in other articles in this section, but an initial overview now will help to draw together many of the threads we have developed so far.

In a conservation land trust, the purpose is generally to preserve some aspect of the natural environment. A conservation trust may do this by the full ownership of some piece of land that it then holds as wilderness, or it may simply own “development rights” to an undeveloped piece. What are development rights? When the original owner sells or grants development rights to the conservation trust, they put an easement (a legal restriction) on the land that prevents them or any future owners from developing the land without the agreement of the conservation trust. They have let go of the right to “irreversibly change” listed above. The conservation trust then holds these rights with the intention of preventing development. The Trust For Public Land (82 Second St, San Francisco, CA 94105, 415/495-4015) helps community groups establish conservation and agricultural land trusts.

A community land trust (CLT) has as its purpose removing land from the speculative market and making it available to those who will use it for the long term benefit of the community. A CLT generally owns full title to its lands and grants long term (like 99-year) renewable leases to those who will actually use the land. Appropriate uses for the land are determined by the CLT in a process comparable to public planning or zoning. Lease fees vary from one CLT to another, but they are generally more than taxes and insurance, less than typical mortgage payments, and less than full rental cost. The lease holders have many of the use and security rights we normally associate with ownership. They own the buildings on the land and can take full benefit from improvements they make to the land. They can not, however, sell the land nor can they usually rent or lease it without the consent of the trust. The Institute For Community Economics (57 School St. Springfield, MA 01105, 413/746-8660) is one of the major support groups for the creation of community land trusts in both urban and rural settings.

The stewardship trust combines features of both the conservation trust and the CLT, and is being used now primarily by intentional communities and non-profit groups such as schools. The groups using the land (the stewards) generally pay less than in a normal CLT, but there are more definite expectations about the care and use they give to the land.

In each one of these types, the immediate users (nonhuman as well as human) have clear rights which satisfy all of their legitimate use needs. The needs of the local community are met through representation on the board of directors of the trust which can enforce general land use standards. The larger community usually has some representation on the trust’s board as well. Thus by dividing what we normally think of as ownership into “stewardship” (the users) and “trusteeship” (the trust organization), land trusts are pioneering an approach that better meets all the legitimate interests.

The system is, of course, still limited by the integrity and the attitudes of the people involved. Nor are current land trusts necessarily the model for “ownership” in a humane sustainable culture. But they show what can be done and give us a place to build from. I’ll explore more of where we might build to in a later article, but now lets turn to other perspectives and experiences with going beyond ownership.

Bibliography

Chaudhuri, Joyotpaul, Possession, Ownership And Access: A Jeffersonian View (Political Inquiry, Vol 1, No 1, Fall 1973).

Denman, D.R., The Place Of Property (London: Geographical Publications Ltd, 1978).

Institute For Community Economics, The Community Land Trust Handbook (Emmaus, PA: Rodale Press, 1982).

International Independence Institute, The Community Land Trust (Cambridge, MA: Center For Community Economic Development, 1972).

Macpherson, C.B., Property: Mainstream And Critical Positions (Toronto: Univ Of Toronto Press, 1978).

Schlatter, Richard, Private Property: The History Of An Idea (New Brunswick, NJ: Rutgers University Press, 1951).

Scott, William B., In Pursuit Of Happiness: American Conceptions Of Property (Bloomington: Indiana University Press, 1977).

Tully, James, A Discourse On Property: John Locke And His Adversaries (Cambridge: Cambridge Univ Press, 1980).

Land Rights

by John Talbot

IT WAS NOT so long ago in human history that the rights of all humans were not acknowledged, even in the democracies. Slavery was only abolished a few generations ago. In the same way that we have come to see human rights as being inherent, so we are now beginning to recognize land rights, and by land I mean all life that lives and takes its nourishment from it, as well as the soil and earth itself. Once we have understood and accepted that idea, we can truly enter into a cooperative relationship with Nature. I’m not talking about living in fear of disturbing anything or a totally “hands off nature” angry ecologist view, but simply acknowledging the right to be of land and nature, and that when we do “disturb” it we do so with sensitivity and respect, doing our best to be in harmony with what is already there.

Being in harmony, apart from being a very subjective state, may not always be possible: for example in the case of putting a house down where once there wasn’t one. But we as humans have needs too. Nature knows that and is, I believe, quite willing to accommodate us. Our responsibility is, however, to act consciously and with the attitude of respect and desire for cooperation. It is no different from respecting other people’s rights in our interactions, being courteous and sensitive to their needs and feelings. This attitude toward the land is almost universally held by aboriginal and native peoples, from the Bushman to the Native American Indians to the tribes of the South Pacific. Earth Etiquette, you might say.

Following directly from that is the principle that you cannot really buy, sell or own the land. Just as we cannot (or should not) own slaves of our own species, we would not make slaves of animals, plants or the land and nature in general. Sounds easy but I feel this represents a very profound and fundamental change in human attitudes; one that takes thought, effort and time to reprogram in ourselves.
NYT
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75; AUTHOR ON SOVIET AND HAPSBURGS
Edited: 198412041025
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75
By WOLFGANG SAXON
Published: December 4, 1984

Edward Crankshaw, one of the most respected authors on the Soviet Union and chronicler of the Hapsburgs, died last Thursday in his native Britain after what was described as a ''long and painful illness.'' He was 75 years old and lived in Hawkhurst, in rural Kent.

His death was reported Sunday in The Observer, the British weekly for which he kept watch on the Soviet scene starting in 1947. Mr. Crankshaw, who spurned the label of ''Kremlinologist,'' was regarded as Britain's premier journalistic expert on Soviet politics.

The author of about 20 books, including three novels, Mr. Crankshaw contribued a steady flow of prefaces, essays and articles to publications in Britain and the United States, including The New York Times. In addition, he commented on Soviet affairs for the BBC.

Difficult to place politically, Mr. Crankshaw reluctantly became a Soviet specialist when The Observer asked him to take the assignment after World War II, part of which he had spent in Moscow. One of the conclusions he had reached was that Kremlin policies must be seen as something that did not start with the Bolshevik takeover in 1917, but had ancient roots. He Avoided Speculation

Thus, Mr. Crankshaw avoided speculations about absences from the Kremlin wall at anniversary parades. Instead, his basic impressions had been formed when the Russians were fighting for survival, and he took heart from Stalin's evocations of historical ''Holy Russia.''

His political testament came in a preface written this year to a selection from his writings, ''Putting Up With the Russians.''

As a conservative dedicated to the survival of European civilization, he rejected the harsh tones adopted by President Reagan and his supporters, accusing them of trying to turn the Soviet Union into a pariah. Mr. Crankshaw viewed detente with some skepticism, but he insisted on the need for co- existence.

He was the author of ''Russia Without Stalin'' in 1956, regarding the changes in everyday life in the post- Stalin era. He also wrote ''Khrushchev's Russia'' (1960) and ''Khrushchev: A Career,'' published six years later.

He then wrote the introduction for ''Khrushchev Remembers,'' a rich compilation of comments, speeches, conversations and interviews by Nikita I. Khruschev, the Kremlin leader who denounced the Stalinist terror. 'Khrushchev Himself'

Mr. Crankshaw, who also contributed copious footnotes and commentary to the Khrushchev book, helped defend the book against doubters. He said that by ''style and content'' the words were ''Khrushchev himself, quite unmistakably speaking.'' His faith in the book's authenticity has come to be shared by most others since its publication in 1970.

Though ailing for many years, Mr. Crankshaw, a slight and courtly man, continued to write even in bed whenever he was unable to move about.

His last volume published in this country was ''Bismarck'' in 1982. Writing in The New York Times Book Review, George L. Mosse called the book ''a cautionary tale about political and military power'' that sees Bismarck's ''apparent success as a failure because the Iron Chancellor exalted the amoral concept of politics into a principle.''

Edward Crankshaw was born on Jan. 3, 1909, in rural Essex. As a boy, he often visited the London magistrate's court where his father, Arthur, worked as chief clerk. He attended Bishop's Stortford College but left early - hence his claim to having been largely self- taught.

Instead, Mr. Crankshaw went to the Continent to travel, and he lived in Vienna, becoming fluent in German. His Austrian years turned out to be formative ones for his mind as he watched democracy crumble in the new Austrian republic. They also instilled him with a passion for literature and music.

From Europe, he wrote for British publications subjects ranging from twelve-tone music to books, art and the theater. But he gave up journalism to write ''Joseph Conrad: Some Aspects of the Art of the Novel,'' a study of Conrad's methods and the novelist's art in general. Another book, ''Vienna: The Image of a Culture in Decline,'' appeared in 1938. Posted to Moscow in '41

In 1936, Mr. Crankshaw was commissioned into Britain's Territorial Army. In 1941, he was posted to Moscow as an intelligence officer, and he did all he could to understand the Russians, their history, national character and government.

Having also traveled on the periphery of the Soviet Union, he was asked by The Observer to return to journalism as its Russian expert. His early books on the subject were ''Britain and Russia'' (1945), ''Russia and the Russians'' (1947) and ''Russia by Daylight'' (1951).

A well-received history was The Shadow of the Winter Palace: The Drift to Revolution, 1825-1917 which appeared in 1976. Other well-received books were ''The Fall of the House of Hapsburg'' (1963) and ''The Hapsburgs'' (1971).

Of Mr. Crankshaw's ''Maria Theresa'' (1969), Thomas Lask wrote in his review in The New York Times, ''Mr. Crankshaw has managed in what is a model of compression and judicious selection to rescue Maria Theresa from the history books and to turn a monument into a warm and appealing woman.''

Mr. Crankshaw is survived by his wife, the former Clare Chesterton Carr.
Leysen: Limburgse mijnen moeten dicht
Edited: 198406001265
Fabre 1988: 26 die verwijst naar een interview met André Leysen, toen voorzitter van het VBO, in Het Belang van Limburg Volgens Fabre had Leysen belang bij die sluiting. Zijn firma Transcor voerde steenkool in (zo'n 700.000 ton of 10% van de totale steenkoolimport van België) zie ook: Thomas Leysen, gedelegeerd bestuurder bij Umicore, is van opleiding licentiaat rechten (KU Leuven). Hij is ook president van VUM Media en lid van de raad van bestuur van KBC Bank & Verzekeringsholding, van Alcatel Bell en van Atlas Copco AB. Tussen 1983 en 1992 was hij achtereenvolgens gedelegeerd bestuurder bij Transcor nv, Generale Trading Company en Sogem nv. (uit: http://www.vev.be/tekst.asp?ID=214&Rel=congres01 ) zie ook: www.transcor.be zie ook Van Meulder 2000: 693-694, die Leysen citeert: "Limburgse mijnen moeten dicht volgens een sluitings- en reconversieplan, kolencentrale in Limburg is nonsens en de 35-urenweek is onbespreekbaar."
Robert Gilman
Structural Violence. Can we find genuine peace in a world with inequitable distribution of wealth among nations?
Edited: 198309000100
One of the articles in The Foundations Of Peace (IC#4)
Originally published in Autumn 1983 on page 8
Copyright (c)1983, 1997 by Context Institute
THE HUMAN TENDENCY toward, and preparations for, open warfare are certainly the most spectacular obstacles to peace, but they are not the only challenges we face. For much of the world’s population, hunger, not war, is the pressing issue, and it is hard to imagine a genuine peace that did not overcome our current global pattern of extensive poverty in the midst of plenty.

Hunger and poverty are two prime examples of what is described as “structural violence,” that is, physical and psychological harm that results from exploitive and unjust social, political and economic systems. It is something that most of us know is going on, some of us have experienced, but in its starker forms, it is sufficiently distant from most North American lives that it is often hard to get a good perspective on it. I’ve come across an approach that seems to help provide that perspective, and I’d like to describe it.

How significant is structural violence? How does one measure the impact of injustice? While this may sound like an impossibly difficult question, Gernot Kohler and Norman Alcock (in Journal of Peace Research, 1976, 13, pp. 343-356) have come up with a surprisingly simple method for estimating the grosser forms of structural violence, at least at an international level. The specific question they ask is, how many extra deaths occur each year due to the unequal distribution of wealth between countries?

To understand their approach, we will need to plunge into some global statistics. It will help to start with the relationship between Life Expectancy (LE) and Gross National Product Per Person (GNP/p) that is shown in the following figure.



Each dot in this figure stands for one country with its LE and GNP/p for the year 1979. All together, 135 countries are represented (data from Ruth Sivard’s World Military and Social Expenditures 1982, World Priorities, Box 1003, Leesburg VA 22075, $4). Kohler and Alcock used a similar figure based on data for 1965, and I’ll compare the 1965 data with the 1979 data later in this article. Except for a few oil exporting countries (like Libya) that have unusual combinations of high GNPs and low Life Expectancies, the data follows a consistent pattern shown by the curve. Among the “poor” countries (with GNP/p below about $2400 per person per year), life expectancy is relatively low and increases rapidly with increasing GNP/p. Among the “rich” countries, life expectancy is consistently high and is relatively unaffected by GNP.

The dividing line between these two groups turns out to also be the world average GNP per person. The value of the life expectancy curve at that point (for 1979) is 70 years. Thus, other things being equal, if the world’s wealth was distributed equally among the nations, every country would have a life expectancy of 70 years. This value is surprisingly close to the average life expectancy for the industrial countries (72 years), and is even not that far below the maximum national life expectancy of 76 years (Iceland, Japan, and Sweden).

Kohler and Alcock use this egalitarian model as a standard to compare the actual world situation against. The procedure is as follows. The actual number of deaths in any country can be estimated by dividing the population (P) by the life expectancy (LE). The difference between the actual number of deaths and the number of deaths that would occur under egalitarian conditions is thus P/LE – P/70. For example, in 1979 India had a population of 677 million and a life expectancy of 52 years. Thus India’s actual death rate was 13 million while if the life expectancy had been 70, the rate would have been 9.7 million. The difference of 3.3 million thus provides an estimate of the number of extra deaths.

Calculating this difference for each country and then adding them up gives the number of extra deaths worldwide due to the unequal distribution of resources. The result for 1965 was 14 million, while for 1979 the number had declined to 11 million. (China, with a quarter of the world’s population, is responsible for 3/4 of this drop since it raised its life expectancy from 50 in 1965 to 64 in 1979.)

How legitimate is it to ascribe these deaths to the structural violence of human institutions, and not just to the variability of nature? Perhaps the best in-depth study of structural violence comes from the Institute for Food and Development Policy (1885 Mission St, San Francisco, CA 94103). What they find throughout the Third World is that the problems of poverty and hunger often date back hundreds of years to some conquest – by colonial forces or otherwise. The victors became the ruling class and the landholders, pushing the vast majority either on to poor ground or into being landless laborers. Taxes, rentals, and the legal system were all structured to make sure that the poor stayed poor. The same patterns continue today.

Additional support is provided by the evidence in the above figure, which speaks for itself. Also, according to Sivard, 97% of the people in the Third World live under repressive governments, with almost half of all Third World countries run by military dominated governments. Finally, as a point of comparison, Ehrlich and Ehrlich (Population, Environment, and Resources, 1972, p72) estimate between 10 and 20 million deaths per year due to starvation and malnutrition. If their estimates are correct, our estimates may even be too low.

Some comparisons will help to put these figures in perspective. The total number of deaths from all causes in 1965 was 62 million, so these estimates indicate that 23% of all deaths were due to structural violence. By 1979 the fraction had dropped to 15%. While it is heartening to see this improvement, the number of deaths is staggeringly large, dwarfing any other form of violence other than nuclear war. For example, the level of structural violence is 60 times greater than the average number of battle related deaths per year since 1965 (Sivard 1982). It is 1.5 times as great as the yearly average number of civilian and battle field deaths during the 6 years of World War II. Every 4 days, it is the equivalent of another Hiroshima.

Perhaps the most hopeful aspect of this whole tragic situation is that essentially everyone in the present system has become a loser. The plight of the starving is obvious, but the exploiters don’t have much to show for their efforts either – not compared to the quality of life they could have in a society without the tensions generated by this exploitation. Especially at a national level, what the rich countries need now is not so much more material wealth, but the opportunity to live in a world at peace. The rich and the poor, with the help of modern technology and weaponry, have become each others’ prisoners.
4 maart 1983: straalverbinding (faisceau hertzien) Brussel-Arlon-Luxembourg voor RTL in ministerraad
Edited: 198303041489
Notification: Le Conseil marque son accord sur la demande de R.T.L. ,
en vue d'obtenir une liaison permanente par faisceau hertzien entre Bruxelles et Luxembourg, via Arlon.
Cette liaison doit permettre d'assurer aussi sur un pied d'égalité les besoins d'infrastructure télévisuelle du Luxembourg belge.
Cette liaison est accordée pour un an. Le coût en est supporté par R.T.L.
Cette période permettra à R.T.L. de prendre les décisions nécessaires en vue de développer l'implantation en Belgique de ses activités de production de programmes et de rapartrier des ressources liées aux activités et aux
résultats de cette chaîne de télévision qui bénéficie seule dans les faits du marché publicitaire audio-visuel en Belgique francophone, dans l'état actuel de la législation.
Ces mesures s'inscrivent dans le cadre du développement en Belgique des activités économiques du secteur audio-visuel et doivent permettre aux pouvoirs publics de bénéficier de nouvelles ressources financières.
Elles feront l'objet d'une négociation visant à garantir les
intérêts belges évoqués ci-dessus.
Cette négociation visera également à ramener au minimum la demande d' indemnisation de R.T.L . pour l'accident survenu, du fait d' un avion militaire belge, à l'antenne de Dudelange.
Les résultats de cette négociation seront soumis au Conseil des Ministres au plus tard le 1er mars 1984.
Les négociations seront menées :
- en ce qui concerne les problèmes techniques : par la R.T.T.
- en ce qui concerne l'accord avec R.T.L. : par le Comité ministériel ad hoc sous la présidence du Vice-Premier Ministre GOL, et comprenant également le
Vice-Premier Ministre NOTHOMB.





ARAGON Louis
Bibliographie de Louis Aragon (1897-1982)
Edited: 198212240904
Feu de joie (1920), gedichtenbundel
Anicet ou le Panorama (1921), roman
Les Aventures de Télémaque (1922), roman
Le Libertinage (1924), roman
Le Paysan de Paris (1926), roman (De boer van Parijs, vert. Rokus Hofstede, Historische Uitgeverij, 1998)
Le Mouvement perpétuel (1926), gedichtenbundel
Traité du style (1928), essay
Persécuté persécuteur (1930)
La Peinture au défi (1930), essay
Les Cloches de Bâle (1934), roman
Hourra l’Oural (1934), gedichtenbundel
Pour un réalisme socialiste (1935), essay
Les Beaux Quartiers (1936), roman
Le Crève-cœur (1941), gedichtenbundel
Cantique à Elsa (1941), gedichtenbundel
Les Yeux d’Elsa (1942), gedichtenbundel
Brocéliande (1942), gedichtenbundel
Les Voyageurs de l’impériale (1942), roman (De reizigers op de imperiaal, vert. Hannie Vermeer-Pardoen, Van Gennep, 2014)
Le Musée Grévin (1943), gedichtenbundel
Aurélien (1944), roman
La Diane française (1945), gedichtenbundel
Le Nouveau Crève-coeur (1948), gedichtenbundel
Les Communistes (1949-1951), roman
Les Yeux et la mémoire (1954), gedichtenbundel
A la Lumière de Stendhal (1954), essay
Littératures soviétiques (1955), essay
Le Roman inachevé (1956), gedichtenbundel
La Semaine sainte (1958), roman
Elsa (1959), gedichtenbundel
Le Fou d’Elsa (1963), gedichtenbundel
La Mise à mort (1965), roman
Blanche ou l’Oubli (1967), roman
Je n’ai jamais appris à écrire (1969), essay
Les Chambres (1969), gedichtenbundel
Matisse (1971), roman
Théâtre/Roman (1974)
Le Mentirvrai (1980), novellebundel
Les adieux et autres poèmes (1982), gedichtenbundel
(Source Wiki 201601312033)
CIA (declassified)
The chances of Mobuto to stay in power. Aid to the regime in Congo. Importance of mineral exports.
Edited: 198208001487
LT
Het 'bureau' van de NFIW-FNHI: Henri De Kimpe, Karel Huysmans, Marc Naegels, René-Pierre Hasquin, Jan Merckx, Lucas Tessens. Rond Nieuwjaar 1982
Edited: 198201011489
Jan Merckx bekleedde toen de functie van ondervoorzitter (?). Hij ambieerde toen reeds de plaats van Voorzitter of was hij het toen al? Na te kijken.



Bron: archief MERS
NAEGELS Marc, DUJARDIN Jacques, THOUA Jean
Pourquoi Pas? La petite histoire d'une grande réussite ... in: La Presse, n° 108, juin 1981
Edited: 198106300080
FICHE D'IDENTITE
Titre : Pourquoi Pas ?
Adresse ettéléphone : 95, Bd. Emile Jacqmain, 1000 Bruxelles, 218.13.40
Editeur-propriétaire : S.A. Pourquoi Pas ?
Date de fondation : 1910
Directeur: Mare Naegels
Rédacteur en chef:Jacques Dujardin
Langue : francais
Type d'impression : offset
Objectif ou formule rédactionnelle : Panorama de l'actualité danstousles domaines

Le Soir Illustré. Historique et buts poursuivis. in: De Pers/La Presse, n° 108, juin 1981
Edited: 198106300077
Editeur responsable : Rossel & Cie, s.a.
Rédaction : Place de Louvain, 21,1000 Bruxelles, tél. 02/21 7.74.80
Administration, vente, abonnements : rue Royale, 1 1 2, 1000 Bruxelles, tél. 219.41.90
Publicité : Rossel & Cie, S.A. Régies Publicitaires - même adresse
Bureaux parisiens : rue d'Anjou, 73, 75008 Paris - tél. 387.36.1 6
Administrateur: M. André Declercq
Rédacteur en Chef: M. Roger Vervisch
Contenu : Enquêtes et reportages d'actualité, articles documentaires problèmes économiques, politiques,
sociaux, culturels et d'intérêt humain, spectacle, mode, loisirs, programmes de télévision et de
radio, etc.
Genre de lecteurs: S'adresse è toutes les catégories de lecteurs. Le plus recent sondage a déterminé
la physionomie de lecture de la facon suivante :
42 % de lecteurs des classes A et B;
42 % de lecteurs hommes;
58 % de lectrices.
Diffusion en Brabant: 50 %; en Wallonië : 45 %; en pays flamand : 5 %.
Tirage: 105.000 ex.
Nombre de lecteurs : 228.700
Format: 31 x24 cm
Nombre de pages : variant de 64 è 104
Impression : héliogravure
Objectif ou formule rédactionnelle : information générale-actualité. Publie, en toute indépendance
politique et philosophique informations générales- actualité beige et étrangère - enquêtes, reporta
ges et documents.
Rubriques régulières : programmes complets de télévision (encart détachable) - cinéma - théêtre -
livres - mode - humour, etc...
79

LASSWELL Harold D. (1902-1978)
"Propaganda is the expression of opinions or actions carried out deliberately by individuals or groups with a view to influence the opinions or actions of other individuals or groups for predetermined ends through psychological manipulations."
Edited: 197800004578
Lasswell made these contributions to the field of communication study:

His five-questions model of communication led to the emphasis in communication study on determining effects. Lasswell’s contemporary, Paul F. Lazarsfeld, did even more to crystallize this focus on communication effects.
He pioneered in content analysis methods, virtually inventing the methodology of qualitative and quantitative measurement of communication messages (propaganda messages and newspaper editorials, for example).
His study of political and wartime propaganda represented an important early type of communication study. The word propaganda later gained a negative connotation and is not used much today, although there is even more political propaganda. Propaganda analysis has been absorbed into the general body of communication research.
He introduced Freudian psychoanalytic theory to the social sciences in America. Lasswell integrated Freudian theory with political analysis, as in his psychoanalytic study of political leaders. He applied Freud's id-ego-superego via content analysis to political science problems. In essence, he utilized intraindividual Freudian theory at the societal level.
He helped create the policy sciences, an interdisciplinary movement to integrate social science knowledge with public action. The social sciences, however, generally resisted this attempt at integration and application to public policy problem.
src: wiki 20180329
Buffy Sainte-Maire
My country 'Tis Of Thy People You're Dying
Edited: 197110011761
Now that your big eyes have finally opened,
Now that you're wondering how must they feel,
Meaning them that you've chased across America's movie screens.
Now that you're wondering how can it be real
That the ones you've called colorful, noble and proud
In your school propaganda
They starve in their splendor?
You've asked for my comment I simply will render:
My country 'tis of thy people you're dying.

Now that the longhouses breed superstition
You force us to send our toddlers away
To your schools where they're taught to despise their traditions.
You forbid them their languages, then further say
That American history really began
When Columbus set sail out of Europe, then stress
That the nation of leeches that conquered this land
Are the biggest and bravest and boldest and best.
And yet where in your history books is the tale
Of the genocide basic to this country's birth,
Of the preachers who lied, how the Bill of Rights failed,
How a nation of patriots returned to their earth?
And where will it tell of the Liberty Bell
As it rang with a thud
O'er Kinzua mud,
And of brave Uncle Sam in Alaska this year?

My country 'tis of thy people you're dying.

Hear how the bargain was made for the West:
With her shivering children in zero degrees,
Blankets for your land, so the treaties attest,
Oh well, blankets for land is a bargain indeed,
And the blankets were those Uncle Sam had collected
From smallpox-diseased dying soldiers that day.
And the tribes were wiped out and the history books censored,
A hundred years of your statesmen have felt it's better this way.
And yet a few of the conquered have somehow survived,
Their blood runs the redder though genes have paled.
From the Gran Canyon's caverns to craven sad hills
The wounded, the losers, the robbed sing their tale.
From Los Angeles County to upstate New York
The white nation fattens while others grow lean;
Oh the tricked and evicted they know what I mean.

My country 'tis of thy people you're dying.

The past it just crumbled, the future just threatens;
Our life blood shut up in your chemical tanks.
And now here you come, bill of sale in your hands
And surprise in your eyes that we're lacking in thanks
For the blessings of civilization you've brought us,
The lessons you've taught us, the ruin you've wrought us --
Oh see what our trust in America's brought us.

My country 'tis of thy people you're dying.

Now that the pride of the sires receives charity,
Now that we're harmless and safe behind laws,
Now that my life's to be known as your "heritage,"
Now that even the graves have been robbed,
Now that our own chosen way is a novelty --
Hands on our hearts we salute you your victory,
Choke on your blue white and scarlet hypocrisy
Pitying the blindness that you've never seen
That the eagles of war whose wings lent you glory
They were never no more than carrion crows,
Pushed the wrens from their nest, stole their eggs, changed their story;
The mockingbird sings it, it's all that he knows.
"Ah what can I do?" say a powerless few
With a lump in your throat and a tear in your eye --
Can't you see that their poverty's profiting you.

My country 'tis of thy people you're dying.
30 april 1970: Historicus Prof Dr Jacques Presser overleden. R.I.P.
Edited: 197004300917
Jacob (Jacques) Presser (Amsterdam, 24 februari 1899 – aldaar, 30 april 1970) was een Nederlandse historicus, schrijver en dichter die vooral bekend is geworden door zijn boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 over de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hij is de bedenker van de term egodocument (rond 1955).

Bibliografie:
- Das Buch 'De Tribus Impostoribus' (Von den drei Betrügern) (proefschrift - 1926)
- 'Anatole France en de geschiedenis'. In: Historische opstellen, opgedragen aan prof. dr. H. Brugmans (1929), p. 234–255. Ook in: J. Presser, Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 7–28.
- 'Het antisemitisme als historisch verschijnsel'. In: Antisemitisme en Jodendom. Een bundel studies over een actueel vraagstuk onder redactie van Dr. H. J. Pos (1939), p. 1–18. Herdrukt in: J. Presser, Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 29–48.
- De Tachtigjarige Oorlog (1941 - onder eigen naam 1948; 6de druk 1978)
- Napoleon. Historie en legende (1946; 7de druk 1978). Duitstalige uitgaven onder de titel Napoleon. Das Leben und die Legende (1977, 1979, 1990, 1997)
- 'Beeldbaarheid en beeldvorming in de jongste Amerikaanse historie' (Openbare les. Universiteit van Amsterdam, 11 februari 1947). Ook in: Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 54–74.
- Amerika. Van kolonie tot wereldmacht (1949; 4de, herziene druk 1976, met een Naschrift over de periode na 1965 door dr. R. Kroes.): een vaak bijtende analyse van de Amerikaanse samenleving en de imperialistische tendenzen.
- Historia hodierna (Inaugurele rede. Universiteit van Amsterdam, 2 oktober 1950). Ook in: Uit het werk van dr. J. Presser (1969), p. 209–225.
- Gewiekte wielen. Richard Arkwright (1951)
- Schrijfsels en schrifturen (1961)
- Antwoord aan het kwaad. Getuigenissen 1939–1945, samengesteld door prof. dr. J. Presser (1961)
Europa in een boek (1963)
- Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (twee delen - 1965; 8ste druk 1985). Engelstalige uitgaven onder de titel Ashes in the Wind. The destruction of Dutch Jewry (Britse editie, 1968, herdruk 2010, met een nawoord van dr. Dienke Hondius; Amerikaanse heruitgave 1988) en The Destruction of the Dutch Jews (Amerikaanse uitgave 1969)
- Uit het werk van dr. J. Presser (1969; afscheidsbundel met 32 essays van zijn hand)
Gesprekken met Jacques Presser (1972; een egodocument in de vorm van de volledige tekst van de gesprekken die Philo Bregstein in 1969-1970 met Presser voerde ter voorbereiding van de documentaire film Dingen die niet voorbijgaan)
- Louter verwachting. Autobiografische schets 1899-1919 (1985; met de tekst van zijn rede voor de herdenking van 25 jaar bevrijding, 5 mei 1970, en een bibliografie van al zijn werk)


biografie
J. HANNES Assistent aan het Seminarie voor Hedendaagse Geschiedenis, R.u.G. en С LIS Aspirante N.F.W.O
DE SOCIALE HIERARCHIE IN DE WONINGBOUW ANTWERPEN OMSTREEKS 1834 en WOONTOESTANDEN EN GANGENSANERINGEN TE ANTWERPEN IN HET MIDDEN DER 19e EEUW
Edited: 196900000902
Social Hierarchy In Housing. Antwerp About 1834: How rich are rich people, how poor are poor people ? This is a much vexing question, especially when asked for the last century. The problem is to construct a kind of pyramid, where everyone has a definite place according to his wealth or lack of it. But how to build such a pyramid ? The authors started from the assumption, that there exists a correlation between the value of the habitation of the invidual and his financial situation. The value of the habitation is indeed well known, at least at a definite moment of the past century, owing to the compilation of the land registry. This goes, in Antwerp, for the year 1834. We do know, for that year, the value of any dwelling in Antwerp. The next step is to find out about the wealth of the people living in the most expensive houses and, on the other hand, of the people living in the least expensive. As regards the richest people, we can derive a fairly accurate idea of their place in the hierarchy of wealth by using the returns of the licence fee, a tax related to the importance of their business. It appears that there is a striking degree of conformity between both series. The same goes for the poor people living in shabby dwellings. Here one can know more or less how poor they are because they are the people on relief. On first sight, one would feel that this is a case of making sure in a painstaking way of what was known beforehand. But this would be a false assumption : for most of the 19th century, and for most towns, the documents (e.g. licence fee) helping us to gain insight into the real wealth of people are lost. But the land registry records are fairly well preserved. As it has been by now established that the correlation between the value of the inhabited house and the wealth situation is extremely high, the method developped by the authors makes it possible to reconstruct the real hierarchy of wealth or poverty for any given population. — Slum-Sanitation : A Central Problem In The Way Of Life Of The Working People. (Antwerp, 19Th Century): One of the most inescapable consequences of the growth of the industrial town (and even of the not so industrial town) in the past century is, that housing conditions of the factory workers and poor people rapidly took a turn for the worse. The accumulation of demographic, economic and social pressures made the actual housing conditions the very imbodiment of the squalid way of life of the 19th century factory worker, and more attention should be paid to the problem of the slums in the 19th century than has been in the past. In Antwerp — and in most Belgian towns — the basic problem in matters of working class housing was not so much the lack of space as the population increased, than slum construction as a highly profitable investment, in the shape of a huge number of small dwellings built around an inner court or a small street. There was no individual sanitation nor individual water supply. People had to help themselves from a small number of installations for common use. The reason, of course, was to keep the cost of the building of t