Search our collection of 8.420 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 3.832 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 0 books

We found 133 news item(s)

Vlaams Parlement
3 MEI 2019. - Decreet houdende de gemeentewegen
Edited: 201905035962
3 MEI 2019. - Decreet houdende de gemeentewegen (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:
Decreet houdende de gemeentewegen
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° aangelanden: de eigenaars van percelen die palen aan een gemeenteweg of die door een gemeenteweg worden doorkruist;
2° beheer van een gemeenteweg: het onderhoud, de vrijwaring van de toegankelijkheid en de verbetering van een gemeenteweg, alsook de nodige maatregelen tot herwaardering van in onbruik geraakte gemeentewegen;
3° beveiligde zending: een van de hierna volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
4° departement: het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;
5° gemeentelijk rooilijnplan: grafisch verordenend plan waarbij de huidige en toekomstige grenzen van een of meer gemeentewegen worden bepaald. Het gemeentelijk rooilijnplan geeft een openbare bestemming aan de gronden die in de gemeenteweg opgenomen zijn of opgenomen zullen worden;
6° gemeenteweg: een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond;
7° overtreder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de overtreding heeft begaan, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend;
8° projectbesluit: een besluit als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;
9° rooilijn: de huidige of de toekomstige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, vastgelegd in een rooilijnplan. Als een rooilijnplan ontbreekt, is de rooilijn de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen;
10° trage weg: een gemeenteweg die hoofdzakelijk bestemd is voor niet-gemotoriseerd verkeer;
11° verplaatsing van een gemeenteweg: de vervanging van een af te schaffen gemeenteweg of een gedeelte daarvan door een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel;
12° wijziging van een gemeenteweg: de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg, met uitsluiting van verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden.
Art. 3. Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen.
Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op:
1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau;
2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.
Art. 4. Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes:
1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang;
2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd;
3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;
4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief;
5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.
Art. 5. Binnen de perken van de begroting kan de Vlaamse Regering subsidies verlenen aan gemeenten voor de opmaak van een gemeentelijk beleidskader en gemeentelijke actieplannen als vermeld in hoofdstuk 2.
HOOFDSTUK 2. - Gemeentelijk beleidskader en actieplannen
Art. 6. § 1. De gemeenten nemen bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentelijke wegen de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, in acht. Ze kunnen die doelstellingen en principes binnen het decretale kader verfijnen, concretiseren en aanvullen in een gemeentelijk beleidskader. Dat gemeentelijk beleidskader omvat een visie en operationele beleidskeuzes voor de gewenste ruimtelijke structuur van het gemeentelijk wegennet. Het omvat minstens ook een afwegingskader voor wijzigingen aan het netwerk van gemeentewegen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van een beleidskader.
De gemeente kan in het gemeentelijk beleidskader verschillende categorieën van gemeentewegen onderscheiden.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen besluit tot het opmaken van een beleidskader en neemt daarvoor de nodige maatregelen. Het college van burgemeester en schepenen besluit daarnaast ook tot het opmaken van een voorstel van participatietraject, waarin ten minste één participatiemoment en een openbaar onderzoek is opgenomen.
De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk beleidskader voorlopig vast en keurt het voorstel van participatietraject goed.
Na de voorlopige vaststelling wordt het ontwerp van gemeentelijk beleidskader onmiddellijk opgestuurd naar het departement en de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt. Uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek bezorgen het departement en de deputatie hun advies over het ontwerp van gemeentelijk beleidskader aan de gemeente.
Na afloop van het participatietraject stelt de gemeenteraad het gemeentelijk beleidskader definitief vast. Bij de definitieve vaststelling kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde beleidskader alleen wijzigingen worden aangebracht die zijn gebaseerd op of voortvloeien uit de adviezen, de opmerkingen en bezwaren van het openbaar onderzoek of andere vormen van participatie.
Het vaststellingsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de gemeentelijke website.
§ 3. De regels voor de opmaak en de vaststelling van een gemeentelijk beleidskader zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.
§ 4. Het beleidskader kan geïntegreerd worden in het gemeentelijk mobiliteitsplan, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan. In dat geval volgt de vaststelling de procedureregels voor de opmaak van het mobiliteitsplan, het ruimtelijk structuurplan of het ruimtelijk beleidsplan.
Art. 7. § 1. Ter uitvoering van het gemeentelijk beleidskader, vermeld in artikel 6, kunnen gemeenten een of meer actieplannen opmaken en alle nodige beheersmaatregelen als vermeld in hoofdstuk 4, nemen.
Een actieplan omvat de operationalisering van de beleidskeuzes aan de hand van concrete acties en programma's voor de volledige gemeente of voor een deel ervan. Die actieplannen kunnen generieke of gebiedspecifieke acties bevatten.
§ 2. De gemeenteraad keurt het gemeentelijk actieplan goed na advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en maakt het actieplan bekend via de gemeentelijke website.
HOOFDSTUK 3. - Aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van gemeentewegen
Afdeling 1. - Algemene beginselen
Art. 8. Niemand kan een gemeenteweg aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad.
Art. 9. Bij verplaatsing van een gemeenteweg geldt dat het bestaande tracé een gemeenteweg blijft totdat het nieuwe tracé openstaat voor het publiek.
Art. 10. Bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6.
Art. 11. § 1. De gemeenten leggen de ligging en de breedte van de gemeentewegen op hun grondgebied vast in gemeentelijke rooilijnplannen, ongeacht de eigenaar van de grond.
De gemeentelijke rooilijnplannen komen tot stand op de wijze, vermeld in afdeling 2. De procedure voor het tot stand komen van gemeentelijke rooilijnplannen is ook van toepassing op het wijzigen ervan.
§ 2. De opheffing van een gemeenteweg gebeurt door een besluit tot opheffing van de rooilijn, in voorkomend geval met inbegrip van het daartoe vastgestelde rooilijnplan, op de wijze, vermeld in afdeling 3.
Art. 12. § 1. In afwijking van artikel 11 kan een gemeentelijk rooilijnplan, de wijziging van een gemeentelijk rooilijnplan of de opheffing van een gemeenteweg ook opgenomen worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan of in het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het rooilijnplan, de wijziging ervan of de opheffing van de gemeenteweg wordt dan tegelijk met dat ruimtelijk uitvoeringsplan of projectbesluit onderworpen aan de procedureregels voor het opstellen van dat ruimtelijk uitvoeringsplan of het vaststellen van het projectbesluit.
§ 2. In afwijking van artikel 11 kan de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van de gronden. Die mogelijkheid geldt voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van rooilijnplan bevat dat voldoet aan de bij en krachtens dit decreet gestelde eisen op het vlak van de vorm en inhoud van gemeentelijke rooilijnplannen of voor zover het een grafisch plan met aanduiding van de op te heffen rooilijn bevat.
Als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeentelijk rooilijnplan dat niet in een ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, neemt de gemeenteraad eerst een beslissing over het al dan niet wijzigen of opheffen van het gemeentelijk rooilijnplan, alvorens te beslissen over de goedkeuring, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeenteweg die in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd is, of op een gemeentelijk rooilijnplan dat in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen. In dat geval gelden de procedureregels voor het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan.
Art. 13. § 1. Grondstroken waarvan met enig middel van recht bewezen wordt dat ze gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek werden gebruikt, kunnen in aanmerking komen als gemeenteweg.
De toegankelijkheid van private wegen, vermeld in artikel 12septies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, geldt niet als bewijs van een dertigjarig gebruik door het publiek.
§ 2. De gemeenteraad die op eigen initiatief of op grond van een verzoekschrift vaststelt dat een grondstrook gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek gebruikt werd, belast het college van burgemeester en schepenen met de opmaak van een rooilijnplan, en met de vrijwaring en het beheer van de weg overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsbevoegdheden.
De vaststelling door de gemeenteraad van een dertigjarig gebruik door het publiek heeft van rechtswege de vestiging van een publiek recht van doorgang tot gevolg.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 kan eenieder een verzoekschrift indienen bij de voorzitter van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen. Dat verzoekschrift wordt schriftelijk ingediend, en bevat een toelichting en de nodige bewijsmiddelen over het dertigjarige gebruik door het publiek.
§ 4. Als het dertigjarige gebruik door het publiek is vastgesteld in een uitvoerbare rechterlijke uitspraak, vloeien de verplichting tot de opmaak van een rooilijnplan en de vestiging van een publiek recht van doorgang rechtstreeks uit die uitspraak voort.
§ 5. Als de gemeente met betrekking tot een grondstrook al dertig jaar bezitshandelingen heeft gesteld waaruit de wil van de gemeente om eigenaar te worden van de wegbedding duidelijk tot uiting komt, dan is de gemeenteraad ertoe gerechtigd om de grondstrook zonder financiële vergoeding op te nemen in het openbaar domein, zonder toepassing van artikel 28.
Voor de toepassing van het eerste lid worden onder meer het aanbrengen van een duurzame wegverharding over het geheel of over een substantieel deel van de weg of het aanbrengen van openbare verlichting als bezitshandelingen beschouwd.
Art. 14. § 1. Gemeentewegen kunnen alleen opgeheven worden door een bestuurlijke beslissing ter uitvoering van dit decreet en kunnen niet verdwijnen door niet-gebruik.
§ 2. Eenieder heeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de gemeente waarin gemotiveerd wordt dat een gemeenteweg, of een deel ervan, getroffen is door een dertigjarig niet-gebruik door het publiek. Het bewijs wordt geleverd door een rechterlijke uitspraak of met alle middelen van recht.
De gemeenteraad die op grond van een verzoekschrift als vermeld in het eerste lid vaststelt dat er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, oordeelt over de wenselijkheid van de opheffing van de gemeenteweg of het deel ervan, rekening houdend met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6. Een eventuele opheffingsprocedure verloopt overeenkomstig afdeling 3.
Als de gemeenteraad vaststelt dat er geen sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, geeft de gemeenteraad aan het college van burgemeester en schepenen de opdracht om de publieke doorgang te vrijwaren overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsbevoegdheden.
Art. 15. De gemeente kan met de eigenaars en gebruikers van percelen een overeenkomst sluiten om grondstroken permanent of tijdelijk als gemeenteweg te bestemmen. Die overeenkomsten worden gesloten voor een bepaalde duur van maximaal negenentwintig jaar en eindigen van rechtswege na verloop van de vastgelegde duur. Die wegen verliezen bij het einde van de overeenkomst het statuut van gemeenteweg. Die overeenkomsten kunnen alleen door een uitdrukkelijke overeenkomst worden hernieuwd.
De overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, kunnen geen afbreuk doen aan bestaande wettelijke of conventionele erfdienstbaarheden, noch aan de wettelijke verantwoordelijkheden van de eigenaars en gebruikers.
De overeenkomsten worden verleden voor een instrumenterende ambtenaar en worden binnen de termijn van zestig dagen na het verlijden ervan overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement waar de weg gelegen is. De akte vermeldt de kadastrale omschrijving van de goederen, identificeert de eigenaars en geeft hun titel van eigendom aan.
Afdeling 2. - Procedurele bepalingen over gemeentelijke rooilijnplannen
Art. 16. § 1. Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de gemeentelijke rooilijnplannen.
§ 2. Het gemeentelijk rooilijnplan bevat minstens de volgende elementen:
1° de actuele en toekomstige rooilijn van de gemeenteweg;
2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen;
3° de naam van de eigenaars van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn.
Een gemeentelijk rooilijnplan kan ook een achteruitbouwstrook vastleggen.
§ 3. In voorkomend geval bevat het rooilijnplan de volgende aanvullende elementen:
1° een berekening van de eventuele waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden ten gevolge van de aanleg, wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg overeenkomstig artikel 28;
2° de nutsleidingen die door de wijziging of verplaatsing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van een gemeentelijk rooilijnplan.
Art. 17. § 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan voorlopig vast.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan aan een openbaar onderzoek dat binnen een ordetermijn van dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door:
1° aanplakking aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel;
2° een bericht op de website van de gemeente of in het gemeentelijk infoblad;
3° een bericht in het Belgisch Staatsblad;
4° een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan;
5° een afzonderlijke mededeling aan de aanpalende gemeenten, als de weg paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding;
6° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie en het departement;
7° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen;
8° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van openbaar vervoer.
De aankondiging, vermeld in het eerste lid, vermeldt minstens:
1° de locatie waar de beslissing tot voorlopige vaststelling en het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ter inzage liggen;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren naartoe gestuurd moeten worden of worden afgegeven, en de te volgen formaliteiten.
§ 3. Na de aankondiging wordt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en gepubliceerd op de gemeentelijke website.
§ 4. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan het gemeentebestuur bezorgd.
De deputatie en het departement bezorgen het gemeentebestuur binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, een advies over de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 5. De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk rooilijnplan definitief vast.
Bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op de bezwaren en opmerkingen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geformuleerd, of eruit voortvloeien.
De definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan.
§ 6. Als het rooilijnplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, vervalt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan.
Art. 18. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan wordt onmiddellijk na de definitieve vaststelling gepubliceerd op de gemeentelijke website, en aangeplakt bij het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel.
Het college van burgemeester en schepenen brengt iedereen die in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend met een beveiligde zending op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan.
Het rooilijnplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement en aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt.
Art. 19. Als de gemeente niet binnen een termijn van dertig dagen op de hoogte is gebracht van een georganiseerd administratief beroep als vermeld in artikel 24, wordt het besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij het vaststellingsbesluit een ander tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Het vaststellingsbesluit kan in het bijzonder bepalen dat het gemeentelijk rooilijnplan pas wordt uitgevoerd vanaf een bepaalde datum of naarmate de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of tot verkavelen worden ingediend.
Afdeling 3. - Procedurele bepalingen over de opheffing van gemeentewegen
Art. 20. § 1. Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen besluit de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg.
§ 2. Het besluit tot opheffing van een gemeenteweg bevat een grafisch plan waarop minstens de volgende elementen zijn aangeduid:
1° de op te heffen rooilijn, het op te heffen rooilijnplan of het desbetreffende deel daarvan;
2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de aanpalende kadastrale percelen en onroerende goederen;
3° de naam van de eigenaars van de aanpalende kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn.
§ 3. In voorkomend geval bevat het grafisch plan de volgende aanvullende elementen:
1° een berekening van de eventuele waardevermeerdering van de gronden ten gevolge van de opheffing van de gemeenteweg overeenkomstig artikel 28;
2° de nutsleidingen die als gevolg van de opheffing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen;
3° de op te heffen achteruitbouwstroken.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.
Art. 21. § 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg voorlopig vast.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg aan een openbaar onderzoek dat binnen een ordetermijn van dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door:
1° aanplakking aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het op te heffen wegdeel;
2° een bericht op de website van de gemeente of in het gemeentelijk infoblad;
3° een bericht in het Belgisch Staatsblad;
4° een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de aanpalende bewoners van het op te heffen wegdeel;
5° een afzonderlijke mededeling aan de aanpalende gemeenten, als de op te heffen weg paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding;
6° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie en het departement;
7° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen;
8° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van openbaar vervoer.
De aankondiging, vermeld in het eerste lid, vermeldt minstens:
1° de locatie waar de beslissing tot voorlopige vaststelling en het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van de gemeenteweg ter inzage liggen;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren naartoe gestuurd moeten worden of kunnen worden afgegeven, en de te volgen formaliteiten.
§ 3. Na de aankondiging wordt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en gepubliceerd op de gemeentelijke website.
§ 4. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan het gemeentebestuur bezorgd.
De deputatie en het departement bezorgen het gemeentebestuur binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, een advies over de overeenstemming van het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 5. De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg definitief vast.
Bij de definitieve vaststelling van het grafisch plan tot de opheffing van een gemeenteweg kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde grafisch plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op de bezwaren en opmerkingen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geformuleerd, of eruit voortvloeien.
De definitieve vaststelling van het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg.
§ 6. Als het grafisch plan tot de opheffing van een gemeenteweg niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, vervalt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg.
Art. 22. Het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg wordt onmiddellijk na de definitieve vaststelling gepubliceerd op de gemeentelijke website en aangeplakt aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het op te heffen wegdeel.
Het college van burgemeester en schepenen brengt iedereen die in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, met een beveiligde zending op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg.
Het grafisch plan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement en aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt.
Art. 23. Als de gemeente niet binnen een termijn van dertig dagen op de hoogte is gebracht van een georganiseerd administratief beroep als vermeld in artikel 24, wordt het besluit tot definitieve vaststelling van het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de gemeentelijke website. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking.
Afdeling 4. - Beroepsprocedure tegen een gemeentelijk rooilijnplan en tegen de opheffing van een gemeenteweg
Art. 24. § 1. Tegen het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan overeenkomstig artikel 17, § 5, of tegen het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg overeenkomstig artikel 21, § 5, kan een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering.
Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de beslissing in beroep.
Het beroep leidt tot de annulatie van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan.
§ 2. Het beroep, vermeld in paragraaf 1, kan door de volgende belanghebbenden worden ingesteld:
1° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, of elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de beslissing tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan of de opheffing van de gemeenteweg;
2° het college van burgemeester en schepenen van de aanpalende gemeenten, op voorwaarde dat het nieuwe, gewijzigde, verplaatste of op te heffen wegdeel paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding, en voor zover de gemeente in kwestie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht;
3° de deputatie en de leidend ambtenaar van het departement of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde, op voorwaarde dat ze tijdig advies hebben verstrekt of ten onrechte niet om advies werden verzocht.
§ 3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat de beslissing overeenkomstig artikel 22, tweede en derde lid, werd betekend.
De indiener van het beroep bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en met een beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen.
§ 4. In de gevallen, vermeld in paragraaf 2, 1°, is bij het beroepschrift op straffe van onontvankelijkheid het bewijs gevoegd dat een dossiervergoeding van 100 euro betaald werd.
§ 5. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt het volledige dossier of een afschrift daarvan onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift aan het departement.
Art. 25. § 1. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in artikel 24, § 5. Die termijn is een termijn van orde.
De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing.
§ 2. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg kan alleen worden vernietigd:
1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4;
2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet;
3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
§ 3. Als de Vlaamse Regering het beroep heeft verworpen, wordt het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking.
Afdeling 5. - Realisatie van gemeentewegen
Art. 26. § 1. De vastlegging van een gemeenteweg heeft tot gevolg dat op de gemeente de rechtsplicht rust om over te gaan tot de realisatie, de vrijwaring en het beheer van de gemeenteweg overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsmaatregelen.
§ 2. In het geval van nieuwe gemeentewegen gaat de gemeente over tot verwerving van de onroerende goederen, vereist voor de realisatie van de gemeenteweg.
In afwijking van het eerste lid kan de gemeente met de eigenaars van de gronden waarop de gemeenteweg gelegen is, een overeenkomst sluiten waarbij een erfdienstbaarheid van openbaar nut vastgelegd wordt. Die overeenkomst wordt binnen de termijn van zestig dagen na het verlijden ervan overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen.
§ 3. Bij wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg op privaat domein geldt de definitieve vaststelling van het rooilijnplan, zoals bedoeld in artikel 17, § 5, als titel voor de vestiging van een publiekrechterlijke erfdienstbaarheid van doorgang.
Art. 27. Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de aanleg, wijziging of verplaatsing van gemeentewegen en de realisatie van de rooilijnplannen, kan door onteigening tot stand worden gebracht.
De onteigeningen, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd conform de bepalingen van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017.
Art. 28. § 1. De aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg geeft aanleiding tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is.
De vergoeding voor waardevermindering is verschuldigd door de gemeente aan de eigenaar van de grond in kwestie. De vergoeding voor waardevermeerdering is verschuldigd door de eigenaar van de betrokken grond en komt ten goede aan de gemeente.
Het eerste en het tweede lid gelden met behoud van de toepassing van artikel 13, § 5.
§ 2. De waardevermindering of de waardevermeerdering wordt vastgesteld door een landmeter-expert, aangesteld door de gemeente. Bij betwisting door de eigenaar wordt de waardevermindering of de waardevermeerdering vastgesteld door een college dat bestaat uit de landmeter-expert die de gemeente heeft aangesteld en een landmeter-expert die de eigenaar aanstelt.
Bij de berekening van de waardevermindering of de waardevermeerdering wordt onder meer rekening gehouden met het verschil in venale waarde, de gelijke behandeling van burgers voor de openbare lasten opgelegd in het kader van het algemeen belang, de bestaande openbare en private erfdienstbaarheden, en de vigerende overheidsbesluiten over het grondgebruik.
De waardevermeerdering wordt geacht nihil te zijn als de gemeenteweg in de feiten verdwenen is, omdat infrastructuren door of in opdracht van de overheid zijn aangelegd of omdat de gemeenteweg werd bebouwd krachtens een rechtsgeldige, niet-vervallen vergunning die werd verleend vóór 1 september 2019.
Waardeverminderingen en waardevermeerderingen ingevolge wijzigingen of verplaatsingen van een gemeenteweg op een goed van dezelfde eigenaar door de toepassing van dit decreet worden geacht elkaar te neutraliseren.
§ 3. De gemeenteraad kan de principes en bepalingen van paragraaf 2 verder verfijnen en aanvullen in een algemeen reglement of richtkader, waarbij het recht op tegenspraak wordt gewaarborgd.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor vergunningverlenende overheden tot het opleggen van de last tot gratis overdracht van in een vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen en aanhorigheden en van de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd, vermeld in artikel 75, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Art. 29. Met behoud van de toepassing van het recht van wederoverdracht, vermeld in artikel 65 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, kan een ongebruikt deel van de gemeenteweg ten gevolge van de wijziging, verplaatsing of opheffing ervan, in volle eigendom bij voorkeur teruggaan naar de aangelanden.
Het college van burgemeester en schepenen brengt de aangelanden met een beveiligde zending op de hoogte van de wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg met het oog op het uitoefenen van het voorkeursrecht.
De aangelanden die dat ongebruikte deel van de weg willen kopen, maken binnen zes maanden, te rekenen vanaf de betekening, hun voornemen kenbaar aan het college van burgemeester en schepenen. Ze verbinden zich tot de betaling, hetzij van de eigendom, hetzij van de meerwaarde als ze eigenaars van de grond zijn. De meerwaarde wordt begroot op de wijze, vermeld in artikel 28, § § 2 en 3.
Als de aangelanden afzien van hun voorkeursrecht of hun verzoek niet binnen de wettelijke termijn hebben ingediend, kan de wegbedding worden vervreemd op de wijzen, opgelegd voor de verkoop van de gemeentelijke gronden.
HOOFDSTUK 4. - Afpaling en beheer van gemeentewegen
Afdeling 1. - Afpaling van de gemeenteweg
Art. 30. Het college van burgemeester en schepenen kan op eigen initiatief, of op verzoek van de gemeenteraad of van derden overgaan tot afpaling van de gemeenteweg, met tussenkomst van een landmeter-expert.
Alle aangelanden worden dertig dagen vooraf met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de afpaling.
Art. 31. Voor de afpaling van de gemeenteweg wordt een plan en een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal en het plan vermelden minstens de breedte van de gemeentewegen, de ligging ten opzichte van de eigendomsgrenzen en alle punten waar palen, hetzij zichtbaar, hetzij mediaan, werden geplaatst.
Het plan en het proces-verbaal worden ondertekend door:
1° een ambtenaar van de gemeente die het college van burgemeester en schepenen heeft aangesteld;
2° de aangelanden.
Als een of meer personen niet aanwezig waren tijdens de afpaling of geweigerd hebben de stukken te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Een afschrift van het proces-verbaal en van de plannen wordt binnen een termijn van veertien dagen met een beveiligde zending betekend aan de aangelanden.
Gedurende een termijn van zestig dagen na betekening van het proces-verbaal kan elke aangelande verzet aantekenen bij het college van burgemeester en schepenen.
Art. 32. Als er een geschil rijst over de afpaling, brengt de betrokken partij dat geschil, na de afpaling, voor de bevoegde rechtbank.
Art. 33. De kosten voor de afpaling zijn ten laste van de gemeente.
Afdeling 2. - Beheer van gemeentewegen
Art. 34. § 1. De gemeente is belast met het beheer van de gemeentewegen en het vrijwaren van de publieke doorgang over de volledige breedte van de gemeenteweg.
§ 2. De gemeente kan, met toepassing van de relevante regelgeving, te allen tijde onderhouds- en herstelwerkzaamheden uitvoeren aan gemeentewegen. Daarin zijn het herstel van het wegdek, het snoeien van overhangende takken, het garanderen van een adequate waterhuishouding en het herstellen van wegzakkende bermen begrepen.
De gemeente kan te allen tijde versperringen of andere belemmeringen die de toegang, het gebruik of het beheer van de gemeenteweg hinderen of verhinderen, verwijderen of laten verwijderen.
In voorkomend geval kan de gemeente de kosten terugvorderen van de aansprakelijke.
§ 3. Gemeenten kunnen met derden of met andere overheden een beheerovereenkomst sluiten over de volledige of gedeeltelijke uitvoering van beheerstaken.
De beheerovereenkomsten, vermeld in het eerste lid, kunnen een vergoeding vaststellen voor de kosten die gemaakt worden voor het beheer van de gemeenteweg. De beheerovereenkomsten kunnen geen afbreuk doen aan de wettelijke beheers- en veiligheidsverantwoordelijkheid van de gemeente.
Art. 35. Eenieder heeft het recht om een verzoekschrift tot vrijwaring en herwaardering van een in onbruik geraakte gemeenteweg in te dienen bij de gemeente. Het verzoekschrift is gemotiveerd op grond van de doelstellingen, vermeld in artikel 3, en in voorkomend geval van het gemeentelijk beleidskader, vermeld in artikel 6.
De gemeenteraad oordeelt op welke manier gevolg gegeven wordt aan het verzoekschrift, hetzij door een opdracht aan het college van burgemeester en schepenen om de publieke doorgang over de volledige breedte van de gemeenteweg te vrijwaren, hetzij door het college van burgemeester en schepenen te belasten met het opstarten van een procedure tot wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg.
Art. 36. Gemeenten kunnen een gemeentelijk reglement opmaken voor de toegang, het gebruik of het beheer van de gemeentewegen. De gemeenten kunnen daarbij differentiëren naar categorie, zoals is opgenomen in het gemeentelijk beleidskader.
Met het oog op de vrijwaring van het goede gebruik van de gemeenteweg of vanuit veiligheidsoverwegingen kunnen in het reglement regels worden opgelegd met betrekking tot de waterhuishouding, en de hoogte en de aard van de afscheidingen tussen de gemeentewegen en de erven van de aangelanden.
HOOFDSTUK 5. - Gemeentelijk wegenregister
Art. 37. § 1. Het gemeentelijk wegenregister is een gemeentelijk gegevensbestand waarin voor het grondgebied van de gemeente ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen:
1° administratieve en gerechtelijke beslissingen over de huidige en toekomstige rooilijnen en rooilijnplannen voor gemeentewegen;
2° administratieve en gerechtelijke beslissingen over de aanleg, de wijziging, de verplaatsing of de opheffing van gemeentewegen, met inbegrip van de algemene rooiplannen, de rooilijnplannen en de plannen voor de begrenzing van de buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen.
§ 2. Elke gemeente is verplicht om een gemeentelijk wegenregister op te maken, te actualiseren en ter inzage te leggen volgens de bepalingen van dit decreet.
§ 3. De administratieve rechtscolleges en bevoegde rechtbanken sturen ambtshalve een afschrift van de gerechtelijke beslissingen en elke informatie in hun bezit die de uitwerking en bijwerking van het gemeentelijk wegenregister mogelijk maken, naar het college van burgemeester en schepenen, uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de beslissing.
§ 4. Het gemeentelijk wegenregister wordt beschouwd als een bestuursdocument als vermeld in artikel I.4, 3°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Het gemeentelijk wegenregister is voor het publiek raadpleegbaar in het gemeentehuis en op de website van de gemeente.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels betreffende de digitale geografische ontsluiting van het gemeentelijk wegenregister.
HOOFDSTUK 6. - Handhaving
Afdeling 1. - Verbodsbepalingen
Art. 38. Het is verboden:
1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad;
2° een gemeenteweg volledig of gedeeltelijk in te nemen op een wijze die het gewone gebruiksrecht overstijgt;
3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken;
4° op of in gemeentewegen werkzaamheden uit te voeren of gemeentewegen op welke wijze ook te beschadigen zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde.
Afdeling 2. - Bestraffing
Art. 39. De gemeenten kunnen overtredingen van de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 38, en op het reglement, vermeld in artikel 36, bestraffen overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
De bestraffingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, doet op geen enkele wijze afbreuk aan de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen overeenkomstig afdeling 3.
Afdeling 3. - Bestuurlijke maatregelen
Onderafdeling 1. - Last tot herstel
Art. 40. Het college van burgemeester en schepenen kan aan elke overtreder een last opleggen tot herstel van een overtreding van verbodsbepalingen als vermeld in artikel 38, of van het reglement, vermeld in artikel 36.
De last tot herstel omvat:
1° de te nemen herstelmaatregelen;
2° het tijdskader voor het nemen van de herstelmaatregelen;
3° de gevolgen van het niet of niet tijdig uitvoeren van de herstelmaatregelen, namelijk ofwel de uitoefening van bestuursdwang in de zin van onderafdeling 2, ofwel de verplichting tot betaling van een dwangsom in de zin van onderafdeling 3;
4° in voorkomend geval de kosten die verhaald worden bij de toepassing van bestuursdwang.
Het besluit tot het opleggen van de last tot herstel wordt met een beveiligde zending bekendgemaakt aan de overtreder.
Art. 41. Een college van burgemeester en schepenen kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang in de zin van onderafdeling 2 zal worden toegepast zonder voorafgaande last tot herstel. Dat besluit is gemotiveerd en vermeldt de te nemen herstelmaatregelen, vermeld in artikel 40, tweede lid. Het wordt aan de overtreder afgegeven of opgestuurd met een beveiligde zending.
Art. 42. Eenieder die door overtredingen van verbodsbepalingen als vermeld in artikel 38 of van het reglement, vermeld in artikel 36, benadeeld wordt, kan het college van burgemeester en schepenen verzoeken om over te gaan tot het opleggen van een last tot herstel als vermeld in artikel 40, tweede lid.
Het college van burgemeester en schepenen beslist binnen de termijn van dertig dagen over het verzoek.
Onderafdeling 2. - Bestuursdwang
Art. 43. Het college van burgemeester en schepenen heeft de bevoegdheid om een opgelegde last tot herstel in de zin van onderafdeling 1 bij wijze van bestuursdwang door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, als de overtreder die last niet of niet tijdig heeft uitgevoerd. Het college van burgemeester en schepenen kan ook bestuursdwang toepassen zonder voorafgaande last tot herstel in de gevallen, vermeld in artikel 41.
Art. 44. § 1. De kosten voor de toepassing van bestuursdwang komen voor rekening van de overtreder.
Het college van burgemeester en schepenen stelt de kosten voor de bestuursdwang vast. Het gaat zowel om de kosten van de uitvoering van bestuursdwang als de kosten van de voorbereiding ervan, voor zover de kosten van de voorbereiding zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last tot herstel uitgevoerd moest worden.
De kosten worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die aan de overtreder toebehoren en die wordt ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk doorgehaald overeenkomstig boek III, titel XVIII, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen dat bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, en wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de overtreder bij gerechtsdeurwaarderexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van de gemeente, bij de rechtbank van eerste aanleg van de gemeente. Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet.
Art. 45. Om bestuursdwang toe te passen hebben personen die het college van burgemeester en schepenen heeft aangewezen, toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Als die verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.
Art. 46. § 1. Tot de bevoegdheid voor de toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken, voor zover de toepassing van bestuursdwang dat vereist. Die bevoegdheid geldt, met behoud van de toepassing van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting.
Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, worden meegevoerd en opgeslagen, maakt naar gelang van het geval de gerechtsdeurwaarder of het college van burgemeester en schepenen daarvan een proces-verbaal op. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had en de rechthebbende, voor zover het om een andere persoon gaat en die bekend is.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen draagt namens de gemeente zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende. Als de rechthebbende ook de overtreder is, kan het college van burgemeester en schepenen de afgifte opschorten totdat de kosten van bestuursdwang zijn voldaan.
§ 3. Als de rechthebbende de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen een termijn van negentig dagen na de meevoering heeft opgeëist, is het college van burgemeester en schepenen gerechtigd die te verkopen of, als verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
Gedurende één jaar na het tijdstip van verkoop van de zaken, vermeld in het eerste lid, heeft degene die op dat tijdstip de eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak, na aftrek van de kosten van bestuursdwang als de eigenaar ook de overtreder is, en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventuele batige saldo aan de gemeente.
Onderafdeling 3. - Dwangsom
Art. 47. § 1. Het college van burgemeester en schepenen heeft de bevoegdheid om te bepalen dat door het niet of niet tijdig uitvoeren van de opgelegde last tot herstel in de zin van onderafdeling 1 een dwangsom verschuldigd is.
Het is niet mogelijk om te kiezen voor een dwangsom in plaats van voor bestuursdwang als, gelet op het belang dat geschonden wordt door de overtreding, het risico bestaat dat de overtreding ondanks de last tot herstel onder dwangsom nog zou worden voortgezet of herhaald.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Het college van burgemeester en schepenen stelt ook een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Art. 48. § 1. Een dwangsom wordt door de overtreder van rechtswege verbeurd op het ogenblik waarop de in de last gegeven termijn om de illegale situatie of handeling te beëindigen verstrijkt zonder dat aan de last uitvoering is gegeven, dan wel wanneer na het verstrijken van voormelde termijn een herhaling van de overtreding plaatsvindt. Verbeurte vindt plaats van rechtswege.
§ 2. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de gemeente.
§ 3. Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen dertig dagen nadat ze van rechtswege is verbeurd.
§ 4. Het college van burgemeester en schepenen kan van de overtreder bij dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, en wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de overtreder bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van de gemeente, bij de rechtbank van eerste aanleg van de gemeente. Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet.
Art. 49. Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen als de overtreder blijvend of tijdelijk, volledig of gedeeltelijk in de onmogelijkheid verkeert om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen als het besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd.
Art. 50. § 1. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop die bedragen zijn verbeurd.
De verjaring wordt geschorst door faillissement en door ieder wettelijk beletsel voor de invordering van de dwangsom.
§ 2. Als uit een besluit tot intrekking of wijziging van de last tot herstel voortvloeit dat een al genomen besluit tot invordering van de dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt dat invorderingsbesluit. Het college van burgemeester en schepenen kan een nieuw besluit tot invordering nemen dat in overeenstemming is met de gewijzigde last tot herstel.
Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 51. De uitvoerbare besluiten van het college van burgemeester en schepenen, vermeld in deze afdeling, zijn onderworpen aan het bestuurlijk toezicht, vermeld in titel 7 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en kunnen overeenkomstig artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, worden bestreden met een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet
Art. 52. Aan artikel 61 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet, ingevoegd bij wet van 11 augustus 1978, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De procedures voor de opmaak, wijziging of opheffing van rooilijnplannen, of de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen, georganiseerd met toepassing van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, zijn niet van toepassing in het kader van de ruilverkavelingsverrichtingen die het voorwerp uitmaken van deze wet.".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken
Art. 53. Aan artikel 1 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De procedures voor de opmaak, wijziging of opheffing van rooilijnplannen, of de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen, georganiseerd met toepassing van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, zijn niet van toepassing in het kader van de ruilverkavelingsverrichtingen die het voorwerp uitmaken van deze wet.".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen
Art. 54. In het opschrift van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen wordt tussen de woorden "van de" en "rooilijnen" het woord "gewestelijke" ingevoegd.
Art. 55. Artikel 3 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 3. De rooilijnplannen, vermeld in dit decreet, hebben betrekking op de gewestelijke rooilijnplannen voor de gewestwegen, met uitzondering van de autosnelwegen in de zin van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen.
Dit decreet is niet van toepassing op de gemeentewegen. De rooilijnplannen voor die gemeentewegen worden vastgesteld met toepassing van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen.".
Art. 56. Artikel 6 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 57. In hoofdstuk II van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 9 en 10, opgeheven.
Art. 58. In artikel 11, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 2012 en 24 februari 2017, worden de woorden "en de gemeenten kunnen" vervangen door het woord "kan".
Art. 59. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 24 februari 2017, worden de woorden "of de gemeente" opgeheven.
Art. 60. Artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 2012, 15 juli 2016 en 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 61. In artikel 17, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "gewest- en gemeentewegen" vervangen door het woord "gewestwegen".
Art. 62. Hoofdstuk IV van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 juni 2018, dat bestaat uit artikel 18 en 19, wordt opgeheven.
Afdeling 4. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
Art. 63. In artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 9° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"9° /2 rooilijn: de scheiding tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;";
2° er wordt een punt 9° /3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"9° /3 rooilijnplan: een plan houdende de vaststelling van de rooilijn als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;".
Art. 64. In artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een punt 15° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"15° in voorkomend geval het rooilijnplan, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen.".
Art. 65. Aan artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017 en het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2018, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° als de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgestelde ontwerp van rooilijnplan. Die weigeringsgrond vervalt als het plan niet definitief werd vastgesteld binnen de termijn die in de procedure is vastgesteld.".
Art. 66. In artikel 4.3.8 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 8 december 2017, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, kan geen vergunning verleend worden voor het bouwen, verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een constructie op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, met uitzondering van de gevallen waarin voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
1° de aanvraag heeft louter betrekking op onderhouds- of stabiliteitswerken aan een vergunde of vergund geachte constructie;
2° de aanvraag heeft louter betrekking op sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of achteruitbouwstrook wordt aangepast;
3° de aanvraag heeft betrekking op de verbouwing van een monument dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is, of een constructie die deel uitmaakt van een stads- of dorpsgezicht of een cultuurhistorisch landschap dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is;
4° de aanvraag heeft louter betrekking op het aanbrengen van gevelisolatie aan een bestaande vergunde of vergund geachte constructie, met een overschrijding van ten hoogste veertien centimeter.
In afwijking van het eerste lid mag een vergunning worden verleend:
1° die afwijkt van de rooilijn als uit het advies van de wegbeheerder blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning zal worden gerealiseerd. Als er na het verstrijken van die termijn wordt onteigend, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde handelingen voortvloeit;
2° die afwijkt van de achteruitbouwstrook als de wegbeheerder een gunstig advies heeft gegeven.
Werkzaamheden en handelingen waarvoor geen vergunning is vereist, mogen onder dezelfde voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd na machtiging van de wegbeheerder.
Als het bij het aanbrengen van gevelisolatie als vermeld in het eerste lid, 4°, gaat om de overschrijding van een rooilijn die wordt gevormd door de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, kan na een gunstig advies van de wegbeheerder die gevelisolatie ook tot veertien centimeter toegestaan worden. In dat geval is, in afwijking van artikel 40 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, geen vergunning vereist voor het privatieve gebruik van het openbaar domein.
De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels voor de toepassing van dit artikel bepalen.".
Art. 67. In artikel 7.4.2/3, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, wordt het woord "worden" vervangen door de woorden "zijn of worden".
Afdeling 5. - Wijziging van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting
Art. 68. Aan artikel 1.1.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting wordt een vierde paragraaf toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. De procedures voor de opmaak, wijziging of opheffing van rooilijnplannen, of de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen, georganiseerd met toepassing van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, zijn niet van toepassing in het kader van de ruilverkavelingsverrichtingen die het voorwerp uitmaken van dit decreet.".
Afdeling 6. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Art. 69. Aan artikel 17 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor met toepassing van artikel 31 een beslissing van de gemeenteraad vereist is over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg.".
Art. 70. Artikel 31 van het hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 31. § 1. Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, roept het college van burgemeester en schepenen, in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg.
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt.
§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is die in eerste aanleg over de aanvraag beslist, dan bezorgt de gemeente de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg binnen zestig dagen na het verzoek aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.".
Art. 71. In hoofdstuk 2, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2018, wordt een onderafdeling 2/1 ingevoerd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 2/1. Beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg".
Art. 72. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 31/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 31/1. § 1. Tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in het kader van een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering door de personen of instanties, vermeld in artikel 53. De vereiste, vermeld in artikel 53, tweede lid, is ook van toepassing op het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad.
Het beroep leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan.
§ 2. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
De indiener van het beroep bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig met de beveiligde zending van het beroep aan de Vlaamse Regering, een afschrift van het beroepschrift met een beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen en aan de bevoegde beroepsinstantie, vermeld in artikel 52.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt het volledige dossier of een afschrift daarvan onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, aan het Departement Mobiliteit en Openbare Werken.
§ 4. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in paragraaf 3. Die termijn is een termijn van orde.
De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift, de bevoegde overheid en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing.
§ 5. Het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan alleen worden vernietigd:
1° wegens strijdigheid met het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;
2° wegens strijdigheid met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet;
3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.".
Art. 73. In artikel 32 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2017, 8 december 2017 en 13 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt het woord "wegenwerken" vervangen door de zinsnede "de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg";
2° er worden een paragraaf 6 en een paragraaf 7 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan pas verleend worden na goedkeuring over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad overeenkomstig artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst daarbij naar het dossier en naar zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.".
Art. 74. In artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als met toepassing van artikel 31/1 bij de Vlaamse Regering een georganiseerd administratief beroep werd ingesteld tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, bevat het beroep op straffe van onontvankelijkheid een afschrift van het beroepschrift bij de Vlaamse Regering.".
Art. 75. Artikel 65 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 65. Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat en de bevoegde overheid vaststelt dat de gemeenteraad daarover geen beslissing heeft genomen, roept de gouverneur op verzoek van de deputatie, de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg.
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt. De rechtsbescherming met betrekking tot die voorwaarden en lasten is dezelfde als die met betrekking tot de vergunning.
De gemeente bezorgt de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg aan de bevoegde overheid binnen zestig dagen na de samenroeping door de gouverneur.".
Art. 76. In artikel 66 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 7 juli 2017, 8 december 2017 en 13 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt het woord "wegenwerken" vervangen door de zinsnede "de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg";
2° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 of paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege opgeschort zolang de Vlaamse Regering geen beslissing heeft genomen over het georganiseerde administratieve beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad, vermeld in artikel 31/1.";
3° er worden een paragraaf 6 en paragraaf 7 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in beroep pas verleend worden na de goedkeuring van de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad, met toepassing van artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, of als de Vlaamse Regering de beslissing heeft vernietigd met toepassing van artikel 31/1, wordt de omgevingsvergunning in beroep geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst in zijn aanvraag naar het dossier en vermeldt zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.".
Art. 77. Aan artikel 71 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De bevoegde overheid neemt de voorwaarden die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31, integraal op in de vergunning.".
Art. 78. In artikel 75 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 december 2017, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De bevoegde overheid neemt de lasten die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31, integraal op in de vergunning.".
Afdeling 7. - Wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
Art. 79. In artikel 40, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, gewijzigd bij decreet van 18 december 2015, wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
"7° de machtigingen, vermeld in artikel 4.3.8, § 1, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;".
Afdeling 8. - Wijziging van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017
Art. 80. In artikel 31 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° de procedure tot vaststelling of wijziging van een rooilijnplan, conform het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen of het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen.".
Afdeling 9. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur
Art. 81. In artikel 56, § 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wordt punt 12° vervangen door wat volgt:
"12° de afpaling van de gemeentewegen, met inachtneming van de rooilijnplannen en eventuele andere plannen als die bestaan, volgens de bepalingen van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;".
Art. 82. In artikel 139, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° de afpaling van de rooilijnen;";
2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° het doen onderhouden van gemeentewegen en waterlopen.".
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Opheffings- en overgangsbepalingen
Art. 83. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, laatst gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014 tot vaststelling van nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek inzake buurtwegen.
Art. 84. De provinciale reglementen, aangenomen ter uitvoering van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, worden van rechtswege opgeheven.
Art. 85. Alle gemeentelijke wegen en buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die bestaan op 1 september 2019, worden voor de toepassing van dit decreet geacht een gemeenteweg te zijn.
Art. 86. De algemene rooiplannen, de rooilijnplannen en de plannen voor de begrenzing van de buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen worden opgenomen in het gemeentelijk wegenregister, vermeld in artikel 37. Ze behouden hun verordenende kracht tot ze worden vervangen door rooilijnplannen ter uitvoering van dit decreet.
Art. 87. Rooilijnen die zijn vastgesteld of goedgekeurd op grond van andere wetgeving, blijven geldig tot ze worden opgeheven of vervangen door rooilijnplannen ter uitvoering van dit decreet.
Art. 88. De administratieve procedures voor de opmaak van gemeentelijke rooilijnplannen of de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die lopen op 1 september 2019, worden voortgezet overeenkomstig het vroegere recht.
Art. 89. Bestaande beleidskaders die voor 1 september 2019 opgenomen zijn in goedgekeurde gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen of mobiliteitsplannen, worden geacht te fungeren als gemeentelijk beleidskader als vermeld in artikel 6, voor zover de inhoud ervan voldoet aan alle bepalingen van artikel 6, § 1.
Art. 90. Artikel 69 tot en met 78 zijn pas van toepassing op omgevingsvergunningsaanvragen die in eerste bestuurlijke aanleg bij de vergunningverlenende overheid worden aangevraagd vanaf 1 september 2019.
Afdeling 2. - Inwerkingtredingsbepaling
Art. 91. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2019, met uitzondering van artikel 67, dat in werking treedt op de tiende dag na de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 3 mei 2019.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn,
B. WEYTS
Radio Okapi
Election des gouverneurs en RDC : 16 provinces pour le FCC, Lamuka et CACH remporte chacun une province
Edited: 201904101852
Publié le mer, 10/04/2019 - 18:52 | Modifié le mer, 10/04/2019 - 19:53
La Commission électorale nationale indépendante (CENI) a organisé mercredi 10 avril l’élection des gouverneurs et vice-gouverneurs dans 22 provinces de la République démocratique du Congo. Selon les résultats provisoires, le Front commun pour le Congo (FCC) du sénateur à vie Joseph Kabila gagne dans seize provinces. La coalition Lamuka, qui a porté la candidature de Martin Fayulu, remporte dans une province, tout comme le Cap pour le changement (CACH), coalition du président Félix Tshisekedi.

Ci-dessous, la liste des gouverneurs (18) élus :
Haut-Uélé : Christophe Nangaa (13 voix), FCC/ADRP
Ituri : Jean Bamanisa (24/47), FCC/RIA
Sud-Kivu : Théo Ngwabidje Kasi (38 voix), FCC/AFDC
Tanganyika : Mwanza Mbala Kabila Zoe (16/25), FCC/PPRD
Haut Katanga : Jacques Kyabulya Katwe (32/48), FCC/PPRD
--------------------------------------------------------------------------------
Bas-Uélé : Senga Valentin (10 voix sur 18), FCC/PPRD
Equateur: Bobo Boloko Bolumbu (15/20), FCC/PPRD
Kasaï : Dieudonné Pieme (25/31), FCC/PPRD
Kasaï-Oriental : Jean Maweja Muteba, CACH/UDPS
Kongo-Central : Athou Matubwana (28 voix), FCC/PPRD
Kwango : Jean-Marie Peti Pet (19/21), FCC/Palu
Lomami: Sylvain Lubamba (19/26), FCC/PPRD
Kwilu: Willy Itshimbala (29/48), FCC/PPRD
Lualaba: Muyej Mangez Mans (19/22), FCC/PPRD
Maniema : Augustin Musafiri (14/24), FCC/PPRD
Mongala : Ngbundu Crispin, Lamuka
Tshuapa: Pancrace Boongo, FCC/PPRD
Kinshasa: Gentiny Ngobila (29/48), FCC/PPRD.

Dans 4 provinces, la CENI devra organiser un deuxième tour pour départager les candidats. Au Haut-Lomami, deux candidats passent au deuxième tour : Kalenga Ngandu et Lenge.

Au Kasaï-Central, le deuxième tour va départager, dans trois jours, Martin Kabuya de l’AFDC qui a obtenu 15 voix et Valentin Ngandu du PPRD qui a eu 9 voix.

Bienvenu Seti et isato Nzege vont s’affronter au deuxième tour. Il en est de même dans la Tshopo entre Wale Lufungula (7 voix) et Constant Lomata (8 voix).

Les élections sont suspendues dans deux provinces (Sankuru et Sud-Ubangi), conformément à l’arrêt du Conseil d’Etat.

Au Nord-Kivu et dans la Maï-Ndombe, les élections seront organisées après l’installation des assemblées provinciales.


paus Franciscus
de bescherming van minderjarigen in de kerk
Edited: 201902241063
RENCONTRE « LA PROTECTION DES MINEURS DANS L'ÉGLISE »
[VATICAN, 21-24 FÉVRIER 2019]

DISCOURS DU SAINT-PÈRE FRANÇOIS
AU TERME DE LA CONCÉLÉBRATION EUCHARISTIQUE

Salle Royale
Dimanche 24 février 2019

Chers frères et sœurs,

En rendant grâce au Seigneur qui nous a accompagnés ces jours-ci, je voudrais remercier chacun de vous pour l’esprit ecclésial et l’engagement concret que vous avez manifestés avec tant de générosité.

Notre travail nous a amenés à reconnaître, une fois de plus, que l’ampleur du fléau des abus sexuels sur mineurs est malheureusement un phénomène historiquement répandu dans toutes les cultures et toutes les sociétés. Il est devenu, seulement en des temps relativement récents, un objet d’études systématiques, grâce au changement de sensibilité de l’opinion publique sur un problème considéré comme tabou dans le passé, ce qui signifie que tous connaissaient sa présence mais que personne n’en parlait. Cela me rappelle également la pratique religieuse cruelle, répandue par le passé dans certaines cultures, qui consistait à offrir des êtres humains – spécialement des enfants - en sacrifice dans les rites païens. Cependant, encore aujourd’hui, les statistiques disponibles sur les abus sexuels sur mineurs, établies par diverses organisations et organismes nationaux et internationaux (OMS, Unicef, Interpol, Europol et d’autres), ne présentent pas la véritable ampleur du phénomène, souvent sous-estimé principalement parce que de nombreux cas d’abus sexuels sur mineurs ne sont pas dénoncés[1], en particulier ceux, très nombreux, qui sont commis dans le milieu familial.

Rarement, en effet, les victimes se confient et cherchent de l’aide[2]. Derrière cette réticence, il peut y avoir la honte, la confusion, la peur de vengeance, la culpabilité, la méfiance dans les institutions, les conditionnements culturels et sociaux, mais aussi la désinformation sur les services et les structures qui peuvent aider. L’angoisse, malheureusement, conduit à l’amertume, voire au suicide, ou parfois à la vengeance en faisant la même chose. La seule chose certaine est que des millions d’enfants dans le monde sont victimes d’exploitation et d’abus sexuels.

Il serait important ici de rapporter les chiffres globaux – à mon avis toujours partiels - au niveau mondial[3], puis européen, asiatique, américain, africain et au niveau de l’Océanie, pour donner un aperçu de l’ampleur et de la profondeur de ce fléau dans nos sociétés[4]. Je voudrais, pour éviter des discussions inutiles, souligner avant tout que la mention de certains pays a comme unique objectif de citer les données statistiques figurant dans les Rapports susmentionnés.

La première vérité qui émerge des données disponibles est que ceux qui commettent les abus, autrement dit les violences (physiques, sexuelles ou émotionnelles), sont surtout les parents, les proches, les maris d’épouses mineures, les entraineurs et les éducateurs. En outre, d’après des données de l’Unicef pour l’année 2017 concernant 28 pays dans le monde, sur 10 jeunes filles qui ont eu des rapports sexuels forcés, 9 révèlent avoir été victimes d’une personne connue ou proche de leur famille.

D’après les données officielles du gouvernement américain, plus de 700 000 enfants aux États-Unis sont victimes, chaque année, de violences et de mauvais traitements, d’après l’International Center For Missing and Exploited Children (ICMEC), un enfant sur 10 subit des abus sexuels. En Europe, 18 millions d’enfants sont victimes d’abus sexuels[5].

Si nous prenons l’exemple de l’Italie, le rapport du "Téléphone bleu" souligne, pour l’année 2016, que 68,9% des abus se passent au sein du propre foyer du mineur[6].

Le théâtre des violences n’est pas seulement le milieu familial, mais aussi celui du quartier, de l’école, du sport[7] et, malheureusement aussi ecclésial.

Des études effectuées ces dernières années sur le phénomène des abus sexuels sur mineurs, il ressort également que le développement du web et des moyens de communication a contribué à accroitre notablement les cas d’abus et de violences commis on line. La diffusion de la pornographie se propage rapidement dans le monde à travers les réseaux. Le fléau de la pornographie a pris des proportions terrifiantes, avec des effets délétères sur le psychisme et sur les relations entre homme et femme, ainsi qu’entre eux et les enfants. C’est un phénomène en continuelle expansion. Une partie très importante de la production pornographique a tristement pour objet les mineurs qui sont ainsi gravement blessés dans leur dignité. Les études dans ce domaine, c’est triste, décrivent que cela se produit selon des modes de plus en plus horribles et violents ; on en arrive à l’extrême des actes d’abus sur mineurs commandités et suivis en direct à travers les réseaux[8].

Je rappelle ici le Congrès international qui s’est tenu à Rome sur le thème de la dignité de l’enfant à l’ère numérique ; ainsi que le premier Forum de l’Alliance interreligieuse pour des Communautés plus sûres, qui a eu lieu, sur le même thème, en novembre dernier, à Abou Dhabi.

Un autre fléau est le tourisme sexuel : d’après les données de 2017 de l’Organisation Mondiale du Tourisme, chaque année dans le monde, trois millions de personnes voyagent pour avoir des rapports sexuels avec un mineur[9]. Le fait que les auteurs de tels crimes, dans la plupart des cas, ne reconnaissent pas que ce qu’ils commettent est un crime, est significatif.

Nous sommes, donc, devant un problème universel et transversal qui, malheureusement, existe presque partout. Nous devons être clairs : l’universalité de ce fléau, alors que se confirme son ampleur dans nos sociétés[10], n’atténue pas sa monstruosité à l’intérieur de l’Église.

L’inhumanité du phénomène au niveau mondial devient encore plus grave et plus scandaleuse dans l’Église, parce qu’en contradiction avec son autorité morale et sa crédibilité éthique. La personne consacrée, choisi par Dieu pour guider les âmes vers le salut, se laisse asservir par sa propre fragilité humaine, ou sa propre maladie, devenant ainsi un instrument de Satan. Dans les abus, nous voyons la main du mal qui n’épargne même pas l’innocence des enfants. Il n’y a pas d’explications satisfaisantes pour ces abus sur des enfants. Humblement et courageusement, nous devons reconnaître que nous sommes devant le mystère du mal, qui s’acharne contre les plus fragiles parce qu’ils sont images de Jésus. C’est pourquoi dans l’Église s’est accrue, ces temps-ci, la prise de conscience de devoir non seulement chercher à enrayer les abus très graves par des mesures disciplinaires et des procédures civiles et canoniques, mais aussi d’affronter résolument le phénomène à l’intérieur comme à l’extérieur de l’Église. Elle se sent appelée à combattre ce mal qui touche le centre de sa mission : annoncer l’Évangile aux petits et les protéger des loups avides.

Je voudrais ici réaffirmer clairement : si dans l’Église on détecte même un seul cas d’abus – qui représente déjà en soi une horreur-, un tel cas sera affronté avec la plus grande gravité. Frères et sœurs, dans la colère légitime des personnes, l’Église voit un reflet de la colère de Dieu, trahi et frappé par ces consacrés malhonnêtes. L’écho du cri silencieux des petits, qui au lieu de trouver en eux une paternité et des guides spirituels ont trouvé des bourreaux, fera trembler les cœurs anesthésiés par l’hypocrisie et le pouvoir. Nous avons le devoir d’écouter attentivement ce cri silencieux étouffé.

Il est donc difficile de comprendre le phénomène des abus sexuels sur les mineurs sans considérer le pouvoir, étant donné qu’ils sont toujours la conséquence de l’abus de pouvoir, l’exploitation d’une position d’infériorité de l’être abusé sans défense qui permet la manipulation de sa conscience et de sa fragilité psychologique et physique. L’abus de pouvoir est présent aussi dans les autres formes d’abus dont sont victimes presque quatre-vingt-cinq millions d’enfants oubliés de tous : les enfants-soldats, les mineurs prostitués, les enfants sous-alimentés, les enfants enlevés et souvent victimes du monstrueux commerce des organes humains, ou transformés en esclaves, les enfants victimes des guerres, les enfants réfugiés, les enfants avortés, et ainsi de suite.

Devant tant de cruauté, tant de sacrifices idolâtriques des enfants au dieu du pouvoir, de l’argent, de l’orgueil, de l’arrogance, les seules explications empiriques ne sont pas suffisantes ; elles ne sont pas capables de faire comprendre l’ampleur et la profondeur de ce drame : Encore une fois l’herméneutique positiviste montre sa limite. Elle nous donne une véritable explication qui nous aidera à prendre les mesures nécessaires, mais elle n’est pas capable de nous donner une signification. Et nous, aujourd’hui, nous avons besoin d’explications et de significations. Les explications nous aideront beaucoup dans le champ opérationnel, mais elles nous laisseront à mi-chemin.

Quelle serait donc la “signification” existentielle de ce phénomène criminel? Tenant compte de son étendue et de sa profondeur humaine, il n’est aujourd’hui que la manifestation actuelle de l’esprit du mal. Sans avoir présente cette dimension nous resterons loin de la vérité et sans véritables solutions.

Frères et sœurs, nous sommes aujourd’hui face à une manifestation du mal, flagrante, agressive et destructrice. Derrière et à l’intérieur de tout cela, il y a l’esprit du mal qui, dans son orgueil et son arrogance, se sent le maître du monde[11] et pense avoir vaincu. Et cela, je voudrais vous le dire avec l’autorité d’un frère et d’un père, certes petit et pécheur, mais qui est pasteur de l’Eglise qui préside à la charité : dans ces cas douloureux, je vois la main du mal qui n’épargne même pas l’innocence des petits. Et cela me conduit à penser à l’exemple d’Hérode qui, poussé par la peur de perdre son pouvoir, ordonna de massacrer tous les enfants de Bethléem[12]. Derrière cela se trouve Satan.

Et de même que nous devons prendre toutes les mesures pratiques que le bon sens, les sciences et la société nous offrent, de même nous ne devons pas perdre de vue cette réalité et prendre les mesures spirituelles que le Seigneur lui-même nous enseigne : humiliation, accusation de nous-mêmes, prière, pénitence. C’est le seul moyen de vaincre l’esprit du mal. C’est ainsi que Jésus l’a vaincu[13].

L’objectif de l’Eglise sera donc celui d’écouter, de défendre, de protéger et de soigner les mineurs abusés, exploités et oubliés, où qu’ils se trouvent. L’Eglise, pour atteindre cet objectif, doit se mettre au-dessus de toutes les polémiques idéologiques et des politiques journalistiques qui instrumentalisent souvent, pour des intérêts divers, même les drames vécus par les petits.

L’heure est venue, par conséquent, de collaborer ensemble pour éradiquer cette brutalité du corps de notre humanité, en adoptant toutes les mesures nécessaires déjà en vigueur au niveau international et au niveau ecclésiastique. L’heure est venue de trouver le juste équilibre de toutes les valeurs en jeu et de donner des directives uniformes pour l’Eglise, en évitant les deux extrêmes d’un justicialisme, provoqué par le sens de la faute en raison des erreurs du passé et de la pression du monde médiatique, et d’une autodéfense qui n’affronte pas les causes et les conséquences de ces graves délits.

Dans ce contexte, je souhaite mentionner les “Best Practices” formulées, sous l’égide de l’Organisation Mondiale de la Santé[14], par un groupe de dix agences internationales qui a développé et approuvé un ensemble de mesures appelé INSPIRE, c’est-à-dire sept stratégies pour mettre fin à la violence contre les enfants[15].

Se prévalant de ces lignes-guide, l’Eglise, dans son itinéraire législatif, grâce aussi au travail accompli, ces dernières années, par la Commission Pontificale pour la Protection des Mineurs, et grâce à la contribution de notre présente rencontre, on se concentrera sur les dimensions suivantes :

1. La protection des enfants : l’objectif premier de toute mesure est celui de protéger les petits et d’empêcher qu’ils soient victimes de tout abus psychologique et physique. Il convient donc de changer les mentalités pour combattre l’attitude défensive et réactive visant à sauvegarder l’Institution, au bénéfice d’une recherche sincère et décidée du bien de la communauté, en donnant la priorité aux victimes des abus dans tous les sens du terme. Doivent toujours être présents sous nos yeux les visages innocents des petits, rappelant la parole du Maître : « Celui qui est un scandale, une occasion de chute, pour un seul de ces petits qui croient en moi, il est préférable pour lui qu’on lui accroche au cou une de ces meules que tournent les ânes, et qu’il soit englouti en pleine mer. Malheureux le monde à cause des scandales! Il est inévitable qu’arrivent les scandales ; cependant, malheureux celui par qui le scandale arrive! » (Mt 18, 6-7).

2. Un sérieux irréprochable : je voudrais redire ici que l’« l’Eglise ne se ménagera pas pour faire tout ce qui est nécessaire afin de livrer à la justice quiconque aura commis de tels délits. L’Eglise ne cherchera jamais à étouffer ou à sous-estimer aucun cas. » (Discours à la Curie romaine, 21 décembre 2018). En raison de sa conviction, « les péchés et les crimes des personnes consacrées se colorent de teintes encore plus sombres d’infidélité, de honte, et ils déforment le visage de l’Eglise en minant sa crédibilité. En effet, l’Eglise, ainsi que ses enfants fidèles, est aussi victime de ces infidélités et de ces véritables “délits de détournement” » (ibid.).

3. Une véritable purification : malgré les mesures prises et les progrès faits en matière de prévention des abus, il convient d’imposer un perpétuel et renouvelé engagement à la sainteté des pasteurs dont la configuration au Christ Bon Pasteur est un droit du peuple de Dieu. On rappelle donc « la ferme volonté de persévérer, de toutes ses forces, sur la route de la purification. L’Eglise s’interrogera sur comment protéger les enfants, comment éviter de telles catastrophes, comment soigner et réintégrer les victimes, comment renforcer la formation dans les séminaires […]. On cherchera à transformer les erreurs commises en opportunité pour éliminer ce fléau non seulement du corps de l’Eglise mais aussi de la société » (ibid.). La sainte crainte de Dieu nous porte à nous accuser nous-mêmes – comme personne et comme institution – et à réparer nos manquements. S’accuser soi-même : c’est un début de sagesse lié à la sainte crainte de Dieu. Apprendre à s’accuser soi-même, comme personne, comme institution, comme société. En réalité, nous ne devons pas tomber dans le piège d’accuser les autres, ce qui est un pas vers le prétexte qui nous sépare de la réalité.

4. La formation : autrement dit, les exigences de la sélection et de la formation des candidats au sacerdoce avec des critères non seulement négatifs, visant principalement à exclure les personnalités problématiques, mais aussi positifs en offrant un chemin de formation équilibré pour les candidats idoines, tendu vers la sainteté y compris la vertu de chasteté. Saint Paul VI, dans l’Encyclique Sacerdotalis caelibatus écrit : « Une vie qui, comme celle du prêtre gardant le célibat, comporte un si total et si intime engagement dans toute sa structure intérieure et extérieure, exclut en effet les sujets insuffisamment équilibrés du point de vue psychophysiologique et moral ; et l’on ne peut prétendre que, en ce domaine, la grâce supplée la nature » (n. 64).

5. Renforcer et vérifier les lignes-guides des Conférences Episcopales : c’est-à-dire réaffirmer l’exigence de l’unité des évêques dans l’application des mesures qui ont valeur de normes et non pas uniquement d’orientations. Des normes, pas uniquement des orientations. Aucun abus ne doit jamais être couvert (comme ce fut le cas par le passé) et sous-évalué, étant donné que la couverture des abus favorise l’expansion du mal et ajoute un nouveau scandale. En particulier, développer une nouvelle approche efficace pour la prévention dans toutes les institutions et les milieux des activités ecclésiales.

6. Accompagner les personnes victimes d’abus : Le mal qu’elles ont vécu laisse en elles des blessures indélébiles qui se manifestent également par des rancœurs et des tendances à l’autodestruction. L’Église a donc le devoir de leur offrir tout le soutien nécessaire en recourant à des experts dans ce domaine. Écouter, je me permets cette expression : ‘‘perdre du temps’’ dans l’écoute. L’écoute guérit le blessé et nous guérit aussi nous-mêmes de l’égoïsme, de la distance, du ‘‘cela ne me regarde pas’’, de l’attitude du prêtre et du lévite dans la parabole du bon samaritain.

7. Le monde digital : la protection des mineurs doit tenir compte des nouvelles formes d’abus sexuel et d’abus de tout genre qui les menacent dans les milieux où ils vivent et à travers les nouveaux instruments qu’ils utilisent. Les séminaristes, les prêtres, les religieux, les religieuses, les agents pastoraux et tous doivent être conscients que le monde digital et l’utilisation de ses instruments ont souvent plus d’impact qu’on ne le pense. Il faut ici encourager les pays et les Autorités à appliquer toutes les mesures nécessaires pour limiter les sites web qui menacent la dignité de l’homme, de la femme et en particulier des mineurs. Frères et sœurs, le crime ne jouit pas du droit de liberté. Il faut absolument nous opposer avec la plus ferme détermination à ces abominations, veiller et lutter afin que le développement des petits ne soit pas troublé ou brouillé par leur accès incontrôlé à la pornographie qui laissera des traces négatives profondes dans leur esprit et dans leur âme. Nous devons nous engager afin que les jeunes gens et les jeunes filles, en particulier les séminaristes et le clergé, ne deviennent pas des esclaves de dépendances fondées sur l’exploitation et l’abus criminel des innocents et de leurs images et sur le mépris de la dignité de la femme ainsi que de la personne humaine. Sont mises en évidence les nouvelles normes sur les ‘‘délits les plus graves’’ approuvées par le Pape Benoît XVI en 2010, auxquels était ajouté comme nouveau cas d’espèce de délit « l’acquisition, la détention ou la divulgation » par un clerc « d’images pornographiques de mineurs […], de quelque manière que ce soit et quel que soit l’instrument employé ». On parlait alors de « mineurs [de moins] de quatorze ans » ; à présent nous estimons nécessaire de hausser cette limite d’âge pour étendre la protection des mineurs et insister sur la gravité de ces faits.

8. Le tourisme sexuel : le comportement, le regard, l’esprit des disciples et des serviteurs de Jésus doivent savoir reconnaître l’image de Dieu dans chaque créature humaine, en commençant par les plus innocentes. C’est seulement en puisant dans ce respect radical de la dignité de l’autre que nous pourrons le défendre de la puissance déferlante de la violence, de l’exploitation, de l’abus et de la corruption, et le servir de manière crédible dans sa croissance intégrale, humaine et spirituelle, dans la rencontre avec les autres et avec Dieu. Afin de combattre le tourisme sexuel, il faut la répression judiciaire, mais aussi le soutien et des projets de réinsertion des victimes de ce phénomène criminel. Les communautés ecclésiales sont appelées à renforcer l’accompagnement pastoral des personnes exploitées par le tourisme sexuel. Parmi celles-ci, les plus vulnérables et ayant besoin d’une aide particulière sont sûrement les femmes, les mineurs et les enfants : ces derniers, toutefois, ont besoin d’une protection et d’une attention spéciales. Que les autorités gouvernementales leur accordent la priorité et agissent de toute urgence pour combattre le trafic et l’exploitation économique des enfants. À cet effet, il est important de coordonner les efforts à tous les niveaux de la société et aussi de collaborer étroitement avec les organisations internationales en vue d’élaborer un cadre juridique qui protège les mineurs contre l’exploitation sexuelle dans le tourisme et qui permette de poursuivre légalement les délinquants[16].

Permettez-moi maintenant d’adresser ma vive gratitude à tous les prêtres et à toute les personnes consacrées qui servent le Seigneur fidèlement et totalement et qui se sentent déshonorés et discrédités par les comportements honteux de quelques de leurs confrères. Nous portons tous – Eglise, personnes consacrées, peuple de Dieu, voire Dieu lui-même – les conséquences de leur infidélité. Je remercie, au nom de toute l’Église, la très grande majorité des prêtres qui non seulement sont fidèles à leur célibat mais se dépensent dans un ministère rendu aujourd’hui encore plus difficile par les scandales provoqués par un petit nombre (mais toujours trop nombreux) de leurs confrères. Et merci également aux fidèles qui connaissent bien leurs bons pasteurs et continuent de prier pour eux et de les soutenir.

Enfin, je voudrais souligner l’importance de la nécessité de transformer ce mal en une opportunité de purification. Regardons la figure d’Edith Stein – Sainte Thérèse Bénédicte de la Croix, - certaine que « dans la nuit la plus obscure surgissent les plus grands prophètes et les plus grands saints. Mais le courant vivifiant de la vie mystique demeure invisible. Il est certain que les événements décisifs de l’histoire du monde ont été essentiellement influencés par des âmes dont rien n’est dit dans les livres d’histoire. Et quelles sont les âmes que nous devrons remercier pour les événements décisifs de notre vie personnelle, c’est une chose que nous saurons seulement le jour où tout ce qui est caché sera manifesté ». Le saint peuple fidèle de Dieu, dans son silence quotidien, sous de nombreuses formes et de bien des manières continue de rendre visible et atteste, avec une espérance ‘‘obstinée’’, que le Seigneur n’abandonne pas, qu’il soutient le dévouement constant et, en de nombreuses situations, souffrant de ses fils. Le saint et patient peuple fidèle de Dieu, soutenu et vivifié par l’Esprit Saint, est le meilleur visage de l’Église prophétique qui sait mettre au centre son Seigneur en se donnant chaque jour. Ce sera précisément ce saint peuple de Dieu qui nous libérera du fléau du cléricalisme, terrain fertile de toutes ces abominations.

Le meilleur résultat et la plus efficace résolution que nous puissions offrir aux victimes, au peuple de la Sainte Mère Église et au monde entier, c’est l’engagement à une conversion personnelle et collective, l’humilité d’apprendre, d’écouter, d’assister et de protéger les plus vulnérables.

Je lance un appel pressant pour la lutte, à tous les niveaux, contre les abus sur mineurs - dans le domaine sexuel comme dans d’autres domaines - de la part de toutes les autorités comme des personnes individuelles, car il s’agit de crimes abominables qui doivent disparaître de la face de la terre. Beaucoup de victimes cachées dans les familles et dans divers milieux de nos sociétés, le demandent.



[1] Cf. Maria Isabel Martinez Perez, Abusos sexuales en niños y adolescentes, Ed. Criminología y Justicia, 2012 : sont dénoncés seulement 2% des cas, surtout quand les abus se produisent dans le milieu familial. On estime de 15% à 20% des victimes de pédophilies dans notre société. Seulement 50% des enfants révèlent l’abus qu’ils ont subi et, dans ces cas, seul 15% sont effectivement dénoncés. Et seulement 5% sont finalement jugés.

[2]1 cas sur 3 n’en parle avec personne (Données 2017 recueillies par l’organisation no-profit THORN).

[3] Niveau mondial : en 2017, l’Oms a estimé que jusqu’à un milliard de mineurs âgés de 2 à 17 ans a subi des violences ou des négligences physiques, émotionnelles ou sexuelles. Les abus sexuels (des attouchements au viol), d’après certaines estimations de l’Unicef de 2014, concerneraient plus de 120 millions de fillettes, parmi lesquels on constate le plus grand nombre de victimes. En 2017, la même organisation Onu a indiqué que dans 38 pays du monde, à faible et moyen revenu, presque 17 millions de femmes adultes ont reconnu avoir eu un rapport sexuel forcé pendant l’enfance.

Europe : en 2013, l’Oms a estimé que plus de 18 millions de personnes ont été victimes d’un abus. D’après l’Unicef, dans 28 pays européens, environ 2,5 millions de jeunes femmes ont déclaré avoir subi des abus sexuels avec ou sans contact physique avant leur 15 ans (données diffusées en 2017). En outre, 44 millions (correspondant à 22,9%) ont été victimes de violence physique, et 55 millions (29,6%) de violence psychologique. Et pas seulement : en 2017, le Rapport Interpol sur l’exploitation sexuelle des mineurs a conduit à identifier 14 289 victimes dans 54 pays européens. En ce qui concerne l’Italie en 2017, le Cesvi a estimé que 6 millions d’enfants ont subi des mauvais traitements. En outre, d’après les données établies par le "Téléphone bleu", dans la période du 1er janvier au 31 décembre 2017, les cas d’abus sexuels et de pédophilie gérés par le Service 114 Urgence Enfance ont été de 98, ce qui correspond à 7,5% de la totalité des cas gérés par le Service. 65% des mineurs demandant de l’aide étaient constitués par des victimes de sexe féminin et en outre 40% avaient un âge inférieur à 11 ans.

Asie : En Inde dans la décennie 2001-2011, l’"Asian Center for Human Rights"a constaté un total de 48 338 cas de viols de mineurs, avec une augmentation égale à 336% : de 2113 cas en 2001, en effet, on est arrivé à 7112 cas en 2011.

Amérique : aux Etats Unis les données officielles du gouvernement observent que plus de 700 000 enfants, chaque année, sont victimes de violence et de mauvais traitements. D’après l’International Center for Missing and Exploited Children (Icmec), un enfant sur 10 subit des abus sexuels.

Afrique : en Afrique du Sud, les données d’une recherche menée par le Centre pour la justice et la prévention des crimes de l’Université de la Ville du Cap, a montré, en 2016, qu’un jeune sud-africain sur trois, masculin ou féminin, est menacé d’abus sexuels avant d’avoir atteint ses 17 ans. D’après l’étude, la première du genre à l’échelle nationale en Afrique du Sud, 784 967 jeunes âgés entre 15 et 17 ans ont déjà subi des abus sexuels. Les victimes dans ce cas sont principalement des jeunes garçons. Pas même un tiers a dénoncé les violences aux Autorités. Dans d’autres pays africains, les abus sexuels sur les mineurs s’insèrent dans le contexte plus large des violences liées aux conflits qui ensanglantent le continent et sont difficilement quantifiables. Le phénomène est aussi étroitement lié à la pratique des mariages précoces répandus dans différentes nations africaines et pas seulement.

Océanie: en Australie, d’après les données diffusées par l’Australian Institute of Health and Welfare (Aihw), en février 2018, concernant les années 2015-2017, une femme sur 6 (16%, autrement dit 1,5 millions) a signalé avoir subi des abus physiques et/ou sexuels avant leurs 15 ans, et un homme sur 9 (11%, c’est-à-dire 992 000) a indiqué avoir fait l’expérience de cet abus quand il était jeune. En 2015-2016, en outre, environ 450 000 enfants ont été l’objet de mesures de protection de l’enfance, et 55 600 mineurs ont été éloignés de leur foyer pour soigner les abus subis et éviter d’autres. Enfin, ne pas oublier les risques encourus par les mineurs indigènes : toujours d’après l’Aihw, En 2015-2016, les enfants indigènes ont eu 7 fois plus de probabilité d’être l’objet d’abus ou d’abandon par rapport à leurs camarades non indigènes (cf. http://www.pbc2019.org/it/protezione-dei-minori/abuso-dei-minori-a-livello-globale).

[4]Les données rapportées se réfèrent à un échantillonnage de pays choisis sur la fiabilité des sources disponibles. Les recherches diffusées par l’Unicef sur 30 pays confirment ce fait : un petit pourcentage de victimes a affirmé avoir demandé de l’aide.

[5]Cf. https://www.repubblica.it/salute/prevenzione/2016/05/12/news/maltrattamenti-sui_minori_tutti_gli_abusi - 139630223.

[6]Plus particulièrement, le présumé responsable de la souffrance subie par un mineur est, dans 73,7% des cas un parent (la mère dans 44,2% des cas et le père dans 29,5%), un membre de la famille dans 3,3% des cas, un ami dans 3,2%, une connaissance dans 3%, un enseignant dans 2,5% des cas. Les données mettent en lumière le fait que le responsable est une personne extérieure adulte dans un petit pourcentage de cas (2,2%) (cf. Ibid.).

[7] Une étude anglaise de 2011, réalisée par le Nspcc (National Society for the Prevention of Cruelty to Children), a indiqué que 29% des sujets interrogés rapportaient avoir subi des harcèlements sexuels (physiques et verbaux) dans les centres où ils pratiquaient un sport.

[8]D’après les données 2017 de l’IWF (Internet Watch Foundation), toutes les 7 minutes une page web envoie des images d’enfants sexuellement abusés. En 2017, ont été identifiés 78 589 URL contenant des images d’abus sexuels, concentrés en particulier dans les Pays-Bas, suivis par les États-Unis, le Canada, la France et la Russie. 55% des victimes ont moins de 10 ans, 86% sont des filles, 7% des garçons, 5% les deux.

[9] Les destinations les plus fréquentes sont le Brésil, la république Dominicaine, la Colombie, outre la Thaïlande et le Cambodge. A celle-ci se sont ajoutées certains pays d’Afrique et de l’Europe de l’Est. Les six premiers pays de provenance de ceux qui commettent les abus, en revanche, sont la France, l’Allemagne, le Royaume Uni, la Chine, le Japon et l’Italie. A ne pas négliger non plus le nombre croissant des femmes qui voyagent dans les pays en voie de développement à la recherche de sexe moyennant paiement avec des mineurs : au total elles représentent 10% des touristes sexuels dans le monde. De plus selon une étude conduite par Ecpat Iternational (End Child Prostitution in Asian Tourism) entre 2015 et 2016, 35% des touristes sexuels pédophiles étaient des clients habituels, et que 65% des clients occasionnels (cf. https://www.osservatoriodiritti.il/2018/03/27/turismo-sessuale-minorile-nel-mondo-italia-ecpat).

[10] « Si cette très grave calamité est parvenue à toucher certains ministres consacrés, on se demande dans quelle mesure elle est profonde dans nos sociétés et dans nos familles ? » (Discours à la Curie romaine, 21 décembre 2018).

[11] Cf. R.H. Benson, The Lord of the World, Dodd, Mead and Company, London 1907.

[12] « Quare times, Herodes, qui audis Regem natum ? Non venit ille ut te excludat, sed ut diabolum vincat. Sed tu haec non intelligens turbaris et saevis ; et ut perdas unum quem quaeris, per tot infantium mortes efficeris crudelis […] Necas parvulos corpore quia te necat timor in corde » (S. Quadvultdeus, Sermo 2 de Symbolo : PL 40, 655).

[13] « Quemadmodum enim ille, effuso in scientiae lignum veneno suo, naturam gusto corruperat, sic et ipse dominicam carnem vorandam presumens, Deitatis in ea virtute, corruptus interitusque sublatus est » (Maximus Confessor, Centuria 1, 8-13 : PG, 1182-1186).

[14](CDC : United States Centers for Disease Control and Prevention ; CRC : Convention on the Rights of the Child ; End Violence Against Children : The Global Partnership ; PAHO : Pan American Health Organization ; PEPFAR : President’s Emergency Program for AIDS Relief ; TfG : Together for Girls; Unicef: United Nations Children’s Fund; UNODC: United Nations Office on Drugs and Crime; USAID: United States Agency for International Development; WHO: World Health Organization).

[15] Chaque lettre du mot INSPIRE représente une des stratégies, et la plupart a démontré avoir des effets préventifs contre divers types de violence, en plus d’effets bénéfiques dans des domaines comme la santé mentale, l’éducation et la réduction de la criminalité. Les sept stratégies sont les suivantes : Implementation and enforcement of laws : mise en œuvre et application des lois (par exemple, interdire les disciplines violentes et limiter l’accès à l’alcool et aux armes à feu) ; Norms and values : normes et valeurs à changer (par exemple, celles qui pardonnent l’abus sexuel sur les filles ou le comportements agressifs entre garçons) ; Safe environments : milieux sûrs (par exemple identifier dans les quartiers les “points chauds” de violence et affronter les causes locales à travers une politique qui résolve les problèmes et autres interventions) ; Parent and caregiver support : parents et soutiens de l’assistant familial (par exemple en fournissant une formation aux parents pour les jeunes, aux nouveaux parents) ; Income and economic strengthening : revenu et renforcement économique (comme le micro crédit et la formation à l’égalité des sexes) ; Response and support services : services de réponse et de soutien (par exemple, garantir que les enfants exposés à la violence puissent accéder à des soins d’urgence efficaces et recevoir un soutien psycho-social adapté) ; Education and life skills : instruction et habilitation à la vie (par exemple, garantir que les enfants fréquentent l’école et fournir les compétence sociales).

[16] Cf. Document final du VIème Congrès mondial sur la pastorale du tourisme, 27 juillet 2004.
TESSENS Lucas
Een bijdrage aan het debat: Periodisering geschiedenis van Congo
Edited: 201902221605
Een periodisering is altijd een heikel thema, maar toch nuttig om de feiten enige structuur te geven.





Hier een eerste opgooi:
• 1885-1895: vestiging EIC met inzet van huurlegers, een verlieslatend project, roofeconomie, contacten Leopold II met Vatikaan, rol van de eerste missies (occupatio)
• 1895-1908: EIC winstgevend en positieve handelsbalans, roofeconomie, toewijzing van reuze-concessies aan grootkapitaal, toenemende kritiek van GBR (Morel) op Leopold II
• 1908-1934: België krijgt een uitgeklede kolonie, grootschalige mijnprospectie, diamant in de Kasaî, crisis 1929
• 1934-1940: periode G.G. Ryckmans (ook tijdens WO II)
• 1940-1945: regering in London, L’Effort de Guerre (onder dwang), uraniumcontracten UMHK (Sengier) en geopolitieke rol van Congo (cfr. Van Rossem)
• 1945-1956: na-oorlog schept hoop op dekolonisatie worldwide, de schok van 'Bantoe-Filosofie' door P. Tempels, nieuwe lichting ambtenaren, eerste kritische geluiden (Vandeputte, Walschap), Conferentie van Bandung (1955)
• 1956-1960: Le manifeste Conscience africaine (1956) als een kruispunt van ideeën, rellen van 1959, paniekpolitiek, Ronde Tafels (politieke en economische)
• Na 1960: boek Joye over Trusts in Congo (koloniale holdings o.l.v. Société Générale), secessie Katanga, UNO, moord op Lumumba (19610117), Hammarskjöld +, Mobutu, de satire van Hugo Claus over Leopold II (1970), de boeken van Delathuy/Jules Marchal (vanaf 1985), het boek Rood Rubber van Vangroenweghe (in eigen beheer, 1985), boek van Hochschild, boek van Buch & Vanderlinden over uranium (1995), Kabila sr, Kabila jr, de getrukeerde maar toegedekte verkiezing van Tshisekedi, het onvolwassen ‘excuse/sorry-debat’ in België, ...
AIRBUS
Airbus stopt productie A380 - persbericht. Boeing drinkt champagne
Edited: 201902140661
Following a review of its operations, and in light of developments in aircraft and engine technologies, Emirates is reducing its A380 orderbook from 162 to 123 aircraft. Emirates will take delivery of 14 further A380s over the next two years. As a consequence and given the lack of order backlog with other airlines, Airbus will cease deliveries of the A380 in 2021.

Emirates has also decided to continue growing with Airbus’ newest generation, flexible widebody aircraft, ordering 40 A330-900 and 30 A350-900 aircraft.

“As a result of this decision we have no substantial A380 backlog and hence no basis to sustain production, despite all our sales efforts with other airlines in recent years. This leads to the end of A380 deliveries in 2021,” said Airbus Chief Executive Officer Tom Enders. “The consequences of this decision are largely embedded in our 2018 full year results”.

“The A380 is not only an outstanding engineering and industrial achievement. Passengers all over the world love to fly on this great aircraft. Hence today’s announcement is painful for us and the A380 communities worldwide. But, keep in mind that A380s will still roam the skies for many years to come and Airbus will of course continue to fully support the A380 operators,” Tom Enders added.

“The A380 is Emirates’ flagship and has contributed to the airline’s success for more than ten years. As much as we regret the airline’s position, selecting the A330neo and A350 for its future growth is a great endorsement of our very competitive widebody aircraft family,” said Guillaume Faury, President of Airbus Commercial Aircraft and future Airbus CEO. “Going forward, we are fully committed to deliver on the longstanding confidence Emirates is placing in Airbus.”

Airbus will start discussions with its social partners in the next few weeks regarding the 3,000 to 3,500 positions potentially impacted over the next three years. However, the ongoing A320 ramp-up and the new widebody order from Emirates Airline will offer a significant number of internal mobility opportunities.
FRANCE 2
Complément d'enquête. Carburant : petites magouilles et gros trafics - 6 décembre 2018 (France 2)
Edited: 201812230019
Le litre de gasoil atteint 2 euros dans certaines stations. Le prix de l’essence flambe, les Français sont fous de rage, et le réservoir de leur voiture est devenu un coffre-fort. Comment faire le plein lorsqu’on n’en a pas les moyens ? C’est la débrouille, plus ou moins légale.

Quelque 8 630 affaires de "filouterie" liées au vol d’essence ont été traitées l’an dernier par la justice. En ville, les ventes de boîtiers "Flex fuel" explosent. Pour quelques centaines d’euros, ce dispositif permet aux véhicules essence de rouler à l’éthanol, qui coûte environ 0,70 euro le litre. A la campagne, on fait en cachette le plein de "rouge", le fioul domestique, beaucoup moins cher car moins taxé. Même si c’est interdit !

Des professionnels de la rapine.

Plus malin : des hackers vendent sur Le Bon Coin des télécommandes qui permettent de pirater les pompes à essence. Ou comment discrètement remplir son réservoir pour zéro euro le litre. Ce sont aussi les professionnels de la rapine, ces voleurs qui la nuit siphonnent les poids lourds et engins de chantier. C’est devenu si fréquent que certains chauffeurs préfèrent laisser leur réservoir ouvert plutôt que de se le faire fracturer.

Mais il n’y a pas que les petites combines : le vol et trafic d’essence sont devenus si rentables que le crime organisé s’y est plongé. Aujourd’hui, en Italie, un plein sur dix vient du trafic de pétrole libyen. En Grèce, c’est 20% du carburant vendu dans les stations-service qui est illégal. Contrebande, pipe-lines percés et piratés ou détournement de navires remplis de carburant : les mafias ne reculent devant rien.

Au total, le marché noir de produits pétroliers pèse 120 milliards d’euros par an. Du voleur occasionnel aux gangs organisés et au trafic international de carburant, "Complément d’enquête" s’immerge dans ce liquide qui rend fou.

Une enquête réalisée par Irène Bénéfice, Thomas Lelong et Louis Milano-Dupont.

Invités : Julia Cagé, économiste, professeur à Sciences Po Paris, Laurent Castaignède, ingénieur, spécialiste des transports.

LT
Frankrijk houdt adem in voor betoging van gele hesjes in Parijs en elders
Edited: 201812071305
Jean-Luc Mélenchon spreekt van 'une révolution citoyenne'.
De beperkte reeks eisen van de gele hesjes is blijkbaar geplukt uit het coherente programma van LFI (La France Insoumise).
De woede van de Fransen zit diep en verspreidt zich razendsnel over brede lagen van de bevolking: jongeren, spoorwegarbeiders, ambulanciers, verplegers, ... De klassieke recepten van de politieke klasse werken niet meer omdat de communicatie totaal zoek is, omdat er geen gesprekspartner is.
De toegeving van de regering om de 'surtaxes' op brandstoffen te schrappen uit de begroting 2019 komt te laat en waarschijnlijk brandt Parijs morgen. Dat het chique centrum van Parijs wordt geviseerd is geen toeval en heeft een symbolische betekenis.
Het wordt bang afwachten of de vakbonden (CGT e.a.) de beweging kunnen kanaliseren. Is dat niet het geval dan wordt het heel moeilijk voor de regering en voor de arrogante neo-liberale president Macron. Natuurlijk valt de kop van de regering dan eerst. De vervanging van Philippe wordt volgende week verwacht.
Immers, zonder het volk regeren is moeilijk, tegen het volk regeren is politieke zelfmoord.
De kern van de zaak: onrechtvaardige belastingen, een historische constante bij het uitbreken van volksopstanden.


FRANCISCUS
Lees de brief van paus Franciscus over seksueel misbruik
Edited: 201808201599
Lees de brief van paus Franciscus over seksueel misbruik
KERKNET-REDACTIESchrijf je in op de nieuwsbrief - 10 MINUTEN LEESTIJD
Na het verbijsterende rapport over seksueel misbruik door priesters in Pennsylvania, schrijft paus Franciscus een brief ‘aan het volk van God’.
Wanneer een lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden. (1 Korintiërs 12, 26) Deze woorden van Sint-Paulus weerklinken krachtig in mijn hart als ik nogmaals het lijden vaststel dat vele minderjarigen ondergaan door seksueel misbruik, machtsmisbruik en misbruik van geweten door een groot aantal geestelijken en godgewijde personen. Misdaden die diepe wonden van pijn en machteloosheid veroorzaken, voornamelijk onder de slachtoffers, maar ook bij hun familieleden en in de grotere gemeenschap van zowel gelovigen als niet-gelovigen.

Als we naar het verleden kijken, weten we dat we nooit genoeg kunnen doen wanneer we om vergeving vragen en de schade proberen te herstellen. En als we naar de toekomst kijken, moet geen moeite worden gespaard om een ​​cultuur te creëren waarin dergelijke situaties niet meer kunnen voorkomen, laat staan dat ze kunnen worden afgedekt en daardoor bestendigd. De pijn van de slachtoffers en hun families is ook onze pijn. Daarom moeten we dringend nog eens ons engagement bevestigen om de bescherming van minderjarigen en kwetsbare volwassenen te verzekeren.

1. Wanneer een lid lijdt ...
In de afgelopen dagen werd een rapport openbaar gemaakt waarin de ervaringen van minstens duizend overlevenden werden beschreven, allemaal slachtoffers van seksueel misbruik, machts- en gewetensmisbruik door priesters in een periode van ongeveer 70 jaar. Hoewel we kunnen zeggen dat de meeste van deze gevallen tot het verleden behoren, hebben we toch de pijn van veel van de slachtoffers leren kennen.

We beseffen dat deze wonden nooit verdwijnen en dat ze ons dwingen deze gruweldaden te veroordelen en met vereende krachten deze cultuur van de dood te ontwortelen.

Deze wonden verdwijnen nooit.
De hartverscheurende pijn van deze slachtoffers, die het uitschreeuwen tot in de hemel, werd lang genegeerd, stil gehouden of het zwijgen opgelegd. Maar de schreeuw was krachtiger dan alle maatregelen die haar tot zwijgen wilden brengen en dan beslissingen die een oplossing moesten bieden, maar het in feite nog erger maakten door in medeplichtigheid te vallen. De Heer hoorde die roep en liet ons opnieuw zien aan welke kant Hij staat. Maria's lied is geen vergissing en blijft door de eeuwen heen zacht echoën. Want de Heer herinnert zich de belofte aan onze voorouders: Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. (Lucas 1, 51-53)

Beschaamd beseffen we dat onze levenswijze onze woorden heeft ontkend en blijft ontkennen.
Met schaamte en berouw erkennen we als een kerkelijke gemeenschap dat we niet waren waar we moesten zijn, dat we niet tijdig hebben gehandeld en ons bewust waren van de omvang en de ernst van de schade die aan zoveel levens werd toegebracht. We toonden geen zorg voor de kleinen; we lieten ze in de steek.

Ik maak me de woorden van toenmalig kardinaal Ratzinger eigen wanneer hij zich tijdens de kruisweg voor Goede Vrijdag in 2005 identificeerde met de kreet van pijn van zoveel slachtoffers en riep: Hoeveel vuiligheid is er in de Kerk, en zelfs onder hen die als priesters volledig aan [Christus] zouden moeten toebehoren! Hoeveel trots, hoeveel zelfvoldaanheid! Het verraad van Christus door zijn leerlingen, hun onwaardige ontvangst van zijn lichaam en bloed, is stellig het grootste leed dat de Verlosser te verduren heeft; het doorboort zijn hart. We kunnen enkel tot Hem roepen vanuit de diepte van ons hart: Kyrie eleison - Heer, red ons! (Matteüs 8, 25) (negende statie).

2. ... delen alle ledematen in het lijden
De omvang en de ernst van alles wat er is gebeurd, vereist een alomvattende en gecoördineerde aanpak. Hoewel het belangrijk en noodzakelijk is voor elke weg tot bekering om de volle waarheid te erkennen, dit is op zich niet genoeg.

Vandaag worden we als Volk van God uitgedaagd om de pijn van onze broeders en zusters die fysiek en mentaal verwond werden, op ons te nemen.
Waar we in het verleden reageerden met verwaarlozing, moet solidariteit voortaan in de diepste en meest uitdagende zin onze handelwijze zijn in heden en toekomst. En dit in een omgeving waar conflicten, spanningen en alle slachtoffers van elk type misbruik een uitgestoken hand kunnen vinden om hen te beschermen en hen te redden van hun pijn (vergelijk Evangelii Gaudium 228).

Een dergelijke solidariteit vereist dat we op onze beurt alles veroordelen wat de integriteit van een persoon in gevaar brengt. Een solidariteit die ons oproept om alle vormen van corruptie te bestrijden, vooral spirituele corruptie. Dit laatste is een comfortabele en zelfvoldane vorm van blindheid. Alles lijkt dan aanvaardbaar: bedrog, laster, egoïsme en andere subtiele vormen van egocentrisme, want ‘de satan zelf vermomt zich als een engel van het licht' (2 Korintiërs 11, 14) (Gaudete et Exsultate, 165). De aansporing van Sint-Paulus om te lijden onder hen die lijden, is het beste tegengif tegen al onze pogingen om de woorden van Kaïn te herhalen: Ben ik de hoeder van mijn broer? (Genesis 4,9).

Ik ben me bewust van de moeite en het werk dat in verschillende delen van de wereld wordt gedaan om de nodige manieren te vinden om de veiligheid en bescherming van de integriteit van kinderen en kwetsbare volwassenen te garanderen, en ook van het implementeren van nultolerantie en manieren om mensen die overtredingen begaan of misdaden toedekken, voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen.

We hebben getalmd om acties en sancties toe te passen die zo noodzakelijk zijn, maar ik ben er zeker van dat ze zullen helpen om een ​​grotere zorgcultuur te garanderen vanaf nu.
Hand in hand met die inspanningen moeten alle gedoopten zich betrokken voelen bij de kerkelijke en sociale verandering die we zo hard nodig hebben. Deze verandering vraagt ​​om een ​​persoonlijke en gemeenschappelijke bekering die ons de zaken doet zien zoals de Heer ze ziet. Paus Joannes Paulus II zei vaak: Als we echt opnieuw beginnen vanuit de beschouwing van Christus, dan leren we Hem te zien in de gezichten van de mensen met wie Hij wilde geïdentificeerd worden. (Novo Millennio ineunte, 49).

Om de realiteit te zien zoals de Heer doet, om te zijn waar de Heer wil dat we zijn, om een ​​bekering van hart in zijn aanwezigheid te ervaren. Om dit te doen, zullen gebed en boetedoening helpen. Ik nodig het hele trouwe gelovige volk van God uit voor een boetedoening van gebed en vasten, volgens het bevel van de Heer. Dit kan ons geweten wakker schudden en onze solidariteit en toewijding aanwakkeren tot een cultuur van zorg die nooit meer zegt tegen elke vorm van misbruik.

Er bestaat geen bekering van de Kerk zonder de actieve deelname van alle leden van Gods Volk.
Sterker nog, telkens wanneer we probeerden om het Volk van God te vervangen, dood te zwijgen, te negeren of te verengen tot kleine elites, creëerden we gemeenschappen, projecten, theologische benaderingen, spiritualiteiten en structuren zonder wortels, zonder geheugen, zonder gezichten, zonder lichamen en uiteindelijk zonder leven.

Het wordt duidelijk in een bepaalde opvatting van het gezag van de Kerk, die voorkomt in veel gemeenschappen waar seksueel misbruik en machts- en gewetensmisbruik plaatsvonden. Denk aan klerikalisme, een benadering die niet alleen de persoonlijkheid van christenen vernietigt, maar ook afdoet aan de genade van het doopsel, dat de Heilige Geest in het hart van ons volk uitstortte. Of klerikalisme nu door priesters of door leken tot stand komt, het leidt tot een snee in het kerkelijke lichaam die veel van het kwaad dat we vandaag veroordelen, bevordert en in stand houdt.

Nee zeggen tegen misbruik, is ook nadrukkelijk nee zeggen tegen alle vormen van klerikalisme.
Het is altijd goed te onthouden dat in de heilsgeschiedenis de Heer één volk heeft gered. Je identiteit is niet volledig als je niet tot een volk behoort. Daarom is niemand alleen gered, als een geïsoleerd individu. Integendeel, God trekt ons naar zich toe, rekening houdend met het complexe weefsel van interpersoonlijke relaties in de menselijke gemeenschap. God wilde het leven en de geschiedenis van een volk binnengaan. (Gaudete et Exsultate, 6).

Daarom kunnen we op dit kwaad, dat zoveel levens verduisterde, alleen maar samen antwoorden door het te beleven als een taak die ons allemaal aangaat, als het Volk van God. Dit besef deel uit te maken van een volk en een gedeelde geschiedenis zal ons in staat stellen om onze zonden en fouten uit het verleden te erkennen met een berouwvolle openheid die toelaat om van binnenuit vernieuwd te worden.

Zonder de actieve deelname van alle leden van de Kerk zijn alle inspanningen om de cultuur van misbruik in onze gemeenschappen te ontwortelen en de noodzakelijke dynamiek voor degelijke en realistische verandering teweeg te brengen, tevergeefs.
De boetvaardige dimensie van vasten en gebed zal ons als Gods volk helpen om voor de Heer te komen staan, en voor onze gewonde broeders en zusters, als zondaars die om vergeving smeken en om de genade van schaamte en bekering. Zo zullen we op ideeën komen voor acties en maatregelen afgestemd op het evangelie. Want: Telkens als we de moeite doen om terug te keren naar de bron en de originele frisheid van het Evangelie herontdekken, ontstaan nieuwe wegen, openen zich nieuwe mogelijkheden van creativiteit, met verschillende vormen van expressie, welsprekender tekenen en woorden met een nieuwe betekenis voor de wereld van vandaag. (Evangelii Gaudium , 11).

Het is essentieel dat wij, als Kerk, in staat zijn om met verdriet en schaamte de wreedheden te erkennen en te veroordelen, begaan door godgewijde personen, geestelijken, en mensen belast met de missie om te zorgen voor de meest kwetsbaren. Laten we vergeving vragen voor onze eigen zonden en de zonden van anderen. Een besef van zonde helpt ons om de fouten, misdaden en wonden uit het verleden te erkennen en maakt ons in het heden meer open en toegewijd op weg naar hernieuwde bekering.

Zo ook zullen boetedoening en gebed ons helpen om onze ogen en ons hart voor het lijden van andere mensen te openen en om de dorst te weerstaan naar macht en bezit, zo vaak de oorzaak van deze vormen van kwaad. Mogen vasten en bidden onze oren openen voor de verzwegen pijn van kinderen, jongeren en gehandicapten. Een vasten dat ons hongerig en dorstig naar gerechtigheid kan maken en ons ertoe aanzet in de waarheid te staan en alle gerechtelijke maatregelen te ondersteunen die nodig zijn. Een vasten dat ons wakker schudt en ons toegewijd maakt aan de waarheid en de naastenliefde met alle mannen en vrouwen van goede wil, en de samenleving in het algemeen op de strijd tegen alle vormen van machtsmisbruik, seksueel misbruik en het misbruik van het geweten.

Op deze manier kunnen we duidelijk onze roeping laten zien als een teken en instrument van communie met God en van de eenheid van het hele menselijke ras. (Lumen Gentium, 1)

Als één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden, zei Sint-Paulus. Door een houding van gebed en boetedoening, stemmen we ons als individu en als gemeenschap af op deze oproep, zodat we groeien in de gave van mededogen, in rechtvaardigheid, preventie en herstel.

Maria koos ervoor om aan de voet van het kruis van haar Zoon te staan. Zonder aarzeling stond ze vastberaden naast Jezus. Zo had ze haar hele leven gedaan. Als we de verwoesting voelen veroorzaakt door kerkelijke wonden, doen we er goed aan om met Maria meer op het gebed aan te dringen, om des te meer te groeien in liefde en trouw aan de Kerk (Sint-Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen 319). Zij, de eerste van de leerlingen, leert ons allen als leerlingen hoe we moeten halt houden bij het lijden van onschuldigen, zonder excuses of lafheid.

Naar Maria kijken, is het model ontdekken van een ware volgeling van Christus.
Moge de Heilige Geest ons de genade van bekering schenken en de innerlijke zalving die nodig is om onze wroeging te uiten en onze vaste wil om deze misdaden van mishandeling moedig te bestrijden.

Vaticaanstad, 20 augustus 2018

Franciscus

Gepubliceerd op maandag 20 augustus 2018 - 15:52
LT
Is België een Franse kolonie?
Edited: 201806230028
In het dossier van de aankoop van nieuwe jachtvliegtuigen moet de Rafale niet via de offerteronde passeren om toch in aanmerking te komen. Een glaasje champagne met Macron drinken is voldoende.
Ook het dossier Engie en de kernuitstap loopt helemaal via het kanaal van de achterkamertjes.
In beide gevallen is de MR aan zet.
Radiovisie
Denemarken schaft kijk- en luistergeld af
Edited: 201803224578
Denemarken gaat het kijk- en luistergeld voor de publieke omroep afschaffen, vermoedelijk per 1 januari 2019. Dit is het gevolg van de invoering van een nieuwe mediawet. Als gevolg hiervan krijgt Danmarks Radio (DR) twintig procent minder budget ter beschikking. De financiering zal in de toekomst gebeuren uit belastinginkomsten.

Momenteel betalen de Denen jaarlijk 339,00 euro kijk- en luistergeld. Goed voor een totale opbrengst van 497 miljoen waarvan het overgrote gedeelte naar de publieke omroep DR gaat. Een klein deel is bedoeld voor de commerciële zender TV2. Het grootste budget komt uit reclame-inkomsten. Door het afschaffen van het kijk- en luistergeld moet de DR de komende jaren flink bezuinigen. De Deense publieke radio en tv is geheel reclamevrij.

Maria Rørbye Rønn, baas van de publieke omroep: “Het wegvallen van bijna 104 miljoen euro is een hoop geld en heeft grote consequenties voor de productie van nieuwe Deense programma’s. Het zal te merken zijn voor kijkers en luisteraars. Mijn taak is nu om de DR economisch in evenwicht te houden en te zorgen dat er een nieuwe strategie voor de toekomst komt.”

Denemarken is niet het eerste land waar het kijk- en luistergeld wordt afgeschaft. In Nederland gebeurde dit al in 2001. Vlaanderen volgde een jaar later. In Wallonië zijn er plannen om deze belasting, mogelijk nog dit jaar af te schaffen. In Duitsland, Franrijk en Engeland betalen inwoners nog altijd hun bijdragen. Zwitserland stemde onlangs, tijdens een referendum tegen het afschaffen van het kijk- en luistergeld. (radio.nl)
BMA
Het Mededingingscollege van de BMA keurt het verwerven van gezamenlijke zeggenschap over Mediafin door Roularta en Rossel goed
Edited: 201803072514
PERSBERICHT
Nr. 4/2018
07 maart 2018
Het Mededingingscollege van de BMA keurt het verwerven van gezamenlijke zeggenschap over Mediafin door Roularta en Rossel goed
Het Mededingingscollege van de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) heeft op 06 maart 2018 het verwerven van de gezamenlijke zeggenschap over Mediafin NV door Roularta Media Group NV en Rossel & Cie NV goedgekeurd.
De concentratie is deel van een transactie waarin Roularta Media Group NV haar aandelen in Medialaan (50%) verkoopt aan De Persgroep NV en De Persgroep NV haar aandelen in Mediafin NV (50%) verkoopt
aan Roularta Media Group NV.
De concentratie werd vooral onderzocht betreffende de Belgische markt voor de verkoop van advertentieruimte voor themareclame in Nederlandstalige en Franstalige tijdschriften.
Het College heeft geoordeeld dat de concentratie geen significante beperking van de mededinging op de betrokken markten dreigt te veroorzaken.

Voor verdere inlichtingen verzoeken wij u om contact te nemen met:
Prof. em. dr. Jacques Steenbergen
Voorzitter
Tel. +32 (2) 277 73 74
E-mail: jacques.steenbergen@bma-abc.be
Website: www.mededinging.be
LT
Fernand Huts kocht voor 17,5 miljoen euro 450 hectaren grond in Zeeuws-Vlaanderen van het OCMW-Gent. Die koop wordt nu aangevochten.
Edited: 201801171730
De boeren vechten de verkoop aan omdat de 72 percelen in één blok werden verkocht. Dan kunnen enkel miljardairs bieden.
De praktijk om grond van de overheid aan te bieden in zeer grote aaneengesloten blokken was reeds schering en inslag tijdens het Directoire (17951027 tot 17991109), onder Frans Bewind dus. Op die manier konden grote domeinen ontstaan in handen van slechts enkelen. Het is de problematiek van de 'verkoop van nationale goederen'.
Nu is Zeeuws-Vlaanderen steeds een heet hangijzer geweest.
Na WO I wilde België het gebied (samen met Limburg) annexeren maar kreeg in Versailles het deksel op de neus.
We verwijzen naar enkele boeken en berichten rond het thema.



Uit het jaarverslag van OCMW Gent 2016:
"Ook in 2016 verkocht OCMW Gent een aantal stukken patrimonium
zoals woningen, hoeves, landbouw- en bouwgronden… voor een
totaal bedrag van 27.500.000 euro (2015: 18.300.000 euro). Hierbij
proberen we in de inkomsten voor het OCMW te maximaliseren,
maar ook in te spelen op noden van organisaties waar we achter
staan. Op die manier kan OCMW Gent het geld in projecten stoppen
waar Gentenaars iets aan hebben.
Hieronder enkele voorbeelden van verkopen in 2016:
➤ Een hoeve Hogevorst 26 in Assenede met een totale kadastrale
oppervlakte van 30 ha 59 a 53 ca verkocht aan de Vlaamse
Landmaatschappij (VLM) voor de grondenbank Gentse Kanaalzone,
om ruilgronden te hebben die de verloren natuur bij de
ontwikkeling van het havengebied compenseren. De verkoopprijs
van deze hoeve bedraagt 2.498.400,00 euro.
➤ Landbouwgronden in Zwijnaarde en Sint-Martens-Latem
verkocht aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de
uitbreiding van het Parkbos.
➤ Verkoop van 6 ha 31 a 44 ca grond in Sint-Lievens-Houtem aan
het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de uitbreiding
van het Kottembos."
Opvallend wel dat het OCMW een beleid huldigt/huldigde van MAXIMALISATIE van inkomsten.
Persbericht Roularta
Roularta brengt bindend bod uit op Sanoma-magazines en verankert zich in print
Edited: 201801170108



Het beursgenoteerde Roularta Media Group heeft een bindend bod uitgebracht op de Belgische Sanoma-titels met uitzondering van de woonbladen. Het pakket omvat de weekbladen Libelle/Femme d’Aujourd’hui (CIM 245.504 exemplaren) en Flair N/F (CIM 74.222 exemplaren), de maandbladen Feeling/Gaël (CIM 69.132 exemplaren) en de magazines La Maison Victor, Communiekrant, Loving You en She Deals. De websites (met o.a. flair.be en libelle.be met respectievelijk 804.135 en 600.841 real users/maand volgens CIM), line extensions en social mediakanalen van deze titels zijn eveneens in het bod opgenomen. De totale 2017 omzet van deze merken bedraagt circa 78 miljoen euro voor een overnameprijs (inclusief pensioen- en abonnementenverplichting) van 33.7 mio euro.

De (offline/online) doelgroepen van die mediamerken zijn uitgesproken vrouwelijk en dus een mooie aanvulling op de reeds bestaande andere hoogkwalitatieve doelgroepen die bereikt worden via de huidige magazinemerken van Roularta (Knack, Le Vif, Trends, Sportmagazine, Nest, Plus Magazine enz.).

Naar aanleiding van deze belangrijke transactie, verkoopt Roularta de titels “Ik ga Bouwen/ Je vais Construire” voor een prijs van 1 miljoen euro aan Sanoma, die in mindering komt van de overnameprijs voor de Sanoma titels. Het zijn titels die aansluiten bij het portfolio woon- en decobladen van Sanoma.

Roularta wil door deze consolidatie en dankzij de synergie met de magazinemerken van de groep, zorgen voor de continuïteit en de multimediale groei van deze titels.
Indien het bod goedgekeurd wordt door Sanoma, zal de transactie voorgelegd worden aan de Belgische mededingingsautoriteiten .

Vooruitzichten

In 2017 heeft Roularta Media Group te maken gehad met een daling van de reclamebestedingen, met de kosten van de investeringen in de lancering van nieuwe projecten zoals het e-commerceplatform Storesquare en met andere éénmalige kosten. Roularta verwacht dan ook een negatieve EBIT. Voor het boekjaar 2017 wordt geen dividend voorzien.

In 2018 zorgen lagere kosten, de nieuwe 50% participatie in Mediafin (Tijd/Echo), de recente acquisities Landleven (Nederland) en Sterck (Antwerpen en Limburg) en de andere nieuwe activiteiten, voor een positieve bijdrage.

Daarenboven wordt voor 2018 verwacht dat een belangrijke meerwaarde wordt geboekt van ongeveer 145 miljoen euro op de aandelen Medialaan, na de closing van de transactie in het eerste kwartaal.

Vanaf 2019 dalen voor Roularta de financiële kosten met ongeveer 4,5 miljoen door de terugbetaling van een obligatielening van 100 miljoen euro en dalen de leasingkosten met ongeveer 9 miljoen door de afronding van de Econocom-contracten.

Roularta Media Group heeft belangrijke toekomstkeuzes gemaakt door in te zetten op consolidatie en innovatie binnen het kader van haar kernactiviteiten. Na het afstaan van de Medialaan 50%-participatie aan de Persgroep is de beoogde mogelijke overname van de Sanoma-titels, naast de investering in Mediafin en de andere recente overnames, een belangrijke aanzet om ook de komende jaren verder een gezonde groei te realiseren.


aandeelhouders RMG

Uit het persbericht van Sanoma Group, Helsinki:
“We have now finalized our major portfolio restructuring in our Media business in the Netherlands and Belgium with the divestment of the Dutch SBS TV business last year, and now the Belgian women’s magazine titles. The Belgian magazine titles will have more synergies with RMG than with our Dutch magazine business and that will give these titles and the team working on them better prospects for future development. Our remaining magazine and online portfolio predominantly in the Dutch market has good market positions, which provide excellent opportunities for continued success,” says Susan Duinhoven, President and CEO of Sanoma.
EU
Staatssteun: Commissie opent diepgaand onderzoek naar fiscale behandeling van Inter IKEA door Nederland
Edited: 201712181222
Margrethe Vestager , commissaris voor mededingingsbeleid: "Alle ondernemingen, groot of klein, multinational of niet, moeten hun eerlijk deel van de belastingen betalen. Lidstaten mogen niet toelaten dat bepaalde ondernemingen minder belastingen betalen door hen toe te staan hun winsten kunstmatig naar een ander land te verschuiven. Wij zullen de fiscale behandeling van Inter IKEA door Nederland nu grondig onderzoeken."



Het personeelsbestand volgens de geconsolideerde balans 2016:


De accountant van dienst was (is) Ernst & Young.


het volledige persbericht
Libération
USA/Hollywood: topproducer Harvey Weinstein beschuldigd van seksueel misbruik
Edited: 201710120923
Hoe kwetsbaar is een jonge actrice ... ?
Deze affaire brengt het gedrag van DSK in herinnering.
Voor de groten en de machtigen gelden andere normen. Dat gaat van hun seksueel fatsoen tot hun belastingaangifte.






Buffalo Springfield
Stop Children, What's That Sound (1967)
Edited: 201710010055
There's something happening here
What it is ain't exactly clear
There's a man with a gun over there
Telling me i got to beware

I think it's time we stop, children, what's that sound
Everybody look what's going down

There's battle lines being drawn
Nobody's right if everybody's wrong
Young people speaking their minds
Getting so much resistance from behind

I think it's time we stop, hey, what's that sound
Everybody look what's going down

What a field-day for the heat
A thousand people in the street
Singing songs and carrying signs
Mostly say, hooray for our side

It's time we stop, hey, what's that sound
Everybody look what's going down

Paranoia strikes deep
Into your life it will creep
It starts when you're always afraid
You step out of line, the man come and take you away

We better stop, hey, what's that sound
Everybody look what's going down
Stop, hey, what's that sound
Everybody look what's going down
Stop, now, what's that sound
Everybody look what's going down
Stop, children, what's that sound
Everybody look what's going down
LT
Erdogan bemoeit zich nu ook met de Duitse verkiezingen
Edited: 201708180050
De Turkse diaspora en de dubbele nationaliteit leidt tot een inmenging van de Turkse president in de binnenlandse aangelegenheden van de Bondsrepubliek.
Jos Franken (1946-2016) overleden. R.I.P.
Edited: 201612030430


Mijn vriend Jos Franken was de pionier van de moderne belastinginning in Vlaanderen.
Zo schoeide hij de inning van het Kijk- en Luistergeld en van de Onroerende Voorheffing op een totaal nieuwe leest.
Zijn gedrevenheid werkte aanstekelijk voor diegenen die tot zijn team behoorden. Als geen ander wist hij het beste uit zijn medewerkers te halen. Een uitzonderlijk manager en een groot mens, die nooit zijn Kempense roots wegstopte.

En toch telkens zullen we je tegenkomen
Zeg nooit het is voorbij
Slechts je lichaam werd ons afgenomen,
niet wat je was en ook niet wat je zei
Lucas Tessens
de grap om Belg te zijn
Edited: 201604241048
België (en vooral Brussel) heeft steeds een aantrekkingskracht uitgeoefend op Nederlandse kunstenaars en Oranjes die eens onze bossen bezaten. Belgen weten wel waarom maar kunnen het doorgaans niet uitleggen. Nederlanders kunnen het wel uitleggen maar komen vaak niet verder dan het aanhoren van de door henzelf uitgestote klanken met bezuiniging op de medeklinkers. De verklaring zit dus in iets diepers dan het louter cognitieve. Tussen Amsterdam en Parijs ligt voor Nederlanders een voor hen begripvol kruispunt van culturen, een tussenland, een vertaaldoos, een medicijn voor de ziekte van de eigendunk, een ruimte voor twijfel over het eigen grote gelijk, en om de 500 meter een café met paljassen en niet veraf een frietkot. In België wordt niet meer gezocht naar het ultieme Antwoord, de opperste Waarheid, de ontbrekende komma. Nu de Grote Schrift ook hier geen dictaat meer is, groeit de verwarring waaraan wij gewend zijn. Want dit land heeft leren leven met zijn Tradities: dwingelanden uit andere landen, schijnheiligen, bedriegers, lafaards, plunderaars, folteraars, verzetslui van het laatste uur, politiekers van alle slag, grote en minder grote denkers, gelijkhalers vooral, zwemkampioenen en zoetwatermatrozen, uitstellers, aanstellers, bedenkers van problemen en oplossers van niets. Voor het toejuichen van koningen zijn we georganiseerd: wij hebben speciale kinderbataljons met vlaggetjes en achter overbodige dranghekkens gecoiffeerde bomma's met boeketten. Koningen die te lang in de Zwitserse Alpen blijven golfen hebben pech want hier wachten de linten op hun scharen. Overstroomden en journalisten willen vorsten in gummilaarzen zien. Als het hard regent kunnen we het ook met een regent wel stellen, tot een bevend kind met een sabel de monarchie komt redden. Dit land leverde zoeaven aan de Paus, helden voor Den Ijzer, communisten voor de Spaanse burgeroorlog, Oostfronters van zeventien, ISIS-strijders, poolreizigers, Congo-ambtenaren, pedofiele assistent-gewestbeheerders, een paar Nobelprijswinnaars, pedalentrappers, gerstenatbrouwers, leprozenverzorgers en enkele schrijvers. Slechts weinigen overleven zichzelf want dit volk dat er geen is heeft een kort geheugen en veel dorst. En zo te leven als Vlaming, Brusselaar, Duitse Oostkantonner of Waal is niet allen gegeven. Gelukkig is in dit land de bloedvermenging na tomeloze kermissen groot geweest. Het begon al lachend en lallend, de al dan niet gewillige deerne op een ladder vastgebonden als in een passiespel, als een vlezige Maria rondgedragen in een nachtelijke processie. Zo is het bloed der anderen ook telkens ons bloed en daarom vergieten we het in de onderlinge strijd met mate, een beetje schuchter en altijd per ongeluk. Wie België betreedt, weze gewaarschuwd.
Lucas Tessens
Angela Merkel laat toe dat Jan Böhmermann vervolgd wordt voor belediging Erdogan - Juridisch correct - Politiek onhoudbaar - Erdogan loopt als een 'bleu' in de val
Edited: 201604160033
De toespraak van Angela Merkel is van historisch belang voor Europa. Het zou verkeerd zijn Merkel lichtvaardig te veroordelen. Immers, haar stellingname is een waardige en strenge terechtwijzing (lees: oorvijg) aan het persoonlijke adres van Erdogan. De draagwijdte van Merkels toespraak zal in de volgende dagen duidelijk worden. Journalisten moeten daarbij hun analyse verstandig onderbouwen. Naar onze mening zou het NIET volgen van de bepalingen van het Strafwetboek afbreuk hebben gedaan aan de boodschap die men wil geven: Duitsland is een rechtstaat waar niet de toevallige politieke meerderheid bepaalt wat recht en wat krom is. Net die overweging maakt het verschil tussen een dictatuur en een rechtstaat. De aankondiging van een wijziging van paragraaf 103 van het SWB wijst zeer bewust in die richting.
Let u vooral op de ademhaling van Merkel en de nadrukkelijkheid van haar intonatie: zij beseft ten volle het gewicht van haar belangrijke toespraak.
Ik heb het eerder geschreven: Erdogan is volgens mij niet op zoek naar een toenadering tot Europa; hij streeft naar de vestiging van een allesomvattend dictatoriaal Middenrijk waarin hij zijn eigen positie kan consolideren, ten koste van mensenrechten en vrijheid. Het is een typische strategie van dictators 'in the make'. Formeel is Turkije nog een parlementaire democratie, in de realiteit is er geen gesprek meer mogelijk tussen de politieke fracties, er is nog slechts 'vijand-denken'. Eerder vroeg dan laat zal het tot een 'clash' komen tussen de geëvolueerde stedelingen en de rurale achterban van de president.



Hier de volledige tekst zoals vrijgegeven door de Bundesregiering:
Erklärung von Bundeskanzlerin Merkel zum Vorgehen der Bundesregierung nach der türkischen Verbalnote an das Auswärtige Amt am 15. April 2016 in Berlin
in Berlin
Meine Damen und Herren,
mit Schreiben vom 7. April 2016, eingegangen im Auswärtigen Amt am 8. April 2016, hat die Republik Türkei ein Strafverlangen hinsichtlich des Moderators Jan Böhmermann wegen dessen Sendungsabschnitts über Präsident Erdoğan gestellt.
Gesetzliche Voraussetzung für die Strafverfolgung des speziellen Delikts der Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten ist eine Ermächtigung der Bundesregierung. Die Bundesregierung hat dieses Ersuchen entsprechend der Staatspraxis geprüft. An dieser Prüfung waren das Auswärtige Amt, das Bundesjustizministerium, das Bundesinnenministerium und das Bundeskanzleramt beteiligt. Es gab unterschiedliche Auffassungen zwischen den Koalitionspartnern Union und SPD. Im Ergebnis wird die Bundesregierung im vorliegenden Fall die Ermächtigung erteilen.
Ich möchte dazu gerne näher Stellung nehmen: Die Türkei ist ein Land, mit dem Deutschland eng und freundschaftlich verbunden ist - über die vielen Menschen mit türkischen Wurzeln hier im Land, über enge wirtschaftliche Verflechtungen und über unsere gemeinsame Verantwortung als Alliierte in der Nordatlantischen Allianz. Die Türkei führt Verhandlungen für einen Beitritt zur Europäischen Union. In dieser engen Partnerschaft sind die gegenseitige, auch völkerrechtlich geschuldete Achtung ebenso wie der offene Austausch zu den Entwicklungen des Rechtsstaats, der Unabhängigkeit der Gerichte und des Meinungspluralismus von besonderer Bedeutung. Umso mehr erfüllen uns die Lage der Medien in der Türkei und das Schicksal einzelner Journalisten wie auch Einschränkungen des Demonstrationsrechts mit großer Sorge.
Die Bundesregierung wird auch in Zukunft auf allen Ebenen die Postulate von Rechtsstaatlichkeit, Gewaltenteilung und Pluralismus gegenüber der Türkei anmahnen. Wir treten dafür ein, dass bei unseren Partnern und Verbündeten die Freiheit der Meinung und die Unabhängigkeit der Justiz in gleichem Umfang wie in Europa und anderen Ländern der demokratischen Welt gewährleistet sein müssen. Wir setzen uns gegenüber anderen Staaten dafür ein, Grundrechte wie die Meinungsfreiheit, die Kunstfreiheit und die Pressefreiheit zu achten. Wir fordern ihre Achtung und ihren Schutz auch von der Türkei ein.
Wir fordern das, weil wir von der Stärke des Rechtsstaats überzeugt sind. Im Rechtsstaat sind Grundrechte wie die Meinungsfreiheit, die Kunstfreiheit und die Pressefreiheit elementar. Sie sind elementar für Pluralismus und Demokratie. Im Rechtsstaat ist die Justiz unabhängig. In ihm ist garantiert, dass die Verfahrensrechte des Betroffenen gewahrt werden. In ihm gilt die Unschuldsvermutung.
Im Rechtsstaat ist es nicht Sache der Regierung, sondern von Staatsanwaltschaften und Gerichten, das Persönlichkeitsrecht und andere Belange gegen die Presse- und Kunstfreiheit abzuwägen. In ihm bedeutet die Erteilung einer Ermächtigung zur Strafverfolgung des speziellen Delikts der Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten weder eine Vorverurteilung des Betroffenen noch eine vorgreifende Entscheidung über Grenzen der Kunst-, Presse- und Meinungsfreiheit, sondern lediglich, dass die rechtliche Prüfung der unabhängigen Justiz überantwortet wird und nicht die Regierung, sondern Staatsanwaltschaften und Gerichte das letzte Wort haben werden.
Genau in diesem und in keinem anderen Verständnis, genau in diesem und in keinem anderen Gesamtrahmen wird die Bundesregierung im vorliegenden konkreten Fall hinsichtlich des Moderators Jan Böhmermann die von mir eingangs vorgetragene Ermächtigung erteilen.
Darüber hinaus möchte ich Ihnen mitteilen, dass unabhängig von diesem konkreten Verfahren die Bundesregierung der Auffassung ist, dass § 103 StGB als Strafnorm zum Schutz der persönlichen Ehre für die Zukunft entbehrlich ist. Wir werden deshalb einen Gesetzentwurf zu seiner Aufhebung vorlegen. Der Gesetzentwurf soll noch in dieser Wahlperiode verabschiedet werden und 2018 in Kraft treten. Vielen Dank.
Freitag, 15. April 2016



Wij hebben voor u de teksten opgezocht waarop de stellingname van Merkel gebaseerd is.

Grundgesetz Deutschland
Artikel 5

(1) Jeder hat das Recht, seine Meinung in Wort, Schrift und Bild frei zu äußern und zu verbreiten und sich aus allgemein zugänglichen Quellen ungehindert zu unterrichten. Die Pressefreiheit und die Freiheit der Berichterstattung durch Rundfunk und Film werden gewährleistet. Eine Zensur findet nicht statt.


Hieronder de tekst van het Strafwetboek die de Bundesregierung zal wijzigen:

Strafgesetzbuch
Besonderer Teil (§§ 80 - 358)
3. Abschnitt - Straftaten gegen ausländische Staaten (§§ 102 - 104a)
§ 103
Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten

(1) Wer ein ausländisches Staatsoberhaupt oder wer mit Beziehung auf ihre Stellung ein Mitglied einer ausländischen Regierung, das sich in amtlicher Eigenschaft im Inland aufhält, oder einen im Bundesgebiet beglaubigten Leiter einer ausländischen diplomatischen Vertretung beleidigt, wird mit Freiheitsstrafe bis zu drei Jahren oder mit Geldstrafe, im Falle der verleumderischen Beleidigung mit Freiheitsstrafe von drei Monaten bis zu fünf Jahren bestraft.

(2) Ist die Tat öffentlich, in einer Versammlung oder durch Verbreiten von Schriften (§ 11 Abs. 3) begangen, so ist § 200 anzuwenden. Den Antrag auf Bekanntgabe der Verurteilung kann auch der Staatsanwalt stellen.

Pro memorie: Het gaat om volgend gedicht:
Der Text Schmähgedicht von Jan Böhmermann:

“Sackdoof, feige und verklemmt,
ist Erdogan der Präsident.

Sein Gelöt stinkt schlimm nach Döner,
selbst ein Schweinepfurz riecht schöner.

Er ist der Mann der Mädchen schlägt,
und dabei Gummimasken trägt.

Am liebsten mag er Ziegen ficken,
und Minderheiten unterdrücken,

Kurden treten, Christen hauen,
und dabei Kinderpornos schauen.

Und selbst Abends heißt statt schlafen,
Fellatio mit hundert Schafen.

Ja, Erdogan ist voll und ganz,
ein Präsident mit kleinem Schwanz.

Jeden Türken hört man flöten,
die dumme Sau hat Schrumpelklöten,

Von Ankara bis Istanbul,
weiß jeder, dieser Mann ist schwul,

Pervers, verlaust und zoophil
Recep Fritzl Priklopil.

Sein Kopf so leer, wie seine Eier,
der Star auf jeder Gangbang-Feier.

Bis der Schwanz beim pinkeln brennt,
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident.”


STATISTA
China Is Still The World's Top Executioner - Islamic countries proportionally execute more people
Edited: 201604122118
According to a recent report from human rights group Amnesty International, 2015 saw a huge rise in the number of executions globally, the highest total since 1989. At least 1,634 people were executed worldwide with 90 percent of that number occurring in just three countries: Iran, Pakistan and Saudi Arabia.

That's excluding China and North Korea where precise numbers are a state secret. However, Amnesty still believes China executes thousands every year, making it the world's top executioner. Despite the spike in executions, Amnesty reported that there is still some hope with four countries expunging the death penalty for good last year.

Commentaar LT: Het aantal executies moet natuurlijk gerelateerd worden aan het aantal inwoners. Dan komen we per miljoen inwoners aan volgend klassement: 1. Iran (10 executies/miljoen inwoners); 2. Saoedi Arabië (5); 3. Pakistan (2); 4. Irak (0.7); 5. China (0.6 maar onderschat).

Infographic: China Is Still The World's Top Executioner | Statista
RT
ethische richtlijnen uit Saoedi Arabië
Edited: 201604121342
Saudi Arabia’s top religious cleric Sheikh Abdul Aziz bin-Abdullah Al-Sheikh has some rather forthright views, which are hard to comprehend in the West:
Driving ‘exposes women to evil’
All churches must be destroyed
Checkmate: Chess ‘causes hatred’
Twitter: a ‘source of all evil & devastation’
‘10yo girls can marry’ due to ‘good upbringing’

news
Panama Papers: BBI betreurt dat het geen volledige inzage krijgt in Belgische luik
Edited: 201604111341
De baas van de Bijzondere Belastinginspectie, Frank Philipsen, betreurt dat de informatie uit de zogenoemde Panama Papers te traag bij zijn diensten terechtkomt.
De Tijd schrijft vandaag (20160411) dat de Gentse gewestelijke BBI-directeur, Karel Anthonissen, reeds in 2009 het mechanisme dat in het Dexia-dossier opdook, heeft aangekaart bij de BBI-top, maar dat die naliet de hele Panama-route bloot te leggen. Anthonissen is de ambtenaar die de zaak tegen Karel De Gucht opende én door de top van Financiën en de BBI gewantrouwd wordt.
KB-Lux
Als we verder terug gaan in de tijd dan merken we dat er reeds in 2000-2001 aanwijzingen waren dat Dexia via Cregem klanten aan buitenlandse constructies hielp. Er liep toen een gerechtelijk onderzoek in Charleroi. De mechanismen vertoonden veel gelijkenissen met die van KB-Lux.
In de KB-Lux-affaire oordeelde het Hof van Beroep (hierin gesteund door het Hof van Cassatie) - na 14 jaar procederen! - dat de bewijzen in de zaak op onwettige manier waren verkregen. De speurders hadden zogenaamd fouten begaan bij het verzamelen van bewijzen. Maar in 2015 werden ze door de correctionele rechtbank vrijgesproken. In een cirkelredenering kan je dan ook zeggen dat de uitspraak van het Hof van Beroep op los zand was gebouwd.

Wellicht spookt bij de protagonisten van de Panama Papers ook die achterdocht tegen justitie door het hoofd en worden de namen in het Dexia-dossier (en de talrijke andere dossiers) om taktische redenen achter gehouden.
Op de kabinetten staat de telefoon niet stil.

Dr. Anna Whitelock of Royal Holloway, University of London
Britse monarchie eindigt tegen 2030
Edited: 201604051129
Whitelock voorspelt een golf van kritiek op de Britse monarchie na de dood van Elizabeth II. Noteer dat Elizabeth niet alleen staatshoofd is maar ook de hoogste post waarneemt in de Anglikaanse kerk en in The Commonwealth .
Formeel is de koningin ook eigenares van alle gronden in die staten.
Learning to Code Yields Diminishing Returns - The future of jobs - A review of Rushkoff's book
Edited: 201604011318

Looking for job security in the knowledge economy? Just learn to code. At least, that’s what we’ve been telling young professionals and mid-career workers alike who want to hack it in the modern workforce—in fact, it’s advice I’ve given myself. And judging by the proliferation of coding schools and bootcamps we’ve seen over the past few years, not a few have eagerly heeded that instruction, thinking they’re shoring up their livelihoods in the process.

Unfortunately, many have already learned the hard way that even the best coding chops have their limits. More and more, "learn to code" is looking like bad advice.

CODING CAN’T SAVE YOU
Anyone competent in languages such as Python, Java, or even web coding like HTML and CSS, is currently in high demand by businesses that are still just gearing up for the digital marketplace. However, as coding becomes more commonplace, particularly in developing nations like India, we find a lot of that work is being assigned piecemeal by computerized services such as Upwork to low-paid workers in digital sweatshops.

This trend is bound to increase. The better opportunity may be to use your coding skills to develop an app or platform yourself, but this means competing against thousands of others doing the same thing—and in an online marketplace ruled by just about the same power dynamics as the digital music business.

Besides, learning code is hard, particularly for adults who don’t remember their algebra and haven’t been raised thinking algorithmically. Learning code well enough to be a competent programmer is even harder.

Although I certainly believe that any member of our highly digital society should be familiar with how these platforms work, universal code literacy won’t solve our employment crisis any more than the universal ability to read and write would result in a full-employment economy of book publishing.

It’s actually worse. A single computer program written by perhaps a dozen developers can wipe out hundreds of jobs. As the author and entrepreneur Andrew Keen has pointed out, digital companies employ 10 times fewer people per dollar earned than traditional companies. Every time a company decides to relegate its computing to the cloud, it's free to release a few more IT employees.

Most of the technologies we're currently developing replace or obsolesce far more employment opportunities than they create. Those that don’t—technologies that require ongoing human maintenance or participation in order to work—are not supported by venture capital for precisely this reason. They are considered unscalable because they demand more paid human employees as the business grows.

TRAINING OUR ROBO-REPLACEMENTS
Finally, there are jobs for those willing to assist with our transition to a more computerized society. As employment counselors like to point out, self-checkout stations may have cost you your job as a supermarket cashier, but there’s a new opening for that person who assists customers having trouble scanning their items at the kiosk, swiping their debit cards, or finding the SKU code for Swiss chard. It’s a slightly more skilled job and may even pay better than working as a regular cashier.

But it’s a temporary position: Soon enough, consumers will be as proficient at self-checkout as they are at getting cash from the bank machine, and the self-checkout tutor will be unnecessary. By then, digital tagging technology may have advanced to the point where shoppers just leave stores with the items they want and get billed automatically.

For the moment, we’ll need more of those specialists than we’ll be able to find—mechanics to fit our current cars with robot drivers, engineers to replace medical staff with sensors, and to write software for postal drones. There will be an increase in specialized jobs before there's a precipitous drop. Already in China, the implementation of 3-D printing and other automated solutions is threatening hundreds of thousands of high-tech manufacturing jobs, many of which have existed for less than a decade.

American factories would be winning back this business but for a shortage of workers with the training necessary to run an automated factory. Still, this wealth of opportunity will likely be only temporary. Once the robots are in place, their continued upkeep and a large part of their improvement will be automated as well. Humans may have to learn to live with it.

HIGH-TECH UNEMPLOYMENT

This conundrum was first articulated back in the 1940s by the cybernetics pioneer Norbert Wiener, whose work influenced members of the Eisenhower Administration to start worrying about what would come after industrialism. By 1966, the United States convened the first and only sessions of the National Commission on Technology, Automation, and Economic Progress, which published six (mostly ignored) volumes sizing up what would later be termed the "post-industrial economy."

Today, it’s MIT’s Erik Brynjolfsson and Andrew McAfee who appear to be leading the conversation about technology’s impact on the future of employment—what they call the "great decoupling." Their extensive research shows, beyond reasonable doubt, that technological progress eliminates jobs and leaves average workers worse off than they were before.

Yet it’s hard to see this great decoupling as a mere unintended consequence of digital technology. It is not a paradox but the realization of the industrial drive to remove humans from the value equation. That’s the big news: The growth of an economy does not mean more jobs or prosperity for the people living in it.

"I would like to be wrong," a flummoxed McAfee confided in the same article, "but when all these science-fiction technologies are deployed, what will we need all the people for?"

When technology increases productivity, a company has a new excuse to eliminate jobs and use the savings to reward its shareholders with dividends and stock buybacks. What would've been lost to wages is instead turned back into capital. So the middle class hollows out, and the only ones left making money are those depending on the passive returns from their investments.

It turns out that digital technology merely accelerates this process to the point where we can all see it occurring. It's just that we haven't all taken notice yet—we’ve been busy coding.

"It’s the great paradox of our era," Brynjolfsson explained to MIT Technology Reviewin 2013. "Productivity is at record levels, innovation has never been faster, and yet at the same time, we have a falling median income and we have fewer jobs. People are falling behind because technology is advancing so fast and our skills and organizations aren’t keeping up."

[This post is based on Douglas Rushkoff’s new book, Throwing Rocks at the Google Bus: How Growth Became the Enemy of Prosperity and originally appeared in Fast Company.]
news / VTM / DS / Tijd / LT
Etienne Vermeersch schrijft Nieuwkomersverklaring uit - Federale regering keurt die goed
Edited: 201603311051
Nieuwkomers moeten voortaan een verklaring ondertekenen. Wie weigert, is niet welkom. En wie geen "redelijke inspanning" levert om zich te integreren, kan zijn verblijfsrecht verliezen. Dat schrijven De Standaard en Het Nieuwsblad. Het gaat om een unicum in Europa.

De federale regering keurde woensdag de tekst van de "nieuwkomersverklaring" goed. Elke buitenlander die langer dan drie maanden in België wil verblijven, moet het document ondertekenen. Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) is zeer blij met de verklaring. Zijn partij pleit al jaren voor de koppeling van een verblijfsrecht aan de wil tot integratie.

Voor EU-burgers, asielzoekers en studenten geldt de integratieverplichting niet. Voor de rest, zowat drie vierde van de nieuwkomers, geldt die wel. Een weigering resulteert in een "onontvankelijk dossier" en wie geen "redelijke inspanning" levert om zich te integreren, kan bij de eerstvolgende verlenging zijn verblijfsrecht verliezen.

Voor de opstelling van de nieuwkomersverklaring deed Francken een beroep op professor Etienne Vermeersch. De Dienst Vreemdelingenzaken neemt de controle op zich. Francken hoopt dat de regeling dit najaar van kracht wordt.

Commentaar LT:
De ondertekening van zo'n tekst door inwijkelingen hadden wij reeds eerder voorgesteld en wel op 24 september 2015. De nieuwe regeling mag als een doorbraak in het debat worden beschouwd en geeft de Dienst Vreeemdelingenzaken een houvast. Op een aantal punten gaat de tekst in tegen de geplogenheden binnen de islamitische gemeenschap. Het ontwerp van Koninklijk Besluit moet nog naar de Raad van State voor een (niet bindend) advies.

Lees ook de verklaring die Saoedi-Arabië u laat ondertekenen wanneer u dat land bezoekt.



beluister hier de toelichting en het commentaar dd. 20160331 van Theo Francken op Radio 1 (De Ochtend)
HGR
ADVIES VAN DE HOGE GEZONDHEIDSRAAD nr. 9235 Nucleaire ongevallen, leefmilieu en gezondheid in het post-Fukushimatijdperk: Rampenplanning Nuclear accidents, environment and health in the post-Fukushima era: Emergency response Versie gevalideerd op het College van Februari - 2016a
Edited: 201603021501
1. Een ernstig kernongeval kan ook in België voorkomen en vereist snelle herziening van de noodplanning
2. Let op achterliggende oorzaken van een ongeval en vermijd belangenvermenging
3. Er is nood aan kwetsbaarheidanalyses van complexe technologieën met oog voor de menselijke interactie zeker bij noodplanning
4. Maatschappelijke structuren in getroffen gebieden kunnen voor lange perioden zijn verstoord
5. Er is nood aan een transdisciplinair en participatief leerproces bij noodplanning
6. Er is nood aan evenwichtige, tweezijdige communicatie over risico’s
7. Er is aandacht nodig voor de rol van sociale media in crisismanagement
8. Adequate noodmaatregelen zijn het sluitstuk van het nucleaire veiligheidsbeleid
9. Complexe maatregelen in een dichtbevolkt gebied dienen voorbereid ook voor langere duur en grotere afstanden
10. Er is meer aandacht nodig voor medische coördinatie en kwetsbare mensen in crisissituaties
11. Voorzie beschermingsmaatregelen voor externen bij interventie- en opruimingswerken
12. De veiligheidsbenadering dient vervolledigd met ongevalsscenario’s niet voorzien bij het ontwerp en revisie van de installaties
13. Er is aandacht nodig voor bevolkingsdichtheid en mobiliteit
14. Interactie van nucleaire en andere industriële risico’s kunnen een crisis verergeren
15. De structuur en werking van de crisiscentra dient periodiek geëvalueerd
16. Neem scenario’s in acht voor verspreiding van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
17. Voorzie een aanpak voor kernafval bij langdurige nucleaire crisis
18. Elk groot nucleair ongeval vereist een internationale aanpak van noodmaatregelen
19. Er is een geharmoniseerde EU aanpak nodig van noodplanning en verzekeringen
20. Een adequaat nucleair veiligheidsbeleid vereist een voorzorgstrategie met verruimde participatieve aanpak ook in de noodplanning.

Noot LT: Ik lees dit rapport als volgt: De kerncentrale van Doel had nooit zo dicht bij Antwerpen mogen gebouwd zijn, omgeven door een zeer kwetsbare petrochemische industrie want die brengt een kettingreactie op gang. Als er een nucleair ongeval gebeurt, kan je slechts wensen dat je niet in Antwerpen - enfin, ik bedoel Vlaanderen en Zeeland - bent.


lees het volledige rapport
RT News
Lagarde (IMF) wil dat de multinationals en de rijken belastingen betalen: We need a tax system where multinational companies & wealthy individuals contribute a fair share to the public purse
Edited: 201602221653
Christine Lagarde, head of the International Monetary Fund (IMF), has called for a revolutionary “Robin Hood” tax system in which multinational companies and wealthy individuals actually pay a fair share of tax.

Commentaar LT: als de vos de passie preekt, boer let op uw kippen. Over een supertax kan je veel praten, je moet er ook nog wel iets aan doen. Dit klinkt als: 'Kijk, ik Christine Lagarde, ik ben mee met mijn tijd.' De brave vrouw meent het misschien goed maar ze heeft terzake geen bevoegdheid. Gratuit, dus. En diegenen die wel de bevoegdheid hebben, vertikken het gewoon.
Voor de multinationals is de oplossing toch zo klaar als pompwater: maak één (1) Europees loket voor hun belastingaangifte, dan kunnen ze niet op 28 plaatsen gaan 'shoppen'.

oordeel zelf: lees hier de speech van Christine Lagarde
wSIECI 17 februari 2016
rechts Pools weekblad gaat wel zeer ver in propaganda-voorstelling 'Rape of Europe'
Edited: 201602170944



De compositie is beslist niet nieuw en werd vaak gebruikt in oorlogstoestanden. Een treffende illustratie is die van Titiaan die Europa in een mythologische scene laat ontvoeren door een witte stier.


Lees de bespreking van Stephen Campbell

Een diepgravende analyse van het misbruiken van vrouwen tijdens (en onmiddellijk na) de Eerste Wereldoorlog vinden we bij Hirschfeld . Beide kampen voeren een haatpropaganda, gebaseerd op het beeld van de vrouw als oorlogsbuit. De Duitse karikaturisten stellen Frankrijk en Engeland voor als oorden waar de rassenvermenging schering en inslag is. Tijdens de bezetting van het Rijnland werd dit schrikbeeld opgehangen om de Duitse bevolking te mobiliseren. Frans Masereel illustreert de rol van de pers tijdens de oorlog met een treffende karikatuur.
het gebeurde op 10 februari ...
Edited: 201602100024
1582: hertog Frans van Anjou, terug uit Londen, neemt de Nederlanden in bezit

1724: eerste drie schepen van de Oost-Indische Handelsmaatschappij vertrekken vanuit Oostende naar China

1763: Parijs: vredesverdrag tussen Engeland, Frankrijk, Spanje en Portugal, als einde van de 7-jarige zeeoorlog. Canada behoort voortaan aan Engeland, Havana komt terug bij Spanje.

1798: Franse troepen, onder leiding van maarschalk Berthier, bezetten Rome

1824: Simon Bolivar wordt dictator van Peru

1840: Engeland: huwelijk van koningin Victoria met prins Albert van Saksen

1846: slag van Sobraon (Indië) met Engelse overwinning op de Sikhs

1880: pauselijke encycliek 'Arcanum Divinae Sapientia' van Leo XIII, over het christelijke huwelijk

1915: +Albert Thys, grote baas van de CCCI


1947: vredesverdrag te Parijs tussen de geallieerden en vijf satellietstaten van de As: Italië, Bulgarije, Hongarije, Finland en Roemenië

1962: Berlijn: de Russen laten Francis Powers, piloot van een spionagevliegtuig, vrij in ruil voor Russische spion Rudolf Abel
het gebeurde op 8 februari ...
Edited: 201602080012
1519: Engeland/Frankrijk: Hendrik VIII van Engeland schenkt Doornik terug aan Frankrijk

1538: Heilige Liga gesloten te Rome, tussen paus Paulus III, Karel V, Ferdinand van Oostenrijk en Venetië tegen de Turken

1550: Julius III (Giovanni Maria del Monte) tot nieuwe paus verkozen

1587: Engeland/Schotland: Schotse koningin Maria Stuart, verdacht van samenzwering tegen Engeland, onthoofd op kasteel te Fotheringay

1635: Alliantieverdrag tussen Frankrijk en Verenigde Provinciën betreffende de verdeling der Nederlanden

1807: Slag van Eylau tussen Napoleon en de Russen onder Bennigsen, met onbesliste uitslag

1814: Deens-Russische vrede gesloten te Hannover

1864: Pruisische troepen veroveren't Danewirk (Deense grenswal) in 2de Deens-Duitse oorlog

1867: Dubbele monarchie, het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije komt tot stand door overeenkomst. Tot 19190910.

1884: Pauselijke Encycliek 'Nobilissima gallorum gens' van Leo XIII, gericht tegen godsdiensthaat; klik hier voor meer info

1904: Japanse aanval op Russische vloot te Port Arthur als begin Russisch-Japanse oorlog

1909: Frans-Duitse overeenkomst getekend met betrekking tot Marokko

1941: Engelse troepen veroveren Benghasi in Lybië en einde van de veldtocht in Lybië

1949: Hongarije/Boedapest: kardinaal Josef Mindszenty door Hongaarse communisten tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld; proces begonnen op 19490203.

1955: Rusland: Malenkov wordt door Boelganin als premier vervangen

1958: Tunesië: Tunesisch grensdorp Sakhiet door Franse vliegtuigen gebombardeerd: 69 doden

1963: Irak: staatsgreep, gericht tegen premier generaal Kassem, die vermoord wordt; kolonel Abdel Salem Aref tot president gekozen.
het gebeurde op 6 februari ...
Edited: 201602060930
1818: Frans maarschalk Jean Bernadotte wordt koning van Zweden, als Karel XIV

1922: Pius XI (Achille Rati) tot nieuwe paus gekozen.

1934: oproer te Parijs naar aanleiding van de Stavisky-affaire

1948: Amerikaanse leger slaagt erin een V-2 in volle vlucht door mensen te laten besturen

1950: Cyprus spreekt zich uit voor aansluiting bij Griekenland na referendum met 96%, gehouden op 19500118

1952: Elisabeth II volgt haar overleden vader George VI op als koningin van Engeland

persbericht Telenet
Commissie keurt overname Base door Telenet goed
Edited: 201602042240
Donderdag 4 februari 2016 — De Europese Commissie heeft vandaag bekendgemaakt dat zij haar goedkeuring geeft aan de geplande overname van BASE Company door Telenet. In april 2015 kondigde Telenet aan dat het een definitieve overeenkomst had gesloten om BASE Company over te nemen van Koninklijke KPN N.V., om zijn toekomst als toonaangevende aanbieder van geïntegreerde telecomdiensten veilig te stellen. Nu de Europese Commissie haar goedkeuring heeft gegeven zal de overname van BASE Company in de komende dagen juridisch afgerond kunnen worden.

In april 2015 maakte Telenet bekend dat het een definitief akkoord had gesloten om BASE Company voor €1.325 miljoen over te nemen van Koninklijke KPN N.V. De transactie werd op 17 augustus 2015 door Liberty Global (als meerderheidsaandeelhouder van Telenet) aangemeld bij de Europese Commissie. Vandaag maakte de Europese Commissie bekend dat zij na grondig onderzoek haar goedkeuring geeft voor de geplande overname van BASE Company door Telenet. Telenet plant de overname in de komende dagen juridisch af te ronden.

Door deze overname zal Telenet eigenaar worden van een mobiel netwerk. Hierdoor zal Telenet effectief verdere groeiopportuniteiten kunnen benutten in de mobiele telecommarkt. Telenet hoopt op deze manier te kunnen voldoen aan de stijgende vraag van zowel particuliere als zakelijke klanten naar het volledige scala van vaste en mobiele telecomdiensten.

Op 19 november 2015 bevestigde Telenet dat het voorwaardelijke overeenkomsten had afgesloten met MEDIALAAN voor, onder andere, de verkoop door BASE Company van alle JIM Mobile klanten en van haar 50% belang in VikingCo NV, de entiteit die het ‘Mobile Vikings’ merk uitbaat in België, aan MEDIALAAN. Deze overeenkomsten werden aangegaan in het kader van het onderzoek van de Europese Commissie naar de voorgestelde overname van BASE Company.

Door het groen licht van de Europese Commissie en de recente goedkeuring van de transactie met MEDIALAAN door de Belgische Mededingingsautoriteit, zal de verkoop door BASE Company van haar 50% belang in VikingCo NV aan MEDIALAAN kunnen voltooid worden nadat de overname van BASE Company door Telenet afgerond is.

Op termijn zal BASE ook de JIM Mobile klanten overdragen aan MEDIALAAN en zal MEDIALAAN een ‘full MVNO’ speler worden op het BASE netwerk, voor zowel de JIM Mobile als de Mobile Vikings klanten. De transactie creëert voor MEDIALAAN het platform om een nieuwe, performante MVNO-speler te worden.


John Porter, CEO Telenet: “Wij hebben constructief samengewerkt met de Europese Commissie tijdens het onderzoek en hadden het volste vertrouwen in de goedkeuring van de transactie. We zijn erg blij met deze belangrijke strategische en complementaire overname. Dit is een historische stap in de geschiedenis van Telenet en van BASE Company. Nu we verzekerd zijn van het kunnen aanbieden van mobiele diensten op lange termijn, zullen we in staat zijn om een betere ervaring te bieden voor zowel onze klanten als de klanten van BASE Company. We kijken er naar uit om hieraan samen te werken met de collega’s van BASE Company.”
news
schaakspel verboden in Saoedi Arabië
Edited: 201601220007
The game of chess is a waste of time and an opportunity to squander money. It causes enmity and hatred between people,” Abdulaziz Bin Abdullah, the most powerful Sunni cleric in Saudi Arabia, said on his weekly call-in show.


Voor diegenen die niet vertrouwd zijn met het schaakspel: een simpele pion kan de koning schaakmat zetten ! De koningin is het machtigste stuk op het schaakbord. Dat is natuurlijk geen leuke gedachte in een monarchale dictatuur.
SEJNOWSKI Terry, BARTOL Tom
Memory capacity of brain is 10 times more than previously thought - Data from the Salk Institute shows brain’s memory capacity is in the petabyte range, as much as entire Web
Edited: 201601200915
LA JOLLA—Salk researchers and collaborators have achieved critical insight into the size of neural connections, putting the memory capacity of the brain far higher than common estimates. The new work also answers a longstanding question as to how the brain is so energy efficient and could help engineers build computers that are incredibly powerful but also conserve energy.

“This is a real bombshell in the field of neuroscience,” says Terry Sejnowski, Salk professor and co-senior author of the paper, which was published in eLife. “We discovered the key to unlocking the design principle for how hippocampal neurons function with low energy but high computation power. Our new measurements of the brain’s memory capacity increase conservative estimates by a factor of 10 to at least a petabyte, in the same ballpark as the World Wide Web.”

Our memories and thoughts are the result of patterns of electrical and chemical activity in the brain. A key part of the activity happens when branches of neurons, much like electrical wire, interact at certain junctions, known as synapses. An output ‘wire’ (an axon) from one neuron connects to an input ‘wire’ (a dendrite) of a second neuron. Signals travel across the synapse as chemicals called neurotransmitters to tell the receiving neuron whether to convey an electrical signal to other neurons. Each neuron can have thousands of these synapses with thousands of other neurons.
“When we first reconstructed every dendrite, axon, glial process, and synapse from a volume of hippocampus the size of a single red blood cell, we were somewhat bewildered by the complexity and diversity amongst the synapses,” says Kristen Harris, co-senior author of the work and professor of neuroscience at the University of Texas, Austin. “While I had hoped to learn fundamental principles about how the brain is organized from these detailed reconstructions, I have been truly amazed at the precision obtained in the analyses of this report.”

Synapses are still a mystery, though their dysfunction can cause a range of neurological diseases. Larger synapses—with more surface area and vesicles of neurotransmitters—are stronger, making them more likely to activate their surrounding neurons than medium or small synapses.

The Salk team, while building a 3D reconstruction of rat hippocampus tissue (the memory center of the brain), noticed something unusual. In some cases, a single axon from one neuron formed two synapses reaching out to a single dendrite of a second neuron, signifying that the first neuron seemed to be sending a duplicate message to the receiving neuron.

At first, the researchers didn’t think much of this duplicity, which occurs about 10 percent of the time in the hippocampus. But Tom Bartol, a Salk staff scientist, had an idea: if they could measure the difference between two very similar synapses such as these, they might glean insight into synaptic sizes, which so far had only been classified in the field as small, medium and large.
To do this, researchers used advanced microscopy and computational algorithms they had developed to image rat brains and reconstruct the connectivity, shapes, volumes and surface area of the brain tissue down to a nanomolecular level.

The scientists expected the synapses would be roughly similar in size, but were surprised to discover the synapses were nearly identical.

“We were amazed to find that the difference in the sizes of the pairs of synapses were very small, on average, only about eight percent different in size. No one thought it would be such a small difference. This was a curveball from nature,” says Bartol.

Because the memory capacity of neurons is dependent upon synapse size, this eight percent difference turned out to be a key number the team could then plug into their algorithmic models of the brain to measure how much information could potentially be stored in synaptic connections.

It was known before that the range in sizes between the smallest and largest synapses was a factor of 60 and that most are small.

But armed with the knowledge that synapses of all sizes could vary in increments as little as eight percent between sizes within a factor of 60, the team determined there could be about 26 categories of sizes of synapses, rather than just a few.

“Our data suggests there are 10 times more discrete sizes of synapses than previously thought,” says Bartol. In computer terms, 26 sizes of synapses correspond to about 4.7 “bits” of information. Previously, it was thought that the brain was capable of just one to two bits for short and long memory storage in the hippocampus.

“This is roughly an order of magnitude of precision more than anyone has ever imagined,” says Sejnowski.

What makes this precision puzzling is that hippocampal synapses are notoriously unreliable. When a signal travels from one neuron to another, it typically activates that second neuron only 10 to 20 percent of the time.

“We had often wondered how the remarkable precision of the brain can come out of such unreliable synapses,” says Bartol. One answer, it seems, is in the constant adjustment of synapses, averaging out their success and failure rates over time. The team used their new data and a statistical model to find out how many signals it would take a pair of synapses to get to that eight percent difference.

The researchers calculated that for the smallest synapses, about 1,500 events cause a change in their size/ability (20 minutes) and for the largest synapses, only a couple hundred signaling events (1 to 2 minutes) cause a change.

“This means that every 2 or 20 minutes, your synapses are going up or down to the next size. The synapses are adjusting themselves according to the signals they receive,” says Bartol.

link to Salk Institute




half a brain ...
EDELMAN Asher
China? Oil Prices? Saudi Arabia? Iran? Why Volatility? The Grand Surprise. Trump hero of the uneducated masses.
Edited: 201601120910
We were saving these ideas for the last chapter of the book. Sadly, things are going so fast; the convergence of factors, other than the obvious, pushing us towards the vortex of a storm touching on the ideas behind our next to last chapter, the last chapter being a description of the ills brought on by the coming worldwide economic cataclysm


America

On September 28th, 2015, we wrote of the driving factor behind increased market volatility, “excessive debt, prime and subprime with no liquidity, a reminder of 2007-2008.” It is clear that new, small, and medium sized businesses can not finance or refinance in such an environment. A recovery propelled by business growth is impossible in the current debt environment. In 2006 63.4% of the U.S. population over 16 years of age was employed. Entering 2016, 59.5% of the population is employed. In constant dollars from 2006 to the present average hourly wages have remained at approximately $20.50 while real (inflation adjusted) mean household income of the middle quadrille has hovered at about $54,000 per annum. Poverty statistics as a ratio of the population from 2006 to 2016 have increased from about 16.8% to more than 19.5%. It is difficult to envision a consumer led exit from the U.S. economic malaise given these statistics. Finance is in the throws of a second “Big Short” for those of you who have seen the movie. Derivatives outstanding within American financial institutions have a face value of more than the world’s total financial assets. Don’t assume that these positions are being managed or regulated by folks smarter and more careful then those in control in 2007. They are not! The cracks are beginning to show and spread whilst the underlying banking assets, severely impaired previously, have yet to be marked to market. Financial institutions are not likely to lead the charge towards a growing economy. In fact, it is more likely we will see a repeat of “The Big Short” in the near future. Government – Helpless – After years of monetary manipulation which accomplished little or nothing the Fed continues to bumble along! There has been little fiscal stimulation and none on the horizon. Helpless!

It is unlikely America will lead the world out of the present morass. With Donald Trump heralded as a hero by the uneducated masses we have only ourselves to thank for the inept economic management of our country. Intelligent leadership seems a dream of the past.

CHINA

What can China do? Nothing. China is in free-fall. Communist dictatorships are not and were never known for forward thinking in economically trying times. China arrests its businessmen, politicians et all (perhaps warranted), closes and manipulates markets, destroys it’s currency, overextends its credit markets in the hope of masking it’s economic catastrophe. It will not lead the world out of recession

EMERGING NATIONS

Emerging nations? Totally dependent on selling natural recourses to China et al. No help there.

EUROPE

Europe? Perhaps the greatest catastrophe on the cusp of discovery. We know that Sovereign debt and bank finance are interdependent. We have seen evidence of that everywhere and evidence of the results when the interdependence breaks down such as in Cyprus and Greece. Neither Cyprus nor Greece is healed with Greece heading for another meaningful debacle. What goes unsaid, for now, is the tightrope the rest of Europe walks. The Southern nations – Italy, Spain and Portugal are on the line of no return with Portugal probably having crossed it. Northern Europe is not far behind with France closest on the heels of the four other significant impending failures. The seriousness of further European defaults to the world economy cannot be overemphasized. With one currency as one nation goes down the rest follow. Diverse currencies allow escapes not available to a large currency block such as the Euro. Compounding the problems of Europe are the long standing banking mores which obfuscate the depth of European banks’ illiquidity and careless lending policies, sometimes bordering on corruption. As regulations and, more so transparency, are enforced on the European banking community it will become apparent that all is not right in the States of Euroland. Prior to the “European Crisis” in, some say 2010 or 2011, practices in play in most banking institutions included reciprocity in lending (you wash my hand I wash yours, we protect each other’s back) - not possible after 2011, careless analysis and regulation as to quality of lending, lassitude as to tracking use of funds (lots of Euros wandered off to the pockets of favored parties), little or no tracking and follow up as to “friend’s loans”, no marks to market or, at least, delayed and inadequate marks against delinquent loans, the creation of vehicles to house gone bad loans which would reduce or eliminate the requirements for mark downs of the bank’s equity, outright conflict of interest and fraudulent transactions. The list is long and goes on but, suffice it to say, the European banking system is awash with mortal problems which are just beginning to surface and are unlikely to be concealed as effectively as in the U.S. – There are too many conflicting political interests within Euroland to preserve the silence of the pack ( the countries and banks themselves.) In the next to last chapter of the book which, I’m afraid, will come out subsequent to the impending crisis we will delineate in detail the methodology by which the many European banks function. It is a lively topic.

In conclusion, 2007-2008 is likely to be repeated in the foreseeable future. This time there are no engines of restoration on the horizon. The catalyst will not be the usual blah blah we read in the financial press. It will be the collapse of the financial structure of Europe, both Sovereign and private. World liquidity, which is strained today, will find its home at “zero”. The recovery will be long and painful.



Asher Edelman

January 12th, 2016
WILLIAMS Susan
REVIEW: Spies in the Congo: America’s Atomic Mission in World War II
Edited: 201601080261
The core in America’s first atom bombs came from rich uranium deposits deep inside Belgian Congo, and Williams (Who Killed Hammarskjöld?), a senior research fellow at the Institute of Commonwealth Studies, University of London, details the Allied efforts to secure that source of uranium in light of reports that Nazi Germany had begun to develop an atomic weapon. He uses newly released records from American, British, and Belgian archives, including from the Office of Strategic Services (OSS). Derring-do is in short supply, and the ore shipments proceeded smoothly, but readers will not regret learning about the activities of some of America’s least heralded spies. Williams’s central figure is Dock Hogue, an engineer with a taste for adventure who was recruited by the OSS and sent to Léopoldville (now Kinshasa) in 1943. He and colleagues suffered from heat and disease. They mostly enjoyed working with British agents but held a lower opinion of Belgian officials; many were corrupt, some sympathized with the Nazis, and all treated Africans terribly. As a cover for uranium-based activities, agents were publicly engaged in fighting diamond smuggling. They turned up little uranium smuggling but risked their lives, engaged in a few gun battles, often ruined their health, and received scant recognition. Williams’s niche but engrossing story offers new insight on intelligence activities in sub-Saharan Africa during WWII.

PublicAffairs, $28.99 (400p) ISBN 978-1-61039-654-7
WILLIAMS Susan
REVIEW: Spies in the Congo: America’s Atomic Mission in World War II
Edited: 201601080261
The core in America’s first atom bombs came from rich uranium deposits deep inside Belgian Congo, and Williams (Who Killed Hammarskjöld?), a senior research fellow at the Institute of Commonwealth Studies, University of London, details the Allied efforts to secure that source of uranium in light of reports that Nazi Germany had begun to develop an atomic weapon. He uses newly released records from American, British, and Belgian archives, including from the Office of Strategic Services (OSS). Derring-do is in short supply, and the ore shipments proceeded smoothly, but readers will not regret learning about the activities of some of America’s least heralded spies. Williams’s central figure is Dock Hogue, an engineer with a taste for adventure who was recruited by the OSS and sent to Léopoldville (now Kinshasa) in 1943. He and colleagues suffered from heat and disease. They mostly enjoyed working with British agents but held a lower opinion of Belgian officials; many were corrupt, some sympathized with the Nazis, and all treated Africans terribly. As a cover for uranium-based activities, agents were publicly engaged in fighting diamond smuggling. They turned up little uranium smuggling but risked their lives, engaged in a few gun battles, often ruined their health, and received scant recognition. Williams’s niche but engrossing story offers new insight on intelligence activities in sub-Saharan Africa during WWII.

PublicAffairs, $28.99 (400p) ISBN 978-1-61039-654-7
De redactie / LT
De komende drie winters zal ons land ook zonder Doel 1 en 2 voldoende energiecapaciteit hebben. Dat zegt netbeheerder Elia in een rapport dat vandaag werd vrijgegeven en waarin de centrales van Doel 3 en Tihange 2 buiten beschouwing werden gelaten. Gisteren echter raakte bekend dat de federale regering een akkoord heeft gesloten met Engie/Electrabel om Doel 1 en 2 tien jaar langer open te houden.
Edited: 201512032339
Moeten we voor deze timing het woord 'schaamteloos' gebruiken? Ja toch.
Inmiddels zegt Electrabel dat het 340 banen gaat scheppen.
News
Regering kiest voor kernenergie en cadeau aan ENGIE/Electrabel
Edited: 201512021454
De stemmingmakerij rond een electriciteitstekort werpt haar vruchten af. Doel 1 en 2 blijven open tot 2025. Heffing op Electrabel fors verlaagd.

EU - EP
LuxLeaks - Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB) - Haast u langzaam.
Edited: 201511261202
Het Europees Parlement nam een resolutie aan om de 'rulings' (belastingafspraken) voor multinationals transparanter te maken.
Het gaat nog maar over bepaling van de heffingsgrondslag.
Er werden geen aanbevelingen gedaan om de vennootschapsbelasting te uniformiseren.
Commentaar:
De discussie over CCCTB is al sinds 2001 aan de gang. Haast u langzaam, blijkt ook hier de leuze.
De verdeeldheid binnen de EU werkt de belastingontwijking in de hand. De belastingontwijking komt vooral de grote aandeelhouders ten goede omdat er hogere dividenden kunnen worden uitgekeerd. Dat voedt dan weer de vermogensongelijkheid. Worden de voordelen in de concerns gereserveerd dan creëren ze daarmee een 'oorlogskas' voor overnames. Dat voedt de concentratiebeweging op mondiaal vlak. De natiestaten die belastinginkomsten mislopen moeten de gewone burgers zwaarder belasten om hun begrotingen in evenwicht te houden. Bij een overschrijding van de budgetten moet er geleend worden. Dat gebeurt bij banken die - als het slecht gaat - met gemeenschapsgeld worden gered. Een infernale cirkel.
De voor de hand liggende oplossing - 1 EUROPEES LOKET VOOR MULTINATIONALS - is nog veraf. Daar waken de lobbyisten van de multinationals over. En dan nog dit: de grote fracties in het EP willen de Taxe-commissie opdoeken. Philippe Lamberts (Ecolo) daarover: 'Een klap in het gezicht van de Europese burger en belastingbetaler.'
Onderstaand schema maakt duidelijk dat fiscaliteit geen saaie materie is. Het komt neer op het volgende: wat de ene niet betaalt moet de andere betalen ... en die andere dat bent u.



Marc De Vos, [Frank Vandenbroucke], [Anthony Atkinson]
Ongelijk maar fair - Itinera gaat de mist in
Edited: 201511231824
In dit boek zet professor Marc De Vos (directeur van denktank Itinera) vraagtekens bij de stellingen van Piketty. In een interview wordt al gauw duidelijk waar het werkelijk om gaat: de professor wil zichzelf profileren als diegene die 'anders' nadenkt, diegene die wil verhinderen dat de bevindingen van Piketty uitdraaien op een nieuwe ideologie, diegene die Piketty verwijt én economisch historicus, én politiek raadgever te willen zijn. 'Piketty heeft een verborgen agenda en de discussie is een hype', luidt het.
De Vos stelt de beschikbare statistiek in vraag en zou liever naar de evoluties binnen de gelaagdheid gaan kijken, trajecten van mensen binnen de arbeidsmarkt gaan onderzoeken. Enzovoort. In het Frans noemt men die tactiek 'brouiller les pistes'. Er zijn ook passages over genetisch determinisme, versterkt door contextuele variabelen.
Frank Vandenbroucke noemde in een gesprek voor Kanaal Z (20151119) het boek eenzijdig en herhaalt tweemaal 'het mankeert absoluut nuance'. FVDB poneert dat we - willen we armoede en ongelijkheid verminderen - aandacht moeten hebben voor onze kinderen. De Vos kon nauwelijks weerwerk bieden in de discussie, verloor de pedalen in zijn wirwar van nepargumenten en was zichtbaar blij dat de uitzending afliep. Itinera maakte een slechte beurt.
bekijk het gesprek hier
Commentaar LT:
Economen - het zijn ook maar mensen - hebben de neiging mekaar tegen te spreken, al was het maar om te kunnen surfen op de deining die hun succesvolle collega (Piketty) heeft veroorzaakt. We vrezen dat het boek van De Vos met die bedoeling in elkaar is geknutseld.
Het is wellicht waar dat ongelijkheid van alle tijden is. Het is ook waar dat succes mag worden beloond. Het wordt echter een andere zaak als de rijken, de vermogenden, de grootverdieners via allerlei truuks hun bijdragen aan het inkomen van de staat trachten te minimaliseren. We hebben het hier over de belastingconstructies die o.a. LuxLeaks uitbracht. De staat kan dan niet de nodige middelen verzamelen om bijvoorbeeld kinderen via onderwijs uit de kansarmoede te halen. De superrijken kunnen daarentegen via privé en voortgezet onderwijs hun kinderen bijkomende kansen bieden.
Die redenering missen we bij De Vos. Hij mist totaal de trein door niet te willen inzien dat belastingen een directe impact hebben op de uitkering van dividenden. Belastingen noemt hij iets dat komt NA de bruto-inkomensvorming, terwijl de logica zegt dat belastingen inherent geworden zijn aan de strategie van bedrijven, trusts en concerns. De externe fiscale consultants zijn belangrijker geworden dan de financiële directie van een concern. De herverdelende correctiemechanismen die de staat via belastingen wil laten plaatsvinden worden door de 'global players' ontvlucht en dus gesaboteerd. De staat kan op die manier nog slechts de miserie proberen te managen. De vermogensaccumulatie is in die context pure diefstal en een daad van incivisme.

Het werk van Marc De Vos werd verkozen tot LIBERALES BOEK van 2015; dat zegt in dit geval meer over de kwaliteit van de jury dan over die van het boek.


Omdat er belangrijker boeken zijn dan dat van De Vos geven we hier een lijstje met de boeken van Anthony Atkinson:
Atkinson, Anthony B.; Harrison, Allan J. (1978). Distribution of personal wealth in Britain. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521217354.
Atkinson, Anthony B.; Stiglitz, Joseph E. (1980). Lectures on public economics. London New York: McGraw-Hill Book Co. ISBN 9780070841055.
Atkinson, Anthony B. (1983). The economics of inequality. Oxford Oxfordshire New York: Clarendon Press Oxford University Press. ISBN 9780198772088.
Atkinson, Anthony B. (1995). Incomes and the welfare state: essays on Britain and Europe. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521557962.
Atkinson, Anthony B. (1996). Public economics in action: the basic income/flat tax proposal. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780198292166.
Atkinson, Anthony B. (1999). The economic consequences of rolling back the welfare state. Cambridge, Massachusetts: MIT Press. ISBN 9780262011716.
Atkinson, Anthony B.; Bourguignon, François (2000). Handbook of income distribution. Amsterdam New York: Elvesier. ISBN 9780444816313.
Atkinson, Anthony B; Stern, Nicholas H.; Glennerster, Howard (2000). Putting economics to work: volume in honour of Michio Morishima 22. London: London School of Economics and Political Science, and the STICERD – Suntory-Toyota International Centre for Economics and Related Disciplines. ISBN 9780753013991.
Atkinson, Anthony B. (2004). New sources of development finance. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199278558.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2007). Top incomes over the Twentieth Century: a contrast between Continental European and English-speaking countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286881.
Atkinson, Anthony B. (2008). The changing distribution of earnings in OECD countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199532438.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2010). Top incomes: a global perspective. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286898.
Atkinson, Anthony B. (2014). Public economics in an age of austerity. New York: Routledge. ISBN 9781138018150.
Atkinson, Anthony B. (2014). Inequality: What Can Be Done?. Harvard University Press. p. 384. ISBN 9780674504769.
News
OCAD zet Brussel op niveau 4 dreiging terrorisme - Antibacteriële beschermkledij vorige week gestolen in Parijs
Edited: 201511222338
De toestand in Brussel blijft alarmerend.
Metro en scholen blijven dicht op maandag. Ook in Vilvoorde en Dilbeek sluiten alle scholen.
Waarom het niveau 4 niet geldt voor het gehele land(je) is niet duidelijk gemaakt en journalisten laten na die voor de hand liggende vraag te stellen.

Zondag deed de politie in Brussel meerdere huiszoekingen en arresteerde 16 verdachten. Ook in Charleroi waren er drie invallen.

Le Parisien meldde vorige week de diefstal van antibacteriële kledij.
'Une dizaine de combinaisons de protection étanches, du type des kits de protection contre le virus Ebola, trois fois plus de paires de bottes en polyéthylène, une matière résistante aux agents chimiques, des gants, des masques antibactériens... Ces équipements ont disparu cette semaine d'un local sécurisé de l'hôpital pédiatrique de l'AP-HP Necker (Paris XVe).'
Het ziekenhuis stelde de diefstal woensdag vast en deed donderdag aangifte. De gestolen kledij vormt een volumineus pak. Bovendien is het lokaal beveiligd met code. Dat doet het vermoeden rijzen dat er meerdere personen bij de diefstal betrokken zijn.

Pro memorie: OCAD = Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging
News
Frankrijk bouwt fiscaal voordeel van dieselbrandstof geleidelijk af. Gelijkschakeling benzine en diesel.
Edited: 201510151019
Evolutie van inschrijvingen van dieselwagens: 77,3% in 2008, 64% in 2014.
Diesel vertegenwoordigt in 2015 80% van de verkochte brandstoffen in Frankrijk.

Commentaar: de zogenaamde 'ontdieseling' zal ook een boost geven aan de auto-industrie. Op korte termijn: vervanging van oudere dieselwagens. Op langere termijn: een hogere rotatie in het wagenpark wegens de kortere levensduur van een benzinemotor.
VVSG
PERSBERICHT: Kadastraal inkomen. Gemeenten verbolgen over Vlaamse besparing op hun kosten
Edited: 201510091006
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten protesteert met klem tegen het voornemen van de Vlaamse regering om hen niet langer te compenseren voor Vlaamse belastingkortingen toegekend aan industriële bedrijven. ‘Vlaanderen lost de eigen budgettaire problemen op door ze gewoon te verschuiven richting de gemeenten’, zegt Luc Martens, voorzitter van de VVSG.

Waarover gaat het?
Net als gronden en gebouwen krijgen ook machines (in het jargon ‘materieel en outillages’) van industriële bedrijven een kadastraal inkomen (KI) toegekend. De voorbije jaren heeft de Vlaamse overheid stelselmatig stukken van dat KI belastingvrij gemaakt, volgens het ritme waarin bedrijven investeren in nieuwe machines. Om te vermijden dat gemeenten hiervan de dupe zouden worden – via de opcentiemen op de onroerende voorheffing krijgen ze op basis van dat KI ook belastinginkomsten – compenseerde de Vlaamse overheid de gemeenten voor de verloren inkomsten, en trad eigenlijk op als derde betaler. In 2014 was al 22% van de KI’s op machines vrijgesteld, en gaf de Vlaamse overheid voor de gemiste belastingen aan de gemeenten een compensatie van 47,9 miljoen euro.
Voor de begrotingsopmaak van 2016 heeft de Vlaamse regering nu beslist om deze compensatie, op 13 miljoen euro na, stop te zetten. De Vlaamse gemeenten verliezen dus onmiddellijk 35 miljoen euro per jaar. Maar naarmate de bedrijven de komende jaren verder investeren in nieuwe machines, zullen de KI-vrijstellingen toenemen en kunnen de gemeentelijke jaarlijkse verliezen oplopen tot 150 miljoen euro.

Reactie VVSG

Op 8 oktober stuurde de VVSG hierover onderstaande brief naar de top van de Vlaamse regering:

De raad van bestuur van de VVSG wijdde op 7 oktober een uitgebreide bespreking aan de beslissing van de Vlaamse regering om de gemeenten vanaf 2016 niet langer te compenseren voor de gevolgen van het belastingvrij worden van het kadastraal inkomen op materieel en outillage (KI mat&out).
De raad van bestuur reageerde verbolgen op deze begrotingsmaatregel, en wel om verschillende redenen.
Ten eerste leidt de beslissing, in het midden van de lokale budgetopmaak, voor veel gemeenten tot een plotse en onvoorspelbare minderontvangst. U weet dat de opmaak van de meerjarenplanning 2014-2019 in veel gemeenten in zeer moeilijke omstandigheden is verlopen, en dat het allesbehalve vanzelfsprekend geweest om daarbij te voldoen aan de door Vlaanderen opgelegde budgettaire evenwichten, én bovendien ook de dienstverlening en de lokale investeringen maximaal te vrijwaren. Het is dan ook bijzonder pijnlijk dat dezelfde overheid die de financiële evenwichten oplegt aan lokale besturen nu een maatregel neemt die het voor hen nog moeilijker maakt om die te bereiken. De maatregel KI mat&out dreigt het grondige saneringswerk dat op vele plaatsen is gebeurd overhoop te halen, waardoor gemeenten tot nieuwe pijnlijke ingrepen worden verplicht.
Ten tweede vindt de raad van bestuur het absoluut niet kunnen dat deze beslissing zonder enige vorm van voorafgaand overleg werd genomen. Nochtans was de vrijstelling van het KI mat&out, gekoppeld aan een compensatie van de belastingverliezen van de gemeenten, een essentieel onderdeel van het Lokaal Pact van 2008, waarvan na een evaluatie in 2013 trouwens werd beslist om beide elementen (de belastingvrijstelling én de compensatie) voort te zetten. Het politieke akkoord van het Lokaal Pact wordt nu eenzijdig gebroken door de Vlaamse regering, wat niet getuigt van interbestuurlijke loyaliteit.
Ten derde weten we dat de maatregel voor 2016 begroot wordt op netto ca. 35 miljoen, maar door bijkomende bedrijfsinvesteringen de komende jaren kan oplopen tot 150 miljoen euro. Voor zover we nu weten, voorziet de beslissing van de Vlaamse regering nergens in het sluiten van dit open einde. Dit is vanuit de gemeenten bekeken totaal onaanvaardbaar. Het zijn niet de gemeenten die beslist hebben om te voorzien in een graduele vrijstelling van de KI’s op materieel en outillage. De Vlaamse overheid heeft hiertoe besloten en moet hiervoor dan ook zelf de budgettaire verantwoordelijkheid dragen.

We begrijpen dat Vlaanderen gedurende enkele jaren nog zou voorzien in een vaste compensatie van 13 miljoen euro. Voor de verdeling van dat bedrag kijkt men ook naar de groei van het Gemeentefonds 2013-2014. We stellen vast dat dit leidt tot vreemde effecten in de individuele gemeentelijke situaties. De vraag rijst zelfs of dit voorstel de toets aan het gelijkheidsbeginsel kan doorstaan.

De eisen van de VVSG zijn duidelijk:
- Het intrekken van deze maatregel. Als Vlaanderen de compensatie niet langer kan financieren, mag het de factuur ervan niet zo maar naar een andere overheid doorschuiven.
- Als men toch doorgaat met de beslissing, moet op zijn minst het ‘open einde’ (de verder oplopende factuur de komende jaren naarmate meer KI mat&out belastingvrij wordt) worden gesloten.

Gemeenten hebben ons intussen gesignaleerd dat, als Vlaanderen hier toch mee doorgaat, ze niet anders zullen kunnen dan de investeringen verder terugschroeven. Dat zou dramatisch zijn, niet alleen voor de uitbouw en het onderhoud van het publieke patrimonium, maar ook voor de duizenden banen in de bouwsector en elders die rechtstreeks samenhangen met de gemeentelijke investeringen.
Verder vrezen besturen dat deze maatregel wel eens zou kunnen leiden tot een wellicht ongewenste lokale ‘tax shift’, waarbij besturen ter compensatie de belastingen op drijfkracht gaan optrekken (of opnieuw invoeren), of de opcentiemen OV optrekken waardoor gezinnen én bedrijven opdraaien voor deze maatregel.

We vernemen dat tijdens de begrotingsbesprekingen geregeld werd verwezen naar de blijvende 3,5% groei van het Gemeentefonds, ‘terwijl alle andere sectoren en departementen moeten inleveren’. Vooreerst willen we bevestigen dat de raad van bestuur van de VVSG deze aangehouden stijging van het Gemeentefonds sterk apprecieert en naar waarde schat. We verwijzen er ook telkens naar in onze publicaties. Toch weet u ook dat die stijging niet mag los gezien worden van andere (Vlaamse en federale) maatregelen die op de lokale budgetten afkomen. Slechts enkele voorbeelden als illustratie:
- Vlaamse maatregelen: de besparing van ca. 10 miljoen euro op de zeven sectorale subsidies die nu naar het Gemeentefonds gaan, én de beslissing om ze niet langer te indexeren; de besparing van 5% of ca. 18 miljoen euro bij de regularisatie van de gesco’s en de beslissing om de nieuwe subsidie niet te koppelen aan de evolutie van de loonkosten (de vroegere korting werkgeversbijdrage was hier wel aan gekoppeld); het verdwijnen van de middelen voor de milieuconvenant; de verlaging en zelfs schrapping van een aantal stromen voor monumentenzorg
- Federale maatregelen: de vennootschapsbelasting op intercommunales (totaal geschat op 200 miljoen euro, dus ca. 120 miljoen minderontvangsten voor de Vlaamse gemeenten); de vermindering van de federale dotatie voor de politie met 2%; de invoering van de hulpverleningszones, met een ontoereikende financiering; de voortdurende stijging van de pensioenuitgaven, die voor de Vlaamse gemeenten, OCMW’s en politiezones elk jaar ongeveer even groot is als de bijkomende middelen uit het Gemeentefonds. In het pensioendossier nemen de lokale besturen een veel grotere budgettaire verantwoordelijkheid op zich dan de andere overheden.
Daar komen de volgende jaren wellicht nog de gevolgen van de federale tax shift bij. Verder blijven de lokale besturen hoogstwaarschijnlijk verstoken van de positieve effecten van de federale verlaging van de werkgeversbijdragen naar 25% en is het bijzonder onzeker dat de verlaging van de btw op schoolgebouwen (wat overigens een zeer goede maatregel is) binnen Europa zal kunnen stand houden.
De groei van het Gemeentefonds met 3,5% betekent dus in geen geval dat de lokale besturen totaal buiten de budgettaire malaise blijven, integendeel.

Namens de raad van bestuur willen we u uitdrukkelijk vragen om de genoemde maatregel te heroverwegen. De VVSG blijft, zoals voorheen trouwens, bereid om hierover met de Vlaamse regering het debat aan te gaan.

Hoogachtend,

Luc Martens, voorzitter VVSG
Stijn Quaghebeur, voorzitter raad van bestuur VVSG
News
Merkel en Hollande voor Europees Parlement: inhoudloos toneelstuk met Verhofstadt in krijsende en armenzwaaiende bijrol.
Edited: 201510081100
Verhofstadt: 'We beleven een polycrisis: de vluchtelingen, de economie, de euro, het duidelijk verlies aan geopolitieke invloed.'
Die analyse kan een klein kind (een 'joengk') maken.
Dat er ook een verregaande lafheid bij politici bestaat door hét probleem van de ongelijkheid niet aan te pakken en de rijken niet mee te laten betalen voor de kosten van de staat, zover kwam Verhofstadt niet want daarvoor is eerlijkheid nodig.
Alle begrotingen bestaan uit inkomsten en uitgaven. Dat is een axioma. Besparen op de uitgaven omdat je de inkomsten niet eerlijk int, is dubbel onrechtvaardig.
De neoliberale taktiek heeft er steeds in bestaan de inboedel van de staat te verkopen om de begrotingen te doen kloppen. Verhofstadt was de kampioen van dat perfide spel. En nu zitten we met private oligarchen die de bevolking naar hartelust kunnen uitzuigen. Zonder democratische controle. En na enige tijd kunnen de politici dan intreden in de raden van bestuur van de geprivatiseerde (nuts-)bedrijven. Als beloning wachten hen dan royale zitpenningen en mega-bonussen.
RTL Nieuws en VTM Nieuws 20150408 meldden:
Zo zit Verhofstadt in de bestuursorganen van APG (NL), Exmar en Sofina (dat belangen heeft in o.a. Danone en GDF/Suez, nu ENGIE). Bij Sofina trok V. in 2014 voor vier vergaderingen zitpenningen ten belope van 138.000 euro.
News
Na Volkswagen-affaire krijgt nu ook energieverbruik-labeling in de electrosector een ferme knauw
Edited: 201510030124
Is gesjoemel een evidentie en een gewoonte geworden in de zakenwereld? Of is het altijd zo geweest?
Overigens blijken de zogenaamde 'Medaille d'or' op wijnflessen fake.
Ook in de geneesmiddelenindustrie rammelt het langs vele kanten.
Er is moeilijk een sporttak te bedenken waar doping afwezig is.
De mainstream-media worden geplaagd door afluisterpraktijken en gebrek aan eerlijkheid.
De politici "zijn er altijd mee bezig" of zeggen "we zullen zien".
Presidentskandidaten worden gekozen op basis van verzamelde campagnegelden.
Er zijn verhoogde veiligheidsrisico's bij vliegtuigen omdat de kosten van onderhoud en inspectie daarvan de winstmarges drukken.
De voedselkwaliteit blijft een problematisch terrein; bvb. de Genetically Modified Organisms (GMO).
Er is een serieus probleem met hormonenverstoorders of EDC's (parabenen, ftalaten, Bisfenol A, pesticiden, ...).
De belastinginning gebeurt 'à la tête du client' (LuxLeaks) en onthullingen brengen geen actie op gang.
News
VW: Martin Winterkorn neemt ontslag. Verklaring van Executive Committee suggereert dat geen van de eigen leden op de hoogte was van het bedrog. Dat lijkt ongeloofwaardig en geen garantie voor 'a credible new beginning'.
Edited: 201509240055
Wolfsburg, 2015-09-23
Statement by Prof. Dr. Winterkorn
"“I am shocked by the events of the past few days. Above all, I am stunned that misconduct on such a scale was possible in the Volkswagen Group.

As CEO I accept responsibility for the irregularities that have been found in diesel engines and have therefore requested the Supervisory Board to agree on terminating my function as CEO of the Volkswagen Group. I am doing this in the interests of the company even though I am not aware of any wrong doing on my part.

Volkswagen needs a fresh start – also in terms of personnel. I am clearing the way for this fresh start with my resignation.

I have always been driven by my desire to serve this company, especially our customers and employees. Volkswagen has been, is and will always be my life.

The process of clarification and transparency must continue. This is the only way to win back trust. I am convinced that the Volkswagen Group and its team will overcome this grave crisis."

_________________________________________________________

Wolfsburg, 2015-09-23
Statement from the Executive Committee of Volkswagen AG’s Supervisory Board
In a meeting on Wednesday, September 23, the Executive Committee of the Supervisory Board of Volkswagen AG discussed in detail the manipulation of emissions data of Volkswagen Group diesel engines and came to the following conclusions:
1. The Executive Committee takes this matter extremely seriously. The Executive Committee recognizes not only the economic damage caused, but also the loss of trust among many customers worldwide.

2. The Executive Committee agrees that these incidents need to be clarified with great conviction and that mistakes are corrected. At the same time, the Executive Committee is adamant that it will take the necessary decisive steps to ensure a credible new beginning.

3. The Executive Committee has great respect for Chairman Professor Dr. Winterkorn’s offer to resign his position and to ask that his employment agreement be terminated. The Executive Committee notes that Professor Dr. Winterkorn had no knowledge of the manipulation of emissions data. The Executive Committee has tremendous respect for his willingness to nevertheless assume responsibility and, in so doing, to send a strong signal both internally and externally. Dr. Winterkorn has made invaluable contributions to Volkswagen. The company’s rise to global company is inextricably linked to his name. The Executive Committee thanks Dr. Winterkorn for towering contributions in the past decades and for his willingness to take responsibility in this criticall phase for the company. This attitude is illustrious.

4. Recommendations for new personnel will be presented at the upcoming meeting of the Supervisory Board this Friday.

5. The Executive Committee is expecting further personnel consequences in the next days. The internal Group investigations are continuing at a high tempo. All participants in these proceedings that has resulted in unmeasurable harm for Volkswagen, will be subject to the full consequences.

6. The Executive Committee have decided that the company will voluntarily submit a complaint to the State Prosecutors’ office in Brunswick. In the view of the Executive Committee criminal proceedings may be relevant due to the irregularities. The investigations of the State Prosecutor will be supported in all form from the side of Volkswagen.

7. The Executive Committee proposes that the Supervisory Board of Volkswagen AG create a special committee, under whose leadership further clarifying steps will follow, including the preparation of the necessary consequences. In this regard, the Special Committee would make use of external advice. Further details about this will be decided at the Supervisory Board meeting on Friday.

8. The Executive Committee is aware that coming to terms with the crisis of trust will be a long term task that requires a high degree of consistency and thoroughness.

9. The Executive Committee will work on these tasks together with the employees and the Management Board. Volkswagen is a magnificent company that depends on the efforts of hundreds of thousands of people. We consider it our task that this company regains the trust of our customers in every respect.

________________________________
Commentaar: gezien de extreme wereldwijde verwevenheid in de automobielindustrie (onderlinge levering van componenten - zie ons boeknummer 20000215) is het niet ondenkbaar dat het bedrog planetaire afmetingen heeft aangenomen en dat ook Franse, Italiaanse, Japanese en Amerikaanse groepen betrokken zijn geraakt bij wat nu 'dieselgate' wordt genoemd.
LT
nieuws gepresenteerd op WC-pot
Edited: 201508171237
Is het u ook al opgevallen? De presentatie-desk van het VRT-nieuws is een uitvergroting van een WC-pot. Een knipoog van de studio-ontwerper?
Het is niet eens zo gek. Zoals we ons voedsel verteren en uitscheiden, zo verteren we ook elke dag de voor ons klaargemaakte verhalen. Via de afvoerbuizen bereiken de berichten het riool, worden gezuiverd in een zuiveringsstation waar de residus gerecycleerd worden. Fast food en fast news, het ligt niet zo ver van elkaar af.
In overdreven mate geconsumeerd zijn beide slecht voor de gezondheid. Snel nieuws maakt ons op de duur immuun voor de synthese, de reflectie, de conclusie.
Meer dan ooit zijn goede boeken een tegengif voor de vrijblijvende resem van feiten die men 'nieuws' noemt. Nieuws verschaft ons het illusoire gevoel op de hoogte te zijn.
GVA
Het Belgisch Staatsblad publiceerde vrijdag een lijst met 46 politici en hoge ambtenaren die dit jaar zijn 'vergeten' hun vermogen aan te geven bij het Rekenhof.
Edited: 201508160042
Publicatie : 2015-08-14

Numac : 2015018256
Publicatie in uitvoering van artikel 7, º 3, van de bijzondere en de gewone wetten van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de bijzondere en de gewone wetten van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen (elfde toepassingsjaar)
Definitieve lijst van mandaten, ambten en beroepen uitgeoefend in het jaar 2014 of een gedeelte van dat jaar
Wikipedia
Denemarken : Struensee
Edited: 201507252331
Johann Friedrich Struensee (Halle, 5 augustus 1737 – Kopenhagen, 28 april 1772) was een Duitse arts die enkele jaren de macht uitoefende in het koninkrijk Denemarken.

Struensee werd geboren als zoon van een piëtistisch theoloog, maar onttrok zich tijdens zijn studie geneeskunde aan de strenge geloofsopvoeding. Hij werd aanhanger van de ideeën van de Verlichting.

Hij vestigde zich in 1757 te Altona, in het Deense hertogdom Holstein, in die jaren een bolwerk van de Verlichting. Struensee oefende de geneeskunst uit ten bate van het gewone volk. Hij zette zich met name in voor de ongehuwde moeders en hun kinderen, en voor de vaccinatie tegen pokken.

In 1768 werd Struensee door het Deense hof aangetrokken om de jonge geesteszieke koning Christiaan VII te vergezellen op een toer langs de Europese hoofdsteden. Zo werd hij 's konings lijfarts. Christiaan VII verhief Struensee later in de adelstand, hij werd graaf.

De invloed van Struensee op Christiaan leidde ertoe, dat Struensee vanaf 1770 de feitelijke alleenheerschappij in het land uitoefende. De ministerraad kwam niet meer bijeen en de lijfarts verkreeg van de koning volmacht om decreten uit te vaardigen. Deze strekten tot vrijheid van drukpers en godsdienstvrijheid, tot afschaffing van het "scherp onderzoek" ofwel marteling, en tot bestemming van de tolgelden voor de Sont voor de Rijkskas in plaats van voor het Hof.

In hofkringen groeide het verzet tegen de verlichtingsideeën van Struensee. Ook zijn haast openlijke verhouding met de jonge koningin Caroline Mathilde wekte grote weerstand. Het verzet bundelde zich onder de leiding van de koningin-weduwe Juliana Marie en Guldberg, leraar van haar zoon (de halfbroer van de koning).


De arrestatie van graaf Struensee op 17 januari 1772. Uit: Fabricius illustretet Danmarkshistorie for folket, 1915
Op 17 januari 1772 vond een staatsgreep plaats. Struensee werd gearresteerd. Ook de koningin werd geïnterneerd. Guldberg vestigde een reactionair bewind en maakte alle moderniseringen uit de tijd van Struensee ongedaan.

Struensee werd op 27 april 1772 ter dood veroordeeld en de volgende dag onthoofd.

Louise Augusta, de dochter die hij kreeg bij koningin Caroline Mathilde, werd later de moeder van Caroline Amalia, de tweede gemalin van Christiaan VIII. En zo werd de onthoofde lijfarts alsnog voorvader van vele leden van Europese vorstenhuizen.
MARCHAL Jules (1924-2003), [interviewer: Syp Wynia]
Interview 13/4/1994 afgenomen door Syp Wynia
Edited: 201506040909
Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.
De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003).
Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

Ik bezocht Marchal op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest.
Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula (Bellings, LT) ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen: ‘De ruiten worden hier anders ingegooid’. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de foto’s, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd. (waarom vertelt Wynia er niet bij, LT)

Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant ‘Het Belang van Limburg’ werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten.
Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten.

‘Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland’
door SYP WYNIA (°1953)

De voormalige Belgische koloniën in Centraal-Afrika zijn ten prooi gevallen aan massale moordpartijen, volksverhuizingen, bestuurlijke chaos, honger en armoede. De volstrekt corrupte staat Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, dreigt voortdurend uiteen te vallen nadat dictator Moboetoe het land eerst tientallen jaren uitzoog en gaandeweg zijn greep op het land kwijtraakte.
Het aan Zaïre grenzende, voormalige Belgische mandaatgebied, Roeanda-Boeroendi, werd gesplitst in de republieken Rwanda en Burundi waar de Tutsi’s en de Hutu’s elkaar nu om beurten afmaken. De moordpartijen waarbij Rwandese Hutu’s de afgelopen maanden honderdduizenden Tutsi’s het leven benamen kennen nauwelijks een gelijke in de recente geschiedenis.

De Belgische diplomaat Jules Marchal (69) kwam er twintig jaar geleden tot zijn schrik achter het hoe en waarom van de Belgische aanwezigheid in Afrika. Na twintig jaar als koloniaal ambtenaar en overheidsadviseur in de Kongo te hebben gewerkt geloofde hij nog rotsvast in de Belgische vaderlandse geschiedenis, die wil dat koning Leopold II aan het eind van de vorige eeuw slechts met de beste bedoelingen de Kongo-staat had gevestigd en dat de Belgische aanwezigheid de zwarten niets dan goed had gebracht.
Nadat Marchal, in 1972 Belgisch ambassadeur in Ghana, geen reactie uit Brussel kreeg op zijn verzoek om informatie, zodat hij onmogelijk een door hem als schandelijk ervaren krantenartikel over de Belgische koloniale geschiedenis kon bestrijden, begon bij hem de twijfel te knagen. Sindsdien is Marchal verbeten op zoek naar de waarheid.

Sinds 1985 publiceerde hij onder pseudoniem (‘A.M. Delathuy’) zes, veelal dikke boeken over de eerste 25 jaar van de Belgische aanwezigheid in Kongo: over de trucs die koning Leopold toepaste om dit gigantische gebied in Centraal-Afrika in handen te krijgen, over de bloedige uitbuiting van het land die Brussel grote weelde bracht maar miljoenen Afrikanen het leven kostte. En over de bedenkelijke rol van veel missie-organisaties.

In Marchals zevende boek, dat volgend jaar verschijnt, komt de latere periode aan de orde, die al evenmin zo brandschoon is als Marchal net als de meeste Belgen lange tijd wilde aannemen. Marchal: ‘Sommige Belgische historici willen nu wel toegeven dat Leopold II het te bont gemaakt heeft. Maar, zeggen ze dan, vanaf 1908, toen de Belgische staat de Kongo overnam van de koning, is het net zo geworden als in alle kolonies. Maar dat is niet waar. Hetzelfde koloniale personeel bleef. En België heeft er nooit ene frank in willen steken – anders mocht de regering de Kongo-staat namelijk niet van de koning overnemen. Dat systeem is dus doorgegaan, zij het ontdaan van de scherpste kanten, maar wel met de dwangarbeid en de terreur.’ Na de Tweede Wereldoorlog werd het wel beter, vindt Marchal. ‘Ik kwam er in 1948. Ik ben ervan overtuigd dat het toen begon een normale kolonie te worden. Er was immers overal uitbating, er waren overal dwangcultures.’
In eigen land kregen de boeken van Marchal nauwelijks aandacht, naar hij zegt omdat het thema van de onderdrukking van de Kongo nog steeds taboe is en het Belgische establishment actief poogt hem uit de publiciteit te houden. Oud-kolonialen voeren een lastercampagne tegen hem en zorgden er dit voorjaar nog voor dat ‘Het Belang van Limburg’ afzag van een bijlageartikel over hem en zijn werk. Een uitgever deed zo weinig voor een van zijn boeken, dat Marchal de voorraad uiteindelijk maar zelf opkocht.
In het buitenland lokten zijn studies tot dusver al evenmin veel reacties uit, ook al omdat hij er aanvankelijk voor koos zijn boeken slechts in het Nederlands te publiceren. Daar ziet hij nu van af: zijn eerste boek, ‘E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat’, verschijnt dit najaar bij een Parijse uitgever in het Frans. In België was er geen Franstalige uitgever te vinden voor het werk van deze ‘nestbevuiler’.

Ik ontmoet hem de eerste keer in het voorjaar, als de kersenbloesem grote delen van Belgisch Limburg overdekken. De Rwandese presidentiële troepen hebben dan net het grootste deel van de regering vermoord en en passant tien Belgische VN-militairen afgeslacht. De massale moord op de Tutsi’s is dan net begonnen. Marchal wil wel praten over België en Rwanda, als ik er maar niets over opschrijf, want hij vreest als een landverrader af te worden geschilderd als zijn kritische kanttekeningen over de Belgische aanwezigheid in Rwanda naar buiten komen. Dat de Belgische VN-soldaten die het afgelopen jaar in Somalië beschuldigd werden van te hard optreden verbaasde hem niet: hij denkt dat het voortvloeit uit de neerbuigende Belgische traditie ten opzichte van de inheemse bevolking. De Fransen, er al honderd jaar op uit om de Belgen in Afrika te vervangen, krijgen ook een veeg uit de pan. Maar de bandrecorder moet voortdurend uit: ‘Ik moet geweldig voorzichtig zijn, het is een hysterie in België. De ruiten worden hier ingegooid, zeker als ik dat ook nog eens tegen een buitenlandse krant zeg.’
Inmiddels zijn de kersen rijp en Marchal heeft de meeste krieken rond zijn landhuis geoogst. Zijn angst om voor landverrader uit te worden gemaakt is wat geslonken.
Marchal: ‘België kreeg Roeanda-Boeroendi na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied toegewezen, nadat ze tijdens de oorlog samen met de Engelsen de Duitsers daar hadden verdreven. Het maakte tot dan toe immers deel uit van Duits Oost-Afrika. Dat de Belgen daar überhaupt aan begonnen, was weer die grootsheidswaanzin, nadat eerder de Kongo was doodgebloed door de exploitatie door Leopold II. In plaats van in die uitgebloede Kongo wat te gaan doen en de mensen te beschermen, gingen ze vandaar nog eens Duits Oost-Afrika helpen veroveren.’

Al die tijd lieten de Belgen de Tutsi-minderheid als heersers aan de macht in Rwanda. Maar in 1959 kwam de Gentse kolonel Guy Logiest met zwarte koloniale troepen vanuit Stanleyville in oostelijk Kongo de rust herstellen in Rwanda. Hij is daarna hogelijk geprezen, omdat hij toen alle Tutsi-chefs heeft afgezet en vervangen door Hutu’s, met de goede bedoeling dat de Hutu’s onderdrukt werden. ‘Maar dat was een dommigheid,’ zegt Marchal. ‘Dat blijkt nu wel. Hij heeft die hele samenleving daar ontwricht. En kijk, diezelfde Hutu’s die alles aan de Belgen te danken hebben, beginnen nu meteen Belgische blauwhelmen te vermoorden.’
Marchal denkt dat Frankrijk altijd al probeerde een voet aan de grond te krijgen in Zaïre, Rwanda en Burundi. Het zinde de Fransen vanaf het begin al niet dat de Kongo aan de Belgische koning Leopold toeviel. Maar de Fransen moesten het lijdelijk aanzien omdat de andere grootmachten van die dagen geen toestemming aan Parijs gaven de kolonie van de Belgische koning alsnog in te pikken.
Marchal: ‘Maar de laatste jaren waren de Franse para’s al steeds eerder dan de Belgen in Zaïre als daar onrust was, net zoals dit voorjaar in Rwanda. Het is natuurlijk geen toeval dat Rwanda en Burundi net als Zaïre deelnemen aan de door Frankrijk georganiseerde conferenties over de francofonie. En de Tutsi’s die terugkwamen uit Oeganda om de macht weer in handen te nemen spreken alleen maar Engels.’

Zijn vrouw Paula moet per se mee op de foto. Zij tikte 45 jaar geleden al de processen-verbaal uit, op grond waarvan Marchal als jong koloniaal ambtenaar rechtsprak. Zij maakte soms de wonden schoon van de inlanders die in zijn opdracht zweepslagen toegediend kregen, geheel in de koloniale geest van het Belgisch Kongo van na de Tweede Wereldoorlog. De chicotte van dunne repen nijldierhuid speelde steeds een centrale rol in de Belgische geschiedenis in Afrika.
Zijn vrouw tikt nu op de computer zijn boeken uit, die in twintig jaar van dagen, avonden en weekenden thuiswerk na tijdrovend en kostbaar archiefonderzoek tot stand kwamen. Marchal had na zijn pensionering voor boer willen spelen in het huis dat hij de afgelopen dertig jaar tussen zijn posten als ambassadeur in Afrikaanse landen door liet bouwen nabij het Belgisch-Limburgse Hoepertingen. Het kwam er niet van, ook al heeft hij dan fruitbomen, ganzen en de ezels. Soms sust Paula hem als hij zich al te druk maakt over alle ongeloof, onbegrip en tegenwerking.

Op zijn eigen koloniale verleden kijkt Marchal zonder schuldgevoel terug. Dat geldt ook voor de lijfstraffen die hij zelf toe liet dienen aan de Kongolezen die de katoen die ze verplicht moesten verbouwen onvoldoende verzorgden of andere herendiensten verwaarloosden. Wie de chicotte kreeg moest plat op de grond gaan liggen, waarna de straf in aanwezigheid van de andere dorpelingen werd toegediend.
Marchal: ‘Dat katoen dwangarbeid was, ontging ons. Dat was overal zo, dus daar zie ik geen graten in. Ik heb die lijfstraffen toegediend en ik heb de katoen doen planten. Dat was ook in de Franse Kongo zo, denk ik, en in andere kolonies. Maar tot 1945 was dat allemaal veel erger, veel harder. Ze hebben rond 1930 de spoorlijn langs de watervallen aan de Beneden-Kongo helemaal moeten herbouwen. Dat hebben ze gedaan door dwangarbeiders op te roepen uit de ganse Kongo. Er zijn daar duizenden mensen gestorven, als vliegen. Daar is nooit een woord over geschreven. En weet ge dat de Belgen in de Tweede Wereldoorlog de zwarten opnieuw de bossen ingestuurd hebben om wilde rubber et oogsten, nadat de Japanners de uitvoer van de Indonesische rubber hadden afgesloten? Onze mensen hebben toen gezegd: “Wij gaan u helpen, wij hebben daar nog oerwoud. Wij weten wat rubber is”.’ Hij lacht ongemakkelijk, met een pijnlijke grimas.
Marchal: ‘En toen was het weer hard. Niet meer zoals onder Leopold II, toen ze mensen doodschoten die met te weinig rubber terugkwamen uit het bos, waarna ze de handen afhakten om aan te tonen dat ze goed tekeer waren gegaan. Ze moesten die handen roosteren omdat ze anders onderweg verrotten. Met manden vol handen kwamen ze terug uit de brousse. Zo was het in de jaren veertig niet meer, maar het was weer hard. Dat wil gewoon zeggen dat de Belgen nooit beseft hebben wat ze ginder gedaan hebben. Het is een eeuwige schande. Als ik dan Willy Claes en Jean-Luc Dehaene hoor over de mensenrechten in Zaïre, dan krimp ik in van schaamte – dat wij daarover durven spreken. Dat is een schande als ge zo’n verleden hebt. Dat zouden mijn boeken moeten leren aan de Belgische gezagsdragers, maar ik word niet gelezen. Niemand kent mijn boeken, niemand is daarin geïnteresseerd. Men leeft hier in België in de mythes en legenden van die filantropische Leopold II, die de Arabische slavendrijvers zou hebben vernietigd. Dat terwijl Leopold juist nauw samenwerkte met die slavenhandelaren.’
Ik opper dat de verdringing van het koloniale verleden niet iets typisch Belgisch is. In Engeland en Frankrijk gaat het net zo. Is het in Nederland misschien beter?
‘Ik denk het niet,’ zegt Marchal. ‘Ik verwijs naar professor Jan Breman in Amsterdam, die heeft hetzelfde probleem als ik. Die wordt ook niet geloofd en wordt ook niet gelezen. Gij hebt hetzelfde probleem als wij. Ik weet het, bij u wordt meer aan ontwikkelingssamenwerking gedaan dan in België. En Multatuli was dan wel een Nederlander en hij werd wel een literaire held. Maar ik geloof niet dat de Nederlanders door hem overtuigd zijn. Indonesië heeft nu geweigerd nog iets aan te nemen van Nederland. Ik vind dat fantastisch. Maar Mobutu weigert nog geen hulp, die is zo ver nog niet.’
‘En dan hadden wij nog Rwanda, zoals u Suriname had had, zo’n klein kroonkolonietje waar je alles kon doen wat je wilde. Maar Nederland hoeft niet voortdurend de Nederlanders weg te halen uit Suriname, zoals wij de Belgen bijna jaarlijks moeten evacueren uit Afrika, waarna ze stilletjes met hun duizenden binnen enkele maanden weer terugkeren als Sabena weer gaat vliegen.
In Rwanda hebben we nooit iets verdiend, het heeft alleen geld gekost aan België. Maar in de Kongo hebben we kolossaal fortuin gemaakt. Rwanda was een kolonie zoals alle kolonies, die waren er voor de exploitatie, dat was de geest van de tijd, maar het koloniale verleden is daar heel normaal verlopen. Maar de Kongo, dat is een speciaal geval. Vooral die eerste jaren onder Leopold II. Dat was het wrede systeem dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw in Indië toepasten.’

Toen Marchal er eenmaal achter was dat hij net als de andere Belgen met leugens zoet was gehouden over het Kongolese regime van Leopold II – de twijfels over het vervolg kwamen pas later – gebruikte hij zijn periodieke terugkeer in Brussel om de koloniale archieven in te duiken, voor zover ze tenminste niet waren vernietigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel was daartoe een prima uitvalsbasis: Marchals bureau stond vijftig meter van de koloniale archieven.
Marchal: ‘Dat is wel een van de redenen waarom ik niet gelezen wordt. Ik heb nooit propaganda kunnen maken. Als ik als diplomaat mijn pensioen wilde halen moest ik een beetje opzij leven en een pseudoniem nemen. Dat werd A.M. Delathuy, net als mijn overgrootmoeder. En ik kon geen persconferenties te geven. Tot ik in 1989 met pensioen ging wist niemand wie Delathuy was. Ook al omdat het in het Nederlands verscheen en het dus niet gelezen werd in Zaïre. Bij Buitenlandse Zaken liet men mij begaan, omdat ik me zo kalm hield en me niet als stokebrand gedroeg. Men kon mij weinig verwijten. Door die andere naam, Delathuy, is de minister nooit in moeilijkheden gebracht. En ik zocht er geen glorie mee.’
‘Een andere reden is, dat ik me niet op kon trekken aan de boodschap die ik breng,’ zegt Marchal. ‘Daar ben ik beschaamd over, daar kan ik het land niet mee afreizen. Ge moet van mij niet verwachten dat ik in Rotterdam ga spreken of naar Amsterdam kom om over het banditisme van die Belgen te spreken. Dat kan toch niet? Het is nu bij mijn laatste boek voor het eerst dat ik me op een perspresentatie heb laten zien.’

Marchal lijdt onder de aanvallen van zijn collega’s van vroeger, de oud-kolonialen die zich ook in Belgisch-Limburg gegroepeerd hebben in een club. ‘Die kunnen maar niet begrijpen dat een Limburger zoiets doet, Leopold II zwartmaken. Toen de krant over de presentatie van dat laatste boek schreef, zijn de oud-kolonialen van Hasselt naar de hoofdredacteur gelopen. Ze wilden een rechtzetting. Een rechtzetting van een verslag van een persconferentie? Ik zie dat niet zo goed. Die reporter was enthousiast over mij. Die zei: ik maak een weekendportret. Zodra die mannen van Hasselt daar achter kwamen zijn ze naar de redactie en de directeur gelopen. “Als ge nog iets durft publiceren van die Delathuy, dan verliest ge 5000 lezers,” dreigden ze. Die reporter is weer bij mij gekomen en heeft mij dat verteld. Die zegt: hoe zit dat met die 5000 lezers? Nu ben ik zelf lid van die club geweest. Ik was het 129ste lid. Maar het gevolg is wel: er is niets meer verschenen in Het Belang van Limburg.
‘En als dat laatste boek nou tegen de missie zou zijn, maar dat boek is vóór de missies, het is zelfs gesubsidieerd door een missiecongregatie. Nou ja, de eerste grote ordes die onder aanmoediging van Leopold II naar Kongo gingen, die komen er niet zo mooi uit, dat waren echte potentaten, daar kun je moeilijk wat goeds van vinden. Maar de kleinere ordes, zoals de paters van Mill Hill bij u vandaan, uit Roosendaal – uw paters komen er toch prachtig uit? Die hebben ook niet de internationale propaganda voor de Kongostaat gevoerd waar Leopold op hoopte. En die hebben ook niet deelgenomen aan het met duizenden kidnappen van kinderen die uit dorpen werden gehaald, soms nadat de rest van de bevolking was uitgemoord of de bossen in waren gejaagd, om vervolgens door het koloniale leger over gigantische afstanden te worden vervoerd om in concentratiekampen van de missie te worden opgeleid. Veel kinderen overleefden de tocht niet eens. Tienduizend gekidnapte kinderen stierven op de missies, een veelvoud onderweg daarheen. Meisjes, vaak heel klein nog, werden onderweg verkracht. Duizenden volwassenen werden door paters gekocht om gedoopt te worden als ze al op sterven lagen. Bij de inheemsen leidde dat tot de reputatie dat de doop tot de dood leidde.’
Marchal: ‘Kijk, Leopold II was zijn Kongostaat begonnen voor te stellen als een paradijs. Hij zou er een internationale kolonie, een vrijhandelsstaat, van maken waar iedereen welkom was. Daarom zijn er ook zoveel protestantse zendelingen op afgekomen, lang voor de katholieken. Die protestanten mochten naar binnen, maar dat was dan ook alles. Tot ze begonnen tegen het koloniale regime te schrijven, toen kregen ze geen enkele concessie voor een zendingspost meer. Leopold moest de katholieken er echt naar toe sleuren. Hij moest de missionarissen hebben om te zeggen dat de protestanten lasteraars waren, hij had ze nodig als bondgenoten. Dat kidnappen is alleen in de Kongo gebeurd. Dat was geen praktijk van het Vaticaan, dat was een praktijk van de Kongostaat.’

Voor Marchal was de gewelddadige, gedwongen kerstening in de Kongo een eye-opener. Hij besefte plotseling dat het in West-Europa niet anders gegaan is. ‘Dat is voor mij zo klaar als een klontje. Alle godsdiensten zijn door de staat opgelegd. Allemaal! Waarom zijn er in Nederland zoveel protestanten – omdat het bestuur protestants was! De Spanjaarden hebben ons katholiek gehouden. En waarom zijn wij christelijk? Omdat keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarde. Op school werd ons verteld dat wij hier gekerstend zijn door Willibrord en Bonifatius, dat die hier begonnen te preken en mirakelen te doen. Allemaal larie! Die mannen zijn hier wel geweest, daar niet van. En denk niet dat ik een goddeloze ben, haha. Maar als ge een boek als dit gemaakt hebt begint ge eindelijk lucide te worden. Anders denkt een mens er niet over na hoe zijn voorouders katholiek zijn geworden.’
Net zoals u er tot 1972 niet aan twijfelde dat Leopold II een voorbeeldig, belangeloos koloniaal heerser was geweest?
Marchal: ‘Natuurlijk, waarom niet. Ik ben geen speciale. Ik heb mijn plicht gedaan als koloniaal ambtenaar – ik heb al een koloniaal pensioen sinds 1967 en dat kwam nog eens bovenop mijn wedde van ambassadeur. Ik heb een mooie carrière achter de rug, hoor. Ik geef toe, dat ik geen man ben die iets tegen het establishment had. Ik zit er, zonder te stoefen, eigenlijk volledig in. Ik ben veel hoger van graad dan die mannekes van Hasselt die mij aan het belagen zijn. Maar ik las toen in Ghana verontwaardigd – zoals elk normaal mens zou doen – dat er tien miljoen zwarten kapot zijn gemaakt in de Kongo. Pas toen ik geen antwoord kreeg is het begonnen. Het is werkelijk ongelooflijk. Hier in België hebben historici honderden boeken geschreven over de tijd van de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, die de Kongo optrok en naderhand nog voor Leopold II werkte. Maar je vindt in België nauwelijks een woord over de campagne van de journalist Edmund Morel, die tien jaar lang actie voerde tegen de Kongostaat van Leopold II. Die man stond elke dag met berichten over de terreur, de strafexpedities en de dwangarbeid in de internationale kranten. The Times, dat was bijna zijn spreekbuis. Morels beeld van het koloniale België leeft nog steeds in Engeland en de Verenigde Staten.’

Dat het koloniale verleden van België en dan nog speciaal het koloniale regime van koning Leopold II onbespreekbaar is, verklaart Marchal deels door de betrokkenheid van het koningshuis bij Zaïre, Rwanda en Burundi – een betrokkenheid die tot de dag van vandaag doorgaat. ‘Het is het enige onderwerp dat in België nog onbespreekbaar is. En als die boeken van mij iemand aangaan is het Albert II. Hij zit toch in het kasteel van Laken, dat met koloniaal geld omgebouwd is, zoals Leopold zijn Kongolese goudmijn gebruikte om ook een reeks andere luxeprojekten in België, handelsprojekten in China, een leger op de Nijl en Franse kastelen voor zijn lief te financieren.’
‘Leopold II was gefascineerd door de rijkdom die van Java naar Nederland was gegaan. Toen de Belgen zich van Nederland af hadden gescheurd, was dat tot ongenoegen van Belgische fabrikanten die aan Indonesië leverden. Daarom wilde Leopold II een kolonie hebben – dat brengt fortuin op! Dat heeft hij kunnen flikken door zich als filantroop voor te doen, en dat deed hij onder de vlag van die fictieve Association Internationale Africaine.’
‘In de dorpen in de Kongo weet men nog wat er allemaal gebeurd is,’ zegt Marchal. ‘Ik ben ooit een vrouw tegengekomen die de overlevering nog kende, dat de soldaten bij de mannen de penissen afsneden. Maar mensen als Moboetoe en Loemoemba die bij de paters gestudeerd hadden en niet meer in de dorpen kwamen, die wisten dat niet. Tot de laatste ruzie tussen België en Moboetoe was het grootste compliment dat de zwarten aan Moboetoe konden maken dat hij nu net zo groot was als Leopold de Tweede.’
‘Loemoemba heeft in 1960 met een speech in aanwezigheid van de koning en de eerste minister het spel op de wagen gezet. Dat de Belgen deugnieten waren, dat ze hen geslagen hadden en dat ze niets mochten. Maar Loemoemba had het niet over de periode van de rubber, die had het over de jaren vijftig. Want bij ons in de Kongo was volledige apartheid. De zwarten mochten niks. Die mochten niet in hotels komen, die hadden hun eigen vervoer, ze mochten geen hogere studies doen en ze kregen hongerlonen. De zwarten konden niks, zeiden wij, en die mochten niks. En er wordt hier dan wel afgegeven op de dictatuur van Moboetoe, maar weet goed: in 1959 was in Kinshasa de eerste opstand tegen de blanken en die zijn ongenadig neergekogeld. In onze tijd was er geen kwestie van betogen, hoor. Tegen de grond!’
‘Nu zegt men: de tijd van de Belgen was fantastisch, de Gouden Eeuw. Ja, voor sommigen was het de Gouden Eeuw, zoals voor de oud-kolonialen waarvan de meesten blij zijn dat het ginder nu zo slecht gaat. Het zijn geen deugnieten, hoor, die mensen zijn te beklagen. Hun carrière is daar gebroken toen de onafhankelijkheid kwam. Die smart is gebleven, dat hart is verscheurd en daarom zijn die mensen zo onevenwichtig in hun beoordelingen. Daarom zetten ze mij in hun blaadje neer als iemand die een formidabel koloniaal ambtenaar was, maar een post-koloniaal syndroom heeft gekregen. Ik ben in hun ogen een nestbevuiler, een halve zot.’
‘Ik ben wel teruggegaan naar de Kongo, maar louter als raadgever. Het was gedaan met het chicotte geven. Ook de apartheid was voorbij. Die mensen kwamen toen bij mij over de vloer en ik bij hen – ik vond dat veel aangenamer. Daarmee was ik mentaal voorbereid op de ontdekking die ik later deed, omdat ik de zwarte niet alleen als kolonialist heb gezien maar ook als mens. Dus geloof ik dat ik eigenlijk in de wieg gelegd ben om die boeken te schrijven. Ik heb de tijd van voor 1960 gekend en die van daarna, nadien ben ik diplomaat geworden in Afrikaanse landen. Ik heb gezien wat de Fransen gedaan hebben en wat de Engelsen gedaan hebben. Ik ben geen rijk mens, maar ik ben financieel onafhankelijk, dus ik hoef het niet na te laten om een job te krijgen. Weelde heb ik niet, want ik heb al mijn geld in die opzoekingen gestoken en tot het laatste boek heb ik nooit financiële ondersteuning gehad.’

‘Mijn vrienden, de oud-kolonialen, verwijten mij dat ik niets goeds kon zien in de tijd van Leopold II. Maar wat kan ik daar goed in zien? Dat systeem was slecht, daar was geen enkele goede kant aan. Achteraf is de verdienste van Leopold II dat hij de stichter van Zaïre was. Dat is dus positief, als daar iets positiefs aan is, zo’n groot land dat waarschijnlijk uiteen gaat vallen. Maar goed: dat is hem niet af te nemen, net zoals het hem niet af te nemen is dat Zaïre dankzij Leopold II vandaag de dag het grootste katholieke land van Afrika is. Maar op zich was dat alles geen verdienste: hij had een groot land nodig om veel bos te hebben om veel rubber te kunnen plunderen. Dat was dus gewoon hebzucht, vraatzucht. Overigens begrijp ik imperialisten als hij wel. Wij zijn allemaal imperialisten. Een groot land maken, dat is toch fantastisch?’
(overgenomen van http://www.sypwynia.nl/archief/interview-jules-marchal/)
TESSENS Lucas
Kadastraal inkomen: een heet hangijzer. - Een mening.
Edited: 201505171513
Better think twice, zou je dan zeggen. Maar neen, God en klein Peerke heeft er een gedacht over. Even de materie instuderen is er blijkbaar niet bij.
In een moderne federale structuur had het Kadaster (Patrimoniumdocumentatie) reeds lang gesplitst geweest. Dat zou nog eens een ECHTE bevoegdheidsoverdracht zijn.
Het heffen en invorderen van de Onroerende Voorheffing is straks 20 jaar een Vlaamse bevoegdheid. Waarom dan de basisgegevens van de belasting - het Kadaster dus - ook niet aan de gewesten toewijzen?
Enige durf in de politiek kan geen kwaad.
Oil Industry News
Britain's North Sea Oil and Gas Firms must Look to Future Abroad: Kemp
Edited: 201503130901
Published in on Friday, 13 March 2015

The North Sea has already produced 42 billion barrels of oil and gas, but could have as much as 24 billion barrels left, according to FT columnist Nick Butler (“Don’t abandon the North Sea” Feb 22).

For North Sea operators and their supporters, the remaining reserves provide a compelling economic reason to keep producing to avoid leaving value locked in the ground.

The reserves represent tens of billions of dollars in profits, wages and tax revenues that would be lost if the North Sea fields are abandoned prematurely.

North Sea reserves have a strong political dimension because most operators and service companies are based in Scotland, where separatist sentiment remains strong despite the rejection of independence in last year’s referendum.

The economic reality is more complicated. The notional value of the oil and gas that would remain locked in the ground is not a convincing reason why it should be developed. In a market-based economy, resources are developed only if they can be extracted profitably.

And there are many instances where resources have been left in the ground or abandoned because it was no longer possible to exploit them profitably.

The distinction between exhaustion and profitability was central to the year-long dispute between the National Union Mineworkers (NUM) and the Conservative government led by Margaret Thatcher, the defining moment in Britain’s modern economic history.

In the early 1980s, Britain’s state-owned coal company wanted to close mines that were no longer profitable while the NUM resolved “to re-affirm the union’s opposition to all pit closures other than on grounds of exhaustion.”

The NUM demanded that pits remain open as a source of employment and national energy security as long as there was valuable coal underground (“Crisis management in the power industry” 1995).

Ironically, coal’s nemesis came from the giant gas fields found in the North Sea between the 1950s and 1970s, which threatened coal’s dominance in power generation (“Energy, the State and the Market” 2003).

Once the government’s support for coal was removed after the strike was broken, construction of coal-fired power plants ended and power producers raced to build cheaper gas-fired facilities to capitalize on the cheaper fuel.

By the end of the 1990s, nearly all of Britain’s pits had closed, although there were still billions of tonnes of coal left underground. Twenty years later, Britain’s gas supplies are dwindling, and the country increasingly relies on imported gas from overseas, raising concerns about “energy security”.

If energy security had been the clinching argument, the government would have intervened to keep more pits open. Instead, Britain chose a market-based approach. There is no reason why North Sea oil and gas producers should be treated any differently.

UNFAVORABLE CONDITIONS

Britain’s oil and gas producers are among the victims of the North American shale revolution and the price war between OPEC and the U.S. shale industry.

Like Canada’s oil sands industry, which is also suffering, the North Sea is a relatively expensive source of oil and gas. In recent years, its prospects have depended on oil and gas remaining scarce and prices remaining high.

The North Sea must compete for investment with other oil and gas plays around the world. Before the shale revolution North Sea oil and gas appeared marginally profitable. But with oil prices now around $60 per barrel and widely expected to remain well below $100 for the next few years, the North Sea is no longer an attractive investment proposition.

UK operators tend to blame their problems on the tax regime, which they claim is more punitive and complicated than in other parts of the world. While there is some truth in this argument, the tax regime’s complexity is the legacy of government efforts to clamp down on previous tax avoidance.

In any event, the UK North Sea’s problems run much deeper than tax. Offshore platforms in a notoriously stormy area are a more expensive way to produce oil and gas than onshore shale plays in the United States.

The giant oil and gas fields discovered in the 1960s, 1970s and 1980s could spread the fixed costs of platforms, pipelines and other infrastructure over a large volume of production. Recent field discoveries have been much smaller and have no such economies of scale.

Recent discoveries can only be profitable if they can utilize the existing infrastructure. The problem is that the infrastructure isn’t free and it isn’t public property: it belongs to existing operators, most of them major oil and gas companies, who have a legal obligation to decommission it.

If the infrastructure’s life is to be extended and decommissioning is to be deferred, money will have to be found for routine maintenance as well as capital upgrades.

There is a standoff between the would-be operators of small-scale new fields (who want the infrastructure to be preserved but don’t want to pay high fees) and the bigger legacy operators (who want to get on with decommissioning or charge significant fees to maintain the infrastructure for longer).

The dispute is often caricatured as a disagreement between entrepreneurial operators and stubborn greedy majors. In truth, it is a dispute about the costs of prolonging the life of the infrastructure and who should pay for them.

In a world where oil and gas were thought to be running out and prices were expected to keep on rising, it might have made sense to extend the useful life of the North Sea infrastructure. In a world of $60 oil, the economics are much more challenging.

Over the last 50 years, Britain has developed world-class expertise in offshore oil and gas engineering, which supports thousands of highly skilled jobs, and it would be a shame to lose it. But the industry’s future increasingly lies in selling that expertise abroad, rather than developing the North Sea itself.

Source - www.reuters.com
LT
wetsvoorstel belasting op grote vermogens neergelegd in de Kamer
Edited: 201501201808
Hieronder geven we de Memorie van Toelichting.
DAMES EN HEREN,
Het is van heel groot belang dat voor iedereen toegankelijke openbare diensten en alle vormen van sociale bescherming behouden blijven, om aldus de economische en de sociale ongelijkheden weg te werken.
Die doelstellingen impliceren een fiscaal beleid dat uitgaat van een billijke bijdrage tot de overheidsfinanciën.
De fiscale ontvangsten zijn echter nog steeds voor ruim 70% afkomstig van de belasting op de inkomsten uit arbeid en van heffingen op de consumptie van de gezinnen (btw en accijnzen); een heel groot deel van die consumptie wordt overigens betaald met de inkomsten uit arbeid.
De gelijke spreiding van het vermogen neemt gaandeweg af, niet alleen doordat vermogen steeds meer met inkomsten uit kapitaal wordt opgebouwd, maar ook doordat vooral de inkomsten uit arbeid en de consumptie van de gezinnen worden belast. Die vaststelling toont aan dat het absoluut noodzakelijk is dat het kapitaal meer bijdraagt tot de financiering van de collectieve behoeften.
De indieners van dit wetsvoorstel menen dat die bijdrage tot de collectieve behoeften, om rechtvaardig en billijk te zijn, rekening moet houden met de bijdragecapaciteit van elkeen en moet steunen op het beginsel van de progressiviteit van de belastingen via een belastingschaal met progressief hogere schijven, waarbij “drempeleffecten” worden voorkomen.
De bijdragecapaciteit van de belastingplichtige kan worden bepaald op grond van zijn vermogen. Een vermogen biedt immers zekerheid, en verschaft de belastingplichtige de mogelijkheid inkomsten te verkrijgen.
Dit wetsvoorstel beoogt een heffing in te stellen op de grote vermogens wanneer die 1 250 000 euro netto overschrijden. Het ligt dus niet in de bedoeling de middenklasse,
de lagere inkomens of de kleine spaarders te treffen. Deze belasting geldt evenmin voor de vennootschappen, noch voor de bezittingen die worden aangewend voor een beroepsactiviteit. Dit wetsvoorstel beoogt dus “slapend kapitaal” te doen bijdragen, niet het kapitaal dat wordt gebruikt voor economische activiteiten die banen scheppen en inkomsten genereren.
Dat bedrag van 1 250 000 euro wordt berekend per natuurlijke persoon die onderworpen is aan de belasting op de grote vermogens (de belastingplichtige). Wanneer een natuurlijke persoon samen met een andere belastingplichtige een goed bezit, zal de waarde die voor de belasting op de grote vermogens in aanmerking wordt genomen, worden berekend in verhouding tot diens aandeel in de onverdeelde eigendom van het goed dat hij in mede-eigendom bezit.
Het vermogen omvat alle roerende en onroerende goederen, alsook alle waarden en rechten die een belastingplichtige volledig of deels bezit.
Er is in een aantal uitzonderingen voorzien. De indieners hebben onder meer beslist bij de vermogensberekening geen rekening te houden met de goederen die uitsluitend voor de uitoefening van een beroepsbezigheid worden aangewend. Zoals al is aangegeven, is het
immers niet de bedoeling de economische activiteit te benadelen.
Voorts komt de eigen woning evenmin in aanmerking voor de vermogensberekening. De belasting zal omwille van de fiscale billijkheid progressief stijgen (per schijf) en een regeling omvatten die ertoe strekt ongewenste drempeleffecten te voorkomen. Er wordt voorzien in verschillende percentages opdat de belastingdruk niet contraproductief wordt, want die
percentages worden jaarlijks toegepast op een vermogen, niet op een inkomen.
De indieners beogen meer fiscale rechtvaardigheid, waarbij men zeker niet mag vervallen in een fiscale regeling die al te forse happen uit vermogens haalt.
De voorgestelde regeling houdt aangifteplicht in: elke belastingplichtige die deze belasting verschuldigd is, moet bij de belastingadministratie een aangifte indienen, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.

lees hier het wetsvoorstel 


 

Last year Motorola introduced the idea of eliminating passwords by using digital tattoos that you could keep on your body to unlock your cellphones securely.Well, just about a year later they’re on sale in the United States for $9.99 per 10 digital tattoos and are compatible with the Motorola Moto X phone.
Edited: 201412100001
src: IHS Engineering360
Koningin Elisabeth over haar zoon Leopold III op 26 mei 1945
'als het de ideeën van Leopold kende, rechts zou verbaasd zijn, misschien wel afgeschrikt'
Edited: 201411151359

Marc Reynebeau brengt in De Standaard van 20141115 deze uitspraak van de 'rode' koningin in herinnering. De slotvraag van zijn column luidt: 'Is er iets wat historici nog niet weten?'

Het is een beetje aanmatigend van MR te beweren dat hij weet wat historici weten en niet weten. Maar tot daar nog aan toe.

Erger is het te moeten vaststellen dat Reynebeau blijkbaar nog geen aandachtige lezing van het 'Politieke Testament' van Leopold III heeft gedaan. Hij zou dan weten dat Leopold III tegen de schenen van het establishment durfde te schoppen. En dat is nu niet bepaald 'rechts' te noemen.

Wie enkele feiten op een rij zet, kijkt misschien anders tegen de koningskwestie aan:

1) Spaak en Pierlot, ministers op de vlucht, zetten in mei 1940 de vader van Lilian (en latere schoonvader van Leopold), Hendrik Baels, de Vlaamsvoelende gouverneur van West-Vlaanderen af omdat die zijn post zou hebben verlaten;

2) Leopold huwt Lilian Baels;

3) Leopold pleit in zijn Politiek Testament voor de erkenning van de Vlaamse eisen;

4) Leopold kon de uraniumakkoorden die de Londense regering met de Amerikanen en de Engelsen had gesloten, afkeuren;

5) De particratie wilde af van een te bemoeizuchtige koning.

Het probleem met een aantal historici is dat alle elementen van een relaas in hun interpretatie moeten passen. Dissonante feiten worden verzwegen, slechts terloops aangeraakt of niet uitgespit. Er bestaat zoiets als een stilzwijgende 'code' om te conformeren aan de gevestigde interpretatie van het korps. Ook economen en gewillig volgende politici zijn in dat bedje ziek; we voelen dat in onze portemonnee.
Lucas Tessens
Materie en Goede Smaak
Edited: 201411082145
Neen, dit is geen advertentie voor een wagen maar wel een argument dat het onderhouden van een oldtimer niets met materialisme hoeft te maken te hebben. In een verspillende materialistische samenleving is er geen respect voor het materiële. De materie wordt misbruikt en weggeworpen.
Het koesteren van een auto in zijn oorspronkelijke staat is een ode aan de geest, aan de passie en aan de inventiviteit van de ontwerpers en de makers van het product. Net zoals een mooi oud gebouw, een meubel, een degelijk kledingstuk, een schilderij, een beeldhouwwerk en zelfs een paar goedzittende schoenen respect verdienen. Daar ligt ook de diepere betekenis van onze musea.
Want de verspillende mens is de echte materialist. Hij ziet groei als het voortdurend reproduceren van identieke goederen. Om ze zonder spijt te kunnen weggooien. Alsof het geluk daarin zou kunnen liggen.

En zoals een auto mooi oud kan worden, zo ook kan een mens dat. Zeker voor een boek kan dat waar zijn. Want welke pretentie schuilt er niet in de (weliswaar nooit expliciete) bewering dat vandaag de beste inzichten zouden groeien, dat enkel filosofen, economisten, schrijvers van heden de essenties naar voor zouden brengen. Dat is de logica achter de boekenindustrie die steeds op zoek is naar wat u graag leest en minder en minder geïnteresseerd is in wat u eigenlijk zou moeten lezen. Wie zijn verleden niet kent, kan geen gefundeerde uitspraken doen over de kwaliteit van de hedendaagse inzichten en plannen.
En laat ons eens terugkeren naar de notie 'groei'. Een BBP dat enkel kwantitatief wordt gepresenteerd, maakt abstractie van de kwaliteit van wat wordt geproduceerd. Het doet er dan niet toe. De werknemers die de zaken maken doen er dan niet toe. Dan telt ENKEL het cijfer, het getal, de procentuele 'vooruitgang', de gemiddelde stijging, de gerealiseerde winst.
Een verkregen of gekregen product is geen bron van blijdschap meer, zoals kinderen die soms beleven. Het product wordt beheerst door de dwanggedachte van de noodzakelijke vervanging in de nabije toekomst. En de mens verwordt tot louter consument, éénling in een publicitaire doelgroep. Eveneens vervangbaar.

Ik heb me afgevraagd hoe het toch komt dat vele superrijken smakeloos wonen. Misschien omdat ze precies de voeling missen met het esthetische aspect van de materie, en dus zichzelf en de anderen willen imponeren met de prijs ervan. Zo zijn ook zij slachtoffers van de materiële mythe en is hun leven - even eindig als het onze - mogelijk holler. Het is een vermoeden dat mij niet blijer maakt.

P.S. De auto op de foto is een BMW type 535i van 30 jaar oud
PEACOCK Ralph (1868-1946)
The Sisters (from a painting by -)
Edited: 201410280225
from The Studio, 1900, vol 21, 91: 5







References Tate:
Catalogue entry


N01772 THE SISTERS 1900

Inscr. ‘Ralph Peacock 1900.’ b.r.

Canvas, 51 1/4×35 1/2 (130×90).

Presented by the artist 1900.

Exh: R.A., 1900 (467).

Lit: Frank Rinder, ‘The Royal Academy of 1900’ in Art Journal, 1900, p.182, repr. p.165.

Repr: Royal Academy Pictures, 1900, p.147.

The elder sister reading from an open book was Miss Edith Brignall, who married the artist in the following year. The younger sister, Miss Ethel Brignall, married Harold A. Titcomb, an American mining engineer, in 1908, and also forms the subject of N01672.

Published in:

Mary Chamot, Dennis Farr and Martin Butlin, The Modern British Paintings, Drawings and Sculpture, London 1964, II

Biography: here
AGIV-KBR
Reis door de tijd met historische kaarten
Edited: 201410250213


Uit een samenwerking tussen het AGIV en de Koninklijke Bibliotheek groeide een mooi digitaal cartografisch initiatief onder de benaming 'Reis door de tijd'. De eerste link hieronder leidt naar een hybride kaart van onze wijk en de ligging van MERS Antique Books Antwerp.
ligging MERS Antique Books Antwerp, Mevrouw Courtmansstraat 27, 2600 Berchem




De volgende link leidt naar de historische kaarten van de 18de eeuw tot nu voor ons adres: 1712 (Fricx, Carte des Pays-Bas), 1777 (Ferraris, Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden), 1846-1854 (Vandermaelen, Carte Topographique de la Belgique), 1842-1879 (Popp, Atlas Cadastrale parcellaire de la Belgique), 1979-1990 (luchtfoto), 2012 (luchtfoto), 2013 (luchtfoto), 2014 (Basiskaart GRB)



Aan bovenstaande reeks kunnen we er nog een paar toevoegen: de kaart van het Dépôt de la Guerre in 1878 op 1/20.000ste, die van het Militair Cartografisch Instituut in 1932 op 1/20.000ste en de kaart die het Militair Geografisch Instituut in 1957 maakte op 1/25.000ste. Zie voor meer informatie ons boeknummer 19680057. Een volledig overzicht van historische kaarten vindt u bij het Nationaal Geografisch Instituut.


Indien u dat wenst kunt u bovenaan de kaart van Geopunt uw eigen adres eens intikken om te zien hoe het er vroeger in uw omgeving uit zag. Veel plezier ermee!

De volgende stap in deze applicatie zou erin kunnen bestaan de kadastrale leggers van Popp te koppelen aan referentiepunten op de kaarten. MERS beschikt over een mooie collectie kadastrale leggers. Op onze thematische pagina vindt u een overzicht van auteurs die publiceerden over grondbezit en het kadaster in de periode 1814-2014.

GILLON Luc
L'uranium du Congo Belge et la découverte de l'énergie atomique. Deuxième partie: le projet Manhattan
Edited: 201410221402
article de 4 pages; bron: zie inleiding.Rés. abr.: En 1913 fut découvert le gisement de pechblende de Shinkolobwe (Katanga, Congo belge; l'actuel Zaïre). Ce gisement, extrêmement riche, fut exploité par l'Union Minière du Haut-Katanga (UMHK), d'abord pour son minerai de radium. Mais la découverte du neutron, en 1932, suscita un intérêt pour l'uranium lui-même. Dès mai 1939, F. Joliot proposa à E. Sengier, de l'UMHK, une association pour le développement de cette énergie nouvelle et un contrat fut même signé entre l'UMHK et le CNRS français. Mais en octobre 1939, Sengier s'installa à New York; il fit transférer au Royaume-Uni puis aux USA les stocks de radium de Belgique, puis les minerais d'uranium du Congo belge. Pour développer les applications militaires de la fission de l'uranium, les USA créèrent le 'Manhattan Engineering District' dont les besoins en uranium furent satisfaits à 90 pour cent par le Congo belge. La Belgique insista pour obtenir un supplément de prix pour l'uranium. Finalement, une surtaxe de 0,4 $ par lb. pour les livraisons postérieures au 13 juillet 1951 servit à financer la recherche nucléaire en Belgique. Le Congo ne fut cependant pas oublié. Le physicien qui aurait dû développer l'énergie nucléaire en Belgique fut envoyé au Congo en 1954 pour y fonder et y développer l'Université Lovanium; il y fit installer en 1959 le réacteur Triga, toujours en service comme réacteur de recherche. Notes.
Zaman
Cengiz Çandar: Media in Turkey either bowing or kowtowing to Erdoğan - The situation in Turkey from a historical perspective -
Edited: 201410141748


De volgende link naar het interview met çadar op de website van Zaman doet het niet meer sinds begin maart 2016. We laten de link evenwel staan uit protest tegen het fnuiken van de persvrijheid door Erdogan. Blijkbaar heeft die de 'edge of fascism' overschreden.



bio çandar (°1948)


the meaning of kowtowing
WITTE Els
Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850
Edited: 201409230965



Verschijningsdatum: 23 september 2014
Uitgeverij: De Bezige Bij Antwerpen
Aantal bladzijden: 688
PAPERBACK
ISBN: 9789085426561
Adviesprijs: € 29.99
Dit is het boek waar Els Witte jaren aan heeft gewerkt: een standaardwerk over een cruciale periode uit de geschiedenis van de Lage Landen

Na een korte Belgische revolutie kwam erin oktober 1830 een einde aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Een onvermijdelijke wending in de geschiedenis, zo lijkt het nu, maar dan wordt geen rekening gehouden met de felle oppositie van de orangisten. Die beweging van Oranjegezinden uit de elite in Vlaanderen, Brussel en Wallonië stelde alles in het werk om weer aansluiting te vinden bij het Nederlandse koninkrijk.
Zeker in de jaren 1830 - toen nog duchtig werd gebakkeleid over de verdeling van de inboedel - converseerden de orangisten in het grootste geheim met gelijkgezinden boven de Moerdijk. Niet zonder gevaar, want zij werden door het Belgische gezag hardhandig onderdrukt, van alle macht beroofd en zelfs weggejaagd naar het noorden.

Historica Els Witte gaat op ontdekkingstocht naar de wortels van het orangisme. Uit nauwelijks onderzochte archieven haalde zij veelzeggende correspondentie, die vaak in geheimschrift was opgesteld. Aan de hand van die bronnen weet Witte een uniek en rijkgeschakeerd beeld te schetsen van de orangistische organisaties, gedragscodes en strategieën. Ook werpt zij een licht op de druk beoefende Oranjecultus, die nog lang niet is doodgebloed.
Is Rik Daems 'The Bird' die smeergeld opstreek?
Edited: 201409191132
Redactie
19/09/14 - 11u32 Bron: Het Laatste Nieuws

Dertien jaar na de verkoop van de Brusselse Financietoren zijn drie mannen en twee vennootschappen naar de rechter verwezen. Ze zouden 9 miljoen euro smeergeld hebben opgestreken. Opmerkelijk: de spilfiguur wil toenmalig minister van Overheidsbedrijven Rik Daems laten getuigen. Hij zou een rol gespeeld hebben onder de codenaam 'The Bird'.

Her en der in het dossier wordt geopperd dat niemand anders dan Rik Daems schuilgaat achter de codenaam 'The Bird' en dus ook smeergeld zou ontvangen hebben.
Op 20 december 2001 was de Financietoren het voorwerp van een zogenaamde sale-and-leaseback-operatie: de overheid verkocht het gebouw voor 311 miljoen euro aan de Nederlandse groep Breevast om het dezelfde dag nog terug te huren. Na onderhoudswerken wegens asbest werd de huurprijs in 2003 vastgelegd op 42 miljoen euro per jaar. Looptijd van het contract: 33 jaar. Met aftrek van een korting betaalde de overheid in totaal 1,275 miljard euro voor een gebouw dat het verkocht voor 311 miljoen euro. Een merkwaardige deal, die ondertekend werd door toenmalig minister van Overheidsbedrijven Rik Daems (Open Vld).

Zwitserse bankrekeningen
De Bijzondere Belastinginspectie (BBI), die nota bene haar kantoren heeft in het gebouw, opende meteen een onderzoek, waarna ook het gerecht in actie schoot. Uit dat onderzoek bleek dat drie tussenpersonen smeergeld zouden hebben ontvangen, in totaal zo'n 9 miljoen euro. Dat geld belandde op Luxemburgse en - via heel wat omwegen - op Zwitserse bankrekeningen. Michel Bellemans, ex-adviseur van minister Daems, zou die constructie opgezet hebben via zijn vennootschap Caelum en zelf ook geld ontvangen hebben.

'De Vogel'
In het dossier is echter nog sprake van een vierde partij die smeergeld ontvangen zou hebben. Op documenten van Bellemans komt de codenaam The Bird voor. Wie 'De Vogel' is en hoeveel hij ontvangen heeft, is nog onduidelijk. Maar her en der in het dossier wordt geopperd dat niemand anders dan Rik Daems zelf schuilgaat achter de codenaam. "Als de speurders die vraag voorleggen aan mijn cliënt, dan zegt hij dat dit wel mogelijk zou kunnen zijn", zegt advocaat Luc Deleu, die optreedt voor Bellemans.
TESSENS Lucas
1999: Kijk- en Luistergeld: Informatiebrochure met aangifteformulier.
Edited: 201409131628
Proefdruk Drukkerij Binst. Go for Press gehandtekend door Yves Hantson, Directeur, 19990315. Brochure geproduceerd door MERS.
RT
American-allied nations are secretly helping ISIS to grow - US Colonel Ann Wright
Edited: 201409080901
The US invasion of Iraq in 2003 came with many warnings that it would lead to a dire consequences for the whole region. A decade later, and the brutal jihadists from ISIS are dominating the north of the devastated country. Now, the US is again mulling the possibility of sending its army to Iraq once more - but would that actually help solve the issue? From where does the money come for the Islamic State? Is America obliged to save Iraq after what it's done to that nation? We ask these questions to American Colonel and former diplomat Ann Wright on Sophie&Co today.

Follow @SophieCo_RT

Sophie Shevardnadze:Colonel, the 2003 war in Iraq was a reason you left the U.S. military after many years. Do you feel the roots of what’s happening now lie back then?

Ann Wright: Well, yes. In 2003 I did resign from the Federal government. I actually had order to retire from the military; I was a U.S. diplomat, and I was one of the three diplomats who resigned in opposition to the war in Iraq. And I do feel that there are so many similarities now, 11 years later with the issue that the Obama administration is bringing forward, and they are seeming intent that they will be using military force to resolve the further issues in Iraq, and perhaps even in Syria.

SS: But what I really meant was that… I’m talking about ISIS expansion and the will of the ISIS to create a caliphate. Do you think that, what’s going on right now, has to do something with the invasion in Iraq in 2003, or those are two separate things?

AW: I think they are two separate things. Certainly, the U.S. invasion and occupation of Iraq has precipitated what we now see, 11 years later, with the growth of ISIS and other forces that initially came in to the region to battle with Assad in Syria, but are taking the opportunity with the disarray that came starting with the U.S. invasion and occupation of Iraq. And then, the Al-Maliki government that has been so brutal towards the Sunnis in Iraq, that the ability of ISIS to move remarkably quickly, to gain territories in Syria and now in Iraq is very worrisome and dangerous.

SS: Now, president Obama has authorized deployment of additional 350 american troops to Iraq. Last month, the U.S. launched an aerial campaign against the Islamic State. Will any good come out of this?

AW: Well, the issue of the protection of the U.S. facilities in Baghdad and other cities of Iraq by U.S. military forces is one rational for the deployment of certain number of military folks. And then, the administration has already said that they will be sending in special forces to help train or re-train Iraq military to battle ISIS. And also, the use of CIA operatives up in the north, in northern Iraq and the Kurdish area of Iraq - one could argue that this does give the Iraqi military and the Kurdish Peshmerga a better opportunity to battle ISIS. One of the fears, though, is that the continuation of the U.S. providing U.S. military equipment will end up as we've seen what has happened now, when ISIS has overrun Iraqi military facilities and have taken U.S. military equipment that has been given to the Iraqi military. So, one of the great dilemmas is when you start funneling more military equipment into this type of situation, it may be turned up on you as we've seen - that equipment now being in hands of ISIS and being used to battle almost in one way the remnants of the Iraqi military.

SS: Steven Sotloff was the second journalist executed by the Islamic State. Let’s hear president Obama’s response to this:

OBAMA: And those who make a mistake of harming Americans will learn that we will not forget, and that our reach is long and that justice will be served.

SS: Now, the U.S. president has vowed to avenge the death of U.S. journalist and called for the war plan to be drawn up. Should there be further involvement?

AW: Well, indeed, it’s horrific what ISIS is doing, not only to the international media, to U.S. reporters that are being beheaded, but in even greater measure, what ISIS is doing to Iraqis and Syrians that they have captured. The wholesale murder, massacre of large numbers of Iraqi military and people in villages who have repelled or attempted to repel the ISIS military onslaught. There’s no doubt about it, ISIS is very brutal, terrible group of people who are rampaging across that area of the world.

SS: Well, yeah, but that’s my question - does the U.S. really have any other choice but to get involved and act in the face of these kidnappings?

AW: The people that have been kidnapped - I mean, the international folks have been in the hands of ISIS for quite a few months now. The beheadings of course are horrific, and as vice-president Biden has said...something about the “gates of hell” being opened; I think the administration certainly feels the pressure that something needs to be done about it, about this group of horrific people. Now, whether it is further american military on the ground - I suspect not, because the feeling in the U.S. is that we do not want our military involved in ground operations any further in Iraq or in Syria. However, I do believe that the types of pressure that can be put on groups that do support ISIS, that have allowed ISIS to purchase military equipment, that are working with ISIS to buy on the black market oil from the oil fields that ISIS has captured - I think that’s really where ultimately the pressure points are…

SS: Which groups are you talking about? Could you be more precise?

AW: If you look at who is behind the oil, who is behind the oil from those oil fields, where it is going, through what borders is it going - some of it is going up into Turkey, so you've got to put pressure on the Turkish government to stop the flow of oil; you've got to put pressure on the Turkish government to stop allowing these large groups of international fighters that have crossed the border from Turkey for the last several years. I would say, you have to put pressure on the Saudis: the Saudis have been pouring a large amounts of money, as have the governments of Kuwait and of Qatar, into various groups of the foreign fighters.

SS: But so had the Americans, I don’t think these are the only people that are funding the foreign fighters in Syria. Americans are the ones who are funding them just as much as are the Qataris or the Saudis…

AW: Yes, I totally agree with you on that; I do not believe that they are funding ISIS, the U.S. is funding other, what they think are more moderate groups that are fighting the Assad government, but the ones I was actually talking about were those that either by turning a blind eye, or by actually funneling money and weapons into ISIS are giving it the power to gain territory and hold it.

SS: So there’s my question - the U.S. has propped up many allies that it later had to confront. The likes of Al-Qaeda, or Taliban - do you feel like it contributed to the rise of ISIS in Syria as well - involuntarily, of course - by funding the rebels?

AW: Certainly, the instability that has been caused by the U.S., starting 10, 11 years ago, from 2003, with the U.S. invasion and occupation of Iraq and earlier than that, the U.S. going in to Afghanistan after 9/11 - all of those events have triggered a large number of people from Arab and Muslim worlds, who have to the U.S.: “we don’t like what you’re doing in those areas”, and they have been coming in to Iraq and in Afghanistan and have been trained, and equipped and then have been available to go to other parts of the world, including Libya, to act as mercenaries for whomever wants to hire them.

SS:Now, if president Obama had launched a bombing campaign in Syria in 2013, do you think that could have stopped the rise of ISIS?

AW: One could argue that yes, bombing of not only ISIS but of other radical groups in Syria could perhaps have decimated some of their fighting force. However, the thing that people are very concerned about is that that in itself is drawing more of the foreign fighters to the fight, that indeed the U.S. bombing of Muslim fighters does draw in even more of the Muslim fighters.

SS: Just to wrap the subject of ISIS in Iraq - do you feeling like that Washington has the responsibility for the future of Iraq and what becomes of it?

AW: Part of the problem is, first, the initial invasion and occupation by the Bush administration; then, you have the Al-Maliki government that was… many people say that U.S. put that government in: Al-Maliki who brought in more Shia leaders and pushed out the Sunni leaders that should have been brought in to the government that was all-inclusive of all of the groups in Iraq. One could say that the U.S. has spent billions of dollars on the training and equipping Iraqi military and it folded against the force that was not nearly as large as it actually was. I personally, as a person that resigned initially over the theory that military force was going to resolve the issue of Saddam Hussein regime, I don’t believe that further use of our military is what ultimately going to resolve the issues in that region.

SS: Afghanistan is another unresolved issue - the U.S. troops may leave for good by the end of this year, but will the weak Afghan government be left to deal with the Taliban like Iraq was left to deal with ISIS, what do you think?

AW: You’re exactly right - here we have Afghanistan after 13 years that U.S. has been involved in there, and weak government, in fact, it is still disputed on who’s going to be the next president of the country. You have many of the people who were called warlord prior to the U.S. invasion, or the groups of people that the U.S. hired to work with it to push the Taliban and Al-Qaeda out, many of them with severe human rights abuses allegations to start with… I myself am not too optimistic that here, 13 years later and hundreds of billions of dollars later and the expenditure of tens of thousands if not hundreds of thousands of lives, that the future of Afghanistan is a stable secure country, where all groups will be treated honestly and fairly and that country will progress in a way that one would hope it would - I myself am not very optimistic about it.

SS: Now, ISIS is being called the “new Al-Qaeda”, but the actual Al-Qaeda has declared a new front in India. How do these groups fit together? Are we seeing expansion into new territory after ISIS took over the old “feeding grounds”?

AW: It’s kind of “targets of opportunity” it looks like that various groups are using. As ISIS fills into one area of Iraq and Syria and becomes the dominant force there, Al-Qaeda is looking for another place where it can stake its own territory. Certainly it had its inroads into Pakistan… It’s interesting here that they indeed have claimed that they are going to India.

SS: So, what are we going to see? Jihadist corporate rivalry unraveling?

AW: Indeed, “Jihadist inc.” When we really look at it, sadly, throughout the North Africa and the Middle East and then going on into South Asia, you do see the rise of various types of militant groups, to include not only Al-Qaeda, ISIS, Al-Nusra; you've got the Afghan Taliban, the Pakistani Taliban. It is a growth industry. You look also to Libya, where there are many groups, each fighting for different parts of the territory of the country, to the extent that the U.S. had to close its embassy there, because none of the locations where we had embassies or consulates are safe enough, in the opinion of the State Department, that we can leave our diplomats. So, it is a tragic function in this era, that we see the growth and expansion of these jihadist groups.

SS: You've mentioned earlier on in the program that the pressure should be put on groups that are actually helping ISIS to get money from the oil sales - it’s true that ISIS is raking in billions through things like oil. Could this movement be more about money than establishing a religious state?

AW: I think it certainly is a movement about money, it’s a very well-funded organisation, but from I gather, it is a group that is intent on establishing a geographical location for it’s beliefs, the caliphate that they talk about. They intent to hold territory and indeed they have, to the extent that they control major cities, that they are generating their own income through oil and I think it is going to be a challenge for the international community to go in and push them back from these established areas that they've had some of them for almost a year now.

SS: Israeli-Palestinian conflict is something that you've also spoken a lot about, spoken strongly against the Israeli offensive in Gaza. Is there any way that international pressure can push Israel into a genuine peace process?

AW: It’s a very good question. How the international community has pressured Israel - has been ineffective, mainly because it really hasn't used the full force that it has at its disposal. The U.S. itself could do much more to pressure Israel to stop the illegal settlements of which they have just announced that they are annexing a thousand acres of Palestinian land into Israel. The pressure to stop the occupation of the West Bank and to lift the siege of Gaza - these are things that have been demands of the Palestinians for the longest time. The U.S. is the greatest pressure point of Israel, because we give Israel almost $3 bn a year in military assistance alone, plus all sorts of economic incentives. The U.S. is allowing itself to be pressured by very large and well-funded Zionist lobby that works for the protection of the State of Israel, and works primarily in the U.S. Congress to threaten the U.S. Congress people that if they don’t vote for pro-Israeli issues then they will be turned out of office; we've seen that AIPAC, the American-Israeli Public Affairs committee, the big lobby for Israel, has been very effective at threatening and scaring and then trowing out of office people that say that they are going to look honestly at what’s happening there, and may support the Palestinian cause in cases.

SS: I want to talk a little bit about Hamas. You know how the appearance of ISIS with its deliberate focus on cruelty and no compromises, does it make you feel like it’s easier to treat groups like Hamas with more respect? As a matter of fact, you know, “we don’t negotiate with the terrorists” - that attitude is almost universal, but do you feel like maybe these days there are groups of terrorists that you can talk to and that slogan actually should change?

AW: Yes, I certainly think so, and the latest of this week, the Israeli propaganda is that “ISIS is Hamas, Hamas is ISIS” - well, that’s just not true. Hamas was elected as the governing body of Gaza. I don’t agree with the rockets that Hamas and other groups in Gaza have sent into Israel, but the level of violence that is between Palestinians and Israelis is overwhelmingly from the Israeli side towards the Palestinian side - there’s no doubt about that. Over 2000 Palestinians were killed versus 64 Israelis in this latest attack, and in 2009, fourteen hundred Palestinians versus 11 Israelis… Hamas does not have 24 hour drone coverage over Israel, it does not have F-16 that are bombing Israel every single day as is happening with the Israelis in their naval attacks and ground attacks, and air attacks on Gaza. So, there’s a very distinct difference in the level and the proportion of violence in there.

SS: Thank you so much for this wonderful interview. Colonel Ann Wright, U.S. veteran and former diplomat. We were talking about what brought upon the spread of ISIS and could it be contained, and also are there terrorists that we can talk to, and are there groups that we can’t. That’s it for this edition of Sophie&Co, we’ll see you next time.
HOWARD Ebenezer
Tomorrow: A Peaceful Path to Real Reform (1898)
Edited: 201407112356
Het 3-magnetenmodel van Howard waarbij hij inging op de vraag "Waar zullen de mensen heen gaan?" met als keuzes 'Town' (stad), 'Country' (platteland) of 'Town Country' (stad-platteland), waarbij de laatste magneet alle positieve zaken van beide anderen combineert. Uit Howard's boek Tomorrow: A Peaceful Path to Real Reform (1898)
Sir Ebenezer Howard (1850-1928) travelled to the USA and was inspired by the rebuilding of Chicago, as well as his interest in social welfare, to found the Garden City Association in 1899. Howard believed that the solution to overcrowding and poor conditions in modern industrial towns was to produce new planned communities which created a 'joyous union' of town and country. The goal of the garden city was to combine the attractions of town life with access to nature and a healthier lifestyle. The first of these communities, Letchworth Garden City, was established in the early 1900s, followed by Welwyn Garden City in the 1920s. This volume, first published in 1898, sets out Howard's utopian vision in full; explaining how a garden city would be financed, planned and administered. Energetic and conversational in style, this book is a charming introduction to Howard's ground-breaking and influential ideas.
TESSENS Lucas
conclusie anti-ontduikingscampagne 1997 kijk- en luistergeld (recup-tekst van 1997)
Edited: 201406080116
Nota voor het Kabinet WDM.
Naast de aangiften via het 0900-nummer zijn er nog de schriftelijke aangiften via Aalst, de directe stortingen op het rekeningnummer, de aangiften via het loket en die via de web-site. De opbrengst van de anti-ontduikingscampagne schatten wij op dit ogenblik (5 dec.) op 233 miljoen BEF.
Alhoewel diepgaander onderzoek nodig is om deze stelling te bevestigen, durven we nu toch al stellen dat Vlaanderen na deze campagne afstevent op een Europees record: het laagste percentage qua ontduiking van kijkgeld.
Een diepgaand en nog lopend MERS-onderzoek wijst uit dat Vlaanderen reeds gunstig afstak bij de situatie in het Waalse en het Brusselse gewest. Vooral Brussel is een echt probleemgebied wat ontduiking betreft. Na deze campagne zal de "kloof" tussen de gewesten nog verbreed zijn.

Dat zulks gerealiseerd wordt met een minumum aan middelen (cfr. het klein aantal controleurs) en dat we - internationaal gezien - toch op een hoog bedrag aan "licence fee" zitten, wat ontduiking "lucratief" maakt, vormt een (te verifiëren) merkwaardige vaststelling.

De hoge penetratie van de kabel en de wettelijk voorziene matchingsmogelijkheid met de abonneelijsten zijn niet te onderschatten troeven omdat zij de PERCEPTIE van de PAKKANS gunstig beïnvloeden.

De campagne heeft hierop inhoudelijk ingespeeld en gewild deze perceptie versterkt. De gebruikte mediamix en de gefaseerde overgang van 'nationale' media (BRTN, dag- en weekbladen) naar 'regionale' media (regio-TV) hebben de 'nabijheid' van de pakkans gevoelig verhoogd. De bijkomende redactionele aandacht ('free publicity') heeft een katalysator-effect gehad.

Ook vanuit media-technisch én sociologisch oogpunt vormen de campagneresultaten een unicum omdat zelden een zo hoge graad van meetbaarheid van de feedback ('response rate') wordt bereikt.
De Standaard van 20140513
Positieve reacties op tolvrije Liefkenshoektunnel
Edited: 201405160045
Het project om de Antwerpse Liefkenshoektunnel tolvrij te maken tijdens de spits valt in goede aarde. De filelast is gevoelig verminderd en organisaties als VAB vragen een verlenging van het experiment.

Sinds vorige week maandag en nog tot 20 juni is de Liefkenshoektunnel tolvrij tijdens de spits, om de gevolgen van de werken op de E34 richting Antwerpen op te vangen. Vorig jaar waren er werkzaamheden op dezelfde plaats met lange files tot gevolg.

De files op de E34, de E313 en de Ring richting Gent zijn een stuk afgenomen sinds de maatregel werd ingevoerd, is te horen bij Touring Mobilis, dat informatie over het verkeer verzamelt. Vandaag stond er zelfs bijna geen file op E34 en E313.

De mobiliteitsorganisaties reageren tevreden. ‘De Ring wordt ontlast en het verkeer gaat een stuk vlotter’, zegt Danny Smagghe van Touring. ‘Er is nog geen chaos geweest rond Antwerpen sinds het begin van de werken, dat was vorig jaar wel eens anders, stelt Maarten Matienko van VAB.

De organisatie vraagt om het experiment voort te zetten bij de werken op de E17 in juni. ‘Het duurt immers drie maanden voor iemand zijn reisweg structureel aanpast’, aldus Matienko.

De Vlaamse regering baseerde zich totnogtoe op studies, zoals die van het Vlaams Verkeerscentrum, die uitwezen dat het effect van een tolvrije tunnel minimaal zou zijn op de verkeersdrukte in Antwerpen. Het huidige project is dan ook slechts een experiment.
ADAMS Susan (Forbes)
The Most Prestigious Consulting Firms (2011)
Edited: 201404302109
Vault.com, the career website, released a ranking today of the most prestigious consulting firms. A little like the Oscars, which turns to the movie industry to tally its votes, Vault’s list comes from a survey of consultants who are asked to rank their peers and competitors. Vault ran its survey from March through July 2011 and gathered votes from 5,000 consultants at 60 firms, ranging from giant companies like McKinsey and Bain to small outfits like Bates White in Washington, D.C.

For the prestige ranking, consultants were not allowed to vote for their own firms, and they were asked only to rate firms with which they were familiar. Vault has been running the survey for a decade, and every year McKinsey has come out on top. In fact, the top five are unchanged from last year, though PricewaterhouseCoopers moved up two spots to #6, Ernst & Young climbed one spot to #8 and Mercer LLC fell three spots to #9. Herewith, the top ten:

1. McKinsey & Company
2. The Boston Consulting Group
3. Bain & Company
4. Booz & Company
5. Deloitte Consulting
6. PricewaterhouseCoopers
7. Monitor Group
8. Ernst & Young
9. Mercer LLC
10. Accenture
SENGIER Edgar
Director UMHK
Edited: 201404261117
Edgar Sengier KBE (19 October 1879, Kortrijk – 26 July 1963) was the director of the Belgian Union Minière du Haut Katanga (UMHK) mining company during World War II. Sengier is credited with giving the American government access to much of the uranium necessary for the Manhattan Project.[1] He was the first non-American civilian to be awarded the Medal for Merit by the United States government. After World War II an American report revealed that Sengier not only sold uranium to America and Great Britain but also to Nazi Germany
DEDECKER Peter
Een zuil van zelfbediening. ACW, Arco en Dexia
Edited: 201403310925
14 februari 2013. Tijdens een persconferentie brengt N-VA-Kamerlid Peter Dedecker een aantal onregelmatigheden aan het licht die de boekhouding van de christelijke arbeidersbeweging ACW ontsieren. Die fiscale onregelmatigheden blijken op de koop toe gelinkt aan het Dexia-debacle: een heikel dossier dat Dedecker dan al een hele tijd op de voet volgt.

De persconferentie is het begin van een scherpe aanklacht tegen de toplui van een sociale beweging die teert op de inzet van duizenden hardwerkende, goedmenende vrijwilligers. De aanklacht omvat al gauw een hele waslijst aan vergrijpen, waaronder schriftvervalsing, fiscale ontwijking en fraude, misbruik van vennootschapsgoederen en belangenvermenging.

Tot grote verbazing van Dedecker zelf, overigens, die vandaag niet anders kan dan besluiten: “De toplui beloofden mensen het veiligste spaarproduct ter wereld. Maar achter hun rug speelden ze met hun spaarcenten in het casino.”

In de weken en maanden erna zat Dedecker in het oog van de storm. Terwijl de pijnlijke onthullingen elkaar maar bleven opvolgen, maakte zijn aanvankelijke verbazing langzaam maar zeker plaats voor een oprechte verontwaardiging en woede. Vanuit die gevoelens besloot hij zich aan het schrijven te zetten.

Het resultaat is ‘Een zuil van zelfbediening’. In dat boek brengt Dedecker nu een reconstructie van zijn persoonlijke ervaringen in die woelige periode, van zijn kennismaking met figuren en praktijken uit de bankwereld, en van zijn speurtocht door het labyrint dat de christelijke arbeidersbeweging blijkt te zijn. Bij gebrek aan een parlementaire onderzoekscommissie kan enkel de geschiedenis de echte (politieke) verantwoordelijkheid voor dit financiële debacle nog blootleggen. Met zijn boek biedt Peter Dedecker zelf alvast een eerste aanzet daartoe.
bron tekst: De Standaard Boekhandel
FM Brussel/brusselnieuws.be
Renovatie Leopold II-tunnel twee jaar uitgesteld - PPS - Sale-lease-back
Edited: 201309171858
18:58 - 17/09/2013
De grondige vernieuwing van de Leopold II-tunnel zal pas beginnen in 2016 en niet in 2014 zoals eerder aangekondigd. De werken zouden twee tot vier jaar duren. Vijf consortia van privébedrijven zijn kandidaat om de werken uit te voeren en te financieren, in ruil voor een jaarlijkse vergoeding van het Brussels Gewest. Omdat het Gewest de renovatie van de Leopold II-tunnel niet kan dragen wordt geopteerd voor een publiek-private samenwerking. Niet alleen de werken maar ook het onderhoud van de vernieuwde tunnel zullen gedurende een kwarteeuw betaald worden door een consortium van bedrijven. In ruil zal Brussel na de renovatie jaarlijks een bedrag betalen om de tunnel te mogen gebruiken. Over dat bedrag moet nog onderhandeld worden.

Momenteel zijn nog vijf consortia in de running om de opdracht binnen te halen, zo laat minister van Openbare Werken Brigitte Grouwels (CD&V) weten. In 2015 zal het Gewest een laureaat aanduiden. Het jaar nadien zouden de werkzaamheden dan van start gaan.

Hoe lang de werken zullen duren is nog niet duidelijk. Als men de tunnel gedurende langere periodes helemaal sluit, zou de werf maximaal twee jaar duren. Kiest men ervoor om de tunnel enkel tijdens de vakantieperiodes te sluiten, dan spreekt men van een termijn van zeker vier jaar.

De Leopold II-tunnel is met 2,5 kilometer de langste autotunnel van het land. Elke dag rijden ongeveer 65.000 voertuigen door de kokers. Dat betekent dat het geen sinecure wordt om de tunnel te sluiten.

Maar de werken zijn noodzakelijk. Alles aan de tunnel is aan vervanging toe. Eerder moest de oude wandbekleding al worden weggehaald omdat er wandplaten op de rijweg dreigden te vallen. "Alles was onveilig is, is al weggehaald", verzekert Grouwels. "De zaak is dus onder controle." Maar de vernieuwing dringt zich op. "De tunnel is nu bijzonder onaangenaam en niet goed voor het imago van Brussel."

De vijf kandidaat-consortia op een rijtje:

- Besix Group / Schneider Electric France / Sanef (leiders)
Art & Build, Coseas, Ellyps, Ingérop (leden)

- Eiffage / DG Infra+ (leiders)
Antwerpse Bouwwerken, APRR, Cerau, Clemessy, Eiffage TP, Grontmij, PS2, TPF Engineering, Valens, VSE, Yvan Paque, Zwart & Jansma (leden)

- Leoporte, aangestuurd door BAM PPP PGGM Infrastructure Coöperatie U.A. (leider)
Arter, BAM ITM, Betonac, CEI De Meyer, LCC Engineering, Royal Haskoning, SBE, Seco, Siemens, (leden)

- PMF Infrastructure Fund / CIT Blaton / Van Laere / Cegelec (leiders)
Abetec, Cooparch, D+A International, Setec, Vinci Concessions (leden)

- SPC New Leopold II, aangestuurd door CFE / DIF Infrastructure III PPP (leiders)
Cofiroute, Greisch, MBG, Nizet Entreprise, Nutons, SUM Project, Tractebel - Sener, Van Wellen, VMA (leden)

[tunnels]
BIL - Experta
12 octobre 2012: Communiqué de Presse
Edited: 201210121614
Experta Corporate and Trust Services SA, Luxembourg (Experta) créé le 20 septembre 2002 et filiale à 100 % de la Banque Internationale à
Luxembourg (BIL), a fêté ses dix ans le 20 septembre dernier dans un contexte de renouveau insufflé par sa maison mère dont les nouveaux actionnaires sont Precision Capital, un groupement d’investisseurs privés du Qatar et l’Etat luxembourgeois.

Le segment Corporate Engineering a été créé il y a plus de 50 ans au sein de la BIL. En 2002, cette activité a été restructurée et Experta a été intégrée en tant que filiale de la banque, sous le statut de professionnel du secteur financier luxembourgeois (PSF).

Les 70 professionnels multilingues d’Experta, qualifiés dans divers domaines, notamment la fiscalité, les services aux entreprises, la consolidation et la comptabilité, proposent à une clientèle internationale privée et institutionnelle des solutions sur mesure de structures d'entreprise et d'investissement via l’utilisation de véhicules luxembourgeois réglementés et non réglementés.

Dans une volonté de renouveau inspirée par la BIL qui vient de vivre un changement d’actionnaires, Experta a récemment mis en place une nouvelle équipe de direction composée de spécialistes dotés d’un grand savoir-faire technique et commercial. Les rangs d’Experta ont également été renforcés par de nouveaux collaborateurs spécialisés en fiscalité dont les recrutements ont permis d’augmenter l’expertise
d’Experta dans ce domaine. Sa collaboration rapprochée avec la BIL permet d’ailleurs à Experta de proposer une offre globale et sur mesure à ses clients, quelle que soit la complexité de leur situation patrimoniale.

En tant que filiale d’une « nouvelle » BIL, dans un environnement bancaire et financier déjà fortement régulé et qui a vocation à le devenir davantage, voici comment Yves Biewer, le nouveau CEO d’Experta, envisage l’avenir de la société :

« L’enthousiasme autour du renouveau vécu à la BIL se ressent également au sein d’Experta. Forts du soutien de la BIL et de ses nouveaux actionnaires, nous envisageons l’avenir avec confiance et détermination. Experta a comme principal objectif de continuer à répondre de manière professionnelle aux besoins d'une clientèle de plus en plus exigeante par le biais de solutions et de services sur mesure. Pour ce faire, nous nous sommes entourés de collaborateurs expérimentés qui nous apportent le savoir-faire indispensable pour permettre à Experta de se positionner sur un marché fortement concurrencé, où seuls les acteurs les plus ingénieux et proactifs parviendront à s’imposer ».

Les 10 ans d’Experta ont été célébrés le 20 septembre dernier au siège de la BIL, en présence de Francois Pauly et d’Yves Biewer, Administrateurs délégués respectivement de la BIL et d’Experta, d’André Lecoq, Président du Conseil
d’administration d’Experta, ainsi que des 70 collaborateurs de la société.
STATOIL
Algeria: Statoil, BP and Sonatrach sign US$1.5 billion EPC contract for In Salah Southern Fields
Edited: 201104120901

12 Apr 2011
Statoil, BP and Sonatrach have signed a USD 1.15 billion engineering, procurement and construction (EPC) contract with Petrofac International (UAE) in Algiers for the execution of the In Salah Southern Fields development project. The EPC contract is part of the phase two development of the In Salah licence. For Development and Production International the project marks an important step towards maturing barrels for profitable production.

The three gas fields – Krechba, Teg and Reg – located in the northern part of the licence, were initially developed in phase one, with the objective of delivering a production profile of nine billion cubic metres of gas annually. This phase started in late 2001, and first commercial gas was delivered in July 2004. Based on the expected decline of gas production from these three fields, phase two of the development has now implemented to maintain the production plateau and sustain long-term gas sales commitments. It consists of four gas fields – Garet El Bifna, Gour Mahmoud, In Salah and Hassi Moumene – in the southern part of the licence.

Under the EPC contract Petrofac will build a number of facilities – including well pads, manifolds, flowlines, and a new central processing facility (CPF) with a gas processing capacity of 17 million cubic metres per day. The CPF will be constructed north of In Salah town and tied back to the existing producing facilities located in Reg for further transport of the gas to Krechba CPF for carbon dioxide removal and gas export.

In his speech, Victor Sneberg, Statoil's country president in Algeria, stated his expectation to Petrofac to deliver on time, cost and schedule.

First gas from the Southern Fields development project is expected for the first half of 2014. Gas produced from In Salah is marketed by joint marketing company 'In Salah Gas Limited' – an association between Sonatrach, BP and Statoil. The three partners in the In Salah license have investment shares of 35% (Sonatrach), 33.15% (BP) and 31.85% (Statoil), respectively.

Source: Statoil
Goed beleid onder Verhofstadt ?
Edited: 200905151511
Dagboek
Johan Slembrouck

De Financietoren werd in 2001 samen met het aanpalende Rijksadministratief Centrum verkocht aan het Nederlandse vastgoedbedrijf Breevast. Om een begroting in evenwicht in te dienen werden de gebouwen door de toenmalige paarse regering Verhofstadt I verkocht via een sale-and-lease-back-constructie.

Het Brusselse gerecht onderzocht enkele dubieuze geldstromen rond de verkoop na een klacht van de Bijzondere Belastinginspectie. Het onderzoek is afgerond en het parket heeft nu een eindvordering opgesteld. Het parket stelt vast dat drie zakenlui verdachte commissielonen hebben opgestreken voor hun tussenkomst in de verkoop aan het Nederlandse vastgoedbedrijf. Het gaat over enkele miljoenen euro die via Luxemburgse vennootschappen zijn verborgen gehouden voor de Belgische fiscus.

Eén van de zakenlui is Rony Van Goethem, hij zou de commissies ontvangen hebben via een Luxemburgse vennootschap. Van Goethem zou aan het gerecht verklaard hebben dat het geld enkel en alleen voor hemzelf was bestemd, maar gezien de omvang van het bedrag hechten de speurders weinig geloof aan die uitleg. Er is sprake van commissies van 1 tot 2 miljoen euro, waarvan een deel mogelijk bestemd was voor de omgeving van toenmalig minister van Overheidsbedrijven Rik Daems (Open Vld), die verantwoordelijk was voor de verkoop van de Financietoren. Een andere lobbyist is Michel Bellemans, hij was tot eind 2004 bestuurder bij de federale participatiemaatschappij en werkte tot maart 2000 als adviseur voor minister van Overheidsbedrijven Rik Daems (Open Vld).

In 2006 had ik reeds een artikel gewijd aan de verkoop van de financietoren waarvan de volgende tekst nog steeds actueel is:

Een flagrant voorbeeld van hoe de paarse regering van VERHOFSTADT met belastinggeld morst is de verkoop van de Financietoren in 2001 voor 276.525.227 euro en dit gebeurde zonder gedetailleerde schatting van het gebouw, aldus het Rekenhof.

De Financietoren werd verkocht met de voorwaarde dat de Staat het gebouw na de verkoop voor 25 jaar zou huren. De huurlast per jaar bedroeg: 25.907.229 euro met een duurtijd van 25 jaar. De nieuwe eigenaar verplichtte zich ertoe het asbest te verwijderen en het gebouw te renoveren. De huurprijs na de werken zou worden vastgesteld door de basishuur te vermeerderen met 7,65 % van de kosten van de asbestverwijdering en de renovatiewerken. Beide partijen kwamen overeen dat deze huur echter marktconform moest zijn en stelden 34.705.093 euro als marktconforme huur vast. Het gebouw bleek meer asbest te bevatten dan oorspronkelijk gedacht. Er ontstond een een dispuut over wat verstaan moest worden onder het asbestvrij maken van het gebouw. Om uit de impasse te raken stelde de eigenaar/verhuurder een alternatieve oplossing voor: het gebouw zou bij de renovatie ingrijpend worden gewijzigd waardoor 30.000 m² extra kantoorruimte ter beschikking zou komen. Door die extra kantoorruimte zouden 4.600 ambtenaren kunnen worden gehuisvest in plaats van de oorspronkelijke 3.200. Op basis van dit alternatieve voorstel werd opnieuw onderhandeld. Het alternatieve voorstel werd aanvaard en vastgelegd in een addendum bij het oorspronkelijke huurcontract. De huurprijs werd vastgesteld op 42.700.000 euro. De looptijd van het huurcontract werd vastgesteld op 27 jaar vanaf de datum van aanvaarding van de werken (of een totale looptijd van 33 jaar).

Conclusie: de overheid zal na 33 jaar 1.345.140.744 euro (ongeveer 1,4 miljard euro) betaald hebben voor de financietoren dat voor 276,5 miljoen werd verkocht. Of een verschil met de verkoopprijs van 1.068.615.517 (ongeveer 1,1 miljard euro).

De huur zou intussen oplopen tot bijna 50 miljoen euro, of minstens 900 euro per maand per ambtenaar. Het contract loopt tot in 2031. Dit is volgens Verhofstadt en zijn VLD goed beleid!
JANSSENS Paul Prof. Dr
Professor Paul Janssens over prinsen, markiezen en baronnendoor Danny Vileyn © Brussel Deze WeekBrussel07:00 - 28/06/2008
Edited: 200800000901
Ze heten conservatief, francofoon en koningsgezind te zijn, en verdedigers van de traditionele gezinswaarden, maar het meest bijzondere kenmerk van de adel is het vermogen om zich aan te passen. Een gesprek met de historicus Paul Janssens aan de vooravond van de Ommegang - waarin traditioneel edellieden opstappen - en de nationale feestdag van 21 juli, die al even traditioneel voorafgegaan wordt door het toekennen van adellijke titels.

Professor Paul Janssens houdt kantoor in een piepklein kamertje van het Ehsal Research Center, het pand tegenover de hoofdzetel van de Ehsal aan de Stormstraat 2, een van de campussen van de nieuwe HUB, de Hogeschool-Universiteit Brussel. Paul Janssens doceert economische geschiedenis en is gespecialiseerd in fiscale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de adel kent hij op zijn duimpje.



Zelfs de lap grond waarop de campus van de Ehsal gebouwd is, heeft een adellijk verleden - dat moet Janssens erg bevallen. "Halverwege de zeventiende eeuw, toen de Nieuwstraat nog een aristocratische straat was, kocht de markies de Berghes - de markiezen van Bergen op Zoom hadden hun naam verfranst - een aantal huizen op de grond waar nu de campus van de Ehsal is. De adel deed toen wat de banken nu doen: huizen kopen, ze platgooien en er een ander soort pand op bouwen. (Janssens doelt op de KBC, die tegenover de Ehsal panden platgooide voor een bankgebouw, DV.) Ze bouwden er een prachtig hôtel de maître, dat ze bewoond hebben tot aan de Franse Revolutie. Dan is er een cercle littéraire in getrokken, waar de leden onder andere de grote Europese kranten kon lezen, en in de negentiende eeuw kreeg het pand een commercië­le bestemming. Toen de Ehsal hier een paar decennia geleden bouwde, was het pand volledig uitgewoond."



Wij vatten de adel van vandaag voor u samen in tien stellingen.



Belgische adel is Brussels gekleurd

"Het is een merkwaardig fenomeen," legt Paul Janssens uit, "maar er bestaat wel degelijk een Brusselse adel, zeker als we 'omvang' als criterium nemen."



Terwijl in het hoofdstedelijk gewest 'maar' tien procent van de Belgische bevolking woont, heeft zowat 33 procent van de adel er zijn vaste stek. In Wallonië woont veertig procent van de adel en in Vlaanderen - met zestig procent van de bevolking - maar twintig tot 25 procent. Janssens' hypothese is dat de adel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen met de taalwetgeving duidelijk werd dat België geen tweetalig land zou worden (de Walen hadden dat afgewezen), een deel van de Vlaamse adel (die zoals in heel Europa Franstalig was) naar Brussel, het enige tweetalige gebied, is verhuisd.



Jongere edelen zijn meertalig

Eeuwenlang waren de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse adel Franstalig. Al wie in de achttiende eeuw in Vlaanderen macht, aanzien en geld had, was Franstalig, dus ook de adel. Dat was het gevolg van een geslaagde Europese taal- en cultuurpolitiek van Lodewijk XIV. "Maar de jongere generaties, de mensen onder de vijftig, hebben begrepen dat de spelverdeling in dit land veranderd is. Ze zijn goed tweetalig, zelfs meertalig. Vaak hebben ze tijdens hun middelbareschooltijd op internaat gezeten in Vlaanderen en hebben ze nadien ook in het buitenland gestudeerd."



Figuren zoals de 75-jarige (niet-benoemde) burgemeester van de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem, François van Hoobrouck d'Aspre (MR), hebben volgens Janssens afgedaan. Ondertussen spreken de meeste edelen in Vlaanderen Nederlands, ook de in ongenade gevallen oom van prinses Mathilde, de mediagenieke Henri d'Udekem d'Acoz, die met een sappig West-Vlaams accent spreekt.



De adel is niet eeuwig

"Het is een wijdverbreid misverstand dat mensen met blauw bloed sinds de kruistochten één grote familie vormen en onder elkaar huwen," zegt Paul Janssens. De meerderheid van de adellijke families is niet ouder dan België zelf, en de samenstelling verandert voortdurend. Families behoren gemiddeld vijf tot zes generaties - of twee eeuwen - tot de adellijke stand. Omdat het adellijk statuut, net als de naam, doorgegeven wordt in mannelijke lijn, houdt het ook op als er geen mannelijke nakomelingen meer zijn. De familie de Merode behoort samen met de Croÿ, de la Faille en de Kerckhove tot de oudste adellijke families van het land en ze zijn ook goed vertegenwoordigd in de hoofdstad. De prinsen de Croÿ behoren al tot de adel sinds de vijftiende eeuw, de prinsen de Merode zelfs iets langer.



Anciënniteit is het belangrijkst

"Hoezeer edellieden ook gehecht zijn aan hun titel, de adellijke anciënniteit vinden ze nog belangrijker," vertelt Janssens.



De 'echte' titels, die voor de Franse Revolutie van 1789 toegekend werden, waren gevestigd op het familiepatrimonium. De oudste titel in ons land is die van graaf van Chimay, een stadje tegen de Franse grens en welbekend voor het bier, en hij dateert uit 1473 - het was Jean de Croÿ die de titel droeg. Deze grondgebonden adellijke titels (die na het overlijden van de vader op de oudste zoon overgingen) dienden om het fami­liaal patrimonium van de grootgrondbezitters te beschermen. Jean de Croÿ bezat de heerlijkheid Chimay en een paar heerlijkheden eromheen die samen het nieuwe graafschap vormden. "Maar de adellijke titulatuur is enorm complex, en in sommige families gaat de titel over op alle kinderen. Vandaar dat België honderden prinsen de Merode en de Croÿ telt," licht Janssens toe.



Meeste edellieden zijn titelloos

Veruit de meeste edellieden moeten het zonder titel stellen. Samen met het grootgrondbezit (de heerlijkheden) had de Franse Revolutie ook de adel afgeschaft. Na het verdwijnen van Napoleon in 1815 herstelde koning Willem I de adel in onze gewesten. Er kwam geen collectieve genoegdoening, maar edelen konden wel individueel een aanvraag indienen. Maar omdat het grootgrondbezit afgeschaft was, werd de titel niet langer aan het patrimonium gelinkt, maar aan de naam. België telt zo'n 25.000 tot 30.000 edellieden, de meesten hebben geen titel.



Zo vader, zo zoon

"Eddy Merckx is eerst in de adelstand opgenomen en nadien baron geworden," legt Janssens uit. Een titel betekent meer prestige, je wordt in de hiërarchie opgenomen. Janssens herinnert aan de verschillende adellijke titels, van hoog naar laag: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron en ridder. De eerste drie worden niet toegekend en zijn dus het voorrecht van de oude adel. "De adellijke titels die nu nog toegekend worden, zijn niet erfelijk. Axel Merckx behoort wel tot de adel omdat zijn vader ertoe behoort, maar de titel van baron heeft hij niet. Ook zijn kinderen behoren tot de adel, maar alleen de zonen geven hem door."



Van de Wolstraat naar de Woluwes

Tot halverwege de negentiende eeuw woonde de Brusselse adel binnen de stadswallen, bijvoorbeeld in de Wolstraat en de Warande. Toen in 1860 de belastingen op de invoer van consumptiegoederen werd afgeschaft, kwam de bevolking van de randgemeenten volop tot ontwikkeling. De adel begon toen uit te zwermen, eerst naar de Leopoldswijk en de Wetstraat, later naar de Woluwes, Ukkel en Elsene.



"De edelen wonen vaak in dezelfde wijken of gemeenten." Dat is, legt Janssens uit, duidelijk te zien in het Carnet Mondain, de jaarlijkse adressenlijst waarin heel de beau monde, en dus het gros van de adel, terug te vinden is. "Voor de aristocratische woningen die in de Leo­poldswijk opgetrokken werden, golden strenge voorschriften. Het stratenplan van de wijk vormt een mooi dambord," legt Janssens uit. "Maar lang is de adel niet in de Leopoldswijk gebleven. Tussen 1800 en 1900 is de Brusselse bevolking vertienvoudigd, van 75.000 naar 750.000 inwoners." Na 1860 kwamen de eerste aristocraten in de Leopoldswijk wonen, in het interbellum verlieten ze de buurt alweer. De Leopoldswijk en de Wetstraat werden opgenomen in het stadsgewoel, en daar houdt de adel niet van. Destijds was de Wetstraat een opeenvolging van prestigieuze herenhuizen met koetspoorten. "De edellieden trokken richting Tervurenlaan, Ukkel en de Woluwes." Janssens wil van de gelegenheid gebruikmaken om het wijdverbreide misverstand recht te zetten als zou de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van het aristocratische karakter van de Leopoldswijk: "In de jaren 1930 was de adel er al weg en werden de panden door kantoren en banken ingenomen; de Wetstraat is van in 1958 een autosnelweg: geen omgeving waar mensen met geld en aanzien willen wonen."



Royalistisch, kerkelijk, conservatief

De adel heet kerkelijker te zijn dan de gemiddelde Belg. Maar dat is zeer moeilijk te meten, zegt Paul Janssens. Het aantal roepingen is een slecht criterium geworden, en of de adel vaker ter kerke gaat dan de gemiddelde Belg, is niet bekend.



Kerkelijkheid impliceert meestal een traditionele gezinsmoraal, maar ook binnen de adel is scheiden niet langer een taboe. Wel hebben ze meer kinderen dan de gemiddelde Belg, maar demografisch onderzoek toont aan dat ook de adel ondertussen aan geboorteplanning doet, wat twee generaties geleden volgens Janssens nog ondenkbaar was.



Dat de gehechtheid aan de monarchie groter is dan bij de rest van de bevolking, is volgens Janssens evident. In de huiskamers van prinsen en hertogen hangen niet zelden foto's waarop de koninklijke familie samen met hen te zien is. "De afstand tussen de koninklijke familie en de rest van de adel is kleiner geworden; koningin Astrid was de laatste van koninklijken huize."



Adel is politiek conservatief

In 1830 waren de meeste edellieden vóór de Belgische revolutie en tegen Willem I, zegt Janssens. Aanvankelijk vond je zowel binnen de katholieke als binnen de liberale partij adel. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de eerste Schoolstrijd losbrak, schakelden de liberale edelen massaal over naar de katholieke partij. Het heeft geduurd tot het Schoolpact van 1958 (liberalen en socialisten waren ervan overtuigd dat dat pact het einde van de christen-democratie in zou luiden) voordat liberaalgezinden van binnen de christendemocratie, ten noorden é
John LUNGILA MATANGA
La construction imaginaire de la réalité du Congo à travers les médias congolais
Edited: 200706301415
Université de Kinshasa - Licence 2007

Kopstoot Zinédine Zidane
Edited: 200607091488
De finale van het wereldkampioenschap voetbal 2006 was de 17e editie van de voetbalwedstrijd die gespeeld werd in het kader van het FIFA Wereldkampioenschap. De wedstrijd vond plaats op 9 juli 2006 tussen Italië en Frankrijk. De finale ging door in het Olympiastadion in Berlijn.

In de verlenging was de grootste kans voor de Fransen. Keeper Gianluigi Buffon tikte een kopbal van Zidane over het doel. De carrière van Zinédine Zidane eindigde met een rode kaart voor een zware overtreding, een kopstoot op de borst van Materazzi. Dit naar aanleiding van het feit dat Materazzi even aan het shirt van Zidane trok, waarna die rustig wegwandelde en Materazzi hem iets toeriep. De scheidsrechter zag het incident niet en het was waarschijnlijk voor de eerste keer in de geschiedenis dat een beslissing via het "oortje" van de scheidsrechter tot stand kwam.
eigendom religieuze groeperingen struikelblok voor Turkse toetreding EU, zegt Dr. Otmar Oehring
Edited: 200512131477
This article was published by F18News on: 13 December 2005



TURKEY: Religious communities need fundamental reform of Constitution

By Dr. Otmar Oehring, head of the human rights office of Missio





Long-running attempts to improve the Law on Foundations are not the way to introduce true individual and collective religious freedom in Turkey, argues Otmar Oehring of the German Catholic charity Missio http://www.missio-aachen.de/menschen-kulturen/themen/menschenrechte . Only some religious minorities are allowed such foundations, while foundations that do exist are subject to intrusive government interference. In this personal commentary for Forum 18 News Service http://www.forum18.org, Dr Oehring maintains that Turkey needs instead to tackle the fundamental problem of the lack of religious freedom. This can best be done, he contends, by both changing the Constitution and bringing in an accompanying law to concretely introduce the full individual and collective religious freedom rights spelled out in the European Convention on Human Rights.





Turkey's Law on Foundations plays a central role in the country's religious freedom situation, as it directly affects religious communities' ownership of property. Proposed amendments to the Law – which includes provisions governing "community foundations" for non-Muslim religious/ethnic communities – are facing a tortuous process. It is not even clear if the Ankara parliament will ever approve them. First discussed in late 2002 under the government led by Abdullah Gul in response to pressure from the European Union to bring the Turkey's legal provisions into line with European practices on human rights, discussion has continued under the government of Recep Tayyip Erdogan.



As it became increasingly clear that it would be impossible to streamline the existing Law on Foundations, a draft of a new Law was finally prepared including provisions governing "community foundations" for non-Muslim religious communities. But once again these provisions do not satisfy the concerned groups as the amendments they proposed have not been included. Meanwhile the draft was sent to the relevant commission of parliament in May 2005, which was due to decide on the draft before summer this year. This however has not happened up to now.



The changes being proposed would be important for those non-Muslim communities which have "community foundations", such as the Armenian Catholic, Armenian Apostolic, Armenian Protestant, Bulgarian Orthodox, Chaldean Catholic, Georgian Catholic, Greek Catholic, Greek Melkite Orthodox, Jewish, Syrian Catholic, Syrian Orthodox and Syrian Protestant. In theory any improvement to the Foundations Law would allow them to keep the property they currently hold (often rather precariously) and recover property taken from them over the past seventy years.



Although in the past there were several hundred such foundations for non-Muslim communities owning thousands of properties, the government's Directorate-General for Foundations now says 160 are recognised by the state (compared to the 208 recognised by the state in 1948). The fate of the remainder and the property they administered remains unclear.



The existing Foundations Law is limited as it covers only some non-Muslim minority communities. The Roman Catholic Church, Protestant Churches (whether historical Churches or free Evangelical congregations), Jehovah's Witnesses, Baha'is and other non-Muslim groups have no such foundations – and are unlikely to be allowed to have any.



Two examples illustrate the complexity of the current situation. The Syrian Catholic Church does not have a community foundation (cemaat vakif) in Istanbul but a foundation in accordance with civil law. This had never before been seen in Turkey, because at the time it was founded, a foundation with a religious purpose could not be set up (see F18News 12 October 2005 http://www.forum18.org/Archive.php?article_id=670). So Syrian Catholics in Turkey now have one foundation in Istanbul founded under the Civil Code, and a number of community foundations in the south-east of Turkey.



In December 2000 the Altintepe Protestant Church in Istanbul gained foundation status, which was confirmed by the Supreme Court. However this is not to the liking of the Directorate-General for Foundations, which cannot overturn a Supreme Court decision to grant foundation status, but which has since blocked foundation applications from at least two other Protestant churches.



Yet more fundamentally than the individual cases of some communities, I believe that trying to change the Foundation Law – even by trying to include at least all non-Muslim religious communities within its scope – is not the way to go to introduce full religious freedom into Turkey. The whole legal framework governing religion has to be changed.



Most crucially, the country's Constitution needs to be changed. At present, its Article 24 covering religion is so narrowly drawn that it protects only the right to worship. It includes no guarantees about the freedom to change one's faith or to join together with others in religious communities. No guarantee is given of religious communities' rights to organise themselves freely as they choose, to own property directly, to have legal recognition or to train their own personnel.



The Constitution must include a paragraph in line with Article 9 of the European Convention on Human Rights (ECHR), which guarantees full religious freedom. As the article notes, this right includes freedom for individuals to change religion or belief "and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance". As well as a constitutional change guaranteeing full individual and collective religious freedom rights, a law is needed explaining this in practice.



The European Commission, in its recent Proposal for the Accession Partnership 2005, specified the following measures for Turkey to take:



"Freedom of religion



– Adopt a law comprehensively addressing all the difficulties faced by non-Muslim religious minorities and communities in line with the relevant European standards.



Suspend all sales or confiscation of properties which belong or belonged to non-Muslim religious community foundations by the competent authorities pending the adoption of the above law.



– Adopt and implement provisions concerning the exercise of freedom of thought, conscience and religion by all individuals and religious communities in line with the European Convention on Human Rights and taking into account the relevant recommendations of the Council of Europe's Commission against Racism and Intolerance.



– Establish conditions for the functioning of these communities, in line with the practice of Member States. This includes legal and judicial protection of the communities, their members and their assets, teaching, appointing and training of clergy, and the enjoyment of property rights in line with Protocol No 1 to the European Convention on Human Rights." (See http://europa.eu.int/comm/enlargement/report_2005/pdf/package_ii/com_559_final_en_tr_partnership.pdf)



If the Constitution was changed and a law was passed that together guaranteed full individual and collective religious freedom rights, it would be very simple to grant religious communities and their entities legal status (something which does not exist at present). There would then no longer be a need for the peculiar arrangements of the Foundations Law.



The government has been reluctant to resolve existing problems caused by the regulations governing community foundations, as it fears it might have to return all the properties seized from Christian and Jewish community foundations since the 1930s. A wave of seizures occurred after 1936, when an inventory of property was drawn up, and again after a controversial 1974 Court of Appeal ruling that all property acquired by community foundations since 1936 was illegally owned. Many of these confiscated properties are now being used by the state for other purposes, but many more have been sold by the state. Some of these seized properties were places of worship, but most were community-owned schools, hospitals or land whose income supported the communities.



The government cannot kill off the proposed amendments to the Foundations Law, as it would risk killing off any chance of moving forward on EU accession. But the main problem remains that the state is unwilling to have to return all these properties and fears that, if properties in the hands of third-parties could not realistically be returned, it would have to offer perhaps substantial compensation. It fears any amended Foundations Law might force it to do so.



Although Turkish-based and international lawyers working with Turkey's non-Muslim religious communities are looking at the proposed amendments and pointing out legal problems with the current draft, they also argue strongly that this is dealing with the wrong issue. They complain that the proposed changes are still predicated on the myth that such foundations only existed because of the 1923 Treaty of Lausanne and that only those communities which had foundations then can have them now.



Because religious communities in themselves cannot get legal status (in theory the Law on Associations does allow it, though courts are unlikely to accept this in practice), they cannot own any property. Someone who does not exist cannot own property. As long as religious communities like the Alevi Muslims, Roman Catholics, Protestants, Baha'is and Jehovah's Witnesses have no legal status they cannot organise themselves administratively (they cannot even run bank accounts), and this even impacts on them spiritually. Moreover, the state can interfere at any time.



A further problem with the question of recognition of churches or religious groups a
STOX Yves
Een paradoxale scheiding De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Edited: 200412320001
jura falconis, jg 41, 2004-2005, nr 1, p. 37-62

Een paradoxale scheiding
De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Yves Stox
Onder wetenschappelijk begeleiding van Prof. Dr. A. Alen en F. Judo
VOORWOORD
De Belgische Grondwet bevat met de artikels 20, 21, 22 en 181 een uitgebalanceerd systeem inzake de verhouding Kerk-Staat. Deze bepalingen werden nooit aangepast en zijn een toonbeeld van de degelijkheid van de oorspronkelijke grondwet uit 1831. De huidige laatmoderne maatschappij verschilt echter sterk van de 19e eeuwse maatschappij. Terwijl de culturele diversiteit en de religieuze heterogeniteit[1] gegroeid zijn, zijn de grondwettelijke bepalingen echter onveranderd gebleven.
De verklaring tot herziening van de Grondwet van 9 april 2003 werd door de Mouvement Réformateur aangegrepen om een strikte scheiding tussen Kerk en Staat in art. 1 G.W. op te nemen. Het voorstel werd weliswaar niet aanvaard, maar vormt de ideale aanleiding om, na een inleidende ideeëngeschiedenis, de verhouding tussen Kerk en Staat in België opnieuw voor het voetlicht te brengen. Aangezien in de “Verantwoording” van het eerste amendement bij het “Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet” uitdrukkelijk verwezen wordt naar Frankrijk, komt vanzelfsprekend ook de verhouding tussen Kerk en Staat bij onze zuiderburen aan bod. Vervolgens wordt het voorstel van de Mouvement Réformateur getoetst aan het juridische kader. Tenslotte wordt een alternatief voorstel onderzocht, namelijk de mogelijkheid van een concordaat.
1. INLEIDENDE IDEEËNGESCHIEDENIS
Op 22 en 23 februari 2003 hield de Mouvement Réformateur in Louvain-la-Neuve een congres met als titel “Engagement citoyen”. De werkgroep “Citoyenneté et Démocratie” van dit congres wees op de waardevolheid van het pluralisme. De maatschappij is een geheel van individuen en elk individu kan zijn eigen opvatting van het “goede leven” kiezen. De overheid dringt de individuen geen opvatting op, maar biedt enkel de mogelijkheid om door een democratisch debat consensus te bereiken. De overheid kan echter deze rol enkel vervullen indien alle burgers de politieke conceptie accepteren die de overheidsinstellingen beheerst. Daarom stelde de werkgroep voor om in de Grondwet de principes te bepalen die de door de overheid erkende organisaties of financieel ondersteunde partijen moeten respecteren.[2] Dergelijk voorstel kan een verregaande invloed hebben op het systeem van erkende erediensten.
Dezelfde politieke filosofie zet de Mouvement Réformateur ertoe aan om de laïcité van de overheid in de Grondwet op te laten nemen. De overheid mag geen religie of filosofische stroming begunstigen, maar moet de meningsvrijheid garanderen aan al haar burgers. Het principe van laïcité houdt in dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen: “(Le principe de la laïcité) ne signifie pas que l’Etat privilégie un courant philosophique ou religieux par rapport à un autre. Au contraire, la laïcité de l’Etat est une garantie de pluralisme des convictions philosophiques et religieuses. C’est l’autorité de l’Etat, supérieure à toute autre autorité, qui fait respecter la liberté de pensée et donc de conviction philosophique et religieuse au bénéfice de tous les citoyens. La laïcité de l’Etat, c’est l’Etat équidistant à l’égard de toutes les religions ou convictions philosophiques.”[3]
Het mag dan ook niet verwonderen dat de heer Maingain (FDF/MR) in de Kamer[4] en de heren Roelants de Vivier (MR) en Monfils (MR) in de Senaat[5] het Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet van de regering op identieke wijze trachtten te amenderen. Dit “humanisme démocratique” maakte ondanks de verwerping van het amendement deel uit van het programma van de MR voor de verkiezingen van 18 mei 2003[6].
2. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT
De verhouding tussen Kerk en Staat heeft betrekking op de relaties tussen de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en hun leden enerzijds en de overheid anderzijds, alsook op de regelgeving die deze relaties beheerst.[7] Hierbij moet opgemerkt worden dat het begrip ‘Kerk’ niet enkel verwijst naar de christelijke godsdiensten, maar ook andere confessies en zelfs niet-confessionele levensbeschouwingen.[8] Het Belgische interne recht hanteert niet het begrip ‘Kerk’, maar wel de begrippen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’. ‘Eredienst’ werd door de auteurs van de Pandectes belges beschouwd als “l’hommage rendu par l’homme à la Divinité”, waarbij vooral “l’exercice public d’une religion” benadrukt wordt.[9] Steeds zal de rechter in concreto nagaan of het om een eredienst gaat.[10] De niet-confessionele levensbeschouwing werd pas in 1993 in de Grondwet opgenomen in het financieel getinte art. 181. Het onderscheid lijkt vooral een historisch karakter te zijn. Men kan zich immers vragen stellen bij de zinvolheid van het hanteren van een al te rigide onderscheid tussen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’.
De houding die de overheid aanneemt ten aanzien van de verschillende levensbeschouwingen is onderhevig aan de gehanteerde politieke opvattingen. Deze houding kan resulteren in een confessioneel systeem, een laïcaal systeem of een mengvorm waarbij samenwerking centraal staat.[11] Deze onderverdeling is archetypisch en moet gerelativeerd worden.
Ten eerste kan de overheid het beginsel van eenheid gebruiken. Zowel de volledige afwezigheid van religieuze neutraliteit is mogelijk, als de positieve religieuze neutraliteit zijn mogelijk. In het eerste geval heeft ofwel de staatsoverheid een overwicht op de religieuze overheid, ofwel de religieuze overheid een overwicht op de staatsoverheid. Soms wordt deze vorm gemilderd door de oprichting van nationale kerken en spreekt men van formeel confessionalisme. In het tweede geval ontstaat een ongelijke behandeling tussen de verschillende erediensten die aanwezig zijn in een bepaalde staat door een systeem van erkenning van erediensten. De positieve religieuze neutraliteit kan men niet alleen in België terugvinden, maar ook in Frankrijk.[12]
Ten tweede kan de overheid het beginsel van scheiding gebruiken. De staat zal zich actief verzetten tegen religieuze groeperingen of zich totaal onthouden. Deze religieuze onverschilligheid beheerst Frankrijk, uitgezonderd Alsace-Moselle.[13]
Ten derde kan een samenwerking ontstaan tussen de staat en de religieuze groeperingen door een systeem van overeenkomsten en verdragen (concordaten), die de belangen van de laatste behartigen. Dit samenwerkingsmodel kan variëren van het beginsel van eenheid tot het beginsel van eerder scheiding zoals in België.[14]
Volgens Ferrari is deze driedeling verouderd. De formele aspecten in de verhouding tussen Kerk en Staat worden te sterk benadrukt, terwijl de inhoudelijke aspecten niet voldoende aan bod kunnen komen.[15] Vandaar dat zowel België als Frankrijk bij twee van de drie systemen ondergebracht kunnen worden. De onderverdeling die op het eerste zicht zeer duidelijk lijkt, blijkt tegenstrijdigheden te generen.
3. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN BELGIË
3.1. DE GRONDWETTELIJKE POSITIE VAN DE EREDIENSTEN IN BELGIË
3.1.1. Discussie in het Nationaal Congres
In het Zuiden van Koninkrijk der Nederlanden ontstonden er twee oppositiebewegingen. De katholieke oppositie verzette zich tegen de godsdienst- en schoolpolitiek van Willem I. De liberale oppositie ijverde voor een parlementair regime, een rechtstreeks verkozen wetgevende macht, het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid en de erkenning van een aantal vrijheden, waaronder de godsdienstvrijheid en de vrijheid van onderwijs. Rond aartsbisschop de Méan was een handvol mensen werkzaam die zochten naar een oplossing voor de gespannen houding tussen Kerk en Staat in de Nederlanden, “de School van Mechelen”. Deze groep vertrok van de theologische opvatting dat God niet twee Machten kan hebben ingesteld die tegenstrijdig waren met elkaar. De Kerk en Staat behoorden in de Nederlanden dus niet gescheiden te zijn, maar er moest een zekere band zijn tussen beiden. De Staat zou effectief moeten waken over het behoud van de cultusvrijheid en zo de cultussen beschermen.[16] De clerus zou ook een wedde moeten krijgen, die als een vergoeding werd beschouwd voor de aangeslagen goederen tijdens de Franse Revolutie.[17] Vanaf 1827 groeiden beide oppositiebewegingen naar elkaar toe en in 1828 was “de Unie der opposities” – het zogenaamde “monsterverbond” – een feit. Oorspronkelijk was slechts een kleine meerderheid voorstander van een afscheuring. Onder invloed van de Juli-revolutie in Parijs op 27 juli 1830 werden de gemoederen opgezweept en de beroerten in Brussel leidden tot dat wat niemand had verwacht, een politieke revolutie.[18]
Nadat het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, vatte men aan met de uitbouw van de nieuwbakken staat. Het opstellen van een grondwet was één van de belangrijkste bekommernissen. Een commissie onder leiding van baron de Gerlache redigeerde een ontwerp van grondwet en de Belgen verkozen een grondwetgevende vergadering, het Nationaal Congres. In november 1830 verscheen in Leuven een anonieme brochure[19] van “de School van Mechelen”. Er stond te lezen dat de Grondwet de godsdienstvrijheid onaantastbaar moest maken. Tevens moest de vrijheid van eredienst gegarandeerd worden. Ook kwam men op voor de vrijheid van de cultus: alleen individuen mogen worden vervolgd indien ze in het kader van een cultus de publieke orde verstoren of strafbare feiten plegen. Daarenboven werd gepleit voor een gewaarborgde vrijheid van onderwijs en voor het beginsel van niet-inmenging in kerkelijke aangelegenheden, onder andere denkend aan de briefwisseling tussen de clerus en de Heilige Stoel. Bovendien werd een wedde voor clerici noodzakelijk geacht; deze wedde werd beschouwd als een rechtvaardige compensatie voor de inbeslagname van kerkelijke goederen. Op 17 december 1830 werd in het Nationaal Congres, waarin de meerderheid bestond uit katholieken, een brief voorgelezen van aartsbisschop de Méan, waarin hij de stellingnamen van de anonieme brochure diplomatisch parafraseerde. Toen het debat in het Nationaal Congres op 21 december 1830 aanving, werd al snel duidelijk dat de vrijheden niet alleen ten aanzien van het katholicisme zouden kunnen gelden, maar ook ten aanzien van de minderheidsgodsdiensten. De niet-confessionele levensbeschouwing kwam echter helemaal nog niet aan bod. Het ontwikkelde systeem van vrijheid zou echter vooral de katholieke godsdienst ten goede komen. De ruimdenkendheid van de katholieken had dus eigenlijk weinig om het lijf. De verspreiding van de andere godsdiensten was immers uiterst minimaal.Het is interessant om de uiteindelijke tekst van de Grondwet te vergelijken met de door de Méan voorgestelde tekst: de wensen van de aartsbisschop werden in grote mate ingewilligd door het Nationaal Congres.[20]
Zowel de katholieken als de liberalen deden bij het opstellen van de Grondwet toegevingen. De afschaffing van het capaciteitskiesrecht en de voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk zijn de voornaamste toegevingen langs katholieke zijde.[21] De liberalen aanvaardden dan weer de vrijheid van eredienst, de staatswedde voor de bedienaars van de eredienst en een staatstoelage voor onderhoud en oprichting van bidhuizen. Ook de vrijheid van onderwijs werd erkend.[22]
De eensgezindheid tussen liberalen en katholieken bleek echter bijzonder broos. Reeds op 22 december viel de liberaal Defacqz het ontwikkelde systeem van vrijheid aan. Hij pleitte voor een overwicht van de Staat op de Kerk “parce que la loi civile étant faite dans l’intérêt de tous, elle doit l’importer sus ce qui n’est que de l’intérêt de quelques-uns”. Door zijn scherp verzet werpt Defacqz een helder licht op sommige van de katholieke drijfveren. Het bleef echter een kleine minderheid van combatieve anti-katholieke liberalen die oppositie voerde. [23] Uiteindelijk aanvaarde het Nationaal Congres de vrijheid van eredienst en een bijzondere scheiding tussen Kerk en Staat.[24] [25]
3.1.2. Godsdienstvrijheid in de Belgische Grondwet
a. Art 19 G.W.
Dit artikel beschermt een aantal facetten van de godsdienstvrijheid. In de eerste plaats wordt de vrijheid van eredienst sensu stricto beschermd. Deze vrijheid moet ruim worden opgevat. Niet alleen het behoren tot een geloofsovertuiging, maar ook de overgang van het ene geloof naar het andere wordt beschermd. De term ‘eredienst/culte’ toont aan dat men vooral aandacht had voor externe aspecten. Een duidelijke definitie van ‘eredienst/culte’ is niet voorhanden, al heeft men dat wel betracht.[26] Het meest belangwekkende element is zeker en vast de uitwendig en publieke manifestatie van religieuze gevoelens.[27]
In de tweede plaats wordt de vrije openbare uitoefening door de Grondwet gewaarborgd. Art. 26, tweede lid bepaald echter dat bijeenkomsten in de open lucht aan de politiewetten onderworpen blijven. Dit artikel wordt door het Hof van Cassatie geïnterpreteerd als een algemeen beginsel dat toegepast kan worden op alle rechten en vrijheden zodra die op openbare wegen en pleinen worden uitgeoefend, zodat preventieve maatregelen mogelijk zijn. De Raad van State is een andere mening toegedaan en vindt dat, behalve voor vergaderingen in open lucht de Grondwet preventieve maatregelen verbiedt. Dit verbod geldt ook voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van eredienst indien deze vrijheden op een openbare plaats uitgeoefend zouden worden.[28]
In de derde plaats waarborgt de art. 20 de vrijheid van meningsuiting, een recht dat ontegensprekelijk raakvlakken vertoont met de vrijheid van eredienst.
In de vierde plaats worden de grenzen van de godsdienstvrijheid in het laatste lid van art. 20 afgebakend. De vrijheden gelden enkel behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Zo wordt het risico vergroot dat een conflict kan ontstaan tussen aspecten van een religieus systeem en de regels die behoren tot de openbare orde van de overheid indien het gedachtegoed van dat religieus systeem afwijken van het waardepatroon van de maatschappij.[29] Ofwel geeft de overheid dan de rechter de mogelijkheid om de grondrechten ten opzichte van elkaar af te wegen, ofwel acht de overheid bepaalde waarden zo belangrijk dat het strafrecht de afdwingbaarheid van deze waarden veilig moet stellen en zo de discussie eenzijdig te beëindigen.[30]
b. Art. 20 G.W.
De negatieve formulering van deze bepaling toont dat de positieve en de negatieve godsdienstvrijheid – het verbod van dwang om zich te bekennen tot een bepaalde levensbeschouwing – onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Sinds oudsher worden in de rechtsleer een aantal concrete situaties gedetailleerd bestudeerd, dat is echter niet het onderwerp van deze studie.[31]
c. Art. 21 G.W.
Terwijl in art. 19 en 20 de godsdienstvrijheid – met een positief en een negatief aspect –abstract geformuleerd wordt, krijgt in art 21 de godsdienstvrijheid inhoudelijk gestalte. Het biedt religies de vrijheid om zich intern te organiseren zoals zij dat wensen. Deze vrijheid omvat drie concrete aspecten. Ten eerste heeft de Staat niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van enige eredienst. Ten tweede de mogelijkheid voor bedienaars van de eredienst om vrij briefwisseling te houden met hun overheid. Ten slotte wordt ook gegarandeerd dat de akten van de kerkelijke overheid openbaar mogen worden gemaakt, maar met behoud van de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking.[32]
Vrijheid van eredienst betekent dus niet alleen de eerbied voor de individuele overtuiging, maar ook het erkennen van de gemeenschapsvormen van een gelovige overtuiging. Het was mogelijk dat de Belgische grondwetgever zich enkel zou beperkt hebben tot de individuele vrijheid en –zoals in Frankrijk – zich niet ingelaten zou hebben met collectieve vormen. In België bezitten echter ook religieuze genootschappen over eigen fundamentele rechten.[33] Daar vloeit niet uit voort dat de overheid geen enkele vorm van controle mag uitoefenen.[34] Wel vloeit hier uit voort dat de profane rechter geen uitspraak mag doen over theologische vraagstukken. Toch kan men een evolutie vaststellen waarbij seculiere rechters zich meer en meer inmengen, ten nadele van de autonomie van religieuze organisaties.[35]
d. Art. 181 G.W.
Art. 181 is het laatste grondwetsartikel dat rechtsreeks van toepassing op de verhouding tussen Kerk en Staat en organiseert de financiering van de erediensten. Katholieke auteurs beschouwden de staatsbezoldiging van bedienaars van de eredienst als compensatie van de tijdens de Franse Revolutie genaaste kerkelijke goederen.[36] Liberale auteurs benadrukten vooral het sociale nut van de eredienst aan de bevolking.[37] Indien het sociale nut benadrukt wordt, dient de bedienaar van de eredienst de opgedragen taak werkelijk waar te nemen.[38] Door de grondwetsherziening van 1993 kreeg art. 181 een tweede lid, waardoor ook “morele lekenconsulenten” in aanmerking komen voor een staatswedde. Deze uitbreiding is weliswaar juridisch overbodig opdat de Staat lekenconsulenten een wedde zou kunnen toekennen, maar deze grondwettelijke erkenning benadrukt de maatschappelijke waarde van de vrijzinnigheid.[39]
Niet elke eredienst verkrijgt echter dergelijke financiering, art. 181, lid 1 geldt enkel en alleen voor de bedienaars van de erkende erediensten. De erkenning als eredienst van een geloofsovertuiging is niet steeds even vanzelfsprekend en heeft een aantal belangrijke rechtsgevolgen.
3.2. DE ERKENDE EN DE NIET-ERKENDE EREDIENSTEN
Het Nationaal Congres wou in de Grondwet geen privileges ten voordele van een eredienst toekennen, alle erediensten worden op voet van gelijkheid beschouwd. Ondanks deze principiële gelijkwaardigheid van alle erediensten zijn sommige erediensten door de overheid erkend. Deze erkenning is noodzakelijk opdat de bedienaars van de eredienst bezoldigd zouden worden door de overheid. Het Belgische systeem lijkt water en vuur met elkaar te willen verzoenen: er is een systeem van absolute gelijkheid tussen alle maatschappelijk aanvaarde godsdiensten, met een systeem van privileges voor de erkende erediensten.[40]
De erkenning gebeurt door of krachtens de wet. De wetgever moet zich hierbij onthouden van elk waardeoordeel en mag zich enkel laten leiden door de vraag of de bewuste eredienst aan de godsdienstige behoeften van (een deel van) de bevolking beantwoordt.[41] Bij de evaluatie dienen de grote christelijke kerken minstens impliciets als toetssteen. Schijnbaar atypische kenmerken van andere religies worden daardoor vaak negatief ingeschat, waardoor de erkenning niet plaatsvindt.[42]
De erkenning brengt ontegensprekelijk belangrijke voordelen met zich mee. Niet alleen verkrijgen de bedienaars van deze erediensten een wedde en nadien een pensioen, maar ook wordt de rechtspersoonlijkheid toegekend aan de openbare instellingen die zijn belast met het beheer van de goederen die voor de eredienst zijn bestemd.[43] Erediensten die niet erkend zijn mogen dan al genieten van de grondwettelijk beschermde godsdienstvrijheid, zij moeten echter een beroep doen op de vzw-techniek om rechtspersoonlijkheid te verwerven.[44]
Ook aan gemeenten en provincies worden, respectievelijk in de Gemeentewet en in de Provinciewet, verplichtingen opgelegd te voordele van de erkende erediensten. Een eerste reeks bepalingen zijn ten voordele van de bedienaars van de eredienst. Zij hebben betrekking op de huisvesting van de bedienaar van de eredienst. Een tweede reeks bepalingen handelen over het beheer van de goederen van de erkende erediensten. Zo worden financiële tekorten aangezuiverd en ontvangt men financiële steun voor de groeve herstellingen aan of de bouw van gebouwen bestemd voor de eredienst. Daarnaast zijn er nog een aantal suppletieve bepalingen in verband met aalmoezeniers in het leger en in de gevangenissen, zendtijd op de openbare omroep en de organisatie van godsdienstonderricht.[45]
De erkenning van bepaalde erediensten en de daar uit voortvloeiende toekenning van een aantal voordelen is een afwijking van het “beginsel van de gelijke behandeling van alle erediensten”. Toch neemt men aan dat het toekennen van voordelen aan erkende erediensten hieraan geen afbreuk doet. De Belgische grondwetgever beoogde immers geen absolute gelijkheid. Indien de overheid de steun zou beperken tot slechts één eredienst, dan zou men wel kunnen spreken van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel.[46] Het lijkt wel alsof er zich door de tijd heen een bijzondere vorm van het gelijkheidsbeginsel ontwikkeld heeft, waarop de ondertussen klassieke criteria van het Arbitragehof niet van toepassing zijn.
3.3. DE BURGERLIJKE RECHTER IN KERKELIJKE AANGELEGENHEDEN
3.3.1. Problematiek
De fundamentele regels die de verhouding regelen tussen de Belgische Staat en de Kerk kunnen we terugvinden in art. 19, 20, 21, 181 G.W.[47], maar ondanks de vele jurisprudentie en juridische geschriften is de problematiek van de burgerlijke rechter die gevraag wordt om tussen te komen in kerkelijke aangelegenheden gebleven.[48]
Het staat buiten kijf dat art. 21 de hoeksteen vormt van deze problematiek. De Staat mag zich niet bemoeien met de benoeming of de afzetting van de bedienaren van de eredienst. Evenmin mag de burgerlijke rechter zich niet bevoegd verklaren om een religieuze dissidentie te beslechten, de orthodoxie van een stelling te beoordelen of religieuze motieven naar waarde te schatten.[49] De rechter kan zich dus enkel uitspreken over de formele procedure. Maar deze controle is echter niet eenduidig. Men kan variëren van een louter formele toetsing van een kerkelijke beslissing tot een kwalitatief beoordelen van de kerkelijke procedure aan de hand van algemene rechtsbeginselen.[50]
3.3.2. Een formele toetsing
Aanvankelijk is de burgerlijke overheid heel terughoudend. De hoven en rechtbanken beperken hun controle van de kerkelijke beslissingen tot een louter formele toetsing. De rechterlijke macht beperkt zich in zaken van benoeming of afzetting tot de vaststelling dat dit gebeurde door de bevoegde kerkelijke overheid, zonder hierbij de wettigheid van deze beslissing te onderzoeken. [51]
Men kan echter een onderscheid maken tussen twee soorten formele toetsing en zo een minimale wijziging in de rechtspraak – in de lijn der verwachtingen – waarnemen. In principe zal de rechter alleen nagaan of de benoeming van een opvolger door de bevoegde kerkelijke overheid is gebeurd. Geleidelijk gaan de hoven en rechtbanken ook controleren of de beslissing tot herroeping door een bevoegde kerkelijke overheid is genomen.[52] Meer dan een formele toetsing blijft echter uitgesloten.
3.3.3. Een controle van de interne procedure
Deze klassieke leer wordt ter discussie gesteld met het arrest van 5 juni 1967, geveld door het Hof van Beroep van Luik. Het hof bevestigt weliswaar de klassieke 19e eeuwse leer en stelt dat de rechter mag nagaan of een bepaalde beslissing door de bevoegde kerkelijke overheid werd genomen, maar voegt hieraan toe dat deze kerkelijke overheid in alle onafhankelijkheid kan handelen overeenkomstig de eigen regels.[53] Tegen het arrest werd cassatieberoep ingesteld, maar het Hof van Cassatie verwierp het beroep met het arrest van 25 september 1975.[54] Het Hof van Cassatie deed echter geen uitspraak over het respecteren van de eigen regels, maar wees een middel af dat gericht was tegen een ten overvloede gegeven motief.[55] Een impliciete evolutie heeft plaatsgevonden. De louter formele controle wordt namelijk uitgebreider geïnterpreteerd: er vindt nu ook een controle van de interne procedure plaats, maar zonder dat deze als zodanig gekwalificeerd wordt.[56] In de rechtsleer werd echter reeds eerder gepleit voor het respecteren van de eigen regels.[57]
3.3.4. Op zoek naar kwaliteitsgaranties voor procedureregels
Het Hof van Beroep van Bergen zet met het arrest van 8 januari 1993 een nieuwe stap. De rechter mag niet alleen nagaan of de kerkelijke overheid bij het nemen van een beslissing conform de eigen regels heeft gehandeld, maar mag ook oordelen of deze regels voldoende (procedurele) garanties bieden. Hierbij verwijst het Hof naar algemene rechtsbeginselen zoals het recht van verdediging en het beginsel van tegenspraak.[58] De rechter zou zich dus niet beperken tot een louter formele toetsing van de bestreden beslissing en de controle van de kerkelijke procedure, maar zou ook een kwaliteitscontrole uitvoeren op deze procedure.[59]
Tegen dat arrest wordt echter cassatieberoep ingesteld en met het arrest van 20 oktober 1994 verbreekt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Bergen.[60] De vrijheid van eredienst (art. 21 G.W.) laat niet toe dat de hoven en rechtbanken onderzoeken of de kerkelijke procedure voldoende waarborgen biedt. Het Hof zich weliswaar niet uit of de maxime patere legem quam ipse fecisti[61] van toepassing is, maar argumenteert “dat de benoeming en de afzetting van de bedienaren van een eredienst alleen maar door de bevoegde geestelijke overheid kunnen geschieden overeenkomstig de regels van de eredienst[62], en, anderzijds, dat de godsdienstige discipline en rechtsmacht op die bedienaren van de eredienst alleen door dezelfde overheid overeenkomstig dezelfde regels kunnen worden uitgeoefend”. Hof expliciteert niet in hoeverre de toepassing van “de regels van de eredienst” onderworpen kunnen worden aan profaan rechterlijke controle, maar suggereert in ieder geval de mogelijkheid.[63] Met het arrest van 3 juni 1999, in dezelfde zaak, herhaalt het Hof – in verenigde kamers – zichzelf.[64]
De twee arresten van het Hof van Cassatie hebben er niet voor kunnen zorgen dat het onweer is gaan liggen. Een minderheid in de rechtsleer stelt dat de arresten niets verandert hebben en verdedigt de traditionele leer. Een andere minderheid is voorstander van een kwaliteitscontrole. De tussenpositie, die focust op de vraag of de kerkelijke overheden de interne regels gerespecteerd hebben en de maxime patere legem quam ipse fecisti toepassen, lijkt echter het meest voor de hand liggend.[65] [66]
3.4. KWALIFICATIE
In de Grondwet wordt nergens de verhouding tussen de overheid en de erkende erediensten of niet-confessionele levensbeschouwingen gekwalificeerd. Tijdens de voorbereidende werken werd weliswaar geopperd dat de verhouding tussen Kerk en Staat als een totale, volledige en absolute scheiding aangeduid moest worden.[67] Deze scheiding is in de praktijk nooit gerealiseerd. Elementen die enerzijds een scheiding aanduiden zijn bijvoorbeeld de afwezigheid van een staatsgodsdienst, de niet-toepasselijkheid van het canoniek recht in burgerlijke zaken, de laïcisering van de openbare ambten en ambtenaren, de niet toekenning van rechtspersoonlijkheid aan kerkelijke verengingen. Anderzijds worden de erkende erediensten door de overheid gefinancierd, wat duidt op samenwerking.[68] De rechtsleer is zich bewust van deze dubbelzinnigheid. De meeste auteurs trachten dan ook allerlei begrippen in te voeren om deze dubbelzinnigheid te verwoorden. Soms heeft men het over een “onderlinge onafhankelijkheid”, een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding”. In ieder geval kan men stellen dat de verhouding in België tussen Kerk en Staat niet bestaat in een absolute scheiding en dat België geen état laïc is.[69]
4. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN FRANKRIJK
In tegenstelling tot België, wordt in Frankrijk de verhouding tussen Kerk en Staat wel gekwalificeerd in de Grondwet van 1958. De huidige Grondwet is echter niet de eerste tekst waarin het fenomeen religie behandeld wordt. De eerste belangrijke wet is ontegensprekelijk die wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat. Voor de eerste keer werd in Frankrijkun régime de liberté religieuse ingevoerd.[70] De kwalificatie laïque werd echter pas ingevoerd in de Grondwet van 1946, waarbijlaïcité gedefinieerd kan worden alsle principe de la séparation de la société civile et de la religion[71].
4.1. DE WET VAN 9 DECEMBER 1905 CONCERNANT LA SÉPARATION DES EGLISES ET DE L’ETAT : EEN LAÏCITÉ DE COMBAT[72]
Voor Koubi heeft de wet van 9 december 1905 elke pertinentie verloren. Sinds het begin van de 20e eeuw heeft het principe van de laïcité immers fundamentele veranderingen ondergaan.[73] [74] Niettemin achten een aantal auteurs het praktisch belang van art. 2, waarin Frankrijk beschreven wordt als een République indivisible, laïque, démocratique et sociale, van de huidige Grondwet onderworpen aan de lezing van de wet van 1905.[75] In ieder geval biedt een bespreking van deze wet een relevante historische inleiding tot de laïcité à la française.
Voordat de wet van 9 december 1905 aangenomen werd, bevonden de katholieke[76], de protestantse en de israëlitische eredienst zich als erkende eredienst in een bijzondere positie. De bedienaars van de eredienst werden bezoldigd door de overheid, die ook deelnam aan hun benoeming. Duguit deinst er niet voor terug om het te hebben over véritables services publics. De niet-erkende erediensten étaient soumis à un régime de police d’autant plus arbitraire.[77]
Duguit haalt twee kritieken aan op deze uitwerking van de verhouding tussen Kerk en Staat. Aan de ene kant zijn de niet-erkende erediensten zijn onderworpen aan een volstrekte willekeurig stelsel. Zij zouden het recht moeten hebben om vrij hun eredienst uit te oefenen. Het stelsel van de erkende erediensten is la négation même de principe de liberté religieuse et du principe de l’Etat laïque en voor de gelovigen un empiétement intolérable de prince sur le domaine de la conscience religieuse.Aan de andere kant schendt het stelsel van erkende van de erediensten het principe de liberté religieuse omdat burgers gedwongen worden om geld uit te geven aan religies die zij niet praktiseren.[78]
De aanhangers van het principe van delaïcité hebben zich op het einde van de 19e eeuwen en in het begin van de 20e eeuw zowel politiek als filosofisch krachtdadig geprofileerd.[79] De formulering van Duguit lijkt niet meer te zijn dan een abstrahering van de strijd die zich heeft afgespeeld. Delaïcitéfrançaiseheeft vorm gekregen in de strijd die gevoerd werd door de Overheid tegen voornamelijk de katholieke Kerk.[80] De laïcité is in de eerste plaats en strijd geweest tegen het triomferende klerikalisme van de 19e eeuw. Er ontstond een ware polemiek tussen cléricauxen laïcs, die gekenmerkt werd door een haast ongekende heftigheid. Toch was het de bedoeling van de Republiek om met de wet van 9 december 1905 een compromis mogelijk te maken en zo een séparation à l’amiable te creëren.[81]
Het doel van de wet van 9 december 1905 is om godsdienstvrijheid mogelijk te maken, waarbij aan elk individu de vrije uitoefening van zijn of haar eredienst wordt verzekerd (art. 1) Hiertoe wordt een volkomen neutraliteit van de Staat noodzakelijk geacht, zodat geen enkele eredienst erkend kan worden en geen enkele eredienst een bezoldiging of subsidiëring kan verkrijgen (art. 2). Naast de bepalingen in verband met de erkenning en subsidiëring van erediensten, kunnen nog vier andere categorieën onderscheiden worden. Een aantal bepalingen handelen over de gebouwen en voorwerpen van de eredienst. Ook de rechtsovergang van kerkelijke goederen komt aan bod. Hiertoe werd in een vierde categorie bepalingen deassociations cultuelles in het leven geroepen. Een vijfde categorie handelt over de politie van de erediensten.[82]
De katholieke Kerk verzette zich echter sterk tegen deze wet en weigerde om deassociations cultuelles op te richten, maar de overheid greep niet in en liet de katholieken toe om de gebouwen van de eredienst te gebruiken zonder dat die daartoe gerechtigd waren. Langzaam maar zeker ontstond een meer serene relatie tussen de katholieke Kerk en de Staat.[83]
4.2. DECONSTITUTIONALISATIE VAN DE LAÏCITÉ[84]
De kwalificatie laïque was ook in 1946 nog altijd erg beladen.[85] Toch werd in art 1 van de Grondwet van 1946 afgekondigd dat Frankrijk een“République indivisible, laïque, démocratique et sociale” is. In de Grondwet van 1958 werd in het huidige art. 1[86] daaraan toegevoegd dat “elle assure l’égalité devant la loi de tous les citoyens sans distinction d’origine, de race ou de religion. Elle respecte toutes les croyances”.[87] De laïcité heeft haar polemisch karakter verloren en maakt deel uit van de grote vrijheden aangezien de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de vrije uitoefening van een eredienst er door beschermd worden[88]; “juridiquement, la laïcité, c’est la neutralité religieuse de l’Etat”[89].
Het Franse constitutionele recht neemt de godsdienstvrijheid van het individu in ogenschouw en niet de collectieve godsdienstvrijheid.[90] Niet de individuele godsdienstvrijheid is problematisch, maar wel de collectieve uitoefening van de eredienst. De Republiek garandeert weliswaar het pluralisme, maar door haar jacobijnse en centralistische tendensen worden intermediaire lichamen, minderheden of etnische, culturele of religieuze gemeenschappen niet (h)erkend.[91]
4.3.UNE SÉPARATION BIEN TEMPÉRÉE
Toch is de verhouding tussen Kerk en Staat veel complexer en diffuser dan dewet van 9 december 1905 en Franse Grondwet doen vermoeden. De wet van 9 december 1905 kadert in een radicaal antiklerikalisme, terwijl de huidige evenwichtsituatie nog het best omschreven kan worden als une séparation bien tempérée.[92] Terwijl de wet van 9 december 1905 de emanatie is van “la conception idéologique ou négative de la laïcité” bekrachtigen de grondwetten van 1946 en 1958 “la conception juridique ou positive de la laïcité”.[93]
Regelmatige en permanente subsidiëring van erediensten mag dan al niet mogelijk zijn (art. 2 van de wet van 9 december 1905). Toch kan de Franse staat activiteiten subsidiëren die plaatsvinden in een confessioneel kader, maar die van algemene aard zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, liefdadigheidsinstellingen, enz.). De Franse overheid moet eveneens bepaalde religieuze diensten rechtstreeks ten laste nemen (bijvoorbeeld aalmoezeniers in openbare instellingen, tehuizen en gevangenissen). Vanzelfsprekend moet de Franse overheid ook instaan voor de bezoldiging van de bedienaars van erediensten wanneer zij diensten verstrekken aan de overheid (bijvoorbeeld gemeentesecretaris, enz.). Priesters en geestelijken kunnen ook beroep doen op sociale zekerheid.[94]
Een opmerkelijk kenmerk van de laïcité in Frankrijk is dat de scheiding tussen Kerk en Staat nooit volledig en rigide is geweest. De Republiek heeft steeds een welwillende neutraliteit aan de dag gelegd. Zelfs in 1905 waren er betrekkingen tussen de Republiek en de kerken.[95]
5. VOORSTEL MAINGAIN (FDF/MR)
5.1. EXEGESE
De opstellers van amendement nr. 2 lijken aan alles te hebben gedacht. Zij schetsen niet alleen de (rechts)historische aanknopingspunten van het principe van delaïcité, maar passen het beginsel ook toe en geven de gevolgen aan van de opname in de Grondwet. Niettemin staat de verantwoording bol van contradicties.
Met de eerste zin geven de auteurs de oorsprong aan de verhouding tussen Kerk en Staat in Frankrijk, “de doorslaggevende rol van de Staat ligt aan de oorsprong van de Franse laïciteit”. De auteurs onderscheiden drie etappes in “(de wens van de politieke overheid om) de individuen en de geledingen van het maatschappelijk leven te onttrekken aan de greep van de Katholieke Kerk”. De eerste etappe is blijkbaar niet de Franse Revolutie, die nochtans door Boyer als een ommekeer beschouwd wordt[96], maar hetrégime concordatairevan Napoleon. Het Concordaat van 1802 herbevestigt echter de belangrijke positie van de Katholieke Kerk in Frankrijk, al tonen deArticles organiquesdie Napoleon unilateraal toevoegde duidelijk de macht die de overheid uitoefende. De tweede etappe wordt volgens de auteurs gevormd door “de schoolwetten van de jaren 1880 die een cursus niet-confessionele moraal organiseren”. Onderwijsvrijheid en levensbeschouwelijke vrijheid zijn weliswaar nauw bij elkaar betrokken, maar gedurende de gehele 19e eeuw zou het concordatair regime verder blijven bestaan. Daaraan komt pas een einde met de wet van 9 december 1905concernant laséparation des Eglises et de l’Etat. Deze wet vormt dan ook de derde stap, die culmineert in de Grondwet van 1958: “la France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale”. De volstrekte scheiding tussen Kerk en Staat was een feit. Volgens Boyer waren het echter “les radicaux qui avaient fait de l’anticléricalisme un combat et un programme espéraient arracher à l’Eglise son pouvoir politique, matériel et même spirituel”[97].
De leden van het Nationaal Congres waren volgens de auteurs vrij godsdienstig en verkozen daardoor een liberale oplossing boven het sluiten van een concordaat met de Heilige Stoel. De formulering lijkt aan te geven dat de auteurs eenrégime concordataireverkiezen boven de vooruitstrevende en innovatieve oplossing van het Nationaal Congres.
De auteurs willen niet meer of minder dan de omzetting van het beginsel van de laïcité in de Belgische Grondwet. Ze zijn zich echter bewust van de bijzondere kenmerken van ons grondwettelijk systeem. Toch zou hun voorstel aansluiten bij het opzet van de Grondwet zoals zij door het Nationaal Congres werd geconcipieerd. Het Franse en Belgische systeem verschillen echter formeel helemaal van elkaar. De Franse wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat is tot stand gekomen in een sfeer van antiklerikalisme, terwijl het Nationaal Congres een meer uitgebalanceerd en pragmatisch systeem ontwikkelde. Deze misvatting kan wellicht verklaard worden doordag het Belgische systeem geheel foutief beschouwd wordt als gebaseerd op “het principe van de wederzijdse niet-inmenging tussen de Staat en de (…) erkende en vertegenwoordigde kerken”. Een aantal elementen duiden weliswaar een scheiding aan, terwijl andere elementen dan weer de samenwerking benadrukken.
De auteurs geven in hun historische schets geven aan dat het Franse en het Belgische systeem van verhouding tussen Kerk en Staat een heel andere ontstaansgeschiedenis kennen en daardoor helemaal van elkaar verschillen. Even later poneren ze dat de omzetting van de laïcité geen problemen stelt aangezien het voorstel aan zou sluiten bij het opzet van de Grondwet van 1830 (sic). In tegenstelling tot wat de auteurs beweren heeft de inschrijving van de laïcité heeft tot gevolg dat de grondwettelijke beginselen wat de betrekking tussen de religies en de overheid betreft in het gedrag komen. Daarenboven zijn ze uit het oog verloren dat de hedendaagse Franse rechtsleer een minder formalistisch uitgangspunt inneemt en de verhouding tussen Kerk en Staat beschrijft als une séparation bien tempérée.[98]
In de “Inleidende ideeëngeschiedenis” heb ik reeds aangegeven dat het principe van laïcité voor de MR inhoudt dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen.[99] Het gaat kortom om een laïcité de combat. Dergelijke visie is een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit: vanuit een scheiding pur sang moet de overheid levensbeschouwelijk neutraal zijn.
De Belgische overheid moedigt echter de vrije ontwikkeling van religieuze en institutionele activiteiten aan, zonder de onafhankelijkheid te beknotten.[100] De overheid maakt een pluralisme van levensbeschouwelijke activiteiten op actieve wijze mogelijk en handelt dus vanuit een positieve religieuze neutraliteit.[101] De opname van de laïcité in de Grondwet zou dus wel degelijk een wijziging betekenen ten opzichte van het huidige regeling.
5.2. HYPOTHETISCHE UITWERKING
De vraag welke wijzigingen zich in concreto zullen voordoen is tot nu toe onbeantwoord gebleven. De bedoeling van dit onderdeel is dan ook kort aan te geven welke gevolgen de opname van de laïcité in de Grondwet, als een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit, zal teweegbrengen.
Indien de laïcité in art. 1 G.W. de verwoording zou zijn van een algemeen principe, zullen de regelingen van art. 19, 20, 21 en 181 G.W. slechts uitzonderingen zijn en als zodanig niet meer constituerend voor de verhouding tussen Kerk en Staat. Naast deze indirecte wijziging van de grondwettelijke bepalingen worden een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen – bijna steeds ten voordele van de erkende erediensten – op de helling gezet.
De erkenning van erediensten is weliswaar tegengesteld aan de negatieve religieuze neutraliteit, maar is verankerd in de Grondwet. Art. 181 G.W. vermeldt de erkenning echter enkel indirect in verband met de financiering. De betaling van de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de eredienst en de morele lekenconsulenten zal de enige overgebleven consequentie zijn van de erkenning.
De huisvesting van de bedienaars van de eredienst (art. 255, 12° Nieuwe Gemeentewet) , de aanzuivering van negatieve saldo’s door gemeenten en provincies (art. 255, 9° Nieuwe Gemeentewet en art. 69, 9° Provinciewet), de gratis zendtijd op de openbare omroep (radio en televisie) en de bijstand door aalmoezeniers en morele lekenconsulenten in gevangenissen en in het leger zijn uitingen van de positieve religieuze neutraliteit en zijn niet verenigbaar met gepropageerde laïcité. Ook de tussenkomst bij de bouw of het herstel van gebouwen bestemd voor de eredienst is problematisch, al zal de restauratie en onderhoudspremies voor beschermde monumenten een belangrijke indirecte financiering blijven. [102]
De rechtspersoonlijkheid van openbare instellingen die belast zijn met het beheer van tijdelijke goederen (bijvoorbeeld de kerkfabrieken) wordt wellicht niet op de helling gezet. Men zou immers een parallellisme kunnen vaststellen met de associations cultuelles van de Franse wet van 1905, die ook kaderde in een negatieve religieuze neutraliteit. Het godsdienstonderricht en het onderricht in de niet-confessionele moraal in het openbaar onderwijs staan ook haaks op het principe van de laïcité. De Schoolpactwet van 29 mei 1959 werd echter verankerd in art. 24 de G.W.[103] en zou dus ook een uitzondering vormen ten opzichte van art. 1 G.W.. Een doorgedreven uitvoering van het principe van de laïcité, geïnspireerd door een negatieve religieuze vrijheid zou dus verregaande gevolgen kunnen hebben. De welwillende houding van de overheid is immers niet alleen terug te vinden in de Grondwet, maar ook in vele andere wetten en wordt weerspiegeld in een dagdagelijkse pragmatische mentaliteit.
6. HET CONCORDAAT, GEEN ALTERNATIEF
In de wandelgangen van de Apostolische Nuntiatuur te Brussel gaan stemmen op die pleiten voor het sluiten van een Concordaat tussen de Heilige Stoel en België. Zij hebben zich blijkbaar laten inspireren door de reeks concordaten die de Heilige stoel heeft gesloten met landen uit het vroegere Oostblok[104] en zich laten aanmoedigen door L’Osservatore Romano, waarin het verdrag van Lateranen tussen de Heilige Stoel en Italië (1929) beschouwd wordt als een modelverdrag voor andere concordaten[105]. Hier wil ik aantonen dat een dergelijk initiatief onverenigbaar is met de Belgische constitutionele rechtsorde en derhalve geen alternatief kan vormen voor het voorstel Maingain (FDF/MR).
6.1. DEFINITIE
Wagnon definieert een concordaat als “une convention conclue entre le pouvoir ecclésiastique (de Heilige Stoel[106]) et le pouvoir civil (de Staat) en vue de régler leurs rapports mutuels dans les multiples matières où ils sont appelés à se rencontrer. C’est un traité bilatéral, né de l’accord des volontés des deux parties, établissant une règle de droit qu’elles sont tenues en justice de maintenir et d’observer fidèlement.”[107] De reden waarom de Heilige Stoel graag concordaten sluit kunnen we ook terugvinden bij Wagnon. Deze vervolgt zijn definitie met: “(un concordat) est un acte solennel qui instaure entre les deux autorités appelées, à des titres divers, à régir les mêmes individus, un régime d’union, de concorde et de collaboration, hautement profitable non seulement aux sujets qui en bénéficient, mais encore à la religion tout comme à la société civile elle-même”.[108]Deze definitie ademt ontegensprekelijk de geest uit van het Rijke Roomse Leven, maar bevat niettemin een aantal meer dan waardevolle elementen. Het concordaat dat de eerste consul van de Republiek, Napoleon Bonaparte en paus Pius VII op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) – Convention entre le Pape et le gouvernement français – kan getypeerd worden als “un traité diplomatique forgé par une modernité de laïcité naissante[109]”.Hoe het begrippenpaar “hautement profitable” ingevuld moet worden is dus niet altijd even duidelijk, het lijkt eerder een eventueel aangenaam gevolg te zijn dan een essentieel kenmerk. Wagnon definieert een concordaat niet als een internationaal verdrag. Nochtans kan men een concordaat als een internationaal verdrag kwalificeren. Art. 2, §1, al. a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 omschrijft een verdrag echter als “een internationale overeenkomst in geschrifte tussen Staten gesloten[110] en beheerst door het volkerenrecht (…)”. Gewoonterechtelijk wordt een verdrag echter gedefinieerd als elk akkoord dat gesloten wordt tussen twee of meer subjecten van het volkerenrecht, met de bedoeling rechtsgevolgen teweeg te brengen en dat beheerst wordt door het volkerenrecht.[111] Deze twee definities spreken elkaar niet tegen: art. 3, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 duidt aan dat art. 2 slechts de werkingssfeer afbakent en vermeldt uitdrukkelijk de rechtskracht van internationale overeenkomsten gesloten tussen Staten en andere subjecten van volkerenrecht.[112] Een concordaat lijkt aan uiteindelijk beide definities te voldoen. Algemeen wordt immers aanvaard dat de Heilige Stoel volkenrechtelijke rechtspersoonlijkheid heeft.[113] Wagnon hoedt er zich echter voor om een concordaat als een internationaal verdrag te kwalificeren, al hebben een concordaat en een internationaal verdrag vanzelfsprekend veel met elkaar gemeen. De verschillen mogen dan al eerder theoretisch van aard zijn, voor Wagnon zijn ze onbetwistbaar. Een concordaat is namelijk een overeenkomst tussen een Staat en de Heilige Stoel, waarbij hetzelfde volk in ogenschouw genomen wordt. Een concordaat zou ook vooral gesloten worden met het oog op morele en religieuze belangen, niet met het oog op politieke en economische belangen.[114] De verschijnselen in onze wereld zijn echter slechte een flauwe afspiegeling van de Ideeën.
6.2. DE ONGRONDWETTELIJKHEID VAN EEN NIEUW CONCORDAAT
Toen op 24 september 1830 een administratieve commissie – reeds op 26 september omgevormd tot het Voorlopig Bewind – het bestuur van de afgescheiden provincies in handen nam, werd de Belgische Staat de facto gevormd. Wagnon stelt dat “(…) il faut nécessairement conclure à la cessation du concordat, sauf renouvellement de l’accord antérieurement en vigueur, soit par un arrangement semblable à celui de 1816-1817 entre Rome et La Haye, soit, plus simplement, en vertu d’une manière d’agir concluante du Saint-Siège et du gouvernement du nouvel Etat.” Het Voorlopig Bewind liet met het decreet van 16 oktober 1830 zelfs uitdrukkelijk verstaan het Concordaat van 1801 niet te willen heraanvatten. Door de godsdienstvrijheid in de Grondwet op te nemen (art. 19 en 20) heeft het Nationaal Congres impliciet aangegeven dat de Belgische Staat zich niet meer wil beroepen op de prerogatieven die het Concordaat van 1801 toekende aan de Franse Staat en dat het régime concordataire dus opgehouden heeft te bestaan.[115] De Raad van State heeft dit, wijzend op de onderlinge onafhankelijkheid van het burgerlijke en het kerkelijke gezag, in zijn adviespraktijk uitdrukkelijk bevestigd.[116] De verhoudingen en sommige afspraken tussen de overheid en de rooms katholieke Kerk zijn echter nog op het Concordaat van 1801 gebaseerd en soms wordt er zelfs nog in KB’s naar verwezen, terwijl de Articles organiques als wetten blijven voortbestaan voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Belgische grondwetsbeginselen.[117] Het sluiten van een concordaat zou dus een grondwetswijziging vereisen. Vervolgens zou de overheid gelijkaardige overeenkomsten moeten sluiten met andere (erkende) erediensten[118], zoniet zou men gewag kunnen maken van een ongeoorloofde discriminatie. Het sluiten van een concordaat, zonder een grondwetswijziging zou in ieder geval een schending van de Grondwet inhouden.
BESLUIT
De betekenis van de titel “Een paradoxale scheiding” zou nu volledig ontrafeld moeten zijn, niettemin is een verdere verduidelijking wellicht gewenst. Bij de bespreking van de verhouding tussen Kerk en Staat in België is gebleken de scheiding tussen beiden helemaal niet volledig is. Veel auteurs hebben deze verhouding trachten te kwalificeren en evenveel kwalificaties hebben het licht gezien. Steeds wordt dezelfde paradox in de rechtsleer blootgelegd: enerzijds wordt de godsdienstvrijheid benadrukt en worden alle erediensten als gelijk beschouwd, anderzijds heeft met een systeem van erkenning ontwikkelt met belangrijke financiële gevolgen. In Frankrijk is de verhouding tussen Kerk en Staat in grotere mate een uitgesproken scheiding.Ook het Voorstel Maingain wordt gekenmerkt door een paradox. Enerzijds vult men de verhouding tussen Kerk en Staat in vanuit een Frans geïnspireerde negatieve religieuze vrijheid en lijkt men eenlaïcité de combat te recreëren. Anderzijds zou naar eigen zeggen de voorgestelde grondwetswijziging aansluiten bij het opzet van het Nationaal Congres. Deze ongerijmdheid is slechts schijn. Men wil niet raken aan de bestaande bepalingen inzake de verhouding tussen Kerk en Staat en tegelijkertijd wil men een scheiding pur sang doorvoeren, waardoor uiteindelijk deze verhouding toch helemaal wijzigt. Een nog niet uitdrukkelijk geformuleerd voorstel om opnieuw een régime concordataire in te voeren is in het geheel niet verenigbaar met de Grondwet, van een paradox is er geen sprake.
[1] Zie U.S. DEPARTEMENT OF STATE – BUREAU OF DEMOCRACY, HUMAN RIGHTS AND LABOR, International Religious Freedom Report 2003: Belgium , http://www.state.gov/g/drl/rls/irf/2003/24346.htm, 21 februari 2004, Online: “The population is predominantly Roman Catholic. According to the 2001 Survey and Study of Religion, jointly conducted by a number of the country's universities and based on self-identification, approximately 47 percent of the population identify themselves as belonging to the Catholic Church. The Muslim population numbers approximately 364,000, and there are an estimated 380 mosques in the country. Protestants number between 125,000 and 140,000. The Greek and Russian Orthodox Churches have approximately 70,000 adherents. The Jewish population is estimated at between 45,000 and 55,000. The Anglican Church has approximately 10,800 members. The largest nonrecognized religions are Jehovah's Witnesses, with approximately 27,000 baptized members, and the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormons), with approximately 3,000 members.” Zie ook DOBBELARE, K., ELCHARDUS, M., KERKHOFS, J., VOYE, L. en BAWIN-LEGROS, B., Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen, Tielt, Lannoo, 2000, 272 p.
[2] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen" – Citoyenneté et Démocratie, p 8-9.
[3] Ibid., p 6. Eigen (de)cursivering.
[4] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl. St. Kamer 2002-2003, nr. 50 2389/002.
[5] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl.St. Senaat, 2002-2003, nr. 50 2-1549/2.
[6] X, La vision et le programme des Réformateurs,http://www.mr.be/docs/du_coeur_a_l_ouvrage.pdf, 18 februari 2004, Online, 24.
[7] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 5.
[8] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[9] Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[10] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[11] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 17.
[12] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 16 en voetnoot 45.
[13] Ibid., 16 en voetnoot 47.
[14] Ibid., 16 en voetnoot 48.
[15] FERRARI, S., “Church and State in Europe. Common Patters and Challenges”, in KIDERLEN, H.-J., TEMPEL, H., TORFS, R. (ed.), Which Relationships between Churches and the European Union? Thoughts for the future, Leuven, Peeters, 1995, 33.
[16]Deze leer week af van die van de veroordeelde Franse priester Lamennais, de vader van het liberaal-katholicisme, die door een algehele scheiding tussen Kerk en Staat de vrijheid wou verwerven. WAGNON, H., “Le Congrès national belge de 1830-1837 a-t-il établi la séparation de l’Eglise et de l’Etat”, in X (ed.), Etudes d’histoire du droit canonique dédiées à Gabriel Le Bras, I, Parijs, Sirey, 1965, 761.
[17] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 39-41 enVAN GOETHEM, H., “L’église catholique et la liberté de religion et du culte en Belgique dans les constitutions de 1815 et 1831”, in VAN GOETHEM, H., WAELKENS, L., en BREUGELMANS, K. (ed.), Libertés, pluralisme et droit. Une approche historique, Brussel, Bruylant, 1995, 185-187.
[18] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 40-53.
[19] X., Considérations sur la liberté religieuse par un unioniste, Leuven, Van Linthout, 1830, 24p.
[20] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 42.
[21] De voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk lijkt wel degelijk te zijn gebruikt als pasmunt voor verregaande faciliteiten voor de erediensten. Zie AUBERT, R., “l' Eglise et l’Etat en Belgique du XIXe Siècle”, Res Publica 1968 (Spécial 2), 20-21.
[22] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 53-54.
[23]VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, inUFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 44-46.
[24] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 817. Andere auteurs gewagen van een “onderlinge onafhankelijkheid van Kerk en Staat” of hebben het over een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding” ZieDE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar (cf. infra).
[25] Ook buiten het Nationaal Congres was er onvrede. Laurent, Gents professor staatsrecht en liberaal, verdedigde de stelling dat alle macht bij de staat moet berusten. (BAERT, G., “Prof. François Laurent een eeuw later (1810-1887-1987)”, T.P.R. 1990, 87.) In Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique behandelt Laurent de verhouding tussen Kerk en Staat. Laurent ziet in de ideeën van Van Espen over het appel du comme d’abus en de vergelijkbare rechtsfiguur van de recursus ad principem zijn thesis bevestigd over de soevereine macht van de Staat: de Staat mag niet dulden dat een andere macht wetten uitvaardigd, zelfs al zijn die slechts in geweten bindend. Hij vindt het betreurenswaardig dat het Nationaal Congres de (bijzondere) scheiding tussen Kerk en Staat heeft aanvaard, want daardoor heeft de Staat alle macht over de Kerk verloren. (LAURENT, F., Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique, Brussel,Lacroix en Van Meenen, 1860, 248 p.) Zie VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus”, Pro Memorie 1999, 100-114 voor de werkelijke opvattingen van Van Espen; zie Pand. b., vis Abus (Appel comme d’), Appel comme d’abus voor een onderzoek naar het voortbestaan van deze rechtsfiguur in het Belgische constitutionele recht. Voor een zoektocht naar sporen van de Recursus ad principem in de hedendaagse verhouding tussen Kerk en Staat, zie VAN STIPHOUT, M., “Legal Continuity and Discontinuity in the Low Countries in Search of a “Recursus ad principem” in Ecclesiastical Cases in the 1990s”, in COOMAN, G., VAN STIPHOUT, M. en WAUTERS, B., Zeger-Bernard Van Espen at the Corssroads of Canon Law, History, Theology and Church-State Relations – Separando certa ab incertis conciliare et explicare, Leuven, Peeters, 2003, XVIII en 498 p, waarin de arresten van het Hof van Cassatie van 20 oktober 1994 en 3 juni 1999 besproken worden, waarna de auteur vaststelt dat de vragen die rezen in het licht van Recursus ad principem in België nog steeds aan de orde zijn en aan de seculiere rechter gesteld worden (cf. infra,).
[26] Zie bijvoorbeeld Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[27] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 42-43.
[28]ALEN, A., Compendium van het Belgisch staatsrecht, I, Diegem, Kluwer, 2000, 54-55.
[29] Denk bijvoorbeeld aan het maatschappelijke debat over de gelijkheid tussen man en vrouw, euthanasie, de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, enz.
[30] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 45-47.
[31] Zie bijvoorbeeld THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 60-63 enDE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 179-219.
[32] ORBAN, O., Le droit constitutionnel de la Belgique, III, Libertés constitutionnelles et principes de législation, Luik, Dessain, 1911, 590-593.
[33] DE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 217.
[34] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 51.
[35] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 21-29 en TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium. Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 87-96.(cf. infra)
[36] THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 363.
[37] GIRON, A., Le droit public de la Belgique, Brussel, Manceaux, 1884, 496.
[38] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 61.
[39] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[40] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128.
[41] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[42] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 60-61.
[43] MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 45-46.
[44] Ibid., 43.
[45] Ibid., 46-47.
[46] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128 en MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 43
[47] cf. supra
[48] Een historisch voorbeeld kan men terugvinden in VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus’, Pro Memorie 1999, 100-102. Zie ook voetnoot 26.
[49] VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 95 en VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 50.
[50]Zie de indirecte controle van de canoniekrechterlijke procedure door het EHRMin het arrest Pellegrini/Italië (n° 30882/96) van juli 2001. In dit arrest wordt Italië door het EHRM veroordeeld wegens schending van art. 6 §1 EVRM omdat de Italiaanse rechtbanken exequatur verleend hadden aan een arrest van de Romeinse Rota– een gevolg van het Concordaat – , zonder zich er van te vergewissen of het recht op een eerlijk proces tijdens de canoniekrechterlijke procedure was nageleefd.
[51] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 22 en de verwijzingen naar rechterlijke uitspraken in voetnoot 4.
[52] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55.
[53] Luik 5 juni 1967, Jur. Liège 1967-68, 138 en MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 23.
[54] Cass. 25 september 1975, Pas. 1975, I, 111.
[55] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55-56.
[56] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 88.
[57] Zie VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 96 en LEMMENS, P., “De Kerkelijke overheid in de greep van de wereldlijke rechter”, in WARNINK, H. (ed.), Rechtsbescherming in de kerk, Leuven, Peeters, 1991, 80, die verwijst naar het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
[58]Bergen, 7 januari 1993, T.S.R. 1993, 69.
[59]TORFS, R., “De verhouding tussen Kerk en Staat op nieuwe wegen?”, (noot onder Bergen 7 januari 1993), T.S.R. 1993, 72-79 enVUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 56.
[60] Cass. 20 oktober 1994, Arr.Cass. 1994, 861.
[61]Volgens dit maxime zou de bevoegde kerkelijke overheid bij het nemen van de beslissing de intern voorgeschreven regels moeten respecteren.
[62] Eigen cursivering.
[63] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 90.
[64] Cass. 3 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 330 en MARTENS, K., “Het Hof van Cassatie en de interpretatie van artikel 21 G.W.: de verhouding tussen Kerk en Staat dan toch niet op nieuwe wegen?”, C.D.P.K. 2000, 215-218.
[65] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 92-96 en de verwijzingen aldaar. Zie ook de verwijzingen bij MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 29, voetnoot 4.
[66] Opmerkelijk is hoe Procureur-general du Jardin verwijst naar Torfs (TORFS, R., “Religieuze gemeenschappen en interne autonomie. Fluwelen evolutie?”, in UFSIA (ed.), Jaarboek Mensenrechten 1998- 2000, Antwerpen, Maklu, 2002, 256-264), maar terwijl deze een gematigde tussenpositie inneemt, interpreteert du Jardin hem als een voorstander van de kwaliteitscontrole (DU JARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003 – Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, http://www.juridat.be/cass/cass_nl/p1.php, 23 maart 2003, Online, 57-58).
[67] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34 en de verwijzingen in voetnoot 106.
[68] Pand. b., v° Autorités ecclésiastiques, nr. 2.
[69] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar.
[70] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502.
[71] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 53, vn. 1.
[72] Waarbij neutraliteit als doel heeft elke religieus of metafysisch element te weren uit de publieke orde. ZieMEERSCHAUT, K. en VANSWEEVELT, N., “De hoofddoek opnieuw uit de kast: godsdienstvrijheid op school in een democratische rechtsstaat”, in INTERUNIVERSITAIR CENTRUM MENSENRECHTEN, Mensenrechten Jaarboek 1998/2000, Antwerpen, Maklu, 2000, 66.
[73] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302. Contra BASDEVANT-GAUDEMET, B., “State and Church in France ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 122
[74] Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de wet van 9 december 1905 niet meer pertinent is. Nog in 1995 heeft men in de Assemblée Nationale een colloquium georganiseerd met als thema: “Faut-il modifier la loi de 1905?”.VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1088.
[75] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, Revue du droit public et de la science politique, 1997, 1309 en de verwijzingen in voetnoot 29. Al verwijst men in de voorbereiding van de huidige grondwet niet naar de wet van 9 december 1905.
[76] De Franse overheid en Pius VII sloten op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) een concordaat, Convention entre le Pape et le gouvernement français. Het Concordaat werd samen met de Articles organiques de la convention du 26 messidor an IX – waartegen Pius VII zich hevig verzette – afgekondigd op 18 Germinal An X (8 april 1802). DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 28-30 en DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 478-479. Zie Pand. b., vis Articles organiques en Concordat, waarin onderzocht wordt in welke mate beide teksten nog gelding hebben in het Belgische constitutionele bestel.
[77] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 495.
[78] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 496-497.
[79] CAPERAN, L., Histoire contemporaine de la laïcité française – La crise dus seize mai et la revanche républicaine, Parijs, Librairie Marcel Rivière et Cie, 1957, IX-XII en 30-36.
[80] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 78.
[81] Ibid., 55-61.
[82] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502-527.
[83] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 62-63.
[84] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 121.
[85] MORANGE, J., “Le régime constitutionnel des cultes en France”, in EUROPEAN CONSORTIUM FOR CHURCH AND STATE RESEARCH (ed.), Le statut constitutionnel des cultes dan les pays de l’union européenne, Parijs, Litec, 1995, 123.
[86] Na de loi constitutionnelle n° 95-880 van 4 augustus 1995, die ervoor zorgde dat het huidige art. 1 bestaat uit de eerste alinea van het oude art. 2, terwijl de andere bepalingen van het oude art. 2 nog steeds deel uitmaken van het huidige art. 2. Deze louter tekstuele verschuiving laat toe om de kenmerken van de Franse Republiek beter te benadrukken. Zie KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP1997, 1309.
[87] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 53-62.
[88] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 65. Zie ook KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302 en 1315.
[89] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1092.
[90] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1312.
[91] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 75.
[92] Ibid., 19.
[93] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1091-1092.
[94] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 55-56.
[95] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 140.
[96] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 29-32.
[97] Ibid., 45.
[98] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 19 en de rechtsvergelijkende bespreking in Deel III.
[99] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen” – Citoyenneté et Démocratie, p 6.
[100] TORFS, R., “State and Church in Belgium ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 18.
[101] DE GROOF, J., “De bescherming van ideologische en filosofische strekkingen. Een inleiding”, in ALEN, A en SUETENS, L. (ed.), Zeven knelpunten na zeven jaar Staatshervorming, Brussel, Story-Scientia, 1988, 312.
[102] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 144-196.
[103] Idem., 385-386.
[104]Bijvoorbeeld het concordaat met Slowakije; http://www.kerknet.be, 19 december 2000.
[105] http://www.kerknet.be, 12 februari 2003.
[106] “L’organe représentatif par lequel agit l’Eglise Catholique” MINNERATH, R., L’Eglise et les Etats concordataires (1846-1981) – la souveraineté spirituelle, Parijs, Cerf, 1983, 78.
[107] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 23.
[108] Ibid., 23.
[109] DURAND, J.-P., “Echos français en droit civil ecclésiastique pour l’année universitaire 2000-2001, European Journal for Church and State Research 2001, 133.
[110] Eigen cursivering.
[111]BOSSUYT, M. en WOUTERS, J., Grondlijnen van internationaal recht, Leuven, Instituut voor Internationaal Recht – KULeuven, 2004, 57.
[112] KOCK, H.R., Rechtliche und politische Aspekte von Konkordaten, Berlijn, Duncker &Humblot, 1983, 23.
[113] Idem., 24-30 en MIGLIORE, C., “Ways and Means of the International Activity of the Holy See”, in FACULTEIT KERKELIJK RECHT – KULEUVEN (ed.), Church and State, Changing Paradigms – Monsignor W. Onclin Chair 1999, Leuven, Peeters, 1999, 32-36.
[114] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 109.
[115] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 376-378 en DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32.
[116]Advies 4 januari 1962, Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 296/1.
[117] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32 en de voorbeelden in vn. 103.
[118]Zoals bijvoorbeeld in Italië gebeurd bij de financiering van religieuze organisaties; TORFS, R., “Should Churches Be Subsidized? Different Models. Some Perspectives”, in X (ed.), The Role of the Churches in the Renewing Societies. Lectures and Documents. Budapest Symposium, March 3-5-1997 , St. Alban’s, International Religious Liberty Association, 1998, 48.
documentaire uit 2003 van Peter Bate over wreedheden Leopold II in Congo (EIC) op Canvas-VRT
Edited: 200404011462
Historische documentaires ingeleid door Catherine Van Eylen. Met 'Blanke koning, rood rubber, zwarte dood' brengt Histories op 1 en 8 april een documentaire die het hallucinante verhaal vertelt van de uitbuiting van Kongo door koning Leopold II en van het schrikbewind dat er in naam van de Westerse beschaving in het 'Donker Hart van Afrika' werd gevoerd

Vandaag: "Blanke koning, rood rubber, zwarte dood, deel 1"

In de ban van wat ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley hem vertelt, roept Leopold II de christelijke wereld op een einde te maken aan het kannibalisme en de slavenhandel in het Hart van Afrika. Onder het mom van ontwikkelingshulp en missionering maakt Leopold van Kongo binnen de kortste keren een gigantische investeringsmaatschappij waarvan hij zich alle aandelen toe-ëigent. Hij creëert een vrijstaat en krijgt de grote mogendheden zover dat zij de staat erkennen met hemzelf als superviserend zaakwaarnemer. Maar algauw komen er verhalen over uitbuiting en mishandeling van de plaatselijke bevolking. De verhalen zijn verschrikkelijk, de internationale verontwaardiging enorm. Hooghartig laat Leopold de storm van kritiek over zich heengaan. Pas als de vraag naar Kongolees rubber enigszins luwt en internationale commissies te nieuwsgierig enquêteren over de gang van zaken in zijn Afrikaanse privé-domein besluit hij Kongo te laten annexeren door België. Het wordt de zaak van zijn leven. De koning beurt 50 miljoen goudfrank schadevergoeding en nog eens vijftig miljoen voor de overname.

Blanke koning, rood rubber, zwarte dood. Deel 1 - uitzending 1 april 2004

Met "Blanke koning, rood rubber, zwarte dood" brengt Histories een documentaire in twee afleveringen die op basis van reconstructies en archiefmateriaal het hallucinante verhaal vertellen van het schrikbewind dat er naam van de Westerse beschaving in Congo Vrijstaat, het privé-bezit van de Belgische koning Leopold II, werd gevoerd.

In de ban van de verhalen van ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, roept Leopold II de christelijke wereld op een einde te maken aan het kannibalisme en de slavenhandel in Afrika. Hij weet de naties ertoe te bewegen lid te worden van een filantropische organisatie waarvan hij de voorzitter is en die tot doel heeft de Kongolezen te beschaven en te bevrijden.

Er moeten missionarissen en onderwijzers naar Congo worden gestuurd, troepen om de Arabische slavendrijvers te bestrijden en balen katoen om de zwarten aan te kleden. De Duitse kanselier Bismarck doet het initiatief meteen af als "pure zwendel". Binnen de kortste keren maakt Leopold van Congo een gigantische investeringsmaatschappij waarvan hij zich alle aandelen toeeigent. Hij krijgt de grote mogendheden zover dat zij de staat erkennen met hemzelf als superviserend zaakwaarnemer. Tussen 1896 en 1906 houdt hij aan zijn Afrikaanse privé-bezit een fabelachtig vermogen over. "Een sjacheraar in ivoor en rubber," noemt de Duitse keizer Wilhelm II hem. De Amerikaanse schrijver Mark Twain vergelijkt de Belgische koning met Atilla de Hun, Ghengis Khan, Torquemada en Ivan de Verschrikkelijke.

Missionarissen geven het eerste alarmsignaal. De Britse consul en spion Roger Casement zorgt voor internationale opschudding met gruwelverhalen over gefolterde of doodgeslagen slaven, verkrachte vrouwen, armpjes van afgehakte armen, baby's die voor de krokodillen worden gegooid en overbodige oudjes die samen met de Kongolese dorpen in brand worden gestoken. Vooral de Britten, die zich verbijten omdat zij de goudmijn Kongo aan hun neus hebben laten voorbijgaan, uiten hun afschuw.

"Laten we niet proberen alle misdaden van Leopold op te sommen. De lijst is eindeloos," schrijft Edward Morel, voorzitter van de Kongo Reform Association in de West African Mail. "De gevreesde schaduw van de koning ligt over zijn Vrije Congostaat. Het is een reusachtig knekelveld. Het is een onvoorstelbare gedachte dat dit het werk is van één man: Leopold II. Zijn macht is absoluut. Hij had de misdaden kunnen verhinderen, alleen door ze te verbieden. Hij had er vandaag een eind aan kunnen maken door één woord te spreken. Hij vertikte het. Omwille van het geld."

http://www.canvas.be (20040401)
Elektronische aangifte personenbelasting vanaf 22 mei 2003
Edited: 200305221789
De particuliere belastingplichtigen kunnen dit jaar voor het eerst de aangifte in de personenbelasting elektronisch indienen. Het koninklijk besluit van 27 maart, dat dit mogelijk maakt, verscheen zopas in het Staatsblad en treedt op 22 mei in werking. Zelfstandigen, bedrijfsleiders en vrije beroepen die ook het tweede deel van de aangifte moeten invullen, komen niet in aanmerking. De belastingaangifte moet ingediend zijn op 31 juli.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1944-1949
Edited: 200300194401
De regeringen
Hubert PIERLOT (26/09/1944 - 7/02/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER I (12/02/1945 - 2/08/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER II (2/08/1945 - 9/01/1946) SOC-LIB-COM-UDB
Paul-Henri SPAAK I (13/03/1946 - 19/03/1946) SOC
Achille VAN ACKER III (31/03/1946 - 9/07/1946) SOC-LIB-COM
Camille HUYSMANS (3/08/1946 - 12/03/1947) SOC-LIB-COM
Paul-Henri SPAAK II (20/03/1947 - 19/11/1948) PSB/BSP-PSC/CVP
Paul-Henri SPAAK III (27/11/1948 - 27/06/1949) PSB/BSP-PSC/CVP
Gaston EYSKENS I (11/08/1949 - 6/06/1950) CVP/PSC-LIB

De verkiezingen
17 februari 1946
26 juni 1949 mét kiesplicht voor vrouwen

Het oorlogskabinet Pierlot wordt, onder druk van het (vooral linkse) straatgeweld, uitgebreid met de communisten, die zich vanaf 1945 bekeerden tot het unitarisme onder Franstalig gezag. In zes jaar tijd ziet België 9 regeringen opstaan en vallen. De eerste bewindsploegen regeren zonder een mandaat van de kiezer. Daarmee wordt gewacht tot de verkiezingen van 17 februari 1946. De repressiejaren na tweede wereldoorlog zijn de schandelijkste uit onze geschiedenis. Wraak en haat, persoonlijke afrekeningen, moord en daden, opdoemend uit de laagste instinkten van de mens, kunnen gedijen in een klimaat van rechteloosheid. Het gepeupel en de 'verzetsstrijders' van het laatste uur regeren op straat en in de rechtszalen. De overheid kan, durft of wil deze wantoestanden niet onder controle brengen. Een oorlog roeit nooit het kwaad uit waartegen hij wordt gevoerd.
Er worden executies van collaborateurs verricht tussen november 1944 en 4 juni 1949.
De periode kunnen we er een noemen van anarchie en dubieuze rechtspraak. Het justitiedepartement is een heet hangijzer en wisselt veelvuldig van titularis.
In 1948 publiceerde Gerard Walschap zijn moedig 'Zwart en Wit' en dat zorgt voor heel wat herrie, ook bij Nederlandse critici. De noordelijke verontwaardiging culmineert in een artikel van Johan Van der Woude in Vrij Nederland dat Walschap een medeplichtige noemt, zijn boek een verheerlijking van de karakterloosheid en onfatsoen. Walschap is geen ogenblik bij de pakken blijven zitten en heeft zich verdedigd in een agressief ingezonden stuk aan voornoemd weekblad, waarin hij Van der Woude bestempelt als behorende tot "de blaaskaken die zich door het constateren van de evidente, menselijke realiteit beledigd en te kort gedaan achten. Het is uit dat hoovaardig slijk van de straat, vervolgt Walschap, dat jodenvervolgers, inquisiteurs, ketterjagers, onderzoekers van andermans geweten, met één woord al de ongure typen van de onverdraagzaamheid en het fanatisme zijn samengeraapt." (geciteerd in Omtrent, tijdschrift van het Gerard Walschap Genootschap, november 2005, nr 12).
De koningskwestie leidt naar een pré-revolutionaire fase. Tegen de mogelijke terugkeer van Leopold III wordt vanaf medio 1945 een persoffensief gelanceerd door zowat alle kranten, uitgezonderd de Vlaams-katholieke. De hetze is niet zozeer tegen de monarchie, dan wel tegen de figuur van Leopold gericht. Hierbij worden over en weer taktieken gebruikt die weinig met journalistiek maar alles met propaganda te maken hebben. Dit mag in feite geen verwondering wekken: tijdens de oorlogsjaren heeft men in pers- en omroepmiddens geen andere weg bewandeld dan die van de propaganda. Het vijand-denken en het ongenuanceerd culpabiliseren van de tegenpartij overheerst nog steeds in de pers, die sterk partijpolitiek gebonden is. De radio-omroep fungeert als een verlengstuk van de uitvoerende macht.
De macht van de partijpolitiek wordt in deze periode volledig gerestaureerd en naar onze mening is dat de drijvende kracht achter de gehele koningskwestie. Niet de ruzie tussen ministers en de koning omtrent de capitulatie in mei 1940, niet zijn achterblijven in België, niet diens contact met Hitler, niet zijn huwelijk met Liliane Baels ... Dat zijn slechts de drogredenen waarmee men de publieke opinie kon bewerken. Het werkelijke gevaar ligt in het zogenaamde Politieke Testament van Leopold III, een document dat hij begin 1944 had opgesteld. Het bekend raken van de inhoud ervan was dynamiet en zou zeker een oncontroleerbare kettingreactie teweeg brengen waarbij de particratie en de Franstalige bourgeoisie aan het kortste eind zouden trekken. Alhoewel het Politiek Testament reeds op 9 september 1944 aan premier Pierlot en aan Spaak werd overhandigd, zal de integrale tekst pas vijf jaar later, in 1949, bekend raken. Tegen die tijd was de positie van de drie traditionele politieke partijen stevig geconsolideerd. Het voortdurend streven van de drie grote partijen naar consolidatie van de macht is trouwens een constante in de Belgische politiek. De overlevingskansen van partijpolitieke initiatieven buiten het kader van de grote drie zijn dan ook minimaal of onbestaand.
Maar waarover handelde dan dat zgn. politieke testament ? Waarin schuilde het gevaar?
Het is wellicht niet overbodig de integrale tekst hier in herinnering te brengen. Het mag immers verwondering wekken dat gerenommeerde historici, zoals bvb. Velaers en Van Goethem, die in 1994 een boek van 1.152 bladzijden wijdden aan de koningskwestie, nalaten de lezer zelf te laten oordelen over een van de belangwekkendste teksten uit de Belgische geschiedenis.
TESSENS Lucas
OLIE en het MIDDEN-OOSTEN - enkele feiten op een rij
Edited: 200300000901
bron: databases MERS
Startdatum Einddatum Gebeurtenis
1878 °Shell Transport and Trading Company
1879 °Pacific Coast Oil Company
1889 °Standard Oil Trust (Rockefeller)
16 Jun 1890 °Royal Dutch (KNPM) - Deterding e.a.
1897 1ste Zionistencongres: idee terugkeer Joden naar Palestina
1901 °BP
1901 °Joods Nationaal Fonds (koopt grond in Palestina)
1902 °The Texas Company (Texaco)
1907 Fusie Shell en KNPM
1911 Standard Oil Trust ontbonden in 34 bedrijven
1914 Palestina kiest zijde van Duitsland in WO I
1916 Palestijnse opstand tegen Turkije
02 Nov 1917 Balfour-declaration
09 Dec 1917 Jeruzalem door GBR veroverd op TUR
1923 GBR krijgt van Volkenbond mandaat over Palestina
1924 °Compagnie Française des Pétroles
1936 400.000 Joodse inwoners in Palestina
1936 Hagana = Joodse strijdgroep
1939 Brits voorstel om Palestina onafh. te maken
1941 Arabieren krijgen steun toegezegd van Anthony Eden
10 Apr 1941 opstand tegen Britten in Irak
1945 Hagana pleegt aanslagen op Brits leger
Mar 1945 Handvest van de Arabische Liga
22 Mar 1945 °Arabische Liga
22 May 1945 opstand in Syrië
29 May 1945 FRA bombardeert Damascus
31 May 1945 Brits ultimatum: staakt-het-vuren in Syrië
22 Mar 1946 Libanon: Franse troepen weg
17 Apr 1946 onafh. Syrië (FRA)
17 Apr 1946 Syrië: Franse en Britse troepen weg
14 Feb 1947 GB legt Palestijnse probleem voor aan UNO
Jun 1947 Joden: Exodus gepraaid door GBR
29 Nov 1947 UNO stelt opdeling Palestina voor
17 Dec 1947 7 Arabische landen tegen Joodse staat
14 May 1948 Israël tot staat uitgeroepen
15 May 1948 Arabische landen dringen Palestina binnen
15 May 1948 Einde mandaat GBR over Palestina
17 May 1948 Israël: erkend door USA en USSR
Sep 1948 +graaf Bernadotte (vermoord)
16 Oct 1948 Israël: Negev-offensief
29 Oct 1948 31 Oct 1948 Israël: Galileï-offensief
11 May 1949 Israël lid UNO
15 Mar 1951 Iran: nationalisatie olie
1953 Egypte wordt republiek onder Naguib
09 Mar 1954 °internat. consortium Iraanse olie
04 Jan 1955 Eg: Suez verboden voor Isr. schepen
24 Feb 1955 pact van Bagdad: mil. bijstand Irak-Turkije
26 Jul 1956 29 Apr 1957 Egypte: Suez-crisis
29 Oct 1956 22 Jan 1957 oorlog Israël-Egypte
08 Mar 1957 UNO in Gaza
01 Feb 1958 VAR = Egypte+Syrië
14 Feb 1958 Unie Irak-Jordanië
08 Mar 1958 Yemen bij VAR
29 Apr 1958 Nasser in Moskou
15 Jul 1958 26 Oct 1958 US-troepen in Libanon
23 Sep 1958 Eg: USSR-lening voor Assoean-dam
14 Sep 1960 oprichting OPEC
14 Sep 1960 °OPEC
08 Feb 1963 Irak: coup Aref
03 Mar 1967 betogingen tegen Engelsen in Aden (nu Yemen)
05 Jun 1967 Suez-kanaal gesloten
05 Jun 1967 11 Jun 1967 Israël: 6-daagse oorlog
08 Jun 1967 USS Liberty aangevallen door Israëli's (CIA/Mossad-operatie?)
24 Jun 1967 Johnson en Kosygin praten over vrede in MO
14 Sep 1967 +opperbevelhebber Egyptisch leger pleegt zelfmoord
13 Jan 1968 olietank Pakhoed in Rotterdam ontploft
20 Jan 1968 brand olieraff. Shell in Pernis
26 Mar 1968 Hypermoderne olieraffinaderij Mobil Oil geopend
23 Jul 1968 kaping ISR-vliegtuig
09 Nov 1968 Jemenieten aangehouden: planden aanslag op Nixon
13 Dec 1968 brand tanker aan raff. Mobil Oil raff. A'dam
1970 olieplatfom in Noordzee opgericht
04 Jul 1970 Libië: nationalisering oliemaatschappijen
28 Sep 1970 +pres. Nasser
13 Nov 1970 Syrië: Assad grijpt macht
12 Dec 1970 OPEC eist wereldmarkt voor olie
14 Feb 1971 akkoord van Teheran: verhoging olieprijzen
24 Feb 1971 Algerije: naasting Franse oliemaatschappijen
27 May 1971 15 Mar 1976 vriendschapsverdrag USSR-Egypte
Dec 1971 Britten weg uit 7 Golfstaatjes
1972 °Exxon
1972 °Statoil
05 Jun 1972 06 Jun 1972 aanslag Palestijen OS München
18 Jul 1972 Egypte: USSR-raadgevers buiten gezet
27 Sep 1972 warenhuis in Parijs in brand: waarschijnlijk aanslag Palestijnen
21 Feb 1973 Israël schiet Libisch passagiersvliegtuig neer
02 Jun 1973 OPEC verhoogt olieprijs met 12%
06 Oct 1973 Yom Kippoer oorlog
06 Oct 1973 24 Oct 1973 Jom Kippoer oorlog
12 Oct 1973 tegenoffensief Israël tegen Syrië
14 Oct 1973 Egypte rukt verder op in Israël
16 Oct 1973 Israëli's op Egyptisch grondgebied
17 Oct 1973 olie-embargo aangekondigd
17 Oct 1973 OPEC kondigt olie-boycot aan in The Times
22 Oct 1973 VN-resolutie 338: staak Yom Kippoer oorlog
04 Nov 1973 beslissing OPEC: olieproductie -25%
22 Dec 1973 OPEC verdubbelt olieprijs
13 Nov 1974 Arafat voor UNO
1975 alcohol surrogaat voor benzine
1975 olieministers gekidnapped
06 Jun 1975 Israël valt Libanon aan
15 Nov 1975 °Internationaal Energie Agentschap
1976 °ELF
23 Jan 1976 Sybetra levert fabrieken aan Irak
12 Mar 1976 Saoudi-Arabia: oliemaatschappij Aramco genationaliseerd
15 Mar 1976 Egypte zegt verdrag met USSR op
19 Nov 1977 vredesmissie Sadat naar Israël
15 Mar 1978 12 Jun 1978 Israël bezet Zuid-Libanon
05 Sep 1978 17 Sep 1978 Camp David akkoord Israël-Egypte
1979 2de oliecrisis
1979 olieveld nabij Canada ontdekt
26 Mar 1979 vredesverdrag Israël-Egypte
17 Sep 1979 regering laat aankoop grond toe in bezet gebied
30 Jul 1980 Jeruzalem hoofdstad Israël
07 Oct 1980 vriendschapsverdrag USSR-Syrië
15 Sep 1981 Egypte: USSR-ambassadeur buitengezet
06 Oct 1981 +Sadat vermoord
14 Dec 1981 Israël annexeert Golan
20 Mar 1982 OPEC: beperking olieproductie
25 Apr 1982 Sinaï teruggegeven aan Egypte
06 Jun 1982 Israël bezet Libanon
12 Jun 1982 wapenstilstand in Libanon
15 Aug 1982 blokkade Irak op olie-eiland Kharg
19 Aug 1982 Libanon vraagt internationale troepenmacht
21 Aug 1982 Internationale troepenmacht in Libanon
23 Aug 1982 14 Sep 1982 Libanon: Bechir Gemayel president
30 Aug 1982 Arafat verdreven uit Libanon
14 Sep 1982 Libanon: Bechir Gemayel vermoord
18 Sep 1982 Sabra en Chatila: Palestijnen vermoord door falangisten
21 Sep 1982 Libanon: Amine Gemayel president
20 Dec 1983 Libanon: 4.000 Palestijnen vertrekken
26 Apr 1984 Irak valt olietankers aan bij Kharg
31 Oct 1984 OPEC beslist oliereductie
15 Aug 1985 Irak bombardeert olie-eiland Kharg
1986 °Repsol
Aug 1986 olieprijs zeer laag: 9$/baril
15 Nov 1988 PLO erkent Israël
13 Dec 1988 Arafat lanceert vredesvoorstel voor UNO
02 Aug 1990 Irak valt Koeweit binnen
24 Sep 1990 olieprijs > 40$/baril
15 Jan 1991 ultimatum tegen Irak verstrijkt
17 Jan 1991 luchtoffensief USA tegen Irak
27 Feb 1991 Kuwait ingenomen door USA
08 Apr 1992 Arafat vermist
04 Oct 1992 El Al boeing op Bijlmer
31 Aug 1993 akkoord Palestijnen-Israël
09 Oct 1994 aanslagen Hamas
04 Nov 1995 +Rabin vermoord
18 Jun 1996 Netanyahou (Likoed) premier
1997 Repsol geprivatiseerd
1997 Repsol neemt Argentijns YPF over
17 Nov 1997 69 dood in Egypte
17 Nov 1997 aanslag op toeristen (67 doden)
14 Jan 1998 crisis over wapeninspecties
Dec 1998 Total koopt Petrofina
17 May 1999 Barak wint verkiezingen
17 Dec 1999 operatie Desert Fox
2000 TotalFina fuseert met Elf
May 2000 Israël trekt zich terug uit Zuid-Libanon
28 Dec 2000 Sharon bezoekt Tempelberg
06 Feb 2001 Israël: premier Sharon
18 Jun 2001 Palestijnen klagen Sharon aan voor Belgisch gerecht
19 Sep 2001 mil. interventie in Afganistan
28 Sep 2001 Israël: nieuwe intifada
13 Nov 2001 Afgan: noordelijke Alliantie neemt Kaboel in
02 Dec 2001 Israël: Arafat ingesloten
26 Jun 2002 Sharon niet vervolgbaar volgens Kamer van IBS (genocidewet)
31 Dec 2002 Exxon Mobil boekt meer winst in 4de kw 2002
28 Jan 2003 verkiezingen: Sharon wint
31 Jan 2003 stakingen doven uit
Feb 2003 onenigheid binnen NAVO over oorlog tegen Irak
10 Feb 2003 Van Miert: Europese vazalstaten van USA
15 Feb 2003 hoofdsteden Europa: grote vredesbetogingen
18 Feb 2003 oorlog Irak begint optimaal op 3 maart
18 Feb 2003 Turkije vindt 6 miljard € te weinig voor medewerking aan oorlog tegen Irak
19 Feb 2003 burgemeester Tel Aviv wil Antwerpse diamantairs lokken
19 Feb 2003 documentaire USS Liberty op NED3
20 Feb 2003 TotalFinaElf wordt Total
21 Feb 2003 olieraffinaderij Exxon in NY ontploft
27 Feb 2003 OIC wil olie als wapen inzetten
28 Feb 2003 prijs olie op 39,99 $ per vat
Mar 2003 Abbas (PLO) voorgedragen als premier
07 Mar 2003 Bush wil Irak ook aanvallen zonder steun VN
11 Mar 2003 FRA en RUS willen veto gebruiken tegen oorlog in Irak
18 Mar 2003 Blair onder vuur wegens IRQ
18 Mar 2003 opiniepeiling in USA: 80% achter oorlog Bush
18 Mar 2003 RUS, DEU en FRA blijven tegen oorlog IRQ
18 Mar 2003 ultimatum Bush: Saddam binnen 48 u weg
18 Mar 2003 wapentransporten USA via A'pen mogen doorgaan
KB van 21 april 1999: staatsbossen en -wouden (47 in aantal) bij KB overgedragen aan Waalse Gewest
Edited: 199904211486
21 APRIL 1999
Koninklijk besluit tot vaststelling van de lijst van Staatsbossen en -wouden overgedragen naar het Waalse Gewest
ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 3 en 39 van de Grondwet;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988;

Gelet op de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, inzonderheid op artikel 57;

Gelet op het eensluidend advies van de Waalse Regering gegeven op 3 december 1998;

Op de voordracht van Onze Eerste Minister, van Onze Minister van Landbouw, van Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. § 1. De eigendom van de Staatsbossen en -wouden op hiernavolgende lijst, werd overgedragen aan het Waalse Gewest, krachtens artikel 57 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten :

1° « Bois de Beloeil » gelegen te Beloeil;

2° « Bois Brûlé » gelegen te Bergen;

3° « Bois d'Enghien » gelegen te Edingen en Opzullik;

4° « Bois de Hainin » gelegen te Hensies en Saint-Ghislain;

5° « Bois de Flobecq » gelegen te Vloesberg;

6° « Bois de Rapois » gelegen te Bergen;

7° « Bois de Silly » gelegen te Opzullik;

8° « Bois de Stambruges » gelegen te Saint-Ghislain en Beloeil;

9° « Bois de Mariemont » gelegen te Morlanwelz;

10° « Bois de Rance » gelegen te Sivry-Rance;

11° « Bois de Charbonnière » gelegen te Fontaine-l'Evêque;

12° « Bois des Loges » gelegen te Lobbes;

13° « Bois de Lambusart » gelegen te Fleurus;

14° Staatswoud van « Tournibus » gelegen te Mettet;

15° « Gros Bois Sevry et Longues Virées » gelegen te Beauraing;

16° Staatsreservaat van de « Fonds des Nues » gelegen te Eghezée;

17° Bosje « Les Halleux » gelegen te Ciney en Rochefort;

18° « Bois du Roy » gelegen te Beauraing;

19° Staatswoud van « Franche Forêt d'Oignies » gelegen te Viroinval

20° Staatswoud van « Minières-Morialmé » gelegen te Florennes en Walcourt;

21° « Bois Saint-Lambert » gelegen te Nandrin;

22° « Bois des Hautes Fagnes » gelegen te Malmedy en Waimes;

23° Natuurreservaat van de « Hoge Venen » gelegen te Malmedy en Waimes;

24° « Bois de Nomont » gelegen te Esneux;

25° « Bois Gospinal » gelegen te Jalhay;

26° « Bois de la Hoegne » gelegen te Jalhay;

27° « Bois des Hauts Sarts » gelegen te Malmedy;

28° Woud van « Huyer » gelegen te Malmedy;

29° « Bois de Clermont » gelegen te Engis;

30° « Bois de Spa-Nord » gelegen te Spa;

31° « Bois de Spa-Sud » gelegen te Spa;

32° Bos van « Honien » gelegen te Raeren;

33° Bos van de « Vallée de la Lienne » gelegen te Lierneux;

34° « Bois d'Anlier » gelegen te Martelange, Léglise, Habay en Fauvillers;

35° « Bois Brûlé » en « Bois du Chêne » gelegen te Léglise;

36° « Bois de Louftémont » gelegen te Léglise;

37° « Bois de Mellier » gelegen te Léglise;

38° Bos van het « Plateau des Tailles » gelegen te Gouvy en Vielsalm;

39° « Bois de Achouffe » gelegen te Houffalize;

40° « Grand Bois » gelegen te Vielsalm;

41° « Bois de Herbeumont » gelegen te Herbeumont;

42° Bos van « Thier des Carrières » gelegen te Vielsalm;

43° « Bois de Rulles » gelegen te Habay;

44° Bos van « Gros Thier » gelegen te Manhay en Erezée;

45° Bos van de « Vallée de la Nothomb » gelegen te Attert;

46° « Bois d'Arrentement » gelegen te Meix-devant-Virton;

47° « Bois de Faascht » gelegen te Attert.

§ 2. De lijst, met de omvang van het overgedragen eigendomsrecht van de Staat naar het Waalse Gewest, de kadastrale aanduidigen en de oppervlakte van de in § 1 vermelde goederen, wordt door de Minister van Financïen vastgesteld.

Een exemplaar van deze lijst wordt bewaard op het « Ministère de la Région wallonne Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement, Division de la Nature et des Forêts, Direction des Affaires générales », en één exemplaar op de Kanselarij van de Eerste Minister.

Art. 2. Onze Eerste Minister, Onze Minister van Landbouw en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 april 1999.

ALBERT

Van Koningswege :

De Eerste Minister,

J.-L. DEHAENE

De Minister van Landbouw,

K. PINXTEN

De Minister van Financiën,

J.-J. VISEUR









begin (#top) Publicatie : 1999-09-17
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne via 0900/10.203 - EINDRESULTATEN
Edited: 199712071515
• 1ste periode = 19971001 tot 19971010, 12.00 u
• 2de periode = 19971010, 12.00 u tot 19971017, 12.00 u
• 3de periode = 19971017, 12.00 u tot 19971024, 12.00 u
• 4de periode = 19971024, 12.00 u tot 19971031, 12.00 u
• 5de periode = 19971031, 12.00 u tot 19971107, 12.00 u
• 6de periode = 19971107, 12.00 u tot 19971114, 12.00 u
• 7de periode = 19971114, 12.00 u tot 19971121, 12.00 u
• 8ste periode = 19971121, 12.00 u tot 19971128, 12.00 u
• 9de periode = 19971128, 12.00 u tot 19971205, 12.00 u


1. Tabel 3 gewesten: globaal overzicht van de aangiften

• Vlaams gewest: 29.095 calls leverden 31.689 aangiften op. Per 100 calls worden er dus gemiddeld 109 aangiften ge¬daan.

• Spreiding van de aangiften voor het Vlaams gewest:
 49,74 % auto¬radio's,
 0,37 % zwart-wit-TV
 49,89 % kleuren¬televisie.

• Gecumuleerde bruto-opbrengst uit Vlaams gewest:
 134 miljoen BEF (gerekend aan de taksbedragen 1997).

• Gecumuleerde bruto-opbrengst uit het Rijk:
 135 miljoen BEF (gerekend aan de taksbedragen 1997).

• Pro memorie: bruto-aangiften - 'waste' = netto-aangiften.

Bemerking: Naast de aangiften via het 0900-nummer zijn er nog de schrif¬telijke aangiften via Aalst, de di¬recte stortingen op het reke¬ningnummer, de aangiften via het loket en die via de web-site. De op¬brengst van de anti-ontduikings¬campagne schatten wij op dit ogenblik (5 dec.) op
233 miljoen B¬EF.

2. Tabel/grafiek: analyse van de 9 periodes (Vlaams gewest).

Vervolgens geven wij een overzicht van de resultaten per periode + het totaal. Teneinde de evolutie te visualiseren werden grafieken gemaakt voor elk van de parameters (aantal calls, duur van de gesprekken in uren, aantal aangegeven autoradio's, aantal op¬gedoken houders van zwart-wit-televisies, aantal opgedoken houders van kleuren¬televisies, aantal verdeelde folders).

De laatste periode was een "uitbolperiode".
Op 5 december om 12.00 uur werd - gegeven het snel teruglopend aantal calls - de mogelijkheid om zich via 0900/10.203 aan te melden afgesloten. Een audio-boodschap verwijst naar de verplichting om zich schriftelijk aan te melden te Aalst.


3. "Opgekuiste" ontduiking van kijkgeld. Gemeentelijke benadering.

Men zal zich herinneren dat wij de STATISTISCH MEETBARE ontduiking van kijkgeld als volgt gedefinieerd hebben:

aantal kabelabonnees MINUS het aantal TV-vergunningen.


• Voor een eerste groep van 38 gemeenten gaf dit een negatief cijfer omdat het aantal TV-vergun¬ningen er groter is dan het aantal kabelabonnees. Toch werden uit deze gemeenten in totaal 739 aangiften van TV's ontvangen.


• Een tweede groep betreft 12 gemeenten uit dewelke meer TV-aangiften werden ontvangen dan het verschil uit de formule (kabelabs. - TV-vergunnin¬gen).

Deze 12 gemeenten zijn:
1. Rijkevorsel (22 TV-aangiften tegen 3 statis¬tisch gemeten ontduikers)
2. Waas¬munster (13 tegen 3)
3. Beernem (26 tegen 8)
4. Hoegaarden (12 tegen 5)
5. Vosselaar (9 tegen 4)
6. Avelgem (15 tegen 6)
7. Meeuwen-Gruitrode (27 tegen 20)
8. Herk-de-Stad (35 tegen 27)
9. Wijnegem (12 tegen 9)
10. Boechout (34 tegen 28).
11. Alveringem (9 tegen 8).
12. Nevele (27 tegen 26)


• In de derde en grootste groep van in totaal 258 gemeenten is de statistisch gemeten ontdui¬king in meerdere of mindere mate "opgekuist".

We geven hier het aantal TV-aangiften (enkel diegene die via het 0900-nummer binnen¬liepen!) weer als een percentage van de statistisch gemeten ontduiking.

Een voor¬beeld maakt dit duidelijk: In Hooglede hadden we 25 ontduikers gemeten en er werden uit die gemeente 25 TV-aangiften ontvangen via het call center; de "opkuis" bedraagt er dus 100%.


Hieronder vindt men de TOP 20:

1. Hooglede 100 procent
2. Houthulst 86 procent
3. Bree 85 procent
4. Zandhoven 83 procent
5. Bierbeek 79 procent
6. Wervik 72 procent
7. Ternat 68 procent
8. Lovendegem 64 procent
9. Wingene 61 procent
10. Berlare 60 procent
11. Kalmthout 60 procent
12. Kruishoutem 58 procent
13. Opglabbeek 51 procent
14. Rotselaar 48 procent
15. Poperinge 46 procent
16. Borgloon 44 procent
17. Galmaarden 42 procent
18. Kortemark 42 procent
19. Kuurne 42 procent
20. Liedekerke 42 procent

Hierbij vindt u ook de ALFABETISCHE LIJST van de 308 gemeenten met de relevante cijfers.

4. Een voorlopige conclusie

 Alhoewel diepgaander onderzoek nodig is om deze stelling te bevestigen, durven we nu toch al stellen dat Vlaanderen na deze campagne afstevent op een Europees record: het laagste percentage qua ontduiking van kijkgeld.
Een diepgaand en nog lopend MERS-onderzoek wijst uit dat Vlaanderen reeds gunstig afstak bij de situatie in het Waalse en het Brusselse gewest. Vooral Brussel is een echt probleemgebied wat ontduiking betreft. Na deze campagne zal de "kloof" tussen de gewesten nog verbreed zijn.

 Dat zulks gerealiseerd wordt met een minumum aan middelen (cfr. het klein aantal contro¬leurs) en dat we - internationaal gezien - toch op een hoog bedrag aan "licence fee" zitten, wat ontduiking "lucratief" maakt, vormt een (te verifiëren) merk¬waardige vast¬stel¬ling.

 De hoge penetratie van de kabel en de wettelijk voorziene matchingsmoge-lijkheid met de abonneelijsten zijn niet te onderschatten troeven omdat zij
de PERCEPTIE van de PAKKANS gunstig beïnvloeden.

 De campagne heeft hierop inhoudelijk ingespeeld en gewild deze perceptie versterkt. De gebruikte mediamix en de gefaseerde overgang van 'nationale' media (BRTN, dag- en weekbladen) naar 'regionale' media (regio-TV) hebben de 'nabijheid' van de pakkans gevoelig verhoogd. De bijkomende redactionele aandacht ('free publicity') heeft een katalysator-effect gehad.

 Ook vanuit media-technisch én sociologisch oogpunt vormen de campag-neresultaten een unicum omdat zelden een zo hoge graad van meetbaar¬heid van de feedback ('response rate') wordt bereikt.








Lucas TESSENS/19971207

LT
campagne kijk- en luistergeld stopt op 19971205
Edited: 199712042015
*FAXBERICHT • FAX MESSAGE

To: Kabinet van de Minister van Financiën, Begroting en Ge¬zond¬heidsbe¬leid¬, ter attentie van dhren
• Dirk DE KEUSTER, Ad¬viseur
• Carl BUYCK, Woordvoerder
Kool¬straat 35, 1000 Brussel
From: Lucas TESSENS, Bestuurder/Research Director MERS
Date: 19971204
Ref: calls Sitel (staafdiagram)
Pages (this one included): 1+1
Tel: 02-227.24.11
Fax: 02-227.24.05



Geachte Heer De Keuster, Beste Dirk,
Geachte Heer Buyck, Beste Carl,



1. Hierbij het overzicht van de live-calls tot donderdagavond 21.00 uur.
Donderdag werden er weerom slechts 134 calls ontvangen.
Cumul (1/10-4/12): 32.762 calls.


2. Aan Sitel is opdracht gegeven om morgen om 12.00 uur klokslag af te sluiten. Over de toelaatbaarheid van het laten beluisteren van het audio-bandje had Sitel ons tegen deze namiddag uitsluitsel beloofd. Wij zijn nog in het ongewisse. Wij nemen morgen zelf contact op met Sitel.
Indien er bez¬waren zouden rijzen vanuit de Ethische Commis¬sie, dan zit er volgens ons niets anders op dan het 0900-nummer uit te doven. In voor¬komend geval lijkt een kort persbericht toch aangewezen.


3. Tegen maandag zullen wij rapporteren over de 9de en laatste periode (analyse aangiften).


Met vriendelijke groet,




Lucas TESSENS
DE MEESTER Wivina
Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld van outsourcing met de overheid. "In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen."
Edited: 199710171465
Toespraak door Wivina Demeester,
Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid
ter gelegenheid van
het seminarie “outsourcing : ervaring en knelpunten”

“ Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld
van outsourcing met de overheid “
Brussel, 17 oktober 1997

Financieel Economische Tijd en
Caestecker, Lievens, Martens & Partners.

Slide 1



1) INLEIDING

De outsourcing van belastingsinning lijkt op het eerste zicht een contradictio in terminis te zijn. Wie aan de overheid denkt, denkt vrijwel onmiddellijk aan ‘belastingen’. In de perceptie van de bevolking lijkt belastinginning een typische kerntaak van de overheid te zijn. Nochtans blijkt uit de geschiedenis dat overheden pas vrij laat zelf hun belastinginning hebben georganiseerd.

De Franse historicus Fernand Braudel beschrijft hoe omstreeks het begin van de 18de eeuw vele overheden met vallen en opstaan onderzochten op welke wijze de belastingen het meest efficiënt en kosteneffectief konden worden geïnd in een maatschappij die bijzonder snel aan het veranderen was.

Land-eigendom en landopbrengsten werden stilaan verdrongen als eerste en voornaamste bron van inkomsten en dus van belastingen. De overheden moesten dan ook op zoek gaan naar andere manieren om bij hun reeds veelgeplaagde onderdanen meer belastingsgeld te kunnen vinden. Maar waar konden die nog gevonden worden in een samenleving waar vrijwel alles reeds belast was. Er bestond een vorm van wat nu in het modern jargon “road pricing” zou heten : op de drukste wegen werd het transport getaxeerd. Er bestond omzettaksen, er bestonden invoertaksen. Maar de baten waren laag. De kosten voor de inning daarentegen zeer hoog. Bovendien waren de producten, die getaxeerd werden, meestal ook levensnoodzakelijke goederen. De rest van de goederenproduktie, porselein, spiegels etc.. was immers ofwel te klein om te taxeren ofwel bestemd voor afnemers met ruime belastingvrijstellingen zoals de clerus en de adel.

Een voor de hand liggend product om te gaan taxeren was zout. Zout was in die tijd een van de belangrijkste consumptiegoederen voor de modale burger, het werd gebruikt in de meest uiteenlopende voedingswaren. De productie was bovendien relatief goed controleerbaar. Maar de belasting erop was zo hoog, dat het zout zelf zeer duur was. Zo duur dat, toen Lodewijk XIV besliste om de zoutbelasting nog maar eens te verhogen, dit leidde tot stevige rellen en boerenopstanden.

Slimme overheden gingen de weg op van wat wij in moderne taal noemen “efficiëntie-verbetering in het bestuurlijk apparaat”. Een treffend voorbeeld is de organisatie van de inning van de Engelse zoutbelasting. Ongeveer driehonderd jaar terug besliste de Engelse overheid om de inning van de zoutbelasting te ‘nationaliseren’. Voorheen werd de inning van belastingen vaak overgelaten aan het concreet initiatief van particulieren die optraden als geldschieters en financiers van de staat. Er bestonden immers vele systemen van wat wij noemen “alternatieve financiering” : wegen en bruggen bijvoorbeeld werden aangelegd en onderhouden door privé-personen, die daarvoor tol konden innen.

Op het einde van de 17e eeuw werd dat systeem in Engeland gewijzigd : voortaan zouden door de koning aangeduide, staatsambtenaren belastingen en accijnzen zelf gaan ontvangen. De bedoeling van deze nationalisatie was niet zozeer het opdrijven van de efficiëntie van de inning op zich, maar wel het stopzetten van de praktijk van de schaamteloze afroming van de inkomsten van de staat door de particuliere ontvangers. O ok vandaag durven kwatongen al eens beweren dat bv. notarissen al eens een oogje zouden dichtknijpen bij de bepaling van verkoopswaarden, zodat hun cliënt minder belastingen, maar iets meer ereloon betaalt. Blijkbaar was dit vroeger echter schering en inslag.

De nationalisering van de belastinginning in Engeland gaf automatisch aanleiding tot een fikse verhoging van de efficiëntie van de inning en dus van de belastingen, zonder de belastingdruk zelf te verhogen. Door de staatsinkomsten veilig te stellen kwam er in Engeland meer geld beschikbaar voor de koloniale oorlogvoering en de uitbouw van de infrastructuur voor de nakende industriële revolutie. Tegelijk bleef er voldoende geld in de private economie, waardoor langzaamaan de kapitalen werden verzameld, waarmee de geweldige investerings-push, die op gang kwam vanaf de jaren 1780 kon worden gefinancierd.

De andere grote staat van dat ogenblik, Frankrijk, wachtte nog veel langer om de stap tot nationalisatie te zetten. De openbare financiën hingen tot aan de Franse revolutie eveneens af van tussenpersonen die zorg droegen voor de ontvangsten. Deze belastingspachters stortten grote borgsommen, waarop zij dan rente ontvingen. Volgens de voorwaarden van hun contract betaalden zij een vast deel van hun belastingontvangsten uit aan de koning. In werkelijkheid ontving de koning slechts een fractie van de potentiële jaarlijkse inkomsten. De Franse monarchie was dan ook tot de vooravond van de Franse Revolutie overgeleverd aan particuliere belangen, omdat zij bleef vasthouden aan het principe van “outsourcing” van de belastingen.

Sinds die periode groeit bij vrijwel iedere staat de overtuiging dat belastinginning alleen door de overheid kan georganiseerd worden. En toch, tweehonderd en zeven jaar na de Franse Revolutie beslist de Vlaamse Regering om de inning van een gedeelte van haar belastinginning terug aan derden uit te besteden. Een wereldprimeur of een historische vergissing ? Hierop wil ik na deze historische inleidng wat dieper ingaan.

Eerst zou ik nader willen ingaan op de theorie van de outsourcing zelf. Vervolgens bekijken we dan de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld zelf. En ten slotte kijken we naar de toekomst en vragen ons af of de Vlaamse Gemeenschap kan doorgaan op de weg van de outsourcing.



2) DE THEORIE VAN DE OUTSOURCING

Slide 2 : zelf doen vs outsourcen

Uitbesteden is een populair begrip geworden. In feite zijn vele mensen actieve ‘uitbesteders’. We besteden onze kinderen uit aan een onthaalmoeder, steeds meer gezinnen besteden een deel van het huishouden uit aan een poetsvrouw, iemand die de was en de strijk doet, iemand die de tuin onderhoudt... Het is voornamelijk tijdsgebrek, maar soms ook een gebrek aan competentie die steeds meer mensen aanzet tot de beslissing van het uitbesteden van diverse taken.

Kijken we naar het bedrijfsleven, dan neemt het fenomeen van de outsourcing echter meer spectaculaire proporties aan. Quasi alle functies die men in een organisatie kan onderscheiden, komen voor outsourcing in aanmerking. De vraag of dit een goede zaak is, hangt vaak af van het standpunt van waaruit men naar de feiten kijkt. Voor de uitbesteder zijn er ogenschijnlijk meer voordelen van uitbesteding te onderkennen dan voor hen die de functie die uitbesteed wordt vervullen. Nochtans zou ik vandaag eveneens willen benadrukken dat outsourcing ook positieve aspecten kan hebben voor deze laatsten.

Outsourcing kan worden gedefiniëerd als "de contractuele overdracht van een welbepaalde cluster van activiteiten naar een derde partij waarbij een aanzienlijk deel van de controle over de beslissingen over deze activiteiten of diensten wordt afgestaan aan deze derde partij". Daartegenover staat ‘insourcing’. Bij insourcing blijft een groot deel van de controle over de beslissingen bij de oorspronkelijke partij die haar activiteiten of diensten overdraagt. Meestal maakt men een meer praktisch onderscheid tussen out- en insourcing door te verwijzen naar het feit of de controle over de activiteiten buiten of binnen de organisatie wordt behouden.

slide 3 : welke vormen ?

Men kan vervolgens outsourcingcontracten als aankoopfenomeen verder gaan differentiëren naar de stijl en focus. De aankoopstijl varieert tussen twee uitersten.
Aan de ene kant zijn er de zuivere transacties die men afsluit: eenmalige contracten die reeds voldoende detail bezitten om als referentiedocument te dienen. Anderzijds zijn er aankopen van relationele aard te onderkennen die minder gedetailleerd zijn, maar waarbij beide partijen er van uitgaan langere tijd met elkaar zaken te doen.

Wat de focus betreft kan het input-aspect belangrijk zijn, en dan koopt de onderneming hardware, software of kennis in. Is men echter voornamelijk op output gefocused, dan verwacht de onderneming dat de leverancier vooraf gespecificeerde prestaties zal leveren.

Beide dimensies leveren ons een classificatieschema op dat u op de slide terug vindt.

Teruggrijpend naar onze eerdere definities zal u merken dat het insourcen zich eerder links van de 'zogenaamd neutrale' in-house positie bevindt en het outsourcen aan de rechterzijde. Met dit eenvoudige schema kan u alle vormen van uitbesteden positione-ren.
Als dusdanig hebben de dimensies praktische relevantie.

Met een buy-in strategie lossen organisaties tijdelijke noden in, zoals de aanwerving van programmeurs met specifieke expertise tijdens een project. Bij een contracting-out moet de leverancier in zijn totaliteit een resultaat aanreiken. Deze strategie is meest succesvol wanneer de onderneming haar noden kan definiëren in een waterdicht en volledig gedetailleerd contract.

Met een bevoorrechte leverancier worden relaties onderhouden om gebruik te kunnen maken van zijn expertise en faciliteiten. Bijvoorbeeld, een onderneming vraagt informatici aan een leverancier enkel op het moment dat ze er nood aan heeft. Op deze wijze bespaart de onderneming kostbare tijd om offertes aan te vragen. De leverancier, die optreedt voor meerdere opdrachtgevers, is verzekerd van een quasi-continue stroom van opdrachten. Met een bevoorrechte contract-out wil men - aan beide zijden - risico's beperken door gemeenschappelijke doelen na te streven.

De organisatie van de activiteiten die binnenshuis blijven is een cruciale taak, zelfs wanneer quasi 80% van de activiteiten is uitbesteed. Ondernemingen kunnen op lange termijn serieuze problemen ondervinden wanneer de volgende expertise niet meer binnenshuis aanwezig is:
* de expertise om de toestand van het eigen IT-potentieel in te schatten
* de expertise om de IT-noden zoals ze door het top-management worden ervaren te kunnen achterhalen
* en de expertise om op een geschikte wijze naar de markt gaan, offertes en contracten inzake de IT-sourcing te specificeren en de contracten op te volgen.

Nochtans stellen we meer en meer vast dat zelfs het opstellen van offertes wordt uitbesteed aan gespecialiseerde organisaties.


Slide 4 : welke IT-systemen ?

De volgende vraag die men bij overweging van outsourcing kan stellen is uiteraard de vraag: welke activiteiten komen voor outsourcing in aanmerking. Grosso modo vallen die voor de IT-functie uiteen in drie grote groepen: beheer, ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen. Meer specifiek gaat het dan over volgende activiteiten: PC-aankoop en onderhoud, training en ondersteuning, software-ontwikkeling, back-up systemen, telecommunicatienetwerken, software onderhoud, datacenter management, systeem architecturen.

Op welke wijze deze activiteiten zouden kunnen worden ge-outsourced hangt af van twee zaken: in welke mate zijn de activiteiten kritiek voor het succes van de organisatie en in welke mate worden de activiteiten gebruikt om zich te differentiëren van anderen. Voor kritieke differentiërende systemen wordt aangeraden om selectief een aantal activiteiten binnenshuis te behouden en andere uit te besteden onder de vorm van in- of outsourcing.

Men moet hierbij oppassen de kritieke differentiërende systemen niet al te snel te vereenzelvigen met gesofisticeerde high-tech-applicaties die geen enkele andere organisaties heeft. Een goed werkend financieel systeem met een degelijke informatietechnologische ondersteuning van de bv. de boekhouding en cash management is van onschatbare waarde voor onder andere onze Vlaamse overheid.

Slide 5 : welke contracten ?

De vorm die het contract tenslotte aanneemt kan eveneens variëren in functie van de specifieke noden van de organisatie. Voor welke contractvorm uiteindelijk gekozen wordt, hangt af van het antwoord op een aantal vragen. Enkele voorbeelden zijn de volgende:

* Willen we het product of de dienst in de verre toekomst nog zelf produceren?
* Kunnen we technologie of know-verkrijgen via licenties zodat we op continue basis verzekerd zijn van een zekere output?
* Kunnen we de dienst of het product al kant-en-klaar kopen en is dit houdbaar op langere termijn?
* Kunnen we gemeenschappelijk ontwikkelingsprojecten opzetten voor producten of diensten zodat we zeker zijn dat we het beste resultaat krijgen?

Het antwoord op deze vragen is relevant, maar een andere vraag blijft nog steeds onbeantwoord : waarom is dit alles nodig ? (Moeder,) waarom sourcen we ?

In grote lijnen kan dit als volgt beantwoord worden. Vele organisaties hebben onder economische druk hun diversifcatiestrategieën die populair waren in de jaren ‘70 en begin jaren ‘80 moeten opgeven om zich meer te focussen op kerncompetenties. Als gevolg daarvan kwam onmiddellijk de IT functie onder druk te staan. Topkaders beschouwen IT vaak als een niet-kern competentie (in welke ondernemingen zetelen IT-directeurs in de directieraad?). Men is veelal van oordeel dat IT leveranciers meer schaalvoordelen en technische expertise bezitten om IT-diensten te leveren.
Op basis van die redenering, expertise en kritische massa van de eigen IT-functie binnen de onderneming, worden leveranciers meestal dan ook beoordeeld zoals volgende slide aantoont (SLIDE). Te kleine IT-afdelingen met een middelmatige tot slechte expertise, daar wil men van af, dus wordt er ge-outsourced. Beschikt men daarentegen wel over een sterk bemand en professioneel kader dan kan dat enkel maar versterkt worden door bijkomende expertise in te sourcen.

Zonder hier in detail op in te gaan zijn er verschillende factoren die de outsourcing beslissing beïnvloeden. Deze factoren hebben zowel betrekking op zakelijke aspecten (zoals return on investment, competitieve voordelen door IT, strategische heroriëntatie van de activiteiten, ed.) als op meer technologische aspecten (uitbouw van een moderne IT-infrastructuur, upgrading van het informaticapersoneel, enzovoort)..

Outsourcing moet meer zijn dan kostenbesparend. Problemen lost men niet op door ze door te schuiven. Zo moeten slecht presterende entiteiten waarvoor outsourcing overwogen wordt, tegelijkertijd fundamenteel geanalyseerd en eventueel gere-engineered worden wat betreft hun interne processen. Ook de bestaansreden op zich van bepaalde functies moeten kunnen in vraag gesteld worden.

En hiermee komen we bij het volgende deel van uiteenzetting: wat betekent dit nu concreet voor de overheid, in casu de Vlaamse overheid ?

Slide 6 : OESO-tendensen

Overheden in OESO landen worden heden ten dage geconfronteerd met vragen die dwingend zijn en moeten beantwoord worden.

Er is een toenemende tendens waarneembeer tot loskoppeling of desaggregatie van overheidsorganisaties in kleinere onderdelen. We spreken dan van privatiseringen, verzelfstandiging en ook outsourcing. Hiermee samenhangend is er ook een trend naar decentralisatie van verantwoordelijkheden waarneembaar.

Ambtenaren worden verplicht hun administraties te managen zoals hun partners in de private sector. De overheidsmanager is daarbij aansprakelijkheid voor resultaten die door zijn administratie moeten bereikt worden. Door het afsluiten van persoonlijke contracten, zogenaamde prestatie-overeenkomsten, tussen bv. directeur-generaal en een bevoegde minister worden prikkels gegeven om een noodzakelijke mentaliteitswijziging door te voeren.

In deze overeenkomsten wordt niet enkel concreet omschreven welke outputs de overheidsmanager dient te leveren maar ook wat zijn verwachte bijdrage is aan ruimere maatschappelijke problematieken zoals bv. de mobiliteit, het milieu of de gezondheid.
Het vastleggen van de outputs of prestaties, en de beslissing waar en door wie ze zullen worden gerealiseerd, blijft de primaire bevoegdheid van de minister.

OESO-experten wijzen er op dat in vele landen de grootte van het overheidsapparaat, uitgedrukt in percentage van het BNP, te groot is. Ten tweede stellen zij dat kerntaken en niet-kerntaken van de overheid dringend herbekeken dienen te worden in die zin dat de diensten die de overheid momenteel zelf verzorgt eventueel ook in partnership met andere overheden en met de private sector kunnen worden uitgevoerd of zelfs in coproductie met de burger-klant.

Om tegemoet te komen aan deze bekommernissen moet elke overheid concreet nagaan hoe ze haar interne structuur en functioneren beter kan organiseren en financieren. De introductie van prestatiegerichte managementtechnieken zowel in de beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering als de beleidsevaluatie moeten hiertoe bijdragen.

Boeken zoals ‘Reinventing Government’ hameren op professioneel management, nadruk op outputs, expliciete standaarden en prestatiemaatstaven, ene grotere competitie tussen overheden en privé en bovenal het transfereren van managementprakijken uit de publieke sector. Christopher Pollit een Oxford academicus die momenteel een sabbatical leave heeft op de KU-Leuven wijst op de gevaren van deze opvattingen die hij onder het label 'new managerialism' categoriseert. De publieke sector heeft wel degelijk differentiële karakteristieken als de private sector. Wat de IT functie betreft stelt hij dat niet enkel de normen inzake rendabiliteit van informatiesystemen wel eens durven te verschillen, het zijn vooral de politieke en wettelijke kaders die maken dat het ontwikkelen en managen van IT in overheidsorganisaties een particuliere taak is. IT managers moeten onder een andere tijdshorizon werken dan hun collega's uit de private sector. Vaak zijn zij voor ontwikkelingsprojecten gebonden aan legislaturen.

Men kan zich ook vragen stellen in welke mate overheden wel het recht hebben om overheidstaken uit te besteden aan private organisaties. Verschillende auteurs wijzen op het gevaar van uitholling van de staat wanneer een aantal essentiële taken worden uitbesteed. Voorstanders van privatisering benadrukken efficiëntie, effectiviteit en klantentevredenheid als relevante criteria voor de selectie van de wijze van dienstverlening.

Er is echter een grote ‘maar’ : burgers zijn geen klanten. Klanten kiezen tussen producten, burgers hebben rechten en plichten en beslissen bovendien ook wat de overheid concreet moet doen met de ontvangen belastinggelden. De overheid heeft in het verleden vele taken op zich genomen, juist omdat de private sector ze niet kon of niet wilde op zich nemen. Hier botsen twee waarden met elkaar, met name rechtvaardigheid versus efficiëntie.

De organisatie van het overheidsapparaat en de mate waarin men daarin wil outsourcen hangt daarom strikt samen met de visie die een regering heeft op de wijze waarop zij haar overheidsapparaat wil organisaten. Landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Nieuw-Zeeland steunen sterk op het marktprincipe. De private sector treedt in competitie met de overheid voor de uitvoering van essentiële overheidstaken, bv. het beheren van gevangenissen, hospitalen scholen, posterijen enz... .

Andere landen daarentegen steunen op andere fundamentele principes. Frankrijk is gebaseerd op een systeem van rechten. Als voorbeeld van de Latijnse traditie inzake overheidsmanagement zal het dan ook andere criteria hanteren bij outsourcing-beslissingen. België steunt eerder op een systeem van rechten en plichten. Het balanceert als dusdanig tussen verschillende alternatieve structureringswijzen.

In Vlaanderen opteert de Vlaamse regering voor ene meer marktgerichte aanpak, zonder evenwel fundamentele principes inzake rechtszekerheid van het overheidspersoneel te negeren. Toch merken we dat ook Vlaanderen meer en meer opschuift in de richting van het Angelsaksisch model met nadruk op een ‘competitive tendering en contracting’ van overheidsdiensten.

Het is hierbij uiteraard niet de bedoeling dat Vlaanderen een holle staat zou worden. Een aantal fundamentele vragen moeten we dan ook steeds voor ogen blijven houden. Deze vragen vormen ook de achtergrond voor de gevalstudie van de uitbesteding van het Kijk- en Luistergeld


3. DE OUTSOURCING VAN HET KIJK- LUISTERGELD

1. Het kijk- en luistergeld als financiële vergoeding voor een openbare dienst nl. radio en televisie

Het kijk- en luistergeld is bij iedereen bekend. Voor velen was het kijk- en luistergeld de tweede kennismaking met de fiscaliteit, na de ondertussen reeds verdwenen, fietsplaat. Toen de eerste spaarcenten aan een stereoketen werden besteed, diende tot voor de wet van 13 juli 1987, in de winkel een formulier voor het luistergeld ingevuld te worden.
Gelukkig kon vader of moeder dan wel als koper opgegeven worden zodat aan het luistergeld kon ontsnapt worden. Het Kijk- en Luistergeld is vergroeid met de medium radio en televisie. Beide zijn even oud. Radio en televisie maken was een taak die exclusief aan de overheid was voorbehouden. De financiering hiervan gebeurde door een specifieke belasting. Zo dateert de eerste wet van 20 juni 1930. In 1958, nauwelijks vijf jaar na de start van de openbare televisie, werd het luistergeld uitgebreid met het kijkgeld. Toen ook kleurentelevisie mogelijk werd begin jaren 70, werd een verhoogd bedrag voor een kleurentelevisie ingevoerd.

Het Kijk- en Luistergeld is geen louter Belgisch fenomeen. Het bestaat in de meeste Europese landen. In al deze landen was het de overheid die het initiatief nam om radio en televisie te maken. Radio en Televisie waren op het Europese Continent collectieve goederen waarvoor de Overheid moest zorgen.

In de volgende slide (SLIDE) kunt u vaststellen dat op Ijsland (heel kleine bevolking) en Oostenrijk na, België het hoogste kijk- en luistergeld heft van gans Europa.

In de Verenigde Staten waar radio en televisie steeds een privé-initiatief zijn geweest, bestaat geen Kijk- en Luistergeld. Ondertussen hebben ook in Europa radio en televisie hun statuut van collectief goed verloren. Het aantal commerciële zenders dat we ontmoeten bij het zappen, ligt hoger dan het aantal publieke omroepen. Het Kijk- en Luistergeld is dan ook verworden tot een gewone belasting. Er is geen rechtstreeks individueel aanwijsbare tegenprestatie van de overheid meer die evenredig is aan de betaalde som.

2. De eigen inning van het Kijk- en Luistergeld door de Vlaamse Gemeenschap

De inning van het Kijk- en Luistergeld werd in België toevertrouwd aan de Regie voor Telefoon en Telegrafie. Deze feitelijke toestand werd pas geregulariseerd bij Ministerieel Besluit van 31 december 1975.
De R.T.T. werd omgevormd tot “Belgacom” door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. De Vlaamse Gemeenschap was niet echt ontevreden van de prestaties van Belgacom; maar echt tevreden was zij toch ook niet. De inningskosten vertoonden de neiging om continu boven de inflatie uit te stijgen. De geleverde informatie was schaars. Er bleven twijfels over de doeltreffendheid van de inning. De klantentevredenheid - belastingbetalers zijn immers ook klanten - was niet optimaal. Allemaal klachten die zo vaak geassocieerd worden met een overheidsorgaan.

Toen Belgacom, onder druk van de buitenlandse investeerders de beslissing nam om niet langer het kijk- en luistergeld te innen voor de Gemeenschappen, had men allicht gedacht dat de Gemeenschappen het bestaande personeel, de bestaande organisatie en de bestaande procedures zonder meer zouden overnemen - en zoals zo vaak bij de overheid gebeurt - zeer zachtjes aan wat zou moderniseren. Maar de Vlaamse overheid oordeelde er anders over. De Vlaamse regering nam, eind juli 1996, amper 11 maand geleden, de beslissing om de inning van het Kijk & Luistergeld uit te besteden. Deze beslissing werd genomen vanuit het oogpunt van efficiëntie. Niet minder, maar ook niet meer. Belastingen innen is eigenlijk geen kerntaak voor de Vlaamse overheid. De kerntaak van de overheid bestaat erin de samenleving te begeleiden op de weg naar een stabiele sociaal-economische groei. Daarvoor is geld nodig, dat is juist. Maar dat geld - de belastingen - is slechts een hulpmiddel om deze overheidsfunctie waar te maken. Dus is de eerste plicht van de overheid niet een belastingsadministratie uit te bouwen, maar om de belastinginning zo efficiënt mogelijk te organiseren.

Deels tegen de zin in van haar eigen administratie, besliste de Vlaamse overheid om het kijk- en luistergeld niet door de eigen administratie te laten innen, maar op zoek te gaan naar een privé-partner. De directe reden voor deze “outsourcing” was driedubbel. Binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap was weinig know how aanwezig m.b.t. de inning van belastingen. Deze inning erbij nemen veronderstelde de uitbouw van een nieuwe structuur, die - zoals zo vaak gebeurt - dan meteen zijn eigen doelstellingen zou beginnen te volgen. Maar dat was niet de bedoeling van de Vlaamse Regering. Die was primair op zoek naar efficiëntie, doeltreffendheid en klantvriendelijkheid... elementen die weliswaar ook binnen een Ministerie kunnen uitgebouwd worden, maar er vaak langzamer tot stand komen.

Ten tweede was de informatica-omgeving van de Dienst Kijk- en Luistergeld zwaar verouderd. Er diende in elk geval een nieuwe toepassing voor de inning en invordering uitgewerkt te worden. Ook dit is een activiteit die aan een derde moet uitbesteed worden.

Ten derde wijken de personeelsstatuten van de Dienst Kijk- en Luistergeld en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zo sterk van elkaar af dat het quasi-onmogelijk was om de bestaande personeelsleden van de Dienst Kijk- en Luistergeld via de weg van geleidelijkheid te integreren binnen de bestaande structuur van de Vlaamse overheid.

Dit alles leidde tot de beslissing om de inning toe te vertrouwen aan een bedrijf, dat in staat was grote belastings-applicaties te schrijven op korte termijn, de noodzakelijke bedrijfsorganisatorische bekwaamheden in-huis had en kansen bood aan het bestaande personeel zich in een nieuwe bedrijfsomgeving en bedrijfscultuur te kunnen ontplooien.

Dit was geen makkelijke beslissing. Voor de inning van belastingen is outsourcing juridisch immers niet zo evident. Door de jaren heen is er een wetgeving en jurisprudentie gegroeid, waardoor een belasting, die terecht een prerogatief is van de wetgevende macht, quasi automatisch met een overheidstaak wordt geassocieerd. En zelfs al zou bedrijfslogica stellen dat het aangewezen is om taken over te dragen aan een contractant, de wetgeving primeert hoe dan ook.

Het recht holt wel voortdurend achter de feiten aan, maar men kan er niet omheen. De taken die de wetgevende macht uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht delegeert, komen dus niet voor outsourcing in aanmerking. Daarom zullen de aanslag, de controle, de inning zelf en de dwanginvordering dan ook niet aan een derde kunnen worden toevertrouwd. Maar wat wel kan, is deze taken limitatief te bekijken en de ondersteunende en administratieve taken, die wel door een derde kunnen waargenomen worden, binnen de wettelijke grenzen, maximaal te omschrijven. Dat is wat de Vlaamse Regering heeft gedaan : de ondersteunende taken werden zo ruim mogelijk omschreven in het bestek.

Voor deze taken diende de inschrijver bereid te zijn een resultaatsverbintenis of prestatieovereenkomst te onderschrijven. Want al is de toegevoegde waarde van de contractant relatief beperkt, ca. 500 mln F. /per jaar, de schade, die de Vlaamse Gemeenschap kan oplopen indien de contractant zijn verplichtingen niet of relatief slecht nakomt, zijn veel groter en lopen op tot 15 mld F. per jaar, dertig maal groter dan de contractwaarde. De klassieke boete, die erin bestaat een deel van de vergoeding in te houden, had dan ook geen zin. Dus moesten er strikte prestatieverbintenissen worden opgelegd, met draconische strafbepalingen als deze prestaties niet behaald worden.

Het vervolg kent iedereen. Op basis van de resultaten van harde concurrentie en al even harde onderhandelingen besliste de Vlaamse regering op 28 januari 1997, exact vijf maand na haar princiepsbeslissing om de inning te outsourcen, het contract voor een periode van 5 jaar toe te wijzen aan Cipal.

Gedurende een eerste periode van twee jaar zal de Vlaamse Gemeenschap het bestaande personeel van de Dienst Kijk- en Luistergeld “huren” van de Belgische Staat en deze personeelsleden aan Cipal ter beschikking stellen. Vanaf het derde tot en met het vijfde jaar draagt Cipal de volledige verantwoordelijkheid en moet ze zelf instaan voor de aanwerving en betaling van het personeel.

Het is uiteraard nog te vroeg om het echte resultaat van deze operatie te kunnen beoordelen. Toch spreken enkele cijfers nu reeds voor zich. Aan Belgacom diende de Vlaamse Gemeenschap in 1995 ongeveer 435,6 miljoen BEF (excl. BTW) te betalen voor de inning. Het jaar 1999 is eerste jaar dat de volledige lasten door Cipal dienen gedragen te worden. Daarbij werd met Cipal een vast bedrag overeengekomen van 346,9 miljoen BEF of zo’n 90 miljoen minder. Bovendien stegen de bedragen van Belgacom jaarlijks met om en bij de 4%. In het contract met Cipal wordt enkel de personeelskost jaarlijks geïndexeerd volgens het regime dat van toepassing is voor de personeelsleden die in openbare dienst werken. De volgende slide geeft de vergelijking tussen Cipal en Belgacom aan :



Daarenboven investeert de Vlaamse Gemeenschap in een eigentijdse IT-toepassing voor de inning van belastingen. De toepassing kan - in een latere fase - ook voor andere belastingen worden gebruikt.

U zult ongetwijfeld ook reeds gemerkt hebben dat ook de strijd tegen het zwartkijken één van de elementen is van het outsourcingscontract. Cipal kreeg op de opdracht mee om anti-fraude technieken te ontwikkelen en een mediacampagne te organiseren. In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen. Ik geef hier als voorbeeld Vlaams-Brabant (SLIDE).


De voertuigen van de controleteams werden uitgerust met een on-line verbinding met de centrale computer in Aalst. Er kan dus onmiddellijk worden vastgesteld wie betaalt en wie niet betaalt. De combinatie van de kaarten en de moderne communicatie-apparatuur maakt een doelgerichte controle mogelijk. De gemeenten met de hoogste fraudepercentages zullen eerst gecontroleerd worden. Binnen deze gemeenten kan verder gedifferentieerd worden naar de straten met de meeste ontduiking. Deze controles zijn momenteel aan de gang en zullen in de komende maanden worden opgevoerd.

Zoals u ongetwijfeld weet, loopt momenteel loopt ook een mediacampagne. In een eerste fase werd een mediamix samengesteld uit een televisiespot op de BRTN, advertenties in de dag- en weekbladen, folders en affichettes. Deze middelen zijn er in de eerste plaats op gericht de belastingplichtige te informeren en degenen die nog niet betalen aan te zetten om te betalen. Aanmelden kan via een centraal telefoonnummer. Moesten er onder u zijn die tot hiertoe “vergeten” zijn te betalen, die kunnen bellen naar het nummer : 0900-10203.



Ik wil nog wel eens benadrukken dat er geen sprake is van een formele amnestie. Wie tijdens een controle tegen de lamp loopt, betaalt de normale boete. Ook de volgende jaren zal verder gewerkt worden aan de verfijning van de controlemethoden. Er wordt naar gestreefd om de doelgerichtheid van de controle zo groot mogelijk te maken.

4) HISTORISCHE VERGISSING OF WERELDPRIMEUR ?

Ik denk dat ik mag stellen dat de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld een succes mag genoemd worden. We zijn er in geslaagd om op zeer korte tijd nl. nu ongeveer een jaar, de dienst te outsourcen, de continuïteit werd verzekerd nl. op 1 oktober lag voor sommigen het aanslagbiljet in de bus, hetwelke nu verstuurd was door Cipal en niet meer door Belgacom; de strijd tegen de ontduiking werd beloftevol ingezet.

Met het oog op de uitvoering van de motie van het Vlaamse Parlement m.b.t. de fiscale autonomie en dan in bijzonderheid m.b.t. de inning van de eigen gewestbelastingen, wens ik binnen de Vlaamse regering concreet overleg te plegen over de mogelijkheden tot een verderschrijdende uitbesteding van de inning van Vlaamse belastingen. Zeker wanneer in een volgende staatshervorming opnieuw belangrijke delen overgeheveld worden naar de Gewesten en Gemeenschappen en mogelijk zelfs volledig nieuwe belastingscategoriën, moeten wij durven denken, hoe wij de belastinginning optimaal kunnen organiseren. Een doorgedreven informatisering, wellicht in een autonome entiteit, die aan de concurrentie moet onderworpen zijn, is wellicht een sleutelfactor in het welslagen van deze operatie. Of het helemaal op dezelfde manier moet georganiseerd worden, valt nog te bekijken. Elke belasting heeft zijn of haar kenmerken. Klakkeloos kopiëren, is steeds gevaarlijk. Zo zal er, wat bij het Kijk- en Luistergeld niet mogelijk was, moeten gestart worden met de vereenvoudiging van de belasting zelf. Het aantal vrijstellingen, verminderingen en uitzonderingen moet worden teruggedrongen of verleend worden op basis van objectieve criteria. Ik denk aan leeftijd, aantal kinderen, ... Vanuit deze vereenvoudigde belastingsstructuur moet dan gezocht worden naar de meest optimale oplossing. Hierbij moet rekening gehouden worden met alle elementen. Bij het Kijk- en Luistergeld wezen deze in de richting van outsourcing. Maar geen enkele techniek is zaligmakend op zich, ook outsourcing niet.

De Vlaamse overheid heeft opnieuw aangeknoopt bij een praktijk van voor de Franse revolutie nl. de outsourcing van belangstingsontvangsten. Deze praktijk gaat terug op de oudheid, denken we maar aan het Bijbelse verhaal van de tollenaar. Een historische vergissing was deze terugkeer naar de geschiedenis zeker niet. De outsourcing van het Kijk- en Luistergeld was een succes. De resultaten van de eerste eigen inning van de belastingen zijn positief. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse regering hebben beslist om op deze weg verder te gaan. Outsourcing zal hierbij een middel zijn, maar is geen doel op zich.

Ik dank u.
LT
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne
Edited: 199710120901
Evaluatie van de KLG-anti-ontduikingscampagne
via 0900/10.203
Resultaten 19971002 - 19971010


1. Basisgegevens

Op 10 oktober ontvingen wij via e-mail van SITEL de resultaten over de periode 2 oktober - 10 oktober 1997 (diskette RAPP1010.xls, Excel 4.O).
Er moet door SITEL nog nauwkeuriger worden opgegeven voor welke periode (van welk uur tot welk uur) de rapportering geldig is.

Dit bestand bevatte per gemeente (op NIS-code) volgende elementen:
• aantal calls
• totale duur van de gesprekken in seconden
• aantal aangegeven autoradio's
• aantal aangegeven zwart-wit-TV's
• aantal kleuren-TV's
• aantal aangevraagde folders in de nederlandse taal
• aantal aangevraagde folders in de franse taal
Het door Sitel aangeleverde bestand beantwoordt daarmee aan de opdracht tot statistische rapportering zoals door MERS opgedragen bij fax van 199710¬02. Eén gegeven werd niet verstrekt: het aantal doorver¬wijzigingen naar back end nummer Aalst. Dit gegeven is echter van secundair belang.



2. Correctie

Het MERS stelde vast dat in het bestand een dubbeltelling voorkomt van 132 calls, met name deze afkomstig uit het Brussels gewest (19 ge¬meenten). SITEL heeft blijkbaar alle calls uit deze 19 gemeenten samen¬gebracht onder Brussel (NIS-code 21004) maar dezelfde calls ook nog eens onder Bruxelles (eveneens NIS-code 21004) vermeld.
Het MERS heeft de cijfers voor deze 132 calls geëlimineerd.


3. Resultaten na correctie

In de beschouwde periode werden 4.249 calls ontvangen. De totale ge¬spreks-duur bedroeg 637.350 seconden of 10.622 minuten of 177 uur.
Een gemiddelde call nam aldus 2,50 minuut in beslag.
Zoals te verwachten was kwam het gros van de calls vanuit het Vlaams gewest: 4.106 calls. Uit Brussel kwamen er 132 en uit het Waals gewest 11.

3.1. Aangegeven autoradio's (toestellen)
In totaal werden er 2.139 autoradio's geregistreerd.
• Vlaams gewest: 2.094
• Brussels gewest: 39
• Waals gewest: 6

3.2. Aangegeven kleurentelevisies (houders)
In totaal deden 2.313 personen (huishoudens) aangifte van één of meer kleuren-TV's.

• Vlaams gewest: 2.225
• Brussels gewest: 84
• Waals gewest: 4

Uit de nominatieve CIPAL-matching zal moeten blijken welke en hoeveel van de 88 aangiften, afkomstig uit het Waalse en het Brusselse gewest, slaan op tweede verblijven (thuishorend in het Vlaamse KLG-bestand) dan wel of er een overdracht van gegevens naar de andere gewesten dient te geschieden. Ook de voorwaarden van de overdracht dienen dan nog te worden bekeken.

3.3. Aangegeven zwart-wit-televisies (houders)
In totaal deden toch nog 21 personen (huishoudens) aangifte van een zwart-wit-televisietoestel.

• Vlaams gewest: 19
• Brussels gewest: 2



4. Folders

In totaal werden er 487 folders verdeeld (485 NL, 2 FR).
Hiermee is 1,6 % van de 30.000 bij SITEL gestockeerde folders ver¬deeld.




5. Opbrengsten (bruto)

Overeenkomstig de beslissing van het Kabinet zullen alle aangiften aangere¬kend worden vanaf 1 oktober 1997. In de praktijk wil dit zeggen dat er voor autoradio, z/w-TV en kleuren-TV resp. 1.068 BEF, 5.136 BEF en 7.368 BEF zal worden aangerekend (geldende taksbedragen 1997).
De totale bruto-opbrengst voor de beschouwde periode bedraagt aldus 19.434.492 BEF.

gewest
AR z/w TV kl TV Totaal
VL 2.236.392 97.584 16.393¬.800 18.727¬.776
BR 41.652 10.272 618.912 670.836
WAL 6.408 0 29.472 35.880
totaal 2.284.452 107¬.856 17.042¬.184 19.434¬.492

Opgelet! De bovenstaande berekening is voorlopig en bruto. Inderdaad, de netto-opbrengst kan slechts berekend worden na de nominatieve matching door CIPAL: eliminatie van nep-aangiften, grappenmakers, dubbele aangiften, niet-traceerbare aangiften wegen foutieve input door TO, enz...


Incidentie op begrotingsjaar 1997

Aangezien de aangiften alle vanaf 1 oktober 1997 aangerekend worden zullen de uiteindelijke netto-bedragen slechts voor 3/12de aan het begro¬tingsjaar 1997 mogen worden toegewezen. Het saldo (9/12de) is over te dragen op het begrotingsjaar 1998 (overlopende rekening).

6. Outbound calls & audiotex

Tijdens de betrokken periode (19971002 - 19971010) zijn er piek¬momenten geweest die niet direct en live door het dedicated KLG-team van SITEL konden worden opgevangen.
Van een deel van deze calls werd enkel het telefoonnummer door een non-dedicated TO genoteerd en werd er daarna (tijdens daluren) in outbound call gewerkt.
Van deze activiteit kregen wij tot op heden nog geen rapportering.

Ook van de inzet van de audiotex-formule (nalaten van telefoonnummer door opbeller via intoetsen) tijdens 'outlogged periods' (bvb. 's nachts) werd nog geen rapportering ontvangen. Het is overi¬gens niet duidelijk of deze techniek wel effectief werd ingezet. Het is ons bekend dat er hierrond technische problemen gerezen zijn en dat men minstens tijdens één nacht een formule heeft gehanteerd waarbij één TO een gecom¬bineerde Proximus/KLG-opdracht kreeg.

Wij herinneren eraan dat een outboundgesprek à 125 BEF/call zal gefac¬tureerd worden door SITEL.


7. Andere respons-kanalen (feedback)

Andere gebruikte respons-kanalen buiten het 0900-nummer zijn:
• back end nummers Aalst (production teams)
• loket Aalst
• Kabinet van de Minister
• inzendingen aangifteformulier (folder)

Vooral het eerste en het laatste respons-kanaal kan nog voor een serieuze upgrading van het effect zorgen. De inzendingen van aangif¬teformulieren ex folder zullen echter met vertraging zichtbaar en kwan¬tificeerbaar worden. Het folder-effect is van een informatiever aard en daardoor diepgaander en moet op langere termijn beschouwd worden.

8. Retributie op telecom-kost


Over de periode werden voor 10.622 minuten inbound gesprekken genoteerd.
Dit zou betekenen dat Belgacom hierop een maximale omzet scoorde van 192.789 BEF (6,05 BEF x 3 x 10.622). De helft wordt geristorneerd aan CIPAL, zijnde 96.695 BEF.
De berekening is theoretisch want mede afhankelijk van het tijdstip van de call (zwart tarief van 18u30 tot 08u00 + weekends en wettelijke feestdagen = 6,05 BEF/40 sec.).


9. Verslaggeving pers & TV

Op basis van dit rapport kan gedacht worden aan een kort en factueel persbericht met distributie via het agentschap Belga.

Overigens mag gezegd worden dat de Vlaamse dagbladen zeer veel interesse betonen voor de campagne, ook nog een week na de perscon¬ferentie. Deze weerklank in de pers versterkt ongetwijfeld het effect van de campagne.

Ook de regionale TV-zenders hebben er aandacht aan. Zo ging Focus Tele¬visie uitgebreid (street interviews, vertoning kleurenkaart provincie West-Vlaanderen) in op de problematiek van de zware ontduiking in tweede verblijven aan de Kust. Via het uitwisselingsprogramma tussen de regionale TV-stations kwam dit Focus-thema ook in andere provincies aan de orde (met name op zondag via ATV in de provincie Antwerpen). De 'carroussel'-bericht¬geving verhoogt de visibi¬liteit en dus de con¬tactkans en bijgevolg de respons-rate.


10. Tweemaal een gemeentelijke TOP-20

In de bijlagen bij dit rapport geven wij de 20 gemeenten die het hoogst aantal aangiften opleverde, éénmaal voor autoradio, éénmaal voor kleurentelevisie.
Het is o.i. nog iets te vroeg (niet-representatief) om per gemeente relatieve scores te berekenen (aangiften gerelateerd aan de gemeten ontduiking).




Lucas TESSENS
Bestuurder/Research Director
19971012
Brussel, Martelarenplein: start anti-ontduikingscampagne kijk- en Luistergeld - oktober 1997
Edited: 199710000931
Vlaams Minister Wivina Demeester, team leader Jos Franken (CIPAL), Hedwig Vanderborght (MVG), Lucas Tessens (Media Expert Research System) en enkele anderen. De campagne kreeg ruime aandacht in de media. Aangiften konden gebeuren via het call center bij SITEL.
LT
Kijk- en luistergeld zorgt voor druk jaar.
Edited: 199701281015
Tekst voor het CIPAL-jaarverslag 1997

Kijk- en luistergeld zorgt voor druk jaar.

In het najaar 1996 schreef de Vlaamse overheid een offerteronde uit voor de outsourcing van de inning en de invordering van het kijk- en luistergeld. Veertien kandidaten, onder wie enkele wereldreuzen, schreven in.
Tot nog toe viel de inning van deze taks onder de bevoegdheid van Belgacom.
Na een zware onderhandelingsronde kwam CIPAL als de beste uit de bus en op 28 januari 1997 werd een contract voor 5 jaar getekend. De overeenkomst is verlengbaar met een nieuwe termijn van 5 jaar.
De opdracht is omvangrijk want zij bestaat niet alleen uit de informatisering maar omvat ook het gehele management en de totale reorganisatie van de Dienst.
Op 27 maart leverde CIPAL de Due Diligence in bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hierin werd de toestand van de Dienst omstandig beschreven.
Op 28 maart ging in de gebouwen van de Dienst Kijk- en Luistergeld te Aalst een ontmoeting met de 176 personeelsleden door. CIPAL stelde in heldere taal de doelstellingen en de verantwoordelijkheden voorop. De dienst kreeg meteen een nieuwe huisstijl en ook een klaar 'mission statement'. De toon voor de nieuwe aanpak was gezet.

Op 1 april nam CIPAL dan het management in handen en duidde dhr Jos Franken, adjunct van de directeur-generaal, aan als project-verantwoordelijke. Het aanwezige management werd evenwel erkend en vlot ingeschakeld in de nieuwe werking. De reorganisatie startte onmiddellijk.
Op 1 juni startte de IT-training van het personeel. De talrijke instanties waarmee het Kijk- en Luistergeld in verbinding staat (Dienst Inschrijvingen Voertuigen, Rijksregister, kabelmaatschappijen, etcetera) werden gecontacteerd en ingelicht over de nieuwe procedures.

Op 1 september nam CIPAL de gehele informatica-verwerking van Belgacom over. De verzending van 2.108.486 betalingsformulieren vanaf 1 oktober betekende de vuurdoop.

Op 1 oktober gaf Vlaams Minister Wivina Demeester - De Meyer het startschot voor een mediacampagne (pers, TV, folders, internet-site) ter bestrijding van de ontduiking. Men had immers vastgesteld dat het aantal kabelabonnees in Vlaanderen hoger lag dan het aantal geregistreerde TV-houders. Ook de bezitters van niet aangegeven autoradio's vormden een doelgroep.


KERNCIJFERS PER 1.1.97
HUISHOUDENS 2.335.718
KABELABONNEES 2.194.105
GEREGISTREERDE TV-HOUDERS 2.038.804
PERSONENWAGENS 2.589.298
GEREGISTREERDE AUTORADIO'S 1.827.013
TOTAALOPBRENGST 1996 15,7 miljard

De campagne leverde op twee maand tijd meer dan 70.000 nieuwe aangiften op. Een schot in de roos voor al wie de rechtvaardigheid in fiscaliteit ter harte neemt.

Gedurende het jaar 1998 moet de reorganisatie geconsolideerd worden. Het vertrek van tientallen personeelsleden, die gebruik maken van de Belgacom-uitstapregeling, mag de werkzaamheden in geen geval verstoren. Aanwervingen zijn alvast geprogrammeerd. Verder wordt in 1998 de matching van de bestanden van de kabelmaatschappijen met het KLG-bestand opgevoerd om de nog steeds bestaande ontduiking verder terug te dringen. Tenslotte sleutelt CIPAL aan een geheel nieuwe computertoepassing voor de inning. Deze wordt operationeel vanaf 1 januari 1999.




In ieder geval mag gezegd worden dat CIPAL erin geslaagd is twee verschillende bedrijfsculturen op een nieuwe noemer te brengen en in harmonie te laten samenwerken. Zulks vergt de inzet van veel menselijk kapitaal en dit blijkt in onze organisatie ruim voorhanden te zijn.




LT/1998-01-28
bibliografie over topambtenaren in COD
Edited: 199700008472
“Central Africa. Zaire. The People, the new Encyclopaedia Britanica, Chicago-London, Toronto, 1978-1981, volume 1, p. 646.

“Congo. Population, Standard endyclopaedia of Southern Africa, Cape Town, 1971, volume 3, p. 386.

“Zaïre, Bevolking, samenstelling en spreiding, Grote winkler Prins Encyclopedie in 26 delen, Turnhout, 1993, volume 25, p. 215.

“Comment s’est développé le processus politique à propos du Congo (13/1-8/12/’59), Courrier hebdomadaire du Crisp, 11 december 1959, p. 14.

“Des troubles de Stanleyvolle au débat parlementaire, Courrier hebdomadaire du Crisp, 6 november 1959, p. 16-17.

“Deux mois avant les éléctions au Congo, Courrier hebdomadaire du Crisp, 30 oktober 1959, p. 15.

“Elements pour une sociologie d’une émeute Léopoldville-janvier 1959, Courrier hebdomadaire du Crisp, 16 januari 1959, pp. 11-20 en 17 april 1959, pp. 4-20.

“L’affaire Kalongi et les problèmes de Kassaï, Courrier hebdomadaire du Crisp, 11 september 1959, pp. 10-12 en 18 september 1959, 17-19.

“Le plan De Schrijver pour le Congo, Courrier hebdomadaire du Crisp, 16 oktober 1959, p. 17.

“Les propositions belges pour le statut politique et le développenment économique du Congo, Courrier hebdomadaire du Crisp, 23 oktober 1959, pp. 3-8.

“Par dela la démission du ministre du Congo, Courrier hebdomadaire du Crisp, 11 september 1959, p. 3.

“Pour comprendre le telex Schöller, Courrier hebdomadaire du Crisp, 2 oktober 1959, pp. 11-18.

“Problèmes du Bas-Congo, Courrier hebdomadaire du Crisp, 22 april 1960, p. 13-15.

“Vers un gouvernement congolais?, Courrier hebdomadaire du Crisp, 5 juni 1959, pp. 17-20.

“Vital Vanheule, t’civielke, 21, 1, pp. 10-15.

ALBERT Maurice, Belgique gouvernante du Congo, Brussel, 1961.

ANSTEY R., “Belgian Rule in the Congo and the aspirations of het “évolué class in DUIGNAN P en GANN L. H., Colonialism in Afrika 1870-1960, Vol II, Cambridge, 1973, pp. 194-226.

ANSTEY R., King Leoplolds legacy. The Congo under Belgian Rule, 1908-1960, Londen, 1966.

Belgische overzeese biografie, VII deel 7, Brussel, 1989.

BLONDEEL W., FOUTRY V. en VAN MENSEL F., “Professor Van Bilsen:Kongo is een schoolvoorbeeld van kolonialisme. Een intervieuw, AVRUG-Bulletin, VII, 1980, 3-4, pp. 23-34.

BOURGEOIS R., Témoignages, tome 1, Fonctionnire territorial (1931-1960), volume 1, Tervuren, 1982.

BOURGEOIS R., Témoignages, tome 1, Fonctionnire territorial (1931-1960), volume 2, Tervuren, 1987.

BOURGEOIS R., Témoignages, tome 1, Fonctionnire territorial (1931-1960), volume 3, Tervuren, 1987.

BRAUSCH G., Belgian administration in the Congo, London, 1961.

BREMAN J., “Civilisatie en racisme. Een staat van terreur. Kongo rond de eeuwwisseling, De Gids. Kolonialisme, racisme en cultuurpoltiek, 1991, 5/6, pp. 448-493.

BRONDEEL Paul, Ik, blanke kaffer, Leuven, 1971.

CAILIAU Ph., Grote ontmoetingen. Jef Geeraerts.

COPPENS P., “La grande misère de nos adminsistrateurs territoriaux, revue coloniale belge, 1947, 29, pp. 295-297.

CORNEVIN R., Histoire du Congo Leopoldville-Kinshasa, Berger-Levrault, 1970.

CORNEVIN R., Histoire de Zaïre des origines à nos jours, Brussel, 1989.

D’HOORE W., De koloniale administratie en de dekolonisatie van Kongo, 1945-1960, KUL, 1986.

De Belgische administratie in Afrika. Plechtige onthulling van de gedenkplaten in hulde aan de leden van het bestuur van Afrika. 18 oktober 1994, Antwerpen, 1985.

DE VRIES P., Verhaal en betoog. Geschiedenis tussen post-moderne vertelling en sociaal-wetenschappelijke analyse, Leiden, 1995.

DE WITTE L., Crisis in de Kongo. De rol van de Verenigde Naties, de regering Eyskens en het koningshuis in de omverwerping van Lumumba en de opkomst van Mubutu, Leuven, 1996.

DEFOORT E., Het klauwen van de historicus, Antwerpen, 1996.

DEKOSTER L., “Grandeurs et servitudes du service territorial, Belgique d’outre-mer, 1958, 285, pp 778-779.

DEKOSTER L., “La fin de la territorial, Belgique d’outre-mer, 1959, 288, pp 160-161.

DEKOSTER, “La formation de l’admisnistrateur territorial, revue générale belge, april 1949, pp. 927-933.

DEKOSTER, “Le rôle de l’administrateur territorial, revue générale belge, maart 1949, pp. 727-931.

DEPOORTER Roger, Kommandant Charles Lemaire. Pionier en pedagoog 1863/1926, 1985, Antwerpen.

DEPOORTER Roger, Stanleyville, Ou le Lululaba devenait Congo, Brussel, 1992.

DERKINDEREN Gaston, Atlas van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi, Brussel, Amsterdam, 1955.

DOOM R., Derde wereldhandboek, Brussel, 1990.

DOOM R., “Het dertigjarenplan voor Kongo’s onafhankelijkheid. Enkele kritische nabeschouwingen, De Maand, maart 1971.

DUMONT G. H., “Positions et affrontements 1945-1960, Liber Amoricum A. De Schrijver, Gent, 1968, 359-382.

DURIEUX A., “Institutions politiques (1908-1960), Livre Blanc, I, pp. 255-282.

DURNEZ G., “Jef Geeraerts:ik schrijf omdat ik anders kapot ga, Vlaamse schrijvers:Vijfentwintig portretten, Antwerpen-Amsterdam, 1982, pp. 63-68.

ETABALA Z., Het Zaïre van Mobutu, Leuven, 1996

EYNICKEL H., Onze Congo, Antwerpen-Weesp, 1983

FIERLAFYN L., Le discours nationaliste au Congo belge durant la période 1955-1960, 1990.

FOUTRY V. en NECKERS J., Als een wereld zo groot waar uw vlag staat geplant:Kongo 1885-1960, Brussel, 1986.

FRIJHOFF W., Cultuur, mentaliteit:illusies van elites?, Nijmegen, 1984.

GALLE H. en THANASSEKOS Y., Le Congo. De la Découverte à l’indépendance, Brussel, 1983.

GANSHOF VAN DER MEERSCH W., Fin de la souverainité Belge au Congo. Documents et reflections., Den Haag, 1963.

GEERAERTS Jef, Schroot, 1963.

GEERAERTS Jef, Verhalen.

GEERAERTS Jef, Gangreen 1. Black Venus., Antwerpen, 1972.

GEERAERTS Jef, Gangreen 2. De Goede moordenaar, Brussel-Den Haag, 1972.

GEERAERTS Jef, Ik ben maar een neger, 1962.

GEERTS L., “Wat zal vader wel denken van Jef Geeraerts, de nieuwe, 21 november 1975, p. 18-19.

GEERTS W., Binza 10. De eerste 10 onafhankelijkheidsjaren van de democratische republiek Kongo, Gent-Leuven, 1970.

GERARD-LIBOIS J. en HEINEN J., Belgique, Congo, 1960. Le 30 juin pourquoi? Lumumba comment? Le potrefeuille pour qui?, Brussel, 1989.

GEVAERTS F., Vademecum voor de agenten van de gewestdienst van Belgisch Congo, Brussel, 1955.

GILLE A., “Adieu territoriale!, revue Belgo-congolaise illustrée, 1965, 2, pp. 6-10.

GILLE A., “Vocations Africaines : Le Congo appelle les jeunes., Belgique d’outre-mer, 1958, 284, pp. 713-714.

GREVISSE F., “la territorial en Question, Academie royale des sciences d’outre-mer, bulletin des scéances, 1984, pp. 421-427.

JACQUES G., In het hart van Afrika. De Saga van de Lualaba, Tielt, 1996.

KESTERGAT J., André Rijckmans, Parijs, 1961.

KESTERGAT, Quant le Zaïre s’appelait Congo. L’aventure coloniale Belge, Brussel, 1985.

LAUDE N., “Le service territorial, Belgique d’outre-mer, 1959, 286, p. 26.

MARTENS Ludo, 10 jaar revolutie in Kongo. De strijd van Patrice Lumumba en Pierre Mulele, Berchem, 1988.

Middelheim. Mémorial de l’institut Universitaire des teritoires d’outre-mer. Gedenkboek van het universitair instutuut van de overzeese gebieden, Antwerpen, 1987.

MONHEIM F., “Leopoldville en juin 1959, revue générale belge, juli 1959, pp. 29-46.

MOULAERT G., “L’avenir du Congo et le service territorial, Belgique d’outre-mer, 268, 1957.

MURDOCK G. P., TUDEN A. en HAMMOND P. B., “African People. Congo Basin, Colliers Encyclopedia, inc., 1967, volume 1, pp. 264-266.

PETILLON L. A. M, Témoignage et réflexions, Brussel, 1967.

Profiel Jef Geeraerts., Antwerpen-Amsterdam, 1991.

QUANTIN P., “Zaïre. Démographie et activités humaines, Encyclopaedia universalis, Paris, 1996, volume 23, pp. 962.

Redevoering gehouden op 12-10-1996 door R. DEPOORTER voor het koninklijk vriendenfonds van het UNIVOG-75 jaar.

REISDORFF I., L’homme qui demanda du feu, Bruxelles, 1995.

RUYS Manu, Vijfentwintig jaar Kongo-Zaire, Brussel, 1985.

SCHALBROECK I., Belgisch Kongo. De dekolonisatie van een kolonie, Tielt, 1986.

SCHIPPER J, koloniale opinies over Kongo, Leiden, 1970.

SLADE R., The Belgian Congo. Londen, 1960.

SOETE G., De Grijshemden, 1988.

STENGERS J. en VANDERLINDEN J., Pierre Rijckmans 1891-1959, coloniser dans l’honneur, 1994.

STENGERS J., “Note sur 3 aspects de l’ exercice des pouvoirs au Congo belge (1908-1960), Mededelingen der zittingen K. A. O. W, 1961, 7, pp. 559-580.

STENGERS J., Congo, Mythes et realites, 100 ans d’histoire, 1989, Gembloux.

STENMANS A, REYNTJENS F., La pensée politique du gouverneur-général Pétillon, Brussel, 1993.

STENMANS A., La reprise de Congo par la Belgique:essai d’histoire parlementaire et diplomatique, Brussel, 1949.

STENMANS A., Les premiers mois de la république du Congo, Brussel, 1961.

VAN BILSEN J., “Een dertigjarenplan voor de politieke ontvoogding van Belgisch Afrika, De gids op maatschappelijk gebied, XLVI, 12, december 1955, pp. 999-1028.

VAN BILSEN J., Kongo 1945-1965, het einde van een kolonie, Leuven, 1993.

VAN DE VELDE J.-J., “L’Ecole d’administration du Congo Belge et du Ruanda Urundi, Begique d’outre mer, 1959, 287, pp 83-84.

VAN DEN DOEL H. W., “De Verenigde Staten en Europa na 1945 in WILTERDINK N. en ZWAAN T., Het Europees labyrint. Nationalisme en natievorming in Europa, Amsterdam, 1991, pp. 348-363.

VAN EEGHEM Julien, getuigenissen van een koloniaal, oostkamp, 1993.

VAN HOECK A., De miskraam van moedertje dipenda, verhlalenbundel, 1968.

VAN HOECK A., “Ontstaan van de post-koloniale roman in 1959-1970, Vlaanderen-De Afrika Roman in Vlaanderen, 1989, nr 2, p. 5-6.

VAN HOVE J., Histoire du ministère des colonies., Brussel, 1968.

VAN ITTERBEEK E., “Jef Geeraerts rekent af, Ons erdeel, 1976, 1, 104-107.

VAN ITTERBEEK E. “Jef Geeraerts:Een Belgische controverse, Kultuurleven, 1970, nr 1, pp. 28-37.

VAN LEEUW Cl., L’administration territorial au Congo-Belge et au Ruanda-Urundi. Fondéments institutionelles et expérence vécue (1912-1960), RUCA, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1981.

VAN S. BRUAE
TESSENS Lucas
Telenet - Lange aanloop (gepubliceerd in Trends Top Informatica 1997)
Edited: 199700001001

De geboorte van Telenet is recent. Toch mogen we niet vergeten welke lange geschiedenis eraan vooraf is gegaan. In feite behoort de gehele uitbouw van de teledistributie sinds 1970 tot de aanloopperiode. Nergens ter wereld heeft men op zo'n grote schaal aan bekabeling gedaan als in België.
Het aantal abonnees van dit netwerk groeide van 213.350 abonnees in 1972 tot 3.657.648 eind 1996. In Vlaanderen zijn er vandaag zo'n 2,2 miljoen kabelabonnees, na correctie voor seizoenabonnees in de kustgemeenten geeft dit ongeveer 91 % van de huishoudens.

De groei viel vanaf de jaren tachtig onder de 5 % om sinds 1995 onder de één procent te duiken. De komst van VTM, dat sinds februari 1989 exclusief via de kabel te ontvangen is, zorgde in Vlaanderen nog voor een korte groeistoot. Tegelijk bond VTM de abonnee als het ware aan de kabelmaatschappijen. Dit is ook één van de redenen waarom privé-schotelantennes in België een randfenomeen bleven. VTM was voor de kabel een geschenk uit de hemel. Hieruit is alvast een les te trekken: inhoud is een sterk bindmiddel tussen hardware en consument.

Twee factoren verklaren kabelsucces: de kabel bracht bijkomend entertainment onder technisch voortreffelijke omstandigheden en tegen een lage prijs naar een kijker die meer dan ooit tevoren over koopkracht en vrije tijd beschikte. Een aansluiting op de kabel en het kiezen van programma's vergde van de eindgebruiker ook geen speciale vaardigheden, een voordeel wanneer men een technisch massaproduct op de markt gaat neerzetten.

In België zijn er via Belgacom zo'n 4,7 miljoen vaste telefoonaansluitingen actief. De telefoon was nuttig zonder meer maar men kon er weinig plezier aan beleven. Telefonie leverde niet meer dan een relatieve bereikbaarheid op. Ook is het opvallend dat antwoord- en faxapparaten zo traag ingang vonden in ons land. Telefonie heeft bovendien het nadeel dat een intensief gebruik ook meteen de rekening de hoogte injaagt. Na honderd jaar kent de telefoon een nieuwe boom dankzij de GSM, die mobiliteit toevoegt aan bereikbaarheid. Een paar jaar na de introductie lopen 800.000 Belgen met een zaktelefoon rond en bij de eeuwwisseling zouden het er twee miljoen kunnen zijn. Ook een zekere vorm van snobisme heeft de spectaculaire groei aangestuurd: een GSM-toestel aan de broeksband suggereert belangrijkheid van de omgorde.
De meest opvallende evolutie die bij de kabel te bemerken viel, was het stijgend aantal geleverde programma's: van negen in 1972 naar meer dan dertig vandaag. Vooral de opkomst van de satelliet-tv-stations vanaf het midden van de jaren tachtig heeft hiertoe bijgedragen.

Rond 1990 groeide bij de kabelmaatschappijen dan het besef dat de sector een saturatieniveau had bereikt. Eens de laat op gang gekomen bekabeling van Limburg achter de rug, ging de groei van het aantal abonnees zich uitdrukken in tienden van procenten. Bovendien zorgde een streng prijsbeleid, een lage inflatie en een tanende koopkracht (drop outs) voor een markt waaruit de 'rek' weg was.

De kabelmaatschappijen - over het algemeen samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, de intercommunales - waren echter niet bij machte om complementaire markten te gaan bespelen. Enerzijds ontbrak het aan strategisch inzicht, anderzijds zorgde de probleemloos geïnde kabelfrank voor een zekere gemakzucht. Een redelijke groei van de dividenden in de gemeentebegroting was meestal voldoende om 'avonturen' of nieuwe inzichten in de kiem te smoren. Bovendien waren de gas- en vooral de elektriciteitsbelangen van de intercommunales veel lucratiever. Een enkeling zoals Electrabelkabeldirecteur Norbert De Muynck was een roepende in de woestijn.

Het voorbeeld van FilmNet, sinds eind 1985 actief op de markt met een betaaltelevisiekanaal, dat maar niet op break-evenpositie geraakte, versterkte de trend van voorzichtigheid. Een segmentatie van het programma-aanbod werd uitgesteld wegens onzeker.

AL GORE. In januari 1993 zond de aantredende Vice-President Al Gore een duidelijk signaal uit. Internet, en netwerken in het algemeen, zouden de wereld veroveren. Ook Europa raakte in de ban van dit toekomstbeeld en de information highways werden constanten in toespraken. Op het Europese continent was een sterke penetratie van de breedbandige kabel enkel in de kleine, dichtbevolkte Benelux een realiteit. Hier stond men dus het dichtst bij die highways. In vele andere landen diende men nog te beginnen. Niet te verwonderen dat een echt Europees kabelbeleid in feite nooit bestaan heeft vóór het jaar 1994.

LAPPENDEKEN. In maart 1993 heeft het MERS in een rapport over de Vlaamse mediasector ("De Vlaamse Media"), opgesteld voor het Kabinet Van den Brande, gewezen op de "massale onderbezetting van de mogelijkheden van de kabel". Ook de structuur van de teledistributiesector kwam in het rapport uitgebreid aan bod. De verzorgingsgebieden van de 21 kabelmaatschappijen vormen op de kaart van Vlaanderen een 'lappendeken'.
In augustus 1997 besliste Leuven dan nog om tegen 1999 via Iverlek III een nieuw kabelnet in de stad uit te bouwen, in rechtstreekse concurrentie met het bestaande net van Radio Public. Versnippering was altijd al het meest opvallende kenmerk van de sector.
Het rapport bepleitte een interconnectie van de verzorgingsgebieden. Een signaal, te Maaseik ingespoten, zou dan in De Panne ontvangen moeten kunnen worden. Weg met de muurtjes, leve de ontsluiting!
Het Vlaamse teledistributienetwerk is ongeveer 53.000 km lang. Het zijn de kabels die men langs de gevels en op palen ziet. Slechts een klein deel ligt ondergronds. Het distributienetwerk wordt gevoed door circa 11.000 km primair net, vertrekkend vanuit de zogenaamde kopstations. De verhouding tussen beide delen van het TVD-netwerk ligt op ongeveer 5 km distributienet voor één km primair net. Het aantal abonnees per kilometer distributienet varieert enorm omdat de ene kabelmaatschappij actief is in een stedelijk gebied en de andere in een rurale streek. We hebben te maken met een vork van 31 (PBE) tot 74 (Integan) abonnees per km. Dit heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de return on investment (ROI) bij ingrepen op het net die het telefonierijp moeten maken. De fasering in de ombouw van het net (de plaatsing van terugwegversterkers, e.d.) zal normaal de ROI-logica volgen.
Statutair gezien zijn er vier soorten kabelmaatschappijen: de zuivere en de gemengde intercommunale, de privé-maatschappij en de gemeentelijke regie. Eind 1996 was zo'n 67 % van de abonnees aangesloten bij gemengde intercommunales, het samengaan van gemeenten en Electrabel. De zuivere intercommunales namen 31 % van de abonnees voor hun rekening.
Electrabel werd en wordt gedomineerd door Franse maatschappijen. Deze situatie stond haaks op de Vlaamse verzuchtingen die neergelegd waren in het zgn. 'verankeringsbeleid'. Het differentiëren van het kabelgebruik (welzijnsalarmering, telecontrole, video op aanvraag, enzovoort) zou meteen ook een versterking van de Fransen in de plots strategisch genoemde kabelsector betekenen. Anderzijds moest een kabelbeleid oog hebben voor de gemeentelijke autonomie, iets waaraan zowel de zuivere als de gemengde intercommunales sterk gehecht zijn. Een al te autoritair optreden van de Vlaamse regering of van het coördinerende GIMV tegenover de gemeenten kon vlug in het verkeerde keelgat schieten. Dansen op eieren leek een makkelijker bezigheid.

SPRAAKMAKENDE TELEFONIE. Een resem adviezen vulde het MERS-rapport van maart 1993 aan. Luc Van den Brande mag als de echte 'vader' van het Telenetproject worden bestempeld, want in oktober 1993 kondigde hij in zijn beleidsbrief de oprichting aan van een 'Studiesyndicaat Kabel'. In januari 1994 werd het MERS verzocht om een draft-opdracht voor dit studiesyndicaat uit te schrijven (zie ook onze vrije tribune in Trends van 13.1.1994 on de titel Koop de kabel ! ). Vervolgens kreeg de Gewestelijke Investeringsmaatschappij (GIMV) de taak toegewezen om de werkzaamheden van het onderzoeksteam te coördineren. De kabelsector was voor de GIMV onbekend terrein. De overheidsholding had aanvankelijk absoluut geen klare kijk op de mogelijkheden, al wil men dat vandaag niet meer toegeven. In juni 1994 kwam de werkgroep een eerste keer bijeen. In de prille beginfase lag het niet in de bedoeling om telefonie over het kabelnetwerk te gaan doen. Die optie kwam er een maand later, in juli 1994, en het is nog steeds niet uitgemaakt wie die optie heeft doorgedrukt. Een direct gevolg van die keuze was dat een vertegenwoordiger van Belgacom uit de werkgroep geweerd werd.
De 'hype' rond de liberalisering van de spraaktelefonie vanaf 1998 heeft zeer zeker bijgedragen tot het kiezen van de telefoniepiste. Het eindrapport van het Studiesyndikaat kwam er, rekening houdend met de draagwijdte van wat voorgesteld werd, ontzettend vlug. Ook de Vlaamse regering heeft qua decision making alle records gebroken, want op 26 oktober 1994 reeds was het eindrapport van het SNDKT in de Ministerraad goedgekeurd en was Telenet beleidsmaterie geworden. Vlaamse beleidsmaterie weliswaar. In telecomland was nog nooit zo hard gefietst. Ook de federale regering was op snelheid gekomen en werd onverhoeds geconfronteerd met een pril Vlaams telecombeleid dat roet in het eten kon gooien bij de gedeeltelijke privatisering van het nationale Belgacom. Telenet drukte de prijs van de Belgacomaandelen, zo werd beweerd. Het communautaire duiveltje liet zijn staart zien!

De verantwoordelijkheid die men op zich laadde was enorm: zowel de samenwerking tussen de kabelmaatschappijen als de financiering van het Telenetplan waren een uitdaging van formaat. Ook op technisch vlak diende men een wereldprimeur uit te dokteren. Het distributief opgebouwde kabelnetwerk (point - multipoint) zou drager worden van zowel televisiesignalen (het klassieke gebruik) als van spraaktelefonie, een per definitie punt-tot-punt-aangelegenheid. Dit laatste veronderstelt dat men over de kabel een zogenaamde 'terugweg' vanuit de huiskamer naar een schakelpunt creëert. De diverse schakelpunten moeten met elkaar verbonden worden door glasvezelkabels met hoog debiet.
Megacentrales worden gebouwd in volgende 7 gemeenten: Hoboken (Antwerpen), Brugge, Kortrijk, Gent, Brussegem (Asse), Leuven en Hasselt.

GEVOLGEN. Aangezien de keuze voor telefonie over de kabel zoveel aandacht en knowhow vereiste, is het verklaarbaar dat de multimediatoepassingen, waarvoor de kabel eigenlijk het meest aangewezen is, naar achter werden geschoven. De concurrentie met het federale Belgacom, inmiddels opgenomen in een internationaal consortium (met Ameritech, Singapore Telecom en Tele Danmark), stond in het brandpunt van de belangstelling. De intrede van US West, één van de Amerikaanse Baby Bell's, in Telenet moest tegelijk voor cash en voor de zo noodzakelijke technologiepush zorgen. De aanspraken van bijvoorbeeld Alcatel, met de belangrijke Bellvestigingen te Antwerpen en te Geel, waren daarmee zo goed als teruggefloten. Daar werd meteen geschermd met het zo gevoelige punt van de werkgelegenheid. Later werd Alcatel wel als leverancier aangesproken. Maar achter de schermen bleef het 'verankeringsdossier' toch een sleutelrol spelen. Bij de keuze van de telefoniepartner heeft men zeer zeker geopteerd voor een verre Amerikaan, liever dan voor een nabije Fransman. Of de knowhow van US West inzake kabeltelefonie zo uniek was, valt te betwijfelen. Immers, de ervaring die US West via haar dochter Telewest had opgebouwd in Groot-Brittannië was gestoeld op het gebruik van de klassieke telefoonkabel (twisted pair) naast de klassieke teledistributiekabel (coax). In de UK duwt men dus twee kabels bij de abonnee binnen. In feite kan men zeggen dat nooit eerder een telefonieproject op zo'n grote schaal was uitgetest waarbij televisie- én telefoniesignalen over één en dezelfde kabel getransporteerd werden. In de latere engineeringfase zou blijken dat de technische uitdaging groter was dan verwacht en dat nog veel labowerk nodig was om het netwerk effectief te doen functioneren.

FINANCIERING. De financiële inspuiting die Telenet vergde werd door het SNDKT geraamd op 47 miljard BEF, te spreiden over 15 jaar. Het project oversteeg daarmee niet zozeer de financiële slagkracht van Vlaams kapitaal, maar vooral het durfpotentieel dat in onze contreien aanwezig is. Ook de al te zwakke want versnipperde organisatie van het Vlaamse kapitaal kwam hiermee aan het licht. De gemengde kabelintercommunales hebben zich via een ingewikkeld financieringssysteem laten indekken door Electrabel. Hierdoor kunnen de gemeenten blijven rekenen op de klassieke kabeldividenden en toch meesnoepen van zodra telefonie begint op te brengen. Voor dit ontwijken van risico betalen de gemeenten natuurlijk een prijs. In feite trekt Electrabel haar dominante positie die zij in kabelland al had nu ook door binnen de kabeltelefonie. De dimensie van het investeringspakket en van de risico's moest haast onvermijdelijk leiden tot een dans tussen groten. De onderhandelingen om de aandeelhouders bijeen te krijgen hebben uiteindelijk tot september 1996 geduurd.

BELGACOM ALERT. Straks krijgt het oude en grote - maar op wereldvlak onbeduidende - Belgacom dus te maken met een Vlaamse concurrent. Bij Telenet wil men niet zoveel kwijt over hoe men die concurrentie gaat aanvatten. Men zou de nationale operator met prijsverminderingen te lijf gaan, zo werd in januari 1997 nog gezegd.
Die marketingkeuze was cruciaal én gevaarlijk. Mocht dit waar zijn geweest dan onderschatte men het ontwakingsproces dat Belgacom sinds 1992 heeft doorgemaakt. De periode van Bessel Kok mag dan turbulent geweest zijn, zij heeft aangetoond dat de revolutie niet aan Belgacom zou voorbijgaan. Ook heeft Belgacom heel wat concurrentie-ervaring opgebouwd met het GSM-dossier en heeft het bewezen snel een draadloos netwerk uit de grond te kunnen stampen. Belgacom is dus alert en kan putten uit de opbrengsten van de klassieke en de moderne mobiele telefonie. Dat Telenet en Mobistar gedoemd zijn om samen op te tornen tegen Belgacom-Proximus lijkt volgens sommigen dan ook een evidentie. Mobistar geeft toe dat er gepraat wordt.
Wat er ook van zij, met zijn 139 miljard BEF omzet in 1996 is Belgacom een geducht concurrent voor Telenet en eerstgenoemde zou wel eens een langere 'prijsadem' kunnen hebben dan Telenet.
In augustus '97 laat men een ander geluid horen. "Telenet start waar ISDN stopt", klinkt het nu. Daarmee wisselt het geweer van schouder: de diensten en de breedbandigheid worden naar het voorplan geschoven. Ook in de sfeer van de aangeboden eindapparatuur zou Telenet voor een verrassing zorgen.


BREEDBANDIGHEID EN MARKETING. Natuurlijk geeft Telenet niet al zijn troefkaarten zomaar bloot. De ultrasnelle toegang tot (een selectief gedeelte van) internet is zo'n troef. Deze dienst wordt aangeboden onder de benaming 'Pandora'. Hierbij worden een aantal databanken ingeladen in een zogenaamde proxi-server die rechtstreeks op het breedbandige fiber-coax-netwerk (HFC, hybrid fiber coax) van Telenet is aangekoppeld. De bottle neck van het smalbandige klassieke telefonienet wordt daardoor omzeild. Een maandabonnement op Pandora kost 1.500 BEF en dat bedrag dekt ook alle communicatiekosten. De eenmalige installatiekost, inclusief de kabelmodem, bedraagt 10.000 BEF. De testfase is veelbelovend. Toch komen we hier bij de sleutelkwestie rond Telenet: hoe haal je uit de breedbandigheid van het gebruikte netwerk een comparatief voordeel op Belgacom? We zitten dan dicht bij de vraag welke inhoud er in de proxi-server moet worden gestopt. Die kwestie wordt op statistische basis opgelost. Internetsites die veel geconsulteerd worden, komen bovenaan het lijstje om ingeladen te worden in de proxi-server. Het kijkcijfer gaat ook hier dus een cruciale rol vervullen. Probleem blijft de extreem lage penetratie van internet in Vlaanderen.
De proxi-server zal in feite een draaischijf worden van door derden aangeboden inhouden. De digitalisering van alle informatie-inhouden en van de gehele entertainmentproductie opent perspectieven die in het begin van de XXIste eeuw voor een ware revolutie zullen zorgen. Heel ons cultureel erfgoed en alle onderwijspakketten worden immers gemakkelijk transporteerbaar over die netwerken. Dit is geen droom. De vraag is niet meer of dat soort informatiemaatschappij eraan komt, wél hoe snel het zal gaan.
Dit facet van Telenet wordt voorlopig nog op de achtergrond gehouden. Het gehele project is nog al te zeer techno-driven om met zulke kwesties bezig te zijn.

BIG BROTHER? Een voorbeeld toont aan hoe maatschappelijk en hoe ethisch de aangelegenheid wel kan worden. Neem nu de affaire Dutroux. De wanstaltigheid ligt natuurlijk in de aard van het delict zelf. Maar ligt ze niet evenzeer in het gebrek aan communicatie? Is het verstoppertje spelen van politiediensten en parketten niet misdadig? Hoe zwaar weegt de verantwoordelijkheid op het beleid indien men de technologie niet inzet daar waar ze moet ingezet worden? Quid indien men opteert voor geslotenheid i.p.v. voor openheid in een zo essentieel dossier als de burgerlijke veiligheid?
Het al dan niet inschakelen van performante netwerken en databases is vandaag geen technologische optie, maar een maatschappelijke én dus een politieke. De trage maar gestage popularisering van internet heeft voor velen duidelijk gemaakt dat afstand niet langer een rol speelt in de informatieoverdracht. De afstand tussen Brussel en Buenos Aires is even kort als die tussen Luik en Charleroi. Na miljoenen jaren drijven de continenten terug naar elkaar toe. Nu het technische 'non possumus' van de baan is geveegd, wordt in de discussie vrij vlug geschermd met gemeenplaatsen zoals Big Brother en privacy. Maar de maatschappelijke evolutie is van die aard dat vandaag enkel criminele organisaties en financiële sjoemelaars profiteren van het niet-bestaan van goed georganiseerde computernetwerken waarin op gecontroleerde manier wordt omgegaan met vitale veiligheidsinformatie. De breedbandigheid én dus de snelheid waarmee enorme pakketten via Telenet getransporteerd kunnen worden, zijn morgen argumenten om de beleidsmakers tot creativiteit en het afleggen van verantwoording te dwingen.

ONDERWIJS EN PC-VAARDIGHEID. Een laatste teer punt ligt in het opleidingsniveau van het publiek. Waar haalt de gewone burger straks de vaardigheid vandaan om met ingewikkelde eindapparatuur om te gaan? Worden de installatieprocedures sterk vereenvoudigd? Wat investeren we in opleiding en begeleidende communicatie? Wanneer confronteren we onze kinderen met de pc: op 4, op 6 of pas op 12 jaar? Welke software maken we hen eigen? Of moet dit debat niet gevoerd worden en klaart in de markt alles vanzelf uit? De 11-juli-toespraak van Luc Van den Brande is terzake vrij radicaal. Tegen 2001 wil de Vlaamse regering alle jongeren van 12 jaar een pc-opleiding bezorgen. Het prijskaartje bedraagt 2 miljard BEF. Een peulenschil. Toch schrikken sommigen van een investering van enkele duizenden franken per leerling. Net alsof opleiding een luxe zou zijn. Allerminst. Een maatschappij in mutatie kan het zich niet permitteren eenzijdig te kiezen voor een technologiestoot zonder onderwijsverandering. Indien een bedrijf zoals Belgacom met miljarden het grootste intern herscholingsprogramma in België gaat realiseren, dan moet dat toch een niet mis te verstaan signaal zijn dat opleiding vitaal is. Telenet krijgt pas echt zin als het een rol gaat spelen in een breed sociocultureel kader. Pure telefonie met enkele ingenieuze toeters en bellen vormt een te smalle basis om de markt te bekoren.
TRENDS/Tessens/MERS
Trends 17 april 1995, rubriek Inside: Telenet Vlaanderen. Electrabel niet 'incontournable'.
Edited: 199504171685
Over de niet-verlenging van de vergunningen voor teledistributie (kabel).

TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
Beknopte historiek van de Standaardgroep (1914-1994) en Het Volk (1891-1994)
Edited: 199411100901


DE STANDAARD

Op 2.5.1914 wordt de NV De Standaard opgericht. Wegens WO I kan het eerste nummer van De Standaard slechts op 4.12.1918 verschijnen. Op 28.7.1919 koopt De Standaard een gebouw aan de E. Jacqmainlaan te Brussel. Vanaf 11.7.1921 laat de uitgeverij te Antwerpen het dagblad 'De Morgenpost' (1921-1940) verschijnen. In 1924 koopt de NV De Standaard de SA Imprimerie Nationale, omgedoopt tot NV Periodica. In 1927 verwerft Gustaaf Sap de meerderheid van de aandelen van de NV De Standaard n.a.v. een kapitaalsverhoging. In 1929 start men met de polulaire editie 'Het Nieuwsblad'. In datzelfde jaar wordt Sap volledig meester van NV De Standaard. In 1937 slorpt Het Nieuwsblad 'Sportwereld' op. In 1940 overlijdt Gustaaf Sap en tijdens WO II verschijnen de kranten van de groep niet. Na het lichten van het sekwester op Periodica kan 'De Nieuwe Standaard' opnieuw verschijnen op 10.11.1944 maar ditmaal onder verantwoordelijkheid van een groep mensen rond Tony Herbert . In 1947 slagen de erven Sap erin de controle terug te krijgen en op 1 mei 1947 verschijnt 'De Standaard' opnieuw. De schoonzoon van Gustaaf Sap, Albert De Smaele, neemt de leiding op zich. In 1957 slorpt 'De Standaard' 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad' op. In mei 1957 verwerft de Standaardgroep 'Het Handelsblad' (8.12.1844-1979) uit Antwerpen. In 1962 koopt de groep de dagbladen 'De Gentenaar' (1879-heden) en 'De Landwacht' (1890-1979) op en schakelt de inhoud van 'Het Handelsblad' gelijk met die van 'Het Nieuwsblad'. In 1966 laat men twee titels vallen : 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad', subtitels geworden van 'Het Nieuwsblad'. In 1969 richten NV De Standaard en NV De Vlijt op paritaire basis de NV Perexma op die het tv-blad 'TV-Ekspres' zal gaan uitgeven. Tegelijk verwerft De Standaard de exploitatierechten op het weekblad ZIE van De Vlijt. Vanaf 1970 gaat de groep zich echt interesseren voor haar inmiddels uitgebouwde aktiviteiten in Frankrijk. In 1972 neemt de NV Periodica twee drukkerijen over van de groep Lambert. In 1974 en daarna gooit de Standaardgroep zich op de touroperator-sektor. In 1975 richten De Vlijt, Concentra en De Standaard samen de Groep I Dagbladen NV op; de samenwerking tussen deze drie voor de gezamelijke acquisitie van nationale themareklame bestond al van in 1968. In 1975 komt de dépistage-dienst van de Rechtbank van Koophandel te Brussel zware financiële moeilijkheden van de Standaardgroep op het spoor. De ministerraad van de regering Tindemans bespreekt de moeilijkheden van drukkerij Periodica en de Standaardgroep op volgende vergaderingen: 5, 12 en 15 december 1975, 27 februari, 5 maart en 14 juni 1976. PDG De Smaele slaat de raad van zijn invloedrijke en uitstekend geïnformeerde hoofdredacteur, dhr Manu Ruys, om de gezonde kranten uit het concern te lichten voor het te laat is, in de wind. Op 19 mei 1976 wordt de NV Periodica, grootste drukkerij van de groep, ambtshalve in faling verklaard. De rest van de groep wordt meegesleurd in dé mega-faling van de Belgische pers. Na mislukte concordataire plannen van de aandeelhouders, politieke interventies, nachtelijke beraadslagingen, komt dhr André Leysen met een reddingsplan. Hij slaagt erin een waterdicht schot te slaan tussen de gefailleerde vennootschappen en de toekomst van de dagbladen, waarvan hij - weliswaar na een justitiële procedure over de waardebepaling - de titels voor 52 miljoen van de curatoren kan kopen. De weekbladen-poot van de groep gaat grotendeels over in de handen van de zgn. groep Maertens-Van Thillo-Brébart. De sociale kost van het faillissement is enorm hoog : meer dan duizend werknemers staan op straat. Voor de dagbladen wordt de oplossing op 26.6.1976 gevonden en op 29 juni 1976 verschijnen ze onder verantwoordelijkheid van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij - afgekort VUM - een vennootschap met een kapitaal van 120 miljoen BEF. De aandeelhouders situeerden zich in de Antwerpse zakenwereld en de scheepvaart. De stroomopwaartse bindingen van de redders van de Standaardgroep stonden toen niet ter discussie. Reeds in 1977 is de VUM winstgevend en dat niettegenstaande de voortdurende weigering van VUM om de directe perssteun te aanvaarden. Op 15.2.1979 laat de VUM Het Handelsblad verdwijnen. In 1979 laat de VUM, als eerste een onderzoek doen dat gaat in de richting van redactionele marketing. Op 30.5.1979 wordt beslist om zowel de maatschappelijke zetel als de administratieve zetel van de VUM over te plaatsen van Antwerpen naar Groot-Bijgaarden. In 1980 trekt de VUM zich terug uit de publicitaire pool Groep I Dagbladen. In 1981 boekt de VUM een rekordwinst van 87 miljoen BEF. Vanaf 1982 begint VUM met een nieuw opmaaksysteem voor de kranten. In 1982 staat dhr Verdeyen, directeur-generaal, aan de wieg van Mediatel, een onderzoekscel van de BVDU, die moet speuren naar de nieuwe mogelijkheden van electronic publishing voor dagbladen. In oktober 1982 verklaart de VUM niet meer mee te willen zoeken met de andere uitgevers naar mogelijkheden voor commerciële tv in Vlaanderen. Op 26.5.1982 beslist de buitengewone algemene vergadering van de VUM bij eenparigheid van stemmen om het kapitaal terug te brengen van 200 miljoen tot 100 miljoen BEF. In juni 1984 sticht VUM samen met Het Belang van Limburg, de Financieel Ekonomische Tijd, Electrafina en Gevaert de vennootschap Onafhankelijke Televisie Vlaanderen. De rest van de Vlaamse pers sticht een CV Vlaamse Media Maatschappij, eveneens erop gericht om in Vlaanderen een commercieel station op te zetten. In 1984 brengt dhr André Leysen een boek uit waarin hij, sprekend over de winstcapaciteit van de VUM, stelt : "We stellen nu vast dat de belasting die we op onze winst betalen, ongeveer overeenkomt met de overheidssteun aan de Vlaamse pers. We voelen ons dan ook de weldoeners van de andere kranten." Die arrogantie zet veel kwaad bloed bij de collegae-uitgevers. Op 20.9.1984 start de VUM, via haar dochter Infotex, met een tabloïd volksdagblad '24 uur' dat echter reeds op 26.10.1984 haar uitgave moet staken; het dagblad werd zwaar geboycot door de dagbladverkopers die het niet namen dat het dagblad ook buiten hun circuit gedistribueerd werd. Op 4.11.1985 beslist OTV bij monde van DG Verdeyen om niet meer deel te nemen aan de zgn. Astoria-gesprekken (de gesprekken tussen de Vaste Commissie van de BRT en VMM en OTV met als thema de overdracht van het tweede BRT-net aan de uitgevers); OTV is van mening dat alleen een volledige privatisering van dat net een volwaardig alternatief is voor een commercieel net. Tussen OTV en VMM komt het uiteindelijk ook niet tot een akkoord om samen zo'n commercieel TV-station op te zetten; ook politieke druk brengt geen aarde aan de dijk. Op 11.7.1986 verpreidt het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven een strooibiljet met daarop de kop van De Standaard en de tekst "Alles voor Leysen, Leysen voor RTL. Leysen toont de weg. VUM - GBL - Frère - Generale - RTL", daarmee doelend op die stroomopwaartse binding. Op 17.10.1986 creëert de VUM winstbewijzen voor het personeel en wil het daarmee belonen voor hun bijdrage tot het resultaat van de onderneming. In 1987 schrijft dhr Leysen in een boek : "We hebben ook een tijdlang in commerciële tv geloofd, maar onze ambities op dat vlak zijn nu merkelijk afgekoeld". De VUM is er dan ook niet bij wanneer op 27.10.1987 VTM wordt opgericht. Concentra, met het Belang van Limburg, had zich tevoren losgemaakt van OTV en de overstap gedaan naar VMM en participeerde zodoende wél in het tv-station. In juli 1988 verlaat dhr Piet Antierens, commercieel direkteur van de VUM, de vennootschap om dezelfde funktie te gaan waarnemen bij de nog op te starten VTM. Op 15.3.1990 verkoopt VUM de belangrijkste produkten en aktiviteiten van de NV Sydes en de NV Infotex aan Delaware Computing NV; het personeel wordt door deze laatste overgenomen. In juni 1990 beslissen BRTN en VUM om samen een publiciteitsregie op te richten voor radioreklame, de VAR. In juli 1990 koopt de VUM het tweetalige blad voor kaderleden 'Intermediair/Intermédiaire' over van Diligentia Business Press. In december 1990 zegt VTM-Voorzitter J. Merckx over een toetreding van de VUM tot de VTM : "VTM est une maison close, mais pas un bordel". In 1991 weigert de VUM haar medewerking aan een sectoriële doorlichting van de pers door Ernst & Young, uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse economie-minister De Batselier. Op 14.11.1991, in een interview in Humo zegt dhr Leysen : "Ik heb me vergist inzake het commercile succes van VTM op korte termijn. Maar ik ben nog altijd blij met onze beslissing omdat De Standaard het boegbeeld zou geworden zijn van die VTM, en ik vreesde dat het cultureel niveau zo laag zou zijn, dat ik niet graag had dat de Standaard-lezer daarmee verbonden werd. En dat gevoel heb ik nog altijd : de programma's zijn niet bijzonder hoogstaand. En ik zou ook vandaag niet participeren." Op 17.3.1992 antwoordt dhr Leysen, in een vraaggesprek met de lezers van De Standaard, op de vraag of onze cultuur in een Europees verband niet in de verdrukking dreigt te komen : "De vervlakking van de Vlaamse cultuur vindt niet zozeer plaats door Engelse of Franse invloeden, als wel door de VTM." Op 20.5.1992 deelt de VUM via haar dagblad De Standaard mee dat, voor de eerste keer in haar geschiedenis, haar omzet gedaald was (-3,61 % in 1991 tegenover 1990). Volgens een mededeling van VUM (DS, 5.6.1993) bedroeg de nettowinst over 1992 148 miljoen tegen 110 miljoen over 1991; de omzet zou gestegen zijn tot 3,74 miljard; terwijl de verkochte oplage van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de populaire bladen van de VUM, daalde, steeg de verspreiding van De Standaard met 1,7 procent in 1992; VUM betaalde over het exploitatiejaar 1992 111 miljoen frank belastingen; het bedrijf investeerde in een derde moderne Wifag-pers. Op 29.1.1993 lanceert VUM Standaard-magazine, een gratis bijlage op vrijdag bij De Standaard. Standaard Magazine wordt gedrukt op de persen van Concentra (Belang van Limburg). Wellicht door deze gratis bijlage steeg de verkochte oplage van De Standaard over de eerste vier maanden van 1993 met 5.000 ex. tot 76.000 ex., aldus een mededeling van VUM. Voor de tweede helft 1993 kondigde de VUM een weekbladinitiatief maar op 3 juli 1993 wordt dit project afgeblazen omdat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn. Verder wordt er in 1993 een vierde Wifag-pers geïnstalleerd (in gebruik sinds juli 1993) en investeert men 250 miljoen in electronische pagina-opmaak. Op 1 oktober 1993 verhoogt De Standaard zijn losse verkoopprijs van 25 naar 28 frank terwijl Het Nieuwsblad en De Gentenaar van 25 naar 26 frank stijgen. De Standaard doet daarmee 3 zaken : het bevestigt zijn karakter van elitekrant, doorbreekt het sinds WO II bestaande prijskartel van de dagbladen en rekent op de inelasticiteit van de vraag naar kranten (zie ook de grafiek betreffende de evolutie van de dagbladprijs sinds 1947 in de bijlagen). De vennootschap raakt eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In februari 1994 komt De Standaardgroep met de Het Volk tot een akkoord om een gezamenlijke reklameregie - 'Scripta Plus' (later omgedoopt tot Scripta) - uit te bouwen tegen het najaar. De VUM neemt een aandeel van 50 % voor zijn rekening. Ook Concentra en Roularta Media Group (RMG) sluiten aan en het aandeel van ieder wordt op 25 % gebracht. Daarmee is, na de totstandkoming van 'Full Page', een tweede grote dagbladregie gecreëerd. Op 5 maart 1994 lanceert 'Het Nieuwsblad' een vaste weekendbijlage 'Zaterdag' (16 blz. tabloïd-formaat, life-style en culturele onderwerpen). Op 4 mei 1994 bevestigt Directeur-Generaal Verdeyen dat er gesprekken over samenwerking aan de gang zijn met SBS, de groep die een commercieel tv-net, naast VTM, wil opstarten in Vlaanderen (zie verder); toch draagt de mogelijkheid van reklame op de BRTN-tv de voorkeur van VUM weg; een participatie van VUM in VTM zou niet meer actueel zijn, aldus de DG. Eind mei 1994 treedt de Concentra-groep met Het Belang van Limburg toe tot de regie Scripta Plus. Tijdens de zomervakantie biedt de VUM Het Nieuwsblad aan de Belgische kust aan tegen een prijs van 15 BEF . Eind augustus 1994 treedt de VUM, in samenspraak met de Roularta-groep, op in de overnamegesprekken voor Het Volk. Ook De Persgroep en De Vlijt waren in de running. Op 4.11.1994 neemt de VUM de NV Drukkerij Het Volk over. In een aantal perscommentaren werd gesteld dat er politieke tussenkomsten waren gevraagd door VUM om Het Volk te kunnen inkopen. In een opiniestuk in De Standaard van 10 november 1994 reageert dhr Leysen, VUM-Voorzitter, hierop als volgt, en wij citeren : "Wij kregen de voorkeur omdat we een betere offerte deden, ook wat de tewerkstelling in Oost-Vlaanderen betreft. Dura veritas, sed veritas." In hetzelfde artikel herneemt dhr Leysen zijn stelling uit 1984 betreffende perssteun en belastingen : "Wij hebben als enige dagbladgroep nooit subsidies aanvaard en hebben meer belasting betaald dan alle andere dagbladgroepen samen, de Belgische weekbladgroepen waarschijnlijk incluis." Prosperitate rerum in vanitatem uti!
(...)
Vanaf 30 september 1999 verdwijnt het AVV-VVK-symbool van de front(sic!)pagina.

(...)
In 2005 lanceert VUM een pulpdagblad onder de titel 'Espresso'. Het blad wordt weldra van de markt gehaald.





HET VOLK
Het Volk is steeds het dagblad in de handen van de Christelijke Arbeidersbeweging geweest en werd gesticht in 1891. In 1928 neemt Het Volk het Brusselse 'De Tijd' over. Na WO II wordt Het Volk geherkapitaliseerd door Adolf Peeters, een Mechels handelaar die zich in 1950 terugtrekt; zijn inbreng wordt vervangen door een lening bij de BAC. Op 9.8.1950 wordt de rotatie geteisterd door brand maar kan blijven verschijnen door hulp van 'De Gentenaar'. Vanaf midden september 1950 wordt 'De Nieuwe Gids' (met het kopblad 'De Antwerpse Gids') gedrukt op de persen van Het Volk. In juni 1951 lanceert Het Volk in Kongo het weekblad "De Week", gedrukt op de persen van "Le Courrier d'Afrique"; De Week is het eerste en enige Vlaamse weekblad in Kongo. Op 1.3.1952 lanceert Het Volk het weekblad 'Zondagsblad'. Op 29.4.1962 lanceert Het Volk 'Spectator'. Op 15.11.1983 brengt de uitgeverij het populair-wetenschappelijk maandblad 'EOS' op de markt. Op 2.3.1985 wordt bij Het Volk een nieuwe coldset rotatie (Colorman) in gebruik genomen en wordt het tabloid-formaat verlaten voor het Belgisch formaat. In augustus 1985 verlaat dhr Van Tongerloo, directeur-generaal, het bedrijf om als directeur-generaal in dienst te treden bij De Vlijt. Hoe raar het ook mag klinken: de overstap van Van Tongerloo was bedisseld door Jan Merckx en werd aan de goedkeuring van o.a. Het Laatste Nieuws voorgelegd tijdens een diner in restaurant 'L'Oasis' te Brussel. In 1986 treedt dhr Antoon Van Melkebeek in dienst als directeur-generaal. Als op 28.10.1987 VTM wordt opgericht participeert NV Drukkerij Het Volk voor 11,11 % in het kapitaal. In februari 1989 komt de uitgeverij met 'TV-Gids' op de markt, een rechtstreekse concurrent voor 'TeVe-Blad' van Perexma. In 1990 voert Het Volk het Electronisch Redactioneel Systeem (ERS) in. In juni 1991 verlaat dhr Antoon Van Melkebeek de uitgeverij. Hij wordt tijdelijk vervangen door een driemanschap bestaande uit de verantwoordelijke van de technische directie (dhr De Geeter), van de redactie (dhr E. Van Den Bergh) en van de administratie (dhr Vandenbussche). Per 16.1.1992 komt dhr Elmar Korntheuer (°1942), voorheen management consultant, in dienst als directeur-generaal en werkt samen met de Direktieraad een strategisch plan uit voor 1992-1996. Dit plan wordt op 25.9.1992 unaniem goedgekeurd door de veelkoppige Raad van Bestuur. Het doel is de oplagedaling om te buigen en de bedrijfsexploitatie opnieuw rendabel te maken; men zal zich concentreren op uitgeven (Het Volk, De Nieuwe Gids, Zondagsblad, TV-Gids, EOS, Jommeke-strips) en drukken in rotatie-offset terwijl andere aktiviteiten die niet tot de core-business behoren zullen worden afgebouwd (8 boekhandels, boekendistributie/grossierderij en de distributie van tijdschriften voor derden). Op 1.7.1992 komt Mevr. M. Moonen (ex-VUM) in dienst als commercieel direkteur. Per 1.1.1993 neemt dhr Karel Anthierens, voordien hoofdredacteur van het weekblad 'Panorama/De Post', de hoofdredactie van Het Volk op zich. Vanaf 16.3.1993 worden de lay-out (Phill Nesbitt, USA) en de redactionele formule van Het Volk gewijzigd. Een en ander gaat gepaard met een dure promotiecampagne die zijn sporen nalaat in de exploitatierekening. In de opmaak is er een belangrijke evolutie : de pagina's komen full-page uit de computer. Voor de drukkerij worden ook in 1992/93 grote investeringen gedaan ter vervanging van de 32 p. heatset rotatiepers. In 1992 werden op het industrieterrein van Erpe-Mere gebouwen aangekocht en wordt er een nieuwe heatset rotatie geïnstalleerd die in november 1993 operationeel werd. Bijkomende investeringen : encartagesysteem voor publicitaire folders, aanpassing van de verzendingszaal en informatisering. Totaal investeringsbedrag 1992-1994 : 850 miljoen BEF geprogrammeerd, 900 miljoen BEF geïnvesteerd. Tegen eind 1993 moest een personeelsinkrimping van 600 naar 550 gerealiseerd zijn (115 afvloeiïngen, waarvan 2/3 door brugpensioen en 65 aanwervingen voor voornamelijk nieuwe funkties). Tijdens het tweede trimester van 1993 neemt Het Volk deel aan de herschikking van de VTM-aandelen in het kader van de oprichting van de Vlaamse Media Holding (VMH). Dit komt per saldo neer op een desinvestering in VTM (van 11,11 % naar onrechtstreeks 7,8 %) hetgeen de financiële struktuur van de uitgeverij ten goede komt (al is die nooit slecht geweest en bleef de solvabiliteit altijd op een meer dan behoorlijk peil) en haar zware investeringen helpt te financieren.

uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling' (1994)
Enkele aanvullingen betreffende de vergaderingen van de ministerraad (20180110)
CLANCY Tom (based on the novel of -)
Clear and Present Danger - 1994
Edited: 199408024455
Clear and Present Danger (film)
From Wikipedia, the free encyclopedia
Directed by Phillip Noyce
Produced by
Mace Neufeld
Robert Rehme
Screenplay by
John Milius
Donald E. Stewart
Steven Zaillian
Based on Clear and Present Danger
by Tom Clancy
Starring
Harrison Ford
Willem Dafoe
Anne Archer
James Earl Jones
Music by James Horner
Cinematography Donald McAlpine
Edited by Neil Travis
Production
companies
Paramount Pictures
Mace Neufeld Productions
Distributed by Paramount Pictures
Release date
August 3, 1994
Running time
141 minutes[1]
Country United States
Language English
Budget $62 million[2]
Box office $215.9 million[2]
Clear and Present Danger is a 1994 American spy thriller film directed by Phillip Noyce[3] and based on Tom Clancy's novel of the same name. It was preceded by the 1990 film The Hunt for Red October and the 1992 film Patriot Games, all three featuring Clancy's character Jack Ryan. It is the last film version of Clancy's novels to feature Harrison Ford as Ryan and James Earl Jones as Vice Admiral James Greer, as well as the final installment directed by Noyce.

As in the novel, Ryan is appointed CIA Acting Deputy Director, and discovers he is being kept in the dark by colleagues who are conducting a covert war against a drug cartel in Colombia, apparently with the approval of the President. The film premiered in theaters in the United States on August 3, 1994, and was a major financial success, earning over $200 million at the box office.[2]

Plot
The discovery of the murder of an American businessman, Peter Hardin, and his family, outrage U.S. President Bennett, Hardin's personal friend. When Hardin is found to have been connected to a Colombian drug cartel, from which he skimmed over $650 million, Bennett tells James Cutter, his National Security Advisor, that the cartels represent a "clear and present danger" to the U.S., tacitly instructing him to use illegal force against the men responsible for his friend's murder. Jack Ryan, appointed acting Deputy Director of Intelligence after Vice Admiral Jim Greer is stricken with cancer, asks Congress for increased funding for ongoing CIA operations in Colombia, believing the funds to be for advisory purposes only.

Keeping Ryan in the dark, Cutter turns to the CIA's Deputy Director of Operations Bob Ritter to take down the cartel. Ritter assembles a black operations team with the help of John Clark. The team inserts itself into Colombia, with Clark running logistics and Captain Ricardo Ramirez leading the squad on the ground in clandestine search-and-destroy missions against the drug cartel. Meanwhile, Bennett sends Ryan to Colombia to investigate Hardin's cartel connection.

The cartel leader responsible for Hardin's murder, Ernesto Escobedo, is enraged when the U.S. attempts to claim the $650 million that was stolen from him, and has his intelligence officer, Félix Cortez, try to retrieve the funds. Bennett sends FBI Director Emil Jacobs to meet Ryan in Colombia and negotiate for the money, and when Cortez discovers this, he plans an ambush, engineering it so that suspicion will fall on Escobedo. Ryan barely escapes the ambush, but the rest of the entourage is killed. Escobedo then calls a meeting with other cartel leaders, which Clark's team hits with an airstrike, but Escobedo is late arriving and survives.

Cortez discovers the U.S.'s involvement in the strike, and meets with Cutter to broker a deal. Cortez will assassinate Escobedo and take over the cartel, promising to reduce drug shipments to the U.S. and allow American law enforcement to make regular arrests to make it appear as if the U.S. is winning the drug war. In exchange, Cutter will shut down all U.S. operations in Colombia and allow Cortez to hunt down Clark's soldiers. Cutter agrees and orders Ritter to get rid of all evidence of their operations and cut off the troops in Colombia from all support. Ryan is played a recording of the conversation between Cutter and Cortez. He hacks Ritter's computer and discovers the conspiracy unfolding in Colombia.

The black-ops team is ambushed in Colombia by Cortez's men. Ryan arrives and convinces Clark to allow him to help. They find the team's sniper, Chavez, who tells them that Ramirez and a squadmate have been captured and the rest have been killed. Ryan visits Escobedo's mansion and shares his intelligence on Cortez. Enraged, Escobedo confronts Cortez, but is killed by Cortez's associate. Ryan, Clark and Chávez rescue the prisoners, kill Cortez, and escape.

Ryan confronts the President and tells him he intends to inform the Congressional Oversight Committee about the conspiracy despite the damage it could do to his career. As he walks out of the Oval Office, Cutter asks to speak with him, but Ryan ignores him. Ryan then begins his testimony to Congress.
TESSENS Lucas
Lezing van het ontwerp van wet betreffende de radiodistributie- en de teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie. Wijzigingen aangebracht aan het ontwerp tijdens de vergadering van de Ministerraad van 5 april 1985
Edited: 198504121499
Lezing van het ontwerp van wet betreffende de radiodistibutie- en
de teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op
radio en televisie

Wijzigingen aangebracht aan het ontwerp tijdens de vergadering van
de Ministerraad van 5 april 1985.
ad p. 14
De eerste twee leden van de memorie van toelichting worden weg
gelaten. Het lijkt erop dat men heeft willen vermijden om over
sponsoring uitspraken te doen in een wet.
Men gaat in ieder geval door het schrappen van het tweede lid
van p. 14 de discussie uit de weg.
ad p. 16
De wijziging in artikel 14 lijkt ons van niet veel belang te zijn.
ad p. 23
Een cadeau aan de vrouwenbeweging. (D'Hondt ?)
ad art. 1 p. 3
Het invoegen van een definitie van radio-omroepvennootschap
brengt met zich mee dat men nu 4 instanties krijgt die zich met
audiovisuele middelen bezighouden t.w. :
radio-omroepvennootschap (radio en TV-produktie en overbrenging) ;
radio-omroepdienst (radio- en TV-uitzender ; m.a.w. een radioomroepvennootschap
kan een beroep doen op een radio-omroepdienst
om de programma's van eerstegenoemde uit te zenden) ;
radio-omroepstation (het lijkt erop dat men hieronder een ruimte
verstaat)
station voor lokale klankradioomroep (de zgn. niet-openbare radio's)




ad art. 12 - tweede lid BELANGRIJK
De huidige tekst verschilt in belangrijke mate van de oorspronkelijke
tekst.
Vroeger was het zo dat de BRT geen handelspubliciteit kon uitzenden
wanneer een (niet één) andere rechtspersoon gemachtigd werd om
handelspubliciteit in zijn televisie op te nemen.
Met andere woorden kon de BRT iets niet doen indien iemand anders
wel iets deed.
Nu kan slechts één instantie iets doen.
Dat is ofwel de BRT ofwel één privaatrechterlijke rechtspersoon.
Nu voorziet het vlaamse kabeldecreet in de oprichting van regionale
en lokale televisieomroepvennootschappen.
Het is niet noodzakelijk wijzigingen aan te brengen in het decreet
doch wanneer men weet dat in Vlaanderen slechts één omroepvereniging
wettelijk kan gemachtigd worden om handelspubliciteit uit te voeren
dan vragen wij ons toch af hoe regionale en lokale TV-initiatieven
gefinancierd zouden kunnen worden.

*-- 2 -

Men kan de bedenking maken of^in zulk geval regionale of lokale
TV-initiatieven de weg zullen opgaan van de vrije radio's, t.w.
het voeren van illegale publiciteit.
Dit lijkt ons onwaarschijnlijk aangezien lokale en regionale
TV-initiatieven willens nillens gebruik zullen moeten maken van
de kabel en men kan zich afvragen of de kabelmaatschappijen het *
risico zullen durven lopen medewerking te verlenen aan onwettelijke
praktijken. Wij menen van niet.
Als tweede reden kan gelden dat het in beslagnemen van de infra
structuur van een regionaal of lokaal TV-initiatief minimum tien
maal meer kost aan diegene wiens infrastructuur in beslag genomen
wordt.
Tenslotte weze opgemerkt dat het huidige tweede lid van artikel 12
een monopoliepositie kan installeren voor de geschreven pers wat
handelspubliciteit op TV betreft.
ad art. 15 3
Wellicht heeft men geoordeeld dat 16-jarigen geen kinderen meer zijn.
In ieder geval is het een versoepeling want indien men zou stellen
dat "Chips" een programma zou zijn voor 16-jarigen en men program
meert dit bvb. tussen 19 en 19.30 uur dan zou men volgens de oude
tekst voor en na "Chips" geen reklameblok hebben mogen plaatsen,
hetgeen voor een privaatrechterlijk TV-station een mangue a gagner
zou inhouden.
Uiteraard zal men moeilijkheden hebben bij het bepalen of programma X
in het bijzonder bestemd is voor kinderen beneden de 12 jaar.
Gaan wij hier naar een anachronisme in de vorm van een filmkeurings
dienst ?
ad art. 17 p. 13bis
De variante op p. 13bis wordt weerhouden hetgeen wil zeggen dat men
binnen de Ministerraad geopteerd heeft voor een regie die onaf
hankelijk staat van de openbare instituten.
Dit is belangrijk indien men weet dat,aan franstalige zijde vooralj
gesproken wordt over het laten beheren van zulke regie door de
dagbladui tgevers.
Het artikel 17 is ook belangrijk in zoverre par. 2 derde lid, een
bestemming geeft aan de netto-inkomsten van handelspubliciteit
op BRT en/of RTBF. Zulks doet vermoeden (maar het staat er niet)
dat een privaatrechterlijk TV-station niet kan verplicht worden om
een gedeelte van de publiciteits-netto-ontvangsten uit te keren aan
persbedrijven welke eventueel niet in de TV-vennootschap betrokken
zouden zijn. Het tweede lid duidt ook in die richting.
ad art. 20
Dit artikel wordt dus voorlopig weggelaten hetgeen erop wijst dat de j
nationale wetgever ofwel haar volledige bevoegdheid wenst uit te '
oefenen zoals de Raad van State adviseert ofwel dat men in een verplicht
advies van de gemeenschappen een vertragingselement ziet.
L. TESSENS. '
11.4.1985



Robert Gilman
The Idea Of Owning Land An old notion forged by the sword is quietly undergoing a profound transformation
Edited: 198412210004
One of the articles in Living With The Land (IC#8)
Originally published in Winter 1984 on page 5
Copyright (c)1985, 1997 by Context Institute
HOWEVER NATURAL “owning” land may seem in our culture, in the long sweep of human existence, it is a fairly recent invention. Where did this notion come from? What does it really mean to “own” land? Why do we, in our culture, allow a person to draw lines in the dirt and then have almost complete control over what goes on inside those boundaries? What are the advantages, the disadvantages, and the alternatives? How might a humane and sustainable culture re-invent the “ownership” connection between people and the land?

These questions are unfamiliar (perhaps even uncomfortable) to much of our society, for our sense of “land ownership” is so deeply embedded in our fundamental cultural assumptions that we never stop to consider its implications or alternatives. Most people are at best only aware of two choices, two patterns, for land ownership – private ownership (which we associate with the industrial West) and state ownership (as in the Communist East).

Both of these patterns are full of problems and paradoxes. Private ownership enhances personal freedom (for those who are owners), but frequently leads to vast concentrations of wealth (even in the U.S., 75% of the privately held land is owned by 5% of the private landholders), and the effective denial of freedom and power to those without great wealth. State ownership muffles differences in wealth and some of the abuses of individualistic ownership, but replaces them with the often worse abuses of bureaucratic control.

Both systems treat the land as an inert resource to be exploited as fully as possible, often with little thought for the future or respect for the needs of non-human life. Both assume that land ownership goes with a kind of exclusive national sovereignty that is intimately connected to the logic of war.

In short, both systems seem to be leading us towards disaster, yet what other options are there?

The answer, fortunately, is that there are a number of promising alternatives. To understand them, however, we will need to begin by diving deeply into what ownership is and where it has come from.

THE HISTORICAL ROOTS

Beginnings Our feelings about ownership have very deep roots. Most animal life has a sense of territory – a place to be at home and to defend. Indeed, this territoriality seems to be associated with the oldest (reptilian) part the brain (see IN CONTEXT, #6) and forms a biological basis for our sense of property. It is closely associated with our sense of security and our instinctual “fight or flight” responses, all of which gives a powerful emotional dimension to our experience of ownership. Yet this biological basis does not determine the form that territoriality takes in different cultures.

Humans, like many of our primate cousins, engage in group (as well as individual) territoriality. Tribal groups saw themselves connected to particular territories – a place that was “theirs.” Yet their attitude towards the land was very different from ours. They frequently spoke of the land as their parent or as a sacred being, on whom they were dependent and to whom they owed loyalty and service. Among the aborigines of Australia, individuals would inherit a special relationship to sacred places, but rather than “ownership,” this relationship was more like being owned by the land. This sense of responsibility extended to ancestors and future generations as well. The Ashanti of Ghana say, “Land belongs to a vast family of whom many are dead, a few are living and a countless host are still unborn.”

For most of these tribal peoples, their sense of “land ownership” involved only the right to use and to exclude people of other tribes (but usually not members of their own). If there were any private rights, these were usually subject to review by the group and would cease if the land was no longer being used. The sale of land was either not even a possibility or not permitted. As for inheritance, every person had use rights simply by membership in the group, so a growing child would not have to wait until some other individual died (or pay a special fee) to gain full access to the land.

Early Agricultural Societies Farming made the human relationship to the land more concentrated. Tilling the land, making permanent settlements, etc., all meant a greater direct investment in a particular place. Yet this did not lead immediately to our present ideas of ownership. As best as is known, early farming communities continued to experience an intimate spiritual connection to the land, and they often held land in common under the control of a village council. This pattern has remained in many peasant communities throughout the world.

It was not so much farming directly, but the larger-than- tribal societies that could be based on farming that led to major changes in attitudes towards the land. Many of the first civilizations were centered around a supposedly godlike king, and it was a natural extension to go from the tribal idea that “the land belongs to the gods” to the idea that all of the kingdom belongs to the god-king. Since the god-king was supposed to personify the whole community, this was still a form of community ownership, but now personalized. Privileges of use and control of various types were distributed to the ruling elite on the basis of custom and politics.

As time went on, land took on a new meaning for these ruling elites. It became an abstraction, a source of power and wealth, a tool for other purposes. The name of the game became conquer, hold, and extract the maximum in tribute. Just as The Parable Of The Tribes (see IN CONTEXT, #7) would suggest, the human-human struggle for power gradually came to be the dominant factor shaping the human relationship to the land. This shift from seeing the land as a sacred mother to merely a commodity required deep changes throughout these cultures such as moving the gods and sacred beings into the sky where they could conveniently be as mobile as the ever changing boundaries of these empires.

The idea of private land ownership developed as a second step – partly in reaction to the power of the sovereign and partly in response to the opportunities of a larger-than- village economy. In the god-king societies, the privileges of the nobility were often easily withdrawn at the whim of the sovereign, and the importance of politics and raw power as the basis of ownership was rarely forgotten. To guard their power, the nobility frequently pushed for greater legal/customary recognition of their land rights. In the less centralized societies and in the occasional democracies and republics of this period, private ownership also developed in response to the breakdown of village cohesiveness. In either case, private property permitted the individual to be a “little king” of his/her own lands, imitating and competing against the claims of the state.

Later Developments By the early days of Greece and Rome, community common land, state or sovereign land, and private land all had strong traditions behind them. Plato and Aristotle both discussed various mixtures of private and state ownership in ideal societies, with Aristotle upholding the value of private ownership as a means of protecting diversity. As history progressed, the “great ownership debate” has continued between the champions of private interests and the champions of the state, with the idea of community common land often praised as an ideal, but in practice being gradually squeezed out of the picture. Feudal Europe was basically a system of sovereign ownership. The rise of commerce and then industrialism shifted power to the private ownership interests of the new middle class (as in the United States). The reaction against the abuses of industrialism during the past 150 years swung some opinion back again, bringing renewed interest in state ownership (as in the Communist countries).

As important as these swings have been historically, they have added essentially nothing to our basic understanding of, or attitudes about, ownership. Throughout the whole history of civilization land has been seen as primarily a source of power, and the whole debate around ownership has been, “To what extent will the state allow the individual to build a personal power base through land ownership rights?”

TAKING A FRESH LOOK

But the human-human power struggle is hardly the only, or even the most important, issue in our relationship to the land. Whatever happened to the tribal concerns about caring for the land and preserving it for future generations? What about issues like justice, human empowerment and economic efficiency? How about the rights of the land itself? If we are to move forward towards a planetary/ecological age, all of these questions and issues are going to need to be integrated into our relationship to the land. To do this we will have to get out beyond the narrow circle of the ideas and arguments of the past.

We have been talking about “ownership” as if it was an obvious, clear-cut concept: either you own (control) something or you don’t. For most people (throughout history) this has been a useful approximation, and it has been the basis of the “great ownership debate.” But if you try to pin it down (as lawyers must), you will soon discover that it is not so simple. As surprising as it may seem, our legal system has developed an understanding of “owning” that is significantly different from our common ideas and has great promise as the basis for a much more appropriate human relationship to the land.

Ownership Is A Bundle Of Rights The first step is to recognize that, rather than being one thing, what we commonly call “ownership” is in fact a whole group of legal rights that can be held by some person with respect to some “property.” In the industrial West, these usually include the right to:

use (or not use);
exclude others from using;
irreversibly change;
sell, give away or bequeath;
rent or lease;
retain all rights not specifically granted to others;
retain these rights without time limit or review.
These rights are usually not absolute, for with them go certain responsibilities, such as paying taxes, being liable for suits brought against the property, and abiding by the laws of the land. If these laws include zoning laws, building codes, and environmental protection laws, you may find that your rights to use and irreversibly change are not as unlimited as you thought. Nevertheless, within a wide range you are the monarch over your property.

No One Owns Land Each of these rights can be modified independent of the others, either by law or by the granting of an easement to some other party, producing a bewildering variety of legal conditions. How much can you modify the above conditions and still call it “ownership”? To understand the answer to this, we are going to have to make a very important distinction. In spite of the way we normally talk, no one ever “owns land”..In our legal system you can only own rights to land, you can’t directly own (that is, have complete claim to) the land itself. You can’t even own all the rights since the state always retains the right of eminent domain. For example, what happens when you sell an easement to the power company so that they can run power lines across you land? They then own the rights granted in that easement, you own most of the other rights, the state owns the right of eminent domain – but no single party owns “the land.” You can carry this as far as you like, dividing the rights up among many “owners,” all of whom will have a claim on some aspect of the land.

The wonderful thing about this distinction is that it shifts the whole debate about land ownership away from the rigid state-vs.-individual, all-or-nothing battle to the much more flexible question of who (including community groups, families, etc. as well as the state and the individual) should have which rights. This shift could be as important as the major improvement in governance that came with the shift from monolithic power (as in a monarchy) to “division of powers” (as exemplified in the U.S. Constitution with its semi-independent legislative, executive and judicial branches).

Legitimate Interests How might the problems associated with exclusive ownership (either private or state) be solved by a “division of rights” approach? To answer this, we need to first consider what are the legitimate interests that need to be included in this new approach. If we are to address all the concerns appropriate for a humane sustainable culture we need to recognize that the immediate user of the land (be that a household or a business), the local community, the planetary community, future generations, and all of life, all have legitimate interests. What are these interests?

The immediate users need the freedom to be personally (or corporately) expressive, creative, and perhaps even eccentric. They need to be able to invest energy and caring into the land with reasonable security that the use of the land will not be arbitrarily taken away and that the full equity value of improvements made to the land will be available to them either through continued use or through resale should they choose to move.
The local community needs optimal use of the land within it, without having land held arbitrarily out of use by absentee landlords. It needs to be able to benefit from the equity increases in the land itself due to the overall development of the community, and it needs security that its character will not be forced to change through inappropriate land use decisions made by those outside the community or those leaving the community.
The planetary community, future generations, and all of life need sustainable use – the assurance that ecosystems and topsoil that have been developed over hundreds of thousands of years will not be casually destroyed; that the opportunities for life will be enhanced; that non-renewal resources will be used efficiently and for long term beneficial purposes. This larger community also needs meaningful recognition that the earth is our common heritage.
Is it possible to blend these various interests in a mutually supportive way, rather than seeing them locked in a power struggle? The answer, fortunately, is yes. Perhaps the best developed alternative legal form that does this is called a land trust.

LAND TRUSTS

A land trust is a non-governmental organization (frequently a non-profit corporation) that divides land rights between immediate users and their community. It is being used in a number of places around the world including India, Israel, Tanzania, and the United States. Of the many types of land trusts, we will focus here on three – conservation trusts, community trusts, and stewardship trusts. These will be discussed in more detail in other articles in this section, but an initial overview now will help to draw together many of the threads we have developed so far.

In a conservation land trust, the purpose is generally to preserve some aspect of the natural environment. A conservation trust may do this by the full ownership of some piece of land that it then holds as wilderness, or it may simply own “development rights” to an undeveloped piece. What are development rights? When the original owner sells or grants development rights to the conservation trust, they put an easement (a legal restriction) on the land that prevents them or any future owners from developing the land without the agreement of the conservation trust. They have let go of the right to “irreversibly change” listed above. The conservation trust then holds these rights with the intention of preventing development. The Trust For Public Land (82 Second St, San Francisco, CA 94105, 415/495-4015) helps community groups establish conservation and agricultural land trusts.

A community land trust (CLT) has as its purpose removing land from the speculative market and making it available to those who will use it for the long term benefit of the community. A CLT generally owns full title to its lands and grants long term (like 99-year) renewable leases to those who will actually use the land. Appropriate uses for the land are determined by the CLT in a process comparable to public planning or zoning. Lease fees vary from one CLT to another, but they are generally more than taxes and insurance, less than typical mortgage payments, and less than full rental cost. The lease holders have many of the use and security rights we normally associate with ownership. They own the buildings on the land and can take full benefit from improvements they make to the land. They can not, however, sell the land nor can they usually rent or lease it without the consent of the trust. The Institute For Community Economics (57 School St. Springfield, MA 01105, 413/746-8660) is one of the major support groups for the creation of community land trusts in both urban and rural settings.

The stewardship trust combines features of both the conservation trust and the CLT, and is being used now primarily by intentional communities and non-profit groups such as schools. The groups using the land (the stewards) generally pay less than in a normal CLT, but there are more definite expectations about the care and use they give to the land.

In each one of these types, the immediate users (nonhuman as well as human) have clear rights which satisfy all of their legitimate use needs. The needs of the local community are met through representation on the board of directors of the trust which can enforce general land use standards. The larger community usually has some representation on the trust’s board as well. Thus by dividing what we normally think of as ownership into “stewardship” (the users) and “trusteeship” (the trust organization), land trusts are pioneering an approach that better meets all the legitimate interests.

The system is, of course, still limited by the integrity and the attitudes of the people involved. Nor are current land trusts necessarily the model for “ownership” in a humane sustainable culture. But they show what can be done and give us a place to build from. I’ll explore more of where we might build to in a later article, but now lets turn to other perspectives and experiences with going beyond ownership.

Bibliography

Chaudhuri, Joyotpaul, Possession, Ownership And Access: A Jeffersonian View (Political Inquiry, Vol 1, No 1, Fall 1973).

Denman, D.R., The Place Of Property (London: Geographical Publications Ltd, 1978).

Institute For Community Economics, The Community Land Trust Handbook (Emmaus, PA: Rodale Press, 1982).

International Independence Institute, The Community Land Trust (Cambridge, MA: Center For Community Economic Development, 1972).

Macpherson, C.B., Property: Mainstream And Critical Positions (Toronto: Univ Of Toronto Press, 1978).

Schlatter, Richard, Private Property: The History Of An Idea (New Brunswick, NJ: Rutgers University Press, 1951).

Scott, William B., In Pursuit Of Happiness: American Conceptions Of Property (Bloomington: Indiana University Press, 1977).

Tully, James, A Discourse On Property: John Locke And His Adversaries (Cambridge: Cambridge Univ Press, 1980).

Land Rights

by John Talbot

IT WAS NOT so long ago in human history that the rights of all humans were not acknowledged, even in the democracies. Slavery was only abolished a few generations ago. In the same way that we have come to see human rights as being inherent, so we are now beginning to recognize land rights, and by land I mean all life that lives and takes its nourishment from it, as well as the soil and earth itself. Once we have understood and accepted that idea, we can truly enter into a cooperative relationship with Nature. I’m not talking about living in fear of disturbing anything or a totally “hands off nature” angry ecologist view, but simply acknowledging the right to be of land and nature, and that when we do “disturb” it we do so with sensitivity and respect, doing our best to be in harmony with what is already there.

Being in harmony, apart from being a very subjective state, may not always be possible: for example in the case of putting a house down where once there wasn’t one. But we as humans have needs too. Nature knows that and is, I believe, quite willing to accommodate us. Our responsibility is, however, to act consciously and with the attitude of respect and desire for cooperation. It is no different from respecting other people’s rights in our interactions, being courteous and sensitive to their needs and feelings. This attitude toward the land is almost universally held by aboriginal and native peoples, from the Bushman to the Native American Indians to the tribes of the South Pacific. Earth Etiquette, you might say.

Following directly from that is the principle that you cannot really buy, sell or own the land. Just as we cannot (or should not) own slaves of our own species, we would not make slaves of animals, plants or the land and nature in general. Sounds easy but I feel this represents a very profound and fundamental change in human attitudes; one that takes thought, effort and time to reprogram in ourselves.
NYT
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75; AUTHOR ON SOVIET AND HAPSBURGS
Edited: 198412041025
EDWARD CRANKSHAW IS DEAD AT 75
By WOLFGANG SAXON
Published: December 4, 1984

Edward Crankshaw, one of the most respected authors on the Soviet Union and chronicler of the Hapsburgs, died last Thursday in his native Britain after what was described as a ''long and painful illness.'' He was 75 years old and lived in Hawkhurst, in rural Kent.

His death was reported Sunday in The Observer, the British weekly for which he kept watch on the Soviet scene starting in 1947. Mr. Crankshaw, who spurned the label of ''Kremlinologist,'' was regarded as Britain's premier journalistic expert on Soviet politics.

The author of about 20 books, including three novels, Mr. Crankshaw contribued a steady flow of prefaces, essays and articles to publications in Britain and the United States, including The New York Times. In addition, he commented on Soviet affairs for the BBC.

Difficult to place politically, Mr. Crankshaw reluctantly became a Soviet specialist when The Observer asked him to take the assignment after World War II, part of which he had spent in Moscow. One of the conclusions he had reached was that Kremlin policies must be seen as something that did not start with the Bolshevik takeover in 1917, but had ancient roots. He Avoided Speculation

Thus, Mr. Crankshaw avoided speculations about absences from the Kremlin wall at anniversary parades. Instead, his basic impressions had been formed when the Russians were fighting for survival, and he took heart from Stalin's evocations of historical ''Holy Russia.''

His political testament came in a preface written this year to a selection from his writings, ''Putting Up With the Russians.''

As a conservative dedicated to the survival of European civilization, he rejected the harsh tones adopted by President Reagan and his supporters, accusing them of trying to turn the Soviet Union into a pariah. Mr. Crankshaw viewed detente with some skepticism, but he insisted on the need for co- existence.

He was the author of ''Russia Without Stalin'' in 1956, regarding the changes in everyday life in the post- Stalin era. He also wrote ''Khrushchev's Russia'' (1960) and ''Khrushchev: A Career,'' published six years later.

He then wrote the introduction for ''Khrushchev Remembers,'' a rich compilation of comments, speeches, conversations and interviews by Nikita I. Khruschev, the Kremlin leader who denounced the Stalinist terror. 'Khrushchev Himself'

Mr. Crankshaw, who also contributed copious footnotes and commentary to the Khrushchev book, helped defend the book against doubters. He said that by ''style and content'' the words were ''Khrushchev himself, quite unmistakably speaking.'' His faith in the book's authenticity has come to be shared by most others since its publication in 1970.

Though ailing for many years, Mr. Crankshaw, a slight and courtly man, continued to write even in bed whenever he was unable to move about.

His last volume published in this country was ''Bismarck'' in 1982. Writing in The New York Times Book Review, George L. Mosse called the book ''a cautionary tale about political and military power'' that sees Bismarck's ''apparent success as a failure because the Iron Chancellor exalted the amoral concept of politics into a principle.''

Edward Crankshaw was born on Jan. 3, 1909, in rural Essex. As a boy, he often visited the London magistrate's court where his father, Arthur, worked as chief clerk. He attended Bishop's Stortford College but left early - hence his claim to having been largely self- taught.

Instead, Mr. Crankshaw went to the Continent to travel, and he lived in Vienna, becoming fluent in German. His Austrian years turned out to be formative ones for his mind as he watched democracy crumble in the new Austrian republic. They also instilled him with a passion for literature and music.

From Europe, he wrote for British publications subjects ranging from twelve-tone music to books, art and the theater. But he gave up journalism to write ''Joseph Conrad: Some Aspects of the Art of the Novel,'' a study of Conrad's methods and the novelist's art in general. Another book, ''Vienna: The Image of a Culture in Decline,'' appeared in 1938. Posted to Moscow in '41

In 1936, Mr. Crankshaw was commissioned into Britain's Territorial Army. In 1941, he was posted to Moscow as an intelligence officer, and he did all he could to understand the Russians, their history, national character and government.

Having also traveled on the periphery of the Soviet Union, he was asked by The Observer to return to journalism as its Russian expert. His early books on the subject were ''Britain and Russia'' (1945), ''Russia and the Russians'' (1947) and ''Russia by Daylight'' (1951).

A well-received history was The Shadow of the Winter Palace: The Drift to Revolution, 1825-1917 which appeared in 1976. Other well-received books were ''The Fall of the House of Hapsburg'' (1963) and ''The Hapsburgs'' (1971).

Of Mr. Crankshaw's ''Maria Theresa'' (1969), Thomas Lask wrote in his review in The New York Times, ''Mr. Crankshaw has managed in what is a model of compression and judicious selection to rescue Maria Theresa from the history books and to turn a monument into a warm and appealing woman.''

Mr. Crankshaw is survived by his wife, the former Clare Chesterton Carr.
DE KEYSER R., DUPON W.
Het Orangisme
Edited: 198100630097
LT
De verkeerd begrepen boodschap van Hugo Claus over de Congostaat van Leopold II
Edited: 197000000909
Het leven en de werken van Leopold II. 29 Taferelen uit de Belgische Oudheid - Een bespreking

Noot Lucas Tessens: De verkeerd begrepen boodschap van Hugo Claus
Het leven en de werken van Leopold II. 29 Taferelen uit de Belgische Oudheid - Een bespreking. Dit toneelstuk werd oorspronkelijk geschreven in opdracht van de Vereniging Nederlands Toneelverbond voor haar 100-jarig bestaan in 1970. Het toneelstuk verhaalt de collusie van Kerk, Kapitaal en Koning inzake Congo. Sommige critici vonden het toneelstuk burlesk ... Claus weerom misbegrepen! Wie de geschiedenis van de Congostaat, Belgisch Congo en Zaïre nog maar een beetje kent, weet dat Claus de historische feiten op de voet volgt. De ludieke verpakking bevat een bloedserieuze gruwel en de hele Belgische 'santeboetiek' moet er aan geloven, inclusief de Société Générale en de VS, die Leopold verkracht. Vanaf de 26ste scene neemt Claus een loopje met het tijdselement en speelt de chronologie geen enkele rol meer: zowel de tijd als de actoren zijn onbelangrijke details in een zich steeds herhalend cynisch proces van bedrog, haat, onverschilligheid en vooral ongetemde hebzucht. De banaliteit van de gevoerde politiek is een schertsvertoning die de werkelijke drijfveren maskeert. Altijd is er de koehandel, met de kardinaal en natuurlijk de paus als mediatoren in een deal met een niet al te geïnteresseerde God, die wel belooft maar gauw vergeet. Op p. 49 maakt Claus duidelijk hoe de grote buurlanden België bekijken: Duitslands beschermeling, de lijfeigene van Frankrijk, de voet aan het Europese vasteland voor de Engelsen.

De interessante pagina's:
80: lening van 5 miljoen bij Brown de Tiège en waarborg is 16 miljoen ha.
97: de concessies
100: Kroondomein is 1/10de van de oppervlakte van Congo en bevat de meeste mineralen
113: de eenvormigheid van onze normen
114: Katangees uranium zit USA dwars
115 e.v.: de geschiedenis gaat hier wel héél vlug: van annexatie door België naar de onafhankelijkheid
117: Amerika: 'De internationale opinie, waarvan wij, Verenigde Staten, de tolken zijn, kan niet langer tolereren dat de administratie van een land en de commerciële exploitatie samenvallen.'
120: Leopold II eist rechten op gronden ter grootte van 32 miljoen hectare.
126: Leopold II wordt verkracht door Amerika
136: alle trusts opgenoemd: van Union Minière tot Compagnie du Katanga en Saksen-Coburg-Gotha. Daardoor valt het koningshuis samen met een trust.

Noot Lucas Tessens (20180311): De Standaard van 10 maart 2018 berichtte (in een warrig artikel) over een controverse die is ontstaan bij de voorbereidingen van een uitvoering van het toneelstuk in de KVS. Een journaliste, Gia Abrassart, verklaarde over het stuk het volgende: 'Deze satire is een pseudo-zelfkritiek op de kolonisatie. Het geeft geen enkele stem aan de gekoloniseerde slachtoffers.' Abrassart heeft er klaarblijkelijk niets maar dan ook niets van begrepen. Waarom zou Claus in een toneelstuk een stem geven aan de onmondigen van toen? Die hadden ze niet en Patrice Lumumba is vermoord omdat hij zowat de enige was die wel zijn stem liet horen en inging tegen het establishment. Overigens is het onzin een satire te lijf te gaan met zogenaamd rationele argumenten. Gia Abrassart bewijst nog maar eens dat je nog geen zinnige praat vertelt wanneer je wel een stem hebt.
Che Guevara
Che Guevara: laatste speech in Algiers; vermeldt België als neocolonialistisch land; Congo
Edited: 196502242001
Spoken: February 24, 1965
First Published:
Source: The Che Reader, Ocean Press, © 2005.
Translated: unknown.
Transcription/Markup: Ocean Press/Brian Baggins

This speech was delivered at the Second Economic Seminar of Afro-Asian Solidarity. The conference, held in Algiers, Algeria, was attended by representatives from 63 African and Asian governments, as well as 19 national liberation movements. The meeting was opened by Algerian President Ahmed Ben Bella. Cuba was invited as an observer to the conference, and Guevara served on its presiding committee.

Cuba is here at this conference to speak on behalf of the peoples of Latin America.[19] As we have emphasized on other occasions, Cuba also speaks as an underdeveloped country as well as one that is building socialism.

It is not by accident that our delegation is permitted to give its opinion here, in the circle of the peoples of Asia and Africa.[20] A common aspiration unites us in our march toward the future: the defeat of imperialism. A common past of struggle against the same enemy has united us along the road.

This is an assembly of peoples in struggle, and the struggle is developing on two equally important fronts that require all our efforts. The struggle against imperialism, for liberation from colonial or neocolonial shackles, which is being carried out by means of political weapons, arms, or a combination of the two, is not separate from the struggle against backwardness and poverty. Both are stages on the same road leading toward the creation of a new society of justice and plenty.

It is imperative to take political power and to get rid of the oppressor classes. But then the second stage of the struggle, which may be even more difficult than the first, must be faced.

Ever since monopoly capital took over the world, it has kept the greater part of humanity in poverty, dividing all the profits among the group of the most powerful countries. The standard of living in those countries is based on the extreme poverty of our countries. To raise the living standards of the underdeveloped nations, therefore, we must fight against imperialism. And each time a country is torn away from the imperialist tree, it is not only a partial battle won against the main enemy but it also contributes to the real weakening of that enemy, and is one more step toward the final victory. There are no borders in this struggle to the death. We cannot be indifferent to what happens anywhere in the world, because a victory by any country over imperialism is our victory, just as any country's defeat is a defeat for all of us. The practice of proletarian internationalism is not only a duty for the peoples struggling for a better future, it is also an inescapable necessity.

If the imperialist enemy, the United States or any other, carries out its attack against the underdeveloped peoples and the socialist countries, elementary logic determines the need for an alliance between the underdeveloped peoples and the socialist countries. If there were no other uniting factor, the common enemy should be enough.[21]

Of course, these alliances cannot be made spontaneously, without discussions, without birth pangs, which sometimes can be painful. We said that each time a country is liberated it is a defeat for the world imperialist system. But we must agree that the break is not achieved by the mere act of proclaiming independence or winning an armed victory in a revolution. It is achieved when imperialist economic domination over a people is brought to an end. Therefore, it is a matter of vital interest to the socialist countries for a real break to take place. And it is our international duty, a duty determined by our guiding ideology, to contribute our efforts to make this liberation as rapid and deep-going as possible.

A conclusion must be drawn from all this: the socialist countries must help pay for the development of countries now starting out on the road to liberation. We state it this way with no intention whatsoever of blackmail or dramatics, nor are we looking for an easy way to get closer to the Afro- Asian peoples; it is our profound conviction. Socialism cannot exist without a change in consciousness resulting in a new fraternal attitude toward humanity, both at an individual level, within the societies where socialism is being built or has been built, and on a world scale, with regard to all peoples suffering from imperialist oppression.

We believe the responsibility of aiding dependent countries must be approached in such a spirit. There should be no more talk about developing mutually beneficial trade based on prices forced on the backward countries by the law of value and the international relations of unequal exchange that result from the law of value.[22]

How can it be “mutually beneficial” to sell at world market prices the raw materials that cost the underdeveloped countries immeasurable sweat and suffering, and to buy at world market prices the machinery produced in today's big automated factories?

If we establish that kind of relation between the two groups of nations, we must agree that the socialist countries are, in a certain way, accomplices of imperialist exploitation. It can be argued that the amount of exchange with the underdeveloped countries is an insignificant part of the foreign trade of the socialist countries. That is very true, but it does not eliminate the immoral character of that exchange.

The socialist countries have the moral duty to put an end to their tacit complicity with the exploiting countries of the West. The fact that the trade today is small means nothing. In 1959 Cuba only occasionally sold sugar to some socialist bloc countries, usually through English brokers or brokers of other nationalities. Today 80 percent of Cuba's trade is with that area. All its vital supplies come from the socialist camp, and in fact it has joined that camp. We cannot say that this entrance into the socialist camp was brought about merely by the increase in trade. Nor was the increase in trade brought about by the destruction of the old structures and the adoption of the socialist form of development. Both sides of the question intersect and are interrelated.

We did not start out on the road that ends in communism foreseeing all steps as logically predetermined by an ideology advancing toward a fixed goal. The truths of socialism, plus the raw truths of imperialism, forged our people and showed them the path that we have now taken consciously. To advance toward their own complete liberation, the peoples of Asia and Africa must take the same path. They will follow it sooner or later, regardless of what modifying adjective their socialism may take today.

For us there is no valid definition of socialism other than the abolition of the exploitation of one human being by another. As long as this has not been achieved, if we think we are in the stage of building socialism but instead of ending exploitation the work of suppressing it comes to a halt — or worse, is reversed — then we cannot even speak of building socialism.[23] We have to prepare conditions so that our brothers and sisters can directly and consciously take the path of the complete abolition of exploitation, but we cannot ask them to take that path if we ourselves are accomplices in that exploitation. If we were asked what methods are used to establish fair prices, we could not answer because we do not know the full scope of the practical problems involved. All we know is that, after political discussions, the Soviet Union and Cuba have signed agreements advantageous to us, by means of which we will sell five million tons of sugar at prices set above those of the so-called free world sugar market. The People's Republic of China also pays those prices in buying from us.

This is only a beginning. The real task consists of setting prices that will permit development. A great shift in ideas will be involved in changing the order of international relations. Foreign trade should not determine policy, but should, on the contrary, be subordinated to a fraternal policy toward the peoples.

Let us briefly analyze the problem of long-term credits for developing basic industries. Frequently we find that beneficiary countries attempt to establish an industrial base disproportionate to their present capacity. The products will not be consumed domestically and the country's reserves will be risked in the undertaking.

Our thinking is as follows: The investments of the socialist states in their own territory come directly out of the state budget, and are recovered only by use of the products throughout the entire manufacturing process, down to the finished goods. We propose that some thought be given to the possibility of making these kinds of investments in the underdeveloped countries. In this way we could unleash an immense force, hidden in our continents, which have been exploited miserably but never aided in their development. We could begin a new stage of a real international division of labor, based not on the history of what has been done up to now but rather on the future history of what can be done.

The states in whose territories the new investments are to be made would have all the inherent rights of sovereign property over them with no payment or credit involved. But they would be obligated to supply agreed-upon quantities of products to the investor countries for a certain number of years at set prices.

The method for financing the local portion of expenses incurred by a country receiving investments of this kind also deserves study. The supply of marketable goods on long-term credits to the governments of underdeveloped countries could be one form of aid not requiring the contribution of freely convertible hard currency.

Another difficult problem that must be solved is the mastering of technology. [24] The shortage of technicians in underdeveloped countries is well known to us all. Educational institutions and teachers are lacking. Sometimes we lack a real understanding of our needs and have not made the decision to carry out a top-priority policy of technical, cultural and ideological development.

The socialist countries should supply the aid to organize institutions for technical education. They should insist on the great importance of this and should supply technical cadres to fill the present need. It is necessary to further emphasize this last point. The technicians who come to our countries must be exemplary. They are comrades who will face a strange environment, often one hostile to technology, with a different language and totally different customs. The technicians who take on this difficult task must be, first of all, communists in the most profound and noble sense of the word. With this single quality, plus a modicum of flexibility and organization, wonders can be achieved.

We know this can be done. Fraternal countries have sent us a certain number of technicians who have done more for the development of our country than 10 institutes, and have contributed more to our friendship than 10 ambassadors or 100 diplomatic receptions.

If we could achieve the above-listed points — and if all the technology of the advanced countries could be placed within reach of the underdeveloped countries, unhampered by the present system of patents, which prevents the spread of inventions of different countries — we would progress a great deal in our common task.

Imperialism has been defeated in many partial battles. But it remains a considerable force in the world. We cannot expect its final defeat save through effort and sacrifice on the part of us all.

The proposed set of measures, however, cannot be implemented unilaterally. The socialist countries should help pay for the development of the underdeveloped countries, we agree. But the underdeveloped countries must also steel their forces to embark resolutely on the road of building a new society — whatever name one gives it — where the machine, an instrument of labor, is no longer an instrument for the exploitation of one human being by another. Nor can the confidence of the socialist countries be expected by those who play at balancing between capitalism and socialism, trying to use each force as a counterweight in order to derive certain advantages from such competition. A new policy of absolute seriousness should govern the relations between the two groups of societies. It is worth emphasizing once again that the means of production should preferably be in the hands of the state, so that the marks of exploitation may gradually disappear. Furthermore, development cannot be left to complete improvisation. It is necessary to plan the construction of the new society. Planning is one of the laws of socialism, and without it, socialism would not exist. Without correct planning there can be no adequate guarantee that all the various sectors of a country's economy will combine harmoniously to take the leaps forward that our epoch demands.

Planning cannot be left as an isolated problem of each of our small countries, distorted in their development, possessors of some raw materials or producers of some manufactured or semimanufactured goods, but lacking in most others.[25] From the outset, planning should take on a certain regional dimension in order to intermix the various national economies, and thus bring about integration on a basis that is truly of mutual benefit. We believe the road ahead is full of dangers, not dangers conjured up or foreseen in the distant future by some superior mind but palpable dangers deriving from the realities besetting us. The fight against colonialism has reached its final stages, but in the present era colonial status is only a consequence of imperialist domination. As long as imperialism exists it will, by definition, exert its domination over other countries. Today that domination is called neocolonialism.

Neocolonialism developed first in South America, throughout a whole continent, and today it begins to be felt with increasing intensity in Africa and Asia. Its forms of penetration and development have different characteristics. One is the brutal form we have seen in the Congo. Brute force, without any respect or concealment whatsoever, is its extreme weapon. There is another more subtle form: penetration into countries that win political independence, linking up with the nascent local bourgeoisies, development of a parasitic bourgeois class closely allied to the interests of the former colonizers. This development is based on a certain temporary rise in the people's standard of living, because in a very backward country the simple step from feudal to capitalist relations marks a big advance, regardless of the dire consequences for the workers in the long run.

Neocolonialism has bared its claws in the Congo. That is not a sign of strength but of weakness. It had to resort to force, its extreme weapon, as an economic argument, which has generated very intense opposing reactions. But at the same time a much more subtle form of neocolonialism is being practiced in other countries of Africa and Asia. It is rapidly bringing about what some have called the South Americanization of these continents; that is, the development of a parasitic bourgeoisie that adds nothing to the national wealth of their countries but rather deposits its huge ill-gotten profits in capitalist banks abroad, and makes deals with foreign countries to reap more profits with absolute disregard for the welfare of the people. There are also other dangers, such as competition between fraternal countries, which are politically friendly and sometimes neighbors, as both try to develop the same investments simultaneously to produce for markets that often cannot absorb the increased volume. This competition has the disadvantage of wasting energies that could be used to achieve much greater economic coordination; furthermore, it gives the imperialist monopolies room to maneuver.

When it has been impossible to carry out a given investment project with the aid of the socialist camp, there have been occasions when the project has been accomplished by signing agreements with the capitalists. Such capitalist investments have the disadvantage not only of the terms of the loans but other, much more important disadvantages as well, such as the establishment of joint ventures with a dangerous neighbor. Since these investments in general parallel those made in other states, they tend to cause divisions between friendly countries by creating economic rivalries. Furthermore, they create the dangers of corruption flowing from the constant presence of capitalism, which is very skillful in conjuring up visions of advancement and well-being to fog the minds of many people. Some time later, prices drop in the market saturated by similar products. The affected countries are obliged to seek new loans, or to permit additional investments in order to compete. The final consequences of such a policy are the fall of the economy into the hands of the monopolies, and a slow but sure return to the past. As we see it, the only safe method for investments is direct participation by the state as the sole purchaser of the goods, limiting imperialist activity to contracts for supplies and not letting them set one foot inside our house. And here it is just and proper to take advantage of interimperialist contradictions in order to secure the least burdensome terms.

We have to watch out for “disinterested” economic, cultural and other aid that imperialism grants directly or through puppet states, which gets a better reception in some parts of the world.

If all of these dangers are not seen in time, some countries that began their task of national liberation with faith and enthusiasm may find themselves on the neocolonial road, as monopoly domination is subtly established step by step so that its effects are difficult to discern until they brutally make themselves felt.

There is a big job to be done. Immense problems confront our two worlds — that of the socialist countries and that called the Third World — problems directly concerning human beings and their welfare, and related to the struggle against the main force that bears the responsibility for our backwardness. In the face of these problems, all countries and peoples conscious of their duties, of the dangers involved in the situation, of the sacrifices required by development, must take concrete steps to cement our friendship in the two fields that can never be separated: the economic and the political. We should organize a great solid bloc that, in its turn, helps new countries to free themselves not only from the political power of imperialism but also from its economic power.

The question of liberation by armed struggle from an oppressor political power should be dealt with in accordance with the rules of proletarian internationalism. In a socialist country at war, it would be absurd to conceive of a factory manager demanding guaranteed payment before shipping to the front the tanks produced by his factory. It ought to seem no less absurd to inquire of a people fighting for liberation, or needing arms to defend its freedom, whether or not they can guarantee payment.

Arms cannot be commodities in our world. They must be delivered to the peoples asking for them to use against the common enemy, with no charge and in the quantities needed and available. That is the spirit in which the Soviet Union and the People's Republic of China have offered us their military aid. We are socialists; we constitute a guarantee of the proper utilization of those arms. But we are not the only ones, and all of us should receive the same treatment.

The reply to the ominous attacks by U.S. imperialism against Vietnam or the Congo should be to supply those sister countries with all the defense equipment they need, and to offer them our full solidarity without any conditions whatsoever.

In the economic field we must conquer the road to development with the most advanced technology possible. We cannot set out to follow the long ascending steps from feudalism to the nuclear and automated era. That would be a road of immense and largely useless sacrifice. We have to start from technology at its current level. We have to make the great technological leap forward that will reduce the current gap between the more developed countries and ourselves. Technology must be applied to the large factories and also to a properly developed agriculture. Above all, its foundation must be technological and ideological education, with a sufficient mass base and strength to sustain the research institutes and organizations that have to be created in each country, as well as the men and women who will use the existing technology and be capable of adapting themselves to the newly mastered technology.

These cadres must have a clear awareness of their duty to the society in which they live. There cannot be adequate technological education if it is not complemented by ideological education; without technological education, in most of our countries, there cannot be an adequate foundation for industrial development, which is what determines the development of a modern society, or the most basic consumer goods and adequate schooling. A good part of the national revenues must be spent on so-called unproductive investment in education. And priority must be given to the development of agricultural productivity. The latter has reached truly incredible levels in many capitalist countries, producing the senseless crisis of overproduction and a surplus of grain and other food products or industrial raw materials in the developed countries. While the rest of the world goes hungry, these countries have enough land and labor to produce several times over what is needed to feed the entire world. Agriculture must be considered a fundamental pillar of our development. Therefore, a fundamental aspect of our work should be changes in the agrarian structure, and adaptation to the new technological possibilities and to the new obligations of eliminating the exploitation of human beings.

Before making costly decisions that could cause irreparable damage, a careful survey of the national territory is needed. This is one of the preliminary steps in economic research and a basic prerequisite for correct planning. We warmly support Algeria's proposal for institutionalizing our relations. We would just like to make some supplementary suggestions: First: in order for the union to be an instrument in the struggle against imperialism, the cooperation of Latin American countries and an alliance with the socialist countries is necessary.

Second: we should be vigilant in preserving the revolutionary character of the union, preventing the admission into it of governments or movements not identified with the general aspirations of the people, and creating mechanisms that would permit the separation from it of any government or popular movement diverging from the just road.

Third: we must advocate the establishment of new relations on an equal footing between our countries and the capitalist ones, creating a revolutionary jurisprudence to defend ourselves in case of conflict, and to give new meaning to the relations between ourselves and the rest of the world. We speak a revolutionary language and we fight honestly for the victory of that cause. But frequently we entangle ourselves in the nets of an international law created as the result of confrontations between the imperialist powers, and not by the free peoples, the just peoples, in the course of their struggles.

For example, our peoples suffer the painful pressure of foreign bases established on their territories, or they have to carry the heavy burden of massive foreign debts. The story of these throwbacks is well known to all of us. Puppet governments, governments weakened by long struggles for liberation or the operation of the laws of the capitalist market, have allowed treaties that threaten our internal stability and jeopardize our future. Now is the time to throw off the yoke, to force renegotiation of oppressive foreign debts, and to force the imperialists to abandon their bases of aggression. I would not want to conclude these remarks, this recitation of concepts you all know, without calling the attention of this gathering to the fact that Cuba is not the only Latin American country; it is simply the only one that has the opportunity of speaking before you today. Other peoples are shedding their blood to win the rights we have. When we send our greetings from here, and from all the conferences and the places where they may be held, to the heroic peoples of Vietnam, Laos, so-called Portuguese Guinea, South Africa, or Palestine — to all exploited countries fighting for their emancipation — we must simultaneously extend our voice of friendship, our hand and our encouragement, to our fraternal peoples in Venezuela, Guatemala and Colombia, who today, arms in hand, are resolutely saying “No!” to the imperialist enemy.

Few settings from which to make this declaration are as symbolic as Algiers, one of the most heroic capitals of freedom. May the magnificent Algerian people — schooled as few others in sufferings for independence, under the decisive leadership of its party, headed by our dear compañero Ahmed Ben Bella — serve as an inspiration to us in this fight without quarter against world imperialism.

[19]. Che Guevara delivered this speech at the Second Economic Seminar of Afro- Asian Solidarity, February 24, 1965. He had been touring Africa since December, after addressing the United Nations General Assembly on December 11, 1964. At this crucial time Che was preparing for his involvement in the liberation movement in the Congo, which began in April 1965. This edition of the speech incorporates for the first time corrections made by Che Guevara to the original published version of the Algiers speech. The corrections were made available from the personal archive of Che Guevara held at the Che Guevara Studies Center, Havana.

[20]. Che's participation in the Algiers conference reflects the relationship of Cuba to the Third World. In 1959, following the triumph of the revolution, from June to September, Che embarked on a tour of the countries involved in the Bandung Pact. The Bandung Pact was the precursor to what later became the Movement of Nonaligned Nations. At the First Seminar on Planning in Algeria on July 16, 1963, Che had outlined the experiences of the Cuban Revolution, explaining that he had accepted the invitation to attend “only in order to offer a little history of our economic development, of our mistakes and successes, which might prove useful to you some time in the near future...”

[21]. In this speech Che defined very precisely his revolutionary thesis for the Third World and the integration of the struggle for national liberation with socialist ideas. Che's call in Algeria on the socialist countries to give unconditional and radical support to the Third World provoked much debate. Nevertheless, history would prove him correct.

[22]. This definition of unequal exchange was part of Che's profound appeal made in Geneva on March 25, 1964, at the UN World Conference on Economics and Development in the Third World: “It is our duty to... draw to the attention of those present that while the status quo is maintained and justice is determined by powerful interests... it will be difficult to eliminate the prevailing tensions that endanger humankind.”

[23]. For Che, socialism inherently meant overcoming exploitation as an essential step toward a just and humane society. Che was outspoken on this issue in debates and was often misunderstood, as was his emphasis on the need for international unity in the struggle for socialism. Che's idea was that the international socialist forces would contribute to the economic and social development of the peoples that liberated themselves.

[24]. Che's direct participation from 1959 to 1965 in the construction of a technological and material basis for Cuban society is strongly linked to his idea of creating the new man and woman. This is a question that he constantly returned to, considering it one of the two main pillars on which a new society would be constructed. His strategy was not only to solve immediate problems but to put in place certain structures that would secure Cuba's future scientific and technological development. He was able to advance this strategy during his time as head of the Ministry of Industry. For further reading on this topic, see his speeches: “May the Universities be Filled with Negroes, Mulattos, Workers and Peasants” (1960) and “Youth and Revolution” (1964).

[25]. In his efforts to understand fully the tasks in the transition to a socialist economy, Che came to see the vital role of economic planning, especially in the construction of a socialist economy in an underdeveloped country that retained elements of capitalism. Planning is necessary because it represents the first human attempt to control economic forces and characterizes this transitional period. He warned also of the trend within socialism to reform the economic system by strengthening the market, material interests and the law of value. To counter this trend, Che advocated centralized, antibureaucratic planning that enriched consciousness. His idea was to use conscious and organized action as the fundamental driving force of planning. For further reading see his article “The Significance of Socialist Planning” (1964).
Nationale Intelligence Survey (USA)
Republic of the Congo - Official Standard Names - Lattitude and Longitude - 30.400 entries for places
Edited: 196408004523
PDF laadt moeilijk (201804101243, LT)

Nationale Intelligence Survey (USA)
Republic of the Congo - Official Standard Names - Lattitude and Longitude - 30.400 entries for places
Edited: 196408004523
PDF laadt moeilijk (201804101243, LT)

Nationale Intelligence Survey (USA)
Republic of the Congo - Official Standard Names - Lattitude and Longitude - 30.400 entries for places
Edited: 196408004523
PDF laadt moeilijk (201804101243, LT)

BERGER Thomas
Little Big Man (1964)
Edited: 196400001461
Little Big Man is a 1964 novel by American author Thomas Berger. Often described as a satire or parody of the western genre, the book is a modern example of picaresque fiction. Berger made use of a large volume of overlooked first-person primary materials, such as diaries, letters, and memoirs, to fashion a wide-ranging and entertaining tale that comments on alienation, identity, and perceptions of reality.

see also the book by Dee Brown (1970)
STEINBECK John
10 december 1962: John Steinbeck's speech at the Nobel Banquet at the City Hall in Stockholm.
Edited: 196212102005

"Literature was not promulgated by a pale and emasculated critical priesthood singing their litanies in empty churches - nor is it a game for the cloistered elect, the tinhorn mendicants of low calorie despair. Literature is as old as speech. It grew out of human need for it, and it has not changed except to become more needed." - Steinbeck

"Socialism never took root in America because the poor see themselves not as an exploited proletariat but as temporarily embarrassed millionaires" - Steinbeck

"Our species is the only creative species, and it has only one creative instrument, the individual mind and spirit of a man. Nothing was ever created by two men. There are no good collaborations, whether in art, in music, in poetry, in mathematics, in philosophy. Once the miracle of creation has taken place, the group can build and extend it, but the group never invents anything. The preciousness lies in the lonely mind of a man. And now the forces marshaled around the concept of the group have declared a war of extermination on that preciousness, the mind of man. By disparagement, by starvation, by repressions, forced direction, and the stunning blows of conditioning, the free, roving mind is being pursued, roped, blunted, drugged. It is a sad suicidal course our species seems to have taken. And this I believe: that the free, exploring mind of the individual human is the most valuable thing in all the world.
And this I would fight for: the freedom of the mind to take any direction it wishes, undirected. And this I must fight against: any idea, religion, or government which limits or destroys the individual. This is what I am and what I am about. I can understand why a system built on a pattern must try to destroy the free mind, for this is the one thing which can by inspection destroy such a system. Surely I can understand this, and I hate it and I will fight against it to preserve the one thing that separates us from the uncreative beasts. If the glory can be killed, we are lost." -East of Eden 1952

"I guess this is why I hate governments. It is always the rule, the fine print, carried out by the fine print men. There's nothing to fight, no wall to hammer with frustrated fists."-Travels with Charley, 1962

"What good's an opinion if you don't know?"-Travels with Charley

"Power does not corrupt. Fear corrupts... perhaps the fear of a loss of power."

"...there is a base theme. Try to understand men, if you understand each other you will be kind to each other. Knowing a man well never leads to hate and nearly always leads to love."
aanslagen OAS: 726 acties tegen journalisten, linkse universitairen, ...
Edited: 196210137845
REMOND 1988: 599



Bibliografie van OAS:

BOOKS, (DOCUMENTS, REPORTS, ETC.)



BITTERLIN, Lucien. Histoire des Barbouzes. Paris, France: Editions du Palais Royal, (La Vérité Difficile), 1972. 271+[16] p., ill., ports., facsims., 19 cm.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

LC 72321652; BF 72012680.



__________. Nous étions tous des terroristes: l'histoire des "barbouzes" contre l'O.A.S. en Algérie. (Préface de Louis Terrenoire; Postface de Georges Montaron). Paris, France: Editions du Témoignage Chrétien, 1983. 335+[16] p., ill., ports., facsims., 21 cm.

Originally published: Paris, France: Editions du Palais Royal, 1972.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

ISBN 2900016029; LC 83176528; BF 83010790.



BOCCA, Geoffrey. The secret army. Englewood Cliffs, N.J., U.S.A.: Prentice-Hall, [1968]. xvi+268 p., illus., ports., bibliogr. p. 254-256, 24 cm.

Organisation Armée Secrète.

LC 68019837; M-46.



BUCHARD, Robert. Organisation Armée Secrète. [Vol. 1]: février - 14 décembre 1961. [Vol. 2]: 15 décembre 1961 - 10 juillet 1962. Paris, France: Albin Michel, (Aujourd'hui), 1963. 2 Vols. of 203+[4] and 213 p., ill., 18 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 63009409; S-2326; B-139.



__________. Organisation Armée Secrète, février 1961 - juillet 1962. Paris, France: Editions J'ai Lu, (L'Aventure Aujourd'hui. Leur Aventure; 278), 1972. 320 p., 17 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 72008852.



BUSCIA, Gilles.; ZEHR, Patrice. Au nom de l'O.A.S.: objectif Pompidou. (Préface du Colonel Argoud). Nice, France: Editions Alain Lefeuvre, (Témoignages), 1980. 242+[32] p., ill., ports., facsims., 24 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Pompidou, Georges, 1911-1974 - Assassination Attempt - Buscia, Gilles, 1938-.... - Diaries, memories.

ISBN 2902639414; LC 81118572; BF 80015437.



CARRERAS, Fernand. L'accord F.L.N. - O.A.S.: des négociations secrètes au cessez-le-feu. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que nous vivons), 1967. 253 p., ills., ports., 21 cm.

Front de Libération Nationale (FLN) - Jabhat al-Tahrir al-Qawmi - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 67093109; BF 67005830; M-1819.



CAVIGLIOLI, François.; PONTAUT, Jean-Marie. La grande cible, 1961-1964: les secrets de l'O.A.S. Paris, France: Mercure de France; Paris-Match, 1972. 261 p., 21 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1961-1964 - Organisation Armée Secrète.

BF 72012683.



CURUTCHET, Jean-Marie. Je veux la tourmente. Paris, France: Robert Laffont, (Vécu), [1973]. 334+[16] p., ill., documentary evidence pp. 261-321, bibliogr. pp. 329-[330], 24 cm.

Curutchet, Jean-Marie, 1930-.... - Organisation Armée Secrète--Sources - Comité National de la Résistance (CNR)--Sources.

LC 73173198; BF 73011493.



DELARUE, Jacques. L'O.A.S. contre de Gaulle. Paris, France: Fayard, ©1981. 312+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213009694; LC 81123231; BF 81008033.



__________. L'O.A.S. contre de Gaulle. [Nouvelle édition]. Paris, France: Fayard, 1994. 339+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

Originally published: Paris, France: Fayard, 1981.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213592764.



__________.; RUDELLE, Odile. [eds.]. L'Attentat du Petit-Clamart: vers la révision de la Constitution. Paris, France: La Documentation Française, (Les Médias et l'Evénement), 1990. 96 p., (+8 folded sheets of newspapers from 1963-1963), ill., bibliogr. p. 96, 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1962 - Bastien-Thiry, Jean-Marie, 1927-1963--Trials, litigation, etc. - Trials (Conspiracy)--France--Paris - Offenses against Heads of State--France - Mass Media--Political Aspects--France.

ISBN 2110024038; LC 92134796.



DEMARET, Pierre.; PLUME, Christian. Objectif de Gaulle. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que Nous Vivons), 1973. 426+[32] p., ill., ports., facsim., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 74000373;



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Secker and Warburg, 1974. xvi+294+[8] p., ill., ports., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0436376156; LC 75313962.



__________.; __________. Target De Gaulle: the true story of the 31 attempts on the life of the French President. New York, N.Y., U.S.A.: Dial Press, 1975. 293 p., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0803785143; LC 74020658; M-482; S-5398.



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Corgi, 1976. 410+[8] p., ill., ports., 18 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0552101435; LC 77367410.



DÉROULÈDE, Arnaud. OAS: étude d'une organisation clandestine. Hélette, France: Curutchet, 1997. 350 p., ill., bibliogr. p. [340]-350, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2904348840; LC 98121521.



GAUCHON, Pascal.; BUISSON, Patrick. OAS: histoire de la résistance française en Algérie. (Préface de Pierre Sergent). Bièvres, France: Jeune Pied-noir, ©1984. 168 p., ill., 32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 85174413.



GAUVIN, Jean. Le procès Vanuxem. Paris, France: Editions Saint-Just, [1963]. 283 p., 19 cm.

Vanuxem, Paul Fidèle Félicien, 1904-.... - Gingembre, Maurice Henri Jean Marie, 1920-.... - Le Barbier de Blignières, Hervé Paul Marie, 1914-.... - Terrorism--France--Trials, 1963 - France. Cour de Sûreté de l'Etat.

LC 66032089.



GUIBERT, Vincent. Les commandos Delta. Hélette, France: J. Curutchet, 2000. 304 p., ill., bibliography p. [275]-283, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète. Delta (Commandos) - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2912932262; LC 2001332854.



HARRISON, Alexander. Challenging De Gaulle: the O.A.S. and the counterrevolution in Algeria, 1954-1962. (Foreword by William Colby). New York, N.Y., U.S.A.; London, G.B.: Praeger, 1989. xxxi+192 p., ill., ports., bibliogr. pp. [165]-167, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0275927911; LC 88019008; BL 89037980.



HENISSART, Paul. Wolves in the city: the death of French Algeria. New York, N.Y., U.S.A.: Simon and Schuster, [1970]. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0671205137; LC 76101877; S-2340.



__________. Wolves in the city: the death of French Algeria. London, G.B.: Hart-Davis, 1971. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0246640022; LC 74862602.



JOURON, Patrick. Objectif, de Gaulle. [Orgères-en-Beauce, France]: CCRC, (Evénement et Action), 1986. 205 p., ill., bibliogr. p. 203, 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 87009292.



KAUFFER, Rémi. L'O.A.S.: histoire d'une organisation secrète. [Paris, France]: Fayard, 1986. 423 p., facsims., bibliogr., index, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213017263; LC 86214992.



LANCELOT, Marie-Thérèse. L'Organisation Armée secrète. [Vol. 1] Chronologie. [Vol. 2] Documents. [Paris, France]: Fondation Nationale des Sciences Politiques, (Documents; 2), 1963. 2 Vols., 22x32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-1962.

LC 66091959.



Le procès de l'attentat du Petit-Clamart: compte-rendu sténographique. [Vol. 1]: Audiences du 28 janvier au 14 février. [Vol. 2]: Audiences du 15 février au 4 mars. Paris, France: Albin Michel, (Les Grands Procès Contemporains), 1963. 2 Vol. of 1019-iv p., 20 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63006187.



Le procès du Petit-Clamart: exposé des faits, débats, dépositions, réquisitoire, plaidoiries, présentés par Yves-Frédéric Jaffré. Paris, France: Nouvelles Editions Latines, 1963. 643 p., ill., 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63011051.



L'O.A.S. et la presse française. Paris, France: Editions Galic, (L'Histoire au Jour le Jour; 1), [1962]. 158 p., bibliogr., 18 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism and the Media - Terrorism in the Press.

LC 64042941.



MORLAND.; BARANGE.; MARTINEZ. Histoire de l'Organisation de l'Armée Secrète. Paris, France: René Julliard, [1964]. 605 p., "annexes" p. [569]-605, 20 cm.

Morland, (Pseud.) - Barangé, (Pseud.) - Martinez, (Pseud.) - Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-....

LC 67000030; BF 64013458; S-2353;
OAS opgericht - bronnen
Edited: 196102117879
OAS = Organisation Armée Secrète

BOOKS, (DOCUMENTS, REPORTS, ETC.)



BITTERLIN, Lucien. Histoire des Barbouzes. Paris, France: Editions du Palais Royal, (La Vérité Difficile), 1972. 271+[16] p., ill., ports., facsims., 19 cm.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

LC 72321652; BF 72012680.



__________. Nous étions tous des terroristes: l'histoire des "barbouzes" contre l'O.A.S. en Algérie. (Préface de Louis Terrenoire; Postface de Georges Montaron). Paris, France: Editions du Témoignage Chrétien, 1983. 335+[16] p., ill., ports., facsims., 21 cm.

Originally published: Paris, France: Editions du Palais Royal, 1972.

Bitterlin, Lucien - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962--Personal Narratives - Mouvement pour la Communauté (MPC).

ISBN 2900016029; LC 83176528; BF 83010790.



BOCCA, Geoffrey. The secret army. Englewood Cliffs, N.J., U.S.A.: Prentice-Hall, [1968]. xvi+268 p., illus., ports., bibliogr. p. 254-256, 24 cm.

Organisation Armée Secrète.

LC 68019837; M-46.



BUCHARD, Robert. Organisation Armée Secrète. [Vol. 1]: février - 14 décembre 1961. [Vol. 2]: 15 décembre 1961 - 10 juillet 1962. Paris, France: Albin Michel, (Aujourd'hui), 1963. 2 Vols. of 203+[4] and 213 p., ill., 18 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 63009409; S-2326; B-139.



__________. Organisation Armée Secrète, février 1961 - juillet 1962. Paris, France: Editions J'ai Lu, (L'Aventure Aujourd'hui. Leur Aventure; 278), 1972. 320 p., 17 cm.

France - Algeria - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism, History, 1961-1962.

BF 72008852.



BUSCIA, Gilles.; ZEHR, Patrice. Au nom de l'O.A.S.: objectif Pompidou. (Préface du Colonel Argoud). Nice, France: Editions Alain Lefeuvre, (Témoignages), 1980. 242+[32] p., ill., ports., facsims., 24 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Pompidou, Georges, 1911-1974 - Assassination Attempt - Buscia, Gilles, 1938-.... - Diaries, memories.

ISBN 2902639414; LC 81118572; BF 80015437.



CARRERAS, Fernand. L'accord F.L.N. - O.A.S.: des négociations secrètes au cessez-le-feu. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que nous vivons), 1967. 253 p., ills., ports., 21 cm.

Front de Libération Nationale (FLN) - Jabhat al-Tahrir al-Qawmi - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 67093109; BF 67005830; M-1819.



CAVIGLIOLI, François.; PONTAUT, Jean-Marie. La grande cible, 1961-1964: les secrets de l'O.A.S. Paris, France: Mercure de France; Paris-Match, 1972. 261 p., 21 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1961-1964 - Organisation Armée Secrète.

BF 72012683.



CURUTCHET, Jean-Marie. Je veux la tourmente. Paris, France: Robert Laffont, (Vécu), [1973]. 334+[16] p., ill., documentary evidence pp. 261-321, bibliogr. pp. 329-[330], 24 cm.

Curutchet, Jean-Marie, 1930-.... - Organisation Armée Secrète--Sources - Comité National de la Résistance (CNR)--Sources.

LC 73173198; BF 73011493.



DELARUE, Jacques. L'O.A.S. contre de Gaulle. Paris, France: Fayard, ©1981. 312+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213009694; LC 81123231; BF 81008033.



__________. L'O.A.S. contre de Gaulle. [Nouvelle édition]. Paris, France: Fayard, 1994. 339+[32] p., ill., facsims., ports., 24 cm.

Originally published: Paris, France: Fayard, 1981.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213592764.



__________.; RUDELLE, Odile. [eds.]. L'Attentat du Petit-Clamart: vers la révision de la Constitution. Paris, France: La Documentation Française, (Les Médias et l'Evénement), 1990. 96 p., (+8 folded sheets of newspapers from 1963-1963), ill., bibliogr. p. 96, 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt, 1962 - Bastien-Thiry, Jean-Marie, 1927-1963--Trials, litigation, etc. - Trials (Conspiracy)--France--Paris - Offenses against Heads of State--France - Mass Media--Political Aspects--France.

ISBN 2110024038; LC 92134796.



DEMARET, Pierre.; PLUME, Christian. Objectif de Gaulle. Paris, France: Robert Laffont, (L'Histoire que Nous Vivons), 1973. 426+[32] p., ill., ports., facsim., 24 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 74000373;



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Secker and Warburg, 1974. xvi+294+[8] p., ill., ports., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0436376156; LC 75313962.



__________.; __________. Target De Gaulle: the true story of the 31 attempts on the life of the French President. New York, N.Y., U.S.A.: Dial Press, 1975. 293 p., 24 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0803785143; LC 74020658; M-482; S-5398.



__________.; __________. Target de Gaulle: the thirty-one attempts to assassinate the General. (Translated from the French by Richard Barry). London, G.B.: Corgi, 1976. 410+[8] p., ill., ports., 18 cm.

Translation of: Objectif de Gaulle. (French).

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempts - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

ISBN 0552101435; LC 77367410.



DÉROULÈDE, Arnaud. OAS: étude d'une organisation clandestine. Hélette, France: Curutchet, 1997. 350 p., ill., bibliogr. p. [340]-350, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2904348840; LC 98121521.



GAUCHON, Pascal.; BUISSON, Patrick. OAS: histoire de la résistance française en Algérie. (Préface de Pierre Sergent). Bièvres, France: Jeune Pied-noir, ©1984. 168 p., ill., 32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

LC 85174413.



GAUVIN, Jean. Le procès Vanuxem. Paris, France: Editions Saint-Just, [1963]. 283 p., 19 cm.

Vanuxem, Paul Fidèle Félicien, 1904-.... - Gingembre, Maurice Henri Jean Marie, 1920-.... - Le Barbier de Blignières, Hervé Paul Marie, 1914-.... - Terrorism--France--Trials, 1963 - France. Cour de Sûreté de l'Etat.

LC 66032089.



GUIBERT, Vincent. Les commandos Delta. Hélette, France: J. Curutchet, 2000. 304 p., ill., bibliography p. [275]-283, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète. Delta (Commandos) - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2912932262; LC 2001332854.



HARRISON, Alexander. Challenging De Gaulle: the O.A.S. and the counterrevolution in Algeria, 1954-1962. (Foreword by William Colby). New York, N.Y., U.S.A.; London, G.B.: Praeger, 1989. xxxi+192 p., ill., ports., bibliogr. pp. [165]-167, index, 24 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0275927911; LC 88019008; BL 89037980.



HENISSART, Paul. Wolves in the city: the death of French Algeria. New York, N.Y., U.S.A.: Simon and Schuster, [1970]. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0671205137; LC 76101877; S-2340.



__________. Wolves in the city: the death of French Algeria. London, G.B.: Hart-Davis, 1971. 508 p., ills., ports., bibliography p. 483-485, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 0246640022; LC 74862602.



JOURON, Patrick. Objectif, de Gaulle. [Orgères-en-Beauce, France]: CCRC, (Evénement et Action), 1986. 205 p., ill., bibliogr. p. 203, 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt - Heads of State--France--Offenses - Organisation Armée Secrète.

BF 87009292.



KAUFFER, Rémi. L'O.A.S.: histoire d'une organisation secrète. [Paris, France]: Fayard, 1986. 423 p., facsims., bibliogr., index, 23 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History--Revolution, 1954-1962.

ISBN 2213017263; LC 86214992.



LANCELOT, Marie-Thérèse. L'Organisation Armée secrète. [Vol. 1] Chronologie. [Vol. 2] Documents. [Paris, France]: Fondation Nationale des Sciences Politiques, (Documents; 2), 1963. 2 Vols., 22x32 cm.

Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-1962.

LC 66091959.



Le procès de l'attentat du Petit-Clamart: compte-rendu sténographique. [Vol. 1]: Audiences du 28 janvier au 14 février. [Vol. 2]: Audiences du 15 février au 4 mars. Paris, France: Albin Michel, (Les Grands Procès Contemporains), 1963. 2 Vol. of 1019-iv p., 20 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63006187.



Le procès du Petit-Clamart: exposé des faits, débats, dépositions, réquisitoire, plaidoiries, présentés par Yves-Frédéric Jaffré. Paris, France: Nouvelles Editions Latines, 1963. 643 p., ill., 22 cm.

De Gaulle, Charles, 1890-1970--Assassination Attempt--France--Petit Clamart (City) - Organisation Armée Secrète - Trials--Terrorism, 1963.

BF 63011051.



L'O.A.S. et la presse française. Paris, France: Editions Galic, (L'Histoire au Jour le Jour; 1), [1962]. 158 p., bibliogr., 18 cm.

France - Organisation Armée Secrète - OAS - Terrorism and the Media - Terrorism in the Press.

LC 64042941.



MORLAND.; BARANGE.; MARTINEZ. Histoire de l'Organisation de l'Armée Secrète. Paris, France: René Julliard, [1964]. 605 p., "annexes" p. [569]-605, 20 cm.

Morland, (Pseud.) - Barangé, (Pseud.) - Martinez, (Pseud.) - Organisation Armée Secrète - Algeria--History, 1945-....

LC 67000030; BF 64013458; S-2353; M-1933.
wiki
18-24 april 1955: Bandung Conference
Edited: 195504180861
From Wikipedia, the free encyclopedia
Jump to navigationJump to search

This article needs additional citations for verification. Please help improve this article by adding citations to reliable sources. Unsourced material may be challenged and removed.
Find sources: "Bandung Conference" – news · newspapers · books · scholar · JSTOR (April 2012) (Learn how and when to remove this template message)

The venue in 1955

The building in 2007; now it is a museum of the conference
The first large-scale Asian–African or Afro–Asian Conference—also known as the Bandung Conference (Indonesian: Konferensi Asia-Afrika)—was a meeting of Asian and African states, most of which were newly independent, which took place on 18-24 April 1955 in Bandung, Indonesia. The twenty-nine countries that participated at the Bandung Conference represented nearly one-quarter of the Earth's land surface and a total population of 1.5 billion people, roughly 54% of the Earth's population at the time.[1][2] The conference was organised by Indonesia, Burma (Myanmar), Pakistan, Ceylon (Sri Lanka), and India and was coordinated by Ruslan Abdulgani, secretary general of the Indonesian Ministry of Foreign Affairs.

The conference's stated aims were to promote Afro-Asian economic and cultural cooperation and to oppose colonialism or neocolonialism by any nation. The conference was an important step toward the Non-Aligned Movement.

In 2005, on the 50th anniversary of the original conference, leaders from Asian and African countries met in Jakarta and Bandung to launch the New Asian-African Strategic Partnership (NAASP). They pledged to promote political, economic, and cultural cooperation between the two continents.


Contents
1 Background
2 Discussion
3 Participants
4 Declaration
5 United States involvement
6 Outcome and legacy
6.1 Asian-African Summit of 2005
6.2 Other anniversaries
7 See also
8 References
8.1 Bibliography
9 Further reading
10 External links
Background
The conference of Bandung was preceded by the Bogor Conference (1949). The Bogor Conference was the seed for the Colombo Plan and Bandung Conference. The 2nd Bogor Conference was held 28-29 December 1954.[3]

The Bandung Conference reflected what the organisers regarded as a reluctance by the Western powers to consult with them on decisions affecting Asia in a setting of Cold War tensions; their concern over tension between the People's Republic of China and the United States; their desire to lay firmer foundations for China's peace relations with themselves and the West; their opposition to colonialism, especially French influence in North Africa and its colonial rule in Algeria; and Indonesia's desire to promote its case in the dispute with the Netherlands over western New Guinea (Irian Barat).

Sukarno, the first president of the Republic of Indonesia, portrayed himself as the leader of this group of states, which he later described as "NEFOS" (Newly Emerging Forces).[4] His daughter, Megawati Sukarnoputri headed the PDI-P party during both summit anniversaries, and the President of Indonesia Joko Widodo during the 3rd summit was a member of her party.

On 4 December 1954 the United Nations announced that Indonesia had successfully gotten the issue of West New Guinea placed on the agenda of the 1955 General Assembly,[5] plans for the Bandung conference were announced in December 1954.[6]

Discussion

Plenary hall of the conference building
Major debate centered around the question of whether Soviet policies in Eastern Europe and Central Asia should be censured along with Western colonialism. A memo was submitted by 'The Moslem Nations under Soviet Imperialism', accusing the Soviet authorities of massacres and mass deportations in Muslim regions, but it was never debated.[7] A consensus was reached in which "colonialism in all of its manifestations" was condemned, implicitly censuring the Soviet Union, as well as the West.[8] China played an important role in the conference and strengthened its relations with other Asian nations. Having survived an assassination attempt on the way to the conference, the Chinese premier, Zhou Enlai, displayed a moderate and conciliatory attitude that tended to quiet fears of some anticommunist delegates concerning China's intentions.

Later in the conference, Zhou Enlai signed on to the article in the concluding declaration stating that overseas Chinese owed primary loyalty to their home nation, rather than to China – a highly sensitive issue for both his Indonesian hosts and for several other participating countries. Zhou also signed an agreement on dual nationality with Indonesian foreign minister Sunario.

Participants

Countries represented in the Asia-Africa Conference in Bandung, Indonesia in 1955. Twenty-nine independent countries were present, representing over half the world's population. Vietnam is represented twice by both North Vietnam and the State of Vietnam, which became South Vietnam.

Member states of the Non-Aligned Movement (2012). Light blue states have observer status.
Afghanistan Kingdom of Afghanistan
Burma
Cambodia Kingdom of Cambodia
Dominion of Ceylon
People's Republic of China
Cyprus1
Egypt Republic of Egypt
Ethiopian Empire
Gold Coast
India
Indonesia
Iran Iran
Kingdom of Iraq
Japan
Jordan
Laos Kingdom of Laos
Lebanon
Liberia
Libya Kingdom of Libya
Nepal Kingdom of Nepal
Dominion of Pakistan
Philippines
Saudi Arabia
Syria Syrian Republic
Sudan Republic of the Sudan
Thailand
Turkey
South Vietnam State of Vietnam
Democratic Republic of Vietnam
Yemen Mutawakkilite Kingdom of Yemen
1 A pre-independent colonial Cyprus was represented by [the] eventual first president, Makarios III.[9]

Some nations were given "observer status". Such was the case of Brazil, who sent Ambassador Bezerra de Menezes.

Declaration
A 10-point "declaration on promotion of world peace and cooperation," incorporating the principles of the United Nations Charter was adopted unanimously:

Respect for fundamental human rights and for the purposes and principles of the charter of the United Nations
Respect for the sovereignty and territorial integrity of all nations
Recognition of the equality of all races and of the equality of all nations large and small
Abstention from intervention or interference in the internal affairs of another country
Respect for the right of each nation to defend itself, singly or collectively, in conformity with the charter of the United Nations
(a) Abstention from the use of arrangements of collective defence to serve any particular interests of the big powers
(b) Abstention by any country from exerting pressures on other countries
Refraining from acts or threats of aggression or the use of force against the territorial integrity or political independence of any country
Settlement of all international disputes by peaceful means, such as negotiation, conciliation, arbitration or judicial settlement as well as other peaceful means of the parties own choice, in conformity with the charter of the United Nations
Promotion of mutual interests and cooperation
Respect for justice and international obligations.[10]
The final Communique of the Conference underscored the need for developing countries to loosen their economic dependence on the leading industrialised nations by providing technical assistance to one another through the exchange of experts and technical assistance for developmental projects, as well as the exchange of technological know-how and the establishment of regional training and research institutes.

United States involvement
For the US, the Conference accentuated a central dilemma of its Cold War policy: by currying favor with Third World nations by claiming opposition to colonialism, it risked alienating its colonialist European allies.[11] The US security establishment also feared that the Conference would expand China's regional power.[12] In January 1955 the US formed a "Working Group on the Afro-Asian Conference" which included the Operations Coordinating Board (OCB), the Office of Intelligence Research (OIR), the Department of State, the Department of Defense, the Central Intelligence Agency (CIA), and the United States Information Agency (USIA).[13] The OIR and USIA followed a course of "Image Management" for the US, using overt and covert propaganda to portray the US as friendly and to warn participants of the Communist menace.[14]

The United States, at the urging of Secretary of State John Foster Dulles, shunned the conference and was not officially represented. However, the administration issued a series of statements during the lead-up to the Conference. These suggested that the US would provide economic aid, and attempted to reframe the issue of colonialism as a threat by China and the Eastern Bloc.[15]

Representative Adam Clayton Powell, Jr. (D-N.Y.) attended the conference, sponsored by Ebony and Jet magazines instead of the U.S. government.[15] Powell spoke at some length in favor of American foreign policy there which assisted the United States's standing with the Non-Aligned. When Powell returned to the United States, he urged President Dwight D. Eisenhower and Congress to oppose colonialism and pay attention to the priorities of emerging Third World nations.[16]

African American author Richard Wright attended the conference with funding from the Congress for Cultural Freedom. Wright spent about three weeks in Indonesia, devoting a week to attending the conference and the rest of his time to interacting with Indonesian artists and intellectuals in preparation to write several articles and a book on his trip to Indonesia and attendance at the conference. Wright's essays on the trip appeared in several Congress for Cultural Freedom magazines, and his book on the trip was published as The Color Curtain: A Report on the Bandung Conference. Several of the artists and intellectuals with whom Wright interacted (including Mochtar Lubis, Asrul Sani, Sitor Situmorang, and Beb Vuyk) continued discussing Wright's visit after he left Indonesia.[17][18]

Outcome and legacy
The conference was followed by the Afro-Asian People's Solidarity Conference in Cairo[19] in September (1957) and the Belgrade Conference (1961), which led to the establishment of the Non-Aligned Movement.[20] In later years, conflicts between the nonaligned nations eroded the solidarity expressed at Bandung.

Asian-African Summit of 2005
To mark the 50th anniversary of The Summit, Heads of State and Government of Asian-African countries attended a new Asian-African Summit from 20–24 April 2005 in Bandung and Jakarta. Some sessions of the new conference took place in Gedung Merdeka (Independence Building), the venue of the original conference. Of the 106 nations invited to the historic summit, 89 were represented by their heads of state or government or ministers.[3] The Summit was attended by 54 Asian and 52 African countries.

The 2005 Asian African Summit yielded, inter-alia, the Declaration of the New Asian–African Strategic Partnership (NAASP),[21] the Joint Ministerial Statement on the NAASP Plan of Action, and the Joint Asian African Leaders’ Statement on Tsunami, Earthquake and other Natural Disasters. The conclusion of aforementioned declaration of NAASP is the Nawasila (nine principles) supporting political, economic, and socio-cultural cooperation.

The Summit concluded a follow-up mechanism for institutionalization process in the form of Summit concurrent with Business Summit every four years, Ministerial Meeting every two years, and Sectoral Ministerial as well as Technical Meeting if deemed necessary.

Other anniversaries
On the 60th anniversary of the Asian-African Conference and the 10th anniversary of the NAASP, a 3rd summit was held in Bandung and Jakarta from 21–25 April 2015, with the theme Strengthening South-South Cooperation to Promote World Peace and Prosperity. Delegates from 109 Asian and African countries, 16 observer countries and 25 international organizations participated.[3]

See also
Asian–African Legal Consultative Organization
Five Principles of Peaceful Coexistence
Sino-Indonesian Dual Nationality Treaty
Third World
References
geographer, Matt Rosenberg Matt Rosenberg is a professional; book, writer with over 20 years of experience He is the author of both a geography reference; contests, a guide to winning National Geography Bee. "Current World Population and Future Projections". ThoughtCo. Retrieved 10 February 2019.
Bandung Conference of 1955 and the resurgence of Asia and Africa Archived 13 May 2012 at the Wayback Machine, Daily News, Sri Lanka
"Asian-African Conference timeline". The Jakarta Post. Retrieved 8 September 2017.
Cowie, H.R. (1993). Australia and Asia. A changing Relationship, 18.
United Nations General Assembly, Report of the First Committee A/2831
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 156.
Schindler, Colin (2012). Israel and the European Left. New York: Continuum. p. 205. ISBN 978-1441150134.
"Bandung Conference - Asia-Africa [1955]". Encyclopedia Britannica. Retrieved 10 February 2019.
Cyprus and the Non–Aligned Movement Archived 2016-03-03 at the Wayback Machine, Ministry of Foreign Affairs, (April, 2008)
Jayaprakash, N D (June 5, 2005). "India and the Bandung Conference of 1955 – II". People's Democracy – Weekly Organ of the Communist Party of India (Marxist). XXIX (23). Archived from the original on 11 March 2007. Retrieved 2007-02-07.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 154. "... Bandung presented Washington with a geopolitical quandary. Holding the Cold War line against communism depended on the crumbling European empires. Yet U.S. support for that ancien régime was sure to earn the resentment of Third World nationalists fighting against colonial rule. The Eastern Bloc, facing no such guilt by association, thus did not face the choice Bandung presented to the United States: side with the rising Third World tide, or side with the shaky imperial structures damming it in."
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 155.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), pp. 157–158.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 161. "An OCB memorandum of March 28 [...] recounts the efforts by OIR and the working group to distribute intelligence 'on Communist intentions, and [on] suggestions for countering Communist designs.' These were sent to U.S. posts overseas, with instructions to confer with invitee governments, and to brief friendly attendees. Among the latter, 'efforts will be made to exploit [the Bangkok message] through the Thai, Pakistani, and Philippine delegations.' Posts in Japan and Turkey would seek to do likewise. On the media front, the administration briefed members of the American press; '[this] appear[s] to have been instrumental in setting the public tone.' Arrangements had also been made for USIA coverage. In addition, the document refers to budding Anglo-American collaboration in the 'Image Management' effort surrounding Bandung."
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 162.
"Adam Clayton Powell Jr". United States House of Representatives. Retrieved February 1, 2015.
Roberts, Brian Russell (2013). Artistic Ambassadors: Literary and International Representation of the New Negro Era. Charlottesville: University of Virginia Press. pp. 146–172. ISBN 0813933684.
Roberts, Brian Russell; Foulcher, Keith (2016). Indonesian Notebook: A Sourcebook on Richard Wright and the Bandung Conference. Durham: Duke University Press. ISBN 0822360667.
Mancall, Mark. 1984. China at the Center. p. 427
Nazli Choucri, "The Nonalignment of Afro-Asian States: Policy, Perception, and Behaviour", Canadian Journal of Political Science / Revue canadienne de science politique, Vol. 2, No. 1.(Mar., 1969), pp. 1-17.
"Seniors official meeting" (PDF). MFA of Indonesia. Retrieved 2012-10-01.
Bibliography
Parker, Jason C. "Small Victory, Missed Chance: The Eisenhower Administration, the Bandung Conference, and the Turning of the Cold War." In The Eisenhower Administration, the Third World, and the Globalization of the Cold War. Ed. Kathryn C. Statler & Andrew L. Johns. Lanham, MD: Rowman & Littlefield, 2006. ISBN 0742553817
Further reading
Asia-Africa Speaks From Bandung. Jakarta: Ministry of Foreign Affairs, Republic of Indonesia, 1955.
Ampiah, Kweku. The Political and Moral Imperatives of the Bandung Conference of 1955 : the Reactions of the US, UK and Japan. Folkestone, UK : Global Oriental, 2007. ISBN 1-905246-40-4
Brown, Colin. 2012. "The Bandung Conference and Indonesian Foreign Policy", Ch 9 in Anne Booth, Chris Manning and Thee Kian Wie, 2012, Essays in Honour of Joan Hardjono, Jakarta: Yayasan Pustaka Obor Indonesia.
Dinkel, Jürgen, The Non-Aligned Movement. Genesis, Organization and Politics (1927-1992), New Perspectives on the Cold War 5, Brill: Leiden/Boston 2019. ISBN:978-90-04-33613-1
Kahin, George McTurnan. The Asian-African Conference: Bandung, Indonesia, April 1955. Ithaca: Cornell University Press, 1956.
Lee, Christopher J., ed, Making a World After Empire: The Bandung Moment and Its Political Afterlives. Athens, OH: Ohio University Press, 2010. ISBN 978-0896802773
Mackie, Jamie. Bandung 1955: Non-Alignment and Afro-Asian Solidarity. Singapore: Editions Didier Millet, 2005. ISBN 981-4155-49-7
Finnane, Antonia, and Derek McDougall, eds, Bandung 1955: Little Histories. Melbourne: Monash Asia Institute, 2010. ISBN 978-1-876924-73-7
External links
Modern History Sourcebook: Prime Minister Nehru: Speech to Asian-African Conference Political Committee, 1955
Modern History Sourcebook: President Sukarno of Indonesia: Speech at the Opening of the Asian-African Conference, 18 April 1955
"Asian-African Conference: Communiqué; Excerpts" (PDF). Egyptian presidency website. 24 April 1955. Archived from the original (PDF) on 2011-04-23. Retrieved 23 April 2011.
CIA schakelt president Arbenz uit
Edited: 195405001499
At the end of May, the Central Intelligence Agency declassified 1,400 pages of reports on the 1954 coup it engineered in Guatemala to remove president Jacobo Arbenz from office. Arbenz became a target of U.S. imperialism for threatening to carry out modest land reforms against the interests of produce giant, United Fruit Company. In 1952, U.S. president Harry Truman gave the secret police approval to begin shipping guns and money to opposition forces and training mercenaries.

The released documents show that CIA cops trained assassins to kill 58 people put on a "disposal list." They include a 22-page how-to manual on murder. Secret intelligence officials claim none of the missions were carried out. The list of CIA targets were also subjected to "nerve war," which included death threats, phone calls "preferably between 2 and 5 A.M.," frame-ups, and other forms of intimidation. Less than 1 percent of the CIA files on the Guatemala coup were included in the declassification, with many details blacked out.

http://www.english.upenn.edu/%7Eafilreis/50s/guatemala.html
16 januari 1954: Sengier legt aan koning Boudewijn belang Congolees uranium uit
Edited: 195401161675
LEKIME 1992: 119 die eraan toevoegt dat op 28 jan 1954 van dit contact een geheim verslag werd opgemaakt, aan niemand medegedeeld.
UNO - VN - Verenigde Naties
volledige tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zoals hij op 10 december 1948 door de Verenigde Naties werd aangenomen.
Edited: 194812100925
Preambule
Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;

Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens;

Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking;

Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen;

Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;

Overwegende, dat de Staten, welke Lid zijn van de Verenigde Naties, zich plechtig verbonden hebben om, in samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties, overal de eerbied voor en inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen;

Overwegende, dat het van het grootste belang is voor de volledige nakoming van deze verbintenis, dat een ieder begrip hebbe voor deze rechten en vrijheden;

Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten die Lid van de Verenigde Naties zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:

Artikel 1
Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Artikel 2
Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat.

Artikel 3
Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

Artikel 4
Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.

Artikel 5
Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Artikel 6
Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.

Artikel 7
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.

Artikel 8
Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet.

Artikel 9
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.

Artikel 10
Een ieder heeft, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.

Artikel 11
Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend.

Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

Artikel 12
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.

Artikel 13
Een ieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke Staat.

Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.

Artikel 14
Een ieder heeft het recht om in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging.

Op dit recht kan geen beroep worden gedaan ingeval van strafvervolgingen wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 15
Een ieder heeft het recht op een nationaliteit.

Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit worden ontnomen, noch het recht worden ontzegd om van nationaliteit te veranderen.

Artikel 16
Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan.

Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.

Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

Artikel 17
Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.

Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.

Artikel 18
Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.

Artikel 19
Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Artikel 20
Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering.

Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.

Artikel 21
Een ieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.

Een ieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.

De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.

Artikel 22
Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

Artikel 23
Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.

Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.

Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.

Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.

Artikel 24
Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Artikel 25
Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.

Artikel 26
Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.

Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.

Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.

Artikel 27
Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.

Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.

Artikel 28
Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

Artikel 29
Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.

In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.

Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 30
Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.
1947: Sengier en Shinkolobwe vernoemd in boek John Gunther
Edited: 194700008823
Un épisode de la guerre resté secret jusqu'ici.
L'HOMME MYSTÉRIEUX DE LA BOMBE ATOMIQUE.
Par John Gunther
Un jour de 1941, Edgar Sengier reçoit dans son bureau de New York un colonel de l'armée américaine qui vient lui demander, à brûle-pourpoint, s'il peut aider les États-Unis à se procurer de l'uranium en provenance du Congo belge. Il faut dire que Sengier est belge et directeur d'une importante société minière, et que le colonel agit pour le compte du "projet Manhattan", (nom donné pendant la dernière guerre au programme de recherches atomiques du gouvernement américain) alors ultra-secret.
- Cette démarche, lui dit-il, est d'une importance capitale pour la cause alliée. Après avoir écouté poliment le colonel, M. Sengier le prie de lui montrer les papiers qui justifient sa mission. L'officier s'exécute et Sengier lui déclare qu'il est précisément en mesure de livrer une quantité assez considérable du précieux minerai.
- Quand vous le faut-il?
- Immédiatement, répond le colonel. Je me rends bien compte, évidemment, que c'est impossible...
- Pas du tout! déclare Sengier. Le minerai se trouve ici même à New York. Il y en a un millier de tonnes. Je vous attendais. Cette visite est liée à un épisode de la guerre qui n'a pas encore été dévoilé... Edgar Sengier est une des "éminences grises" les plus importantes de notre époque. L'incognito qui enveloppe cet homme est véritablement surprenant, car sans lui, il n'y aurait pas eu de bombe atomique

Propos 51 -128

pour mettre fin à la guerre contre le Japon en juillet 1945. Sengier a procuré aux États-Unis l'uranium indispensable à la fabrication des premières bombes A. Si l'on n'a jamais rien écrit jusqu'ici sur la carrière d'Edgar Sengier, cela tient à plusieurs raisons, dont la première est qu'il n'aime pas à se mettre en vedette. J'ai dîné récemment avec lui à Paris:
- Si vous écrivez un article à mon sujet, m'a-t-il dit à la fin de la soirée, tâchez de me laisser dans l'ombre. Il me demandait par là de ne pas mettre l'accent sur l'importance du rôle joué par lui ni donner l'impression qu'il s'en glorifiait, ce qui n'est absolument pas le cas. La sécurité constitue la seconde raison du silence observé à son sujet. Nombre de précisions relatives à l'uranium du Congo belge sont encore ultra-secrètes. N'était cette question de sécurité le nom de Sengier serait depuis longtemps sur toutes les lèvres.

Sengier a 73 ans. Il est à la fois ingénieur, financier et chef d'industrie. Indépendamment de son rôle dans la réalisation de la bombe atomique, c'est un des hommes les plus puissants du monde. Il est président du conseil d'administration de l'Union Minière du Haut-Katanga. Situé dans le sud-est du Congo belge, le Haut-Katanga possède non seulement de l'uranium mais encore de vastes gisements du minerai de cuivre le plus riche de la planète. L'Union Minière, qui fait un chiffre d'affaires annuel de $200 millions, produit 7% du cuivre, 5% du zinc et 80% du cobalt consommés dans le monde, sans compter nombre d'autres minéraux.

Elle constitue le pilier de la Société Générale de Belgique, qui représente une énorme puissance financière et industrielle. La Société Générale de Belgique exerce, avec quatre autres groupes financiers belges, une influence considérable sur la vie économique du Congo, et indirectement sur sa vie politique. Si l'on ne craignait de simplifier à l'extrême, on pourrait dire que l'Union Minière anime la Société Générale, qui, à son tour, gouverne le Congo. Maître de l'Union Minière, Edgar Sengier se trouve par là même maître du Congo. Naturellement, si vous le lui disiez, il se récrierait et vous répondrait que le maître du Congo, c'est le peuple belge et le gouvernement qui en est l'émanation. J'ai entendu parler de lui pour la première fois lorsque, préparant un ouvrage sur l'Afrique, j'ai dû rechercher de la documentation sur le Congo belge. J'ai appris que Sengier est né en Belgique où il a reçu une formation d'ingénieur. Il a passé cinq ans en Chine au service d'une société belge qui exploitait là-bas des lignes de tramways. C'est un homme aventureux, tenace, audacieux et d'une intelligence extrêmement brillante. Vers la trentaine, il décida de partir pour l' Afrique, qui depuis lors a toujours joué un grand rôle dans son existence.

L'Union Minière a été fondée en 1906. Le Congo est devenu colonie belge en 1908, Élisabethville, chef-lieu du Katanga, fut créée en 1910, et Sengier y arriva en 1911. Cet homme, l'Union Minière, Élisabethville et le Congo ont, pour ainsi dire, grandi ensemble. Au musée d'Élisabethville, j'ai vu un bloc de pechblende, oxyde naturel d'uranium. Il se présente sous la forme d'une masse noir et or, de la taille d'un gros chien, que l'on dirait recouverte d'une mousse verdâtre. Il provient de la fameuse mine de Chinkoloboué. Sur une pancarte on peut lire: "Attention! Bloc radioactif!" Les photographes savent à quoi s'en tenir: ils ne doivent pas trop s'approcher s'ils ne veulent pas gâcher leurs pellicules.


Propos 51 -129

À Chinkoloboué, on extrait de la pechblende depuis 1921. Mais à cette époque personne ne pensait que l'uranium présentât une valeur quelconque. On ne s'intéressait qu'au radium. Pourtant, en 1938, il se produisit du nouveau. Sengier reçut la visite d'un physicien anglais venu en grand secret l'entretenir de travaux, effectués par certains savants allemands, dans le domaine de la fission nucléaire et de la possibilité de fabriquer une bombe atomique avec de l'uranium. Il importait avant tout d'éviter qu'aucune parcelle d'uranium ne tombât entre les mains des Allemands.

Sous sa propre responsabilité, Sengier fit expédier du Congo aux États-Unis plus de 1,000 tonnes de minerai riche en pechblende.

- J'ai fait cela, m'a-t-il déclaré, à l'insu de tous.

Ce minerai arriva à New York en 1940 où il fut entreposé dans des tonnelets d'acier. Certains incidents curieux devaient se produire en attendant qu'il fût utilisé pour le "projet Manhattan". Sengier fit secrètement connaître aux autorités américaines compétentes la présence de cet uranium. La nouvelle fit une telle impression sur le Département d'État que celui-ci voulut faire transporter en lieu sûr, à Fort Knox, le minerai redoutable. Il y eut des retards cependant, et une année s'écoula avant que le gouvernement américain se décidât à tirer profit de la clairvoyante initiative de Sengier. Entre temps (tel était le secret qui enveloppait toute cette affaire), certains parurent avoir oublié - à moins qu'ils ne l'aient jamais su l'endroit où se trouvait le minerai. C'est alors qu'eut lieu en 1941 la visite historique du colonel américain.

L'entretien dura une heure, et l'officier repartit avec une note, rapidement rédigée sur une feuille de papier jaune et signée de la main de Sengier. L'uranium indispensable au succès des recherches atomiques était désormais la propriété des États-Unis. Lors d'un voyage que Sengier fit aux États-Unis en 1946, le général Leslie Groves lui remit, en présence du président Truman, la médaille américaine du Mérite. Sengier est un des rares civils étrangers à avoir été honorés de cette haute distinction et, bien entendu, il en est fier. La raison de sa nomination fut gardée secrète. Le dossier demeura dans les archives de la Maison Blanche. Le texte de la citation fut rédigé - à dessein - en termes vagues. Je l'ai lu: il y est seulement question des "grands services rendus en temps de guerre par Edgar Sengier dans le domaine des matières premières". L'Angleterre a décerné à Sengier le titre de commandeur de l'Ordre de l'Empire britannique, et la France, celui de chevalier de la Légion d'honneur. Mais plus que toutes ces distinctions honorifiques, il est une chose dont Sengier est vraiment fier: on a donné récemment à un minerai nouveau (composé d'uranium, de vanadium et de cuivre) le nom de "sengierite".

http://site.ifrance.com/mission/propo517.htm (20031026)
Tempels Placied P. O.F.M., TANGHE Baselis (Woord Vooraf)
Placied Tempels publiceert ophefmakend boek: Bantoe-filosofie
Edited: 194600831010
Tempels (1906-1977) plaatst het westerse "beschavingswerk" in Congo voor zijn verantwoordelijkheid. Een ophefmakend en moedig boek dat de gehele kolonisatie in vraag stelt. De westerse cultuur vermoordt de Bantu-cultuur. Tempels schreef de tekst in Kamina tussen juni 1944 en juni 1945. Een eerste versie verscheen in het Congolese tijdschrift "Band". In zijn 'Woord Vooraf' betreurt Baselis Tanghe (Gewezen Apostolisch Vicaris van Ubangi) dat dit boek niet 60 jaar eerder was verschenen: "Wat zou de inhoud van dit wijze geschrift welgekomen geweest zijn bij alle goedmenende kolonialen, Koning Leopold II aan het hoofd! Vooral de missionarissen zou het boek belangrijke diensten bewezen hebben, vermits het de denkwijze en de mentaliteit der Congolese Zwarten belicht, waarmede dan de missionarissen bij het godsdienstonderricht rekening hadden kunnen houden." Deze woorden zijn wellicht ingegeven door de barbarij die de blanke (met een kleine b) tijdens W.O. II tentoon had gespreid. De blanke kon niet volhouden dat hij superieur was en dat de Zwarte de 'wilde' was.

Noot Lucas Tessens: Volgens mijn oom - toen koloniaal ambtenaar in Congo - veroorzaakte dit boek een aardverschuiving in het denken van de jonge blanke intelligentsia in Congo. De geesten waren rijp voor heel materieel gericht ontwikkelingswerk en de missionarissen gingen zich ook vragen stellen. De zwarte mens kwam op de voorgrond, ten koste van het 'zieltjes winnen'.
uranium: Sengier (UM) uitgenodigd door De Vleeschhauwer
Edited: 194403318821
Voorakkoord over levering uranium aan GB en USA (de Launay 1977:298-299)

Transcriptie van de brief:

Ministère des Colonies - Cabinet du Ministre

Londres, le 31 mars 1944

PERSONNELLE

Cher Monsieur Sengier,

Notre Gouvernement a été approché ces jours-ci par des "Government Representatives" pour examiner la question de l'uranium (production, exploitation, etc.) au Congo.

Nous avons eu une première conversation sous le sceau du plus grand secret. Nos conversations doivent se continuer et ne peuvent l'être utilement qu'avec votre collaboration personnelle et directe.

C'est pourquoi je vous convoque, au nom du Gouvernement, de toute urgence à Londres. Il ne m'est pas possible de vous en donner l'ordre, mais je vous supplie de considérer la présente convocation comme un devoir national tant pour vous que pour nous.

Il nous faut avec et par votre personne le maximum de documentation au sujet du métal en question, et votre collaboration active dans nos discussions ici.

Venir d'urgence par avion avec de la documentation secrète, le tout en conservant le secrèt sur le vrai motif de votre déplacement: cela va vous demander un effort et pourrait vous provoquer quelques ennuis. Nous essayons de simplifier ces derniers au maximum.

La présente est portée en Amerique par "a reliable official" qui remettra à Mr. Webster of the British Supply Council à Washington "who will in turn hand it personally to M. Sengier". Mr. Webster "will also be asked to make arrangements for M. Sengier to be given an air passage to this country as soon as possible, as well as facilities to bring his papers with him".

On insiste sur le "very confidential nature of our conversations" et de l'ensemble de la question.

Il ne peut être question d'en câbler au Congo ni même d'y demander quoi que ce soit en ce moment. Autour de vous il sera aisé de camoufler votre documentation en la noyant dans un ensemble.

Notre Ambassade et nos Services voudront évidemment vous rendre service: vous pourriez accepter d'être porteur d'un pli diplomatique ordinaire - pas trop lourd bien entendu ! - mais votre documentation à vous ne doit pas passer par leurs mains. Je vous demande de ne pas vous en dessaisir un seul instant.

Personne ne peut connaître l'objet réel de votre voyage. Je vous enverrai un câble laconique "pour la forme". Dès votre arrivée ici je vous communiquerai les noms de ceux qui sont au courant: nous sommes quatre.

Bon voyage et à très bientôt.

Bien à vous,

(sign.) De Vleeschauwer"

Noot LT: de "vier" die hier bedoeld worden zijn: Gutt (financiën), De Vleeschauwer (koloniën), Pierlot (1M), Spaak (BuZ); in dit verband spreken BUCH & VANDERLINDEN: 1995: 17 van de "bande des quatres". De Vleeschauwer zou bij de Amerikanen een armzalige indruk hebben nagelaten ("piètre estime").
1940-1945: diamantsmokkel van Congo naar bezet België (via Forminière)
Edited: 194000008755
As the OSS pursued the investigation, it found that the diamonds were reaching the Axis powers through Tangier and Cairo. Its agents, posing as illegal buyers in these entrepots, found that industrial diamonds were being sold for $26 a carat, which was thirty times the official price. It became increasingly clear that enormous profits were being made on the millions of carats that were being smuggled into Germany. Tracing their way back through the chain of illegal sellers, an OSS agent code-named Teton reported back from Leopoldville that "the major source of leakage was the Forminiere Mines," which had been under the control of the syndicate ever since they were developed. According to the OSS report, Teton, pretending to be an American official who had come to the Congo to register "all American males of draft age," made highly productive "contact" in Leopoldville and eventually turned up evidence "that a full year's supply of diamonds had reached Germany from Forminiere through Red Cross parcels." The shipment of several million carats of diamonds through the parcels that were regularly sent from the Congo to Nazi-occupied Belgium required considerable organization and support in the intervening areas.

http://edwardjayepstein.com/diamond/chap9.htm
FIEVEZ Victor-Léon (1855-1939)
Edited: 193905271212
FIEVEZ ( Victor-Léon), Officier de la Force
Publique et Inspecteur d'État (Havré, 30.4.
1855-Bruxelles, 27.5.1939). Fils de Florent et
de Lejeune, Julie.
Fiévez avait fait des études secondaires à
Mons et avait acquis, durant sa jeunesse,
quelques notions de culture dont il tirera grand
profit au cours de sa carrière en Afrique. Milicien
de 1875, il s'engage comme volontaire au 7°
régiment de ligne. En juillet 1877, il est nommé
sergent. Deux ans plus tard, il se présente à
l'examen de sous-lieutenant, qu'il réussit, et
passe au 11e
régiment de ligne où il est promu
lieutenant en avril 1886.
En 1888, répondant à l'appel du roi Léopokl
II et suivant en cela l'exemple de son ami
Haneuse, il s'engage au service de l'État Indé-
pendant du Congo et quitte Anvers le 19 mars 1888,
à bord du « Coanza ». Il arrive à Boma le 22
avril 1888 et est désigné comme adjoint au capitaine
Roget, commandant de la Force publique.
Depuis le massacre du poste des Falls, en
1886, le danger arabe se révélait de plus en plus
imminent. Les faibles forces dont disposait le
jeune État pour l'affronter étaient insuffisantes ;
il fallait les étoffer et les organiser.-^C'était à
cette tâche primordiale que Roget se consacrait
depuis deux ans et Fiévez vint le seconder
admirablement. Nommé capitaine de la Force
publique le 27 octobre 1888, il prend provisoirement
la succession de son chef qui rentre en
Belgique après avoir accompli déjà un premier
terme en Afrique.
Comme il fallait, en ce temps-là, faire face à
toutes les nécessités du service avec un personnel
très réduit, il est chargé d'exercer simultanément
les fonctions de substitut du procureur
d'État et bientôt, en janvier 1890, celle de juge
suppléant près le tribunal de première instance.
Malgré ces tâches absorbantes, il trouve encore
des moments de loisir pour s'occuper de cultures
et pousser les indigènes à entreprendre diverses
plantations.
En avril 1890, Fiévez est appelé à prendre
le commandement de Basoko, important camp
retranché dont les assises avaient été jetées
au début de 1889 par Roget qui était retourné
en Afrique pour un deuxième séjour. Situé
au confluent du Congo et de l'Aruwimi, ce camp
avait été établi sur l'ordre du Roi dans le but
d'enrayer les progrès vers l'Ouest de l'invasion
arabe et de servir, par la suite, de base d'opé-
rations à l'action répressive qui devait fatalement
être entreprise contre eux à plus ou
moins brève échéance. A Basoko, Fiévez se
montra non seulement un chef et un administrateur
avisé, mais il dévoila encore ses
qualités d'explorateur averti. Il entreprend
plusieurs expéditions à la suite desquelles il
relève notamment le cours inférieur de la Lulu
et a ainsi l'occasion de constater le magnifique
développement des cultures que possèdent les
Arabes. Grâce à sa fermeté et à sa diplomatie,
il parvient à interdire à ceux-ci le passage de
la rivière et, s'inspirant de leurs réalisations, il
pousse à l'établissement par les indigènes de
plantations de rapport et de cultures vivrières.
Après plus de trois ans de travail harassant mais
fécond, il rentre en Belgique le 17 septembre
1891. II est exténué et sa santé gravement compromise
; il lui faudra plus d'un an pour se
remettre.
A peine rétabli, il repart pour l'Afrique le 6
mars 1893, alors qu'il vient d'être nommé commissaire
de district de première classe et le 1 e r
avril 1893, lendemain de son arrivée à Boma, il est
désigné pour commander le district de l'Équateur.
Mission importante et délicate entre toutes,
car, après les Lothaire et les Peters, il fallait,
dans ces régions vastes comme plusieurs fois la
Belgique, veiller au recrutement de la Force
publique, développer l'organisation administrative
par l'établissement de nouveaux postes,
pousser plus avant l'exploration du pays, réprimer
la pratique, hélas encore trop répandue, de
l'anthropophagie et lutter en même temps
contre l'infiltration des bandes arabes qui étaient
parvenues à pousser leurs incursions jusque
dans la Maringa-Lopori. Fiévez se dépense sans
compter et s'efforce de suffire à toutes ces tâches.
Il pacifie le Ruki et ses affluents ainsi que la
région du lac Tumba qu'il reconnaît en poussant
jusqu'au lac Léopold II et réprime, à
Iboko, l'opposition des indigènes à l'action
civilisatrice des Européens. Il aide encore, en
outre, au développement des plantations et des
cultures, et ceci semble lui tenir particulièrement
à cœur ; c'est de cette époque que datent
les premières plantations de caféiers dans la
région.
Après avoir étendu, avec la précieuse collaboration
de son adjoint Sarrazyn, l'autorité de
l'État jusqu'aux limites de l'immense district,
il consacre son activité débordante à une tâche
d'un genre nouveau mais qui lui devient bien
vite familier. Il se découvre architecte et se fait
bâtisseur de cités. C'est lui qui construit à
Coquilhatville les premières maisons en briques.
Il fait de la station un véritable centre de civilisation
avec de belles avenues bordées de maisons,
coquettes et confortables, entourées de palmiers,
qui suscitent l'admiration générale.
Après trois nouvelles années d'un travail
inlassable accompli en Afrique, Fiévez rentre
au pays le 14 mai 1896.
En récompense de ses brillants états de service,
le Roi l'élève, en 1897, au grade d'inspecteur
d'État et le charge du commandement des
districts de l'Ubangi et des Bangala.
Loin de considérer comme purement honorifiques
ces nouvelles fonctions dont l'a investi la
confiance royale, Fiévez, en s'embarquant le 6
septembre 1897 pour un troisième séjour au
Congo, se propose d'aller vers le nord pacifier
le pays des terribles Budja. Il gagne immédiatement
Bumba, d'où, avec une poignée de soldats
fidèles et bien disciplinés, il entreprend
une randonnée audacieuse jusque Yakoma.
Traversant des contrées qui sont continuellement
en effervescence il doit livrer combat sur
combat et finit, après huit mois de luttes incessantes,
par gagner Banzyville. C'est cependant
grâce à sa ténacité, à sa patience et à sa force de
persuasion, bien plus encore que par les armes,
qu'il est parvenu à amener les farouches indigènes
à se soumettre aux lois de l'État.
En octobre 1899, son dernier terme arrive à
expiration ; il redescend vers Boma et s'embarque
le 8 novembre à bord du « Léopoldville » qui
le ramène à Anvers le 27.
Fiévez avait rédigé, sur le district de l'Équateur
des notes qu'il avait rassemblées et qui
parurent en 1895 dans « Le Congo illustré ». Il
avait également publié en 1896, dans « L a
Belgique coloniale » la relation de son expédition
: « Du lac Tumba au lac Léopold II »,
La carrière africaine de Léon Fiévez, marquée
du sceau d'un travail ardu et opiniâtre accompli
avec un sens aigu des responsabilités et du devoir
et un esprit de sacrifice total, constitue une
étonnante réalisation de la pensée ardente qu'exprima
quelques années plus tard, Jacques d'Arnoux,
célèbre aviateur de la guerre 1914-1918 :
« La vie est courte... il la faut pleine. » D'autre
part, l'exquise bonté avec laquelle il avait
accompli son œuvre civilisatrice au Congo avait
été judicieusement mise en relief par les noirs
qui l'avaient surnommé « Tâta » (père).
Rentré d'Afrique, Fiévez avait repris du
service dans l'armée métropolitaine ; il fut
nommé major au 9° de ligne, en 1910. Titulaire
de l'Étoile de service à trois raies et de la
Médaille coinmémorative du Congo, il était
également officier de l'Ordre Royal du Lion et
de l'Ordre de Léopold.
6 octobre 1951.
A. Lacroix.
F. Masoin, Hist. de l'É.I.C., 2 vol. Namur, 1913,
I, pp. 99 et 180 ; II, pp. 127 et 255. — A. Chapaux,
Le Congo, Éd. Ch. Rozez, Brux., 1894, pp. 627,
633 et 635. — H. Depester, Les pionniers belges
au Congo, Éd. Duculot, Tamines, 1937, p. 71. —
Bull, de l'Ass. des Vétérans colon., juillet, 1939, pp.
13-14. — La Trib. cong., 15 juin 1939, p. 2. — Delcommune,
Vingt années de vie africaine, 2 vol.
Larcier, Brux., 1922, II, p. 15. — C. Boulger, The
Congo State, London, 1898, p. 211. — A nos Héros
coloniaux morts pour la civilisation, pp. 208 et 210.

src: Inst. roy. colon. belge, Biographie Coloniale Belge, T. III, 1952, col. 304-307
DRIAN (1885-1961)
Femmes - l'Illustration 1936
Edited: 193612260908


Drian, de son vrai nom Adrien Désiré Étienne, est un illustrateur français.
Drian est né le 3 octobre 1885 à Bulgnéville, en Lorraine, où son père était brigadier de gendarmerie1. Il fait ses études à l'Académie Julian à Paris.
Il participe, au début du xxe siècle, entre autres à la Gazette du Bon Ton et à Le Journal des dames de Tom Antongini. Après la guerre, on retrouve ses illustrations de mode en France dans L'Illustration et Femina de Pierre Lafitte, mais également dans Harper's Bazar en 1921. Il illustre également des romans ou des contes, participe à la création de vitrines aux États-Unis, à la décoration du bureau de Molyneux, ou des fresques pour Elsie de Wolfe. Outre ses illustrations, il est également l'auteur de peintures à l'huile : il termine sa carrière comme portraitiste, Wallis Simpson fut l'un de ses modèles.
Il meurt en 1961; René Gruau dira de lui qu'« il est le plus grand3 ». (src: Wiki)
CIAM
Charter of Athens (1933) - Charter van Athene (1933) - La Charte d'Athènes (1933)
Edited: 193313101165


IV International Congress for Modern Architecture

This document was produced as a result of the IV International Congress of Modern Architecture which took as its theme "the functional city" and focused on urbanism and the importance of planning in urban development schemes. The document includes urban ensembles in the definition of the built heritage and emphasizes the spiritual, cultural and economic value of the architectural heritage. It includes a recommendation calling for the destruction of urban slums and creation of "verdant areas" in their place, denying any potential heritage value of such areas. It condemns the use of pastiche for new construction in historic areas.
This is a retyped version of a translated document entitled The Athens Charter, 1933. J.Tyrwitt created the translation from French to English in 1943; the translation was thereafter published by Harvard University's Library of the Graduate School of design. It is included here for educational reference purposes only. The Getty suggests that when referencing this document, the original document should be consulted (see citation below).

The formatting, to the best of our abilities, have remained intact and any original typographical errors noted, but otherwise have been left unchanged.

Full Bibliographic Information:
Congress Internationaux d'Architecture moderne (CIAM), La Charte d'Athenes or The Athens Charter, 1933. Trans J.Tyrwhitt. Paris, France: The Library of the Graduate School of Design, Harvard University, 1946.


HARVARD UNIVERSITY

THE LIBRARY OF THE GRADUATE SCHOOL OF DESIGN

THE ATHENS CHARTER, 1933

Translated by J. Tyrwhitt

from La Charte d'Athenes Paris, 1943

I. THE CITY IN ITS REGIONAL SETTING points 1-8

II. THE FOUR FUNCTIONS OF THE CITY
A. Dwelling 9-29
B. Recreation 30-40
C. Work 41-50
D. Transportation 51-64
E. Legacy of history 65-70

III. CONCLUSIONS 71-95
__________________________

I. THE CITY IN ITS REGIONAL SETTING

1. The city is only a part of the economic, social and political entity which constitutes the region.
2. Economic, social and political values are juxtaposed with the psychological and physiological attributes of the human being, raising problems of the relations between the individual and the community. Life can only expand to the extent that accord is reached between these two opposing forces: the individual and the community.
3. Psychological and biological constants are influenced by the environment: its geographic and topographic situation as well as its economic and political situation. The geographic and topographic situation is of prime importance, and includes natural elements, land and water, flora, soil, climate, etc.
4. Next comes the economic situation, including the resources of the region and natural or manmade means of communication with the outside world.
5. Thirdly comes the political situation and the system of government and administration.
6. Special circumstances have, throughout history, determined the character of individual cities: military defense, scientific discoveries, different administrations, the progressive development of communications and methods of transportation (road, water, rail, air).
7. The factors which govern the development of cities are thus subject to continual change.
8. The advent of the machine age has caused immense disturbances to man's habits, place of dwelling and type of work; an uncontrolled concentration in cities, caused by mechanical transportation, has resulted in brutal and universal changes without precendent [sic] in history. Chaos has entered into the cities.

II. THE FOUR FUNCTIONS OF THE CITY

A. Dwelling

9. The population density is too great in the historic, central districts of cities as well as in some nineteenth century areas of expansion: densities rise to 1000 and even 1500 inhabitants per hectare (approximately 400 to 600 per acre).
10. In the congested urban areas housing conditions are unhealthy due to insufficient space within the dwelling, absence of useable green spaces and neglected maintenance of the buildings (exploitation based on speculation). This situation is aggravated by the presence of a population with a very low standard of living, incapable of initiating ameliorations (mortality up to 20 per cent).
11. Extensions of the city devour, bit by bit, its surrounding green areas; one can discern the successive rings of development. This ever greater separation from natural elements heightens the harmful effects of bad sanitary conditions.
12. Dwellings are scattered throughout the city without consideration of sanitary requirements.
13. The most densely populated districts are in the least favorable situations (on unfavorable slopes, invaded by fog or industrial emanations, subject to flooding, etc.)
14. Low indensity developments (middle income dwellings) occupy the advantageous sites, sheltered from unfavorable winds, with secure views opening onto an agreeable countryside, lake, sea, or mountains, etc. and with ample air and sunlight.
15. This segregation of dwellings is sanctioned by custom, and by a system of local authority regulations considered quite justifiable: zoning.
16. Buildings constructed alongside major routes and around crossroads are unsuitable for dwellings because of noise, dust and noxious gases.
17. The traditional alignment of houses along the sides of roads means that good exposure to sunlight is only possible for a minimum number of dwellings.
18. The distribution of community services related to housing is arbitrary.
19. Schools, in particular, are frequently sited on busy traffic routes and too far from the houses they serve.
20. Suburbs have developed without plans and without well organized links with the city.
21. Attempts have been made too late to incorporate suburbs within the administrative unit of the city.
22. Suburbs are often merely an agglomeration of hutments where it is difficult to collect funds for the necessary roads and services.

IT IS RECOMMENDED

23. Residential areas should occupy the best places in the city from the point of view of typography, climate, sunlight and availability of green space.
24. The selection of residential zones should be determined on grounds of health.
25. Reasonable densities should be imposed related both to the type of housing and to the conditions of the site.
26. A minimum number of hours of sunlight should be required for each dwelling unit.
27. The alignment of housing along main traffic routes should be forbidden [sic]
28. Full use should be made of modern building techniques in constructing highrise apartments.
29. Highrise apartments placed at wide distances apart liberate ground for large open spaces.

B. Recreation

30. Open spaces are generally insufficient.
31. When there is sufficient open space it is often badly distributed and, therefore not readily usable by most of the population.
32. Outlying open spaces cannot ameliorate areas of downtown congestion.
33. The few sports fields, for reasons of accessibility, usually occupy sites earmarked for future development for housing or industry: which makes for a precarious existance [sic] and their frequent displacement.
34. Land that could be used for week-end leisure is often very difficult of access [sic].

IT IS RECOMMENDED

35. All residential areas should be provided with sufficient open space to meet reasonable needs for recreation and active sports for children, adolescents and adults.
36. Unsanitary slums should be demolished and replaced by open space. This would ameliorate the surrounding areas.
37. The new open spaces should be used for well-defined purposes: children's playgrounds, schools, youth clubs and other community buildings closely related to housing.
38. It should be possible to spend week-end free time in accessible and favorable places.
39. These should be laid out as public parks, forests, sports grounds, stadiums, beaches, etc.
40. Full advantages should be taken of existing natural features: rivers, forests, hills, mountains, valleys, lakes, sea, etc.

C. Work

41. Places of work are no longer rationally distributed within the urban complex. This comprises industry, workshops, offices, government and commerce.
42. Connections between dwelling and place of work are no longer reasonable: they impose excessively long journeys to work.
43. The time spent in journeying to work has reached a critical situation.
44. In the absence of planning programs, the uncontrolled growth of cities, lack of foresight, land speculation, etc. have caused industry to settle haphazardly, following no rule.
45. Office buildings are concentrated in the downtown business district which, as the most privileged part of the city, served by the most complete system of communications, readily falls prey to speculation. Since offices are private concerns effective planning for their best development is difficult.

IT IS RECOMMENDED

46. Distances between work places and dwelling places should be reduced to a minimum.
47. Industrial sectors should be separated from residential sectors by an area of green open space.
48. Industrial zones should be contiguous with railroads, canals and highways.
49. Workshops, which are intimately related to urban life, and indeed derive from it, should occupy well designed [sic] areas in the interior of the city.
50. Business districts devoted to administration both public and private, should be assured of good communications with residential areas as well as with industries and workshops within the city and upon its fringes.

D. Transportation

51. The existing network of urban communications has arisen from an agglomeration of the aids [sic] roads of major traffic routes. In Europe these major routes date back well into the middle ages [sic], sometimes even into antiquity.
52. Devised for the use of pedestrians and horse drawn vehicles, they are inadequate for today's mechanized transportation.
53. These inappropriate street dimensions prevent the effective use of mechanized vehicles at speeds corresponding to urban pressure.
54. Distances between crossroads are too infrequent.
55. Street widths are insufficient. Their widening is difficult and often ineffectual.
56. Faced by the needs of high speed [sic] vehicles, present the apparently irrational street pattern lacks efficiency and flexibility, differentiation and order [sic].
57. Relics of a former pompous magnificence designed for special monumental effects often complicate traffic circulation.
58. In many cases the railroad system presents a serious obstacle to well planned urban development. It barricades off certain residential districts, depriving them from easy contact with the most vital elements of the city.

IT IS RECOMMENDED THAT

59. Traffic analyses be made, based on accurate statistics, to show the general pattern of circulation in the city and its region, and reveal the location of heavily travelled [sic] routes and the types of their traffic.
60. Transportation routes should be classified according to their nature, and be designed to meet the rrquirements [sic] and speeds of specific types of vehicles.
61. Heavily used traffic junctions should be designed for continuous passage of vehicles, using different levels.
62. Pedestrian routes and automobile routes should follow separate paths.
63. Roads should be differentiated according to their functions: residential streets, promenades, through roads, major highways, etc.
64. In principle, heavy traffic routes should be insulated by green belts.

E. Legacy of History

IT IS RECOMMENDED THAT:

65. Fine architecture, whether individual buildings or groups of buildings, should be protected from demolition.
66. The grounds for the preservation of buildings should be that they express an earlier culture and that their retention is in the public interest.
67. But their preservation should no [sic] entail that people are obliged to live in unsalubrius [sic] conditions.
68. If their present location obstructs development, radical measures may be called for, such as altering major circulation routes or even shifting existing central districts - something usually considered impossible.
69. The demolition of slums surrounding historic monuments provides an opportunity to create new open spaces.
70. The re-use of past styles of building for new structures in historic areas under the pretext of assthetics [sic] has disastrous consequences. The continuance or the introduction of such habits in any form should not be tolerated.

III. CONCLUSIONS

71. Most of the cities studied present an image of chaos. They do not correspond in any way to their ultimate purpose: to satisfy the basic biological and physiological needs of their inhabitants.
72. The irresponsibility of private enterprise has resulted in a disastrous rupture of the equilibrium between strong economic forces on one side and, on the other, weak administrative controls and powerless social interests.
73. Although cities are constantly changing, their development proceeds without order or control and with no attempt to apply contemporary town planning principles, such as have been specified in professionally qualified circles.
74. The city should assure both individual liberty and the benefits of collective action on both the spiritual and material planes.
75. The dimensions of everything wi thin [sic] the urban domain should relate to the human scale.
76. The four keys to urban planning are the four functions of the city: dwelling, work, recreation (use of leisure time), transportation.
77. The city plan sould [sic] determine the internal structure and the interrelated positions in the city of each sector of the four key functions.
78. The plan should ensure that the daily cycle of activities between the dwelling, workplace and recreation (recuperation) can occur with the utmost economy of time. The dwelling should be considered as the prime center of all urban planning, to which all other functions are attached.
79. The speeds of mechanized transportation have disrupted the urban setting, presenting an ever-present danger, obstructing or paralyzing communications and endangering health.
80. The principle of urban and suburban circulation must be revised. A classification of acceptable speeds must be established. A reformed type of zoning must be set up that can bring the key functions of the city into a harmonious relationship and develop connections between them. These connections can then be developed into a rational network of major highways.
81. Town planning is a science based on three dimensions, not on two. This introduces the element of height which offers the possibility of freeing spaces for modern traffic circulation and for recreational purposes.
82. The city should be examined in the context of its region of influence. A plan for the total economic unit - the city-region - must replace the simple master plan of a city.
83. The city should be able to grow harmoniously as a functioning urban unity in all its different parts, by means of preordained open spaces and connecting links, but a state of equilibrium should exist at every stage of its development.
84. It is urgently necessary for every city to prepare a planning program indicating what laws will be needed to bring the plan to realization.
85. The planning program must be based on rigorous analytical studies carried out by specialists. It must foresee its stages of development in time andspace [sic]. It must coordinate the natural resources of the site, its topographic advantages, its economic assets, its social needs and its spiritual aspirations.
86. The architect engaged in town planning should determine everything in accordance with the human scale.
87. The point of departure for all town planning should be the single dwelling, or cell, and its grouping into neighborhood units of suitable size.
88. With these neighborhood units as the basis, the urban complex can be designed to bring out the relations between dwelling, places of work and places devoted to recreation.
89. The full resources of modern technology are needed to carry out this tremendous task. This means obtaining the cooperation of specialists to enrich the art of building by the incorporation of scientific innovations.
90. The progress of these developments will be greatly influenced by political, social and economic factors. . . [sic]
91. And not, in the last resort, by questions of architecture.
92. The magnitude of the urgent task of renovating the cities, and the excessive subdivision of urban land ownerships present two antagonistic realities.
93. This sharp contradiction poses one of the most serious problems of our time: the pressing need to regulate the disposition of land on an equitable and legal basis, so as to meet the vital needs of the community as well as those of the individual.
94. Private interests should be subordinated to the interests of the community.
HIRSCHFELD Magnus
Die Ausrottung der armenischen Bevolkerung der Türkei - De uitroeiiing van de Armeense bevolking van Turkije - De Armeense genocide
Edited: 193000651205
Hirschfeld spreekt van 1,2 miljoen burgerslachtoffers, vrouwenhandel, kinderhandel, lustmoorden, etcetera. Bij het uitbreken van WO I (1914) leefden er ca. 2 miljoen christelijke Armeniërs in het Turkse en ca. 1,5 miljoen in het Russische gebied. De Armeniërs leverden de intelligentsia in Turkije. H. beweert dat de Armeniërs tijdens hun dodentocht dan nog door halfwilde stammen, waaronder Koerden, overvallen werden. Als verzamelkamp wordt Aleppo (in het huidige Syrië) genoemd. Lord Bryce zou op 18 november 1918 de zaak van de Armeense genocide in het Britse Hogerhuis aanhangig hebben gemaakt.
uittreksel uit het boek Sittengeschichte des Weltkrieges (1930):

4 juli 1927: Grenz Echo als weekblad gesticht
Edited: 19270604
4 juli 1927 : Weekblad Grenz Echo wordt gesticht (life cycle) (Luyckx, 513)

-

1927 : Le journal "Grenz-Echo"est fondé. Il a pour vocation de devenir le pendant "pro-belge"aux organes de presse "pro-allemands". Le Grenz-Echo est aujourd'hui le seul quotidien en langue allemande en Belgique.

http://www.dglive.be/start.html?/fr/faits/histoire2.htm (20031016)



Geschichte des Grenz-Echos 1927 - 2002

Als die Kreise Eupen und Malmedy als Folge des Versailler Vertrages im Jahre 1920 zu Belgien kamen, gab es in diesem Gebiet fünf deutschsprachige Zeitungen :



die "Eupener Zeitung" (katholische Volkszeitung für Stadt und Land)

"Die Arbeit" (Organ des Gewerkschaftsbundes und der Arbeiterpartei in Eupen)

"Der Landbote" (in Malmedy)

die "Malmedyer-Sankt Vither Volkszeitung" (ehemaliges Kreisblatt - in Sankt Vith)

und die "Eupener Nachrichten"

All diese Zeitungen waren Belgien gegenüber mehr oder weniger feindlich eingestellt. Zumindest forderten sie die Durchführung einer geheimen Volksabstimmung, die Aufschluss darüber bringen sollte, ob die Bevölkerung der beiden Kreise nun zu Belgien gehören oder vielmehr nach Deutschland zurückkehren wollte.

Weil General-Leutnant Herman Baltia, der damalige Königliche Kommissar und Gouverneur in den Neubelgischen Gebieten, mit einem raschen Gesinnungswechsel nicht rechnete, forderte er die Gründung deutschsprachiger, aber pro-belgisch eingestellter Presseorgane.



So wurde im Jahre 1926 die V.o.E. "Union" gegründet, eine pro-belgische Vereinigung mit Sitz in Weismes, die sich die Förderung des Nationalbewusstseins der "Neubelgier" zum Ziel gesetzt hatte.



Unter anderem wurde die Gründung eines eigenen, zweisprachigen Informationsblattes zur "Umerziehung" der Neubelgier angestrebt.



Am 4. Juni 1927 erschien, auf Initiative des Rechtsanwalts und ehemaligen Berates Baltias, Pierre Van Werveke, und unter Mitwirkung von Henri Michel - der Direktion und Hauptschriftleitung am 15.10.1927 übernahm - das Grenz-Echo.



Dieser Titel war übrigens nicht neu, denn zwischen 1903 und 1914 erschien bereits in Welkenraedt eine Zeitung mit gleichlautendem Namen. Das Blatt wurde von zahlreichen pro-belgisch orientierten "Neubelgiern" unterstützt. Die ersten Ausgaben erhielten den Untertitel "Christliches Organ zur Förderung wirtschaftlicher Interessen der neubelgischen Gebiete".



Am 20. April 1929 wurde das Grenz-Echo Eigentum der Katholischen Partei, und von 1932 bis 1985 gehörte es der Vereinigung ohne Erwerbszweck "Action Catholique" in Verviers. Anfangs erschien das Grenz-Echo einmal wöchentlich. Beginn 1928 wurde es zur Halbwochenzeitung und Ende 1932 zur Tageszeitung.



Das Grenz-Echo war die erste Zeitung in deutscher Sprache, die sich hinter das noch weitgehend ungeliebte, weil aufgezwungene Vaterland und die belgische Politik stellte.



Die Ablehnung, die dem Blatt von vielen Seiten entgegenschlug, war damit schon vorprogrammiert. Alle übrigen deutschsprachigen Zeitungen, die damals im Gebiet von Eupen, Malmedy und Sankt Vith erschienen, setzten auf die Wiederherstellung der alten Grenzen und die Rückkehr nach Deutschland. Ein Wunsch, der auch teilweise in der Bevölkerung lebendig blieb.







Die GRENZ-ECHO-Köpfe von damals bis heute.







1920 - 1929



1930 - 1939



1940 - 1949



1950 - 1959



1960 - 1969



1970 - 1979



1980 - 1989



1990 - 1999



seit 2000









Am 30. Januar 1933 kamen in Deutschland die Nationalsozialisten an die Macht. Diese nahmen sich in einer stets offeneren Art und Weise der für die Rückkehr nach Deutschland strebenden Kräfte an und provozierten damit eine harte Frontbildung, die in den Jahren vor dem Ausbruch des Zweiten Weltkrieges immer tragischer auf das tägliche Leben der Menschen einwirkte und sogar manche Familie in zwei Lager spaltete.

Trotz einer aus dem Deutschen Reich mit Ideen und finanziellen Mitteln gelenkten massiven Propaganda, trotz der brutalen Art, mit der die Nationalsozialisten um jeden Anhänger kämpften, schlug die öffentliche Meinung immer mehr zum Vorteil des belgischen Lagers um.



Am 24.4.1933 wurde das Grenz-Echo auf deutschen Reichsgebiet verboten. Mit Henri Michel, Dr. O.E. Mayer (Rabelais) und Kurt Grünebaum als freier Mitarbeiter in Brüssel, gehörte das Grenz-Echo zu den bestens informierten und freien Zeitungen im deutschsprachigen Raum.



Als am 10. Mai 1940 die deutschen Truppen in Belgien einmarschierten, musste das Grenz-Echo sein Erscheinen einstellen, Henri Michel flüchtete nach Brüssel, wurde aber dort verhaftet und kam für die Kriegsjahre ins Konzentrationslagen Oranienburg-Sachsenhausen.

In den Gebäuden des Grenz-Echos in der Klosterstraße erschien nun der "Westdeutsche Beobachter" mit seiner Lokalausgabe "Eupener Beobachter".



Nach der Befreiung der Kantone Eupen-Malmedy-St.Vith durch die Amerikaner und der Wiederherstellung der belgischen Staatshohheit erschien das Grenz-Echo erstmals wieder am 24. März 1945.



Die Ehefrau von Henri Michel, Madeleine Van Keer, ergriff die Initiative für den Druck der Zeitung, gemeinsam mit Anna Opsomer-Michel, der Schwester des Direktors.



Bis zur Rückkehr Henri Michels am 21. Mai 1945, hielten die beiden Frauen die Zügel in Händen.



Das Grenz-Echo ist die einzige Tageszeitung in Ostbelgien, die den Krieg überlebt hat. Nun stellten die Nachkriegsjahre es vor neue äußerst komplizierte Probleme: Nachforschungen und Heimführung der noch in aller Welt verstreuten unzähligen ostbelgischen Landsleute im Soldatenrock, Problem der Säuberungsmaßnahmen, der sprachlichen Rechte der deutschsprachigen Minderheit des Landes ...Konsequent setzte sich das Grenz-Echo für die Erhaltung der deutschen Sprache in Ostbelgien ein.



In den fünfziger Jahre lag die Auflage des Grenz-Echos, das jetzt keinerlei Konkurrenz mehr hatte, bei etwa 15.000 Exemplaren, die auch in den deutschsprachigen Gebieten Altbelgiens verteilt wurden.

Ein besonderes Ereignis im Leben des Grenz-Echos darf auch nicht unerwähnt bleiben: im Frühjahr 1950 bezog die Zeitung eine der Bedeutung des Unternehmens angepasste neue Bleibe auf dem zentral gelegenen Marktplatz 8. Hier fand sie nun endlich genügend Ausdehnungsmöglichkeiten.



Langsam wuchs auch im Kanton St.Vith das Interesse für das Grenz-Echo.



Darum eröffnete das Grenz-Echo, ebenfalls im Jahre 1950, eine Filiale in St.Vith.



Aber da beileibe nicht jedermann mit dem Grenz-Echo einverstanden war, kamen zwei Konkurrenzzeitungen auf:



Von 1955 bis 1958 die "Neuen Nachrichten" in Eupen, die 1958 in Konkurs gingen - nicht zuletzt, weil ihnen Werbeaufträge verwehrt blieben.

Von 1955 bis 1965 die "Sankt Vither Zeitung", die dreimal wöchentlich erschien, bis sie am 1. Dezember 1965 mit dem Grenz-Echo fusionierte.

Der Chefredakteur der Sankt Vither Zeitung, Raymund Graf, wurde als beigeordneter Hauptschriftleiter vom Grenz-Echo übernommen.





Eine historische Aufnahme aus dem Jahre 1950 unseres Verlagsgebäudes.







Am 1. November 1965 war Henri Michel in den Ruhestand getreten. Als Nachfolger wurde Heinrich Toussaint Chefredakteur und Direktor.

Die Auflage sank allerdings von Jahr zu Jahr, von 15.000 Exemplaren in den fünfziger Jahren, auf rund 10.000 Exemplare in den achtziger Jahren. Dafür, dass die Auflage in dem Maße zurückging, wurde seinerzeit u.a. die Aachener Volkszeitung verantwortlich gemacht, die seit dem 8. März 1965 mit einer Ostbelgien-Ausgabe auf den Markt kam.



1969 kauft das Grenz-Echo die Druckerei Schlembach auf.







Diese Rotationsdruckmaschine hatte lange Jahre das Grenz-Echo gedruckt. Es war die erste, die am Marktplatz ihren Dienst leistete.







Die Anpassung des Unternehmens an die rasante technische Entwicklung im Zeitungsdruck erfolgt allmählich. Im Herbst 1976 wurde die alte Hochdruck-Rotationsmaschine durch eine moderne Offset-Rotation ersetzt, die einen besseren Druck und den verstärkten Einsatz von Farbe ermöglichte, aber auch ein neues Format verlangte. Kurz darauf war auch die Zeit der Bleisetzmaschinen abgelaufen. Der Fotosatz hielt Einzug, der den gesamten technischen Ablauf der Zeitungsherstellung revolutionierte.

Im Jahre 1977 feierte das Grenz-Echo seinen 50. Geburtstag glanzvoll in einem Festakt mit illustren Gästen, unter ihnen Premierminister Leo Tindemans. Der Leitartikel in der Jubiläumsnummer trägt den Titel "50 Jahre - und sich selber treu geblieben". Etwas besseres konnte man einer Zeitung, die einen so steinigen Weg hinter sich gebracht hat, gar nicht nachsagen.







Die inzwischen längst abgelösten Bleisatzgeräte haben lange Jahre das Bild in der Satztechnik der Zeitung geprägt.







Um seine wirtschaftliche Basis zu erweitern, beteiligte sich der Verlag 1980 an der Werbezeitung "Wochenspiegel".

Ab 1983 war jedoch die Wirtschaftlichkeit des Unternehmens bedroht, bis 1985 eine Gruppe von sechs ostbelgischen Bürgern unter der Führung des Eupener Unternehmers Alfred Küchenberg, zu diesem Zeitpunkt Präsident des Verwaltungsrates des BRF, und des Sankt Vither Geschäftsmannes Ernst Thommessen, ebenfalls Herausgeber des Wochenspiegels, das Grenz-Echo am 1. Oktober 1985 übernahmen und ein Sanierungsprogramm durchführten und somit das Grenz-Echo aber auch die Arbeitsplätze der rund 60 Beschäftigten des Grenz-Echos retteten.



Am 31.12.1985 ging Heinrich Toussaint in Pension und Heinz Warny wurde zum neuen Chefredakteur ernannt.



Verlagsdirektion und Redaktionsleitung wurden voneinander getrennt. Alfred Küchenberg wurde Präsident des Verwaltungsrates und Verlagsleiter; Alfred Küchenberg und Ernst Thommessen zeichneten als verantwortliche Herausgeber.



Bis dahin vertrat das Grenz-Echo eine eindeutige politische Farbe, nämlich die der CSP; das sollte sich ändern. Als einzige Zeitung in der deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens, positionierte sich nun das Grenz-Echo entschieden unabhängig und parteilos, den christlichen Werten, die unserer Bevölkerung verankert sind, und
SONGIA Eugenio
L'era fascista - fascistisch tijdperk in Italië onder Mussolini begint op 29 oktober 1922, de dag na de Mars op Rome
Edited: 192210290000
L'era fascista fu creata, appunto, dal fascismo, adottando come data di inizio quella del giorno successivo alla marcia su Roma, che avvenne il 28 ottobre 1922.
Il primo anno di quella che fu l'era fascista iniziava dunque il 29 ottobre 1922 e terminava il 28 ottobre 1923; il 29 ottobre 1923 iniziava il secondo anno, e così via.
L'obbligo di aggiungere, in numero romano, l'anno dell'era fascista accanto a quello dell'era cristiana entrò in vigore a partire dal 29 ottobre 1927, in seguito a una circolare del 25 dicembre 1926.
La data della sua cessazione può essere considerata il 25 luglio 1943, quando venne fatto cessare il regime fascista. Tuttavia, dal 15 settembre 1943 alla fine di aprile 1945 fu ancora in vigore nella Repubblica sociale italiana, ossia nell'Italia settentrionale governata dal fascismo.
Talvolta, i libri dell'epoca riportano solo l'anno dell'era fascista, e non la data dell'era cristiana. In questo, come in altri casi, può essere utile il modulo seguente, che permette di realizzare velocemente a quale periodo del calendario gregoriano si riferisce un determinato anno dell'era fascista.

Omrekeningstabel voor datering van boeken, die vaak enkel het fascistische jaartal droegen, ook in vertalingen:
1914-1918: Loewenstein is te London attaché van de bevoorrading van het Belgisch leger
Edited: 191400000888
19440014: 279-280

Commentaar LT: Loewenstein heeft in die functie waarschijnlijk Edgar Sengier gekend.
Banning Emile
Edited: 18980713
Émile Théodore Joseph Hubert Banning (Luik, 12 oktober 1836 - Elsene, 13 juli 1898) was een Belgisch ambtenaar, diplomaat, schrijver en journalist.
Banning was doctor in de Wijsbegeerte en Letteren en werd journalist bij het dagblad L'Echo du Parlement waarvoor hij de politiek op de voet volgde. In 1861 werd hij eveneens archivaris bij de Koninklijke Bibliotheek. Banning werd opgemerkt door Charles Rogier, de minister van Buitenlandse Zaken, die hem in 1863 aantrok binnen het departement als archivaris, bibliothecaris, schrijver, vertaler en rechterhand van toponderhandelaar Auguste Lambermont. Banning bleef deze functies uitoefenen tot aan zijn dood in 1898.

Het voorbereidende werk van Banning in 1863 zorgde ervoor dat de onderhandelingen met Nederland in verband met het afschaffen van de Scheldetol succesvol afliepen. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken specialiseerde hij zich in het schrijven van allerlei verhandelingen over wereldkwesties en trok zo de aandacht van koning Leopold II. Een aantal artikels van Banning over Centraal-Afrika in L'Echo du Parlement inspireerden de koning om in 1876 in Brussel een eerste conferentie over Afrika te houden.

Banning werd één van de naaste medewerkers van de koning en was een vurig propagandist van de expansiedrang van België. Tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1884 was hij één van de vertegenwoordigers van België. Hij was mede-onderhandelaar maar schreef ook de voorbereidende teksten, alsook de verslagen van de meetings, voor Auguste Lambermont, die algemeen redacteur van de conferentie was. De conferentie was voor België een succes en Kongo-Vrijstaat werd opgericht.

Émile Banning was een groot tegenstander van de nog bestaande slavenhandel en was één van de mede-organisators van de conferentie tegen de slavenhandel van 1890 in Brussel, waarop hij samen met Lambermont België vertegenwoordigde. Na deze conferentie was Banning er voorstander van om Kongo-Vrijstaat, persoonlijk bezit van de koning, door België te laten annexeren en was het niet meer eens met de economische politiek die Leopold II voerde in Kongo. Door zijn publicaties in 1890-1892 kwam hij meermaals in botsing met de koning. Aanvankelijk kon Auguste Lambermont de gemoederen nog sussen maar vanaf 1893 viel Banning volledig in ongenade bij de koning.
Literatuur:
Marcel WALRAET, Emile Banning. Un grand Belge (1836-1898), Office de Publicité, Bruxelles, 1945.
A. DE BURBURE, Emile Banning, in : L'Essor économique belge. Expansion coloniale, Brussel, 1932
Marcel WALRAET, La jeunesse austère et studieuse d'un grand commis de Léopold II, in: La Revue nationale, 1945.
J. BRUHAT, Emile Banning in : Les techniciens de la colonisation (XIX®-XXe siècles), Presses Universitaires de France, Parijs, 1946.
Louis DE LICHTERVELDE, Émile Banning, in: {Revue générale belge, Brussel, 1946.
C. NEYZEN, Émile Banning et l'État Indépendant du Congo, doctoraatsthesis in koloniale wetenschappen (onuitgegeven), ULB, 1946.
Marcel WALRAET, Les papiers d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1950.
G. D. PERIER, Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
Marcel WALRAET, Les «Réflexions morales et politiques» d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
G. D. PERIER, Émile Banning mourait le 13 juillet 1898, in: Revue coloniale belge, Brussel, 1948.
Liane RANIERI, La collaboration personnelle de Lambermont et de Banning avec Léopold II, licentiaatsthesis geschiedenis (onuitgegeven), ULB,
N. LAUDE, La reconnaissance de la 30° promotion: Émile Banning. Discours du Directeur de l'Institut Universitaire des Territoires d'OutreMer, Antwerpen, 1951.
N. LAUDE, in: Problèmes d'Afrique centrale, Brussel, 1952.
R.-J. CORNET, A propos de deux dossiers: le dossier diplomatique de l'Ubangi et le dossier Degrelle-Rogier sur l'Ubangi, in: Bulletin. I. R. C. B., Brussel, 1953.
R. P. A. ROEYKENS, Les réunions préparatoires de la délégation belge à la Conférence géographique de Bruxelles en 1876, in: Zaïre, Brussel, 1953.
A. COSEMANS, Les Archives générales du Royaume au point de vue de la documentation historique coloniale, in: Bulletin I.R. C. B., Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Banning et la Conférence géographique de Bruxelles en 1896, in: Zaïre, Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Les débuts de l'œuvre africaine de Léopold II (1875-1879), Brussel, 1955.
Jean STENGERS, Textes inédits d'Émile Banning, in: A. R. S. C., Cl. des Sc. mor. et pol., Brussel, 1955.
Marcel WALRAET, Emile Banning, in: Biographie coloniale Belge, T. I 1948 & T. IV, 1955.
bron: wiki
wiki
13 januari 1897: Arcadie Claret, minnares Leopold I, overlijdt. R.I.P.
Edited: 189701131466
Arcadie
Marie Anne Arcadie Eugénie Claret (Elsene, 30 mei 1826 – Monheim, 13 januari 1897), vanaf 1863 barones von Eppinghoven, was gedurende meer dan twintig jaar de minnares van de Belgische koning Leopold I.


Inhoud
1 Levensloop
2 De 'clan' Claret
3 Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
4 Liefde
5 Na Leopold
6 Literatuur
7 Stamboom familie von Eppinghoven
8 Externe links
Levensloop
Arcadie Claret was de dochter van de Brusselse majoor Charles-Joseph Claret (1789-1867), oudgediende in het leger van Napoleon, penningmeester binnen het Ministerie van Oorlog van de Kas voor Weduwen en Wezen van het Belgisch Leger, die afzwaaide met de graad van luitenant-kolonel, wiens familie eertijds de heerlijkheid Viescourt bezat in de omgeving van Tubeke. Charles was getrouwd met Henriette Neetesonne (1795-1881) uit Gent, ze kregen dertien kinderen van wie er acht in leven bleven. Het gezin bewoonde een groot herenhuis midden een aanzienlijk park gelegen op wat de 'Etterbeekse Velden' werd genoemd.

Leopold I leerde Arcadie Claret kennen in 1842 of ten laatste in 1844. Ze was toen amper zestien of achttien en werd bijna onmiddellijk zijn minnares. Hij installeerde haar luxueus in een patriciërswoning, Koningsstraat, Sint-Joost-ten-Node (thans nummer 312). Omdat het liefdesleven van de koning niet onopgemerkt bleef en uitvoerig aan bod kwam in de pers, organiseerde hij in 1845 een schijnhuwelijk tussen Claret en zijn dienaar en vriend, de Coburger Ferdinand Meyer (Coburg 1808 - Karlsruhe 1864), die vervolgens de kinderen die de koning bij zijn minnares had verwekt als de zijne erkende. Meyer was weduwnaar van Virginie Wouters (1819-1841) van wie hij drie kinderen had.

De twee zonen van Leopold, Georg, geboren in Luik in 1849 en Christian, geboren in Laken in 1852, werden in de akten van de burgerlijke stand als Meyer ingeschreven.

De 'clan' Claret
De koning bekommerde zich niet alleen om Arcadie, maar om het ganse gezin Claret. Hij zorgde ervoor dat de vader officier in de Leopoldorde werd. Drie broers van Arcadie werden militair en de koning volgde hun carrière en stak een handje toe waar nodig.

Zoon Edmond Claret (1828-1876) was pas zeventien toen hij in 1845, op voorspraak van Leopold, deel mocht uitmaken van de expeditie die met de schoener Louise-Marie naar Santo-Thomas in Guatemala voer. Hij bleef er tien jaar en toen hij in 1857 terugkwam was het opnieuw de koning die ervoor zorgde dat hij als onderluitenant onmiddellijk in het leger werd ingelijfd. Dankzij dezelfde voorspraak trok Edmond naar Mexico, in dienst van de onfortuinlijke keizerin Charlotte, dochter van Leopold. In 1866 kwam hij terug en hij nam zijn intrek in Duitsland bij Arcadie, waar ook zijn moeder en andere leden van het gezin verbleven. Daar zou hij, weduwnaar geworden, in 1870 een voornaam huwelijk aangaan met gravin Hildegard von Bocholt-Meschede (°1845).

Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
In 1849 baarde Arcadie discreet haar eerste zoon in het klooster Saint-Joseph des Filles de la Croix, rue Louvrex, in Luik en keerde daarop naar Brussel terug. De kritiek op haar en haar opzichtige levensstijl was toen zo algemeen geworden dat ze begin oktober 1850, tegen de zin van de koning, naar Duitsland vertrok. Het is waarschijnlijk dat ze zich in Wiesbaden installeerde. Enkele dagen later overleed koningin Louise-Marie. Einde 1851 kwam Arcadie naar Brussel terug en zou voortaan wat discreter gaan leven.

Ze werd, met Leopold als geldschieter, eigenares van het kasteel van Stuyvenberg op twee stappen van het paleis van Laken, waar ze aan de koning de mogelijkheid van een nieuw huisgezin en van passende huiselijkheid kon bieden. Het met een nieuwe vleugel uitgebreide Stuyvenberg bood ook onderdak, zoals dat in de Koningsstraat het geval was geweest, aan de 'clan' Claret, in de eerste plaats haar moeder, en een paar van haar broers en zussen.

Arcadie was een goede pianiste en de koning luisterde graag naar haar vertolkingen. In september 1852 werd haar tweede zoon op Stuyvenberg geboren. In de daaropvolgende jaren kregen de twee jongens een prinselijke opvoeding, verstrekt door huisleraars. Leopold bracht een groot deel van zijn namiddagen, soms zelfs ganse dagen bij Arcadie en de kinderen door. Ze vergezelde hem vaak op zijn veelvuldige reizen of verbleef met hem in kuuroorden, zoals in Wiesbaden. In zijn oude dag werd ze zijn verzorgster en stond ze hem bij in zijn laatste ziekte.

Ze besefte dat ze na de dood van de koning onmogelijk op Stuyvenberg kon blijven wonen: pas had hij de geest gegeven of ze vertrok ijlings met de kinderen naar Duitsland. Ook haar moeder, een paar van haar broers en zussen, en een neefje dat wees was geworden, verhuisden met haar. Ze verkocht het kasteel aan een stroman van Leopold II en het werd later ondergebracht bij de eigendommen van de Koninklijke Schenking.

Liefde
De twintig jaar durende verhouding tussen Leopold I en Arcadie Claret is zonder twijfel van een grote intensiteit geweest. Na 1850 was zij, tot aan zijn dood in 1865, de enige vrouw in zijn leven, ook al waren er geruchten dat hij af en toe nog eens een korte relatie had met andere vrouwen. Arcadie bleef al die jaren in zijn onmiddellijke omgeving, zowel in Laken als tijdens zijn vele reizen en verblijven in het buitenland.

De nazaten hebben kattebelletjes bewaard die de koning naar Arcadie stuurde en die geen twijfel laten over de intensiteit van zijn verliefdheid. Hij ondertekende deze briefjes met een 'L' en een hartje, zoals een verliefde tiener zou doen. Zo'n briefje luidt: Arcadie, ik bemin en aanbid je («Arcadie, je t’aime et je t’adore »).

In een agenda van Arcadie voor het jaar 1854 kan men vaststellen dat hij een liefdevolle minnaar was. De korte zinnen die ze aan hun relatie wijdde laten hierover geen twijfel. Zo schrijft ze: Vandaag zag ik mijn vriend driemaal, hij is zo goed geweest voor me («J’ai vu trois fois mon ami, il a été si bon pour moi»); Heel groot feest. Passie («Très grande fête. Passion») ; Groot feest, zeer wellustig (« Grande fête, très voluptueux»); Zijn bezoek vanmorgen heeft me gelukkig gemaakt, hij was zeer liefhebbend («Le matin, sa visite m’a rendue heureuse, il était bien aimant»); Ochtendbezoek met camelia's, namiddagbezoek met een heerlijke ruiker. Tedere beloften («Visite le matin, camélias, visite l’après-midi, bouquet délicieux. Doux serments»); Heerlijk! Liefde vol passie ( «Délicieux! Amour passion »).

Einde 1864 - begin 1865 verbleef Leopold in Engeland en Arcadie reisde hem achterna. In verschillende buitenlandse kranten werd bericht dat het paar tijdens die reis een morganatisch huwelijk was aangegaan. Het Hof hield zoals steeds de stelling aan niet te antwoorden op dergelijke berichten, maar toch werd na enige tijd een uitzondering gemaakt en werd in het Staatsblad van 4 mei 1865 een logenstraffing gepubliceerd. Zo kregen de kranten in België, die tot dantoe discreet waren gebleven, de gelegenheid om op dit bericht te reageren en enig scepticisme te verwoorden. 'Il y a dans toute cette affaire un mystère qui nous paraît inexpliquable, schreef Gazette de Liège.

Na Leopold

Wapenschild von Eppinghoven
Leopold had vooraf haar toekomst en die van hun twee zonen veilig gesteld, zowel materieel als sociaal.

In 1851 had hij aan Arcadie één van zijn eigendommen geschonken, een tot chique residentie omgebouwde hoeve in Monheim (Duitsland) op een domein van 180 ha. Het was oorspronkelijk een oude abdijhoeve, genaamd "Eppinghoven". Waarschijnlijk werden de gebouwen te bescheiden gevonden door Arcadie, die paleizen en luxehotels gewoon was geworden en in 1863 liet ze op de plek genaamd 'Katzberg' een aanzienlijk kasteel bouwen, waar ze na 1865 de rest van haar leven doorbracht. De zonen verkochten het later en in 1928 werd het kasteel afgebroken.

Het was onder de naam Eppinghoven dat Arcadie en haar zonen werden geadeld, zij in 1863, haar zonen al in 1862. In 1861 was ze in Coburg gescheiden van Meyer, drie jaar voor diens dood, wat de weg opende om zelf, alsook haar twee zoons, in de adelstand te worden opgenomen. Dit gebeurde niet zonder slag of stoot. Leopold had eigenlijk aangedrongen om ze in de Belgische adel op te nemen, maar, zo schreef minister van Binnenlandse Zaken Alphonse Vandenpeereboom in zijn dagboek: Nous nous y sommes énergiquement opposés. Er bleef de koning niets anders over dan beroep te doen op zijn neef, de hertog van Saksen-Coburg, die de opnamen in de Coburgse adel regelde. Langs die omweg dacht de koning zijn geliefde en zijn zonen toch nog in de Belgische adel te krijgen. Hij reageerde dan ook furieus, zo schreef opnieuw Vandenpeereboom, toen de regering weigerde een vroeger Koninklijk Besluit in te trekken waarin bepaald werd dat buitenlandse adellijke titels in België niet erkend werden.

De koning had ook nog, via een door hem opgerichte en gespijsde Coburgse 'Leopoldstiftung für Krankenpflege' de materiële toekomst van Arcadie en haar zoons gewaarborgd. Onder die naam, die de indruk gaf dat het om een weldadigheidsactiviteit ging, schuilde het aanzienlijke kapitaal dat Leopold voor zijn vriendin en voor hun kinderen bestemde. De kostbare levensstijl van Arcadie, die haar koninklijke minnaar 31 jaar overleefde, de speelzucht van Georg en - voor wat betreft Arthur - de hollende inflatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, maakten dat na één generatie het spaargeld als sneeuw voor de zon was gesmolten.

In 1870 had Arcadie voor haar zoons ook het Domein Langfort in Langenfeld aangekocht, dat tot in 1804 aan de adellijke familie de Velbrück had toebehoord. Vanaf 1913 kreeg het domein een landbouwbestemming. In 1922/23 werd er aan het bestaande gebouw uitbreiding gegeven om er een echt boerenerf van te maken en er werd ook een toren aangebouwd met een kleine beiaard. Vanaf 1936 was het goed een proefstation voor het kweken van zaden. In 1961 werd de stad Düsseldorf eigenaar en in 1981 de stad Langenfeld. Het was ondertussen omgebouwd voor de ruiterssport, wat in 2001 de "Landes-Reit und Fahrschule Rheinland" geworden is. De Von Eppinghovens verkochten het domein waarschijnlijk in 1913 of zo niet ten laatste in 1922.

Literatuur
Carlo BRONNE, Leopold Ier et son Temps, Brussel, 1947
E. MEUSER & F. HINRICHS, Geschichte der Monheimer Höfer, Monheim, 1959
P. VERMEIR, Leopold I, Mens, Vorst en Diplomaat, 2dln., Dendermonde, 1965 en 1965
Albert DUCHESNE, Charles-Joseph Claret, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 81-85
Albert DUCHESNE, Edmond Claret de Viescourt, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 85-87
Albert DUCHESNE, Chaussée de Wavre. Là où un couvent a remplacé la propriété du colonel Claret, in: Mémoire d'Ixelles, septembre-décembre 1986.
Rolf MÜLLER, Stadtgeschichte Langenfeld, Verlag Stadtarchiv Langenfeld, 1992, ISBN 978-3-929365-01-6.
Jean STENGERS, L'Action du Roi en Belgique depuis 1831. Pouvoir et influence, Paris - Louvain-La Neuve, 1992
Alphonse VANDENPEEREBOOM (met M. BOTS, uitg.), La fin d'un règne, notes et souvenirs, Gent, Liberaal archief, 1994
Victor CAPRON, La descendance naturelle de Leopold Ier, Brussel, 1995
Victor CAPRON, Le domaine du Stuyvenberg à Laeken, Brussel, 1995
Gustaaf JANSSENS & Jean STENGERS (dir.), Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het Archief Goffinet, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1997.
Genealogisches Handbuch des Adels. Freiherrlichen Häuser, Band XXI. C. A. Starke, 1999, pp. 101–3.
Henriette CLAESSENS, Leven en liefdes van Leopold I, Lannoo, Tielt, 2002
Victor CAPRON, Sur les traces d'Arcadie Claret: le Grand Amour de Léopold Ier, Brussel, 2006
Michel DIDISHEIM, Tu devais disparaître. Le roman d'une enfant royale cachée, Ed. Alphée, 2008.
Bram BOMBEECK, A bas le Sexe Cobourg? Een mentaliteitshistorische en politieke benadering van de seksschandalen van het Belgisch koningshuis in de lange 19de eeuw, Universiteit Gent, masterproef geschiedenis, 2009.
Stamboom familie von Eppinghoven










Leopold I van België

Arcadie Claret













































Georg von Eppinghoven

Anna Brust





Arthur von Eppinghoven

Anna Lydia Harris

















































Henriette-Marianna von Eppinghoven

Heinrich-Georg von Eppinghoven

Anna Lintermann

Claude Eric Tebbitt

Arcadie von Eppinghoven

Louise-Marie von Eppinghoven



































Alarich von Eppinghoven

Anna Margarete Ziggert

Jürgen von Eppinghoven

























Armin von Eppinghoven

Peri Olga Schleining

Ralph von Eppinghoven

Elizabeth Fricker






























Alexander von Eppinghoven



Konrad von Eppinghoven

Derek von Eppinghoven
Externe links
wiki
13 januari 1897: Arcadie Claret, minnares Leopold I, overlijdt. R.I.P.
Edited: 189701131466
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Arcadie
Marie Anne Arcadie Eugénie Claret (Elsene, 30 mei 1826 – Monheim, 13 januari 1897), vanaf 1863 barones von Eppinghoven, was gedurende meer dan twintig jaar de minnares van de Belgische koning Leopold I.


Inhoud
1 Levensloop
2 De 'clan' Claret
3 Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
4 Liefde
5 Na Leopold
6 Literatuur
7 Stamboom familie von Eppinghoven
8 Externe links
Levensloop
Arcadie Claret was de dochter van de Brusselse majoor Charles-Joseph Claret (1789-1867), oudgediende in het leger van Napoleon, penningmeester binnen het Ministerie van Oorlog van de Kas voor Weduwen en Wezen van het Belgisch Leger, die afzwaaide met de graad van luitenant-kolonel, wiens familie eertijds de heerlijkheid Viescourt bezat in de omgeving van Tubeke. Charles was getrouwd met Henriette Neetesonne (1795-1881) uit Gent, ze kregen dertien kinderen van wie er acht in leven bleven. Het gezin bewoonde een groot herenhuis midden een aanzienlijk park gelegen op wat de 'Etterbeekse Velden' werd genoemd.

Leopold I leerde Arcadie Claret kennen in 1842 of ten laatste in 1844. Ze was toen amper zestien of achttien en werd bijna onmiddellijk zijn minnares. Hij installeerde haar luxueus in een patriciërswoning, Koningsstraat, Sint-Joost-ten-Node (thans nummer 312). Omdat het liefdesleven van de koning niet onopgemerkt bleef en uitvoerig aan bod kwam in de pers, organiseerde hij in 1845 een schijnhuwelijk tussen Claret en zijn dienaar en vriend, de Coburger Ferdinand Meyer (Coburg 1808 - Karlsruhe 1864), die vervolgens de kinderen die de koning bij zijn minnares had verwekt als de zijne erkende. Meyer was weduwnaar van Virginie Wouters (1819-1841) van wie hij drie kinderen had.

De twee zonen van Leopold, Georg, geboren in Luik in 1849 en Christian, geboren in Laken in 1852, werden in de akten van de burgerlijke stand als Meyer ingeschreven.

De 'clan' Claret
De koning bekommerde zich niet alleen om Arcadie, maar om het ganse gezin Claret. Hij zorgde ervoor dat de vader officier in de Leopoldorde werd. Drie broers van Arcadie werden militair en de koning volgde hun carrière en stak een handje toe waar nodig.

Zoon Edmond Claret (1828-1876) was pas zeventien toen hij in 1845, op voorspraak van Leopold, deel mocht uitmaken van de expeditie die met de schoener Louise-Marie naar Santo-Thomas in Guatemala voer. Hij bleef er tien jaar en toen hij in 1857 terugkwam was het opnieuw de koning die ervoor zorgde dat hij als onderluitenant onmiddellijk in het leger werd ingelijfd. Dankzij dezelfde voorspraak trok Edmond naar Mexico, in dienst van de onfortuinlijke keizerin Charlotte, dochter van Leopold. In 1866 kwam hij terug en hij nam zijn intrek in Duitsland bij Arcadie, waar ook zijn moeder en andere leden van het gezin verbleven. Daar zou hij, weduwnaar geworden, in 1870 een voornaam huwelijk aangaan met gravin Hildegard von Bocholt-Meschede (°1845).

Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
In 1849 baarde Arcadie discreet haar eerste zoon in het klooster Saint-Joseph des Filles de la Croix, rue Louvrex, in Luik en keerde daarop naar Brussel terug. De kritiek op haar en haar opzichtige levensstijl was toen zo algemeen geworden dat ze begin oktober 1850, tegen de zin van de koning, naar Duitsland vertrok. Het is waarschijnlijk dat ze zich in Wiesbaden installeerde. Enkele dagen later overleed koningin Louise-Marie. Einde 1851 kwam Arcadie naar Brussel terug en zou voortaan wat discreter gaan leven.

Ze werd, met Leopold als geldschieter, eigenares van het kasteel van Stuyvenberg op twee stappen van het paleis van Laken, waar ze aan de koning de mogelijkheid van een nieuw huisgezin en van passende huiselijkheid kon bieden. Het met een nieuwe vleugel uitgebreide Stuyvenberg bood ook onderdak, zoals dat in de Koningsstraat het geval was geweest, aan de 'clan' Claret, in de eerste plaats haar moeder, en een paar van haar broers en zussen.

Arcadie was een goede pianiste en de koning luisterde graag naar haar vertolkingen. In september 1852 werd haar tweede zoon op Stuyvenberg geboren. In de daaropvolgende jaren kregen de twee jongens een prinselijke opvoeding, verstrekt door huisleraars. Leopold bracht een groot deel van zijn namiddagen, soms zelfs ganse dagen bij Arcadie en de kinderen door. Ze vergezelde hem vaak op zijn veelvuldige reizen of verbleef met hem in kuuroorden, zoals in Wiesbaden. In zijn oude dag werd ze zijn verzorgster en stond ze hem bij in zijn laatste ziekte.

Ze besefte dat ze na de dood van de koning onmogelijk op Stuyvenberg kon blijven wonen: pas had hij de geest gegeven of ze vertrok ijlings met de kinderen naar Duitsland. Ook haar moeder, een paar van haar broers en zussen, en een neefje dat wees was geworden, verhuisden met haar. Ze verkocht het kasteel aan een stroman van Leopold II en het werd later ondergebracht bij de eigendommen van de Koninklijke Schenking.

Liefde
De twintig jaar durende verhouding tussen Leopold I en Arcadie Claret is zonder twijfel van een grote intensiteit geweest. Na 1850 was zij, tot aan zijn dood in 1865, de enige vrouw in zijn leven, ook al waren er geruchten dat hij af en toe nog eens een korte relatie had met andere vrouwen. Arcadie bleef al die jaren in zijn onmiddellijke omgeving, zowel in Laken als tijdens zijn vele reizen en verblijven in het buitenland.

De nazaten hebben kattebelletjes bewaard die de koning naar Arcadie stuurde en die geen twijfel laten over de intensiteit van zijn verliefdheid. Hij ondertekende deze briefjes met een 'L' en een hartje, zoals een verliefde tiener zou doen. Zo'n briefje luidt: Arcadie, ik bemin en aanbid je («Arcadie, je t’aime et je t’adore »).

In een agenda van Arcadie voor het jaar 1854 kan men vaststellen dat hij een liefdevolle minnaar was. De korte zinnen die ze aan hun relatie wijdde laten hierover geen twijfel. Zo schrijft ze: Vandaag zag ik mijn vriend driemaal, hij is zo goed geweest voor me («J’ai vu trois fois mon ami, il a été si bon pour moi»); Heel groot feest. Passie («Très grande fête. Passion») ; Groot feest, zeer wellustig (« Grande fête, très voluptueux»); Zijn bezoek vanmorgen heeft me gelukkig gemaakt, hij was zeer liefhebbend («Le matin, sa visite m’a rendue heureuse, il était bien aimant»); Ochtendbezoek met camelia's, namiddagbezoek met een heerlijke ruiker. Tedere beloften («Visite le matin, camélias, visite l’après-midi, bouquet délicieux. Doux serments»); Heerlijk! Liefde vol passie ( «Délicieux! Amour passion »).

Einde 1864 - begin 1865 verbleef Leopold in Engeland en Arcadie reisde hem achterna. In verschillende buitenlandse kranten werd bericht dat het paar tijdens die reis een morganatisch huwelijk was aangegaan. Het Hof hield zoals steeds de stelling aan niet te antwoorden op dergelijke berichten, maar toch werd na enige tijd een uitzondering gemaakt en werd in het Staatsblad van 4 mei 1865 een logenstraffing gepubliceerd. Zo kregen de kranten in België, die tot dantoe discreet waren gebleven, de gelegenheid om op dit bericht te reageren en enig scepticisme te verwoorden. 'Il y a dans toute cette affaire un mystère qui nous paraît inexpliquable, schreef Gazette de Liège.

Na Leopold

Wapenschild von Eppinghoven
Leopold had vooraf haar toekomst en die van hun twee zonen veilig gesteld, zowel materieel als sociaal.

In 1851 had hij aan Arcadie één van zijn eigendommen geschonken, een tot chique residentie omgebouwde hoeve in Monheim (Duitsland) op een domein van 180 ha. Het was oorspronkelijk een oude abdijhoeve, genaamd "Eppinghoven". Waarschijnlijk werden de gebouwen te bescheiden gevonden door Arcadie, die paleizen en luxehotels gewoon was geworden en in 1863 liet ze op de plek genaamd 'Katzberg' een aanzienlijk kasteel bouwen, waar ze na 1865 de rest van haar leven doorbracht. De zonen verkochten het later en in 1928 werd het kasteel afgebroken.

Het was onder de naam Eppinghoven dat Arcadie en haar zonen werden geadeld, zij in 1863, haar zonen al in 1862. In 1861 was ze in Coburg gescheiden van Meyer, drie jaar voor diens dood, wat de weg opende om zelf, alsook haar twee zoons, in de adelstand te worden opgenomen. Dit gebeurde niet zonder slag of stoot. Leopold had eigenlijk aangedrongen om ze in de Belgische adel op te nemen, maar, zo schreef minister van Binnenlandse Zaken Alphonse Vandenpeereboom in zijn dagboek: Nous nous y sommes énergiquement opposés. Er bleef de koning niets anders over dan beroep te doen op zijn neef, de hertog van Saksen-Coburg, die de opnamen in de Coburgse adel regelde. Langs die omweg dacht de koning zijn geliefde en zijn zonen toch nog in de Belgische adel te krijgen. Hij reageerde dan ook furieus, zo schreef opnieuw Vandenpeereboom, toen de regering weigerde een vroeger Koninklijk Besluit in te trekken waarin bepaald werd dat buitenlandse adellijke titels in België niet erkend werden.

De koning had ook nog, via een door hem opgerichte en gespijsde Coburgse 'Leopoldstiftung für Krankenpflege' de materiële toekomst van Arcadie en haar zoons gewaarborgd. Onder die naam, die de indruk gaf dat het om een weldadigheidsactiviteit ging, schuilde het aanzienlijke kapitaal dat Leopold voor zijn vriendin en voor hun kinderen bestemde. De kostbare levensstijl van Arcadie, die haar koninklijke minnaar 31 jaar overleefde, de speelzucht van Georg en - voor wat betreft Arthur - de hollende inflatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, maakten dat na één generatie het spaargeld als sneeuw voor de zon was gesmolten.

In 1870 had Arcadie voor haar zoons ook het Domein Langfort in Langenfeld aangekocht, dat tot in 1804 aan de adellijke familie de Velbrück had toebehoord. Vanaf 1913 kreeg het domein een landbouwbestemming. In 1922/23 werd er aan het bestaande gebouw uitbreiding gegeven om er een echt boerenerf van te maken en er werd ook een toren aangebouwd met een kleine beiaard. Vanaf 1936 was het goed een proefstation voor het kweken van zaden. In 1961 werd de stad Düsseldorf eigenaar en in 1981 de stad Langenfeld. Het was ondertussen omgebouwd voor de ruiterssport, wat in 2001 de "Landes-Reit und Fahrschule Rheinland" geworden is. De Von Eppinghovens verkochten het domein waarschijnlijk in 1913 of zo niet ten laatste in 1922.

Literatuur
Carlo BRONNE, Leopold Ier et son Temps, Brussel, 1947
E. MEUSER & F. HINRICHS, Geschichte der Monheimer Höfer, Monheim, 1959
P. VERMEIR, Leopold I, Mens, Vorst en Diplomaat, 2dln., Dendermonde, 1965 en 1965
Albert DUCHESNE, Charles-Joseph Claret, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 81-85
Albert DUCHESNE, Edmond Claret de Viescourt, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 85-87
Albert DUCHESNE, Chaussée de Wavre. Là où un couvent a remplacé la propriété du colonel Claret, in: Mémoire d'Ixelles, septembre-décembre 1986.
Rolf MÜLLER, Stadtgeschichte Langenfeld, Verlag Stadtarchiv Langenfeld, 1992, ISBN 978-3-929365-01-6.
Jean STENGERS, L'Action du Roi en Belgique depuis 1831. Pouvoir et influence, Paris - Louvain-La Neuve, 1992
Alphonse VANDENPEEREBOOM (met M. BOTS, uitg.), La fin d'un règne, notes et souvenirs, Gent, Liberaal archief, 1994
Victor CAPRON, La descendance naturelle de Leopold Ier, Brussel, 1995
Victor CAPRON, Le domaine du Stuyvenberg à Laeken, Brussel, 1995
Gustaaf JANSSENS & Jean STENGERS (dir.), Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het Archief Goffinet, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1997.
Genealogisches Handbuch des Adels. Freiherrlichen Häuser, Band XXI. C. A. Starke, 1999, pp. 101–3.
Henriette CLAESSENS, Leven en liefdes van Leopold I, Lannoo, Tielt, 2002
Victor CAPRON, Sur les traces d'Arcadie Claret: le Grand Amour de Léopold Ier, Brussel, 2006
Michel DIDISHEIM, Tu devais disparaître. Le roman d'une enfant royale cachée, Ed. Alphée, 2008.
Bram BOMBEECK, A bas le Sexe Cobourg? Een mentaliteitshistorische en politieke benadering van de seksschandalen van het Belgisch koningshuis in de lange 19de eeuw, Universiteit Gent, masterproef geschiedenis, 2009.
Stamboom familie von Eppinghoven










Leopold I van België

Arcadie Claret













































Georg von Eppinghoven

Anna Brust





Arthur von Eppinghoven

Anna Lydia Harris

















































Henriette-Marianna von Eppinghoven

Heinrich-Georg von Eppinghoven

Anna Lintermann

Claude Eric Tebbitt

Arcadie von Eppinghoven

Louise-Marie von Eppinghoven



































Alarich von Eppinghoven

Anna Margarete Ziggert

Jürgen von Eppinghoven

























Armin von Eppinghoven

Peri Olga Schleining

Ralph von Eppinghoven

Elizabeth Fricker






























Alexander von Eppinghoven



Konrad von Eppinghoven

Derek von Eppinghoven
Externe links
General Act of the Berlin Conference on West Africa
Edited: 188502261498
Signed by the representatives of the United Kingdom, France, Germany, Austria, Belgium, Denmark, Spain, the United States of America, Italy, the Netherlands, Portugal, Russia, Sweden-Norway, and Turkey (Ottoman Empire).

(Printable version of this text)

GENERAL ACT OF THE CONFERENCE AT BERLIN OF THE PLENIPOTENTIARIES OF GREAT BRITAIN, AUSTRIA-HUNGARY, BELGIUM, DENMARK, FRANCE, GERMANY, ITALY, THE NETHERLANDS, PORTUGAL, RUSSIA, SPAIN, SWEDEN AND NORWAY, TURKEY AND THE UNITED STATES RESPECTING: (1) FREEDOM OF TRADE IN THE BASIN OF THE CONGO; (2) THE SLAVE TRADE; (3) NEUTRALITY OF THE TERRITORIES IN THE BASIN OF THE CONGO; (4) NAVIGATION OF THE CONGO; (5) NAVIGATION OF THE NIGER; AND (6) RULES FOR FUTURE OCCUPATION ON THE COAST OF THE AFRICAN CONTINENT

In the Name of God Almighty.

Her Majesty the Queen of the United Kingdom of Great Britain and Ireland, Empress of India; His Majesty the German Emperor, King of Prussia; His Majesty the Emperor of Austria, King of Bohemia, etc, and Apostolic King of Hungary; His Majesty the King of the Belgians; His Majesty the King of Denmark; His Majesty the King of Spain; the President of the United States of America; the President of the French Republic; His Majesty the King of Italy; His Majesty the King of the Netherlands, Grand Duke of Luxemburg, etc; His Majesty the King of Portugal and the Algarves, etc; His Majesty the Emperor of all the Russias; His Majesty the King of Sweden and Norway, etc; and His Majesty the Emperor of the Ottomans,

WISHING, in a spirit of good and mutual accord, to regulate the conditions most favourable to the development of trade and civilization in certain regions of Africa, and to assure to all nations the advantages of free navigation on the two chief rivers of Africa flowing into the Atlantic Ocean;

BEING DESIROUS, on the other hand, to obviate the misunderstanding and disputes which might in future arise from new acts of occupation (prises de possession) on the coast of Africa; and concerned, at the same time, as to the means of furthering the moral and material well-being of the native populations;

HAVE RESOLVED, on the invitation addressed to them by the Imperial Government of Germany, in agreement with the Government of the French Republic, to meet for those purposes in Conference at Berlin, and have appointed as their Plenipotentiaries, to wit:

[Names of plenipotentiaries included here.]

Who, being provided with full powers, which have been found in good and due form, have successively discussed and adopted:

1. A Declaration relative to freedom of trade in the basin of the Congo, its embouchures and circumjacent regions, with other provisions connected therewith.

2. A Declaration relative to the slave trade, and the operations by sea or land which furnish slaves to that trade.

3. A Declaration relative to the neutrality of the territories comprised in the Conventional basin of the Congo.

4. An Act of Navigation for the Congo, which, while having regard to local circumstances, extends to this river, its affluents, and the waters in its system (eaux qui leur sont assimilées), the general principles enunciated in Articles 58 and 66 of the Final Act of the Congress of Vienna, and intended to regulate, as between the Signatory Powers of that Act, the free navigation of the waterways separating or traversing several States - these said principles having since then been applied by agreement to certain rivers of Europe and America, but especially to the Danube, with the modifications stipulated by the Treaties of Paris (1856), of Berlin (1878), and of London (1871 and 1883).

5. An Act of Navigation for the Niger, which, while likewise having regard to local circumstances, extends to this river and its affluents the same principles as set forth in Articles 58 and 66 of the Final Act of the Congress of Vienna.

6. A Declaration introducing into international relations certain uniform rules with reference to future occupations on the coast of the African Continent.

And deeming it expedient that all these several documents should be combined in one single instrument, they (the Signatory Powers) have collected them into one General Act, composed of the following Articles:

CHAPTER I

DECLARATION RELATIVE TO FREEDOM OF TRADE IN THE BASIN OF THE CONGO, ITS MOUTHS AND CIRCUMJACENT REGIONS, WITH OTHER PROVISIONS CONNECTED THEREWITH

Article 1

The trade of all nations shall enjoy complete freedom-

1. In all the regions forming the basin of the Congo and its outlets. This basin is bounded by the watersheds (or mountain ridges) of the adjacent basins, namely, in particular, those of the Niari, the Ogowé, the Schari, and the Nile, on the north; by the eastern watershed line of the affluents of Lake Tanganyika on the east; and by the watersheds of the basins of the Zambesi and the Logé on the south. It therefore comprises all the regions watered by the Congo and its affluents, including Lake Tanganyika, with its eastern tributaries.

2. In the maritime zone extending along the Atlantic Ocean from the parallel situated in 2º30' of south latitude to the mouth of the Logé.

The northern boundary will follow the parallel situated in 2º30' from the coast to the point where it meets the geographical basin of the Congo, avoiding the basin of the Ogowé, to which the provisions of the present Act do not apply.

The southern boundary will follow the course of the Logé to its source, and thence pass eastwards till it joins the geographical basin of the Congo.

3. In the zone stretching eastwards from the Congo Basin, as above defined, to the Indian Ocean from 5 degrees of north latitude to the mouth of the Zambesi in the south, from which point the line of demarcation will ascend the Zambesi to 5 miles above its confluence with the Shiré, and then follow the watershed between the affluents of Lake Nyassa and those of the Zambesi, till at last it reaches the watershed between the waters of the Zambesi and the Congo.

It is expressly recognized that in extending the principle of free trade to this eastern zone the Conference Powers only undertake engagements for themselves, and that in the territories belonging to an independent Sovereign State this principle shall only be applicable in so far as it is approved by such State. But the Powers agree to use their good offices with the Governments established on the African shore of the Indian Ocean for the purpose of obtaining such approval, and in any case of securing the most favourable conditions to the transit (traffic) of all nations.

Article 2

All flags, without distinction of nationality, shall have free access to the whole of the coastline of the territories above enumerated, to the rivers there running into the sea, to all the waters of the Congo and its affluents, including the lakes, and to all the ports situate on the banks of these waters, as well as to all canals which may in future be constructed with intent to unite the watercourses or lakes within the entire area of the territories described in Article 1. Those trading under such flags may engage in all sorts of transport, and carry on the coasting trade by sea and river, as well as boat traffic, on the same footing as if they were subjects.

Article 3

Wares, of whatever origin, imported into these regions, under whatsoever flag, by sea or river, or overland, shall be subject to no other taxes than such as may be levied as fair compensation for expenditure in the interests of trade, and which for this reason must be equally borne by the subjects themselves and by foreigners of all nationalities. All differential dues on vessels, as well as on merchandise, are forbidden.

Article 4

Merchandise imported into these regions shall remain free from import and transit dues.

The Powers reserve to themselves to determine after the lapse of twenty years whether this freedom of import shall be retained or not.

Article 5

No Power which exercises or shall exercise sovereign rights in the abovementioned regions shall be allowed to grant therein a monopoly or favour of any kind in matters of trade.

Foreigners, without distinction, shall enjoy protection of their persons and property, as well as the right of acquiring and transferring movable and immovable possessions; and national rights and treatment in the exercise of their professions.

PROVISIONS RELATIVE TO PROTECTION OF THE NATIVES, OF MISSIONARIES AND TRAVELLERS, AS WELL AS RELATIVE TO RELIGIOUS LIBERTY

Article 6

All the Powers exercising sovereign rights or influence in the aforesaid territories bind themselves to watch over the preservation of the native tribes, and to care for the improvement of the conditions of their moral and material well-being, and to help in suppressing slavery, and especially the slave trade. They shall, without distinction of creed or nation, protect and favour all religious, scientific or charitable institutions and undertakings created and organized for the above ends, or which aim at instructing the natives and bringing home to them the blessings of civilization.

Christian missionaries, scientists and explorers, with their followers, property and collections, shall likewise be the objects of especial protection.

Freedom of conscience and religious toleration are expressly guaranteed to the natives, no less than to subjects and to foreigners. The free and public exercise of all forms of divine worship, and the right to build edifices for religious purposes, and to organize religious missions belonging to all creeds, shall not be limited or fettered in any way whatsoever.

POSTAL REGIME

Article 7

The Convention of the Universal Postal Union, as revised at Paris 1 June 1878, shall be applied to the Conventional basin of the Congo.

The Powers who therein do or shall exercise rights of sovereignty or Protectorate engage, as soon as circumstances permit them, to take the measures necessary for the carrying out of the preceding provision.

RIGHT OF SURVEILLANCE VESTED IN THE INTERNATIONAL NAVIGATION COMMISSION OF THE CONGO

Article 8

In all parts of the territory had in view by the present Declaration, where no Power shall exercise rights of sovereignty or Protectorate, the International Navigation Commission of the Congo, instituted in virtue of Article 17, shall be charged with supervising the application of the principles proclaimed and perpetuated (consacrés) by this Declaration.

In all cases of difference arising relative to the application of the principles established by the present Declaration, the Governments concerned may agree to appeal to the good offices of the International Commission, by submitting to it an examination of the facts which shall have occasioned these differences.

CHAPTER II

DECLARATION RELATIVE TO THE SLAVE TRADE

Article 9

Seeing that trading in slaves is forbidden in conformity with the principles of international law as recognized by the Signatory Powers, and seeing also that the operations, which, by sea or land, furnish slaves to trade, ought likewise to be regarded as forbidden, the Powers which do or shall exercise sovereign rights or influence in the territories forming the Conventional basin of the Congo declare that these territories may not serve as a market or means of transit for the trade in slaves, of whatever race they may be. Each of the Powers binds itself to employ all the means at its disposal for putting an end to this trade and for punishing those who engage in it.

CHAPTER III

DECLARATION RELATIVE TO THE NEUTRALITY OF THE TERRITORIES COMPRISED IN THE CONVENTIONAL BASIN OF THE CONGO

Article 10

In order to give a new guarantee of security to trade and industry, and to encourage, by the maintenance of peace, the development of civilization in the countries mentioned in Article 1, and placed under the free trade system, the High Signatory Parties to the present Act, and those who shall hereafter adopt it, bind themselves to respect the neutrality of the territories, or portions of territories, belonging to the said countries, comprising therein the territorial waters, so long as the Powers which exercise or shall exercise the rights of sovereignty or Protectorate over those territories, using their option of proclaiming themselves neutral, shall fulfil the duties which neutrality requires.

Article 11

In case a Power exercising rights of sovereignty or Protectorate in the countries mentioned in Article 1, and placed under the free trade system, shall be involved in a war, then the High Signatory Parties to the present Act, and those who shall hereafter adopt it, bind themselves to lend their good offices in order that the territories belonging to this Power and comprised in the Conventional free trade zone shall, by the common consent of this Power and of the other belligerent or belligerents, be placed during the war under the rule of neutrality, and considered as belonging to a non-belligerent State, the belligerents thenceforth abstaining from extending hostilities to the territories thus neutralized, and from using them as a base for warlike operations.

Article 12

In case a serious disagreement originating on the subject of, or in the limits of, the territories mentioned in Article 1, and placed under the free trade system, shall arise between any Signatory Powers of the present Act, or the Powers which may become parties to it, these Powers bind themselves, before appealing to arms, to have recourse to the mediation of one or more of the friendly Powers.

In a similar case the same Powers reserve to themselves the option of having recourse to arbitration.

CHAPTER IV

ACT OF NAVIGATION FOR THE CONGO

Article 13

The navigation of the Congo, without excepting any of its branches or outlets, is, and shall remain, free for the merchant ships of all nations equally, whether carrying cargo or ballast, for the transport of goods or passengers. It shall be regulated by the provisions of this Act of Navigation, and by the rules to be made in pursuance thereof.

In the exercise of this navigation the subjects and flags of all nations shall in all respects be treated on a footing of perfect equality, not only for the direct navigation from the open sea to the inland ports of the Congo, and vice versa, but also for the great and small coasting trade, and for boat traffic on the course of the river.

Consequently, on all the course and mouths of the Congo there will be no distinction made between the subjects of riverain States and those of non-riverain States, and no exclusive privilege of navigation will be conceded to companies, corporations or private persons whatsoever.

These provisions are recognized by the Signatory Powers as becoming henceforth a part of international law.

Article 14

The navigation of the Congo shall not be subject to any restriction or obligation which is not expressly stipulated by the present Act. It shall not be exposed to any landing dues, to any station or depot tax, or to any charge for breaking bulk, or for compulsory entry into port.

In all the extent of the Congo the ships and goods in process of transit on the river shall be submitted to no transit dues, whatever their starting place or destination.

There shall be levied no maritime or river toll based on the mere fact of navigation, nor any tax on goods aboard of ships. There shall only be levied taxes or duties having the character of an equivalent for services rendered to navigation itself, to wit:

1. Harbour dues on certain local establishments, such as wharves, warehouses, etc, if actually used.

The tariff of such dues shall be framed according to the cost of constructing and maintaining the said local establishments; and it will be applied without regard to whence vessels come or what they are loaded with.

2. Pilot dues for those stretches of the river where it may be necessary to establish properly qualified pilots.

The tariff of these dues shall be fixed and calculated in proportion to the service rendered.

3. Charges raised to cover technical and administrative expenses incurred in the general interest of navigation, including lighthouse, beacon and buoy duties.

The lastmentioned dues shall be based on the tonnage of vessels as shown by the ship's papers, and in accordance with the rules adopted on the Lower Danube.

The tariffs by which the various dues and taxes enumerated in the three preceding paragraphs shall be levied shall not involve any differential treatment, and shall be officially published at each port.

The Powers reserve to themselves to consider, after the lapse of five years, whether it may be necessary to revise, by common accord, the abovementioned tariffs.

Article 15

The affluents of the Congo shall in all respects be subject to the same rules as the river of which they are tributaries.

And the same rules shall apply to the streams and river as well as the lakes and canals in the territories defined in paragraphs 2 and 3 of Article 1.

At the same time the powers of the International Commission of the Congo will not extend to the said rivers, streams, lakes and canals, unless with the assent of the States under whose sovereignty they are placed. It is well understood, also, that with regard to the territories mentioned in paragraph 3 of Article 1 the consent of the Sovereign States owning these territories is reserved.

Article 16

The roads, railways or lateral canals which may be constructed with the special object of obviating the innavigability or correcting the imperfection of the river route on certain sections of the course of the Congo, its affluents, and other waterways placed under a similar system, as laid down in Article 15, shall be considered in their quality of means of communication as dependencies of this river, and as equally open to the traffic of all nations.

And, as on the river itself, so there shall be collected on these roads, railways and canals only tolls calculated on the cost of construction, maintenance and management, and on the profits due to the promoters.

As regards the tariff of these tolls, strangers and the natives of the respective territories shall be treated on a footing of perfect equality.

Article 17

There is instituted an International Commission, charged with the execution of the provisions of the present Act of Navigation.

The Signatory Powers of this Act, as well as those who may subsequently adhere to it, may always be represented on the said Commission, each by one delegate. But no delegate shall have more than one vote at his disposal, even in the case of his representing several Governments.

This delegate will be directly paid by his Government. As for the various agents and employees of the International Commission, their remuneration shall be charged to the amount of the dues collected in conformity with paragraphs 2 and 3 of Article 14.

The particulars of the said remuneration, as well as the number, grade and powers of the agents and employees, shall be entered in the returns to be sent yearly to the Governments represented on the International Commission.

Article 18

The members of the International Commission, as well as its appointed agents, are invested with the privilege of inviolability in the exercise of their functions. The same guarantee shall apply to the offices and archives of the Commission.

Article 19

The International Commission for the Navigation of the Congo shall be constituted as soon as five of the Signatory Powers of the present General Act shall have appointed their delegates. And, pending the constitution of the Commission, the nomination of these delegates shall be notified to the Imperial Government of Germany, which will see to it that the necessary steps are taken to summon the meeting of the Commission.

The Commission will at once draw up navigation, river police, pilot and quarantine rules.

These rules, as well as the tariffs to be framed by the Commission, shall, before coming into force, be submitted for approval to the Powers represented on the Commission. The Powers interested will have to communicate their views with as little delay as possible.

Any infringement of these rules will be checked by the agents of the International Commission wherever it exercises direct authority, and elsewhere by the riverain Power.

In the case of an abuse of power, or of an act of injustice, on the part of any agent or employee of the International Commission, the individual who considers himself to be aggrieved in his person or rights may apply to the consular agent of his country. The latter will examine his complaint, and if he finds it prima facie reasonable he will then be entitled to bring it before the Commission. At his instance then, the Commission, represented by at least three of its members, shall, in conjunction with him, inquire into the conduct of its agent or employee. Should the consular agent look upon the decision of the Commission as raising questions of law (objections de droit), he will report on the subject to his Government, which may then have recourse to the Powers represented on the Commission, and invite them to agree as to the instructions to be given to the Commission.

Article 20

The International Commission of the Congo, charged in terms of Article 17 with the execution of the present Act of Navigation, shall in particular have power-

1. To decide what works are necessary to assure the navigability of the Congo in accordance with the needs of international trade.

On those sections of the river where no Power exercises sovereign rights the International Commission will itself take the necessary measures for assuring the navigability of the river.

On those sections of the river held by a Sovereign Power the International Commission will concert its action (s'entendra) with the riparian authorities.

2. To fix the pilot tariff and that of the general navigation dues as provided for by paragraphs 2 and 3 of Article 14.

The tariffs mentioned in the first paragraph of Article 14 shall be framed by the territorial authorities within the limits prescribed in the said Article.

The levying of the various dues shall be seen to by the international or territorial authorities on whose behalf they are established.

3. To administer the revenue arising from the application of the preceding paragraph (2).

4. To superintend the quarantine establishment created in virtue of Article 24.

5. To appoint officials for the general service of navigation, and also its own proper employees.

It will be for the territorial authorities to appoint sub-inspectors on sections of the river occupied by a Power, and for the International Commission to do so on the other sections.

The riverain Power will notify to the International Commission the appointment of sub-inspectors, and this Power will undertake the payment of their salaries.

In the exercise of its functions, as above defined and limited, the International Commission will be independent of the territorial authorities.

Article 21

In the accomplishment of its task the International Commission may, if need be, have recourse to the war vessels of the Signatory Powers of this Act, and of those who may in future accede to it, under reserve, however, of the instructions which may be given to the commanders of these vessels by their respective Governments.

Article 22

The war vessels of the Signatory Powers of this Act that may enter the Congo are exempt from payment of the navigation dues provided for in paragraph 3 of Article 14; but, unless their intervention has been called for by the International Commission or its agents, in terms of the preceding Article, they shall be liable to the payment of the pilot or harbour dues which may eventually be established.

Article 23

With the view of providing for the technical and administrative expenses which it may incur, the International Commission created by Article 17 may, in its own name, negotiate loans to be exclusively guaranteed by the revenues raised by the said Commission.

The decisions of the Commission dealing with the conclusion of a loan must be come to by a majority of two-thirds. It is understood that the Governments represented on the Commission shall not in any case be held as assuming any guarantee, or as contracting any engagement or joint liability (solidarité) with respect to the said loans, unless under special Conventions concluded by them to this effect.

The revenue yielded by the dues specified in paragraph 3 of Article 14 shall bear, as a first charge, the payment of the interest and sinking fund of the said loans, according to agreement with the lenders.

Article 24

At the mouth of the Congo there shall be founded, either on the initiative of the riverain Powers, or by the intervention of the International Commission, a quarantine establishment for the control of vessels passing out of as well as into the river.

Later on the Powers will decide whether and on what conditions a sanitary control shall be exercised over vessels engaged in the navigation of the river itself.

Article 25

The provisions of the present Act of Navigation shall remain in force in time of war. Consequently all nations, whether neutral or belligerent, shall be always free, for the purposes of trade, to navigate the Congo, its branches, affluents and mouths, as well as the territorial waters fronting the embouchure of the river.

Traffic will similarly remain free, despite a state of war, on the roads, railways, lakes and canals mentioned in Articles 15 and 16.

There will be no exception to this principle, except in so far as concerns the transport of articles intended for a belligerent, and in virtue of the law of nations regarded as contraband of war.

All the works and establishments created in pursuance of the present Act, especially the tax collecting offices and their treasuries, as well as the permanent service staff of these establishments, shall enjoy the benefits of neutrality (placés sous le régime de la neutralité), and shall, therefore, be respected and protected by belligerents.

CHAPTER V

ACT OF NAVIGATION FOR THE NIGER

Article 26

The navigation of the Niger, without excepting any of its branches and outlets, is and shall remain entirely free for the merchant ships of all nations equally, whether with cargo or ballast, for the transportation of goods and passengers. It shall be regulated by the provisions of this Act of Navigation, and by the rules to be made in pursuance of this Act.

In the exercise of this navigation the subjects and flags of all nations shall be treated, in all circumstances, on a footing of perfect equality, not only for the direct navigation from the open sea to the inland ports of the Niger, and vice versa, but for the great and small coasting trade, and for boat trade on the course of the river.

Consequently, on all the course and mouths of the Niger there will be no distinction made between the subjects of the riverain States and those of non-riverain States; and no exclusive privilege of navigation will be conceded to companies, corporations or private persons.

These provisions are recognized by the Signatory Powers as forming henceforth a part of international law.

Article 27

The navigation of the Niger shall not be subject to any restriction or obligation based merely on the fact of navigation.

It shall not be exposed to any obligation in regard to landing-station or depot, or for breaking bulk, or for compulsory entry into port.

In all the extent of the Niger the ships and goods in process of transit on the river shall be submitted to no transit dues, whatever their starting place or destination.

No maritime or river toll shall be levied based on the sole fact of navigation, nor any tax on goods on board of ships. There shall only be collected taxes or duties which shall be an equivalent for services rendered to navigation itself. The tariff of these taxes or duties shall not warrant any differential treatment.

Article 28

The affluents of the Niger shall be in all respects subject to the same rules as the river of which they are tributaries.

Article 29

The roads, railways or lateral canals which may be constructed with the special object of obviating the innavigability or correcting the imperfections of the river route on certain sections of the course of the Niger, its affluents, branches and outlets, shall be considered, in their quality of means of communication, as dependencies of this river, and as equally open to the traffic of all nations.

And, as on the river itself, so there shall be collected on these roads, railways and canals only tolls calculated on the cost of construction, maintenance and management, and on the profits due to the promoters.

As regards the tariff of these tolls, strangers and the natives of the respective territories shall be treated on a footing of perfect equality.

Article 30

Great Britain undertakes to apply the principles of freedom of navigation enunciated in Articles 26, 27, 28 and 29 on so much of the waters of the Niger, its affluents, branches and outlets, as are or may be under her sovereignty or protection.

The rules which she may establish for the safety and control of navigation shall be drawn up in a way to facilitate, as far as possible, the circulation of merchant ships.

It is understood that nothing in these obligations shall be interpreted as hindering Great Britain from making any rules of navigation whatever which shall not be contrary to the spirit of these engagements.

Great Britain undertakes to protect foreign merchants and all the trading nationalities on all those portions of the Niger which are or may be under her sovereignty or protection as if they were her own subjects, provided always that such merchants conform to the rules which are or shall be made in virtue of the foregoing.

Article 31

France accepts, under the same reservations, and in identical terms, the obligations undertaken in the preceding Articles in respect of so much of the waters of the Niger, its affluents, branches and outlets, as are or may be under her sovereignty or protection.

Article 32

Each of the other Signatory Powers binds itself in the same way in case it should ever exercise in the future rights of sovereignty or protection over any portion of the waters of the Niger, its affluents, branches or outlets.

Article 33

The arrangements of the present Act of Navigation will remain in force in time of war. Consequently, the navigation of all neutral or belligerent nationals will be in all time free for the usages of commerce on the Niger, its branches, its affluents, its mouths and outlets, as well as on the territorial waters opposite the mouths and outlets of that river.

The traffic will remain equally free in spite of a state of war on the roads, railways and canals mentioned in Article 29.

There will be an exception to this principle only in that which relates to the transport of articles destined for a belligerent, and considered, in virtue of the law of nations, as articles contraband of war.

CHAPTER VI

DECLARATION RELATIVE TO THE ESSENTIAL CONDITIONS TO BE OBSERVED IN ORDER THAT NEW OCCUPATIONS ON THE COASTS OF THE AFRICAN CONTINENT MAY BE HELD TO BE EFFECTIVE

Article 34

Any Power which henceforth takes possession of a tract of land on the coasts of the African continent outside of its present possessions, or which, being hitherto without such possessions, shall acquire them, as well as the Power which assumes a Protectorate there, shall accompany the respective act with a notification thereof, addressed to the other Signatory Powers of the present Act, in order to enable them, if need be, to make good any claims of their own.

Article 35

The Signatory Powers of the present Act recognize the obligation to insure the establishment of authority in the regions occupied by them on the coasts of the African continent sufficient to protect existing rights, and, as the case may be, freedom of trade and of transit under the conditions agreed upon.

CHAPTER VII

GENERAL DISPOSITIONS

Article 36

The Signatory Powers of the present General Act reserve to themselves to introduce into it subsequently, and by common accord, such modifications and improvements as experience may show to be expedient.

Article 37

The Powers who have not signed the present General Act shall be free to adhere to its provisions by a separate instrument.

The adhesion of each Power shall be notified in diplomatic form to the Government of the German Empire, and by it in turn to all the other signatory or adhering Powers.

Such adhesion shall carry with it full acceptance of all the obligations as well as admission to all the advantages stipulated by the present General Act.

Article 38

The present General Act shall be ratified with as little delay as possible, the same in no case to exceed a year.

It will come into force for each Power from the date of its ratification by that Power.

Meanwhile, the Signatory Powers of the present General Act bind themselves not to take any steps contrary to its provisions.

Each Power will address its ratification to the Government of the German Empire, by which notice of the fact will be given to all the other Signatory Powers of the present Act.

The ratifications of all the Powers will be deposited in the archives of the Government of the German Empire. When all the ratifications shall have been sent in, there will be drawn up a Deposit Act, in the shape of a Protocol, to be signed by the representatives of all the Powers which have taken part in the Conference of Berlin, and of which a certified copy will be sent to each of those Powers.

IN TESTIMONY WHEREOF the several plenipotentiaries have signed the present General Act and have affixed thereto their seals.

DONE at Berlin, the 26th day of February, 1885.

[Signatures included here.]
NGI
Fortengordel rond Antwerpen 1860-1864
Edited: 186000002359
Josephine Tasher De La Pagerie in 1808 by Antoine-Jean Gros
Edited: 180800001015


Née en 1763 aux Trois-Ilets en Martinique, Marie-Joseph-Rose de Tascher de la Pagerie connaît une enfance heureuse dans la plantation familiale avant d'être envoyée à Paris à l'age de 16 ans. Elle y épouse Alexandre de Beauharnais avec lequel elle a deux enfants, Eugène et Hortense, mais cela n'empêche pas une séparation entre les époux. Emprisonnés tous deux sous la Terreur dans l'ancien couvent des Carmes, seule Joséphine échappe à l'exécution et est libérée après trois mois de détention. C'est cette veuve de 32 ans que Bonaparte rencontre en 1795 dans les cercles qui se sont formés autour du Directeur Barras. Le jeune général corse est ébloui par son charme et son aisance dans la nouvelle société qui se crée alors. Un simple mariage civil les unit le 9 mars 1796 entraînant colère et stupéfaction dans la famille Bonaparte qui n'a pas donné son consentement. Le 29 mai 1814, elle meurt brusquement d'une angine infectieuse entourée de ses enfants Eugène et Hortense dans sa chambre de Malmaison.
general enclosure act: rationalisering van grondgebruik en afpaling
Edited: 180100001599
Enclosure

a) What were enclosures?

i) Enclosure meant joining the strips of the open fields to make larger compact units of land. These units were then fenced or hedged off from the next person's land. In this way a farmer had land in one farm, rather than in scattered strips. This brought greater independence. Enclosing land was not new; it dated back to at least the Medieval period.

ii) The areas of England affected by the enclosure movement of this period were mainly the counties of the Midlands, East Anglia and Central Southern England.



b) How was land enclosed?

i) Before about 1740, most villages were enclosed by agreement. This was when the main owners of the land made a private agreement to join their strips together. This may have involved buying some strips from the small farmers to get rid of any possible opposition. Where all the land in a village was owned by one or two people, enclosure by agreement was relatively straightforward. Unfortunately, it is impossible to tell how much land was enclosed in this way, as little documentation was kept.

ii) Where a number of smaller landowners provided determined opposition to enclosure by agreement, an Act of Parliament had to be obtained. This became the accepted procedure after 1750. It had a number of factors in its favour:

- Each enclosure had legal documentation and certification

- It provided the machinery for opposition to be heard

- It allowed the whole of the village to be enclosed at the same time (that is, commons, waste

land, meadows and open fields.) Up to 1750, many villages had been enclosed a little at a time.

iii) Between 1750 and 1850 there were approximately 4,000 Enclosure Acts of Parliament.



c) Why was Parliamentary Enclosure so widespread in the periods 1760-1780 and 1793 to 1815?

i) Between 1760 and 1780, some 900 Enclosure acts were passed. Historians agree that high cereal prices motivated farmers to enclose land in order to produce a greater amount, thereby earning bigger profits. Also, where land was enclosed, landlords could charge tenants higher rents.

ii) The years of the French Wars (1793-1815) saw almost 2,000 Enclosure Acts being passed. This can also be explained by high cereal prices, which were the results of a series of poor harvests and the difficulty of importing foreign corn at a time when Europe was involved in a major war. This led to widespread enclosure with even marginal waste land being enclosed. With enclosures the farmers could grow more food to feed the domestic population and make larger profits.



d) How was an Act of Enclosure obtained?

The process of obtaining an Act of Enclosure was a time consuming activity:

- The starting point was when the owners of between 3/4 and 4/5 of the land in the village decided that they wished to enclose. They then produced a petition giving notice of their intention to the rest of the village.

- From 1774 onwards, this petition had to be fixed to the church door for three consecutive Sundays in late August or early September. Some landowners took the trouble to publish the petition in the local newspaper.

- Following this, a Bill of Enclosure for the village was drafted and it was read twice in the House of Commons.

- A Parliamentary committee then studied the Bill, considered any objections and wrote in any alterations.

- The Bill was then given a third reading in the House of Commons and then passed on to the House of Lords.

- Finally, the Bill was given a Royal Assent and became an Act of Parliament.

Most bills went through the procedure without too much hindrance.



e) What were the General Enclosure Acts?

These Acts were an attempt to simplify the administration of enclosures. In 1801 the first General Enclosure Act was passed. This laid down a model procedure for the enclosure of common lands in particular. The aim was to provide a guide to those who had the job of drafting Enclosure Bills.



In 1836, a second General Enclosure Act was passed. This was concerned with the open fields and it gave local farmers the right to appoint commissioners and to enclose land without direct reference to Parliament. In 1845, a third (and final) Enclosure Act was brought on to the Statute Book. This established a group of 'specialist' commissioners who would travel round to the different villages to supervise the enclosing of land. They then reported back to Parliament and one General Act of Enclosure was passed for all the villages inspected during the course of the year.



f) What was the job of the Parliamentary commissioners and how well did they do their work?

i) Each individual Act of Enclosure stated that a number of commissioners ( Between three and twelve, depending on the amount of land involved) should be appointed to carry out the enclosure.

ii) After this, surveyors and clerks were appointed by the commissioners. The surveyors had to draw up a plan of the village with its open fields and strips. The owners of the strips were recorded on a map. At a series of meetings called by the commissioners, landowners had to make a claim as to how much land they should be awarded under the enclosure. The commissioners then had to decide on the validity of each claim and come to a decision as to who was actually entitled to receive land in the award.

iii) When, finally, the land had been allocated, the surveyors drew up a new map of the village displaying the new enclosures, boundaries between each section of land and the location of new paths and roads. With the new enclosure map went the award, a list of all the landowners allocated land in the enclosed village.

iv) Commissioners, in general, have been accused of malpractice or of favouring the large landowners and aristocracy when allocating land. Historians now think that in most cases, commissioners did their difficult task admirably well and they did consider the claims of the smaller farmer.



g) How much did it cost to enclose a village by Act of Parliament?

The cost of enclosure varied from parish to parish. The amount depended upon the size of the parish and whether it was the whole parish being enclosed or merely the common and waste land. Every farmer who received an allocation of land in the award was obliged to pay a share of the cost. Such costs would have put a heavy burden on some of the smaller landowners who did not possess large amounts of capital.

h) Economic effects of enclosure

i) Social results of enclosure

j) How far was it true that enclosures led to 'rural depopulation'?

It has been claimed that enclosure caused widespread movement of landless labourers from the countryside to the growing industrial towns. There is, however, evidence to contradict this:

- Enclosure usually required more labour, not less. It is likely that the 'landless labourers' would have been employed to build fences, dig ditches, construct roads and new farmhouses.

- Enclosure brought more land under cultivation which needed labour to work it. In arable areas, particularly, men were needed to plough, sow, hoe and harvest the crops. The increased output would have stimulated a number of 'associated' industries such as brewing and milling.

- More stockmen, dairymen and shepherds were needed.

It must be considered doubtful that enclosures caused rural depopulation. Statistics suggest that it was not until the late 19th century that that any widespread exodus from the countryside took place.



k) There was poverty and suffering in the countryside in the period 1790 to 1830. If enclosure on its own did not cause this hardship, what did?

i) In the south and east of England the decline of domestic industries was one factor in bringing about increased poverty. Previously, villagers had supplemented their income by, for example, weaving.

ii) The poor harvests and high prices in the 1790s, although bringing profit to the farmers, brought suffering to the labourers.

iii) Labourers in the areas where enclosure had taken place in the 16th century may well have suffered as they could not find employment in putting up fences etc. iv) It is worth noting that poverty was rife in both open and enclosed villages. Rural poverty was a phenomenon well before enclosures.







©1995-7 Stephane Gray

http://cla.calpoly.edu/~lcall/enclosures.html (20051227)
wiki
The Battle of Barnet (14 April 1471)
Edited: 147104140702
The Battle of Barnet (14 April 1471) during the Wars of the Roses, followed by the Battle of Tewkesbury, secured the throne for Edward IV of England and launched fourteen years of Yorkist rule. Near Barnet, then a small Hertfordshire town north of London, Edward led the House of York against Richard Neville, 16th Earl of Warwick, and the House of Lancaster, which backed Henry VI for the throne. The battle began in a thick fog at dawn. While the main forces struggled, John de Vere, 13th Earl of Oxford, and his Lancastrian troops routed the Yorkists under Lord William Hastings, chasing them up to Barnet. On their return to the battlefield, Oxford's men were erroneously shot at by his allies commanded by John Neville, 1st Marquess of Montagu. The Lancastrians lost the battle as cries of treason spread through their line and many abandoned the fight. While retreating, Warwick was killed. Historians regard the battle as one of the most important clashes in the Wars of the Roses, bringing about a decisive turn in the fortunes of the two houses.