Search our collection of 11.939 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 2.987 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 1 books

We found 37 news item(s)

The covers of the following books are not yet photographed

LINKS , Roodboek 3: Een links crisisalternatief, Leuven, Kritak, 1983.

nws
Zwitsers beslissen in referendum om kijk- en luistergeld (KLG = 390 EUR per jaar) te blijven betalen
Edited: 201803051146
In Duitsland, Oostenrijk en Denemarken willen rechts-populistische partijen het KLG afschaffen.
In Vlaanderen deed een zogenaamd linkse populist, Steve Stevaert, dat al in 2001. zie het eindverslag van de Dienst Kijk- en Luistergeld, gepubliceerd in 2002

In Nederland werden de omroepbijdragen in 2000 gefiscaliseerd. zie de nota die MERS daaraan wijdde; met korte historiek


De Zwitsers hebben blijkbaar begrepen dat de afschaffing van het KLG de financiering - en dus de toekomst van de openbare omroep - in handen van de uitvoerende macht en die van de reclamesector legt.
TESSENS Lucas / MERS
Overzicht van de mediagroepen in Vlaanderen - Links naar de KBO
Edited: 201712082258
KBO Mediahuis

KBO Persgroep NV + organogram

KBO De Vijver Media NV

KBO Medialaan NV

KBO Proximus NV

KBO Roularta Media Group NV

KBO Sanoma Media Belgium NV

KBO Studio 100 NV

KBO Telenet Group Holding NV

KBO VRT NV



Hieronder vindt u de lijst van de mandaten die het MERS samenstelde en die u dus NIET terugvindt in de rapporten van de Vlaamse Regulator voor de Media, zogenaamd om de privacyregels niet te overtreden. Wij hebben op 11 december 2017 bij de VRM de stukken in verband met die beslissing tot niet-publicatie opgevraagd en zulks in het kader van openbaarheid van bestuur. Wij hechten hier nogal belang aan want de rapporten van de VRM over de mediaconcentratie kunnen niet doorstoten tot het niveau van het 'media ownership'. Het zijn dus maar halve rapporten; zij belichten de structuur van de mediasector, niet wie er aan de touwtjes trekt.

In deze lijst zijn een aantal ondernemingsnummers opgenomen die doorverwijzen naar managementvennootschappen of naar aandeelhouders die bestuursfuncties bekleden.

Amnesty Int
Amnesty International nagelt dictatuur in Turkije en het stilzwijgen van de EU aan de schandpaal
Edited: 201707251205
Dit is een samenvatting van de stellingname van Amnesty:

An attempted coup prompted a massive government crackdown on civil servants and civil society. Those accused of links to the Fethullah Gülen movement were the main target. Over 40,000 people were remanded in pre-trial detention during six months of emergency rule. There was evidence of torture of detainees in the wake of the coup attempt. Nearly 90,000 civil servants were dismissed; hundreds of media outlets and NGOs were closed down and journalists, activists and MPs were detained. Violations of human rights by security forces continued with impunity, especially in the predominantly Kurdish southeast of the country, where urban populations were held under 24-hour curfew. Up to half a million people were displaced in the country. The EU and Turkey agreed a “migration deal” to prevent irregular migration to the EU; this led to the return of hundreds of refugees and asylum-seekers and less criticism by EU bodies of Turkey’s human rights record.



vergelijk met het Bruinboek van 1933
De Redactie
De Turkse activiste Fehriye Erdal is veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 15 jaar voor haar betrokkenheid bij drie moorden in Turkije in 1996.
Edited: 201702201521
De Turkse activiste Fehriye Erdal is veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 15 jaar voor haar betrokkenheid bij drie moorden in Turkije in 1996. Erdal is al jaren spoorloos en was niet op haar eigen proces aanwezig.
Fehriye Erdal (39) was jarenlang lid van de extreemlinkse groep DHKP-C, die ijverde voor een communistische Turkse staat. In 1996 heeft die groepering in Istanbul twee zakenmannen en een secretaresse vermoord. Erdal zou daarbij betrokken geweest zijn, als brein achter de moorden. Zij werkte bovendien in het bedrijf waar de moord werd gepleegd en zou de daders daar hebben binnengelaten.

In 1999 werd ze daarom in ons land opgepakt, maar enkele jaren later kon ze vluchten, ondanks toezicht van de Belgische Staatsveiligheid. Sinds 2006 is ze spoorloos. Vandaag heeft de rechtbank van Brugge haar bij verstek veroordeeld tot 15 jaar cel. De rechter heeft ook haar onmiddellijke aanhouding bevolen. Tegen Erdal loopt een internationaal aanhoudingsbevel. Of ze nog leeft, is niet geweten.

Protest

Tegen de uitspraak in Brugge werd geprotesteerd door een tiental activisten van de Turkse politieke partij Front Populaire. Ze vinden het niet kunnen dat het proces tegen Erdal in België werd gevoerd. Volgens hen is enkel Turkije hiervoor bevoegd. Hun korte protestactie is zonder incidenten verlopen.

zie ook het bericht van 7 februari 2008
Presidentsverkiezingen in Oostenrijk: linkse kandidaat Van der Bellen wint nipt
Edited: 201605232206
VANDER TAELEN Luckas
De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?
Edited: 201604080856

Publicatiedatum: 8 april 2016
Tekst van de backcover:
Jaren van vrede hebben ons verwend en weerloos gemaakt. We zijn vergeten dat niet alle conflicten op te lossen zijn door een goed gesprek en we weten niet meer hoe we op geweld moeten reageren. De ideologische verwarring is totaal. De opvang van asielzoekers is een morele plicht. Dat staat buiten kijf. Maar de maatschappij zal onvermijdelijk veranderen als grote groepen mensen met radicaal verschillende culturele en religieuze opvattingen opgenomen worden. Wie hoopt dat de problemen zullen verdwijnen met een krachtig voluntarisme à la Angela Merkels ‘Wir schaffen das’, negeert de werkelijkheid. En zorgt er vooral voor dat de blinde xenofobie toeneemt en de steun van de bevolking voor elke vorm van solidariteit afkalft.
13 november 2015 was een mokerslag voor het linkse politiek correcte denken dat de tekens van het groeiende islamitische fundamentalisme niet wou zien uit angst beschuldigd te worden van islamofobie. De ruk naar rechts in de publieke opinie had echter vermeden kunnen worden als linkse partijen het vroeger hadden aangedurfd om het naïeve multiculturele harmoniemodel bij te stellen en de angst van de gewone mens au sérieux hadden genomen. Als ze de problemen in Brussel bijvoorbeeld niet weg hadden gerelativeerd.
Misschien bieden de Parijse aanslagen van november 2015 dan ook een historische kans aan links om zich te herbronnen. De grote verwarring wil daartoe een eerste aanzet geven. Want blijven zweren bij vertrouwde versleten mantra’s zal de nu al danig aangetaste geloofwaardigheid van links helemaal laten verdwijnen.
The Local (daily)
'We can't be like Sweden': Norway's integration minister
Edited: 201603310752
Norway's integration minister has called for tighter immigration policies – to avoid the country becoming like Sweden.
Sylvi Listhaug used Sweden as the cautionary tale when speaking about recent terror attacks in Europe, as well as a package of asylum reforms due before the Norwegian parliament shortly.

“Many of those who have carried out terror attacks in Europe are born and raised in France and Belgium. It shows how important it is to succeed with integration and that is again connected to how many come to Norway. Therefore a tight immigration policy is important,” she said.

In the aftermath of the terror attacks in Brussels, there has been a debate in Norway on so-called parallel societies and neighbourhoods where the police don't dare to patrol. Listhaug acknowledged that the problem exists.

“We have foreign fighters who have left Norway and [we have] radical environments. We should not stick our heads in the sand and say that everything is good here. But fortunately we are a long way from the conditions we see in some other countries, for example Sweden,” she told NTB.

It was revealed earlier this month that a man with suspected links to radical group Isis, who was shot dead in a Brussels raid just days before the terror attack, had previously lived in Sweden.

Sweden has attempted to crack down on foreign fighters, with the security service saying that up to 300 Swedes are believed to have travelled to Syria or Iraq to fight in the past three years. Around 40 are thought to have died in battle and around 125 are understood to remain in the Middle East.

New anti-terror legislation is set to come into effect on Friday, with Sweden criminalizing trips abroad, or the financing of such travels, to participate in acts of terrorism.

From April 15th the country is also tightening restrictions on passports, with people only being able to apply for three passports in a five-year period, to prevent the use of forged identity documents.

But Sweden has struggled to cope with the record 163,000 asylum claims it received last year, and is seeing increasing divides between different ethnic communities in troubled suburbs in the big cities.

Listhaug said that a major reason that Norway doesn't have the same ghetto problems as its Nordic neighbour is that asylum seekers in Norway cannot decide for themselves where they should live. (territorium)

She said that the terror attack in Brussels has created fears and worries that an attack could also hit Scandinavia. But she also stressed that Islamists were not responsible for the terror that struck the nation in 2011, when far-right sympathizer Anders Behring Breivik shot dead several dozens of teenagers on Utoya island.
Brusselmans Herman
Wij van links
Edited: 201603280934
LT
Column Rik Torfs: Voor en tegen islam - Een antwoord
Edited: 201602290903
In De Standaard schrijft Rik Torfs vandaag een column over godsdienst. Zijn vak, denk je dan.

Maar het moet wel op een drafje geschreven zijn want Torfs gooit alles op een hoop: katholicisme, vrijzinnigheid, atheïsme, (militant) antitheïsme, de evolutietheorie, islamofobie, links en rechts, empirie, etcetera.
Bovendien moet Torfs zijn teksten herlezen want op wat slaat volgende zin?: "Dus neen, de stelling dat al dan niet linkse vrijzinnigen het christendom koesteren, maar de islam aanhalen, klopt steeds minder." Er zit geen tegenstelling in de zin dus "maar" is niet op zijn plaats. Tot daar aan toe.

Torfs stelt ook het volgende: "Daarom zullen islamofoben die hebben doorgeleerd zich steeds vaker als antitheïsten vermommen, ook al vinden die laatsten dat een spijtige zaak." Het wordt dus - met de column van Torfs in de hand - ten allen tijde mogelijk om een antitheïst te ontmaskeren als een islamofoob. Tja, die jezuïetenstreken daar genees je ook nooit van.

"Antitheïsten vinden religie schadelijk", zo poneert Torfs. Hij doet geen moeite om die stelling te ontkrachten. Dat is nog zo'n oude methode om het debat niet te voeren of nuancering te mijden. Staat Torfs op het standpunt dat religie onschadelijk is? Ziet hij dan niet dat in de geschiedenis religie/geloof en maatschappijvisie voortdurend vermengd zijn geweest?

Tot slot: "Het antitheïsme brengt heel veel mensen diep geluk, geeft hen een houvast, zekerheid in een complexe wereld. Maar tegelijk maakt het een echt gesprek met drie kwart van de wereldbevolking onmogelijk." Ik vraag me dan af: moeten diegenen die zich antitheïst noemen dan eerst een beetje gaan geloven om een gesprek te kunnen voeren? En waarom zou dat gesprek onmogelijk zijn? Omdat de organisatie van de samenleving naadloos moet aansluiten bij geloof en religie?

Torfs maakt in zijn column (elke maandag, dat moet stresserend zijn!) abstractie van de realiteit, zowel van de historische feiten als van de nijpende hedendaagse gebeurtenissen. Godsdienstoorlogen: nooit van gehoord? De positie van de vrouw, van de holebi's, de vrije meningsuiting, verboden apostasie, ..., onbelangrijk?

De kern van het vraagstuk was, is en blijft: welke maatschappijvisie brengt een religie met zich mee? Vroeger was het christendom - waarvan de mooie leer verkracht werd door de katholieke kerk - dominant, nu streeft de islam ongegeneerd naar dominantie. Het gaat om macht, rector! MACHT. Voilà, u hebt uw thema voor uw volgende column. Beschouwt u het maar als een tweede zit.

LT
Bataclan
Edited: 201602180158
is het links
omdat rechts het aanvalt ?
is het rechts
omdat links het aanvalt ?

mijn waarheid hoeft de uwe toch niet te zijn
laat de uwe dan ook niet de mijne zijn
zo laat ik u
en zo laat u mij

met muziek in onze hoofden

Belga - commentaar: Lucas Tessens
Prof em Urbain Vermeulen, verketterde islamoloog, overleden. R.I.P.
Edited: 201602161414
Het Belga-bericht is natuurlijk braaf en neutraal. Maar ... deze paragraaf uit zijn verguisde boek moeten we toch onthouden:
'Aan de echte dialoog moet nog hard gewerkt worden en het zal lang duren voor een mentaliteitswijziging, in de eerste plaats bij de moslims, een einde zal stellen aan de hypocrisie die er nu heerst. Hopelijk leidt het gesprek tot meer begrip. Er wordt wel gesproken, maar elk zegt het zijne: dat is geen dialoog, dat zijn twee monologen. Of daar in de toekomst verandering in zal komen, is nog de vraag.' (slotparagraaf uit 'Islam en christendom. Het onmogelijke gesprek?' - 1999)

Vermeulen kreeg bakken kritiek over zich uitgestort en werd beschuldigd van racisme. 'De Morgen' was daarin de kampioen. De zogenaamd 'links-progressieve' redacties hadden niet begrepen dat Vermeulen een strijd voerde tegen een RECHTSE en FUNDAMENTALISTISCHE islam. Overigens is het hoog tijd dat wij inzien dat het debat over de islam al jaren op een volledig FOUT SPOOR zit. Het Vlaams Belang - toch een ultra-rechtse partij - valt een rechtse godsdienst en een rechtse maatschappijvisie aan; de zogenaamde 'progressieven' namen de islam en zijn aanhangers in bescherming. Dat is pure Kafka !
De laatste tijd is het bij de SPA en bij Groen wat stilletjes. Het zou immers een bocht van 180 graden vergen wanneer men nu zou gaan zeggen dat de islam reactionair is. Politici, journalisten en pseudo-intellectuelen hebben een hekel aan het toegeven van het eigen ongelijk. Ze zijn immers getraind om op te treden als alweters. Zelfs een eerlijke en onderlegde professor zoals Urbain Vermeulen kon niet tegen zoveel LAFFE hypocrisie op.


Persmedeling PVDA
PVDA gaat wetsvoorstel indienen om “Excess Profit Ruling” af te schaffen
Edited: 201602040928
(04/02/2016) De fiscale voordelen die de Belgische overheid toekent aan multinationals via het systeem van “excess profit rulings” kunnen voor de Europese Commissie niet door de beugel. De Commissie noemt het systeem een vorm van illegale staatssteun. De PVDA is al jaren gekant tegen dit systeem en ziet in de uitspraak van de Commissie een bevestiging van haar stelling.

Al jarenlang hekelt de linkse partij de onwettige toepassing van art. 185 §2 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. Volgens de praktijken van de Dienst Voorafgaande Beslissingen kan een Belgisch filiaal van een multinational verkrijgen dat het geen belastingen moet betalen op zijn winst, zelfs zonder dat een ander filiaal in het buitenland gelijkwaardig belast wordt. Nochtans is net dit evenwicht vastgelegd in art. 185 §2 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.

PVDA-volksvertegenwoordiger en fiscaal specialist Marco Van Hees ziet twee mogelijke verklaringen: “Ofwel past de Dienst Voorafgaande Beslissingen het belastingwetboek onwettig toe. Ofwel had de wet – in 2004 ontsproten uit de koker van toenmalig minister van Financiën Reynders – zonder dit expliciet te vermelden, van bij het begin de bedoeling wat de Europese Commissie noemt ‘een dubbele niet-taxering’ toe te kennen aan multinationals. In beide gevallen kunnen we beter beslissen het mechanisme van de ‘excess profit rulings’ af te voeren. Dit mechanisme betekent een ware BelgoLeaks dat niet moet onderdoen voor de LuxLeaks. De PVDA zal in de Kamer dan ook een wetsvoorstel indienen om heel klaar en duidelijk art. 185 §2 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen te schrappen.”

“De ‘excess profit rulings’ vervingen in 2004 – discreet – een andere bepaling, namelijk de ‘ruling infocap’. Dat systeem was toen door de Europese Commissie veroordeeld. In feite wordt België hier dubbel veroordeeld”, aldus Van Hees. “Het lijkt wel een traditie in dit belastingparadijs voor multinationals.”


Pro memorie:
Afdeling II : Belastinggrondslag
Artikel 185, WIB 92
§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.
§ 2. Onverminderd het tweede lid, voor twee vennootschappen die deel uitmaken van een multinationale groep van verbonden vennootschappen en met betrekking tot hun grensoverschrijdende onderlinge relaties:
a) indien tussen de twee vennootschappen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke vennootschappen, mag winst die één van de vennootschappen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die vennootschap;
b) indien in de winst van een vennootschap winst is opgenomen die eveneens is opgenomen in de winst van een andere vennootschap, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die deze andere vennootschap zou hebben behaald indien tussen de twee vennootschappen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke vennootschappen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van de eerstbedoelde vennootschap op passende wijze herzien.
Het eerste lid vindt toepassing bij voorafgaande beslissing onverminderd de toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436) van 23 juli 1990 en de internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting.

§ 3. Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en die gelegen zijn in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, blijft buiten aanmerking voor het vaststellen van de belastbare basis, tenzij voor wat betreft het proportioneel gedeelte van deze verliezen waarvoor de vennootschap aantoont dat dit niet is afgetrokken van belastbare winsten van deze inrichting in de Staat waar deze gevestigd is, en niet verrekend is met in België vrijgestelde winsten van andere buitenlandse inrichtingen van de vennootschap.
Wiki
Turkse Republiek Noord-Cyprus
Edited: 201511150349
1) Rauf Denktaş (Paphos, 27 januari 1924 – Lefkoşa, 13 januari 2012) was een Turks-Cypriotisch politicus. Hij was in 1975 de oprichter van de Nationale-eenheidspartij (UBP) en was van 1983 tot 2005 president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Internationaal werd hij sinds 1973 erkend als vicepresident van de republiek Cyprus. Cyprus heeft namelijk als staatshoofd een Grieks-Cypriotische president, die gekozen wordt door de bevolking van Grieks-Cyprus, en een Turks-Cypriotische vicepresident die door de bevolking van Turks-Cyprus gekozen wordt. Sinds 1974 is de vicepresident echter al niet meer verkozen.

Op 15 november 1983 verklaarde vicepresident Rauf Denktaş de Turkse zone eenzijdig soeverein en onafhankelijk. De nieuwe staat werd alleen door Turkije erkend. Hij noemde zichzelf sindsdien 'president van de Turkse Republiek van Noord-Cyprus'. Sinds 1985 heeft Turks-Cyprus een eigen uit vijftig leden bestaand parlement.

In april 2005 kwamen er voor het eerst in lange tijd verkiezingen in Turks-Cyprus, omdat de inmiddels tachtigjarige Denktaş het tijd vond om zijn positie over te dragen aan een opvolger. Deze opvolger werd Mehmet Ali Talat, de voormalige vicepresident van Turks Cyprus.

2) Mehmet Ali Talat (Kyrenia, 6 juli 1952) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van april 2005 tot april 2010 was hij president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus (TRNC). Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Nadat Talat, destijds leider van de linkse Turkse Republikeinse Partij, tijdens de (vice)presidentsverkiezingen op 17 april 2005 met een meerderheid van 55% tot (vice)president was verkozen volgde hij op 25 april Rauf Denktaş op als machtigste man van Noord-Cyprus. Degene die de presidentsfunctie van de TRNC vervult, moet zijn partijpolitieke binding opgeven.

Op 18 april 2010 werd hij bij de presidentsverkiezingen verslagen door de rechts-nationalistische Derviş Eroğlu van de Nationale-eenheidspartij, die hem op 24 april opvolgde.

Zijn zoon Serdar Denktaş is de Turks-Cypriotische minister van buitenlandse zaken.
3) Derviş Eroğlu (Famagusta, 1938) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van 24 april 2010 tot 30 april 2015 was hij de 3e president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Hij was van 1983 tot 2006 politiek leider van de Nationale-eenheidspartij en werd dat opnieuw in 2008.

Derviş Eroğlu werd in 1938 in de Oost-Cypriotische kuststad Famagusta (Turks: Gazimağusa of Mağusa) geboren. Na de lagere school daar doorlopen te hebben ging hij naar Turkije om er hoger onderwijs te volgen. In de jaren zestig studeerde hij geneeskunde aan de Universiteit van Istanboel.

Tijdens zijn studie ontpopte Eroğlu zich als een Turks-Cypriotisch nationalist. Dit nadat Cyprus in 1960 onafhankelijk was geworden van het Verenigd Koninkrijk en in de jonge republiek etnische onlusten tussen Grieks- en Turkstalige Cyprioten uitbraken.

In 1963, na het behalen van zijn graad in de geneeskunde, keerde hij terug naar Cyprus. In zijn geboortestad Famagusta beoefende hij vijf jaar lang de geneeskunst. Hierna vertrok hij opnieuw naar Turkije, ditmaal om zich in de hoofdstad Ankara te specialiseren in urologie.

In de zomer van 1974 viel het Turkse leger zijn geboorteland binnen als reactie op een Griekse staatsgreep. De Turken veroverden een groot, noordelijk deel van het eiland en riepen er de Turkse Republiek Noord-Cyprus uit. Zo'n 200.000 Turken uit Turkije vestigden zich hierna in deze republiek, die tot op de dag van vandaag internationaal niet erkend wordt. Ook Eroğlu ging weer naar Noord-Cyprus en hij werd er politiek actief.

In 1976 werd hij parlementslid voor de in oktober 1975 door Rauf Denktaş opgerichte Nationale-eenheidspartij, vervolgens in 1976-1977 minister voor onderwijs, cultuur, jeugd en sport. In 1983, het jaar waarin Denktaş Noord-Cyprus soeverein had verklaard en zichzelf tot president had uitgeroepen, werd Eroğlu politiek leider van de UBP. Dit zou hij tot 2005 blijven en vanaf 2008 weer worden. In die eerste periode was hij driemaal minister-president (van 1985 tot 1994 en van 1996 tot 2004; in de tussentijd was hij oppositieleider) en in de tweede periode (vanaf mei 2009) werd hij dat opnieuw.

Op 18 april 2010 nam hij deel aan aan de presidentsverkiezingen. Deze won hij van zijn rivaal, zittend president Mehmet Ali Talat. Deze kreeg 42,8 procent van de stemmen tegenover 50,4 voor Eroğlu. Hij werd op 24 april 2010 geïnstalleerd.

In tegenstelling tot de pro-Europese Talat, die een federatief Cyprus voorstond, is Eroğlu voorstander van een tweestatenoplossing (wat de de facto situatie van Cyprus is), die door Grieks-Cyprus en de internationale gemeenschap wordt verworpen. Evenwel had hij aangegeven ‘niet weg te zullen lopen’ van vredesonderhandelingen met de Grieks-Cyprioten. In september 2008 waren deze onderhandelingen heropend onder toezicht van de Verenigde Naties.

In 2015 deed Eroğlu opnieuw mee aan de presidentsverkiezingen. Op 26 april nam hij het in de tweede ronde op tegen de als gematigd te boek staande Mustafa Akıncı. Deze won het van de zittend president en werd op 30 april beëdigd als diens opvolger.

Eroğlu is getrouwd en heeft vier kinderen.

4) Mustafa Akıncı (Limasol, 28 december 1947) is de vierde president van de eenzijdig uitgeroepen en niet erkende Turkse Republiek Noord-Cyprus.

Hij was tussen 1976 en 1990 de burgemeester van het Turks-Cypriotische deel van de hoofdstad Nicosia. Daar werkte hij nauw samen met zijn Griekse tegenhanger van de gedeelde stad. Daarna was hij afgevaardigde in het parlement.

In de verkiezingen van 2015 was hij presidentskandidaat en won hij het in de tweede ronde met 60,3 procent van de stemmen van de zittend president Derviş Eroğlu. Akıncı wordt gezien als een gematigd politicus die zich verzoeningsgezind opstelt tegenover de Grieken in Cyprus.

News
Rik De Nolf (19491101) stopt op 1 januari 2016 als CEO van Roularta
Edited: 201510311152
Hij wordt opgevolgd door schoonzoon Xavier Bouckaert (40).


Hierboven een jonge en ontspannen Rik De Nolf (midden) op 28 oktober 1981 in restaurant La Pérouse te Antwerpen op het Avondmaal ter gelegenheid van de tweede vergadering van de Kongreskommissie van het 24ste Wereldkongres van de FIPP aangeboden door het bestuur van de Nationale Federatie der Informatieweekbladen (NFIW).
Op het menu: Turbotin Edouard Berghaud, Faisan du marquisat, Soufflé glacé et mousse au café, Moka, Pousse-café, overgoten met: Champagne Laurent Perrier, Pouilly Fumé-Chateau de Tracy M.O. 1979, Chateau Classe Spleen (Médoc Jeroboams M.D.C. 1976). (bron: menu gezeefdrukt op houten blokje met logo NFIW).
Links op de foto Luk Hiergens (Femmes d'Aujourd'hui/Rijk der Vrouw), rechts Nico Drost (Voorzitter FIPP). (foto LT)

organogram top Roularta

Raad van Bestuur


geschiedenis Roularta-groep

tijdlijn
TESSENS Lucas
Katanga-model: the evaporating public sector - de minimale staat
Edited: 201510310005

AFBEELDING TE KLEIN ? Klik met rechtermuisknop op de afbeelding en open ze in een nieuw tabblad.

Katanga model: de minimale staat
Begin 2014 ontwikkelde het Media Expert Research System bovenstaand analyse-model om een inzicht te krijgen in de evoluties op nationaal, Europees en geopolitiek vlak. Het werd de laatste maanden verfijnd en bijgesteld.
In het schema zijn er drie zones:
A. de wegkwijnende zone van de overheidsdiensten en -bedrijven van de natiestaat (links bovenaan);
B. de beperkte zone van de private sector van een natiestaat (links onderaan);
C. de zone van de zogenaamde 'global players', de multinationals en de supra-nationale conglomeraten (rechts op het speelveld).
Het schema tracht duidelijk te maken dat de private sector zoveel mogelijk winstgevende activiteiten van de staat overneemt. Dit is de privatiseringsgolf die we in Europa vanaf de jaren 90 kennen. De private sector oefent een 'push' uit op de publieke sector en bedient zich daarbij van politieke partijen en lobbying.
Tegelijkertijd is er de 'push' van de 'global players' om de nationale private sector via overnames in handen te krijgen.
De logica zegt dat bij een verzwakking van de natiestaat deze geneigd/verplicht zal zijn om de nog resterende activa ten gelde te maken om de begroting te doen kloppen. Die verzwakking gebeurt op twee manieren:
ten eerste doordat de 'global players' haast geen belastingen afdragen aan de natiestaten (cfr. LuxLeaks);
ten tweede door de sociale verplichtingen en de niet-productieve lasten van de staten zodanig te verzwaren dat privatiseringen noodzaak worden, ook als de overheidsbedrijven winstgevend zijn en voor de financiering van de staat kunnen zorgen.
Wat dit laatste betreft dient de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten de belangen van de 'global players'. De opvang van vluchtelingen zal immers een gat slaan in de begrotingen van de natiestaten.
De sleutelsectoren van de staten (energie en nutsbedrijven, geld, kredieten, media, ...) zitten nu in de zone van de 'global players'.
In deze neo-liberale beweging moet de band met de oorspronkelijke eigenaar doorgeknipt worden. Een voorbeeld daarvan is de naamswijziging van het landgebonden BELgacom in het neutrale Proximus.

De laatste jaren stellen we nog een ander fenomeen vast: de staat reorganiseert de overheidsbedrijven op kosten van de collectiviteit om ze dan 'rijp' en winstgevend te privatiseren. Drie voorbeelden: opnieuw Proximus, BPost en Belfius.

Waarom we dit het Katanga-model noemen? Omdat ten tijde van de afscheiding van Katanga van Congo nog slechts drie factoren van tel waren: een marionnet als president, een dominante Union Minière en een repressieve gendarme-macht.


LT
Verboden films - de erfenis van het nazi-tijdperk
Edited: 201510270048
Op maandag 20151026 toonde Das Erste een interessante documentaire van Felix Moeller over de meer dan duizend films die tijdens het nazi-tijdperk werden geproduceerd. De essentie van de vraagstelling: moet het vrij vertonen van deze films verboden worden en blijven? De verstandigste stelling van een van de geïnterviewden was dat mits een kwalitatief hoogstaand en kritisch onderwijs het risico van hernieuwde indoctrinatie vermeden wordt en dat de films onder die voorwaarden niet verboden dienden te blijven. Meteen is dan de noodzaak van kwalitatief onderwijs een prioriteit. Het herkennen van propagandatechnieken is belangrijk om de huidige media-manipulaties te kunnen plaatsen.
Er werd opgemerkt dat de "Vorbehaltsfilme" ook op YouTube te bekijken zijn.
MERS Antique Books Antwerp biedt in zijn collectie een beperkt aantal boeken aan die onmiskenbaar van nazi-signatuur zijn. Wij hebben hier steeds de stelling verdedigd dat deze geschriften niet moeten verbannen worden uit de antikwarische handel. Zij weerspiegelen een tijdsgeest en kunnen tot een beter begrip leiden van de frustraties, de drijfveren en de misdadigheid van het nazisme en het fascisme. Overigens zou het van kortzichtigheid getuigen om ALLE stellingen van het fascisme neer te sabelen als vals, racistisch en onwaar. Met name de stellingen over de monopolisering van de mondiale grondstoffenmarkten zijn juist gebleken. Het is ook goed te bedenken dat het nationaal-socialisme wel degelijk socialistische origines had en uit 'linkse' hoek kwam. Dit wordt zelden geponeerd.

Hieronder een samenvatting van de presentatie door Das Erste:
Verbotene Filme – Das Erbe des Nazi-Kinos (2013)
Weit über tausend Spielfilme wurden in Deutschland während der Zeit des Nationalsozialismus hergestellt. Über 40 NS-Filme sind bis heute nur unter Auflagen zugänglich – sie sind "Vorbehaltsfilme". Volksverhetzend, kriegsverherrlichend, antisemitisch und rassistisch – so lauten die Begründungen, warum die Filme für die Öffentlichkeit nicht frei zugänglich sind.
Wie soll man mit den Naziflmen umgehen?
Urheberrecht und Jugendschutz sind dabei die juristischen Hebel, denn das deutsche Grundgesetz erlaubt keine Zensur. Der Umgang mit ihnen ist umstritten: Bewahren oder entsorgen, freigeben oder verbieten? "Verbotene Filme" stellt die "Nazifilme aus dem Giftschrank" vor und macht sich auf die Suche nach ihrem Mythos, ihrem Publikum und ihrer Wirkung heute – in Deutschland wie im Ausland. Eine Reise zur dunklen Seite des Kinos.
Experten berichten
Oskar RoehlerOskar Roehler
Über die Brisanz der Propagandafilme des Dritten Reichs und ihre Idee eines angemessenen Umgangs damit geben unter anderem Oskar Roehler, Moshe Zimmermann, Rainer Rother, Margarethe von Trotta, Jörg Jannings, Sonja M. Schultz, Götz Aly sowie Aussteiger aus der Nazi-Szene und Überlebende der Shoah Auskunft.

link Das Erste
LT
Namiddag in Temse
Edited: 201510032328
We hadden de wagen nabij de grote markt van Temse geparkeerd en liepen rechtdoor, lichtjes bergaf richting Schelde. Voorbij de Molens van Temse en zo naar de kade.
Verblind door het zonlicht zag ik slechts de contouren van twee mannen en twee vislijnen.
'Waarop vissen jullie', vroeg ik.
Op paling. We wachten tot het tij tot hier komt.
Dat duurt nog even, dacht ik en dat zei ik ook.
Toen hoorde ik een plons links van ons.
'Polen', zei de man. Ik zag twee mannen in onderbroek op het ponton staan en één lag in het water te crawlen tegen de stroming in.
'Polen', zei de man, 'en ze drinken wodka.'
En van waar kom jij, vroeg ik. Van Marokko, zei de man.
'Kijk, schapen, zei de andere man. Ik draaide mij om en inderdaad, op het asfalt van de parking stapten - ze liepen niet - twee wolwitte schapen op ons toe. In hun ogen lag geen uitdrukking: geen verbazing over wat ze daar deden, ook geen angst. De schapen waren gewoon schapen op een parking in Temse.
Toen zette de Marokkaan een blikje Jupiler op de kademuur.
Hé, zei ik, jij drinkt Jupiler, alcohol, is dat wel OK?
Hij lachtte wat verlegen, maar last scheen hij niet te hebben van mijn bemerking, bedoeld als goedlachse terechtwijzing. Misschien een Marokkaan die geen moslim is of een moslim die niet alle regels volgt, zo dacht ik even.
We liepen verder langs de kade. De schapen waren verdwenen. In het niets opgelost. We keken naar de drie Polen op het ponton. Last van de kou hadden ze blijkbaar niet want ze stonden zich niet te drogen. Ze rilden ook niet. Ze lachten luid en toen dook er weer een in de grijze Schelde.
We gingen langs de trappen naar beneden, de parking op. En weer zag ik de contouren van de beide vissers in tegenlicht. Twee Marokkanen, wist ik nu.
We staken de straat over en gingen langs de huizenkant lopen.
We passeerden een openstaande garagepoort. Een man riep 'hallo' en wij zeiden 'hallo'.
Toen we enkele meters verderop waren, zei Monique: 'Heb je dat gezien? Die man had een lang smal mes in zijn handen. Ik zag het blinken in de zon.'
Dat had ik niet gezien. Ik dacht aan de verdwenen schapen.
Toen reden we over de nieuwe Scheldebrug naar de overkant. Links lag de oude brug in matte grijze verf te baden. Hier en daar een roestplek, zoals oude stalen bruggen nu eenmaal zijn. Ik keek naar rechts over het water en zei 'ik denk dat De Pillecijn het een zilveren lint noemde, de Schelde'. En zo was het ook. Misschien wel van dezelfde kleur als het blikje bier van de Marokkaan of het vignet op de fles wodka van de Polen. En in de ogen van de schapen zal het lemmet van het mes ook wel op zilver lijken. Temse verdween in mijn achteruitkijkspiegel.
LT
Greece: who was responsible in government? Who cleans up the mess?
Edited: 201507160041


De linkse Griekse regering mag onder geen beding in staat zijn de crisis te bedwingen. Een Grieks succes zou immers een linkse olievlek kunnen worden in het zuiden (Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië). Dat is de politieke kant van de tragedie.
NN
Griekenland. Pro memorie
Edited: 201507150036
In de vroege ochtend van 21 april 1967 pleegde een groep middelhoge officieren (merendeels kolonels) een staatsgreep. Een staatsgreep van middelhoge officieren had men niet verwacht, men had eerder verwacht dat generaals een coup zouden plegen (naar later bleek waren deze ook bezig met een samenzwering). Er werd direct een militaire junta gevormd, waarin kolonel Georgios Papadopoulos en generaal Stylianos Patakos, als sterke mannen naar voren traden. De junta zei in naam van de koning op te treden, maar het bleek als snel dat koning Constantijn II niets met de staatsgreep te maken had. De koning legde zich echter wel bij de staatsgreep neer en beval de jurist Konstantinos Kollias aan als regeringsleider. De junta ging hiermee akkoord en Kollias werd tot premier aangesteld. Naast iedere minister werd een legerofficier aangesteld "om toezicht te houden". Papadopoulos werd als minister toegevoegd bij premier Kollias en werd daarmee de de facto leider van Griekenland. De junta verklaarde dat de nieuwe regering verregaande hervormingen zou doorvoeren die vooral de boeren en arbeiders ten goede zou komen. Ze benadrukte tevens expliciet dat ze rechts noch links was, maar "nationaal-Grieks". Herstel van de democratie en een nieuwe grondwet werden in het vooruitzicht gesteld (er werd geen datum genoemd).
NN
Griekenland door het slijk gehaald. Niet de kolonels maar de EU pleegt coup. De rol van Varoufakis.
Edited: 201507131308
Het akkoord over de Griekse schuld plaatst het land onder curatele.
Zelfs de realisatie van activa (privatiseringen dus) komt in handen van een buitenlands organisme. Het lijkt wel een heruitgave van de Treuhandanstalt.
Hoe Tsipras dat programma gaat verkopen in zijn eigen partij en in het parlement is de grote onbekende.
Het lijkt wel een wraak voor de onthullingen van Varoufakis (zie zijn interview met Schumann). Die legt de ware mechanismen bloot.
De gehele operatie komt erop neer dat de schuldeisers van Griekenland hun vorderingen gevrijwaard weten op de rug van de Europese belastingbetaler. Sinds de onthullingen van Luxleaks weten we wie dat is: de modale burger.
Niemand weet hoe ver we nog verwijderd zijn van een implosie van de euro.

Omdat een militaire coup zeker in Griekenland geen optie leek, koos men voor de technocratische weg om de linkse regering elke geloofwaardigheid te ontnemen.
De erfvijand Turkije, waar Duitse bedrijven enorme belangen hebben opgebouwd, kan enkel garen spinnen bij een Grieks débâcle. Bovendien kan Turkije beter dan Griekenland de rol van bufferstaat vervullen tussen Europa en het explosieve Midden-Oosten met Syrië in de frontlinie.

Hoe de Griekse politieke scene er binnen een paar maanden uitziet, is koffiedik kijken. Maar de stap terug van Varoufakis zou een aanloop kunnen zijn naar een grote linkse overwinning bij nieuwe verkiezingen in een land waar de grote meerderheid van de burgers niets te verliezen heeft. Tsipras wordt dan de pineut die de uitslag van het referendum verloochende, Varoufakis de held die de eer aan zichzelf hield. Dat het emotionele element een hoofdrol gaat spelen staat buiten kijf. Een ongezien democratisch experiment kan het gevolg zijn. In zo'n constellatie dreigt dan weer het Chileense scenario.
NEDERLAND wijst de weg: BuZa en Kadaster werken aan wereldwijde landregistratie
Edited: 201506121120
Kees de Zeeuw (Kadaster) en minister Ploumen (Ontwikkelingssamenwerking) Foto: Ministerie van Buitenlandse Zaken
11-06-2015 | LAATST GEWIJZIGD: 11-06-2015
Het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Kadaster richtten 11 juni Land Administration for National Development op om wereldwijd het eigendom of gebruik van land zo snel mogelijk te registreren.
In 70 procent van de wereld zijn landrechten nog niet geregistreerd, terwijl die vastlegging een voorwaarde is voor economische groei, aldus de partners. De nieuwe organisatie Land Administration for National Development (Land) moet op een slimme en efficiënte manier de registratie te verbeteren. Het gaat vooral om het bieden van zekerheid over landeigendom en hoe de burgers hun land mogen gebruiken. De hulp bestaat bijvoorbeeld uit consultancy en trainingen aan lokale overheden, ambassades en non-profit hulporganisaties die hiervoor bij het Kadaster aan kunnen kloppen.

Over de noodzaak tot registratie zeggen de partners: ‘De wereldwijde bevolking groeit nog steeds en de druk op het gebruik van land en natuurlijke bronnen neemt toe. Om landconflicten te voorkomen is een adequate registratie van land belangrijk.’ Al jaren biedt het Kadaster hulp aan landen bij het verbeteren van landregistratie. Zo heeft het Kadaster Rwanda geholpen meer dan 10 miljoen landpercelen in slechts enkele jaren te registreren, aldus het Ministerie en het Kadaster.

‘Met de Nederlandse expertise, die tot de beste ter wereld behoort, worden de kosten van landadministratie flink naar beneden gebracht en kunnen veel sneller eigendoms- en pachtbewijzen worden uitgegeven’, aldus minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. ‘Boeren en boerinnen krijgen daardoor de mogelijkheid om leningen af te sluiten en samen te werken met investeerders en bedrijven. Het geeft mensen een bewijs van hun bezit en uitzicht op een beter bestaan.'

Commentaar LT: Hier kunnen de Belgen van leren. Ook België bezit een ruime expertise in kadastrale aangelegenheden. Waarom stellen we die niet internationaal ter beschikking? Enkele jaren geleden kwam er een officiële vraag uit Congo. Wat is daar toen mee gedaan?
In de periode van het kolonialisme was het simpel: alles was van de kolonisator, de inboorling had geen of nauwelijks rechten op de grond die hij al millenia lang bewoonde.
Een goed kadaster is een essentiële voorwaarde voor de vorming en de werking van een staat en voor de gelijkberechtiging van de burgers. Een publiek toegankelijk en dus open kadaster kan corruptie een halt toeroepen en de bevolking bewust maken van de inzet. Overigens kan men ook in West-Europa best meer openheid brengen in het bezit van onroerende goederen. Waarom was die openheid er wel in de 19de eeuw en niet meer in de 21ste? Privacy for a small and superrich minority?


SOME REFERENCES and LINKS OF INTEREST:

see also this link



and this link on cadastre in Africa


see also this article in CATO: An Innovative Approach to Land Registration in the Developing World
Using Technology to Bypass the Bureaucracy

Grexit uit Eurozone niet meer uit te sluiten? - Brexit politieke chantage?
Edited: 201501041813
Zowel een gedwongen Grexit als een zelf aangestuurde Brexit lijken op politieke chantage. De eerste wegens het vermeende gevaar van een ruk naar links in Griekenland. De mogelijkheid van een Brexit wordt eveneens ingegeven door electorale overwegingen.
In beide gevallen opent dat de deur voor fiscale paradijzen aan de zijlijn van de Europese Unie.
Geert Schuermans (red.)
Ongelijkheid & herverdeling
Edited: 201411040036
Het zou een quizvraag kunnen zijn: welke trend noemde econoom en bestsellerauteur Thomas Piketty 'gevaarlijk', professor Richard Wilkinson 'een soort algemene wijdverspreide vervuiling' en de maatpakken op het Wereld Economisch Forum in Davos 'een mogelijke bedreiging op wereldwijde schaal'? Antwoord: de groeiende ongelijkheid. Dat we die galopperende ongelijkheid een halt moeten toeroepen is stilaan een stelling in dezelfde categorie als 'de aarde draait rond de zon'. Van rechts tot links: niemand ontkent nog het probleem. Waarom vinden mensen ongelijkheid zo problematisch? En vooral: waarom neemt die ongelijkheid dan niet af?

Samenlevingsopbouw Vlaanderen zwengelt het debat aan. We leggen prominente specialisten en politici op de rooster. Waar hebben ze het over, als ze over ongelijkheid spreken? Wat bedoelen ze precies wanneer ze over 'herverdeling' spreken? Kiezen ze voor liefdadigheid of voor sociale zekerheid? En zijn er grenzen aan solidariteit?

Colofon:
isbn: 9789462670075 · 2015 · paperback (15 x 22,5 cm) - ca. 200p. · prijs: circa € 24.90 · het boek verschijnt januari 2015.
Geert Schuermans is socioloog. Hij werkt als stafmedewerker communicatie bij Samenlevingsopbouw Vlaanderen.
TESSENS Lucas
Antiglobalisme: Joye en Mandel
Edited: 201405190144
De anti-globalistische strekking is geen nieuw fenomeen maar verschijnt steeds weer onder een andere gedaante. De diepere motivaties moeten gezocht worden in de links-rechtse tegenstelling en dus ook in de tegenpolen arm en rijk. Beperken we ons tot de na-oorlogse periode dan zien we dat een auteur als Pierre JOYE (°1909), van 1936 tot 1961 hoofdredacteur van het Belgische communistische dagblad ‘Le Drapeau Rouge’, diepgaand en gedreven research-werk verrichtte naar de bindingen die bestaan tussen economische en financiële groepen. De toenmalige term was ‘trust’.
We noemen enkele van zijn werken:
JOYE Pierre La Presse et les Trusts en Belgique IN-8 Illustré 118 pp. Index. Pierre Joye, né à Ixelles en 1909; docteur en droit et licencié en sc. économiques (ULB); chroniqueur économique et ancien rédacteur en chef (1936-1961) du Drapeau Rouge; membre du Comité central du PCB. Bruxelles Société Populaire d'Editions 1958
JOYE Pierre Les trusts en Belgique: la concentration capitaliste Paperback 272 pp., 14x21cm, 2e édition revue et augmentée, index, bibliography. Note LT: Pierre Joye, né à Ixelles en 1909; docteur en droit et licencié en sc. économiques (ULB); chroniqueur économique et ancien rédacteur en chef (1936-1961) du Drapeau Rouge; membre du Comité central du PCB. La première édition de cet ouvrage parut au début de 1956 et fut rapidement épuisée. Bruxelles SPE 1960
JOYE Pierre & LEWIN Rosine Les trusts au Congo. Broché 318 pp. Bibliographie dans les notes, index des noms cités. "l'empire du silence" (p. 7), "domaine des monopoles" (p. 8). Note LT: achevé le 1/3/1961. Scan cover available. Pierre Joye, né à Ixelles en 1909; docteur en droit et licencié en sc. économiques (ULB); chroniqueur économique et ancien rédacteur en chef (1936-1961) du Drapeau Rouge; membre du Comité central du PCB. Rosine Lewin, née à Anvers en 1920, licencié en sciences sociales (ULB), rédacteur en chef du Drapeau Rouge, membre du Comité central du PCB. Bruxelles SPE 1961

Joye’s werken hadden een sterk onthullend karakter en legden de financieel-economische onderbouw van de Belgische maatschappij bloot. Ook de dominantie van een groep als Union Minière in de Belgische kolonie werd onder de loep genomen. Wat tot dan toe opgeslagen lag in sterk gespecialiseerde werken (naslagwerken over beursverrichtingen bijvoorbeeld) bood hij in een vlotte schrijfstijl aan het grote publiek aan.

Op het einde van de jaren zestig en in de jaren zeventig volgde dan een nieuwe golf van kritiek. Ditmaal viel de term ‘multinationals’.
Vooral het werkje van journalist Jan Bohets zorgde voor nogal wat ophef, niet in het minst omdat Bohets bij de gematigd conservatieve krant ‘De Standaard’ werkte.

19750002 X 9 BOHETS Jan België en de multinationals Paperback 80 pp. Citaten: 7: "Tegenover welk een werkloosheidsprobleem zou België zich geplaatst zien als in Eindhoven zou worden beslist dat Philips zijn Belgische bedrijven sluit en de aktiviteit verplaatst naar een land met lage lonen? (...) Hoeveel sektoren van de Belgische ekonomie worden nagenoeg geheel of voor een flink deel vanuit buitenlandse hoofdkwartieren geleid en gekontroleerd?"; blz. 80: "(...) de overheid, de privé-sektor en de vakbonden hadden gemeenschappelijk schuld aan het ekonomisch vacuüm dat in de jaren vijftig is ontstaan en dat door de multinationals is opgevuld." - worldwide 50 biggest, General Motors, Exxon, Ford, Royal Dutch/Shell, Chrysler, General Electric, Texaco, Mobil Oil, Philips, Standard Oil, British Petroleum, Nippon Steel, Western Electric, US Steel, Volkswagen, Hitachi, Westinghouse, Hoechst, Daimler-Benz, Toyota, Siemens, BASF, ICI, Du Pont de Nemours, Mitsubishi, Nestlé, GTE, Shell, Nissan, Goodyear, Renault, Bayer, Montedison, Matsushita, British Steel, ENI, RCA, Thyssen-Hütte, Continental Oil, International Harvester, AEG-Telefunken, LTV, Bethlehem Steel, Fiat, Cie Française des Pétroles. Leuven Davidsfonds. 1975

De Belgische econoom professor Ernest Mandel stond achter structuurhervormingen. Hij poneerde dat het Westerse economische stelsel in de laatste tientallen jaren wel van gedaante was veranderd, maar in wezen kapitalistisch was gebleven (MANDEL Ernest (1975), Het laatkapitalisme. Proeve van een marxistische benadering. Amsterdam. Van Gennep.)

De economische crisis die volgde op de oliecrisis (1973) en die in feite duurde tot medio de jaren negentig verlamde de kritiek. Als klap op de vuurpijl stortte in 1989 het gehele communistische economische blok in elkaar en kwamen de excessen van het Sovjetsysteem aan het licht. De communistisch geïnspireerde kritiek op het kapitalisme had een dodelijke klap gekregen en kon niet meer als voedingsbodem dienen. Toch blijft de voedingsbodem van het anti-globalisme marxistisch van inspiratie en hertaalt deze beweging in feite gewoon de fundamentele bezwaren van Marx tegen het kapitalistische wereldsysteem en de dominantie van het geld. Dit is tegelijk haar sterkte en zwakte: sterkte omdat het conceptueel denkkader aanwezig is, zwakte ook omdat het marxistische communisme onder de sovjets tot een dictatuur is verworden en bij de publieke opinie elk krediet heeft verloren.
Lucas Tessens - 20040823
DE REU P.
Kopen en verkopen van vastgoed (1795 tot heden). Zoekwijzers 38
Edited: 20120012
pdf-file onder dit nummer; bestaat ook als uitgave en kost bij het Rijksarchief 5 EUR. Wie een huis of perceel grond aankoopt of verkoopt, laat vele sporen na in de talrijke documenten van notaris en belastingambtenaar. Voor wie door het archiefbos de bomen niet meer ziet: een nieuwe zoekwijzer giet de uitgebreide zoektocht nu in een handzaam schema.
Notariaat, registratie en domeinen, hypotheekbewaring of kadaster: het zijn stoffige termen die weinig tot de verbeelding spreken. Daarom ook zijn de archiefreeksen die in deze diensten worden aangemaakt amper gekend en laten onderzoekers ze al te vaak links liggen. Nochtans leveren deze archieven voor de sociaal-economische geschiedschrijving een goudmijn aan gegevens over vastgoed en vastgoedeigenaars op. Vrijwel elk Belgisch gezin komt hierin voor (periode 1795 tot heden). De notaris maakt immers een vastgoedtransactie in een akte officieel en rekent hiervoor administratieve kosten aan. Hij is tevens degene die concrete gegevens over de verkoop en de partijen doorgeeft aan de ambtenaren van lokale belastingkantoren, want de fiscus krijgt steeds een deel van de koek. De ontvanger van de registratie en de hypotheekbewaarder halen uit al die gegevens fiscale en burgerrechtelijke inlichtingen; het kadaster brengt alle veranderingen in kaart. Dit geheel van ‘patrimoniale informatie’ vindt uiteindelijk zijn weg naar het Rijksarchief en kan door elke leeszaalbezoeker worden geraadpleegd. De patrimoniale gegevens zijn onmisbaar bij de studie naar lokale bezitsstructuren, huizenonderzoek, vermogensonderzoek, bedrijfsgeschiedenis, familiegeschiedenis, enz. De recent verschenen zoekwijzer ‘Kopen en verkopen van vastgoed (1795 tot heden)’ brengt de relevante bronnen in kaart en schetst de gebruikswaarde van de talrijke archiefdocumenten. Naast een bondige opsomming van de troeven en beperkingen van de voornaamste archiefdocumenten worden concrete aanknooppunten aangereikt. Heeft de onderzoeker genoeg aan de naam van een (voormalige) eigenaar of moet hij ook het perceelnummer kennen? Waar kan hij deze basisgegevens terugvinden? De zoekwijzer ‘Kopen en verkopen’ maakt het mogelijk om een individuele opzoeking (eigenaarsgeschiedenis van een huis, eigendomsgeschiedenis van een persoon) of een geïntegreerde studie naar vastgoedrelaties tot een goed einde te brengen.

wiki
Res Publica (denkgroep en debatkring) opgericht in 2009
Edited: 200912310928
Res Publica is een Vlaamse denkgroep van politici, academici, intellectuelen en opiniemakers, opgericht in 2009, die ijveren voor Vlaamse onafhankelijkheid, los van de Belgische context.

De groep sluit aan bij andere Vlaamsgezinde denktanks zoals Pro Flandria en de Gravensteengroep, maar onderhoudt ook contacten met de drie zogenaamde "V-partijen": (Nieuw-Vlaamse Alliantie, Vlaams Belang en Lijst Dedecker). Politici van deze drie formaties zijn lid.

Kernleden van de groep zijn onder meer: filosoof Ludo Abicht, publicist Brecht Arnaert, sociaal-activist Julien Borremans, LDD-politicus Boudewijn Bouckaert, Pro Flandria-voorzitter Guy Celen, journalist Frans Crols, filosoof Koenraad Elst, journalist Mark Grammens, N-VA-politicus Jan Jambon, filosoof-publicist Johan Sanctorum, jurist Matthias Storme, linksflamingant Jef Turf en VB-politicus Bruno Valkeniers.

Toen ACV-vakbondsvoorzitter Luc Cortebeeck , in de aanloop van de Belgische federale verkiezingen van 13 juni 2010, advies gaf om niet op "Vlaamse zweeppartijen" te stemmen, publiceerde de groep een open protestbrief, mede ondertekend door onder anderen filmregisseur Jan Verheyen en filosoof Etienne Vermeersch.

Sinds augustus 2011 is in de schoot van de denkgroep ook een debatkring opgericht met dezelfde naam. Deze ijvert voor een open debatcultuur, in de context van het Vlaamse onafhankelijkheidsstreven. De kring opende op 29 september 2011 met een geanimeerd debat over "de Islam in Vlaanderen", waarin o.m. Filip Dewinter (Vlaams Belang) en Abu Imran (Sharia4Belgium) tegenover elkaar stonden.
src= wiki (geconsulteerd op 20160319)
Wiki
ERDAL Fehriye (DHKP-C) - Koerdische
Edited: 200802070901


Fehriye Erdal (Kangal, 25 februari 1977) is een Turkse militante van het Turks Volksbevrijdingsleger (DHKP-C). Deze extreemlinkse groepering voert een gewapende strijd tegen de Turkse staat en wordt door de Verenigde Staten en de Europese Unie als een terroristische organisatie beschouwd. Erdal is spoorloos en het Belgisch gerecht vermoedt dat ze waarschijnlijk dood is.
Erdals ouders waren Koerdisch. In 1996 vluchtte ze uit Turkije waar ze verdacht wordt van medeplichtigheid aan een drievoudige moord. In 1999 werd ze in Duinbergen opgepakt.

Erdal werd op 28 februari 2006 door een Belgische rechtbank tot 4 jaar gevangenisstraf veroordeeld voor bendevorming, valse paspoorten en het bezit van illegale wapens. Toen men haar wilde oppakken, bleek ze spoorloos verdwenen te zijn, hoewel ze onder toezicht stond van de Staatsveiligheid. Dit veroorzaakte een schandaal in de Belgische politiek. Er werd zelfs de vergelijking getrokken met de ontsnapping van Marc Dutroux op 23 april 1998.

Vlaams Belang en CD&V eisten het ontslag van de minister van Justitie Onkelinx, maar zij weigerde op te stappen.[1]

Op 7 februari 2008[2] sprak het Hof van Beroep in Antwerpen Erdal vrij. Ze werd beschuldigd van het lidmaatschap van of het ondersteunen van een terroristische organisatie, vanwege haar banden met een Turkse oppositiegroep, de DHKP-C of Revolutionair Volksbevrijdingsleger. Het Hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de betrokkene in verband bracht met plannen voor terroristische aanslagen. Ook achtte het Hof niet bewezen dat de organisatie in België een criminele of terroristische organisatie zou zijn.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1944-1949
Edited: 200300194401
De regeringen
Hubert PIERLOT (26/09/1944 - 7/02/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER I (12/02/1945 - 2/08/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER II (2/08/1945 - 9/01/1946) SOC-LIB-COM-UDB
Paul-Henri SPAAK I (13/03/1946 - 19/03/1946) SOC
Achille VAN ACKER III (31/03/1946 - 9/07/1946) SOC-LIB-COM
Camille HUYSMANS (3/08/1946 - 12/03/1947) SOC-LIB-COM
Paul-Henri SPAAK II (20/03/1947 - 19/11/1948) PSB/BSP-PSC/CVP
Paul-Henri SPAAK III (27/11/1948 - 27/06/1949) PSB/BSP-PSC/CVP
Gaston EYSKENS I (11/08/1949 - 6/06/1950) CVP/PSC-LIB

De verkiezingen
17 februari 1946
26 juni 1949 mét kiesplicht voor vrouwen

Het oorlogskabinet Pierlot wordt, onder druk van het (vooral linkse) straatgeweld, uitgebreid met de communisten, die zich vanaf 1945 bekeerden tot het unitarisme onder Franstalig gezag. In zes jaar tijd ziet België 9 regeringen opstaan en vallen. De eerste bewindsploegen regeren zonder een mandaat van de kiezer. Daarmee wordt gewacht tot de verkiezingen van 17 februari 1946. De repressiejaren na tweede wereldoorlog zijn de schandelijkste uit onze geschiedenis. Wraak en haat, persoonlijke afrekeningen, moord en daden, opdoemend uit de laagste instinkten van de mens, kunnen gedijen in een klimaat van rechteloosheid. Het gepeupel en de 'verzetsstrijders' van het laatste uur regeren op straat en in de rechtszalen. De overheid kan, durft of wil deze wantoestanden niet onder controle brengen. Een oorlog roeit nooit het kwaad uit waartegen hij wordt gevoerd.
Er worden executies van collaborateurs verricht tussen november 1944 en 4 juni 1949.
De periode kunnen we er een noemen van anarchie en dubieuze rechtspraak. Het justitiedepartement is een heet hangijzer en wisselt veelvuldig van titularis.
In 1948 publiceerde Gerard Walschap zijn moedig 'Zwart en Wit' en dat zorgt voor heel wat herrie, ook bij Nederlandse critici. De noordelijke verontwaardiging culmineert in een artikel van Johan Van der Woude in Vrij Nederland dat Walschap een medeplichtige noemt, zijn boek een verheerlijking van de karakterloosheid en onfatsoen. Walschap is geen ogenblik bij de pakken blijven zitten en heeft zich verdedigd in een agressief ingezonden stuk aan voornoemd weekblad, waarin hij Van der Woude bestempelt als behorende tot "de blaaskaken die zich door het constateren van de evidente, menselijke realiteit beledigd en te kort gedaan achten. Het is uit dat hoovaardig slijk van de straat, vervolgt Walschap, dat jodenvervolgers, inquisiteurs, ketterjagers, onderzoekers van andermans geweten, met één woord al de ongure typen van de onverdraagzaamheid en het fanatisme zijn samengeraapt." (geciteerd in Omtrent, tijdschrift van het Gerard Walschap Genootschap, november 2005, nr 12).
De koningskwestie leidt naar een pré-revolutionaire fase. Tegen de mogelijke terugkeer van Leopold III wordt vanaf medio 1945 een persoffensief gelanceerd door zowat alle kranten, uitgezonderd de Vlaams-katholieke. De hetze is niet zozeer tegen de monarchie, dan wel tegen de figuur van Leopold gericht. Hierbij worden over en weer taktieken gebruikt die weinig met journalistiek maar alles met propaganda te maken hebben. Dit mag in feite geen verwondering wekken: tijdens de oorlogsjaren heeft men in pers- en omroepmiddens geen andere weg bewandeld dan die van de propaganda. Het vijand-denken en het ongenuanceerd culpabiliseren van de tegenpartij overheerst nog steeds in de pers, die sterk partijpolitiek gebonden is. De radio-omroep fungeert als een verlengstuk van de uitvoerende macht.
De macht van de partijpolitiek wordt in deze periode volledig gerestaureerd en naar onze mening is dat de drijvende kracht achter de gehele koningskwestie. Niet de ruzie tussen ministers en de koning omtrent de capitulatie in mei 1940, niet zijn achterblijven in België, niet diens contact met Hitler, niet zijn huwelijk met Liliane Baels ... Dat zijn slechts de drogredenen waarmee men de publieke opinie kon bewerken. Het werkelijke gevaar ligt in het zogenaamde Politieke Testament van Leopold III, een document dat hij begin 1944 had opgesteld. Het bekend raken van de inhoud ervan was dynamiet en zou zeker een oncontroleerbare kettingreactie teweeg brengen waarbij de particratie en de Franstalige bourgeoisie aan het kortste eind zouden trekken. Alhoewel het Politiek Testament reeds op 9 september 1944 aan premier Pierlot en aan Spaak werd overhandigd, zal de integrale tekst pas vijf jaar later, in 1949, bekend raken. Tegen die tijd was de positie van de drie traditionele politieke partijen stevig geconsolideerd. Het voortdurend streven van de drie grote partijen naar consolidatie van de macht is trouwens een constante in de Belgische politiek. De overlevingskansen van partijpolitieke initiatieven buiten het kader van de grote drie zijn dan ook minimaal of onbestaand.
Maar waarover handelde dan dat zgn. politieke testament ? Waarin schuilde het gevaar?
Het is wellicht niet overbodig de integrale tekst hier in herinnering te brengen. Het mag immers verwondering wekken dat gerenommeerde historici, zoals bvb. Velaers en Van Goethem, die in 1994 een boek van 1.152 bladzijden wijdden aan de koningskwestie, nalaten de lezer zelf te laten oordelen over een van de belangwekkendste teksten uit de Belgische geschiedenis.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1930-1939: Crisisjaren - De ruk naar rechts - De massificatie - De radio wordt een massamedium, een propagandamiddel en een instrument voor volksopvoeding - De radio wordt een staatsmonopolie. De minister van PTT zit de Raad van Beheer voor - Opgenomen radioreportages worden mogelijk (klankband en montage) - Radiotaksen als bron voor financiering van de openbare omroep - Radiodistributie - Nieuwe perstitels
Edited: 200300193001
De regeringen
Jaspar II (22/11/1927-21/5/1931) KAT-LIB
Renkin (5/6/1931-18/10/1932) KAT-LIB
de Broqueville (22/10/1932-13/11/1934) KAT-LIB
Theunis II (20/11/1934-19/3/1935) KAT-LIB
Van Zeeland I (25/3/1935-26/5/1936) KAT-SOC-LIB
Van Zeeland II (13/6/1936-25/10/1937) KAT-SOC-LIB
Janson (23/11/1937-13/5/1938) KAT-SOC-LIB
Spaak I (15/5/1938-9/2/1939) KAT-SOC-LIB
Pierlot I (21/2/1939-27/2/1939) KAT-SOC
Pierlot II (18/4/1939-3/9/1939) KAT-LIB
Pierlot III (3/9/1939-10/5/1940) KAT-SOC-LIB
Verkiezingen
27 november 1932
24 mei 1936
2 april 1939

De algemene toestand
Tijdens de eerste maanden van 1930 kan de Belgische economie nog even profiteren van de gunstige effecten die uitgaan van de wereldtentoonstelling (te Antwerpen en te Luik) en de viering van het Belgische eeuwfeest. In het tweede semester doet de wereldcrisis zich echter ook bij ons ten volle voelen. De uitvoer stuikt in elkaar en zal pas in 1935 terug beginnen groeien. Vanaf 1932 maakt de regeringen gebruik van bijzondere machten en dat stelt het geloof in de parlementaire democratie zwaar op de proef. Op het sociale vlak werkt de ellende de massificatie in de hand. De uitzichtloze toestand van velen is een ideale voedingsbodem voor massabeïnvloeding en populistische propaganda, zowel van uiterst rechts als van uiterst links.
Schandalen plagen de katholieke partij. Daarvan maakt Leon Degrelle, zelf katholiek, met zijn Rexisme gebruik om zwaar uit te halen naar de ultra-conservatieve vleugel van de katholieke partij. Tijdens massameetingen en via eigen periodieken ('Rex', 'Vlan', 'Soirées', 'Foyer' en 'Crois') en dagbladen ('Le pays réel' vanaf 2 mei 1936 en 'De nieuwe Staat' vanaf 1 september 1936) vuurt hij zijn aanhangers, zowel in Wallonië als in Vlaanderen, aan om de traditionele partijen in het kieshokje vaarwel te zeggen. (De Bruyne, 1973: 71-130; Gerard, 1985: 30-33; Gerard, 1994: 75-123) De verkiezingen van 24 mei 1936 brengen een zware nederlaag voor de katholieke partij (- 10% van de stemmen) en een overwinning voor Rex. De Vlaams nationalisten en de communisten halen eveneens heel wat stemmen. De socialisten houden stand. Daarmee is de polarisatie in het land een feit. De zetelverdeling in de Kamer na de verkiezingen van 1932, 1936 en 1939 levert volgend beeld op:


De werkloosheid neemt enorme proporties aan: van nauwelijks 17.000 in 1929 naar 319.000 werklozen in 1932. Zij die nog werk hebben, zien hun uurloon tussen 1929 en 1935 met ongeveer 20% dalen. De prijzen dalen echter evenzeer zodat op het eerste gezicht de koopkracht gehandhaafd blijft. De belastingdruk is evenwel geweldig hoog zodat de privé-bestedingen kelderen.
Hieruit groeit vanzelfsprekend sociale onrust en stakingen zijn schering en inslag. Daarbij moet men bedenken dat het in vele gevallen om wilde stakingen gaat, die de vakorganisaties slechts schoorvoetend erkennen vanwege de enorme druk op hun stakingskassen.
In maart 1935 vormt Paul van Zeeland een regering van nationale unie. De socialisten drukken een groot deel van het zgn. Plan De Man (deficit spending) door. De devaluatie van 28% komt snel: op 31 maart 1935. De economie krijgt weer zuurstof en de uitvoer herneemt. Ook de gezinsconsumptie komt even overeind en de kleinhandelaars zien hun omzet stijgen. Het herstel is echter van korte duur. Naar het eind van de jaren 30 belandt de economie terug in een crisis. De inzinking op de internationale markten verzwakt de uitvoer én dus de omzet van de industrie. Om het overheidsdeficit te financieren grijpt de regering opnieuw naar belastingverhogingen.
Daardoor raakt de binnenlandse consumptie aangetast. Met die infernale cirkel is het depressieklimaat weerom aanwezig. Daar bovenop tekent de oorlogsdreiging zich vanaf 1938 duidelijk af. De generatie van de dertiger jaren gaat volledig ontgoocheld en gefrustreerd een nieuwe wereldoorlog tegemoet.

Het NIR-INR
De Wet van 14 mei 1930 (BSB 19300516) schenkt aan de staat het monopolie van de radiocommunicaties. Artikel 1 van deze wet luidt immers als volgt: "De regeering is gemachtigd de radiotelegrafie, de radiotelefonie en alle andere radioverbindingen in te richten en te exploiteren." Toch krijgen in de periode 1930-1940 nog heel wat particuliere stations de toelating om radioprogramma's uit te zenden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Deze toelatingen zijn echter herroepbaar en er ontstaan vaak hoog oplopende geschillen over. De tweede wereldoorlog zal een einde maken aan het bestaan van deze vergunningen (Van Bol, 1975: 86).
De wet van 18 juni 1930 geeft aan het Nationaal Belgisch Instituut voor Radio-Omroep (NIR/INR) zijn statuut. Artikel 11 van deze wet bepaalt hoe het NIR gefinancierd wordt:
"De inkomsten van het instituut bestaan inzonderheid uit:
a) het bedrag van giften en legaten te zijnen bate, na machtiging of goedkeuring door den Koning;
b) De leeningen die het mocht sluiten (inzonderheid door uitgifte van obligatiën) met machtiging van de regeering. Tot een bedrag van 10.000.000 frank werkelijk ontleend kapitaal, zal de regeering de rente en de delging waarborgen der leeningen welke het instituut mocht sluiten.Een koninklijk besluit bepaalt de voorwaarden van deze waarborg.
c) De jaarlijksche Staatstoelage en, meer bijzonder, een jaarlijksche toelage gelijk aan:
1° 90 t.h. van het voorzien bedrag der ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijksche taxe, welke de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen;
2° Eene som gelijk aan het voorzien bedrag van de ontvangsten der belasting, welke de Staat heft op den groothandelsprijs van de electronenlampen of andere gelijkaardige toestellen voor het detecteren of het versterken van de in radio-electrische ontvangtoestellen bruikbare seinen, loodglanskristallen of andere kristallen uitgezonderd;
d) De toelagen welke openbare besturen en instellingen mochten toekennen;
e) De ontvangsten welke het zou bekomen door zijn uitgaven of naar aanleiding van contracten, door den raad van beheer afgesloten binnen de perken van de bedrijvigheid van het instituut."
Artikel 12 bepaalt dat het instituut een boekhouding moet voeren en een jaarverslag moet overmaken aan de minister van PTT.
Artikel 17 bepaalt: "Bij de gewone begroting van het dienstjaar 1930 van het Ministerie van Posterijen, Telegrafen en Telefonen wordt een crediet geopend onder volgende rubriek: Toelage aan het Belgisch nationaal Instituut voor radio-omroep (N.I.R.): 1.600.000 frank."
De openbare radio, die op 1 februari 1931 begint uit te zenden, wordt niet uit het niets opgericht maar neemt de twee zenders van 15 kW te Veltem over, die eind de jaren twintig door een associatie van Radio Belgique en van de Boerenbond (NV Radio) bij SBR besteld waren. Op het ogenblik van de overname waren beide zenders niet operationeel toen zij werden overgenomen door het INR-NIR. (X 1953:5)
Noteer dat Radio Belgique (Theo Fleischman) zijn uitzendingen stopte op de dag van de stichting van het NIR. Zijn personeel werd in de nieuwe staatsinstelling ingeschakeld (Van Pelt, 1973: 240; Boon G., 1988: 29). Men kan stellen dat Radio Belgique werd genationaliseerd met een ruime compensatie voor de eigenaar(s). Hiervoor kan het eerste jaarverslag van de NIR/INR geraadpleegd worden. In dat jaarverslag vinden we Radio Belgique en de NV Radio terug met een schuldvordering op de NIR ten belope van 1.070.011,20 BEF. Anderzijds vinden we er SBR met een schuldvordering van 95.715,50 BEF. (NIR, 1931-1932: 62) Beide schuldvorderingen samen vertegenwoordigen 91% van alle schulden die het NIR op 31 december 1931 heeft. Volgens Paul Vandenbussche, in een vraaggesprek met ons (23/10/2001), is de oprichting van de NIR-INR het directe gevolg van de financiële moeilijkheden van de S.A. Radio-Belgique. Vanuit die optiek is het ontstaan van de openbare omroep het resultaat van het mislukken van het privé-initiatief en ligt niet (alleen) een politiek verlangen maar (ook) een financieel-economisch débâcle aan de basis van het overheidsinitiatief. Hermanus plaatst de oprichting van het NIR-INR en die van de RTT in dat perspectief en wijst erop dat het dezelfde liberale ministers - Pierre Forthomme voor PTT en Paul-Emile Janson voor Justitie - zijn die zowel de oprichting van het NIR als die van de RTT in het parlement bepleiten. (Hermanus, 1990: 26) Volgens Vandenbussche speelde Prof. Arthur Boon (KU Leuven), voorzitter van de KVRO en voorzitter van de Boerenbond (geen familie van de latere directeur-generaal van de NIR) een grote rol bij de totstandkoming van het NIR-INR.
In artikel 14 van het KB van 28 juni 1930 wordt gesteld dat de "nieuwstijdingen in de vorm van persberichten" bondig moesten zijn. Duiding bij het nieuws was uitgesloten. (Goossens C., 1998: 49). Hier duikt de invloed van de dagbladpers op. Die zag namelijk in het radio-instituut een geducht concurrent. De belangen van de (partij)politieke dagbladen vielen in deze samen met die van de partijen zelf.
Verdere uitbouw van het NIR
Van 1935 tot 1938 wordt er gewerkt aan het nieuwe radiogebouw aan het Flageyplein. In 1937 komt de culturele zelfstandigheid van de Franse (o.l.v. Théo Fleischman) en de Vlaamse uitzendingen tot stand. Het jaarverslag van het NIR-INR bevat dan ook voor de eerste keer de uitgesplitste kosten voor de Franse en de Vlaamse uitzendingen, resp. 5.604.055 BEF en 5.533.911 BEF.
Radiotaks
De wet van 20 juni 1930 (BSB 19300626) en het KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) regelen o.m. de heffing van de radiotaksen voor de bezitters van een radio-ontvangsttoestel. De taks wordt op 60 BEF per jaar bepaald. Dat is 30 BEF minder dan oorspronkelijk in het wetsontwerp (18 april 1929) van minister Lippens (PTT) voorzien was. De parlementsleden brengen het bedrag terug tot 60 BEF per jaar (Goossens C., 1998: 44). Een gewoon huishoudbrood kost in 1930 2,14 centiem en voor een krant dient men 35 centiem neer te tellen. De radiotaks weegt m.a.w. flink door in het budget van het modale gezin want met die 60 frank kan het 28 broden kopen of meer dan een half jaar elke dag de krant lezen.
Een ander KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) bepaalt dat de radiotoestellen waarin uitsluitend kristallen (en dus geen radiolampen) gebruikt worden, belast worden met een jaartaks van 20 BEF.
Het is treffend dat zeer vele bepalingen uit de voornoemde wet de tand des tijds hebben doorstaan en tot in 1987 van kracht blijven: het betalen door middel van een storting op een postcheckrekening, de betaling die alle radiotoestellen in dezelfde woning dekt, de verplichting om een adreswijziging te melden, de vrijstellingen voor blinden en andere invaliden, voor onderwijsinstellingen en voor openbare diensten. In die tijden van grote werkloosheid gaan er stemmen op om de werklozen vrij te stellen van het betalen van de radiotaks. (Van Dyck, 1935:135)
De wetgever van 1930 is wel bijzonder streng voor ontduikers: de geldboete kon oplopen tot vijfmaal de ontdoken taks en dat met drie jaar terugwerkende kracht. Van een ontduiker kan m.a.w. een maximale boete van 900 BEF geëist worden ... een klein fortuin.
De wetgever van 1930 had zich blijkbaar goed geïnformeerd want ook de ontvangtoestellen die beelden konden ontvangen waren verplicht de taks te betalen. Zo'n bepaling verraadt de hand van de RTT-administratie, steeds goed geïnformeerd over de technologische ontwikkelingen. Vergeten we niet dat in 1930 de BBC reeds experimenteerde met de eerste openbare televisie-uitzending.
Door de wet van 27 december 1938 wordt de radiotaks van 60 op 78 BEF gebracht.
RTT int de radiotaksen
De inning van de taksen werd opgedragen aan de in 1930 opgerichte Regie voor Telefoon en Telegraaf. De oprichting van de RTT was, althans zo luidt de officiële versie, nodig om de verschillende telefoonnetwerken, tot dan toe in privé-handen, te interconnecteren. Hermanus is echter een andere mening toegedaan en stelt dat de interconnectie slechts een voorwendsel was. "En réalité, ce n'était qu'un prétexte. Les partisans du libéralisme économique défendaient l'idée de l'intervention de l'Etat uniquement dans des activités non rentables mais indispensables au bon fonctionnement de l'Etat." (Hermanus, 1990: 26)
Er zijn voldoende aanwijzingen om Hermanus' stelling voor waar te aanvaarden.
Collectiviseren van verliezen?
Privatiseren van winsten?
We kunnen dan ook vaststellen dat zowel de oprichting van de NIR-INR als die van de RTT geschiedden om verliezen te collectiviseren, naar de staat toe te schuiven. Onderzoek kan aantonen of zulks ook met andere risicodragende initiatieven binnen de communicatiesector (of andere sectoren) het geval is (geweest). Tegelijk kan men dan ook de 'spiegel-hypothese' toetsen: komen overheidsbedrijven (of stukken ervan) enkel in aanmerking om geprivatiseerd te worden wanneer de investering niet of nauwelijks risicodragend is?
Uiteraard mag men hierbij niet in een zwart-wit analyse vervallen en zal de realiteit zeer complex zijn. Dit neemt niet weg dat het een fundamenteel vraagstuk is bij het kijken naar de relatie tussen staats- en privé-initiatief. De vraagstelling heeft ook een ethische component, laat dat duidelijk zijn.
Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen
Voor de jaren 30 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van Kijk- en Luistergeld (dat werd in 2003 vernietigd maar wij konden enkele belangrijke statistische documenten redden, LT).

In 1930 waren er 76.872 radiotoestellen vergund, in 1939 waren het er 15 maal meer.
Adreslijsten KLG en luisteronderzoek
De massa's adressen die bij de dienst radiotaksen beheerd worden, brengen sommigen op het idee om op basis daarvan te starten met een luisteronderzoek (Van Dyck, 1935: 156-157) of een referendum omtrent de omroep. Dit laatste moet gezien worden tegen de achtergrond van de onvrede met de partijpolitieke uitzendingen op het NIR. "Hoe gemakkelijk nochtans zou het voor haar (bedoeld wordt het NIR, LT) vallen, vermits zij alleen toch (met de Regie) de namen en adressen bezit van allen, die zich van hunne radiotaks kwijten. Zou het dan zoo'n enorme kosten met zich brengen om aan alle die menschen een voor het antwoord gereed gemaakte vragenlijst rond te zenden, welke na invulling vrachtvrij aan het NIR zou kunnen worden weergezonden! (...) Tevens zou door dergelijk referendum de 'Vox Populi' kunnen gekend worden omtrent het ja dan niet toelaten van politieke uitzendingen langs den omroep!" (Van Dyck, 1935: 144)
Gewestelijke verdeling van het radiobezit
Voor het jaar 1939 beschikken we over een gewestelijke verdeling van de 1.112.962 radiotoestellen waarvoor radiotaks betaald wordt: Wallonië (458.124 of 41%), Brussel (209.869 of 19%) en Vlaanderen (444.969 of 41%). De ondervertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest heeft o.i. twee oorzaken: a) de inkomensachterstand in het Vlaamse landsgedeelte, en b) de relatieve sterkte van het populaire programma-aanbod van de 12 particuliere radiostations in Wallonië en Brussel, tegenover slechts 4 in het Vlaamse landsgedeelte.


Financiering van de regionale radiostations
De wet van 14 mei 1930 moet in feite de doodsteek betekenen voor de regionale stations. Artikel 8 verbiedt immers voor alle stations het voeren van handelspubliciteit. De druk van de regionale stations - vooral Radio Schaerbeek ging heftig tekeer - op de minister was echter zo groot, dat die besloot een gedoogbeleid te voeren.
De regionale radiostations deden voor hun financiering ook een beroep op jaarlijkse lidgelden. Zo vermeldt Van Dyck (1935: 134) dat Radio Châtelineau kaarten verkocht tegen 12,50 BEF en steun- en erekaarten tegen resp. 25 en 50 BEF. Radio Antwerpen (ON4ED) verkocht kaarten van 25 BEF. De auteur noemt deze vorm van financiering onwettelijk en verwijst hiervoor naar artikel 9 van het ministerieel besluit van 28 augustus 1931.

De franstalige uitzendingen van de private radiostations haalden een hogere luisterdichtheid dan de franstalige programma's van het INR. Men kan zich voorstellen dat dit niet naar de zin was van Fleischman. Greta Boon vermeldt dan ook uitdrukkelijk: "Een van de redenen waarom de leidinggevende personen van het NIR van de oorlogsomstandigheden later gebruik maakten om die particuliere zenders na de oorlog geen uitzendvergunning meer te geven, was dit grote franstalige overwicht." (Boon G., 1988: 29-33).

De wet wordt niet toegepast
De staatstoelage vormde in de periode 1930-1940 de hoofdmoot van de inkomsten van het unitaire NIR-INR. In de wetenschappelijke literatuur wordt steevast vermeld dat het NIR-NIR 90% ontving van de opbrengst van de radiotaksen. Zo stelt Gekiere in 1983: "In de wet van 18.6.1930 tot oprichting van het N.I.R. was bepaald dat 90% van de opbrengst van het kijk- en luistergeld naar de omroep zou toevloeien. Dit principe werd jaren toegepast en gedurende enkele jaren (o.m. voor 1974), bleek de toelage aan de BRT-instituten zelfs hoger te liggen dan de netto-opbrengst." (Gekiere, 1983: 179).
Ook Greta Boon stelt in 1984: "Voor de tweede wereldoorlog ontving de omroep 90% van het luistergeld." (Boon, 1984:95).
Uit ons onderzoek blijkt dat zulks weliswaar wettelijk voorzien was, doch in de realiteit slechts één jaar gehaald werd.
De beweringen van Gekiere en van Boon, beiden op de BRT werkzaam, moeten wellicht gezien worden als een manoeuver van de BRT in zijn veelvuldige disputen in de jaren 80 met de minister omtrent de BRT-dotatie. We komen hierop terug.
In het jaarverslag van de NIR-INR over het jaar 1932 lezen we: "Over het algemeen staat het aantal ontvangtoestellen in rechtstreekse verhouding met de hoedanigheid van den dienst. Door de veldmetingen heeft men er zich rekenschap kunnen van geven dat de kracht der zenders van Veltem niet voldoende is om over gansch het grondgebied (...) een dienst te verzekeren , die wat de hoedanigheid betreft, niets te wenschen overlaat. Logisch mag dus aangenomen worden dat een merkelijke verhooging der zendkracht, bv. tot 60 of 100 kw. zeer snel een verhooging van de ontvangtoestellen en bijgevolg van de ontvangsten voor gevolg zou hebben."
Het NIR-INR geloofde dus nog in de band tussen de opbrengst van de radiotaksen en haar eigen staatstoelage. Hier wordt expliciet verwezen naar de band die er bestaat tussen het aantal radiotoestellen (200.534 eind 1931, 339.635 einde 1932) en de staatstoelage (13,4 miljoen BEF voor het werkingsjaar 1932). De simpele berekening brengt ons op 12,03 miljoen BEF (200.534 toestellen x 60 BEF). Nergens in het jaarverslag wordt de berekening expliciet gemaakt. Men mag echter veronderstellen dat de berekening van de staatstoelage op het niveau van de beheerraad, waarin de voogdijminister als voorzitter zetelde, gebeurde.
Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.









DE MEESTER Wivina
Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld van outsourcing met de overheid. "In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen."
Edited: 199710171465
Toespraak door Wivina Demeester,
Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid
ter gelegenheid van
het seminarie “outsourcing : ervaring en knelpunten”

“ Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld
van outsourcing met de overheid “
Brussel, 17 oktober 1997

Financieel Economische Tijd en
Caestecker, Lievens, Martens & Partners.

Slide 1



1) INLEIDING

De outsourcing van belastingsinning lijkt op het eerste zicht een contradictio in terminis te zijn. Wie aan de overheid denkt, denkt vrijwel onmiddellijk aan ‘belastingen’. In de perceptie van de bevolking lijkt belastinginning een typische kerntaak van de overheid te zijn. Nochtans blijkt uit de geschiedenis dat overheden pas vrij laat zelf hun belastinginning hebben georganiseerd.

De Franse historicus Fernand Braudel beschrijft hoe omstreeks het begin van de 18de eeuw vele overheden met vallen en opstaan onderzochten op welke wijze de belastingen het meest efficiënt en kosteneffectief konden worden geïnd in een maatschappij die bijzonder snel aan het veranderen was.

Land-eigendom en landopbrengsten werden stilaan verdrongen als eerste en voornaamste bron van inkomsten en dus van belastingen. De overheden moesten dan ook op zoek gaan naar andere manieren om bij hun reeds veelgeplaagde onderdanen meer belastingsgeld te kunnen vinden. Maar waar konden die nog gevonden worden in een samenleving waar vrijwel alles reeds belast was. Er bestond een vorm van wat nu in het modern jargon “road pricing” zou heten : op de drukste wegen werd het transport getaxeerd. Er bestond omzettaksen, er bestonden invoertaksen. Maar de baten waren laag. De kosten voor de inning daarentegen zeer hoog. Bovendien waren de producten, die getaxeerd werden, meestal ook levensnoodzakelijke goederen. De rest van de goederenproduktie, porselein, spiegels etc.. was immers ofwel te klein om te taxeren ofwel bestemd voor afnemers met ruime belastingvrijstellingen zoals de clerus en de adel.

Een voor de hand liggend product om te gaan taxeren was zout. Zout was in die tijd een van de belangrijkste consumptiegoederen voor de modale burger, het werd gebruikt in de meest uiteenlopende voedingswaren. De productie was bovendien relatief goed controleerbaar. Maar de belasting erop was zo hoog, dat het zout zelf zeer duur was. Zo duur dat, toen Lodewijk XIV besliste om de zoutbelasting nog maar eens te verhogen, dit leidde tot stevige rellen en boerenopstanden.

Slimme overheden gingen de weg op van wat wij in moderne taal noemen “efficiëntie-verbetering in het bestuurlijk apparaat”. Een treffend voorbeeld is de organisatie van de inning van de Engelse zoutbelasting. Ongeveer driehonderd jaar terug besliste de Engelse overheid om de inning van de zoutbelasting te ‘nationaliseren’. Voorheen werd de inning van belastingen vaak overgelaten aan het concreet initiatief van particulieren die optraden als geldschieters en financiers van de staat. Er bestonden immers vele systemen van wat wij noemen “alternatieve financiering” : wegen en bruggen bijvoorbeeld werden aangelegd en onderhouden door privé-personen, die daarvoor tol konden innen.

Op het einde van de 17e eeuw werd dat systeem in Engeland gewijzigd : voortaan zouden door de koning aangeduide, staatsambtenaren belastingen en accijnzen zelf gaan ontvangen. De bedoeling van deze nationalisatie was niet zozeer het opdrijven van de efficiëntie van de inning op zich, maar wel het stopzetten van de praktijk van de schaamteloze afroming van de inkomsten van de staat door de particuliere ontvangers. O ok vandaag durven kwatongen al eens beweren dat bv. notarissen al eens een oogje zouden dichtknijpen bij de bepaling van verkoopswaarden, zodat hun cliënt minder belastingen, maar iets meer ereloon betaalt. Blijkbaar was dit vroeger echter schering en inslag.

De nationalisering van de belastinginning in Engeland gaf automatisch aanleiding tot een fikse verhoging van de efficiëntie van de inning en dus van de belastingen, zonder de belastingdruk zelf te verhogen. Door de staatsinkomsten veilig te stellen kwam er in Engeland meer geld beschikbaar voor de koloniale oorlogvoering en de uitbouw van de infrastructuur voor de nakende industriële revolutie. Tegelijk bleef er voldoende geld in de private economie, waardoor langzaamaan de kapitalen werden verzameld, waarmee de geweldige investerings-push, die op gang kwam vanaf de jaren 1780 kon worden gefinancierd.

De andere grote staat van dat ogenblik, Frankrijk, wachtte nog veel langer om de stap tot nationalisatie te zetten. De openbare financiën hingen tot aan de Franse revolutie eveneens af van tussenpersonen die zorg droegen voor de ontvangsten. Deze belastingspachters stortten grote borgsommen, waarop zij dan rente ontvingen. Volgens de voorwaarden van hun contract betaalden zij een vast deel van hun belastingontvangsten uit aan de koning. In werkelijkheid ontving de koning slechts een fractie van de potentiële jaarlijkse inkomsten. De Franse monarchie was dan ook tot de vooravond van de Franse Revolutie overgeleverd aan particuliere belangen, omdat zij bleef vasthouden aan het principe van “outsourcing” van de belastingen.

Sinds die periode groeit bij vrijwel iedere staat de overtuiging dat belastinginning alleen door de overheid kan georganiseerd worden. En toch, tweehonderd en zeven jaar na de Franse Revolutie beslist de Vlaamse Regering om de inning van een gedeelte van haar belastinginning terug aan derden uit te besteden. Een wereldprimeur of een historische vergissing ? Hierop wil ik na deze historische inleidng wat dieper ingaan.

Eerst zou ik nader willen ingaan op de theorie van de outsourcing zelf. Vervolgens bekijken we dan de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld zelf. En ten slotte kijken we naar de toekomst en vragen ons af of de Vlaamse Gemeenschap kan doorgaan op de weg van de outsourcing.



2) DE THEORIE VAN DE OUTSOURCING

Slide 2 : zelf doen vs outsourcen

Uitbesteden is een populair begrip geworden. In feite zijn vele mensen actieve ‘uitbesteders’. We besteden onze kinderen uit aan een onthaalmoeder, steeds meer gezinnen besteden een deel van het huishouden uit aan een poetsvrouw, iemand die de was en de strijk doet, iemand die de tuin onderhoudt... Het is voornamelijk tijdsgebrek, maar soms ook een gebrek aan competentie die steeds meer mensen aanzet tot de beslissing van het uitbesteden van diverse taken.

Kijken we naar het bedrijfsleven, dan neemt het fenomeen van de outsourcing echter meer spectaculaire proporties aan. Quasi alle functies die men in een organisatie kan onderscheiden, komen voor outsourcing in aanmerking. De vraag of dit een goede zaak is, hangt vaak af van het standpunt van waaruit men naar de feiten kijkt. Voor de uitbesteder zijn er ogenschijnlijk meer voordelen van uitbesteding te onderkennen dan voor hen die de functie die uitbesteed wordt vervullen. Nochtans zou ik vandaag eveneens willen benadrukken dat outsourcing ook positieve aspecten kan hebben voor deze laatsten.

Outsourcing kan worden gedefiniëerd als "de contractuele overdracht van een welbepaalde cluster van activiteiten naar een derde partij waarbij een aanzienlijk deel van de controle over de beslissingen over deze activiteiten of diensten wordt afgestaan aan deze derde partij". Daartegenover staat ‘insourcing’. Bij insourcing blijft een groot deel van de controle over de beslissingen bij de oorspronkelijke partij die haar activiteiten of diensten overdraagt. Meestal maakt men een meer praktisch onderscheid tussen out- en insourcing door te verwijzen naar het feit of de controle over de activiteiten buiten of binnen de organisatie wordt behouden.

slide 3 : welke vormen ?

Men kan vervolgens outsourcingcontracten als aankoopfenomeen verder gaan differentiëren naar de stijl en focus. De aankoopstijl varieert tussen twee uitersten.
Aan de ene kant zijn er de zuivere transacties die men afsluit: eenmalige contracten die reeds voldoende detail bezitten om als referentiedocument te dienen. Anderzijds zijn er aankopen van relationele aard te onderkennen die minder gedetailleerd zijn, maar waarbij beide partijen er van uitgaan langere tijd met elkaar zaken te doen.

Wat de focus betreft kan het input-aspect belangrijk zijn, en dan koopt de onderneming hardware, software of kennis in. Is men echter voornamelijk op output gefocused, dan verwacht de onderneming dat de leverancier vooraf gespecificeerde prestaties zal leveren.

Beide dimensies leveren ons een classificatieschema op dat u op de slide terug vindt.

Teruggrijpend naar onze eerdere definities zal u merken dat het insourcen zich eerder links van de 'zogenaamd neutrale' in-house positie bevindt en het outsourcen aan de rechterzijde. Met dit eenvoudige schema kan u alle vormen van uitbesteden positione-ren.
Als dusdanig hebben de dimensies praktische relevantie.

Met een buy-in strategie lossen organisaties tijdelijke noden in, zoals de aanwerving van programmeurs met specifieke expertise tijdens een project. Bij een contracting-out moet de leverancier in zijn totaliteit een resultaat aanreiken. Deze strategie is meest succesvol wanneer de onderneming haar noden kan definiëren in een waterdicht en volledig gedetailleerd contract.

Met een bevoorrechte leverancier worden relaties onderhouden om gebruik te kunnen maken van zijn expertise en faciliteiten. Bijvoorbeeld, een onderneming vraagt informatici aan een leverancier enkel op het moment dat ze er nood aan heeft. Op deze wijze bespaart de onderneming kostbare tijd om offertes aan te vragen. De leverancier, die optreedt voor meerdere opdrachtgevers, is verzekerd van een quasi-continue stroom van opdrachten. Met een bevoorrechte contract-out wil men - aan beide zijden - risico's beperken door gemeenschappelijke doelen na te streven.

De organisatie van de activiteiten die binnenshuis blijven is een cruciale taak, zelfs wanneer quasi 80% van de activiteiten is uitbesteed. Ondernemingen kunnen op lange termijn serieuze problemen ondervinden wanneer de volgende expertise niet meer binnenshuis aanwezig is:
* de expertise om de toestand van het eigen IT-potentieel in te schatten
* de expertise om de IT-noden zoals ze door het top-management worden ervaren te kunnen achterhalen
* en de expertise om op een geschikte wijze naar de markt gaan, offertes en contracten inzake de IT-sourcing te specificeren en de contracten op te volgen.

Nochtans stellen we meer en meer vast dat zelfs het opstellen van offertes wordt uitbesteed aan gespecialiseerde organisaties.


Slide 4 : welke IT-systemen ?

De volgende vraag die men bij overweging van outsourcing kan stellen is uiteraard de vraag: welke activiteiten komen voor outsourcing in aanmerking. Grosso modo vallen die voor de IT-functie uiteen in drie grote groepen: beheer, ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen. Meer specifiek gaat het dan over volgende activiteiten: PC-aankoop en onderhoud, training en ondersteuning, software-ontwikkeling, back-up systemen, telecommunicatienetwerken, software onderhoud, datacenter management, systeem architecturen.

Op welke wijze deze activiteiten zouden kunnen worden ge-outsourced hangt af van twee zaken: in welke mate zijn de activiteiten kritiek voor het succes van de organisatie en in welke mate worden de activiteiten gebruikt om zich te differentiëren van anderen. Voor kritieke differentiërende systemen wordt aangeraden om selectief een aantal activiteiten binnenshuis te behouden en andere uit te besteden onder de vorm van in- of outsourcing.

Men moet hierbij oppassen de kritieke differentiërende systemen niet al te snel te vereenzelvigen met gesofisticeerde high-tech-applicaties die geen enkele andere organisaties heeft. Een goed werkend financieel systeem met een degelijke informatietechnologische ondersteuning van de bv. de boekhouding en cash management is van onschatbare waarde voor onder andere onze Vlaamse overheid.

Slide 5 : welke contracten ?

De vorm die het contract tenslotte aanneemt kan eveneens variëren in functie van de specifieke noden van de organisatie. Voor welke contractvorm uiteindelijk gekozen wordt, hangt af van het antwoord op een aantal vragen. Enkele voorbeelden zijn de volgende:

* Willen we het product of de dienst in de verre toekomst nog zelf produceren?
* Kunnen we technologie of know-verkrijgen via licenties zodat we op continue basis verzekerd zijn van een zekere output?
* Kunnen we de dienst of het product al kant-en-klaar kopen en is dit houdbaar op langere termijn?
* Kunnen we gemeenschappelijk ontwikkelingsprojecten opzetten voor producten of diensten zodat we zeker zijn dat we het beste resultaat krijgen?

Het antwoord op deze vragen is relevant, maar een andere vraag blijft nog steeds onbeantwoord : waarom is dit alles nodig ? (Moeder,) waarom sourcen we ?

In grote lijnen kan dit als volgt beantwoord worden. Vele organisaties hebben onder economische druk hun diversifcatiestrategieën die populair waren in de jaren ‘70 en begin jaren ‘80 moeten opgeven om zich meer te focussen op kerncompetenties. Als gevolg daarvan kwam onmiddellijk de IT functie onder druk te staan. Topkaders beschouwen IT vaak als een niet-kern competentie (in welke ondernemingen zetelen IT-directeurs in de directieraad?). Men is veelal van oordeel dat IT leveranciers meer schaalvoordelen en technische expertise bezitten om IT-diensten te leveren.
Op basis van die redenering, expertise en kritische massa van de eigen IT-functie binnen de onderneming, worden leveranciers meestal dan ook beoordeeld zoals volgende slide aantoont (SLIDE). Te kleine IT-afdelingen met een middelmatige tot slechte expertise, daar wil men van af, dus wordt er ge-outsourced. Beschikt men daarentegen wel over een sterk bemand en professioneel kader dan kan dat enkel maar versterkt worden door bijkomende expertise in te sourcen.

Zonder hier in detail op in te gaan zijn er verschillende factoren die de outsourcing beslissing beïnvloeden. Deze factoren hebben zowel betrekking op zakelijke aspecten (zoals return on investment, competitieve voordelen door IT, strategische heroriëntatie van de activiteiten, ed.) als op meer technologische aspecten (uitbouw van een moderne IT-infrastructuur, upgrading van het informaticapersoneel, enzovoort)..

Outsourcing moet meer zijn dan kostenbesparend. Problemen lost men niet op door ze door te schuiven. Zo moeten slecht presterende entiteiten waarvoor outsourcing overwogen wordt, tegelijkertijd fundamenteel geanalyseerd en eventueel gere-engineered worden wat betreft hun interne processen. Ook de bestaansreden op zich van bepaalde functies moeten kunnen in vraag gesteld worden.

En hiermee komen we bij het volgende deel van uiteenzetting: wat betekent dit nu concreet voor de overheid, in casu de Vlaamse overheid ?

Slide 6 : OESO-tendensen

Overheden in OESO landen worden heden ten dage geconfronteerd met vragen die dwingend zijn en moeten beantwoord worden.

Er is een toenemende tendens waarneembeer tot loskoppeling of desaggregatie van overheidsorganisaties in kleinere onderdelen. We spreken dan van privatiseringen, verzelfstandiging en ook outsourcing. Hiermee samenhangend is er ook een trend naar decentralisatie van verantwoordelijkheden waarneembaar.

Ambtenaren worden verplicht hun administraties te managen zoals hun partners in de private sector. De overheidsmanager is daarbij aansprakelijkheid voor resultaten die door zijn administratie moeten bereikt worden. Door het afsluiten van persoonlijke contracten, zogenaamde prestatie-overeenkomsten, tussen bv. directeur-generaal en een bevoegde minister worden prikkels gegeven om een noodzakelijke mentaliteitswijziging door te voeren.

In deze overeenkomsten wordt niet enkel concreet omschreven welke outputs de overheidsmanager dient te leveren maar ook wat zijn verwachte bijdrage is aan ruimere maatschappelijke problematieken zoals bv. de mobiliteit, het milieu of de gezondheid.
Het vastleggen van de outputs of prestaties, en de beslissing waar en door wie ze zullen worden gerealiseerd, blijft de primaire bevoegdheid van de minister.

OESO-experten wijzen er op dat in vele landen de grootte van het overheidsapparaat, uitgedrukt in percentage van het BNP, te groot is. Ten tweede stellen zij dat kerntaken en niet-kerntaken van de overheid dringend herbekeken dienen te worden in die zin dat de diensten die de overheid momenteel zelf verzorgt eventueel ook in partnership met andere overheden en met de private sector kunnen worden uitgevoerd of zelfs in coproductie met de burger-klant.

Om tegemoet te komen aan deze bekommernissen moet elke overheid concreet nagaan hoe ze haar interne structuur en functioneren beter kan organiseren en financieren. De introductie van prestatiegerichte managementtechnieken zowel in de beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering als de beleidsevaluatie moeten hiertoe bijdragen.

Boeken zoals ‘Reinventing Government’ hameren op professioneel management, nadruk op outputs, expliciete standaarden en prestatiemaatstaven, ene grotere competitie tussen overheden en privé en bovenal het transfereren van managementprakijken uit de publieke sector. Christopher Pollit een Oxford academicus die momenteel een sabbatical leave heeft op de KU-Leuven wijst op de gevaren van deze opvattingen die hij onder het label 'new managerialism' categoriseert. De publieke sector heeft wel degelijk differentiële karakteristieken als de private sector. Wat de IT functie betreft stelt hij dat niet enkel de normen inzake rendabiliteit van informatiesystemen wel eens durven te verschillen, het zijn vooral de politieke en wettelijke kaders die maken dat het ontwikkelen en managen van IT in overheidsorganisaties een particuliere taak is. IT managers moeten onder een andere tijdshorizon werken dan hun collega's uit de private sector. Vaak zijn zij voor ontwikkelingsprojecten gebonden aan legislaturen.

Men kan zich ook vragen stellen in welke mate overheden wel het recht hebben om overheidstaken uit te besteden aan private organisaties. Verschillende auteurs wijzen op het gevaar van uitholling van de staat wanneer een aantal essentiële taken worden uitbesteed. Voorstanders van privatisering benadrukken efficiëntie, effectiviteit en klantentevredenheid als relevante criteria voor de selectie van de wijze van dienstverlening.

Er is echter een grote ‘maar’ : burgers zijn geen klanten. Klanten kiezen tussen producten, burgers hebben rechten en plichten en beslissen bovendien ook wat de overheid concreet moet doen met de ontvangen belastinggelden. De overheid heeft in het verleden vele taken op zich genomen, juist omdat de private sector ze niet kon of niet wilde op zich nemen. Hier botsen twee waarden met elkaar, met name rechtvaardigheid versus efficiëntie.

De organisatie van het overheidsapparaat en de mate waarin men daarin wil outsourcen hangt daarom strikt samen met de visie die een regering heeft op de wijze waarop zij haar overheidsapparaat wil organisaten. Landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Nieuw-Zeeland steunen sterk op het marktprincipe. De private sector treedt in competitie met de overheid voor de uitvoering van essentiële overheidstaken, bv. het beheren van gevangenissen, hospitalen scholen, posterijen enz... .

Andere landen daarentegen steunen op andere fundamentele principes. Frankrijk is gebaseerd op een systeem van rechten. Als voorbeeld van de Latijnse traditie inzake overheidsmanagement zal het dan ook andere criteria hanteren bij outsourcing-beslissingen. België steunt eerder op een systeem van rechten en plichten. Het balanceert als dusdanig tussen verschillende alternatieve structureringswijzen.

In Vlaanderen opteert de Vlaamse regering voor ene meer marktgerichte aanpak, zonder evenwel fundamentele principes inzake rechtszekerheid van het overheidspersoneel te negeren. Toch merken we dat ook Vlaanderen meer en meer opschuift in de richting van het Angelsaksisch model met nadruk op een ‘competitive tendering en contracting’ van overheidsdiensten.

Het is hierbij uiteraard niet de bedoeling dat Vlaanderen een holle staat zou worden. Een aantal fundamentele vragen moeten we dan ook steeds voor ogen blijven houden. Deze vragen vormen ook de achtergrond voor de gevalstudie van de uitbesteding van het Kijk- en Luistergeld


3. DE OUTSOURCING VAN HET KIJK- LUISTERGELD

1. Het kijk- en luistergeld als financiële vergoeding voor een openbare dienst nl. radio en televisie

Het kijk- en luistergeld is bij iedereen bekend. Voor velen was het kijk- en luistergeld de tweede kennismaking met de fiscaliteit, na de ondertussen reeds verdwenen, fietsplaat. Toen de eerste spaarcenten aan een stereoketen werden besteed, diende tot voor de wet van 13 juli 1987, in de winkel een formulier voor het luistergeld ingevuld te worden.
Gelukkig kon vader of moeder dan wel als koper opgegeven worden zodat aan het luistergeld kon ontsnapt worden. Het Kijk- en Luistergeld is vergroeid met de medium radio en televisie. Beide zijn even oud. Radio en televisie maken was een taak die exclusief aan de overheid was voorbehouden. De financiering hiervan gebeurde door een specifieke belasting. Zo dateert de eerste wet van 20 juni 1930. In 1958, nauwelijks vijf jaar na de start van de openbare televisie, werd het luistergeld uitgebreid met het kijkgeld. Toen ook kleurentelevisie mogelijk werd begin jaren 70, werd een verhoogd bedrag voor een kleurentelevisie ingevoerd.

Het Kijk- en Luistergeld is geen louter Belgisch fenomeen. Het bestaat in de meeste Europese landen. In al deze landen was het de overheid die het initiatief nam om radio en televisie te maken. Radio en Televisie waren op het Europese Continent collectieve goederen waarvoor de Overheid moest zorgen.

In de volgende slide (SLIDE) kunt u vaststellen dat op Ijsland (heel kleine bevolking) en Oostenrijk na, België het hoogste kijk- en luistergeld heft van gans Europa.

In de Verenigde Staten waar radio en televisie steeds een privé-initiatief zijn geweest, bestaat geen Kijk- en Luistergeld. Ondertussen hebben ook in Europa radio en televisie hun statuut van collectief goed verloren. Het aantal commerciële zenders dat we ontmoeten bij het zappen, ligt hoger dan het aantal publieke omroepen. Het Kijk- en Luistergeld is dan ook verworden tot een gewone belasting. Er is geen rechtstreeks individueel aanwijsbare tegenprestatie van de overheid meer die evenredig is aan de betaalde som.

2. De eigen inning van het Kijk- en Luistergeld door de Vlaamse Gemeenschap

De inning van het Kijk- en Luistergeld werd in België toevertrouwd aan de Regie voor Telefoon en Telegrafie. Deze feitelijke toestand werd pas geregulariseerd bij Ministerieel Besluit van 31 december 1975.
De R.T.T. werd omgevormd tot “Belgacom” door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. De Vlaamse Gemeenschap was niet echt ontevreden van de prestaties van Belgacom; maar echt tevreden was zij toch ook niet. De inningskosten vertoonden de neiging om continu boven de inflatie uit te stijgen. De geleverde informatie was schaars. Er bleven twijfels over de doeltreffendheid van de inning. De klantentevredenheid - belastingbetalers zijn immers ook klanten - was niet optimaal. Allemaal klachten die zo vaak geassocieerd worden met een overheidsorgaan.

Toen Belgacom, onder druk van de buitenlandse investeerders de beslissing nam om niet langer het kijk- en luistergeld te innen voor de Gemeenschappen, had men allicht gedacht dat de Gemeenschappen het bestaande personeel, de bestaande organisatie en de bestaande procedures zonder meer zouden overnemen - en zoals zo vaak bij de overheid gebeurt - zeer zachtjes aan wat zou moderniseren. Maar de Vlaamse overheid oordeelde er anders over. De Vlaamse regering nam, eind juli 1996, amper 11 maand geleden, de beslissing om de inning van het Kijk & Luistergeld uit te besteden. Deze beslissing werd genomen vanuit het oogpunt van efficiëntie. Niet minder, maar ook niet meer. Belastingen innen is eigenlijk geen kerntaak voor de Vlaamse overheid. De kerntaak van de overheid bestaat erin de samenleving te begeleiden op de weg naar een stabiele sociaal-economische groei. Daarvoor is geld nodig, dat is juist. Maar dat geld - de belastingen - is slechts een hulpmiddel om deze overheidsfunctie waar te maken. Dus is de eerste plicht van de overheid niet een belastingsadministratie uit te bouwen, maar om de belastinginning zo efficiënt mogelijk te organiseren.

Deels tegen de zin in van haar eigen administratie, besliste de Vlaamse overheid om het kijk- en luistergeld niet door de eigen administratie te laten innen, maar op zoek te gaan naar een privé-partner. De directe reden voor deze “outsourcing” was driedubbel. Binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap was weinig know how aanwezig m.b.t. de inning van belastingen. Deze inning erbij nemen veronderstelde de uitbouw van een nieuwe structuur, die - zoals zo vaak gebeurt - dan meteen zijn eigen doelstellingen zou beginnen te volgen. Maar dat was niet de bedoeling van de Vlaamse Regering. Die was primair op zoek naar efficiëntie, doeltreffendheid en klantvriendelijkheid... elementen die weliswaar ook binnen een Ministerie kunnen uitgebouwd worden, maar er vaak langzamer tot stand komen.

Ten tweede was de informatica-omgeving van de Dienst Kijk- en Luistergeld zwaar verouderd. Er diende in elk geval een nieuwe toepassing voor de inning en invordering uitgewerkt te worden. Ook dit is een activiteit die aan een derde moet uitbesteed worden.

Ten derde wijken de personeelsstatuten van de Dienst Kijk- en Luistergeld en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zo sterk van elkaar af dat het quasi-onmogelijk was om de bestaande personeelsleden van de Dienst Kijk- en Luistergeld via de weg van geleidelijkheid te integreren binnen de bestaande structuur van de Vlaamse overheid.

Dit alles leidde tot de beslissing om de inning toe te vertrouwen aan een bedrijf, dat in staat was grote belastings-applicaties te schrijven op korte termijn, de noodzakelijke bedrijfsorganisatorische bekwaamheden in-huis had en kansen bood aan het bestaande personeel zich in een nieuwe bedrijfsomgeving en bedrijfscultuur te kunnen ontplooien.

Dit was geen makkelijke beslissing. Voor de inning van belastingen is outsourcing juridisch immers niet zo evident. Door de jaren heen is er een wetgeving en jurisprudentie gegroeid, waardoor een belasting, die terecht een prerogatief is van de wetgevende macht, quasi automatisch met een overheidstaak wordt geassocieerd. En zelfs al zou bedrijfslogica stellen dat het aangewezen is om taken over te dragen aan een contractant, de wetgeving primeert hoe dan ook.

Het recht holt wel voortdurend achter de feiten aan, maar men kan er niet omheen. De taken die de wetgevende macht uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht delegeert, komen dus niet voor outsourcing in aanmerking. Daarom zullen de aanslag, de controle, de inning zelf en de dwanginvordering dan ook niet aan een derde kunnen worden toevertrouwd. Maar wat wel kan, is deze taken limitatief te bekijken en de ondersteunende en administratieve taken, die wel door een derde kunnen waargenomen worden, binnen de wettelijke grenzen, maximaal te omschrijven. Dat is wat de Vlaamse Regering heeft gedaan : de ondersteunende taken werden zo ruim mogelijk omschreven in het bestek.

Voor deze taken diende de inschrijver bereid te zijn een resultaatsverbintenis of prestatieovereenkomst te onderschrijven. Want al is de toegevoegde waarde van de contractant relatief beperkt, ca. 500 mln F. /per jaar, de schade, die de Vlaamse Gemeenschap kan oplopen indien de contractant zijn verplichtingen niet of relatief slecht nakomt, zijn veel groter en lopen op tot 15 mld F. per jaar, dertig maal groter dan de contractwaarde. De klassieke boete, die erin bestaat een deel van de vergoeding in te houden, had dan ook geen zin. Dus moesten er strikte prestatieverbintenissen worden opgelegd, met draconische strafbepalingen als deze prestaties niet behaald worden.

Het vervolg kent iedereen. Op basis van de resultaten van harde concurrentie en al even harde onderhandelingen besliste de Vlaamse regering op 28 januari 1997, exact vijf maand na haar princiepsbeslissing om de inning te outsourcen, het contract voor een periode van 5 jaar toe te wijzen aan Cipal.

Gedurende een eerste periode van twee jaar zal de Vlaamse Gemeenschap het bestaande personeel van de Dienst Kijk- en Luistergeld “huren” van de Belgische Staat en deze personeelsleden aan Cipal ter beschikking stellen. Vanaf het derde tot en met het vijfde jaar draagt Cipal de volledige verantwoordelijkheid en moet ze zelf instaan voor de aanwerving en betaling van het personeel.

Het is uiteraard nog te vroeg om het echte resultaat van deze operatie te kunnen beoordelen. Toch spreken enkele cijfers nu reeds voor zich. Aan Belgacom diende de Vlaamse Gemeenschap in 1995 ongeveer 435,6 miljoen BEF (excl. BTW) te betalen voor de inning. Het jaar 1999 is eerste jaar dat de volledige lasten door Cipal dienen gedragen te worden. Daarbij werd met Cipal een vast bedrag overeengekomen van 346,9 miljoen BEF of zo’n 90 miljoen minder. Bovendien stegen de bedragen van Belgacom jaarlijks met om en bij de 4%. In het contract met Cipal wordt enkel de personeelskost jaarlijks geïndexeerd volgens het regime dat van toepassing is voor de personeelsleden die in openbare dienst werken. De volgende slide geeft de vergelijking tussen Cipal en Belgacom aan :



Daarenboven investeert de Vlaamse Gemeenschap in een eigentijdse IT-toepassing voor de inning van belastingen. De toepassing kan - in een latere fase - ook voor andere belastingen worden gebruikt.

U zult ongetwijfeld ook reeds gemerkt hebben dat ook de strijd tegen het zwartkijken één van de elementen is van het outsourcingscontract. Cipal kreeg op de opdracht mee om anti-fraude technieken te ontwikkelen en een mediacampagne te organiseren. In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen. Ik geef hier als voorbeeld Vlaams-Brabant (SLIDE).


De voertuigen van de controleteams werden uitgerust met een on-line verbinding met de centrale computer in Aalst. Er kan dus onmiddellijk worden vastgesteld wie betaalt en wie niet betaalt. De combinatie van de kaarten en de moderne communicatie-apparatuur maakt een doelgerichte controle mogelijk. De gemeenten met de hoogste fraudepercentages zullen eerst gecontroleerd worden. Binnen deze gemeenten kan verder gedifferentieerd worden naar de straten met de meeste ontduiking. Deze controles zijn momenteel aan de gang en zullen in de komende maanden worden opgevoerd.

Zoals u ongetwijfeld weet, loopt momenteel loopt ook een mediacampagne. In een eerste fase werd een mediamix samengesteld uit een televisiespot op de BRTN, advertenties in de dag- en weekbladen, folders en affichettes. Deze middelen zijn er in de eerste plaats op gericht de belastingplichtige te informeren en degenen die nog niet betalen aan te zetten om te betalen. Aanmelden kan via een centraal telefoonnummer. Moesten er onder u zijn die tot hiertoe “vergeten” zijn te betalen, die kunnen bellen naar het nummer : 0900-10203.



Ik wil nog wel eens benadrukken dat er geen sprake is van een formele amnestie. Wie tijdens een controle tegen de lamp loopt, betaalt de normale boete. Ook de volgende jaren zal verder gewerkt worden aan de verfijning van de controlemethoden. Er wordt naar gestreefd om de doelgerichtheid van de controle zo groot mogelijk te maken.

4) HISTORISCHE VERGISSING OF WERELDPRIMEUR ?

Ik denk dat ik mag stellen dat de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld een succes mag genoemd worden. We zijn er in geslaagd om op zeer korte tijd nl. nu ongeveer een jaar, de dienst te outsourcen, de continuïteit werd verzekerd nl. op 1 oktober lag voor sommigen het aanslagbiljet in de bus, hetwelke nu verstuurd was door Cipal en niet meer door Belgacom; de strijd tegen de ontduiking werd beloftevol ingezet.

Met het oog op de uitvoering van de motie van het Vlaamse Parlement m.b.t. de fiscale autonomie en dan in bijzonderheid m.b.t. de inning van de eigen gewestbelastingen, wens ik binnen de Vlaamse regering concreet overleg te plegen over de mogelijkheden tot een verderschrijdende uitbesteding van de inning van Vlaamse belastingen. Zeker wanneer in een volgende staatshervorming opnieuw belangrijke delen overgeheveld worden naar de Gewesten en Gemeenschappen en mogelijk zelfs volledig nieuwe belastingscategoriën, moeten wij durven denken, hoe wij de belastinginning optimaal kunnen organiseren. Een doorgedreven informatisering, wellicht in een autonome entiteit, die aan de concurrentie moet onderworpen zijn, is wellicht een sleutelfactor in het welslagen van deze operatie. Of het helemaal op dezelfde manier moet georganiseerd worden, valt nog te bekijken. Elke belasting heeft zijn of haar kenmerken. Klakkeloos kopiëren, is steeds gevaarlijk. Zo zal er, wat bij het Kijk- en Luistergeld niet mogelijk was, moeten gestart worden met de vereenvoudiging van de belasting zelf. Het aantal vrijstellingen, verminderingen en uitzonderingen moet worden teruggedrongen of verleend worden op basis van objectieve criteria. Ik denk aan leeftijd, aantal kinderen, ... Vanuit deze vereenvoudigde belastingsstructuur moet dan gezocht worden naar de meest optimale oplossing. Hierbij moet rekening gehouden worden met alle elementen. Bij het Kijk- en Luistergeld wezen deze in de richting van outsourcing. Maar geen enkele techniek is zaligmakend op zich, ook outsourcing niet.

De Vlaamse overheid heeft opnieuw aangeknoopt bij een praktijk van voor de Franse revolutie nl. de outsourcing van belangstingsontvangsten. Deze praktijk gaat terug op de oudheid, denken we maar aan het Bijbelse verhaal van de tollenaar. Een historische vergissing was deze terugkeer naar de geschiedenis zeker niet. De outsourcing van het Kijk- en Luistergeld was een succes. De resultaten van de eerste eigen inning van de belastingen zijn positief. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse regering hebben beslist om op deze weg verder te gaan. Outsourcing zal hierbij een middel zijn, maar is geen doel op zich.

Ik dank u.
9 mei 1978: lijk Aldo Moro gevonden
Edited: 197805090915
16/3/1978 (ontvoering) tot 9/5/1978 (vinden van het lijk in een R4).

Noot LT: De ontvoering van AM door de Rode Brigades was een van de grootste trauma's uit de Italiaanse politieke geschiedenis en zeker voor de Democrazia Cristiana. In zijn politieke uitwerking volgen zulke daden steeds de logica van de cirkel: extreem geweld van ultra-links dient de belangen van ultra-rechts en vice versa; de politionele, politieke en juridische behandeling van zulke zaken is dan ook steeds een afwegen van belangen en zgn. 'fouten' in de afhandeling of in het onderzoek zijn soms niets anders dan een gewilde manipulatie van de publieke opinie.
10 maart 1974: parlementsverkiezingen in België
Edited: 197403100915
De Leuvense Dolle Mina's lanceren de actie 'Stem links, stem op een linkse vrouw'.
17 mei 1969: Dolle Mina ontstaat tijdens de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam
Edited: 196900001045
Dolle Mina ontstond uit onvrede met de rol van de vrouw binnen de 'linkse revolutie': broodjes smeren, typen, stencils afdrukken, ...
Ziehier het logo van de beweging:


Bron: 201603311741: 42
aanslagen OAS: 726 acties tegen journalisten, linkse universitairen, ...
Edited: 196210137845
REMOND 1988: 599



Bibliografie van OAS:

BOOKS, (DOCUMENTS, REPORTS, ETC.)



BITTERLIN, Lucien. Histoire des Barbouzes. Paris, France: Editions du Palais Royal, (La Vérité Difficile), 1972. 271+[16] p., ill., ports., facsims., 19 cm.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

LC 72321652; BF 72012680.



__________. Nous étions tous des terroristes: l'histoire des "barbouzes" contre l'O.A.S. en Algérie. (Préface de Louis Terrenoire; Postface de Georges Montaron). Paris, France: Editions du Témoignage Chrétien, 1983. 335+[16] p., ill., ports., facsims., 21 cm.

Originally published: Paris, France: Editions du Palais Royal, 1972.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

ISBN 2900016029; LC 83176528; BF 83010790.



BOCCA, Geoffrey. The secret army. Englewood Cliffs, N.J., U.S.A.: Prentice-Hall, [1968]. xvi+268 p., illus., ports., bibliogr. p. 254-256, 24 cm.

Organisation Armée Secrète.

LC 68019837; M-46.



BUCHARD, Robert. Organisation Armée Secrète. [Vol. 1]: février - 14 décembre 1961. [Vol. 2]: 15 décembre 1961 - 10 juillet 1962. Paris, France: Albin Michel, (Aujourd'hui), 1963. 2 Vols. of 203+[4] and 213 p., ill., 18 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 63009409; S-2326; B-139.



__________. Organisation Armée Secrète, février 1961 - juillet 1962. Paris, France: Editions J'ai Lu, (L'Aventure Aujourd'hui. Leur Aventure; 278), 1972. 320 p., 17 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 72008852.



BUSCIA, Gilles.; ZEHR, Patrice. Au nom de l'O.A.S.: objectif Pompidou. (Préface du Colonel Argoud). Nice, France: Editions Alain Lefeuvre, (Témoignages), 1980. 242+[32] p., ill., ports., facsims., 24 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Pompidou, Georges, 1911-1974 - Assassination Attempt - Buscia, Gilles, 1938-.... - Diaries, memories.

ISBN 2902639414; LC 81118572; BF 80015437.



CARRERAS, Fernand. L'accord F.L.N. - O.A.S.: des négociations secrètes au cessez-le-feu. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que nous vivons), 1967. 253 p., ills., ports., 21 cm.

Front de Libération Nationale (FLN) - Jabhat al-Tahrir al-Qawmi - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 67093109; BF 67005830; M-1819.



CAVIGLIOLI, François.; PONTAUT, Jean-Marie. La grande cible, 1961-1964: les secrets de l'O.A.S. Paris, France: Mercure de France; Paris-Match, 1972. 261 p., 21 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1961-1964 - Organisation Armée Secrète.

BF 72012683.



CURUTCHET, Jean-Marie. Je veux la tourmente. Paris, France: Robert Laffont, (Vécu), [1973]. 334+[16] p., ill., documentary evidence pp. 261-321, bibliogr. pp. 329-[330], 24 cm.

Curutchet, Jean-Marie, 1930-.... - Organisation Armée Secrète--Sources - Comité National de la Résistance (CNR)--Sources.

LC 73173198; BF 73011493.



DELARUE, Jacques. L'O.A.S. contre de Gaulle. Paris, France: Fayard, ©1981. 312+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213009694; LC 81123231; BF 81008033.



__________. L'O.A.S. contre de Gaulle. [Nouvelle édition]. Paris, France: Fayard, 1994. 339+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

Originally published: Paris, France: Fayard, 1981.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213592764.



__________.; RUDELLE, Odile. [eds.]. L'Attentat du Petit-Clamart: vers la révision de la Constitution. Paris, France: La Documentation Française, (Les Médias et l'Evénement), 1990. 96 p., (+8 folded sheets of newspapers from 1963-1963), ill., bibliogr. p. 96, 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1962 - Bastien-Thiry, Jean-Marie, 1927-1963--Trials, litigation, etc. - Trials (Conspiracy)--France--Paris - Offenses against Heads of State--France - Mass Media--Political Aspects--France.

ISBN 2110024038; LC 92134796.



DEMARET, Pierre.; PLUME, Christian. Objectif de Gaulle. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que Nous Vivons), 1973. 426+[32] p., ill., ports., facsim., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 74000373;



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Secker and Warburg, 1974. xvi+294+[8] p., ill., ports., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0436376156; LC 75313962.



__________.; __________. Target De Gaulle: the true story of the 31 attempts on the life of the French President. New York, N.Y., U.S.A.: Dial Press, 1975. 293 p., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0803785143; LC 74020658; M-482; S-5398.



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Corgi, 1976. 410+[8] p., ill., ports., 18 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0552101435; LC 77367410.



DÉROULÈDE, Arnaud. OAS: étude d'une organisation clandestine. Hélette, France: Curutchet, 1997. 350 p., ill., bibliogr. p. [340]-350, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2904348840; LC 98121521.



GAUCHON, Pascal.; BUISSON, Patrick. OAS: histoire de la résistance française en Algérie. (Préface de Pierre Sergent). Bièvres, France: Jeune Pied-noir, ©1984. 168 p., ill., 32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 85174413.



GAUVIN, Jean. Le procès Vanuxem. Paris, France: Editions Saint-Just, [1963]. 283 p., 19 cm.

Vanuxem, Paul Fidèle Félicien, 1904-.... - Gingembre, Maurice Henri Jean Marie, 1920-.... - Le Barbier de Blignières, Hervé Paul Marie, 1914-.... - Terrorism--France--Trials, 1963 - France. Cour de Sûreté de l'Etat.

LC 66032089.



GUIBERT, Vincent. Les commandos Delta. Hélette, France: J. Curutchet, 2000. 304 p., ill., bibliography p. [275]-283, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète. Delta (Commandos) - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2912932262; LC 2001332854.



HARRISON, Alexander. Challenging De Gaulle: the O.A.S. and the counterrevolution in Algeria, 1954-1962. (Foreword by William Colby). New York, N.Y., U.S.A.; London, G.B.: Praeger, 1989. xxxi+192 p., ill., ports., bibliogr. pp. [165]-167, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0275927911; LC 88019008; BL 89037980.



HENISSART, Paul. Wolves in the city: the death of French Algeria. New York, N.Y., U.S.A.: Simon and Schuster, [1970]. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0671205137; LC 76101877; S-2340.



__________. Wolves in the city: the death of French Algeria. London, G.B.: Hart-Davis, 1971. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0246640022; LC 74862602.



JOURON, Patrick. Objectif, de Gaulle. [Orgères-en-Beauce, France]: CCRC, (Evénement et Action), 1986. 205 p., ill., bibliogr. p. 203, 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 87009292.



KAUFFER, Rémi. L'O.A.S.: histoire d'une organisation secrète. [Paris, France]: Fayard, 1986. 423 p., facsims., bibliogr., index, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213017263; LC 86214992.



LANCELOT, Marie-Thérèse. L'Organisation Armée secrète. [Vol. 1] Chronologie. [Vol. 2] Documents. [Paris, France]: Fondation Nationale des Sciences Politiques, (Documents; 2), 1963. 2 Vols., 22x32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-1962.

LC 66091959.



Le procès de l'attentat du Petit-Clamart: compte-rendu sténographique. [Vol. 1]: Audiences du 28 janvier au 14 février. [Vol. 2]: Audiences du 15 février au 4 mars. Paris, France: Albin Michel, (Les Grands Procès Contemporains), 1963. 2 Vol. of 1019-iv p., 20 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63006187.



Le procès du Petit-Clamart: exposé des faits, débats, dépositions, réquisitoire, plaidoiries, présentés par Yves-Frédéric Jaffré. Paris, France: Nouvelles Editions Latines, 1963. 643 p., ill., 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63011051.



L'O.A.S. et la presse française. Paris, France: Editions Galic, (L'Histoire au Jour le Jour; 1), [1962]. 158 p., bibliogr., 18 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism and the Media - Terrorism in the Press.

LC 64042941.



MORLAND.; BARANGE.; MARTINEZ. Histoire de l'Organisation de l'Armée Secrète. Paris, France: René Julliard, [1964]. 605 p., "annexes" p. [569]-605, 20 cm.

Morland, (Pseud.) - Barangé, (Pseud.) - Martinez, (Pseud.) - Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-....

LC 67000030; BF 64013458; S-2353;
betoging linkse bewegingen tegen OAS in Parijs: 9 doden aan metro Charonne
Edited: 196202081478
8 février 1962 : drame à la station du métro Charonne. A la suite d'un attentat contre André Malraux, le PCF (Parti Communiste Français) et le PSU (Parti Socialiste Unifié) appellent à une manifestation. La foule, brutalement chargée par le service d'ordre, s'écrase contre les grilles du métro Charonne. Bilan : 9 morts.

http://www.france5.fr/algerie/frise/W00192/1/71555.cfm (20030624)

zie ook: http://www.lariposte.com/15/Charonne.html (20030910)

zie ook REMOND 1988: 599, die zegt dat de politie de betogers onder allerlei voorwerpen bedolf; Remond spreekt van 8 doden, waarvan 7 leden van de communistische partij
CIAM
Charter of Athens (1933) - Charter van Athene (1933) - La Charte d'Athènes (1933)
Edited: 193313101165


IV International Congress for Modern Architecture

This document was produced as a result of the IV International Congress of Modern Architecture which took as its theme "the functional city" and focused on urbanism and the importance of planning in urban development schemes. The document includes urban ensembles in the definition of the built heritage and emphasizes the spiritual, cultural and economic value of the architectural heritage. It includes a recommendation calling for the destruction of urban slums and creation of "verdant areas" in their place, denying any potential heritage value of such areas. It condemns the use of pastiche for new construction in historic areas.
This is a retyped version of a translated document entitled The Athens Charter, 1933. J.Tyrwitt created the translation from French to English in 1943; the translation was thereafter published by Harvard University's Library of the Graduate School of design. It is included here for educational reference purposes only. The Getty suggests that when referencing this document, the original document should be consulted (see citation below).

The formatting, to the best of our abilities, have remained intact and any original typographical errors noted, but otherwise have been left unchanged.

Full Bibliographic Information:
Congress Internationaux d'Architecture moderne (CIAM), La Charte d'Athenes or The Athens Charter, 1933. Trans J.Tyrwhitt. Paris, France: The Library of the Graduate School of Design, Harvard University, 1946.


HARVARD UNIVERSITY

THE LIBRARY OF THE GRADUATE SCHOOL OF DESIGN

THE ATHENS CHARTER, 1933

Translated by J. Tyrwhitt

from La Charte d'Athenes Paris, 1943

I. THE CITY IN ITS REGIONAL SETTING points 1-8

II. THE FOUR FUNCTIONS OF THE CITY
A. Dwelling 9-29
B. Recreation 30-40
C. Work 41-50
D. Transportation 51-64
E. Legacy of history 65-70

III. CONCLUSIONS 71-95
__________________________

I. THE CITY IN ITS REGIONAL SETTING

1. The city is only a part of the economic, social and political entity which constitutes the region.
2. Economic, social and political values are juxtaposed with the psychological and physiological attributes of the human being, raising problems of the relations between the individual and the community. Life can only expand to the extent that accord is reached between these two opposing forces: the individual and the community.
3. Psychological and biological constants are influenced by the environment: its geographic and topographic situation as well as its economic and political situation. The geographic and topographic situation is of prime importance, and includes natural elements, land and water, flora, soil, climate, etc.
4. Next comes the economic situation, including the resources of the region and natural or manmade means of communication with the outside world.
5. Thirdly comes the political situation and the system of government and administration.
6. Special circumstances have, throughout history, determined the character of individual cities: military defense, scientific discoveries, different administrations, the progressive development of communications and methods of transportation (road, water, rail, air).
7. The factors which govern the development of cities are thus subject to continual change.
8. The advent of the machine age has caused immense disturbances to man's habits, place of dwelling and type of work; an uncontrolled concentration in cities, caused by mechanical transportation, has resulted in brutal and universal changes without precendent [sic] in history. Chaos has entered into the cities.

II. THE FOUR FUNCTIONS OF THE CITY

A. Dwelling

9. The population density is too great in the historic, central districts of cities as well as in some nineteenth century areas of expansion: densities rise to 1000 and even 1500 inhabitants per hectare (approximately 400 to 600 per acre).
10. In the congested urban areas housing conditions are unhealthy due to insufficient space within the dwelling, absence of useable green spaces and neglected maintenance of the buildings (exploitation based on speculation). This situation is aggravated by the presence of a population with a very low standard of living, incapable of initiating ameliorations (mortality up to 20 per cent).
11. Extensions of the city devour, bit by bit, its surrounding green areas; one can discern the successive rings of development. This ever greater separation from natural elements heightens the harmful effects of bad sanitary conditions.
12. Dwellings are scattered throughout the city without consideration of sanitary requirements.
13. The most densely populated districts are in the least favorable situations (on unfavorable slopes, invaded by fog or industrial emanations, subject to flooding, etc.)
14. Low indensity developments (middle income dwellings) occupy the advantageous sites, sheltered from unfavorable winds, with secure views opening onto an agreeable countryside, lake, sea, or mountains, etc. and with ample air and sunlight.
15. This segregation of dwellings is sanctioned by custom, and by a system of local authority regulations considered quite justifiable: zoning.
16. Buildings constructed alongside major routes and around crossroads are unsuitable for dwellings because of noise, dust and noxious gases.
17. The traditional alignment of houses along the sides of roads means that good exposure to sunlight is only possible for a minimum number of dwellings.
18. The distribution of community services related to housing is arbitrary.
19. Schools, in particular, are frequently sited on busy traffic routes and too far from the houses they serve.
20. Suburbs have developed without plans and without well organized links with the city.
21. Attempts have been made too late to incorporate suburbs within the administrative unit of the city.
22. Suburbs are often merely an agglomeration of hutments where it is difficult to collect funds for the necessary roads and services.

IT IS RECOMMENDED

23. Residential areas should occupy the best places in the city from the point of view of typography, climate, sunlight and availability of green space.
24. The selection of residential zones should be determined on grounds of health.
25. Reasonable densities should be imposed related both to the type of housing and to the conditions of the site.
26. A minimum number of hours of sunlight should be required for each dwelling unit.
27. The alignment of housing along main traffic routes should be forbidden [sic]
28. Full use should be made of modern building techniques in constructing highrise apartments.
29. Highrise apartments placed at wide distances apart liberate ground for large open spaces.

B. Recreation

30. Open spaces are generally insufficient.
31. When there is sufficient open space it is often badly distributed and, therefore not readily usable by most of the population.
32. Outlying open spaces cannot ameliorate areas of downtown congestion.
33. The few sports fields, for reasons of accessibility, usually occupy sites earmarked for future development for housing or industry: which makes for a precarious existance [sic] and their frequent displacement.
34. Land that could be used for week-end leisure is often very difficult of access [sic].

IT IS RECOMMENDED

35. All residential areas should be provided with sufficient open space to meet reasonable needs for recreation and active sports for children, adolescents and adults.
36. Unsanitary slums should be demolished and replaced by open space. This would ameliorate the surrounding areas.
37. The new open spaces should be used for well-defined purposes: children's playgrounds, schools, youth clubs and other community buildings closely related to housing.
38. It should be possible to spend week-end free time in accessible and favorable places.
39. These should be laid out as public parks, forests, sports grounds, stadiums, beaches, etc.
40. Full advantages should be taken of existing natural features: rivers, forests, hills, mountains, valleys, lakes, sea, etc.

C. Work

41. Places of work are no longer rationally distributed within the urban complex. This comprises industry, workshops, offices, government and commerce.
42. Connections between dwelling and place of work are no longer reasonable: they impose excessively long journeys to work.
43. The time spent in journeying to work has reached a critical situation.
44. In the absence of planning programs, the uncontrolled growth of cities, lack of foresight, land speculation, etc. have caused industry to settle haphazardly, following no rule.
45. Office buildings are concentrated in the downtown business district which, as the most privileged part of the city, served by the most complete system of communications, readily falls prey to speculation. Since offices are private concerns effective planning for their best development is difficult.

IT IS RECOMMENDED

46. Distances between work places and dwelling places should be reduced to a minimum.
47. Industrial sectors should be separated from residential sectors by an area of green open space.
48. Industrial zones should be contiguous with railroads, canals and highways.
49. Workshops, which are intimately related to urban life, and indeed derive from it, should occupy well designed [sic] areas in the interior of the city.
50. Business districts devoted to administration both public and private, should be assured of good communications with residential areas as well as with industries and workshops within the city and upon its fringes.

D. Transportation

51. The existing network of urban communications has arisen from an agglomeration of the aids [sic] roads of major traffic routes. In Europe these major routes date back well into the middle ages [sic], sometimes even into antiquity.
52. Devised for the use of pedestrians and horse drawn vehicles, they are inadequate for today's mechanized transportation.
53. These inappropriate street dimensions prevent the effective use of mechanized vehicles at speeds corresponding to urban pressure.
54. Distances between crossroads are too infrequent.
55. Street widths are insufficient. Their widening is difficult and often ineffectual.
56. Faced by the needs of high speed [sic] vehicles, present the apparently irrational street pattern lacks efficiency and flexibility, differentiation and order [sic].
57. Relics of a former pompous magnificence designed for special monumental effects often complicate traffic circulation.
58. In many cases the railroad system presents a serious obstacle to well planned urban development. It barricades off certain residential districts, depriving them from easy contact with the most vital elements of the city.

IT IS RECOMMENDED THAT

59. Traffic analyses be made, based on accurate statistics, to show the general pattern of circulation in the city and its region, and reveal the location of heavily travelled [sic] routes and the types of their traffic.
60. Transportation routes should be classified according to their nature, and be designed to meet the rrquirements [sic] and speeds of specific types of vehicles.
61. Heavily used traffic junctions should be designed for continuous passage of vehicles, using different levels.
62. Pedestrian routes and automobile routes should follow separate paths.
63. Roads should be differentiated according to their functions: residential streets, promenades, through roads, major highways, etc.
64. In principle, heavy traffic routes should be insulated by green belts.

E. Legacy of History

IT IS RECOMMENDED THAT:

65. Fine architecture, whether individual buildings or groups of buildings, should be protected from demolition.
66. The grounds for the preservation of buildings should be that they express an earlier culture and that their retention is in the public interest.
67. But their preservation should no [sic] entail that people are obliged to live in unsalubrius [sic] conditions.
68. If their present location obstructs development, radical measures may be called for, such as altering major circulation routes or even shifting existing central districts - something usually considered impossible.
69. The demolition of slums surrounding historic monuments provides an opportunity to create new open spaces.
70. The re-use of past styles of building for new structures in historic areas under the pretext of assthetics [sic] has disastrous consequences. The continuance or the introduction of such habits in any form should not be tolerated.

III. CONCLUSIONS

71. Most of the cities studied present an image of chaos. They do not correspond in any way to their ultimate purpose: to satisfy the basic biological and physiological needs of their inhabitants.
72. The irresponsibility of private enterprise has resulted in a disastrous rupture of the equilibrium between strong economic forces on one side and, on the other, weak administrative controls and powerless social interests.
73. Although cities are constantly changing, their development proceeds without order or control and with no attempt to apply contemporary town planning principles, such as have been specified in professionally qualified circles.
74. The city should assure both individual liberty and the benefits of collective action on both the spiritual and material planes.
75. The dimensions of everything wi thin [sic] the urban domain should relate to the human scale.
76. The four keys to urban planning are the four functions of the city: dwelling, work, recreation (use of leisure time), transportation.
77. The city plan sould [sic] determine the internal structure and the interrelated positions in the city of each sector of the four key functions.
78. The plan should ensure that the daily cycle of activities between the dwelling, workplace and recreation (recuperation) can occur with the utmost economy of time. The dwelling should be considered as the prime center of all urban planning, to which all other functions are attached.
79. The speeds of mechanized transportation have disrupted the urban setting, presenting an ever-present danger, obstructing or paralyzing communications and endangering health.
80. The principle of urban and suburban circulation must be revised. A classification of acceptable speeds must be established. A reformed type of zoning must be set up that can bring the key functions of the city into a harmonious relationship and develop connections between them. These connections can then be developed into a rational network of major highways.
81. Town planning is a science based on three dimensions, not on two. This introduces the element of height which offers the possibility of freeing spaces for modern traffic circulation and for recreational purposes.
82. The city should be examined in the context of its region of influence. A plan for the total economic unit - the city-region - must replace the simple master plan of a city.
83. The city should be able to grow harmoniously as a functioning urban unity in all its different parts, by means of preordained open spaces and connecting links, but a state of equilibrium should exist at every stage of its development.
84. It is urgently necessary for every city to prepare a planning program indicating what laws will be needed to bring the plan to realization.
85. The planning program must be based on rigorous analytical studies carried out by specialists. It must foresee its stages of development in time andspace [sic]. It must coordinate the natural resources of the site, its topographic advantages, its economic assets, its social needs and its spiritual aspirations.
86. The architect engaged in town planning should determine everything in accordance with the human scale.
87. The point of departure for all town planning should be the single dwelling, or cell, and its grouping into neighborhood units of suitable size.
88. With these neighborhood units as the basis, the urban complex can be designed to bring out the relations between dwelling, places of work and places devoted to recreation.
89. The full resources of modern technology are needed to carry out this tremendous task. This means obtaining the cooperation of specialists to enrich the art of building by the incorporation of scientific innovations.
90. The progress of these developments will be greatly influenced by political, social and economic factors. . . [sic]
91. And not, in the last resort, by questions of architecture.
92. The magnitude of the urgent task of renovating the cities, and the excessive subdivision of urban land ownerships present two antagonistic realities.
93. This sharp contradiction poses one of the most serious problems of our time: the pressing need to regulate the disposition of land on an equitable and legal basis, so as to meet the vital needs of the community as well as those of the individual.
94. Private interests should be subordinated to the interests of the community.
16 december 1796: uitdrijving abdij Sint-Michiel te Antwerpen
Edited: 179612167889
19890056: 27

18970002: 283 geeft het verslag

18940010: 268

19550047: 185

links naar de bronnen