Search our collection of 12.005 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 2.829 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 3 books

We found 184 news item(s)

LT
Gaat de Franse Staat zijn aandeel in het zeer rendabele Renault verkopen?
Edited: 201803311352
Dit is weerom "privatisering van de winsten, collectivisering van de lasten".
Enfin, de perfide neo-liberale politiek, zeg maar.

We herinneren aan wat Galbraith zei in 'The Affluent Society' (1958): "The book sought to clearly outline the manner in which the post-World War II America was becoming wealthy in the private sector but remained poor in the public sector, lacking social and physical infrastructure, and perpetuating income disparities." Is het dat wat de neoliberaal Macron wil ? Dan moet hij gestopt worden.
DE STANDAARD
Gewezen ‘chef controles’ werkt bij organisatie die Napoleon Games en Ladbrokes adviseert - Ex-topman Kansspelcommissie is nu adviseur voor goksector
Edited: 201802280965
Die titel vulde de voorpagina van de DE STANDAARD van vandaag.
De journalist van dienst schreeuwt moord en brand.

Maar ... hoeveel premiers en ministers aanvaarden er een bestuurdersfunctie in grote bedrijven na hun politieke carrière ?
Waarom mag een ex-topambtenaar niet doen wat een politicus wèl mag ?
Er is iets loos in het mediabedrijf: een gebrek aan nuancering en dieper nadenken. Of is het een afrekening?

LT
Erik Zwysen schrijft over de geschiedenis van de pleegzorg
Edited: 201802091555
Erik Zwysen is maatschappelijk assistent (1977) en licentiaat in de politieke en sociale wetenschappen (1990). Werkte als bureelbediende (1972) en arbeider (1974). Was in Antwerpen vast afgevaardigde bij het jeugdbeschermingscomité (1978), maatschappelijk werker en coördinator voor de private plaatsingen bij de dienst voor pleegzorg De Mutsaard (1978-2001), directeur bij de thuisbegeleidingsdienst Joba en administratief directeur bij de vzw De Hand (2001-2008). Was redacteur bij het Tijdschrift voor Welzijnswerk en bij het Tijdschrift voor Pleegzorg. Schreef artikels over de geschiedenis van de pleegzorg in Vlaanderen en over het Antwerpse muziekleven in het interbellum.

Zijn website is meer dan de moeite waard en bevat een schat aan gegevens over een thema dat weinig besproken wordt.


website erik zwysen
SIPRI/Statista
Wapenexport: de grootste klanten van de USA
Edited: 201712111824
De statistiek is geen verrassing maar in deze tijden van oplopende spanningen verklaart hij toch een stuk van de geopolitiek.





Noot LT: de grafiek verwijst naar TIV wat de vergelijking met andere parameters, uitgedrukt in dollar bijvoorbeeld, bemoeilijkt.


Voor meer gedetailleerde informatie kunt u terecht bij het SIPRI. Hieronder vindt u de Summary van het Yearbook 2017.
TESSENS Lucas
MERS start met de ontsluiting van het archief van de Vlaamse Media Maatschappij (VMM), de aanloop tot de Vlaamse Televisie Maatschappij (VTM).
Edited: 201711211640




De archivalia worden gescand en in PDF gepresenteerd op onze website (News Items).
MERS wil hiermee de archiefstukken veilig stellen voor verder onderzoek.
Bedenk dat in de jaren tachtig van vorige eeuw quasi alle documenten uitgetikt werden op een typmachine. Van een digitaal archief was dan ook geen sprake.
De kwaliteit van de originele stukken is in een aantal gevallen middelmatig tot slecht. Dat heeft vele oorzaken: beïnkting van het gebruikte typmachinelint, faxen op termisch papier, slechte kwaliteit van telexberichten, slecht gemaakte copies, minderwaardig fotopapier, etc.
Inhoudelijk is het archief rijk. De stukken tonen aan hoe moeilijk het is geweest om eensgezindheid te krijgen binnen de uitgeversgroep (dag- en weekbladen) om in te stappen in de wereld van de commerciële televisie.
Parallel hiermee diende het volledige wettelijk kader (federaal en gewestelijk) te worden geschapen om commerciële TV mogelijk te maken. De inspanningen van de ene lobby-groep werden teniet gedaan door de andere. Bovendien zaten verschillende fracties van eenzelfde groep niet op dezelfde golflengte. Dat was waar binnen de politieke partijen, binnen de dagbladgroepen, de BRT, de vakbonden, ... De weekbladen vormden een uitzondering: zij zaten vanaf 1980 op eenzelfde lijn. Die lijn evolueerde van anti-BRT-reclame naar radicaal pro-commerciële TV in handen van de uitgevers. En dat terwijl de weekbladpers in het begin nauwelijks aan de bak kwam als gesprekspartner voor de regering. De dagbladuitgevers en de BRT bezetten in 1980 nog het forum en de lobby-kanalen.
Een voortdurende dreiging vormde de mogelijke marktbezetting door een Vlaams RTL-kanaal.
Ook het aantal kanalen op de kabel (teledistributie) dreigde uitgeput te raken door de opkomst van satelliettelevisie.
De hele discussie werd dan nog doorkruist door de financieringsperikelen van de openbare omroep en de eis voor de volledige ristornering van het kijk- en luistergeld naar de Gemeenschappen. Zolang dat laatste niet was gebeurd, kon de Vlaamse overheid tegenover de BRT argumenteren dat er een geldgebrek was.
In diezelfde periode kwam ook de Mediaraad tot stand.
Hiermee is voldoende aangeduid hoe complex en chaotisch de aanloop tot VTM wel is geweest.






Voor een stukje van de politieke historiek verwijzen wij naar een tijdlijn die aantoont dat VTM in een wel heel unieke periode tot stand kwam: de socialisten stonden op alle fronten buitenspel.

LT
Biechtgeheim: strafrecht botst met kerkelijk recht
Edited: 201711151431
Art. 422bis. Met gevangenisstraf van acht dagen tot (een jaar) en met geldboete van vijftig [euro] tot vijfhonderd [euro] of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen.
Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was.
(De straf bedoeld in het eerste lid wordt op twee jaar gebracht indien de persoon die in groot gevaar verkeert, minderjarig is of een persoon is van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was.)

Art. 422ter. Met de straffen in het vorige artikel bepaald wordt gestraft hij die, hoewel hij in staat is het te doen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, weigert of nalaat aan iemand die in gevaar verkeert, de hulp te bieden waartoe hij wettelijk wordt opgevorderd; hij die, hoewel daartoe in staat, weigert of nalaat het werk of de dienst te doen of de hulp te verlenen waartoe hij wordt opgevorderd bij ongeval, beroering, schipbreuk, overstroming, brand of andere rampen, evenals in geval van roverij, plundering, ontdekking op heterdaad, vervolging door het openbaar geroep of van gerechtelijke tenuitvoerlegging.

Art. 422quater. In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en 422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.











Bron: Codex Juris Canonici



Pietro Longhi (Venezia, 1702-1785), La Confessione, Firenze, Uffizi
Nieuws en commentaar Lucas Tessens
Brussel: vernieling en plundering op de Lemonnierlaan. Geen aanhoudingen.
Edited: 201711122247
De Staat faalt ... en nog wel in zijn basisopdracht: veiligheid.
De overwinning van het Marokkaanse voetbalelftal brengt geen elfen maar vandalen op de straat. De hamvraag: Is dit georchestreerd? Door wie? Tegen wie? Met welk doel?


Een juridisch staartje?
Mogen de getroffen burgers troost en verheffing vinden in het decreet van 2 oktober 1795:


De gemeente is inderdaad, ingevolge het decreet van 10 Vendémiaire jaar IV verantwoordelijk voor de schade aan personen en eigendommen, welke gewelddadig door samenscholingen veroorzaakt wordt. Uit de berichtgeving over de plunderingen blijkt geenszins dat de politiediensten overmand waren door het aantal plunderaars en vernielers. Mocht dat wel het geval zijn - en de Brusselse overheid zal ongetwijfeld in een eventuele rechtszaak deze omstandigheid trachten in te roepen - dan zou Brussel zich kunnen beroepen op overmacht (W. 19190510, art. 2, in fine) en de benadeelden in de kou laten staan. (REF MERS: 19320022:74(n2), 151-152)
Tenslotte rijst bij dit alles voor de zoveelste keer de vraag naar het deficit in de politionele paraatheid ingevolge de versplintering van de hoofdstad in 19 gemeenten en 6 politiezones. Maar dat is politieke koek. Politici die verklaren dat zij hun verantwoordelijkheid zullen opnemen, debiteren een ingestudeerd adagium zonder concrete gevolgen op het terrein.
Onveranderlijk gaat het over hun vermeende bekwaamheid, hun nietsontziende doeltreffendheid, hun 'bewezen' expertise en dossierkennis, hun niet aflatende inzet, hun voortreffelijkheid, de plannen die in de steigers staan, het ongelijk van de andere, ... In wezen gaat het om hun machtsbastion en de herverkiesbaarheid van hun eigenste zelf.
nws
Politie krijgt zwaardere wapens en munitie: Si vis pacem para bellum
Edited: 201711050148
LT
Spanje/Catalonië: Puigdemont in Brussel: 'ik vraag geen asiel aan'
Edited: 201710312327
Als Puigdemont geen asiel aanvraagt in België - het enige Europese land waar hij dat kan doen - dan riskeert hij (en de zijnen) gevangenisstraf in Spanje.
En als er een internationaal aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd door Spanje dan zien we België dat niet onderaan de stapel leggen.
Rest de (weerom) juridische vraag of een asielaanvraag dan nog mogelijk is.
Moet de (ex-)minister-president straks onderduiken in zijn eigen (reeds ontbonden) republiek?

Het zijn vragen als deze die ons tot nadenken stemmen over het wezen van de democratie, de spelregels en de (scheids-)rechters.
Europa weet ons wel te zeggen hoe het flesje olijfolie op de restauranttafel er moet uitzien; hoe we moeten omgaan met een politiek vluchteling die een Europees onderdaan is ... dat weet niemand.


LT
Antwerpen-Zuid: rellen tussen aanhangers Erdogan en PKK
Edited: 201710271715







Rond 17.00 uur werd een propaganda-autocar van aanhangers van Abdullah Öcalan, die pleiten voor zijn vrijlating, op het kruispunt van de Brederodestraat en de Broederminstraat klemgereden door een personenwagen van het merk Mercedes.
Daarop ontstonden rellen - er werd met stokken geslagen - die zich over de gehele buurt verspreidden.
De politie kwam ter plaatse.
De beelden die we hierboven tonen zijn exclusief.
LT
France 2 brengt nieuwe reportage van Benoît Collombat over de affaire Boulin. De minister van arbeid werd vermoord in de nacht van 29 op 30 oktober 1979.
Edited: 201710262207
De Bende van Nijvel is een enigma in de Belgische criminele (en politieke?) geschiedenis. De diefstal van De Rechtvaardige Rechters en de moord op Lahaut zijn twee andere voorbeelden van zaken die de media blijven beroeren.

De affaire Boulin is zeker en vast een afrekening binnen het rechtse kamp van de Franse politiek. Het onderzoek werd in 2015 heropend maar intussen zijn een aantal kroongetuigen overleden. De familie Boulin blijft aandringen op een snelle afhandeling. Het gerecht talmt.

zie ook

chronologie affaire Boulin
Spanje vs Catalonië: Madrid activeert artikel 155 van de grondwet en ontneemt de autonomie van Catalonië
Edited: 201710211901
De ingeslagen weg is die van de 'clash', de voogdij, het onbegrip, de voorgewende doofheid, het eigen Grote Gelijk, het opsluiten van politieke tegenstanders ... en weldra de aanslagen en de contra-offensieven. Waarom? Omdat de geschiedenis ons dat leert. In Vlaanderen kennen wij goed de historische onverzettelijkheid van de Spaanse overheid. De lang gerekte doodstrijd van Franco treedt in fase twee en wellicht sterft deze keer ook de monarchie.
Spanje/Catalonië: Puigdemont roept onafhankelijke republiek uit en zet die onmiddellijk 'on hold'
Edited: 201710101961
Madrid en premier Rajoy blijven op onverzettelijk standpunt staan. Madrid wil nu graag weten of Catalonië nu al dan niet de onafhankelijkheid heeft uitgeroepen. Zoja, dan kan de centrale overheid als tuchtmaatregel de autonomie van de regio opheffen (het fameuze artikel 155 van de Spaanse grondwet).
Commentaar LT (20171012): Het is een schaakspel geworden. Ook in Spanje kent men de basisregels van dit spel en men zou moeten weten hoe het eindigt: als de koning schaakmat staat valt het stuk omver. De spelers kunnen dan een nieuw spel beginnen. Maar zo werkt het niet in de politiek. Als de monarchie meegesleurd wordt in een confrontatie is zij verliezer zonder meer. De republiek staat al in de steigers.
De Spaanse grondwet is inherent tegenstrijdig omdat ze enerzijds de vrije meningsuiting garandeert maar anderzijds geen volksraadpleging toestaat. Spreken mag maar je mag het niet georganiseerd doen.
Dat gezegd zijnde moet men ook de vraag durven stellen naar de drijfveren voor het onafhankelijkheidsstreven van Catalonië. Als het erom gaat zich als rijke regio te desolidariseren van het arme Spanje, dan mag men daar bedenkingen over hebben.
Ondertussen is de chaos zo groot geworden dat men eens moet nagaan of het cocaïnegebruik van bepaalde politieke spelers niet verantwoordelijk is voor hun tomeloze arrogantie. Langs beide kanten, wel te verstaan.
Antwerpen: gokkende politie: grote bedragen, valse identiteiten en schriftvervalsing
Edited: 201710092346
Spanje/Calalonië: referendum aan de gang. Rusland kijkt alert toe.
Edited: 201710011225
In Moskou wordt dit referendum scherp in de gaten gehouden. Immers, als de EU nog maar een kleine toegeving zou doen, dan zou dat een impliciete erkenning inhouden van het referendum op de Krim (16 maart 2014).

We kijken even naar het economisch belang van Catalonië binnen Spanje:
grondgebied: 6,3%
BBP: 20%
toerisme: 23,5%.
Madrid heeft veel te verliezen bij deze - zeg maar: 'revolte'.
Reedit 201710011733/201710012359: Guardia Civil - de nationale politie met een bedenkelijke reputatie - treedt hardhandig op en schiet met rubberkogels; meer dan 400 gewonden. (RT = The Russian Telegraph) Tegen het einde van de dag liep het aantal gewonden op tot meer dan 800. Op video-beelden (en die zijn er in overvloed) is te zien dat een Guardia van een trap springt bovenop de borst van een neerliggende burger ... combat boots vooruit !
Waarnemers brengen de repressie in verband met de methodes van het Franco-regime.
De Spaanse minister van Buz verklaarde doodleuk dat er geen disproportioneel geweld was gebruikt. De beelden tonen het tegenovergestelde.
Voor Mariano Rajoy, de premier van Spanje, is er helemaal geen referendum geweest in Catalonië.
Laat het ons hierop houden: de Catalanen hebben hun stem laten horen, de Spaanse staat heeft zijn ware gelaat getoond.


zie ook The Tragic Week, revolte in Barcelona in juli 1909
LT
gepland referendum over onafhankelijkheid Catalonië niet ongevaarlijk
Edited: 201709180115
De Spaanse grondwet voorziet niet in een referendum van deze aard.
Madrid dreigt met zware sancties tegen ambtenaren die hun medewerking verlenen en de Guardia Civil is op zoek naar de producenten van de stemurnen en alle materiële middelen die het referendum kunnen waarmaken.
De Catalaanse regering dreigt ermee een feitelijke toestand te creëren, ook indien die onwettig is. Lees: burgerlijke ongehoorzaamheid, inclusief manifestaties.
Voor de Europese Unie dreigt een impasse, maar Juncker zwijgt. Voor Frankrijk stelt zich het probleem van een grens erbij, en de stilte van Macron is veelbetekenend. In eigen land heeft hij de handen vol met zijn 'coup d'état social' die heel Frankrijk in tweeën splijt. En een Catalaanse afscheiding wordt nauwgelet in het oog gehouden in Corsica.
Geopolitiek is de toestand verre van onbelangrijk want staat men in Catalonië toe wat men inzake de Krim veroordeelde? En het confederalisme in België, speerpunt van de NVA? Het wordt alvast geen thema van de verkiezingen in 2019.
Het zijn vele kaarten die op tafel liggen en ze worden niet enkel geschud, ze worden hertekend.
Afspraak op 1 oktober.
Laurette Onkelinx stopt ... in 2019
Edited: 201709141443
Een snotterende Onkelinx (PS) riep de gehele persmeute samen voor een non-event.
Binnen twee jaar stopt ze (snik) met politiek. Snik, snik.
Wat ze er niet bij vertelde: ze zit dan op het punt voor een maximale parlementaire pensioenuitkering.
Antwerpen: cocaïne-handel ondermijnt politie, douane en justitie
Edited: 201709090147
Geert Versnick weg uit politiek na rits schandalen (Optima, Bangkok, ...)
Edited: 201707111113
Louis Tobback in De Standaard van 29 april 2017
Edited: 201705010137
"Zo'n Dijsselbloem, die collaborateur van het kapitalisme, ik word daar mottig van."
Commentaar: Tobback was zelf ook niet vies van samenwerking met die andere collabo van het kapitalisme: Jean-Luc Dehaene.
In de politiek trapt men enkel na als de tegenstander op de grond ligt (cfr. het verkiezingsresultaat van de socialisten in Nederland).

resultaten Nederlandse verkiezingen 2017
privatisering BELFIUS ? OK als Arco-aandeelhouders kunnen cashen, zegt CD&V
Edited: 201704271605


Of hoe je met geld van de Staat aan partijpolitiek doet.

zie ons Katanga-model
LT
Macron en Le Pen in tweede ronde voor presidentsverkiezingen
Edited: 201704232001



source: Ministère de l'Intérieur


Onze vroege pronostiek van 5 februari is uitgekomen. Zie ons bericht

De parlementsverkiezingen van 11 en 18 juni 2017 zullen duidelijk maken in hoeverre het politieke landschap van Frankrijk is hertekend.
In ieder geval is het klaar dat Frankrijk nu ook een centrumpartij (of liever een centrumBEWEGING) kent, 'En Marche'. Niet toevallig zitten de initialen van Emmanuel Macron erin. De aanduiding van een premier én de samenstelling van de nieuwe regering zijn evenementen van cruciaal belang om tot een gefundeerde evaluatie te komen.
Het uiteenspatten van de Parti Socialiste is een kwestie van weken. Aan de rechterzijde is de rol van Fillon uitgespeeld en moeten Les Républicains op zoek naar nieuwe, jongere kopstukken zonder boter op het hoofd. Bij die keuze lijkt het gespin van Sarkozy door een meerderheid te worden afgewezen.
Met een opvallend resultaat (19,58%) trekt Jean-Luc Mélenchon (La France Insoumise) een wissel op de toekomst en het is niet uitgesloten dat hij in 2022 de tweede ronde haalt. Hij zal dan 71 zijn. Zijn analyse van de socio-economische toestand van Frankrijk wordt door vriend en vijand gedeeld, zijn gedurfde oplossingen vinden minder gehoor. Hij is een gevreesd 'debater' en een uitzonderlijk spreker. In zijn manier van doen ontdek je trekjes van Coluche maar hij maakt foutloos de overgang van spot naar ernst; dan wordt hij Gabin. Vaak in verontwaardiging en uitstekend gedocumenteerd.
Als de nieuwe president er niet in slaagt binnen het jaar resultaten te boeken die opnieuw hoop brengen bij de Fransen, dan is de tijd rijp om de oplossingen van Mélenchon uit te proberen.

Programme Mélenchon 2017
Nieuws
België/Gent: een huis kraken is geen inbraak.
Edited: 201703111209
Gevolg: u kunt maar beter niet meer op reis gaan.

Burgemeester Termont beweert dat hij niks kan doen.
Dan kan je maar beter opstappen, zou ik zo denken.
Als zijn huis gekraakt wordt, gaat hij dan op een camping wonen?

De stelling van de burgemeester is er een van plat legalisme: als er geen wet over bestaat dan kan ik niks doen. Hij vergeet dat het zijn wettelijk voorgeschreven taak is de orde te verzekeren en de veiligheid van de burgers te garanderen. Voor elk optreden zich willen laten indekken door een uitspraak van de rechterlijke macht (in dit geval de vrederechter) getuigt niet van politieke moed.

In de berichtgeving over deze zaak wordt zonder enige bewijsvoering geponeerd dat de krakers het slot van de woning niet hebben geforceerd. Welk type onderzoek werd er gedaan om die bewering hard te maken?


België: politiek: mandaten 2016
Edited: 201702251403
De Redactie
De Turkse activiste Fehriye Erdal is veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 15 jaar voor haar betrokkenheid bij drie moorden in Turkije in 1996.
Edited: 201702201521
De Turkse activiste Fehriye Erdal is veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 15 jaar voor haar betrokkenheid bij drie moorden in Turkije in 1996. Erdal is al jaren spoorloos en was niet op haar eigen proces aanwezig.
Fehriye Erdal (39) was jarenlang lid van de extreemlinkse groep DHKP-C, die ijverde voor een communistische Turkse staat. In 1996 heeft die groepering in Istanbul twee zakenmannen en een secretaresse vermoord. Erdal zou daarbij betrokken geweest zijn, als brein achter de moorden. Zij werkte bovendien in het bedrijf waar de moord werd gepleegd en zou de daders daar hebben binnengelaten.

In 1999 werd ze daarom in ons land opgepakt, maar enkele jaren later kon ze vluchten, ondanks toezicht van de Belgische Staatsveiligheid. Sinds 2006 is ze spoorloos. Vandaag heeft de rechtbank van Brugge haar bij verstek veroordeeld tot 15 jaar cel. De rechter heeft ook haar onmiddellijke aanhouding bevolen. Tegen Erdal loopt een internationaal aanhoudingsbevel. Of ze nog leeft, is niet geweten.

Protest

Tegen de uitspraak in Brugge werd geprotesteerd door een tiental activisten van de Turkse politieke partij Front Populaire. Ze vinden het niet kunnen dat het proces tegen Erdal in België werd gevoerd. Volgens hen is enkel Turkije hiervoor bevoegd. Hun korte protestactie is zonder incidenten verlopen.

zie ook het bericht van 7 februari 2008
BRUZZ
Brussel. Politiezones. Hoeveel krijgt ieder per inwoner?
Edited: 201612280461


Bron: Bruzz, 2016
Vereniging Eigen Huis - Nederland
Privégegevens woningbezitter nog steeds op straat
Edited: 201610151134
Geplaatst op 13 okt 2016 , bijgewerkt 13 okt 2016, 16:00
Het is nog altijd heel makkelijk om privégegevens van woningbezitters uit het Kadaster te halen. Dat bewees PowNed, dat zo op de stoep kon staan bij onder andere de privéadressen van AIVD-chef Rob Bertholee en korpschef van de Nationale Politie Erik Akerboom.
Vorig jaar oktober waarschuwde Jacob Kohnstamm, voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens, in het Eigen Huis Magazine dat het via het Kadaster te makkelijk is voor kwaadwillenden om aan privégegevens van huiseigenaren te komen. Bij het Kadaster zijn niet alleen gegevens op te vragen zoals het huisadres, maar ook de leveringsakte van het huis, waarin soms zelfs paspoortnummer en huwelijksdatum staan. 
Niets veranderd

Vereniging Eigen Huis eist dat er snel actie ondernomen wordt. ‘Na een jaar is er nog niets veranderd’, zegt beleidsadviseur Steven Wayenberg. ‘Niet iedereen moet zomaar andermans gegevens kunnen opvragen. Alleen degenen met een gerechtvaardigd belang moeten dat kunnen.’

D66 deed de oproep om een ‘privacyslot’ op het Kadaster en het register van de Kamer van Koophandel. Kamerlid Farshad Bashir (SP) stelde Kamervragen.
VIER / LT
Jan Jambon in Sint-Jans-Molenbeek (Brussel)
Edited: 201610120006
Jan Jambon, minister van BiZ, nam deel aan een nachtelijke patrouille van de politie van SJM. Die werd gevolgd door de TV-ploeg van VIER in het puike programma Niveau 4.
De hoofdinspecteurs kloegen de straffeloosheid t.a.v. jeugddelinquentie aan en legden de vinger op de wonde: justitie (parket en strafuitvoering) en te weinig gevangeniscellen. Tot 18 jaar plegen jongeren vooral diefstallen en vandalisme; na hun 18de stappen zij in het drugsnetwerk. In dat opzicht zijn er parallellen met de situatie in Napels .
Veel antwoorden had Jambon niet.
Zorgwekkend.
PowNed
D66 wil een privacyslot op de gegevens van het Kadaster en de Kamer van Koophandel. - Nederland
Edited: 201610110046
A. Tankus
11 oktober 2016 - 10:21
D66 wil een privacyslot op de gegevens van het Kadaster en de Kamer van Koophandel. "Wij vinden het zorgwekkend dat je zo makkelijk privé-gegevens uit het Kadaster kan halen", zegt Kees Verhoeven. "Je moet kunnen zeggen: dit wil ik niet", zegt het Kamerlid vandaag tegen PowNed.
In de aflevering van de De Week van PowNed van vorige week werd aangetoond dat het vrij simpel is om via het Kadaster aan privé-gevevens te komen. Onze verslaggever stond op die manier op de stoep bij de baas van AIVD en de politie.
"Dat een hypotheek openbaar is, vind ik prima. Maar dat iemand die het niet met je eens is zomaar voor je deur kan staan vind ik niet kunnen. Jullie uitzending heeft bewezen dat dit veel te makkelijk is", aldus Verhoeven.
Motie
Hij gaat daarom bij de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie een motie indienen die voorstelt een privacyslot op het Kadaster en Kamer van Koophandel te plaatsen. "Je moet gewoon kunnen zeggen net als vroeger bij het papieren telefoonboek, dit wil ik niet." Hij verwacht dat de motie brede steun zal krijgen in de Tweede Kamer. "Hier zou de hele Tweede Kamer achter moeten staan." 
SP-kamerlid Farshad Bashir heeft inmiddels Kamervragen gesteld aan de Minister van Wonen en Rijksdienst en aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de openbare gegevens in het kadaster. Verhoeven vindt dit echter een "te zacht middel".
Noot LT: beginnen de eigenaars zich in te graven?
De Redactie
Pakistan: 15-jarig meisje in brand gestoken in Pakistan
Edited: 201605051254
In het conservatieve dorp Makool in Pakistan is op bevel van een traditionele dorpsraad een meisje van 15 jaar omgebracht. Volgens de lokale politie werd ze ontvoerd, verdoofd en in brand gestoken omdat ze een vriendin zou hebben geholpen om te vluchten met een jongen op wie ze verliefd was.
Het verkoolde lichaam van Ambreen werd teruggevonden in een uitgebrande wagen in de buurt van de stad Abottabad. Een foto van het verkoolde lichaam was viraal gegaan op sociale media.

Eerst werd gezegd dat het slachtoffer mentale problemen had en wellicht zelfmoord had gepleegd, maar onderzoek bracht iets anders aan het licht. Het meisje was van bij haar thuis ontvoerd en bedwelmd. Ze werd vastgebonden op de achterzetel waarna het voertuig in brand werd gestoken. Een plaatselijke man had de pers erover getipt, om zo rechtvaardigheid voor de familie van het slachtoffer te krijgen.

Een groep van zestien mannen had tijdens een vergadering, de zogenoemde Jirga, besloten dat het meisje moest sterven, vertelt een lokale politieman. Veertien van de deelnemers zijn al opgepakt, twee anderen zijn nog op de vlucht. De meesten konden worden opgepakt via de analyse van telefoondata.

Ruim 1.000 slachtoffers per jaar

Hoewel moorden op meisjes en vrouwen wegens "moreel verwerpelijk gedrag" dagelijkse kost zijn in Pakistan, is dit gruwelijke geval groot nieuws op plaatselijke media.

Vorig jaar werden meer dan 1.000 slachtoffers geregistreerd, maar volgens vrouwenrechtenactivisten blijven nog veel gevallen onder de radar. Wetgeving voor betere bescherming van vrouwen zit ondertussen vast in het parlement omdat religieuze leiders hun veto stellen.
Lucas Tessens
de grap om Belg te zijn
Edited: 201604241048
België (en vooral Brussel) heeft steeds een aantrekkingskracht uitgeoefend op Nederlandse kunstenaars en Oranjes die eens onze bossen bezaten. Belgen weten wel waarom maar kunnen het doorgaans niet uitleggen. Nederlanders kunnen het wel uitleggen maar komen vaak niet verder dan het aanhoren van de door henzelf uitgestote klanken met bezuiniging op de medeklinkers. De verklaring zit dus in iets diepers dan het louter cognitieve. Tussen Amsterdam en Parijs ligt voor Nederlanders een voor hen begripvol kruispunt van culturen, een tussenland, een vertaaldoos, een medicijn voor de ziekte van de eigendunk, een ruimte voor twijfel over het eigen grote gelijk, en om de 500 meter een café met paljassen en niet veraf een frietkot. In België wordt niet meer gezocht naar het ultieme Antwoord, de opperste Waarheid, de ontbrekende komma. Nu de Grote Schrift ook hier geen dictaat meer is, groeit de verwarring waaraan wij gewend zijn. Want dit land heeft leren leven met zijn Tradities: dwingelanden uit andere landen, schijnheiligen, bedriegers, lafaards, plunderaars, folteraars, verzetslui van het laatste uur, politiekers van alle slag, grote en minder grote denkers, gelijkhalers vooral, zwemkampioenen en zoetwatermatrozen, uitstellers, aanstellers, bedenkers van problemen en oplossers van niets. Voor het toejuichen van koningen zijn we georganiseerd: wij hebben speciale kinderbataljons met vlaggetjes en achter overbodige dranghekkens gecoiffeerde bomma's met boeketten. Koningen die te lang in de Zwitserse Alpen blijven golfen hebben pech want hier wachten de linten op hun scharen. Overstroomden en journalisten willen vorsten in gummilaarzen zien. Als het hard regent kunnen we het ook met een regent wel stellen, tot een bevend kind met een sabel de monarchie komt redden. Dit land leverde zoeaven aan de Paus, helden voor Den Ijzer, communisten voor de Spaanse burgeroorlog, Oostfronters van zeventien, ISIS-strijders, poolreizigers, Congo-ambtenaren, pedofiele assistent-gewestbeheerders, een paar Nobelprijswinnaars, pedalentrappers, gerstenatbrouwers, leprozenverzorgers en enkele schrijvers. Slechts weinigen overleven zichzelf want dit volk dat er geen is heeft een kort geheugen en veel dorst. En zo te leven als Vlaming, Brusselaar, Duitse Oostkantonner of Waal is niet allen gegeven. Gelukkig is in dit land de bloedvermenging na tomeloze kermissen groot geweest. Het begon al lachend en lallend, de al dan niet gewillige deerne op een ladder vastgebonden als in een passiespel, als een vlezige Maria rondgedragen in een nachtelijke processie. Zo is het bloed der anderen ook telkens ons bloed en daarom vergieten we het in de onderlinge strijd met mate, een beetje schuchter en altijd per ongeluk. Wie België betreedt, weze gewaarschuwd.
Lucas Tessens
Angela Merkel laat toe dat Jan Böhmermann vervolgd wordt voor belediging Erdogan - Juridisch correct - Politiek onhoudbaar - Erdogan loopt als een 'bleu' in de val
Edited: 201604160033
De toespraak van Angela Merkel is van historisch belang voor Europa. Het zou verkeerd zijn Merkel lichtvaardig te veroordelen. Immers, haar stellingname is een waardige en strenge terechtwijzing (lees: oorvijg) aan het persoonlijke adres van Erdogan. De draagwijdte van Merkels toespraak zal in de volgende dagen duidelijk worden. Journalisten moeten daarbij hun analyse verstandig onderbouwen. Naar onze mening zou het NIET volgen van de bepalingen van het Strafwetboek afbreuk hebben gedaan aan de boodschap die men wil geven: Duitsland is een rechtstaat waar niet de toevallige politieke meerderheid bepaalt wat recht en wat krom is. Net die overweging maakt het verschil tussen een dictatuur en een rechtstaat. De aankondiging van een wijziging van paragraaf 103 van het SWB wijst zeer bewust in die richting.
Let u vooral op de ademhaling van Merkel en de nadrukkelijkheid van haar intonatie: zij beseft ten volle het gewicht van haar belangrijke toespraak.
Ik heb het eerder geschreven: Erdogan is volgens mij niet op zoek naar een toenadering tot Europa; hij streeft naar de vestiging van een allesomvattend dictatoriaal Middenrijk waarin hij zijn eigen positie kan consolideren, ten koste van mensenrechten en vrijheid. Het is een typische strategie van dictators 'in the make'. Formeel is Turkije nog een parlementaire democratie, in de realiteit is er geen gesprek meer mogelijk tussen de politieke fracties, er is nog slechts 'vijand-denken'. Eerder vroeg dan laat zal het tot een 'clash' komen tussen de geëvolueerde stedelingen en de rurale achterban van de president.



Hier de volledige tekst zoals vrijgegeven door de Bundesregiering:
Erklärung von Bundeskanzlerin Merkel zum Vorgehen der Bundesregierung nach der türkischen Verbalnote an das Auswärtige Amt am 15. April 2016 in Berlin
in Berlin
Meine Damen und Herren,
mit Schreiben vom 7. April 2016, eingegangen im Auswärtigen Amt am 8. April 2016, hat die Republik Türkei ein Strafverlangen hinsichtlich des Moderators Jan Böhmermann wegen dessen Sendungsabschnitts über Präsident Erdoğan gestellt.
Gesetzliche Voraussetzung für die Strafverfolgung des speziellen Delikts der Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten ist eine Ermächtigung der Bundesregierung. Die Bundesregierung hat dieses Ersuchen entsprechend der Staatspraxis geprüft. An dieser Prüfung waren das Auswärtige Amt, das Bundesjustizministerium, das Bundesinnenministerium und das Bundeskanzleramt beteiligt. Es gab unterschiedliche Auffassungen zwischen den Koalitionspartnern Union und SPD. Im Ergebnis wird die Bundesregierung im vorliegenden Fall die Ermächtigung erteilen.
Ich möchte dazu gerne näher Stellung nehmen: Die Türkei ist ein Land, mit dem Deutschland eng und freundschaftlich verbunden ist - über die vielen Menschen mit türkischen Wurzeln hier im Land, über enge wirtschaftliche Verflechtungen und über unsere gemeinsame Verantwortung als Alliierte in der Nordatlantischen Allianz. Die Türkei führt Verhandlungen für einen Beitritt zur Europäischen Union. In dieser engen Partnerschaft sind die gegenseitige, auch völkerrechtlich geschuldete Achtung ebenso wie der offene Austausch zu den Entwicklungen des Rechtsstaats, der Unabhängigkeit der Gerichte und des Meinungspluralismus von besonderer Bedeutung. Umso mehr erfüllen uns die Lage der Medien in der Türkei und das Schicksal einzelner Journalisten wie auch Einschränkungen des Demonstrationsrechts mit großer Sorge.
Die Bundesregierung wird auch in Zukunft auf allen Ebenen die Postulate von Rechtsstaatlichkeit, Gewaltenteilung und Pluralismus gegenüber der Türkei anmahnen. Wir treten dafür ein, dass bei unseren Partnern und Verbündeten die Freiheit der Meinung und die Unabhängigkeit der Justiz in gleichem Umfang wie in Europa und anderen Ländern der demokratischen Welt gewährleistet sein müssen. Wir setzen uns gegenüber anderen Staaten dafür ein, Grundrechte wie die Meinungsfreiheit, die Kunstfreiheit und die Pressefreiheit zu achten. Wir fordern ihre Achtung und ihren Schutz auch von der Türkei ein.
Wir fordern das, weil wir von der Stärke des Rechtsstaats überzeugt sind. Im Rechtsstaat sind Grundrechte wie die Meinungsfreiheit, die Kunstfreiheit und die Pressefreiheit elementar. Sie sind elementar für Pluralismus und Demokratie. Im Rechtsstaat ist die Justiz unabhängig. In ihm ist garantiert, dass die Verfahrensrechte des Betroffenen gewahrt werden. In ihm gilt die Unschuldsvermutung.
Im Rechtsstaat ist es nicht Sache der Regierung, sondern von Staatsanwaltschaften und Gerichten, das Persönlichkeitsrecht und andere Belange gegen die Presse- und Kunstfreiheit abzuwägen. In ihm bedeutet die Erteilung einer Ermächtigung zur Strafverfolgung des speziellen Delikts der Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten weder eine Vorverurteilung des Betroffenen noch eine vorgreifende Entscheidung über Grenzen der Kunst-, Presse- und Meinungsfreiheit, sondern lediglich, dass die rechtliche Prüfung der unabhängigen Justiz überantwortet wird und nicht die Regierung, sondern Staatsanwaltschaften und Gerichte das letzte Wort haben werden.
Genau in diesem und in keinem anderen Verständnis, genau in diesem und in keinem anderen Gesamtrahmen wird die Bundesregierung im vorliegenden konkreten Fall hinsichtlich des Moderators Jan Böhmermann die von mir eingangs vorgetragene Ermächtigung erteilen.
Darüber hinaus möchte ich Ihnen mitteilen, dass unabhängig von diesem konkreten Verfahren die Bundesregierung der Auffassung ist, dass § 103 StGB als Strafnorm zum Schutz der persönlichen Ehre für die Zukunft entbehrlich ist. Wir werden deshalb einen Gesetzentwurf zu seiner Aufhebung vorlegen. Der Gesetzentwurf soll noch in dieser Wahlperiode verabschiedet werden und 2018 in Kraft treten. Vielen Dank.
Freitag, 15. April 2016



Wij hebben voor u de teksten opgezocht waarop de stellingname van Merkel gebaseerd is.

Grundgesetz Deutschland
Artikel 5

(1) Jeder hat das Recht, seine Meinung in Wort, Schrift und Bild frei zu äußern und zu verbreiten und sich aus allgemein zugänglichen Quellen ungehindert zu unterrichten. Die Pressefreiheit und die Freiheit der Berichterstattung durch Rundfunk und Film werden gewährleistet. Eine Zensur findet nicht statt.


Hieronder de tekst van het Strafwetboek die de Bundesregierung zal wijzigen:

Strafgesetzbuch
Besonderer Teil (§§ 80 - 358)
3. Abschnitt - Straftaten gegen ausländische Staaten (§§ 102 - 104a)
§ 103
Beleidigung von Organen und Vertretern ausländischer Staaten

(1) Wer ein ausländisches Staatsoberhaupt oder wer mit Beziehung auf ihre Stellung ein Mitglied einer ausländischen Regierung, das sich in amtlicher Eigenschaft im Inland aufhält, oder einen im Bundesgebiet beglaubigten Leiter einer ausländischen diplomatischen Vertretung beleidigt, wird mit Freiheitsstrafe bis zu drei Jahren oder mit Geldstrafe, im Falle der verleumderischen Beleidigung mit Freiheitsstrafe von drei Monaten bis zu fünf Jahren bestraft.

(2) Ist die Tat öffentlich, in einer Versammlung oder durch Verbreiten von Schriften (§ 11 Abs. 3) begangen, so ist § 200 anzuwenden. Den Antrag auf Bekanntgabe der Verurteilung kann auch der Staatsanwalt stellen.

Pro memorie: Het gaat om volgend gedicht:
Der Text Schmähgedicht von Jan Böhmermann:

“Sackdoof, feige und verklemmt,
ist Erdogan der Präsident.

Sein Gelöt stinkt schlimm nach Döner,
selbst ein Schweinepfurz riecht schöner.

Er ist der Mann der Mädchen schlägt,
und dabei Gummimasken trägt.

Am liebsten mag er Ziegen ficken,
und Minderheiten unterdrücken,

Kurden treten, Christen hauen,
und dabei Kinderpornos schauen.

Und selbst Abends heißt statt schlafen,
Fellatio mit hundert Schafen.

Ja, Erdogan ist voll und ganz,
ein Präsident mit kleinem Schwanz.

Jeden Türken hört man flöten,
die dumme Sau hat Schrumpelklöten,

Von Ankara bis Istanbul,
weiß jeder, dieser Mann ist schwul,

Pervers, verlaust und zoophil
Recep Fritzl Priklopil.

Sein Kopf so leer, wie seine Eier,
der Star auf jeder Gangbang-Feier.

Bis der Schwanz beim pinkeln brennt,
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident.”


VANDER TAELEN Luckas
De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?
Edited: 201604080856

Publicatiedatum: 8 april 2016
Tekst van de backcover:
Jaren van vrede hebben ons verwend en weerloos gemaakt. We zijn vergeten dat niet alle conflicten op te lossen zijn door een goed gesprek en we weten niet meer hoe we op geweld moeten reageren. De ideologische verwarring is totaal. De opvang van asielzoekers is een morele plicht. Dat staat buiten kijf. Maar de maatschappij zal onvermijdelijk veranderen als grote groepen mensen met radicaal verschillende culturele en religieuze opvattingen opgenomen worden. Wie hoopt dat de problemen zullen verdwijnen met een krachtig voluntarisme à la Angela Merkels ‘Wir schaffen das’, negeert de werkelijkheid. En zorgt er vooral voor dat de blinde xenofobie toeneemt en de steun van de bevolking voor elke vorm van solidariteit afkalft.
13 november 2015 was een mokerslag voor het linkse politiek correcte denken dat de tekens van het groeiende islamitische fundamentalisme niet wou zien uit angst beschuldigd te worden van islamofobie. De ruk naar rechts in de publieke opinie had echter vermeden kunnen worden als linkse partijen het vroeger hadden aangedurfd om het naïeve multiculturele harmoniemodel bij te stellen en de angst van de gewone mens au sérieux hadden genomen. Als ze de problemen in Brussel bijvoorbeeld niet weg hadden gerelativeerd.
Misschien bieden de Parijse aanslagen van november 2015 dan ook een historische kans aan links om zich te herbronnen. De grote verwarring wil daartoe een eerste aanzet geven. Want blijven zweren bij vertrouwde versleten mantra’s zal de nu al danig aangetaste geloofwaardigheid van links helemaal laten verdwijnen.
ICIJ
The Panama Papers - ICIJ onthult wereldwijde fraude en noemt namen - Terrorisme als rookgordijn?
Edited: 201604041221


Jammer dat het bovenstaande filmpje van ICIJ zo tendentieus is ten aanzien van het conflict in Syrië. De teneur staat haaks op het onderzoek dat ICIJ uitvoerde en waarvan de conclusie luidt: iedereen die aan het conflict verdient heeft boter op het hoofd. Hebzucht (snel en belastingvrij geld verdienen en verduisteren) en niet politiek dicteert de ingenomen stellingen.

Terwijl de hele wereld in de ban is van islamistisch en fundamentalistisch terrorisme, doen de 'superrich' achter de schermen zaken. Fungeert terrorisme als een rookgordijn? De internationale fraude gebeurt in alle gevallen ten koste van de gewone belastingbetaler, de gewone burgers, kinderen, zieken, vrouwen, ...

Na LuxLeaks en SwissLeaks zijn er nu de Panama Papers. De offshoreconstructies komen voor in alle sectoren. (wordt vervolgd ...)
7 sur 7
Molenbeek: chauffeur rijdt in op menigte, doorbreekt politiebarrière, rijdt vrouw aan, pleegt vluchtmisdrijf ... zijn passagier filmt alles met zijn iPhone
Edited: 201604021938
En marge des incidents à Molenbeek ce samedi après-midi, une voiture - une Audi A1 immatriculée 1-NCU-918 - a foncé dans la foule et forcé un barrage de police, avant de renverser une femme, rue Brunfaut. La victime souffre de graves blessures à la tête et de plusieurs fractures. Le chauffard a été arrêté.
Les occupants du véhicule, une Audi blanche, avaient des fumigènes à l'intérieur du véhicule. Selon la RTBF, le chauffard, un habitant du quartier, a été interpellé.
news
conflict tussen Armenië en Azerbaijan over Nagorno-Karabakh laait weer op
Edited: 201604020918


Nagorno-Karabakh is een enclave binnen de grenzen van Azerbaijan maar wordt gecontrolleerd door ethnische Armeniërs. Over het betwiste gebied heerst sinds 1994 een wapenstilstand die met regelmaat wordt geschonden.

Nagorno-Karabakh: 11.430 km²; 145.000 inwoners; leunt cultureel/religieus aan bij Armenië
Armenië: 29.743 km²; 3.056.000 inwoners; 100% katholiek
Azerbaijan: 86.600 km²; 9.780.000 inwoners; 93,4% islam

Is ook in dit schaakspel de hand van Erdogan aanwezig? Hij was er wel als de kippen bij om te verklaren dat hij Azerbaijan tot het einde toe zal steunen.
Geopolitiek ligt Armenië vervelend in de weg om een corridor te maken tussen de Middellandse en de Kaspische Zee. En dan zijn er nog de rebellerende Koerden in Oost-Turkije en in Noord-Irak.
Hans-Dietrich Genscher (Reideburg, 21 maart 1927 – Wachtberg-Pech, 31 maart 2016) overleden. Hij was een liberaal politicus en lange tijd het gezicht van de buitenlandse politieke van West-Duitsland. R.I.P.
Edited: 201603310145
26 maart 2016: Criminologe Marion Van San geïnterviewd door De Standaard - een rehabilitatie?
Edited: 201603260952
Zo'n 15 jaar geleden werd een onderzoek van haar door politieke spelletjes (vooral binnen de VLD en gericht tegen Marc Verwilghen) verminkt.
Ze had toen niet mogen zeggen dat er een statistisch verband was tussen criminaliteit, de samenstelling van de gevangenispopulatie en allochtone afkomst. Dat was stigmatisering van een bevolkingsgroep, werd toen gezegd. Ook de media werkten graag mee aan de verwijdering van Van San.
Het onderzoek van Van San kostte de staat toen 198.000 euro.
'Stigmatisering mag geen excuus zijn om een probleem niet aan te pakken', zo stelt zij.
GOVAERTS Bert
Ernest Claes De biografie van een heer uit Zichem
Edited: 201603221130
Verschenen bij Houtekiet, 39,99 EUR

Op 15 februari 1969 keken 3.800.000 Vlamingen naar hetzelfde tv-programma: de 4de aflevering van het feuilleton Wij, Heren van Zichem. De grondstof voor die serie waren romans en novellen van Ernest Claes (1885-1968). De schrijver, zelf geboren in Zichem, overleed kort voor de opnames begonnen. Op zijn oude dag poseerde Ernest Claes graag als de eeuwig minzame, monkelende verteller, die in zijn leven alleen maar goede mensen was tegengekomen. Maar hij behoorde tot de generatie die twee wereldoorlogen onderging. Behalve schrijver van geliefde volksboeken als De Witte (126 keer herdrukt!), was Claes ook soldaat, krijgsgevangene, politiek militant, belijdend katholiek, ambtenaar, journalist, dagboekschrijver en repressieslachtoffer. Hij zocht zich als Vlaams-nationalist een weg in de woelige twintigste eeuw, langs de afgrond van het fascisme.
Ernest Claes, de biografie van een Heer uit Zichem is een afgewogen portret, waarvoor de auteur kon gebruikmaken van het rijke, nooit eerder onderzochte privé-archief én van het gerechtelijke collaboratiedossier van de man die lange tijd Vlaanderens populairste schrijver was.
news
zware terrroristische aanvallen op Zaventem en metrostel tussen Maalbeek en Kunst-Wet: 11 doden en 35 gewonden in Zaventem, 10 doden en onbekend aantal gewonden in Maalbeek, tientallen gewonden - cijfers lopen nog op
Edited: 201603220825
Het openbaar vervoer (metro, treinstations, trams, bussen) ligt stil in de hoofdstad.
Zaventem-Luchthaven is gesloten voor alle luchtverkeer en vliegtuigen worden afgeleid naar Liège, Charleroi, Deurne en Frankfurt.
Er is een zogenaamde 'lock down' afgekondigd, wat wil zeggen dat iedereen gevraagd wordt binnen te blijven. De 'lock down' werd om 16 uur opgeheven.
Het dreigingsniveau is in de voormiddag op 4 gesteld, dat is het maximum.
De zittingen van de rechtbanken zijn opgeschort.
De nationale veiligheidsraad is in crisisberaad.
Makkelijke toegang tot vertrekhall Zaventem ter discussie.
Vandaag, morgen en overmorgen dagen van nationale rouw.
Aanslagen opgeëist door IS/DAESH.
Politie verspreidt foto van mogelijke daders.


Last update: 201603221745
news
Turkije legt sociale media (Twitter, Facebook) lam na aanslag met 37 doden in Ankara
Edited: 201603132228

Appeasementpolitiek wordt in het algemeen gebruikt om te verwijzen naar het diplomatieke beleid gericht op het vermijden van oorlog door concessies te doen aan een andere macht. Historicus Paul Kennedy omschrijft het als "het beleid tot het oplossen van internationale ruzies door het accepteren en te voldoen aan grieven van een andere partij door middel van rationele onderhandelingen en compromissen, waardoor een gewapend conflict vermeden kan worden dat mogelijk duur, bloederig en gevaarlijk zou kunnen zijn."
Welke definitie Paul Kennedy aan de huidige onderhandelingen tussen Turkije en de EU zou geven, is niet bekend maar het woord 'rationeel' zou wellicht niet vallen.
DS 20160312
Geert Mak in interview
Edited: 201603120922

'Dat de EU bereid is de onderhandelingen over Turkse toetreding te versnellen, precies nu Turkije steeds minder voldoet aan de voorwaarden, is zorgelijk. De Unie verwatert haar waarden. (...) Geopolitiek is Turkije vanouds een overgangsgebied, een brugland. Het is een kleine grote mogendheid, maar geen ideale Europese lidstaat. Dat heeft niets met de islam te maken, niets met de Turken. Het probleem situeert zich eerder bij Europa. Als Turkije lid zou worden van de EU, grenst Europa opeens aan Irak, Koerdistan, Iran. Europa is daar niet klaar voor.'
Commentaar LT: Begrijp ik dat nu verkeerd of helemaal niet? Hebben de Turken dan Erdogan niet verkozen? De signalen die ik uit Turkije krijg luiden heel anders: Erdogan wil helemaal niet bij de EU; hij wil af van de Koerden in het oosten van zijn land; hij willen een dictatoriaal Middenrijk vestigen dat naar eigen behoefte kan profiteren van het Westen en van het Oosten ... al sjacherend, iets wat moet doorgaan voor diplomatie.
Survey PEW
Politieke affiliatie en religie in de USA
Edited: 201603031426
Surveys have often shows that religion is an important aspect of an American presidential race. The electorate frequently say that it's important to have a a president with strong religious beliefs in office. Pew Research recently pubslished some interesting data showing the political leanings of several major religious groups in the US. Mormons tend to be strongly Republican while Jews, Muslims and Buddhists identify more with the Democrats. Catholics are strongly divided with 37 percent leaning towards the Republicans and 44 percent towards the Democrats.

This chart shows the political affiliation of selected US religious groups in 2014.

Infographic: The Political Leanings Of US Religious Groups  | Statista
Zaman Vandaag
De Arabische Golfstaten Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben Hezbollah officieel uitgeroepen tot terroristische organisatie.
Edited: 201603021337
Dat heeft Abdullatif al-Zayani, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Arabische Golfstaten, waarvan de zes landen lid zijn, woensdag bekendgemaakt, meldt AFP.

Hezbollah is een door Iran gesteunde Libanese sjiitische politieke organisatie met een militante vleugel. Iran is de aartsvijand van het soennitische Saoedi-Arabië. De twee landen staan tegenover elkaar in de oorlogen in Syrië en Jemen. In Syrië vecht Iran net als Hezbollah en Rusland aan de kant van het regime van Bashar al-Assad. De Golfstaten steunen anti-Assad-rebellen. Saoedi-Arabië verbrak vorige maand de diplomatieke banden met Iran als reactie op de bestorming van de Saoedische ambassade in de Iraanse hoofdstad Teheran. Daarbij stichtte een menigte demonstranten brand in het gebouw. Dat protest was weer een reactie op de executie van de prominente sjiitische geestelijke Nimr al-Nimr in Saoedi-Arabië.

Ook onder meer Israël, Frankrijk, Canada, de Verenigde Staten en Nederland beschouwen Hezbollah als terroristische organisatie. De Europese Unie beschouwt alleen de gewapende tak van Hezbollah als terroristisch.
RT news
Duitse politie gaat Trojan virus gebruiken om verdachten te volgen
Edited: 201602230144
The German Interior Ministry has approved a measure allowing federal police to use a special Trojan virus to hack the computers and smartphones of their suspects, giving them almost unlimited opportunities to conduct surveillance on them.

read more
Umberto Eco (1932-2016), semioloog en schrijver, overleden. R.I.P.
Edited: 201602200204

De naam van de roos (vertaling van Il nome della Rosa - 1980) gaat over de toegang tot kennis en hoever de krachten gaan die ons daarvan willen weerhouden, tot moord toe.



In Omgekeerde wereld (vertaling van Il secondo diario minimo - 1992) schopt Eco tegen de Italiaanse politiek, de bureaucratie, het bombastisch taalgebruik van kunstcritici en drijft de spot met de onbegrijpelijke taal van gebruiksaanwijzingen. Het vierde hoofdstuk bevat een vermakelijk woordenspel. Bijzonder leerrijk en tegelijk absurd is de berekening van de tijd die UE aan verscheidene bezigheden besteedt op een totaal van 8760 uren die een jaar telt. En in New York willen alle taxichauffeurs een staatsgreep plegen, terwijl die van Parijs de weg in hun stad niet kennen (de Bastille is een metrostation zonder meer); geen van allen heeft wisselgeld op zak. Eco als intellectuele grapjas en taalvirtuoos.

De structuur van de slechte smaak bevat een door Eco gemaakte keuze uit de essaybundels Apocalitticci e integrati (1964) en Il superuomo di massi (1978). Dat is interessant omdat we daardoor weten wat Eco zelf in zijn oeuvre als van blijvende waarde inschatte. Bij herlezing blijken de vaststellingen van Eco inzake de massacultuur ook naadloos van kracht te zijn op de explosie van het internet en de toegepaste technieken ter beïnvloeding. Om u niet langer in spanning te houden, hier is wat Eco onder slechte smaak verstaat: "Slechte smaak, op het terrein van de kunst, willen wij definiêren als het opdringen van een geprefabriceerd effect." (De cursivering is van Eco.) Wij vonden de stellingnamen op volgende pagina's van belang: 53-55 (over kleine menselijke initiatieven in een massacultuur, de voortschrijdende bewustwordingsprocessen, 'zwijgen is geen protest, het is medeplichtigheid, evenals de weigering om een compromis te sluiten.'), 220 ('Maar neem nu onze maatschappij waarin alles is genivelleerd, en waar psychologische verwarring, frustraties en minderwaardigheidscomplexen aan de orde van de dag zijn'.)
LT
het gebeurde op 4 februari ...
Edited: 201602041521
1515: Karel V doet zijn plechtige intrede te Mechelen, na de regering over de Nederlanden te hebben aanvaard op 5 januari 1515. Een jaar na zijn aantreden veroverde het Osmaanse Rijk Syrië en Egypte en rukten de legers stelselmatig noordwaarts op. Langs de Dalmatische kust brokkelde het Venetiaanse zeerijk af en werd Apulië bedreigd; in 1521 viel Belgrado in Turkse handen, in 1526 het grootste deel van Hongarije met de koninklijke hoofdstad Buda. Het christelijke Imperium zag zich plots geplaatst tegenover de aanhoudende maritieme en continentale bedreiging van sultan Süleyman de Grote (1520-1566). (19990200:33-35)

1805: huisnummering ingesteld te Parijs door een decreet van Napoleon; dat zal het werk van Fouché, minister van politie aanzienlijk vergemakkelijkt hebben.

1875: Huwelijk van Belgische prinses Louise met Philip van Saksen-Coburg-Gotha, te Brussel. Louise Marie Amélie (Laken, 18 februari 1858 - Wiesbaden, 1 maart 1924), Prinses van België, Prinses van Saksen-Coburg-Gotha was het eerste kind van de latere koning Leopold II van België en diens vrouw Maria Henriëtta.
news
museum KMSKB: verwaarlozing, waterschade en politieke onwil
Edited: 201602031207
de schaamte voorbij ...
DS
Wie adviseert John Crombez?
Edited: 201602031058
De Standaard geeft vandaag het lijstje van de 'inner circle' van SPA-voorzitter John Crombez. Dat gebeurt na een uitspraak van Crombez over het maximum aantal vluchtelingen, t.w. 250.000, een plan van de Nederlandse PVDA-er Samson.
Het gaat - aldus DS - om acht personen:
Vivi Lombaerts, echtgenote, ex-woordvoerder Vande Lanotte;
Freya Van den Bossche, MP;
Joris Vandenbroucke, MP;
Hannes De Reu, directeur beweging en netwerk;
Johan Vande Lanotte, politiek vader, mede-Oostendenaar, MP;
Stephanie Van Houtven, ondervoorzitter;
Sarah Vandecruys, directrice communicatie;
Jan Cornillie, directeur studiedienst.

PIKETTY Thomas in Le Monde
India wordt de grootste wereldspeler in de XXIste eeuw
Edited: 201601161042
P. wijst demografische en politieke redenen aan die in het voordeel van India spelen. China daarentegen blijft een land met vele onzekere factoren: dictatuur met ondecodeerbare politieke recepten, geen persvrijheid, verouderende bevolking.

link naar het artikel in Le Monde
news
aanslag IS/DAESH in Jakarta/Indonesië
Edited: 201601141715
Bij de aanslagen kwamen zeven mensen om, waaronder de vijf aanvallers en twee politieagenten. Islamitische Staat heeft de verantwoordelijkheid voor de aanslagen opgeëist.
Indonesië telt 255 miljoen inwoners en 86% is moslim.



LT
Tom Naegels (ombudsman DS) ontkent bestaan van zelfverklaarde media-elite. Kom nou, Tom !
Edited: 201601141339
Verder heeft TN het over de manklopende reactiemogelijkheid op de website van De Standaard, iets dat al tien maanden aansleept. Dat is te wijten aan een 'technisch euvel'. Misschien is het raadzaam een extern bureau naar de problemen te laten kijken. Die zitten niet 'in-the-box'. Dat laatste is altijd al een probleem geweest voor de pers: het krampachtig navelstaren, het onaantastbare eigen grote gelijk en het missen van opportuniteiten.
De Standaard heeft indertijd naast 'De Tijd' gegrepen en dat laat zich voelen.
********************************************************
We kregen volgend antwoord van Tom Naegels:
Dag Lucas,

Bedankt voor je mail.

Zoals ik al schreef: de cultuurstrijd tussen een "vrij en onafhankelijk denkend volk" tegen een wereldvreemde en manipulatieve media-elite is een van de archetypische verhalen in de hedendaagse Westerse cultuur. Zoals ook de strijd tegen een "rechtse elite", een "blanke elite", een "economische elite", een "culturele elite", een "Europese elite", een "Franstalige" of "Belgicistische elite" of in sommige kringen misschien zelfs nog "een joodse elite" populair is. Een en ander hangt af van waar je je politiek positioneert, maar sowieso ziet de hedendaagse Westerse mens ziet zichzelf als een vrijgevochten individu die alle gezag wantrouwt, en die zich permanent, publiek en met veel retorisch gedruis verweert tegen de kuiperijen van een selecte kring hoge omessen - en je kan dus kiezen wélke selecte kring. De retoriek die jij gebruikt, en die ik al ontelbaar keren heb mogen lezen (krampachtig navelstaren, onaantastbaar, groot gelijk, nieuwe clerus ben je nog vergeten), hoort bij dat verhaal. Zoals ik zei: het is een sterk archetype, erg wervend en gemeenschapsvormend ook. Wie wil er immers een elite verdedigen? Je zou wel gek zijn.

Ik hoop binnenkort weer met je over boeken te kunnen praten.

Zeer hartelijk,
TN
********************************************************
Ons antwoord:
Dag Tom,

Je komt nog niet in de buurt van de essentie van mijn betoog.
25 jaar geleden schreef Frans Crols, hoofdredacteur Trends: "Schandelijk verwaarloosd is de mediakritiek in België. Een handvol scribenten fluit of joelt bij het vertoon op de beeldbuis, maar jaarlijks verschijnen 2,5 miljard kranten en tijdschriften zonder kritische begeleiding. Niemand kraakt in dit land de journalistieke produktie publiekelijk. Absurd is dit."
Ik heb nog een concreet voorstel: verklein de foto’s in jullie krant; die zijn nu belachelijk groot; je krijgt dan plaats voor enkele relevante lezersbrieven. Daar zal toch geen ‘technisch euvel’ in de weg staan, zeker?
Tenslotte schrijf je: "Ik hoop binnenkort weer met je over boeken te kunnen praten." Ik hoop dat je daarmee niet bedoelt: "Lucas, blijf jij maar bij je boeken en hou je weg van kritiek."
Mvg,
Lucas
*********************************************************
En dan weer zijn antwoord:
Nee, dat bedoel ik niet Lucas. Alleen dat ik met je kritiek niet veel kan. Maar dat zal wel aan mijn onverbeterlijk elitarisme liggen.
Groeten uit de ivoren toren.
Tom Naegels
Ombudsman De Standaard
*********************************************************
Nee Tom, dat ligt aan het feit dat je maar de helft van mijn mails leest.
Mvg,
LT
*********************************************************
Hier de mening van prof Paul Janssens:
Erg grappig, die wederzijdse ironie! Maar nu ter zake. Kranten zoals DS lijden aan dezelfde euvel als een aantal VRT-journalisten: ze zijn onverholen tendentieus. Nu vind ik wel dat een krant mag opteren voor de systematische verdediging van de eigen vooroordelen. Uiteindelijk kiezen de lezers zelf of ze de krant blijven kopen of niet. Veel erger is het gesteld met de VRT. De journalisten zijn er voor het leven benoemd. Ze misbruiken de openbare omroep ongegeneerd om de actualiteit dag na dag met hun eigen opinie te verpakken en aan indoctrinatie te doen. Sinds enkele maanden ben ik naar de berichtgeving op VTM overgestapt.
Met beste groeten,
Paul
*********************************************************

news
energieminister Marghem blundert opnieuw: dient oude tekst over nucleaire bijdrage Electrabel in bij de Kamer
Edited: 201601131310
Arrogantie, incompetentie en vriendjespolitiek ... het gaat vaak samen.
Istanbul/Turkije/Turkey: ISIS-zelfmoordterrorist richt bloedbad aan onder toeristen
Edited: 201601122153
Volgens de laatste berichten zouden er meer dan tien doden zijn, waarvan 9 Duitse toeristen. De dader zou afkomstig zijn uit Saoedi-Arabië en via Syrië Turkije zijn binnen gekomen. De politieke leiders legden de gebruikelijke verklaringen van medeleven af.
LT
België - Saoedi-Arabië: diplomatie zonder ethiek
Edited: 201601051230
Didier Reynders heeft zijn rekensom gemaakt.



Het gaat over de Saudische investeringen ten belope van 3,7 miljard euro (Energy Recovery Systems) en 900 banen in de Antwerpse haven, de Waalse wapenexport (lees: FN) goed voor ca. 400 miljoen euro in 2014 en olieleveringen. In de equatie zijn mensenrechten niet te kwantificeren.

De Belgische diplomatie heeft nooit uitgeblonken door haar onafhankelijkheid. Enerzijds is er de link SAU - USA en België kan de leider van de NATO niet voor het hoofd stoten.
De andere as loopt van Parijs naar Riyad en ook daarop zijn wapenleveringen geënt. Daarom zit president Hollande verveeld met de keuze tussen Iran en SAU.

Kiezen voor mensenrechten brengt niks op, dus blijft het bij holle oproepen tot dialoog. Zoals steeds zegt Reynders "we zullen zien", een zinnetje dat in bijna elk interview valt.
De huidige troebelen in het Midden-Oosten zetten de gehanteerde waarden in de geopolitiek in de schijnwerpers. Die waren, zijn en zullen zijn: geld.
Newsmonkey - DS
Maggie De Block: je kunt geen limiet zetten op het aantal vluchtelingen
Edited: 201512300905
Voluit was de uitspraak: 'We moeten realistisch zijn: alle vluchtelingen die hier nu zijn, gaan niet meer terugkeren. Je kunt ook geen limiet zetten op het aantal vluchtelingen'.
Commentaar LT: De eerste stelling is een voorspelling, de tweede is beleid. Het lijkt allemaal nogal gemakkelijk: je laat domweg begaan tot het scheepje zinkt. Iedereen aan boord en dan nergens heen. Zo doe je dat in de politiek.

In Nederland acht Diederik Samson (PVDA) 200.000 vluchtelingen haalbaar, maar krijgt de wind van voor.
Of en hoe het stelsel van de sociale zekerheid zo'n aantallen verteert, wordt er niet bij gezegd.

We brengen hier de wijze woorden van Etienne Vermeersch in herinnering.
Lucas Tessens
Guido Gryseels kan Leopold II niet typeren
Edited: 201512201607
De directeur van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA), Guido Gryseels , verklaart tegenover De Standaard (20151217): 'Ik kom net uit een vergadering van drie uur waar de vraag voorlag: hoe Leopold II typeren? Eerlijk gezegd: ik weet het niet.'
Commentaar: wellicht moet Gryseels wat verder kijken dan zijn neus lang is. Bijvoorbeeld de boeken van Delathuy (Jules Marchal) en Pierre Joye herlezen, de entourage van Leopold II bekijken, de rol van de Société Générale, de Union Minière, Lever, en anderen onder ogen durven nemen. Durven kijken naar wie de massale grondconcessies in Congo gingen, wie de financiers waren.
Misschien kan Gryseels iets doen met volgende uitspraak: "Het wordt tijd dat het Westen inziet en erkent dat de kolonisering geen zaak was van inpalming van gebieden door Europese staten en de USA, maar door industriële 'global players' die uit waren op de grondstoffen en energiebronnen. Zij bedienden zich van het militaire apparaat, de veiligheidsdiensten, de administratie en de vlag van de koloniserende staat om hun positie te vestigen en te consolideren. Dat was zo in het Midden-Oosten. Dat was ook zo in Congo en in geheel Afrika en Latijns-Amerika. Tot op vandaag."

In het geval van Leopold II viel de staat (de Etat Indépendant du Congo) samen met de 'global player' die Leopold II was. Ascherson geeft in 1963 aan zijn boek overigens de veelzeggende titel 'Leopold, the King Incorporated'.
Het is volkomen onterecht te stellen dat DE BELGEN Congo hebben gekoloniseerd. Dat hebben de grote maatschappijen gedaan, met de hulp van zorgvuldig uitgekozen medestanders: de top van de politieke partijen (ja, ook de socialistische), de goedmenende missionarissen, vooraf gescreende en goed betaalde blanke ambtenaren, volgzame kranten en weekbladen, een braaf blank middenkader.
Ik ben benieuwd of het KMMA in 2017 met een onthullende of een verhullende tentoonstelling gaat komen.

P.S. In augustus 2014 hebben wij - in het kader van een database-project - bij de research-afdeling van het KMMA geïnformeerd of zij over een lijst beschikken met de koloniale vennootschappen. Dit bleek tot onze verbazing NIET het geval te zijn. Dat wil dus zeggen - en dat tot bewijs van het tegendeel - dat de economische component van het koloniale verleden onbekend terrein is voor het KMMA.


Tag: Verdick
Lucas Tessens
Katanga: een mijnstaat binnen de staat - De rol van Leopold II en de mijnbouw-giganten
Edited: 201512190426
Het jaar 1900 is een moeilijk jaar voor Leopold II. In juli doet de socialist Vandervelde in de Kamer een felle aanval op het koningshuis en pleit openlijk voor een republiek. In het geval van Leopold II kon dat toen nog omdat de vorst zich bij iedereen ongeliefd had gemaakt. De katholiek Beernaert, jarenlang premier en de trouwe dienaar van de vorst, moet zijn wetsvoorstel tot onmiddellijke annexatie van Congo weer intrekken na een scherp en vernederend protest van Leopold II. Het is immers te vroeg; de koning moet nog enkele zaken regelen ...

Met de stichting van het 'Comité Spécial du Katanga' (CSK) op 19 juni 1900 komt een staat binnen de Congo-Staat tot stand. Het semi-officiële 'Le Mouvement Géographique' meldt op 3 juni 1900: "L'Etat du Congo et la Compagnie du Katanga sont sur le point de conclure un accord pour la gestion en commun du territoire dont ils sont propriétaires, dans la proportion de deux tiers pour l'Etat en d'un tiers pour la Compagnie. Cette gestion serait faite par une commission commune. La Compagnie aura à remplir l'obligation contractuelle de jeter deux bateaux à vapeur sur les lacs supérieurs ou le haut fleuve et d'établir à ses frais trois postes. La gestion qui comprend le domaine minier, comporte un partage des charges et avantages dans une proportion donnée naturellement par la part de propriété." De krant zegt niets over de oppervlakte waarover het gaat. Toch is de afbakening van het territorium wellicht de meest brutale geografische omschrijving uit de geschiedenis. In totaal 380.000 vierkante kilometer! De CSK sluit op 30 oktober 1906 een overeenkomst met de 'Union Minière' waarbij "aan laatstgenoemde het recht wordt toegekend om (...) de metaalhoudende lagen te exploiteren, binnen de omtrekken en oppervlakten bij de overeenkomst bepaald". Het schema toont hoe de CSK als een compromis binnen een netwerk van belangengroepen (Belgische en Britse) tot stand kwam.
De voorverkoop van Congo en de annexatie
Op het ogenblik van de discussies over de annexatie is het reusachtige gebied onder te verdelen in zeven grote categorieën: (1) het publiek domein van de staat (wegen, rivieren, meren, ...), (2) het privaat domein van de staat, (3) het domein van de Kroonstichting (of het Kroondomein), (4) de gronden toebehorend aan de inboorlingen, (5) de gronden van niet-inlandse particulieren, (6) de gronden afgestaan, vergund of in pacht gegeven aan vennootschappen (de concessies) en (7) de gronden van de christelijke missies. De juiste oppervlakte van de delen kent men in 1908 niet maar wel dat het privaat domein van de staat 25% vertegenwoordigt en dat het Kroondomein ongeveer 11% van de oppervlakte inneemt. Op het ogenblik van de overname door België is 11,5 % van het grondgebied of 27.100.000 ha in concessie gegeven, waarvan 15.000.000 ha aan de Compagnie du Katanga, en dat voor 99 jaar. De concessies waren alle gelegen in de interessantste gebieden zoals Kivu, Mayumbe en Katanga.
De kwestie van de CSK, in feite een secessie avant-la-lettre van Katanga, het rijkste mijngebied ter wereld, schiet bepaalde parlementsleden tijdens de discussies in het verkeerde keelgat, temeer daar niet alleen de economische maar ook de souvereine rechten (bestuur, politie, publiek domein, ...) waren gedelegeerd aan het CSK.
De feitelijke afscheiding wordt in het Koloniale Charter van 18 oktober 1908 beschermd en wel in artikel 22: "Le pouvoir exécutif ne peut déléguer l'exercice de ses droits qu'aux personnes et aux corps qui lui sont hiérarchiquement subordonnés. Toutefois, la délégation consentie par l'EIC au CSK restera valable jusqu'au 1er janvier 1912, à moins qu'un décret n'y mette fin à une date antérieure. (...)" Deze manifest ongrondwettelijke toestand blijkt onduldbaar en de minister van koloniën, de katholiek Jules Renkin, zet de Koloniale Raad onder druk. Op 1 september 1910 komt aan alle bestuurlijke delegaties van bevoegdheden aan de CSK een einde. Het opheffingsdecreet dateert van 22 maart 1910. Een Koninklijk Besluit creëert tegelijkertijd speciaal voor het district Katanga de functie van Vice-Gouverneur-Generaal en daarmee wordt toch nog het aparte statuut van Katanga gered én de dualiteit in de kolonie bevestigd.
Het is niet overdreven te stellen dat België niet meer dan 'l'état police' (politionele en militaire omkadering) mocht gaan uitbouwen en dat twintig grote vennootschappen de kolonie economisch domineerden. De conclusie mag luiden dat de concessies die door de EIC aan de 'trusts' werden verleend de kaap van een wisseling in regime (van een dictatoriaal naar een quasi democratisch regime) veilig nemen. De annexatie van Congo door België gebeurde immers in het volste respect voor de reeds aangegane contractuele verbintenissen. De voorverkoop van de kolonie was geslaagd. Het industriële en militair-strategische belang van de koperprovincie Katanga is moeilijk te overschatten want het eerste kopergietsel komt nog vóór Wereldoorlog I (in 1911) uit de ovens van de UMHK te Lubumbashi.
[uit: TESSENS Lucas, Fortuin en Confrontatie (1865-1914), in: Jaarverslag Onroerende Voorheffing 2006, 2007, p. 104]
LT - Reuters
USA gaat terug olie exporteren - dat was sinds de jaren 70 verboden
Edited: 201512171248

De republikeinen en de olie-industrie halen hun slag thuis.
De maatregel heeft verregaande geopolitieke gevolgen.
Het verzwakt de posities van Rusland en Iran op de wereldmarkt.
Iran heeft op 30 november een 'bidding' uitgeschreven voor nieuwe boringen. BP, Shell, Total en Statoil zijn daarin geïnteresseerd en hun biedprijs kan nu lager uitvallen.
Achter de lage olieprijs (< 40 $/barrel) schuilt een ware economische oorlog. Zo worden op korte termijn alle offshore-boringen onrendabel en speciaal die in ruwe zee. De Noordzee-olie krijgt felle klappen en zelfs het onderhoud van boorplatforms wordt problematisch. Saoedi-Arabië - bulkend van cash - kan weldra 'koopjes' doen.

meer info


Wikipedia - LT (correcties en aanvullingen)
geschiedenis: Sykes-Picotverdrag, de val van het Ottomaanse Rijk, nieuwe monarchieën
Edited: 201512141458
Het Sykes-Picotverdrag was een geheime overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in mei 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was opgesteld door de Franse onderhandelaar Georges Picot (Paris, 18701221 – 19510620) en de Brit Mark Sykes (18790316 – 19190216). De Italianen en de Russen gingen ermee akkoord.

Volgens dit verdrag zouden de Fransen de kuststrook van Noord-Syrië en Libanon krijgen, met de grote steden Beiroet, Aleppo en Damascus, en de Britten het gebied aan de kop van de Perzische Golf, met als grootste stad Basra. Het binnenland, de eindeloze woestijn, zou worden verdeeld in ‘invloedssferen’, waar een van de beide landen een monopolie op exploitatie van natuurlijke rijkdommen en advisering van lokale potentaten zou hebben. Het zuiden van Syrië tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, dat voor Europeanen met hun Bijbelse opvoeding als ‘Palestina’ een speciale betekenis heeft, zou onder internationaal bestuur komen. Ze besloten ook dat de onafhankelijkheid van de Arabische staten door Frankrijk en Engeland niet erkend zou worden, als het Ottomaanse rijk als verliezer uit de bus zou komen. Een derde macht was in het gebied niet toegestaan.

Op 2 november 1917 had de Britse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour (18480725 – 19300319) ook nog een brief gestuurd aan Lord Lionel Walter Rothschild (18680208 – 19370827), een Joodse bankier die een voorstander was van het Zionisme. In deze brief, die ook wel de Balfour-verklaring wordt genoemd, beloofde hij de steun van de Engelse regering bij de stichting van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina.
His Majesty's government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.

Al deze onderhandelingen waren prematuur, want het Ottomaanse rijk bestond nog en zijn leger vormde een geduchte tegenstander. De Britten hadden al vroeg in de oorlog een expeditieleger aan wal gezet aan de kop van de Perzische Golf, en dit was geleidelijk opgerukt in de richting van Bagdad. Maar in juli 1916 werd de complete Britse voorhoede, 13.000 man sterk, bij al-Koet tot overgave gedwongen. Dit vertraagde de opmars naar Bagdad met bijna een jaar. Na twee mislukte pogingen om door het Ottomaanse front in het zuiden van Palestina heen te breken, veroverden de Britten met Kerstmis 1917 Jeruzalem. In oktober 1918 zakte de Ottomaanse verdediging uiteindelijk in elkaar en konden de Britten, samen met de Arabische opstandelingen, doordringen tot Aleppo en Mosoel in het noorden. Met de wapenstilstand van Mudros op 31 oktober 1918 was de militaire strijd definitief gewonnen, maar de diplomatieke problemen begonnen nu pas goed.

Arabische nationalisten riepen in Damascus de emir Faisal (1885-1933), de feitelijke leider van de Arabische opstand, uit tot koning van een onafhankelijk Arabië (Arab Kingdom of Syria). De Britten waren geneigd de aanspraken van hun protégé Faisal te erkennen. De Fransen wilden echter van geen wijken weten. Syrië moest en zou Frans worden zoals voorzien in de Sykes-Picot-overeenkomst, en uiteindelijk gaven de Britten toe. De overeenkomst werd bezegeld tijdens een aantal vergaderingen van de vredesconferentie begin 1920 in het Italiaanse San Remo. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon, en toen de Arabische nationalisten hiertegen in opstand kwamen, werd die opstand met grof geweld onderdrukt. Faisal ging in augustus 1920 in ballingschap in de UK.

De beloning die de Britten voor hun steun aan Frankrijk bedongen, was aanzienlijk. Het Verenigd Koninkrijk kreeg Zuid-Syrië (dat werd opgedeeld in Palestina en Transjordanië) en de drie Ottomaanse provincies van Mosoel, Bagdad en Basra in het oosten, het gebied dat nu ‘Irak’ werd genoemd. Ook de familie van de Sjarief kreeg zijn deel, al bestond dat uit een serie troostprijzen en niet uit het oorspronkelijk beloofde grote Arabische koninkrijk. De Sjarief (de vader van Faisal) - Hussein ibn Ali al-Hashimi (18540000 – 19310604) - zelf werd koning van de Hejaz (met het dichtbevolkte Jeddah en de heilige steden Mekka en Medina) en zijn zoon Abdullah (18820200 – 19510720) besteeg in het woestijnstadje Amman de troon als emir (vanaf 1946 koning van Jordanië) van Transjordanië. De Britten installeerden de monarchie in Irak en Faisal kreeg in augustus 1921 de troon, nadat het land was ‘gepacificeerd’, een proces waarin Gertrude Bell (18680714 – 19260712) een aanzienlijke rol speelde.

In 1924 versloeg stamhoofd Abdulaziz ibn Saud (18750115 – 19531109) zijn rivaal Hussein ibn Ali al-Hashimi, die eerst naar Cyprus en dan naar Transjordanië vluchtte, waar zijn zoon Abdullah als emir op de troon zat. Abdulaziz legde de grondvesten van het Saoudische Koninkrijk, dat we vandaag kennen. President Roosevelt zou op het einde van WO II met Abdulaziz een akkoord sluiten over de olierijkdommen van het koninkrijk. Voor een biografie van Ibn Saud (Séoud in het Frans) verwijzen wij naar ons boeknummer 19615.

Ook de situatie in Palestina werd onhoudbaar door de verschillende Britse voorstellen die niet verenigbaar waren. Het vertrouwen van zowel de joden als de Arabieren in de Britse regering was verdwenen. Het Verenigd Koninkrijk werd gezien als een zwakke politieagent die niet in staat was de situatie in de hand te houden. De dubbelzinnige Britse houding in de periode tussen 1920 en 1948 tegenover de problemen van Palestina wordt daarom ook gezien als een belangrijke oorzaak van het Palestijns-Israëlisch conflict.

Het Britse mandaat over Irak bleek even impopulair bij de bevolking als het Franse over Syrië. Ook in Irak brak in de zomer van 1920 een heftige volksopstand uit, geleid door een coalitie van stamhoofden, soennitische notabelen en sjiitische geestelijken. De opstand werd met behulp van de Britse Royal Air Force (RAF) in bloed gesmoord. Met name terreurbombardementen van de Britse luchtmacht tegen de inheemse burgerbevolking bleken hierbij zeer effectief, mede door het gebruik van mosterdgas. Dit maakte grote indruk op de militaire experts van die tijd en leidde ertoe dat het bombarderen van burgerdoelen overal in Europa als de strijdwijze van de toekomst werd gezien (cfr. de bombardementen van de Luftwaffe op London en de tapijtbombardementen van de USAF en de RAF op Duitsland tijdens WO II).
BAUWENS Michel (interview in De Standaard Weekblad 20151212)
‘De Belgische regering kiest voor een trek-uw-plansamenleving’
Edited: 201512120903
CYBERFILOSOOF MICHEL BAUWENS EN DE ECONOMIE NA HET KAPITALISME
12 DECEMBER 2015 | Yurek Onzia, foto’s Fred Debrock
Het laatste boek dat wijlen Jean-Luc Dehaene cadeau deed aan zijn partijvoorzitter Wouter Beke, was De wereld redden van Michel Bauwens. Dat is de Belgische peetvader van de peer-to-peerbeweging – een vraag-aanbodeconomie tussen particulieren – vooralsnog niet gelukt, maar zijn alternatieve model maakt wel opgang. ‘Ja, ik ben een wereldverbeteraar.’
Een maandagmiddag in het Grand Café van het Antwerpse kunstencentrum deSingel. Michel Bauwens drinkt een espresso in het gezelschap van vier dames van Actueel Denken en Leven, een vereniging die sinds de jaren 70 voordrachten voor vrouwen organiseert over tendensen in de samenleving. Bauwens is voor deze lezing overgevlogen vanuit Berlijn, waar hij een van de hoofdgasten was op UnICommons, een tweedaagse rond gemeengoed. Straks vertrekt hij voor een tournee naar Nieuw-Zeeland en Australië, in het voorjaar is hij gastdocent aan de universiteit van Madison in de Amerikaanse staat Wisconsin.

Vandaag verwacht Bauwens maar ‘een man of 50, wat oké is, want ik spreek ook graag voor kleinere groepen’. Blijkt dat de Blauwe Zaal bomvol zit, 750 bezoekers, allemaal vrouwen. Ze smullen van zijn met voorbeelden gelardeerde verhaal over de peer-to-peer-economie, met als pijlers open en gedeelde kennis, duurzaamheid en solidariteit. En zij niet alleen. Bauwens’ boek De wereld redden is ook een Franse bestseller, de Engelse en Spaanse vertalingen staan op stapel. Verwante geesten als Jeremy Rifkin en Douglas Rushkoff steken hun appreciatie niet onder stoelen of banken. En in 2012 al nam het Post Growth Institute Bauwens op in de (En)Rich List, een lijst met de 100 meest inspirerende figuren voor een duurzame toekomst. Hij staat er te blinken naast Vandana Shiva, Mahatma Gandhi en Martin Luther King.

Terug naar het Grand Café, waar het gesprek geanimeerd is, jolig bij momenten. Bauwens is zijn bescheiden-charmante zelf, met anekdotes en grapjes over de boeddhistische gewoontes in Thailand. Hij woont al vijftien jaar in Chiang Maimet zijn Thaise vrouw en hun twee kinderen. Vandaaruit trekt hij de wereld rond om zijn visie op een nieuw maatschappijmodel uit te dragen. ‘Mijn vrouw begrijpt het allemaal niet zo goed’, lacht hij. ‘Telkens als ik vertrek, vraagt ze hoe het mogelijk is dat er mensen naar mij komen luisteren en daar nog voor willen betalen ook.’

Op het tandvlees

Het engagement van Michel Bauwens wortelt in de late jaren 90. Terwijl hij kampte met een burn-out, zag hij ook hoe het helemaal verkeerd ging met de wereld. Meer ongelijkheid, meer ecologische problemen. ‘Het leek alsof ons systeem er maar niet in slaagde om daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Dertig jaar geleden hadden we een ozonprobleem. Dat hebben we grotendeels opgelost, dankzij het Montrealprotocol van 1987 en de belofte van 197 landen om geen ozonschadelijke stoffen meer te produceren. Maar een gezamenlijke aanpak van de opwarming van de aarde en de klimaatverandering, dat lukt blijkbaar niet.’

Er was nog een motivatie. Bauwens had gewerkt als kaderlid voor British Petroleum en als e-business-strateeg voor Belgacom, had gezien hoe het er daar aan toe ging, hoeveel stress en burn-outs er waren en hoe kortzichtig het beleid van grote bedrijven was geworden. ‘Een verziekte werksfeer waar zelfs de elite van het kapitalisme vandaag niet aan ontsnapt’, zegt hij. ‘Vijftig jaar geleden gingen de Engelse aristocraten vrolijk naar de gentlemen’s clubs, om te socializen. Nu werkt een kaderlid 80 uur per week. Mensen zitten op hun tandvlees, ze zijn niet gelukkig.’

Bauwens dacht: dit kan toch niet het model voor de toekomst zijn? En ook: was hij een deel van het probleem of van de oplossing? ‘Het antwoord was duidelijk’, zegt hij. ‘Binnen zo’n structuur bleef ik een deel van het probleem. Ik heb toen beslist om me actief bezig te houden met systeemveranderingen. Ik nam een sabbatical, trok twee jaar uit om te lezen, onder meer over de val van het Romeinse Rijk, en reisde een halfjaar rond om dingen van nabij te bestuderen. De neerslag daarvan werd De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, het boek dat ik schreef met Jean Lievens.’

Peer-to-peer is een begrip dat oorspronkelijk uit de computerwereld komt, het betekent ‘van gelijke tot gelijke’. Wellicht was Bauwens niet de eerste, hij denkt aan het werk van iemand als Yochai Benkler, maar hij was wel een van de eersten die het p2p-principe hebben toegepast als sociale structuur op andere vlakken van de samenleving. Fundamenteel gaat het over de capaciteit van mensen om als gelijken onder elkaar samen waarde te creëren, via speciale licenties die het delen mogelijk maken. Het internet en de nieuwe technologieën laten meer dan ooit toe om makkelijk met elkaar in contact te komen en samen te werken. Zonder de normale hiërarchische structuren, maar door onderlinge coördinatie, op een globale schaal. ‘Peer-to-peer is dus niet zomaar een spelletje’, zegt Bauwens. ‘Het is het verhaal dat onze planeet nodig heeft.’

Parasitaire P2P

Centraal in dat verhaal staat het begrip commons, gemeengoed. Bauwens legt uit. ‘In de middeleeuwen al hadden boeren vaak een gemeenschappelijk stuk eigendom. Daarover maakten ze afspraken, om bijvoorbeeld op bepaalde tijdstippen vruchten te plukken.Commons is geen privaat goed en ook geen eigendom van de overheid, maar wordt beheerd door een gemeenschap van burgers, gebruikers en producenten, die er de voordelen of gevolgen van ondervinden.’

‘In de westerse wereld heeft het kapitalisme dat gemeengoed proberen af te breken. Het evenwicht tussen privé- en gemeenschappelijk bezit werd, zeker in de voorbije decennia, steeds ernstiger verstoord. Maar via het internet is het doodeenvoudig om samen op grote schaal gemeengoed te realiseren. Op die manier komencommons opnieuw in de kijker. En leiden ze naar een nieuwe manier van denken en aanpakken.’

zie onze nota over eigendom en staat

Kunt u daar voorbeelden van geven?

‘Eerst was er de vrije software, Linux. Een groep mensen creëerde die nieuwe software, maar privatiseerde hem niet en begon hem met iedereen te delen. Eén voorwaarde: als je er gebruik van maakt en er iets aan verandert, moet je die verbetering ook delen met de andere gebruikers. Wikipedia is nog een voorbeeld: een digitale bundeling van kennis op basis van vrijwillige bijdragen, die de oude encyclopedieën zo goed als overbodig heeft gemaakt.’

‘Momenteel evolueren we van een kapitalistische economie, gebaseerd op arbeid en kapitaal, naar een p2p-economie, gebaseerd opcommons en een vrijere taakverdeling. Maar omdat het allemaal nog gefragmenteerd is, zien mensen het volledige plaatje niet. Als onderzoeker kijk ik met de P2P Foundation naar die nieuwe initiatieven en vormen waarmee mensen bezig zijn, probeer er de onderliggende structuur en logica van te begrijpen en die inzichten naar het grote publiek te brengen.’

Commons, samenwerken, deeleconomie: het klinkt allemaal goed. Maar wat met bedrijven als Uber en Airbnb? Ze laten uitschijnen dat ze deel uitmaken van die sociaal gedreven p2p-economie, maar zijn evengoed gericht op winstmaximalisatie en beurswaarde.

‘Dat is inderdaad een probleem. In de nieuwe deeleconomie overheersen Uber en Airbnb, en Facebook zwaait de plak over de sociale media. Vandaag heeft het 1,3 miljard actieve gebruikers en het verandert de samenleving door de manier waarop het, via peer-to-peercommunicatie, mensen met elkaar in contact brengt. Maar zonder gebruikers heeft Facebook geen waarde. Het maakt gigawinsten door onze aandacht, het schaarste-element, te verkopen aan andere bedrijven. Wij creëren dus 100 procent van de marktwaarde, maar de opbrengsten gaan integraal naar Mark Zuckerberg. In het kapitalistische systeem betaal je de mensen tenminste nog voor hun arbeid, de toegevoegde waarde. Airbnb en Uber faciliteren, maar voegen zelf niets toe en nemen geen enkele verantwoordelijkheid. Op die manier werken ze veel goedkoper dan hotels en taxibedrijven, kunnen ze de markt innemen en grote winsten maken. Zo’n systeem kan niet blijven werken, want het is parasitair, ook voor het kapitalisme zelf. De p2p-dynamiek kan het huidige maatschappijmodel dus ook enorm verstoren.’

Coalition of the Commons

Hoe los je dat op? Michel Bauwens kijkt naar de politiek. Partijen en overheden die de kracht van het nieuwe model inzien en ermee aan de slag gaan. ‘Zo kun je in Gent of Antwerpen perfect een eigen gemeengoedversie van Uber oprichten en de winst ervan verdelen onder de chauffeurs. Waarom doen we dat niet? De rol van stedelijke overheden kan daarbij cruciaal zijn, door als facilitator van een deeleconomie op te treden.’

Bauwens stelt een Coalition of the Commons voor. ‘Door de digitalisering wordt traditionele arbeid steeds schaarser en kunnen we geen sociale compromissen meer sluiten enkel op basis van klassieke loonarbeid. Het moet wel mogelijk zijn om een nieuwe sociale en politieke meerderheid te creëren rond het idee van de commons. Je hebt het succes van de Piratenpartijen – in IJsland worden ze volgens recente peilingen de grootste partij – die de digitale cultuur vertegenwoordigen. Je hebt de Groenen, die de natuur als gemeengoed vertegenwoordigen. Je hebt nieuwe progressieve partijen, zoals het Griekse Syriza en het Spaanse Podemos en Barcelona en Comù (‘Barcelona Samen’, nieuw burgerplatform dat bij de laatste verkiezingen een meerderheid behaalde en met Ada Colau de nieuwe burgemeester leverde, red.), die zijn voortgekomen uit de Occupy-, de 15 mei- en Syntagma Squarebewegingen: allemaal groeperingen die sterk de peer-to-peer-principes hebben toegepast. Ik denk ook aan de grote mobilisatie die politici als Bernie Sanders in de VS en Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië teweegbrengen en aan nieuwe burgerbewegingen zoals Hart Boven Hard/Tout Autre Chose in België.’

(op dreef) ‘We hebben vandaag een negatief sociaal contract. Wat is onze belofte aan onze jongeren? Dat je, áls je een geschikte job vindt, harder en langer zal moeten werken. Dat studeren steeds duurder zal worden, dat je je volwassen leven zult beginnen met schulden. Dat je geen huis zult kunnen kopen, als je geen rijke ouders hebt. De huidige Nederlandse en Britse regering, en ook de Belgische, kiest voor een trek-uw-plansamenleving. Een gevaarlijk model, want het vernietigt in ijltempo de solidariteitsmechanismen en het sociale weefsel. Het nefaste Europese austeritybeleid, gedicteerd door dezelfde grootbanken die ons met hun roekeloze gespeculeer en hebzucht in de crisis hebben gestort, drijft landen naar de bedelstaf. Willen we dat veranderen, dan zullen we, zoals de arbeiders ooit een arbeidersbeweging hebben opgebouwd, een commonsbeweging moeten creëren.’

Ziet u dat zonder slag of stoot gebeuren?

‘Dat moet uiteraard op een democratische manier gebeuren, maar het gaat wel om radicaal andere politieke keuzes – je kunt die niet alleen bewerkstelligen door op je eentje microfabrieken te bouwen. Je moet dan denken aan het grondig veranderen van instituties en instellingen, aan méér democratie en burgerparticipatie. Of dat een gewelddadig proces is of niet, hangt niet van ons af. Wel van het feit of het systeem soepel genoeg is om die innovaties te accepteren. Een systeem wordt pas gewelddadig, als het niet meer kan veranderen zónder geweld. Dat moeten we absoluut vermijden. Ik pleit voor evolutie en samenwerking, in plaats van voor revolutie en onderlinge verdeling.’

Dat de veranderingen volop bezig zijn, toont u in uw boek aan via een reeks succesvolle cases.

‘Ja, ik denk aan Fora do Eixo, een groot p2p-cultuurnetwerk in Brazilië dat erin is geslaagd een grote alternatieve muziekeconomie te creëren. Je hebt er ook Curto Café, een alternatieve koffiegemeenschap die heel wat peer-to-peer-principes gebruikt: openheid in de productie en de boekhouding, een open recept en wie investeert, wordt terugbetaald met gratis koffie. Of het Broodfonds in Nederland, een mooi voorbeeld van onderlinge solidariteit bij ziekte of ongeval tussen kleine zelfstandigen, freelance kenniswerkers en kleine ondernemingen – het nieuwe precariaat, dat zouden de vakbonden dringend moeten beseffen. En in Zwitserland heb je WIR, een p2p-organisatie van 62.000 ondernemers die werkt als een soort ‘nieuwe gilde’ en haar leden helpt en versterkt door kredietverstrekking via een alternatieve munt, de WIR franc, buiten de traditionele banken om. Allemaal dingen die de arbeidersbeweging in de 19de eeuw al deed, maar nu in een nieuw technologisch jasje zitten.’

VAN TINA NAAR TAPAS

U reist vanuit uw thuisbasis in Thailand vrijwel continu de wereld rond, met een onvermoeibare, haast apostolische bevlogenheid. Wat houdt u gaande?

‘Als je iets wilt veranderen, moet je mensen hoop geven en die energie mobiliseren. Misschien lukt het niet, maar als je begaan bent met sociale rechtvaardigheid en de planeet, en iets wilt bereiken, kun je gewoon niet anders. Tijdens mijn burn-out werd het me duidelijk dat een engagement met mijn medemens, van gelijke tot gelijke, een essentieel deel van mijn leven moest zijn. Het peer-to-peer verhaal was daar de logische uitkomst van.’

‘In The Varieties of Religious Experienceheeft Harvard-filosoof William James het over de ‘once born’ en de ‘twice born’. Er zijn mensen die geboren worden en onmiddellijk hun plaats vinden. Je hebt er ook die een strijd moeten leveren, een crisis doormaken. Als die erin slagen, zegt James, om later in hun leven erbovenop te komen, zijn dat de mensen die de wereld veranderen. Ik was als jongeman niet gelukkig. Vond mijn plaats niet, heb moeten worstelen om zingeving te creëren. En dan gebeurt er iets waardoor alles samenvalt en je weet: dit is mijn weg. Ik doe dit dus omdat ik het móét doen.’

Beschouwt u uzelf als een wereldverbeteraar?

(resoluut) ‘Ja.’

Ik vraag het omdat het een woord is dat mensen nauwelijks nog in de mond durven nemen.

‘Ja, maar dat is net het probleem. Dat heersende cynisme, in combinatie met het dominante neoliberale denken. Sommige politici proberen de mensen wijs te maken dat er geen andere opties zijn dan het beleid dat we nu voorgeschoteld krijgen. Dat is een verschrikkelijke onderdrukking van de mens en van het menselijke potentieel. Ik zeg het vaak: we moeten van TINA (There Is No Alternative, red.) naar TAPAS (There Are Plenty of Alternatives’, red.), want er zijn wel degelijk alternatieven.’

‘Momenteel zijn miljoenen mensen hun leven aan het veranderen. Ze accepteren steeds minder het dominante neoliberale economische denken en willen ethisch, duurzaam en solidair handelen. Uit een onderzoek in Finland is gebleken dat maar liefst 95 procent van de Finse designstudenten wil meewerken aan duurzaamheidsinitiatieven. Mensen zetten zich in voor hun wijk en voor natuurbehoud, organiseren repair cafés, zetten coworking spaces en FabLabs op, delen hun wagens en materiaal, en produceren alternatieve energie, geïnspireerd door de succesvolle burgercoöperatieven in Duitsland, waar 96 procent van de hernieuwbare energie wordt geproduceerd buiten de energiemaatschappijen om. Op die manier ontstaat er een tegenmacht die de bestaande macht uitdaagt, met solidariteit, duurzaamheid en gedeelde kennis als belangrijkste pijlers.’

Er is nog hoop?

‘Er is zeker hoop. En het is belangrijk om hoop te hebben. Niet omdat mensen die de wereld willen verbeteren, daar altijd volledig in slagen. Maar beeld je in dat je zelfs niet meer probeert. Dan boer je zeker achteruit.’
LT
TRAGISCH: Vlaamse regering keurt unaniem Uplace goed
Edited: 201512032331
De eigen fractieleiders zijn tegen.
De grens tussen verantwoordelijkheid en onverantwoordelijkheid vervaagt.
Overigens zijn de werken aan de afrit Machelen reeds gestart. Die gaan de staat 70 miljoen euro kosten, waarvan Uplace 14 miljoen betaalt.
"Prutspolitiek. Niemand steunt dit project nog van harte. Er wordt nu gehoopt dat de Raad van State doet wat niemand durft: het project afkeuren", zegt politicoloog Carl Devos in een tweet.
HRW - The Guardian
Saoudi-Arabië: dichter ter dood veroordeeld wegens afvalligheid (apostasie, ridda)
Edited: 201511281459
De zaak tegen Ashraf Fayadh (35) ging aan het rollen na een ruzie met een man die hem vervolgens verklikte bij de religieuze politie.


lees het rapport over de rechtszaak
LT
The 5 pillars of Saoudi-Arabia - De 5 pijlers van Saoedi-Arabië
Edited: 201511272326


Schema deels gebaseerd op RATHMELL Andrew, Saoedi-Arabië, het koninkrijk van de olie, in: Het Midden-Oosten hertekend (boeknummer 19960211) en een tiental andere boeken.
Er is een groeiende bewustwording in Europa rond het feit dat Saoedi-Arabië een cruciale rol speelt in het Syrisch conflict.
Zo werden er in het Belgische parlement vragen gesteld aan minister Reynders (BuZ) over een op til zijnd belastingsverdrag met het land. Zoals gewoonlijk volgt er dan een evasief antwoord. Het is ook jammer dat de oppositie deze vragen stelt: het kalf is dan al verdronken voor het geboren is. De Saoedische investeringen in de Antwerpse haven - goed voor 900 banen gespreid over vijf jaar - leggen blijkbaar meer gewicht in de schaal dan barbaarse onthoofdingen en mateloos geweld. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Is dat de ethiek van politieke partijen, ondernemers en vakbonden? Of raakt die ondergesneeuwd tijdens het parcours van geven en nemen?
Op het internationale forum stelt men vragen bij de financiering van ISIS/DAESH, de excursie van westerse staatshoofden naar SA in januari 2015, de steun aan Europese moskeeën, de onderdrukking van vrouwen, de (publieke) onthoofdingen onder de sharia-wetgeving, het willekeurige optreden van de gevreesde religeuze politie (Committee on the Promotion of Virtue and Prevention of Vice), aan slavernij grenzende tewerkstelling van buitenlandse werknemers en het racisme tegenover hen, etcetera.
Op het binnenlands vlak ontstaat er in SA een probleem wanneer de olieprijzen laag blijven. Wellicht zien oliestaten met lede ogen aan hoe de wereld zich keert naar alternatieve energiebronnen (zon, wind, schaliegas, hydro, ...) en hoe de Russische energieleveranciers hun netwerk van 'pipelines' gestadig uitbreiden. Overigens zijn de 'global oil players' zowel in SA als in Rusland actief.
De rol van de ulama's (de religieuze klasse) is alles behalve transparant. Zij onderhouden de basis van het wahabisme (genoemd naar de predikant Mohammed ibn Abd al-Wahhab) en zorgen voor de legitimering van het regeringsbeleid. Tegelijk vangt het wahabisme de ontgoochelden op en leidt hen naar een (buitenlands) vijandelijk doel.
De rol van de USA - daaronder verstaan de rol van de oliemaatschappijen - is dubbel: enerzijds de afname en distributie van de olie, anderzijds de leverancier van allerlei wapentuig. De politieke situatie en de mensenrechten in SA zijn zelden het voorwerp van debat. Zo lijkt een directe kritiek van een Amerikaanse presidentskandidaat op het beleid wel op politieke zelfmoord.
Tenslotte nog een woord over Europa. De EU krijgt in het verhaal de rol toebedeeld van lijdend voorwerp: opname van vluchtelingen uit Syrië, Afghanistan, Irak en aanslagen van terroristen. Binnen de driehoek USA - Rusland - SA wordt het Europese model aan diggelen geslagen en we moeten ons durven afvragen of er geen economische oorlog woedt onder de sluier van het fundamentalistisch islamisme. (Wordt vervolgd ...)


Marc De Vos, [Frank Vandenbroucke], [Anthony Atkinson]
Ongelijk maar fair - Itinera gaat de mist in
Edited: 201511231824
In dit boek zet professor Marc De Vos (directeur van denktank Itinera) vraagtekens bij de stellingen van Piketty. In een interview wordt al gauw duidelijk waar het werkelijk om gaat: de professor wil zichzelf profileren als diegene die 'anders' nadenkt, diegene die wil verhinderen dat de bevindingen van Piketty uitdraaien op een nieuwe ideologie, diegene die Piketty verwijt én economisch historicus, én politiek raadgever te willen zijn. 'Piketty heeft een verborgen agenda en de discussie is een hype', luidt het.
De Vos stelt de beschikbare statistiek in vraag en zou liever naar de evoluties binnen de gelaagdheid gaan kijken, trajecten van mensen binnen de arbeidsmarkt gaan onderzoeken. Enzovoort. In het Frans noemt men die tactiek 'brouiller les pistes'. Er zijn ook passages over genetisch determinisme, versterkt door contextuele variabelen.
Frank Vandenbroucke noemde in een gesprek voor Kanaal Z (20151119) het boek eenzijdig en herhaalt tweemaal 'het mankeert absoluut nuance'. FVDB poneert dat we - willen we armoede en ongelijkheid verminderen - aandacht moeten hebben voor onze kinderen. De Vos kon nauwelijks weerwerk bieden in de discussie, verloor de pedalen in zijn wirwar van nepargumenten en was zichtbaar blij dat de uitzending afliep. Itinera maakte een slechte beurt.
bekijk het gesprek hier
Commentaar LT:
Economen - het zijn ook maar mensen - hebben de neiging mekaar tegen te spreken, al was het maar om te kunnen surfen op de deining die hun succesvolle collega (Piketty) heeft veroorzaakt. We vrezen dat het boek van De Vos met die bedoeling in elkaar is geknutseld.
Het is wellicht waar dat ongelijkheid van alle tijden is. Het is ook waar dat succes mag worden beloond. Het wordt echter een andere zaak als de rijken, de vermogenden, de grootverdieners via allerlei truuks hun bijdragen aan het inkomen van de staat trachten te minimaliseren. We hebben het hier over de belastingconstructies die o.a. LuxLeaks uitbracht. De staat kan dan niet de nodige middelen verzamelen om bijvoorbeeld kinderen via onderwijs uit de kansarmoede te halen. De superrijken kunnen daarentegen via privé en voortgezet onderwijs hun kinderen bijkomende kansen bieden.
Die redenering missen we bij De Vos. Hij mist totaal de trein door niet te willen inzien dat belastingen een directe impact hebben op de uitkering van dividenden. Belastingen noemt hij iets dat komt NA de bruto-inkomensvorming, terwijl de logica zegt dat belastingen inherent geworden zijn aan de strategie van bedrijven, trusts en concerns. De externe fiscale consultants zijn belangrijker geworden dan de financiële directie van een concern. De herverdelende correctiemechanismen die de staat via belastingen wil laten plaatsvinden worden door de 'global players' ontvlucht en dus gesaboteerd. De staat kan op die manier nog slechts de miserie proberen te managen. De vermogensaccumulatie is in die context pure diefstal en een daad van incivisme.

Het werk van Marc De Vos werd verkozen tot LIBERALES BOEK van 2015; dat zegt in dit geval meer over de kwaliteit van de jury dan over die van het boek.


Omdat er belangrijker boeken zijn dan dat van De Vos geven we hier een lijstje met de boeken van Anthony Atkinson:
Atkinson, Anthony B.; Harrison, Allan J. (1978). Distribution of personal wealth in Britain. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521217354.
Atkinson, Anthony B.; Stiglitz, Joseph E. (1980). Lectures on public economics. London New York: McGraw-Hill Book Co. ISBN 9780070841055.
Atkinson, Anthony B. (1983). The economics of inequality. Oxford Oxfordshire New York: Clarendon Press Oxford University Press. ISBN 9780198772088.
Atkinson, Anthony B. (1995). Incomes and the welfare state: essays on Britain and Europe. Cambridge New York: Cambridge University Press. ISBN 9780521557962.
Atkinson, Anthony B. (1996). Public economics in action: the basic income/flat tax proposal. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780198292166.
Atkinson, Anthony B. (1999). The economic consequences of rolling back the welfare state. Cambridge, Massachusetts: MIT Press. ISBN 9780262011716.
Atkinson, Anthony B.; Bourguignon, François (2000). Handbook of income distribution. Amsterdam New York: Elvesier. ISBN 9780444816313.
Atkinson, Anthony B; Stern, Nicholas H.; Glennerster, Howard (2000). Putting economics to work: volume in honour of Michio Morishima 22. London: London School of Economics and Political Science, and the STICERD – Suntory-Toyota International Centre for Economics and Related Disciplines. ISBN 9780753013991.
Atkinson, Anthony B. (2004). New sources of development finance. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199278558.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2007). Top incomes over the Twentieth Century: a contrast between Continental European and English-speaking countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286881.
Atkinson, Anthony B. (2008). The changing distribution of earnings in OECD countries. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199532438.
Atkinson, Anthony B.; Piketty, Thomas (2010). Top incomes: a global perspective. Oxford New York: Oxford University Press. ISBN 9780199286898.
Atkinson, Anthony B. (2014). Public economics in an age of austerity. New York: Routledge. ISBN 9781138018150.
Atkinson, Anthony B. (2014). Inequality: What Can Be Done?. Harvard University Press. p. 384. ISBN 9780674504769.
News
OCAD zet Brussel op niveau 4 dreiging terrorisme - Antibacteriële beschermkledij vorige week gestolen in Parijs
Edited: 201511222338
De toestand in Brussel blijft alarmerend.
Metro en scholen blijven dicht op maandag. Ook in Vilvoorde en Dilbeek sluiten alle scholen.
Waarom het niveau 4 niet geldt voor het gehele land(je) is niet duidelijk gemaakt en journalisten laten na die voor de hand liggende vraag te stellen.

Zondag deed de politie in Brussel meerdere huiszoekingen en arresteerde 16 verdachten. Ook in Charleroi waren er drie invallen.

Le Parisien meldde vorige week de diefstal van antibacteriële kledij.
'Une dizaine de combinaisons de protection étanches, du type des kits de protection contre le virus Ebola, trois fois plus de paires de bottes en polyéthylène, une matière résistante aux agents chimiques, des gants, des masques antibactériens... Ces équipements ont disparu cette semaine d'un local sécurisé de l'hôpital pédiatrique de l'AP-HP Necker (Paris XVe).'
Het ziekenhuis stelde de diefstal woensdag vast en deed donderdag aangifte. De gestolen kledij vormt een volumineus pak. Bovendien is het lokaal beveiligd met code. Dat doet het vermoeden rijzen dat er meerdere personen bij de diefstal betrokken zijn.

Pro memorie: OCAD = Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging
Wiki
Turkse Republiek Noord-Cyprus
Edited: 201511150349
1) Rauf Denktaş (Paphos, 27 januari 1924 – Lefkoşa, 13 januari 2012) was een Turks-Cypriotisch politicus. Hij was in 1975 de oprichter van de Nationale-eenheidspartij (UBP) en was van 1983 tot 2005 president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Internationaal werd hij sinds 1973 erkend als vicepresident van de republiek Cyprus. Cyprus heeft namelijk als staatshoofd een Grieks-Cypriotische president, die gekozen wordt door de bevolking van Grieks-Cyprus, en een Turks-Cypriotische vicepresident die door de bevolking van Turks-Cyprus gekozen wordt. Sinds 1974 is de vicepresident echter al niet meer verkozen.

Op 15 november 1983 verklaarde vicepresident Rauf Denktaş de Turkse zone eenzijdig soeverein en onafhankelijk. De nieuwe staat werd alleen door Turkije erkend. Hij noemde zichzelf sindsdien 'president van de Turkse Republiek van Noord-Cyprus'. Sinds 1985 heeft Turks-Cyprus een eigen uit vijftig leden bestaand parlement.

In april 2005 kwamen er voor het eerst in lange tijd verkiezingen in Turks-Cyprus, omdat de inmiddels tachtigjarige Denktaş het tijd vond om zijn positie over te dragen aan een opvolger. Deze opvolger werd Mehmet Ali Talat, de voormalige vicepresident van Turks Cyprus.

2) Mehmet Ali Talat (Kyrenia, 6 juli 1952) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van april 2005 tot april 2010 was hij president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus (TRNC). Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Nadat Talat, destijds leider van de linkse Turkse Republikeinse Partij, tijdens de (vice)presidentsverkiezingen op 17 april 2005 met een meerderheid van 55% tot (vice)president was verkozen volgde hij op 25 april Rauf Denktaş op als machtigste man van Noord-Cyprus. Degene die de presidentsfunctie van de TRNC vervult, moet zijn partijpolitieke binding opgeven.

Op 18 april 2010 werd hij bij de presidentsverkiezingen verslagen door de rechts-nationalistische Derviş Eroğlu van de Nationale-eenheidspartij, die hem op 24 april opvolgde.

Zijn zoon Serdar Denktaş is de Turks-Cypriotische minister van buitenlandse zaken.
3) Derviş Eroğlu (Famagusta, 1938) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van 24 april 2010 tot 30 april 2015 was hij de 3e president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Hij was van 1983 tot 2006 politiek leider van de Nationale-eenheidspartij en werd dat opnieuw in 2008.

Derviş Eroğlu werd in 1938 in de Oost-Cypriotische kuststad Famagusta (Turks: Gazimağusa of Mağusa) geboren. Na de lagere school daar doorlopen te hebben ging hij naar Turkije om er hoger onderwijs te volgen. In de jaren zestig studeerde hij geneeskunde aan de Universiteit van Istanboel.

Tijdens zijn studie ontpopte Eroğlu zich als een Turks-Cypriotisch nationalist. Dit nadat Cyprus in 1960 onafhankelijk was geworden van het Verenigd Koninkrijk en in de jonge republiek etnische onlusten tussen Grieks- en Turkstalige Cyprioten uitbraken.

In 1963, na het behalen van zijn graad in de geneeskunde, keerde hij terug naar Cyprus. In zijn geboortestad Famagusta beoefende hij vijf jaar lang de geneeskunst. Hierna vertrok hij opnieuw naar Turkije, ditmaal om zich in de hoofdstad Ankara te specialiseren in urologie.

In de zomer van 1974 viel het Turkse leger zijn geboorteland binnen als reactie op een Griekse staatsgreep. De Turken veroverden een groot, noordelijk deel van het eiland en riepen er de Turkse Republiek Noord-Cyprus uit. Zo'n 200.000 Turken uit Turkije vestigden zich hierna in deze republiek, die tot op de dag van vandaag internationaal niet erkend wordt. Ook Eroğlu ging weer naar Noord-Cyprus en hij werd er politiek actief.

In 1976 werd hij parlementslid voor de in oktober 1975 door Rauf Denktaş opgerichte Nationale-eenheidspartij, vervolgens in 1976-1977 minister voor onderwijs, cultuur, jeugd en sport. In 1983, het jaar waarin Denktaş Noord-Cyprus soeverein had verklaard en zichzelf tot president had uitgeroepen, werd Eroğlu politiek leider van de UBP. Dit zou hij tot 2005 blijven en vanaf 2008 weer worden. In die eerste periode was hij driemaal minister-president (van 1985 tot 1994 en van 1996 tot 2004; in de tussentijd was hij oppositieleider) en in de tweede periode (vanaf mei 2009) werd hij dat opnieuw.

Op 18 april 2010 nam hij deel aan aan de presidentsverkiezingen. Deze won hij van zijn rivaal, zittend president Mehmet Ali Talat. Deze kreeg 42,8 procent van de stemmen tegenover 50,4 voor Eroğlu. Hij werd op 24 april 2010 geïnstalleerd.

In tegenstelling tot de pro-Europese Talat, die een federatief Cyprus voorstond, is Eroğlu voorstander van een tweestatenoplossing (wat de de facto situatie van Cyprus is), die door Grieks-Cyprus en de internationale gemeenschap wordt verworpen. Evenwel had hij aangegeven ‘niet weg te zullen lopen’ van vredesonderhandelingen met de Grieks-Cyprioten. In september 2008 waren deze onderhandelingen heropend onder toezicht van de Verenigde Naties.

In 2015 deed Eroğlu opnieuw mee aan de presidentsverkiezingen. Op 26 april nam hij het in de tweede ronde op tegen de als gematigd te boek staande Mustafa Akıncı. Deze won het van de zittend president en werd op 30 april beëdigd als diens opvolger.

Eroğlu is getrouwd en heeft vier kinderen.

4) Mustafa Akıncı (Limasol, 28 december 1947) is de vierde president van de eenzijdig uitgeroepen en niet erkende Turkse Republiek Noord-Cyprus.

Hij was tussen 1976 en 1990 de burgemeester van het Turks-Cypriotische deel van de hoofdstad Nicosia. Daar werkte hij nauw samen met zijn Griekse tegenhanger van de gedeelde stad. Daarna was hij afgevaardigde in het parlement.

In de verkiezingen van 2015 was hij presidentskandidaat en won hij het in de tweede ronde met 60,3 procent van de stemmen van de zittend president Derviş Eroğlu. Akıncı wordt gezien als een gematigd politicus die zich verzoeningsgezind opstelt tegenover de Grieken in Cyprus.

News / Lucas Tessens
Armageddon start in Parijs - ca. 130 doden - tientallen zwaargewonden in kritieke toestand
Edited: 201511140250
Terreuraanslagen van ISIS/DAESH houden Parijs in een wurggreep. Zeven daders blazen zichzelf op, één gedood door politie.
Opvallend en onverklaard is dat drie zelfmoordterroristen met bommengordels zich opblazen aan het Stade de France en - buiten zichzelf - slechts één slachtoffer maken. In de concertzaal 'Bataclan' worden 89 mensen vermoord.
President Hollande spreekt van 'une barbarie'. Hij kondigt de noodtoestand af, legt drie dagen nationale rouw op en sluit de grenzen. Het openbare leven in Parijs valt stil.

De aanslagen worden gezien als een vergelding voor de luchtaanvallen van de Franse luchtmacht op stellingen van Isis in Syrië. Het lijkt erop dat een verhoging van de druk op de militaire poot van Isis in Syrië de jihadistische terreurcellen in West-Europa activeert. Communicerende vaten, dus.

Ooggetuigen aarzelen wanneer zij spreken over de daders: 'Ce n'était pas un grand blond.' (France 2)

Geopolitiek. De absolute expert Marc Trévidic (van 12 juni 2006 tot eind augustus 2015 juge d'instruction au Tribunal de grande instance de Paris au pôle antiterrorisme) zegt in de studio van France 2 dat de aanslagen ook diplomatieke gevolgen moeten hebben: 'nu omarmen we de staten die het terrorisme steunen en Frankrijk doet dat om de olieleveringen veilig te stellen'. Letterlijk: 'le wahabisme a diffusé cette idéologie sur la planète depuis le conflit de l'Afghanistan. (...) La politique américaine vous savez ce que c'est? On adore les fondamentalistes religieux s'ils sont libérales économiquement. C'est comme ça depuis des années. C'est leur crédo! C'est super les saoudiens, c'est super le Qatar, parce qu'ils commercent, ils sont libérales économiquement. C'est tout ce qui nous intéresse. Donc ils aiment les fondamentalistes religieux. On est dans un paradoxe total.' Commentaar: Dat is een duidelijke verwijzing naar het wezen van het (neo)kolonialisme: het plunderen van bodemrijkdommen door de grote oliemaatschappijen (The Seven Sisters), het installeren en koesteren van een corrupte bovenklasse (clans met hiërarchische familiale banden) in artificiële natiestaten, geen ontwikkeling van de bevolking in de gekoloniseerde staten; dat vormt de ideale voedingsbodem voor radicaal salafisme. Trévidic doet een merkwaardige verspreking: enerzijds vernoemt hij 'la politique américaine', anderzijds zegt hij 'nous'. Net daarin ligt de verklaring: de Amerikaanse politiek van de bovenklasse verschilt niet wezenlijk van die van de Europese of de Russische of de Aziatische bovenklasse. De essentie van het (neo)kolonialisme is de misdadige collusie van particuliere belangen. Het kolonialisme is geen fenomeen tussen staten maar een feitelijk verbond van particuliere groepen die zich van een staatsstructuur bedienen en die misbruiken.
Sociale psychologie. Het ontbreken van de mogelijkheid tot sublimering van driften (onderwijs, wetenschap, kunst, muziek, werk, ...) laat ruim de plaats voor de verheerlijking van oerdriften: seks en geweld. Het vertrek naar oorlogsgebied (Syrië) kadert in die logica.
Vrijdag 13 november 2015 is een trieste datum in de Franse geschiedenis. [Of de uitgekozen datum ook een symbolische betekenis heeft is niet duidelijk: op vrijdag de dertiende oktober 1307 werden in Frankrijk alle Tempeliers op bevel van Philips de Schone gearresteerd, op grond van valse beschuldigingen; dat was de start van de uiteindelijke vernietiging van de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, beter bekend als de Tempeliers. (wiki)]
Westerse staatshoofden zenden de klassieke solidariteitsbetuigingen.
Het is tijd om stil te staan bij de woorden van Malraux: 'Une vie ne vaut rien, mais rien ne vaut une vie.'

laatst aangepast op 20151116, 15:10
HOUELLEBECQ Michel
Onderworpen. Roman (vertaling van Soumission - 2015)
Edited: 201511030052
Paperback. Pp: 224. Een professor aan de Sorbonne, groot kenner van het oeuvre van Joris-Karl Huysmans, ziet zijn land in 2024 aan de vooravond van de presidentsverkiezingen steeds verder polariseren: een burgeroorlog lijkt onvermijdelijk. De traditionele partijen zijn uitgespeeld, de strijd gaat tussen het Front National en de Fraternité musulmane (Moslimbroederschap). Op de valreep doet een van de leiders een politieke meesterzet.Na de kalme triomf van De kaart het gebied, waarmee hij de Prix Goncourt won, is Michel Houellebecq helemaal terug als Frankrijks grootste provocateur. Ook zijn bekende thema's keren terug: liefde, seks, eenzaamheid. Maar voor het eerst eindigt hij met een verrassend majeurakkoord. ISBN: 9789029538619.

Zijn controversiële maatschappijkritische toekomstroman Soumission, - Frans voor 'onderworpenheid/onderwerping', wat 'islam' ook in het Arabisch betekent - verscheen op 7 januari 2015. Na de Franse presidentsverkiezingen van 2022 wordt de leider van de partij La Fraternité musulmane (De Islamitische broederschap), de ambitieuze Mohammed Ben Abbes, in de tweede ronde verkozen, nadat andere partijen in een poging het Front National van de macht te weren, diens kandidatuur ondersteunden. Frankrijk wordt een islamitische staat die de sharia invoert. De roman beschrijft het leven van de misantropische docent Franse letteren aan de Sorbonne, François (een subtiele verwijzing van Houellebecq naar zichzelf), die een specialist en bewonderaar is van het werk van Joris-Karl Huysmans. Na zijn bekering tot de islam, vindt François opnieuw wat geborgenheid en geluk. In het boek haalt Houellebecq ook scherp uit naar politici zoals François Hollande, die aan zijn tweede ambtstermijn als president bezig is, en François Bayrou die een islamitisch premier wordt.[7]. De Nederlandse vertaling heeft als titel Onderworpen en is verschenen op 12 mei 2015[8].

Het werk van Houellebecq wordt in het Nederlands vertaald door Martin de Haan.
Avaaz
Persbericht: Stop de Nederlandse vriendjespolitiek - Pleidooi tegen enge partijpolitiek
Edited: 201511022351
Beste vrienden,

Sinds decennia worden de burgemeesters, leden van adviesraden and hogere ambtenaren grotendeels benoemd in achterkamertjes, waarbij de grote politieke partijen bepalen wie de baan krijgt. Dit is in strijd met onze meest basale democratische principes.

We zien het steeds opnieuw. Wanneer een baan in het openbaar bestuur open komt, kan iedereen solliciteren, maar “Als je geen partijlid bent, maak je geen schijn van kans” -- hoe gekwalificeerd of ervaren je ook bent.

Maar er is een oplossing. Meer Democratie heeft een campagne gelanceerd om de juridische loopholes te schrappen en een onafhankelijke commissie in te stellen die de eerlijkheid en openheid van alle benoemingen bewaakt. Volgens peilingen steunt 70% van de Nederlanders deze hervorming.

Als we nu op korte termijn 40.000 handtekeningen indienen, dan is de Tweede Kamer verplicht om ons voorstel te bespreken en erover te stemmen -- dit is de beste kans die we hebben om ervoor te zorgen dat onze stem luid en duidelijk wordt gehoord. Klik hieronder om een einde te maken aan deze vriendjespolitiek die in strijd is met onze grondwet.


Slechts 2,5% van de volwassen Nederlanders zijn lid van een politieke partij. Wij, de overige 97,5%, worden vanaf het begin uitgesloten. Dat is niet alleen oneerlijk, het is ook een verspilling van talent, omdat de overheid de skills mist van een enorme hoeveelheid hoog gekwalificeerde mensen.
Laten we eens de burgemeesters bekijken. Van de circa 400 gemeenten hebben er niet minder dan 336 een CDA-, PvdA- of VVD-burgemeester (in 2014). De lokale partijen kregen 24% van de stemmen in 2014, maar slechts 3% van alle burgemeestersposten.

Het is ook slecht voor de onafhankelijkheid van alle adviesraden en onderzoekscommissies. Er zijn er honderden -- van de Raad van State en de Nationale Rekenkamer tot aan het Commissariaat voor de Media. Zij moeten de regering onafhankelijk advies geven en hun daden controleren. Het is niet goed als zij gevuld zijn met mensen die allemaal uit dezelfde partijen komen, die elkaar persoonlijk kennen en die elkaar aan banen helpen.

Onze Grondwet zegt dat alle Nederlanders op gelijke voet in openbare dienst benoembaar zijn en dat discriminatie op politieke gronden is verboden. Maar een weinig bekend artikel 5.4 in de Wet Gelijke Behandeling maakt opeens een uitzondering voor publieke benoemingen. Op die manier kunnen zelfs rechters niets doen voor mensen die vermoeden dat zij werden gediscrimineerd.

Deze juridische loophole moet worden afgeschaft. In plaats daarvan zou Nederland het Britse systeem kunnen volgen, dat sinds 150 jaar een Civil Service Commission heeft wiens belangrijkste taak is het voorkomen van partijpolitieke benoemingen en het zorgen voor eerlijke en open benoemingen die zijn gebaseerd op verdienste.

Laten we dit systeem nu veranderen en onze democratie naar een hoger niveau tillen.

Avaaz is een internationaal campagnenetwerk van 41 miljoen mensen en streeft ernaar dat internationale besluitvorming wordt bepaald door inzichten en waarden van de wereldbevolking. ("Avaaz" betekent "stem" of "lied" in veel talen.) Avaaz heeft leden in alle landen van de wereld; ons team is verspreid over 18 landen in 6 werelddelen en werkt in 17 talen.
VAN BEEMEN Olivier
Heineken in Afrika
Edited: 201511001501
Samenvatting
Uitgever: Prometheus Bert Bakker
400 pagina's
Prometheus Bert Bakker
november 2015
Alle productspecificaties
Als geen ander bedrijf dringt Heineken door tot de nerven van Afrikaanse samenlevingen. De multinational, al sinds de jaren dertig actief op het continent, beseft dat toekomstige groei grotendeels hiervandaan moet komen. Heineken in Afrika is het resultaat van drie jaar baanbrekend journalistiek onderzoek. Daarbij bezocht de auteur alle Afrikaanse landen waar Heineken brouwerijen bezit, sprak hij bijna 300 betrokkenen en deed hij diepgravend archief- en literatuuronderzoek. Met zijn levendige en toegankelijke stijl geeft Olivier van Beemen bovendien inzicht in het moderne Afrika en de rol die het bedrijfsleven daar speelt. De onthullingen in Heineken in Afrika, onder meer over belastingontwijking, medeplichtigheid bij mensenrechtenschendingen en omstreden zakenpartners, hebben inmiddels tot vragen geleid in de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Het inspireerde toonaangevende columnisten, zoals Bas Heijne en Sheila Sitalsing, tot vlammende betogen. Heineken negeerde het boek aanvankelijk.

De bierindustrie ziet Afrika als het continent van de toekomst. Markten in Azië, Europa en Amerika lijken over hun hoogtepunt heen: de consumptie per hoofd loopt terug en het massaproduct van de grote brouwers verliest terrein aan de speciaalbieren van kleine, meer ambachtelijke bedrijven. Afrika biedt nog wel groeimogelijkheden, want het verbruik per hoofd ligt laag. Maar het is een erg lastige markt, waar grote sociale en politieke problemen productie en afzet bemoeilijken. Heineken behoort sinds tientallen jaren tot de grote spelers met een reeks fabrieken bijna overal in Afrika. Van Beemens boek analyseert, steunend op grondig onderzoek en veldwerk in tien landen, hoe het bedrijf daar functioneert en vooral hoe het omgaat met die sociale en politieke problemen. Het resultaat is geen requisitoir tegen de brouwer, maar een afgewogen onderzoeksjournalistiek relaas over wat er wel en niet kan en over wat er beter kan en beter zou moeten. Afbeeldingen ontbreken, handige kaartjes zijn er wel, net als een verzorgde annotatie en bronnenopgave.
Noteer dat Jean Pierre Bemba zakenpartner is van Bralima, een dochter van Heineken in Congo.
Zie ook het interview met Van Beemen op FOLLOW THE MONEY en de rol van het Belgische IBECOR
TESSENS Lucas
Katanga-model: the evaporating public sector - de minimale staat
Edited: 201510310005

AFBEELDING TE KLEIN ? Klik met rechtermuisknop op de afbeelding en open ze in een nieuw tabblad.

Katanga model: de minimale staat
Begin 2014 ontwikkelde het Media Expert Research System bovenstaand analyse-model om een inzicht te krijgen in de evoluties op nationaal, Europees en geopolitiek vlak. Het werd de laatste maanden verfijnd en bijgesteld.
In het schema zijn er drie zones:
A. de wegkwijnende zone van de overheidsdiensten en -bedrijven van de natiestaat (links bovenaan);
B. de beperkte zone van de private sector van een natiestaat (links onderaan);
C. de zone van de zogenaamde 'global players', de multinationals en de supra-nationale conglomeraten (rechts op het speelveld).
Het schema tracht duidelijk te maken dat de private sector zoveel mogelijk winstgevende activiteiten van de staat overneemt. Dit is de privatiseringsgolf die we in Europa vanaf de jaren 90 kennen. De private sector oefent een 'push' uit op de publieke sector en bedient zich daarbij van politieke partijen en lobbying.
Tegelijkertijd is er de 'push' van de 'global players' om de nationale private sector via overnames in handen te krijgen.
De logica zegt dat bij een verzwakking van de natiestaat deze geneigd/verplicht zal zijn om de nog resterende activa ten gelde te maken om de begroting te doen kloppen. Die verzwakking gebeurt op twee manieren:
ten eerste doordat de 'global players' haast geen belastingen afdragen aan de natiestaten (cfr. LuxLeaks);
ten tweede door de sociale verplichtingen en de niet-productieve lasten van de staten zodanig te verzwaren dat privatiseringen noodzaak worden, ook als de overheidsbedrijven winstgevend zijn en voor de financiering van de staat kunnen zorgen.
Wat dit laatste betreft dient de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten de belangen van de 'global players'. De opvang van vluchtelingen zal immers een gat slaan in de begrotingen van de natiestaten.
De sleutelsectoren van de staten (energie en nutsbedrijven, geld, kredieten, media, ...) zitten nu in de zone van de 'global players'.
In deze neo-liberale beweging moet de band met de oorspronkelijke eigenaar doorgeknipt worden. Een voorbeeld daarvan is de naamswijziging van het landgebonden BELgacom in het neutrale Proximus.

De laatste jaren stellen we nog een ander fenomeen vast: de staat reorganiseert de overheidsbedrijven op kosten van de collectiviteit om ze dan 'rijp' en winstgevend te privatiseren. Drie voorbeelden: opnieuw Proximus, BPost en Belfius.

Waarom we dit het Katanga-model noemen? Omdat ten tijde van de afscheiding van Katanga van Congo nog slechts drie factoren van tel waren: een marionnet als president, een dominante Union Minière en een repressieve gendarme-macht.


GERARD Emmanuel, DE RIDDER Widukind, MULLER Françoise
Wie heeft LAHAUT vermoord? De geheime koude oorlog in België.
Edited: 201510302153
Op 11 augustus 1950 wordt de eedaflegging van Koning Boudewijn door communisten verstoord met de beruchte kreet “Vive la République!”. Een week later wordt de populaire communistische partijleider, Julien Lahaut, voor zijn deur doodgeschoten. Het is de belangrijkste politieke moord in de Belgische geschiedenis, maar ze wordt nooit opgehelderd. Wie heeft Lahaut vermoord? werpt een kritische blik op het gerechtelijk onderzoek en gaat op zoek naar nieuwe sporen.

Zo vonden de auteurs in een archief een ‘vergeten’ document dat verwijst naar André Moyen, een spion die een anticommunistisch netwerk uitbouwde in het naoorlogse België. Het boek bijt zich vast in de levensloop van Moyen en zijn ondergronds netwerk. De auteurs komen een web van leugens en fouten in het gerechtelijk onderzoek op het spoor. Ze leggen de redenen bloot waarom de moord nooit werd opgelost en plaatsen die in de ruimere context van de geheime Koude Oorlog in België.

Het CEGESOMA, het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij, doet al sinds 2011 onderzoek naar de moord op Lahaut.
Het onderzoek naar de moord op Lahaut werd in opdracht van CEGESOMA geleid door Emmanuel Gerard, historicus en gewoon hoogleraar aan de KU Leuven. Hij werd bijgestaan door de historici Widukind De Ridder en Françoise Muller.
Uit Humo van 20150512:
In de schemering van die mooie zomeravond stonden ze met zijn tweeën voor de deur van de nieuwbouwwoning, rue de la Vecquée 65, Seraing. De grootste van de twee kondigde zich bij Lahauts vrouw aan als ‘Hendricks’ – zo heette een vriend van Lahaut uit het concentratiekamp Neuengamme. Het moordcommando was goed voorbereid. Vijf kogels uit een automatisch pistool Colt kaliber .45, een dode man op de dorpel.

Wanneer het onderzoek naar de moord in 1972 zonder gevolg werd afgesloten, hadden vier onderzoeksrechters niet één verdachte naar de rechtbank weten te brengen. Het waren een tv-maker en een historicus, Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer, die in 1985 de daders aanwezen (toen nog met een pseudoniem). Leider van het commando was François Goossens (toen 40), een verzekeringsagent uit Halle – ‘de zot van Halle’, zo kenden ze hem daar. Naast hem stond stadsgenoot Eugeen Devillé (toen 25). ‘Ik was het die schoot,’ vertelde deze aan een tv-ploeg van Canvas in 2007, Goossens zou zich niet aan de afspraak gehouden hebben gelijktijdig te schieten. Ook zijn broer Alex Devillé (30) en zijn toekomstige schoonbroer Jan Hemelrijck (24) waren in de buurt. Ze kwamen weg in een auto met gestolen nummerplaat, 100.109.


In een interview met Emmanuel Gerard (Cegesoma, 2015/1) verklaart deze dat in het archief van Albert De Vleeschauwer 'een dik pak inlichtingenrapporten van André Moyen zit.' Over De Vleeschauwer verscheen in 2012 een biografie van de hand van Bert Govaerts (zie ons boeknummer 201508141656).
News
Turkije: politie valt binnen bij twee TV-zenders, Kanalturk en Bugun TV.
Edited: 201510291133
NEURINK Judit
De vrouwen van het kalifaat · Slavinnen, moeders en jihadbruiden
Edited: 201510271100
Dit boek verschijnt bij uitgeverij Jurgen Maas, telt 140 pagina's en kost 18,95 euro.
Een samenvatting:
Honderden yezidi-vrouwen leven als seksslavinnen in eigendom van de radicale moslimgroepering ISIS. Jonge vrouwen uit het Westen worden geworven als toekomstige moeders van een nieuwe generatie strijders. Een klein aantal is getraind voor een speciaal politiekorps dat vooral vrouwen moet controleren op het naleven van de regels – maar meedoen aan de strijd mogen ze niet.
Wat is het lot van de yezidi-vrouwen die ISIS in augustus 2014 roofde? Wat voor invloed hebben vrouwen binnen ISIS? Hoe kijken ze aan tegen de rol van de man en het feit dat hij zal gaan sneuvelen – hen alleen achterlatend met de kinderen? Is er liefde binnen ISIS? Zijn er vriendschappen onder vrouwen? Neurink sprak met tientallen aan ISIS ontsnapte yezidi-vrouwen, belde met vrouwen in de bezette stad Mosoel, analyseerde propagandamateriaal van ISIS, verrichtte literatuuronderzoek en volgde de wereldpers over het onderwerp op de voet. Ze werd geraakt door de zwarte werkelijkheid in het kalifaat: hoe yezidi-vrouwen als dieren worden behandeld en hoe de vrouwen binnen ISIS/DAESH in bruutheid niet onderdoen voor mannen. En ook door het feit dat velen die werkelijkheid ontkennen of accepteren om in het kalifaat te kunnen overleven.

Judit Neurink (Goor, 1957) woont in Erbil, het Koerdische gedeelte van Irak. Sinds 2008 werkt ze in dit deel van het Midden-Oosten als correspondent van Trouw. Ook zette ze daar het mediacentrum IMCK op, gesteund door de Nederlandse organisatie Free Press Unlimited. Ze verzorgde trainingen voor Koerdische en Iraakse (Arabischtalige) journalisten om zo de kwaliteit van pers en democratie te verbeteren. Naast journalist is Neurink ook auteur. Over de laatste Joden in Irak schreef Neurink 'De Joodse bruid', over haar leven in Irak 'Mijn Iraakse familie' (2011), over families in Bagdad 'De bange stad' (2009) en over de Iraanse radicale groepering Moedjahedien Khalq 'Misleide martelaren' (2005).
Burak Nalli, politiek wetenschapper, in DS 20151026
In Syrië zullen we blijven falen
Edited: 201510261217
In deze tribune stelt Nalli over het Midden-Oosten: 'Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden er natiestaten die decennialang werden gekoloniseerd door westerse grootmachten.'


Commentaar LT:
Nalli heeft natuurlijk gelijk maar blijft steken in een gemakkelijke analyse: de grootmachten hebben gekoloniseerd. Hij identificeert die 'grootmachten' niet in zijn exposé. Specifiek voor het Midden-Oosten geldt dat de grote oliemaatschappijen (The Seven Sisters) er concessies wisten te verwerven. Het lot van de natiestaten en van hun bevolking lag in de handen van die oliemaatschappijen en de gedweeë heersers die zich al te graag lieten corrumperen met oliedollars. Geen wonder dat er van echte ontwikkeling geen sprake kon zijn. De bevolking liep er maar wat in de weg.
Het wordt tijd dat het Westen inziet en erkent dat de kolonisering geen zaak was van inpalming van gebieden door Europese staten en de USA, maar door industriële 'global players' die uit waren op de grondstoffen en energiebronnen. Zij bedienden zich van het militaire apparaat, de veiligheidsdiensten, de administratie en de vlag van de koloniserende staat om hun positie te vestigen en te consolideren. Dat was zo in het Midden-Oosten. Dat was ook zo in Congo en in geheel Afrika. Tot op vandaag.
LT
Universiteit Gent ontsluit 19de eeuwse kadastrale leggers - PoppKAD
Edited: 201510231652
Tussen 1842 en 1879 publiceerde Philip-Christian Popp (1805-1879) een kadastrale Atlas van België. Dit werk vormt vandaag een eersterangsbron voor al wie op zoek is naar harde informatie over vastgoed en grondbezit in de 19de eeuw.

Het project POPPKAD streeft de ontsluiting van dit omvangrijke basiswerk na met het oog op een betere kennis van de eigendomsverhoudingen in de negentiende eeuw.

MERS Antique Books Antwerp leverde een groot aantal kadastrale leggers voor dit project. Wij feliciteren het projectteam met de eerste realisaties.

Wouter Ronsijn (De kadasterkaarten van Popp: een sleutel tot uw lokale geschiedenis: historische geografie van Aarschot, Asse, Halle en Tienen aan de hand van de kadasterkaarten van Popp. Peeters-Leuven, 2007, 148 pp. - zie ons boeknummer 20070098 ) legde met zijn boek mee de basis voor dit project.
Stuurgroep:
Philippe De Maeyer, hoogleraar, Vakgroep Geografie, Universiteit Gent
Paul Janssens, hoogleraar emeritus, Katholieke Universiteit Brussel en Universiteit Gent
Wouter Ronsijn, postdoctoraal onderzoeker, Vakgroep Geschiedenis, Universiteit Gent
Stijn Van de Perre, docent, Arteveldehogeschool Gent
Bart Van de Putte, docent, Vakgroep Sociologie, Universiteit Gent
Eric Vanhaute, hoogleraar, Vakgroep Geschiedenis, Universiteit Gent (woordvoerder-promotor)
Projectcoördinator en contactpersoon: Sven Vrielinck, Vakgroep Geschiedenis, Universiteit Gent

Hieronder de kaart van de geanalyseerde gemeenten:




Commentaar:
De raadpleging van kadastrale bronnen is steeds een heikel punt geweest in het historisch onderzoek. Het grondbezit reflecteert immers de ongelijkheid in de verdeling van vermogen. In de 19de eeuw was grond het nec plus ultra van vermogen, rijkdom en macht. De huwelijken in de toplaag hadden een uitbreiding van die macht op het oog en de kadastrale atlas van Popp was net om die reden een handig instrument.
Emile Vandervelde (1866-1938) opende in 1900 met zijn studie 'La propriété foncière en Belgique' de weg maar na Wereldoorlog I viel het onderzoek naar grootgrondbezit zo goed als stil.
Was dat de prijs die het socialistische establishment betaalde voor het enkelvoudig stemrecht? Kwam er met andere woorden een stilzwijgende overeenkomst tot stand om de eigendomsverhoudingen buiten de politieke discussie te houden? Waarom zijn de historici meegegaan op deze weg? Welke acties werden er ondernomen om het Kadaster toe te dekken en niet meer consulteerbaar te maken? Was dat om de schrijnende ongelijkheid in de vermogens verborgen te houden? Gebeurde dat om te verbergen dat tijdens de Franse Revolutie enkele tientallen families hun grote slag hadden geslagen bij de verkoop van de zgn. 'nationale goederen'?
Het zijn vragen die het project POPPKAD niet zal beantwoorden. Maar men kan moeilijk om de vaststelling heen dat een systematische verwerking van de kadastrale leggers van Popp veel eerder had kunnen gebeuren indien de fondsen daarvoor waren vrijgemaakt. Er komt een tijd dat men onderzoek zal doen naar het waarom van niet-uitgevoerde onderzoeken, naar de achterliggende drijfveren, de belangen, de combines, de sturing van budgetten en universitaire centra.
Wij hopen dat PoppKAD niet alleen een analyse-instrument zal opleveren maar dat het ook een antwoord zal geven op volgende vraag: 'Hoeveel procent van de eigenaars had hoeveel procent van de onroerende goederen in handen?'

naar de PoppKAD site

Wim Moesen
Professor emeritus Wim Moesen beweert dat de belastingdruk gedaald is. De zoveelste mythe rond het BBP.
Edited: 201510201052
Moesen staaft die bewering door op de ouderwetse manier de belastingontvangsten te delen door het Bruto Binnenlands Product (BBP). Voor 2016 zou dat neerkomen op 50,6 procent.
Het wordt tijd dat de professor wakker wordt.
In de huidige tijd gaat het over de ONGELIJKE en ONEERLIJKE VERDELING van de belastingdruk.

De door Moesen gehanteerde formule is achterhaald, misleidend en dient enkel politieke doelstellingen. Het probleem is dat Moesen tienduizenden studenten opleidde met deze nonsens. Moet je die nu terugroepen omwille van de bij hen ingeplante sjoemelsoftware?

Overigens houdt Moesen geen rekening met de mistige berekening van het BBP. Sinds kort worden prostitutie en drugs meegerekend in het BBP. Een kleuter weet dat als je de noemer van een breuk doet toenemen, de uitkomst van de deling een lager resultaat geeft: A/B > A/(B+n)

Moesen haalt hier een tweede zit en neemt best bijlessen in elementaire rekenkunde.
VVSG
PERSBERICHT: Kadastraal inkomen. Gemeenten verbolgen over Vlaamse besparing op hun kosten
Edited: 201510091006
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten protesteert met klem tegen het voornemen van de Vlaamse regering om hen niet langer te compenseren voor Vlaamse belastingkortingen toegekend aan industriële bedrijven. ‘Vlaanderen lost de eigen budgettaire problemen op door ze gewoon te verschuiven richting de gemeenten’, zegt Luc Martens, voorzitter van de VVSG.

Waarover gaat het?
Net als gronden en gebouwen krijgen ook machines (in het jargon ‘materieel en outillages’) van industriële bedrijven een kadastraal inkomen (KI) toegekend. De voorbije jaren heeft de Vlaamse overheid stelselmatig stukken van dat KI belastingvrij gemaakt, volgens het ritme waarin bedrijven investeren in nieuwe machines. Om te vermijden dat gemeenten hiervan de dupe zouden worden – via de opcentiemen op de onroerende voorheffing krijgen ze op basis van dat KI ook belastinginkomsten – compenseerde de Vlaamse overheid de gemeenten voor de verloren inkomsten, en trad eigenlijk op als derde betaler. In 2014 was al 22% van de KI’s op machines vrijgesteld, en gaf de Vlaamse overheid voor de gemiste belastingen aan de gemeenten een compensatie van 47,9 miljoen euro.
Voor de begrotingsopmaak van 2016 heeft de Vlaamse regering nu beslist om deze compensatie, op 13 miljoen euro na, stop te zetten. De Vlaamse gemeenten verliezen dus onmiddellijk 35 miljoen euro per jaar. Maar naarmate de bedrijven de komende jaren verder investeren in nieuwe machines, zullen de KI-vrijstellingen toenemen en kunnen de gemeentelijke jaarlijkse verliezen oplopen tot 150 miljoen euro.

Reactie VVSG

Op 8 oktober stuurde de VVSG hierover onderstaande brief naar de top van de Vlaamse regering:

De raad van bestuur van de VVSG wijdde op 7 oktober een uitgebreide bespreking aan de beslissing van de Vlaamse regering om de gemeenten vanaf 2016 niet langer te compenseren voor de gevolgen van het belastingvrij worden van het kadastraal inkomen op materieel en outillage (KI mat&out).
De raad van bestuur reageerde verbolgen op deze begrotingsmaatregel, en wel om verschillende redenen.
Ten eerste leidt de beslissing, in het midden van de lokale budgetopmaak, voor veel gemeenten tot een plotse en onvoorspelbare minderontvangst. U weet dat de opmaak van de meerjarenplanning 2014-2019 in veel gemeenten in zeer moeilijke omstandigheden is verlopen, en dat het allesbehalve vanzelfsprekend geweest om daarbij te voldoen aan de door Vlaanderen opgelegde budgettaire evenwichten, én bovendien ook de dienstverlening en de lokale investeringen maximaal te vrijwaren. Het is dan ook bijzonder pijnlijk dat dezelfde overheid die de financiële evenwichten oplegt aan lokale besturen nu een maatregel neemt die het voor hen nog moeilijker maakt om die te bereiken. De maatregel KI mat&out dreigt het grondige saneringswerk dat op vele plaatsen is gebeurd overhoop te halen, waardoor gemeenten tot nieuwe pijnlijke ingrepen worden verplicht.
Ten tweede vindt de raad van bestuur het absoluut niet kunnen dat deze beslissing zonder enige vorm van voorafgaand overleg werd genomen. Nochtans was de vrijstelling van het KI mat&out, gekoppeld aan een compensatie van de belastingverliezen van de gemeenten, een essentieel onderdeel van het Lokaal Pact van 2008, waarvan na een evaluatie in 2013 trouwens werd beslist om beide elementen (de belastingvrijstelling én de compensatie) voort te zetten. Het politieke akkoord van het Lokaal Pact wordt nu eenzijdig gebroken door de Vlaamse regering, wat niet getuigt van interbestuurlijke loyaliteit.
Ten derde weten we dat de maatregel voor 2016 begroot wordt op netto ca. 35 miljoen, maar door bijkomende bedrijfsinvesteringen de komende jaren kan oplopen tot 150 miljoen euro. Voor zover we nu weten, voorziet de beslissing van de Vlaamse regering nergens in het sluiten van dit open einde. Dit is vanuit de gemeenten bekeken totaal onaanvaardbaar. Het zijn niet de gemeenten die beslist hebben om te voorzien in een graduele vrijstelling van de KI’s op materieel en outillage. De Vlaamse overheid heeft hiertoe besloten en moet hiervoor dan ook zelf de budgettaire verantwoordelijkheid dragen.

We begrijpen dat Vlaanderen gedurende enkele jaren nog zou voorzien in een vaste compensatie van 13 miljoen euro. Voor de verdeling van dat bedrag kijkt men ook naar de groei van het Gemeentefonds 2013-2014. We stellen vast dat dit leidt tot vreemde effecten in de individuele gemeentelijke situaties. De vraag rijst zelfs of dit voorstel de toets aan het gelijkheidsbeginsel kan doorstaan.

De eisen van de VVSG zijn duidelijk:
- Het intrekken van deze maatregel. Als Vlaanderen de compensatie niet langer kan financieren, mag het de factuur ervan niet zo maar naar een andere overheid doorschuiven.
- Als men toch doorgaat met de beslissing, moet op zijn minst het ‘open einde’ (de verder oplopende factuur de komende jaren naarmate meer KI mat&out belastingvrij wordt) worden gesloten.

Gemeenten hebben ons intussen gesignaleerd dat, als Vlaanderen hier toch mee doorgaat, ze niet anders zullen kunnen dan de investeringen verder terugschroeven. Dat zou dramatisch zijn, niet alleen voor de uitbouw en het onderhoud van het publieke patrimonium, maar ook voor de duizenden banen in de bouwsector en elders die rechtstreeks samenhangen met de gemeentelijke investeringen.
Verder vrezen besturen dat deze maatregel wel eens zou kunnen leiden tot een wellicht ongewenste lokale ‘tax shift’, waarbij besturen ter compensatie de belastingen op drijfkracht gaan optrekken (of opnieuw invoeren), of de opcentiemen OV optrekken waardoor gezinnen én bedrijven opdraaien voor deze maatregel.

We vernemen dat tijdens de begrotingsbesprekingen geregeld werd verwezen naar de blijvende 3,5% groei van het Gemeentefonds, ‘terwijl alle andere sectoren en departementen moeten inleveren’. Vooreerst willen we bevestigen dat de raad van bestuur van de VVSG deze aangehouden stijging van het Gemeentefonds sterk apprecieert en naar waarde schat. We verwijzen er ook telkens naar in onze publicaties. Toch weet u ook dat die stijging niet mag los gezien worden van andere (Vlaamse en federale) maatregelen die op de lokale budgetten afkomen. Slechts enkele voorbeelden als illustratie:
- Vlaamse maatregelen: de besparing van ca. 10 miljoen euro op de zeven sectorale subsidies die nu naar het Gemeentefonds gaan, én de beslissing om ze niet langer te indexeren; de besparing van 5% of ca. 18 miljoen euro bij de regularisatie van de gesco’s en de beslissing om de nieuwe subsidie niet te koppelen aan de evolutie van de loonkosten (de vroegere korting werkgeversbijdrage was hier wel aan gekoppeld); het verdwijnen van de middelen voor de milieuconvenant; de verlaging en zelfs schrapping van een aantal stromen voor monumentenzorg
- Federale maatregelen: de vennootschapsbelasting op intercommunales (totaal geschat op 200 miljoen euro, dus ca. 120 miljoen minderontvangsten voor de Vlaamse gemeenten); de vermindering van de federale dotatie voor de politie met 2%; de invoering van de hulpverleningszones, met een ontoereikende financiering; de voortdurende stijging van de pensioenuitgaven, die voor de Vlaamse gemeenten, OCMW’s en politiezones elk jaar ongeveer even groot is als de bijkomende middelen uit het Gemeentefonds. In het pensioendossier nemen de lokale besturen een veel grotere budgettaire verantwoordelijkheid op zich dan de andere overheden.
Daar komen de volgende jaren wellicht nog de gevolgen van de federale tax shift bij. Verder blijven de lokale besturen hoogstwaarschijnlijk verstoken van de positieve effecten van de federale verlaging van de werkgeversbijdragen naar 25% en is het bijzonder onzeker dat de verlaging van de btw op schoolgebouwen (wat overigens een zeer goede maatregel is) binnen Europa zal kunnen stand houden.
De groei van het Gemeentefonds met 3,5% betekent dus in geen geval dat de lokale besturen totaal buiten de budgettaire malaise blijven, integendeel.

Namens de raad van bestuur willen we u uitdrukkelijk vragen om de genoemde maatregel te heroverwegen. De VVSG blijft, zoals voorheen trouwens, bereid om hierover met de Vlaamse regering het debat aan te gaan.

Hoogachtend,

Luc Martens, voorzitter VVSG
Stijn Quaghebeur, voorzitter raad van bestuur VVSG
News
Merkel en Hollande voor Europees Parlement: inhoudloos toneelstuk met Verhofstadt in krijsende en armenzwaaiende bijrol.
Edited: 201510081100
Verhofstadt: 'We beleven een polycrisis: de vluchtelingen, de economie, de euro, het duidelijk verlies aan geopolitieke invloed.'
Die analyse kan een klein kind (een 'joengk') maken.
Dat er ook een verregaande lafheid bij politici bestaat door hét probleem van de ongelijkheid niet aan te pakken en de rijken niet mee te laten betalen voor de kosten van de staat, zover kwam Verhofstadt niet want daarvoor is eerlijkheid nodig.
Alle begrotingen bestaan uit inkomsten en uitgaven. Dat is een axioma. Besparen op de uitgaven omdat je de inkomsten niet eerlijk int, is dubbel onrechtvaardig.
De neoliberale taktiek heeft er steeds in bestaan de inboedel van de staat te verkopen om de begrotingen te doen kloppen. Verhofstadt was de kampioen van dat perfide spel. En nu zitten we met private oligarchen die de bevolking naar hartelust kunnen uitzuigen. Zonder democratische controle. En na enige tijd kunnen de politici dan intreden in de raden van bestuur van de geprivatiseerde (nuts-)bedrijven. Als beloning wachten hen dan royale zitpenningen en mega-bonussen.
RTL Nieuws en VTM Nieuws 20150408 meldden:
Zo zit Verhofstadt in de bestuursorganen van APG (NL), Exmar en Sofina (dat belangen heeft in o.a. Danone en GDF/Suez, nu ENGIE). Bij Sofina trok V. in 2014 voor vier vergaderingen zitpenningen ten belope van 138.000 euro.
LT
Wat is een taboe ?
Edited: 201510071446
Een taboe is iets dat wordt beschouwd als ongepast om te gebruiken, te doen of over te spreken. Het woord taboe is afkomstig uit het Tongaans van Polynesië (tapu of tabu), waar het stond voor een religieus verbod op bepaalde plaatsen, voorwerpen, personen of acties. Het woord komt, conform de klankwetten voor de Polynesische talen, terug als tapu, kahu etc.

Het schenden van een taboe in een bepaalde cultuur kan leiden tot reputatieschade, sociale uitsluiting of andere vormen van repercussie. Soms kan het schenden van een taboe leiden tot rechterlijke vervolging.
Taboes kunnen betrekking hebben op:

- het dieet (bijvoorbeeld halal/koosjer, boeddhistisch vegetarisme, hindoeïstisch vegetarisme of het verbod op kannibalisme),
- seksuele activiteiten of relaties (bijvoorbeeld tussen rassen, homoseksualiteit, incest, bestialiteit, pedofilie, necrofilie),
- lichamelijke beperkingen of ongewoon lichamelijk functioneren (bijvoorbeeld winderigheid), gewoonten met betrekking tot lichaamsfuncties (bijvoorbeeld neuspeuteren of in het openbaar winden laten),
- drugsgebruik,
- de aanwezigheid van ongeschonden geslachtsorganen (bijvoorbeeld besnijdenis of vrouwenbesnijdenis),
- het ontbloten van lichaamsdelen (bijvoorbeeld enkels in de Victoriaanse tijd, de haren van vrouwen in de Islam, naaktheid in de VS),
- bepaald taalgebruik (bijvoorbeeld politiek incorrect taalgebruik en dirty talk),
- religie (sommige gelovige mensen zullen kritiek of spot met hun god(en) of religieuze leiders als beledigend ervaren),
- ziektes en handicaps (praten over kanker of aids ligt bij sommige mensen gevoelig), of
- het spreken tegen bepaalde familieleden (bij de Aboriginals, zie onder).
Taboes in een sollicitatiegesprek, zoals het bespreken van zwangerschap, seksuele geaardheid, kinderwens, etc.
Andere voorbeelden van taboes in de westerse cultuur zijn de dood of zelfmoord.

Wat een taboe is, wordt bepaald door de culturele, religieuze of politieke context.

In westerse landen dook het begrip taboe op in maatschappelijke discussies rondom politieke correctheid. Ook wordt het gebruikt om strategieën in meer dagelijks taalgedrag te verklaren (zoals eufemistische en pregnante uitdrukkingen). De zogeheten taboes in de westerse cultuur zijn echter meestal geen echte taboes in de antropologische zin van het woord, maar onderwerpen of discussies die over het algemeen gemeden worden bijvoorbeeld omdat ze gênant of pijnlijk zijn of tot ruzies kunnen leiden. Een voorbeeld van een algemeen voorkomend taboe in de Westerse samenleving in de antropologische zin van het woord is het incesttaboe.

Behalve bij de Polynesiërs staan vooral ook de Australische Aboriginals bekend om een streng en uitgewerkt taboesysteem. In de meeste Australische culturen was of is het verboden binnen bepaalde familierelaties, bijvoorbeeld schoonzoon-schoonmoeder, met elkaar te spreken; men behelpt zich met gebarentaal of, als het niet anders kan, met een speciaal soort taal die grammaticaal gelijk is aan de gewone taal maar heel andere, niet belaste woorden gebruikt. (bron: wiki, 20151007)
VAN ROOY Wim
Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam.
Edited: 201510071210
Hardcover, genaaid, gebonden, leeslint, 656 pp., winkelprijs: 27,50 EUR
Persbericht van Uitgeverij De Blauwe Tijger:
Even leek Waarover men niet spreekt van Wim van Rooy niet te zullen verschijnen. De publicatie van dit kennelijk ‘gevaarlijke’ boek bleek niet evident, wat de noodzaak ervan bewijst. Dankzij Uitgeverij De Blauwe Tijger is het boek weldra verkrijgbaar.
De politieke elite, de mainstream media en de intellectuele klasse collaboreren met instellingen en ideeën die nefast zijn voor een gezonde samenleving. Er wordt volop gecapituleerd voor de vijanden van de democratische rechtsstaat en de vrije samenleving. In deze vlammende ‘J’accuse’ moeten de heilige huisjes van Vlaanderen en Europa anno 2015 eraan geloven. Met knipogen naar eigen belevenissen van vroeger en nu, hakt Van Rooy in op de EU, de multiculturele samenleving, de soldatengodsdienst die de islam volgens hem is en de intellectuele erfenis van mei ’68, waar hij zelf een product van is.
Waarover men niet spreekt is een polemisch-biografisch getint vervolg op de bestseller De malaise van de multiculturaliteit (2008), waarvoor Van Rooy de Vlaamse Paul Scheffer werd genoemd. Met zijn nieuwe boek wordt hij ongetwijfeld de Vlaamse Éric Zemmour. Met Woord vooraf van Paul Cliteur en een indrukwekkende lijst aanbevelingscitaten.
Op de cover een uitspraak van Etienne Vermeersch: 'Ik ben ervan overtuigd dat een verlichte islam mogelijk is, maar dit boek brengt mijn vertrouwen hierop in het gedrang.'
Richard Dawkins
over godsdienst, het Midden-Oosten en geweld in 'Kapelaan van de duivel' (A devil's chaplain, 2003, pagina 187)
Edited: 201510060141
'De bittere haatgevoelens die op dit moment de politiek van het Midden-Oosten vergiftigen zijn geworteld in het reële of vermeende onrecht van de instelling van een joodse staat in een islamitische regio. Gelet op alles wat de joden hadden doorgemaakt moet dat een eerlijke en humane oplossing hebben geleken. Een diepe vertrouwdheid met het Oude Testament had de Europese en Amerikaanse besluitvormers waarschijnlijk een idee gegeven dat dit werkelijk het 'historische thuisland' van de joden was (hoewel de verschrikkelijke bijbelverhalen over de manier waarop Jozua en anderen hun Lebensraum veroverden hun te denken hadden kunnen geven). En zelfs al was die beslissing op dat moment niet gerechtvaardigd, zijn er nu goede gronden om ervoor te pleiten dat, nu Israël eenmaal bestaat, het terugdraaien van de status-quo een nog groter onrecht zou inhouden.
Ik ben niet van plan om me in deze discussie te begeven. Maar als er geen godsdienst had geweest, zou het idee van een joodse staat van meet af aan nooit enige betekenis hebben gehad. En evenmin het idee van een islamitisch grondgebied als iets dat kan worden binnengevallen en ontheiligd. In een wereld zonder godsdienst zouden er geen kruistochten zijn geweest, geen inquisitie, geen anti-semitische pogroms (de mensen van de diaspora zouden allang met andere bevolkingsgroepen vermengd zijn, en niet langer te onderscheiden van hun gastheerpopulaties), geen onlusten in Noord-Ierland (geen etiket om de twee 'gemeenschappen' van elkaar te onderscheiden en geen sektarische scholen om kinderen historische haatgevoelens aan te leren - het zou simpelweg één gemeenschap zijn).'
ABC
WWYD is een TV-format van ABC en focust op gedragingen van mensen in situaties die appeleren aan hun ethisch vermogen. Met verborgen camera, ingehuurde acteurs en onwetende actoren.
Edited: 201510020044
Enkele thema's:
reageren op aanschouwd geweld;
eerlijk zijn wanneer je in een winkel teveel wisselgeld krijgt;
homosexualiteit verdragen in je directe omgeving;
hulp bieden aan jonge vrouwen die op straat worden lastig gevallen (wisselende rolmodellen);
reactie op moeders die hun dochtertjes kleden als hoertjes;
reactie op borstvoeding in het openbaar;
verkoop van een villa in een blanke wijk aan moslims of zwarten;
reageren op racistische taal;
hulpvaardigheid aan mannen, vrouwen, moslims, bij het vervangen van een platte autoband;
cyber bullying door tienermeisjes;
pesten van zwaarlijvige tieners;
reactie van ouders op outing;
waargenomen winkeldiefstal al dan niet signaleren;
gevonden geld (anoniem en eigenaar bekend);
reageren op het aanbieden van alcohol aan minderjarigen;
roken met kleine kinderen in dezelfde ruimte;
inschakeling van politiediensten (calling 911);
differentiële reactie van beroepsgroepen;
rol van de eigen situatie bij reactie;
reageren op een foute relatie werkgever-werknemer;
machteloosheid van een illegale werknemer;
rol van godsdienstige achtergronden (katholiek, islam, ...);
etcetera ...
De hele reeks staat in het teken van de vraag: 'hoe sociale cohesie verhogen door sociale controle ?'. Speelt in op cognitieve dissonantie (ik denk dit en doe iets anders), opvoeding en sociale normen. Opmerkelijk en bemoedigend is ook dat de acteurs die de rol van 'slechterik' spelen zich achteraf schuldig voelen.
link naar de officiële website.
De meeste afleveringen zijn te zien op YouTube.
Een verrassend en verrijkend beeld van de Amerikaanse samenleving! Gezond moraliserend, not just for fun. Wetenschappelijk onderbouwd. Een aanrader voor ons allen en voor Europese programmamakers. Het zou eens wat anders zijn dan de talloze kookprogramma's op onze televisieschermen.

News
Frankrijk bombardeert IS/DAESH in Syrië
Edited: 201509281030
Daarmee kiest Frankrijk voor een tweetrapsmodel: eerst IS en dan Assad. Overigens brengt het Hollande dichter bij Poetin. De keuze is ook logisch want de regering van Assad biedt nog enige structuur in een uiteengevallen land. Realpolitiek dus. Assad is de vijand van onze vijand, dus is het onze vriend. Voorlopig.
Voor Dassault is het een mooie presentatie van de 'capabilities' van de Rafale. Die staat in concurrentie met de F-35. Dassault heeft lopende cont(r)acten met het Franse leger, Egypte, India, Qatar, Brazilië, de VAE.
VERMEERSCH Etienne, interview: Wouter Woussen,foto: Michiel Hendryckx
INTERVIEW ETIENNE VERMEERSCH OVER DE VLUCHTELINGENCRISIS | ‘Het is flauwekul om te zeggen dat we die vluchtelingen nodig hebben’
Edited: 201509050903
De Standaard | 05 SEPTEMBER 2015 |
De tijd dat vluchtelingencrisissen in België opgelost werden in overleg met Etienne Vermeersch, is voorbij. Maar dat de huidige staatssecretaris nog niet gebeld heeft, wil niet zeggen dat de 81-jarige filosoof geen plan klaar heeft.

Hebt u die foto gezien van die Syrische kleuter die dood is aangespoeld op een Turks strand?

‘Ja, maar ik schrik er niet van. Wie schrikt van deze foto, heeft geen verbeelding. We weten dat daar kinderen verdrinken. Maar ik begrijp de emoties wel, het is een zeer aangrijpend beeld.’

Guy Verhofstadt hoopt dat die foto Europa wakker zal schudden. Volgt u hem daarin?

‘Als die foto mensen wakker schudt, is dat goed. Maar je mag hem niet gebruiken om een moraliserend vingertje op te steken tegen goedmenende politici, die worden terechtgewezen alsof ze geen enkele ethiek hebben en de rechten van de mens niet kennen. Het probleem met moralisten is dat ze soms haalbare oplossingen in de weg staan omdat ze een ideale oplossing willen.’

Wat is volgens u een haalbare oplossing?

‘We moeten af van het verdrag van Dublin, dat nu bepaalt dat je asiel moet vragen in het land waar je Europa binnenkomt. Iedereen die de situatie in Griekenland en Italië kent, weet dat dat waanzin is. Er moeten Europese opvangcentra komen en criteria welke vluchtelingen aanvaard en over de landen verdeeld worden volgens quota.’

Hoe stel je die quota op?

‘Door rekening te houden met de situatie van elk land. Spanje heeft een jeugdwerkloosheid van 50 procent. Als je daar nu nog eens een massa mensen naartoe stuurt, maak je dat alleen maar erger. Slovakije en Hongarije hebben dan weer een probleem met moslims.’

Dat is xenofobie. Moet je daar rekening mee houden?

‘We leven niet in een ideale wereld. Ik praat graag over hoe de wereld is en niet over hoe je zou willen dat hij is. Ook onterechte angsten moet je zo veel mogelijk reduceren. Je zou die landen beter kunnen overtuigen om hun deel te doen, als je vluchtelingen een apart, tijdelijk statuut zou geven. Dat is mijn tweede voorstel.’

U bedoelt: vluchtelingen geen volledige burgerrechten toekennen.

‘Vluchtelingen hebben de hoop en de plicht om terug te keren als de oorlog voorbij is. Een statuut dat dat erkent, heeft ook voor hen voordelen, want dan vallen ze bijvoorbeeld niet onder wetten die zeggen dat ze hier geen sociale woning kunnen krijgen als ze in Syrië een huis bezitten.’

Als een conflict zo lang duurt dat hun kinderen ingeburgerd zijn in België, wilt u hen daarna alsnog terugsturen?

‘Dat kun je dan opnieuw bekijken. België heeft na de Kosovo-crisis zulke mensen teruggestuurd. Ik heb daar de grootste problemen mee. Ik heb dat meegemaakt. Dat is hartverscheurend. Het enige wat je kunt doen, is zorgen dat die problemen zich nu niet opnieuw stellen.’

Kunnen die vluchtelingen niet meer bijdragen aan onze samenleving als ze uitzicht hebben op een duurzaam verblijf?

‘We vangen die mensen op om hen te helpen. Het is flauwekul om te zeggen dat we ze nodig hebben. In België hebben we 600.000 werklozen. In Brussel bedraagt de jongerenwerkloosheid 35 procent. Zeggen dat we extra arbeidskrachten nodig hebben, is cynisch.’

Denkt u dat de oorlog in Syrië snel opgelost zal zijn?

‘Een ander deel van mijn plan is dat de Syrische president Bashar al-Assad onmiddellijk gedwongen wordt te stoppen met burgers te bombarderen en dat IS verpletterd wordt. De tweede Golfoorlog was een kapitale stommiteit, maar dit is iets totaal anders. IS is veel gevaarlijker dan Saddam Hoessein. Dat komt door de manier waarop ze hun aanhang werven: met hun militaire successen en hun letterlijke interpretatie van de Koran. De vereniging van 56 moslimlanden zou een vergadering van godgeleerden moeten samenroepen, die gezamenlijk verklaren dat IS de Koran onjuist interpreteert en dus bestreden moet worden. Zij kunnen oproepen tot jihad. Laat een coalitie met Egypte er korte metten mee maken. President al-Sisi zal daar graag aan meewerken. Daarna kunnen de vluchtelingen terug, al kun je misschien een uitzondering maken voor christenen en jezidi’s.’

Waarom?

‘Omdat de situatie voor hen daar misschien nooit meer leefbaar wordt.’

De reden is niet dat u de moslims liever niet in Europa houdt?

‘Hun integratie zal misschien gemakkelijker zijn, hoewel de Europese bevolking met die jezidi’s ook weinig gemeen heeft. Maar het is wel een kleine groep. Homogeniteit van een bevolking is belangrijk. Het is gevaarlijk grote bevolkingsgroepen met een andere cultuur op te nemen. De islam speelt een rol in samenlevingsproblemen in Europa, kijk maar naar die hele discussie over het onverdoofd slachten. De Italiaanse gastarbeiders waren met veel meer, maar herinnert u zich grote samenlevingsproblemen met Italianen?’

Wat zijn de grote samenlevingsproblemen met moslims?

‘Het is een gevaarlijk voorbeeld, maar ik zou kunnen verwijzen naar de verkrachtingscijfers in Zweden. Die zijn op korte tijd spectaculair gestegen. Er zullen altijd verscheidene factoren zijn, maar één van de verklaringen is de instroom van grote groepen moslims, onder meer uit Somalië.’

Maar u kunt dat niet bewijzen?

‘Het is tendentieus om die ene factor eruit te lichten en daarom is het een gevaarlijk voorbeeld. Wat ik wil zeggen is: grote groepen nieuwkomers integreren is zeer moeilijk. We spreken hier nu over die paar miljoen vluchtelingen uit Syrië, maar er staat ons nog iets te wachten. Afrika heeft nu 1,1 miljard inwoners. Volgens de VN zullen er dat in 2050 2 miljard zijn. Nu komen ze al in stromen naar ons toe. Wat moet er met dat miljard gebeuren?’

U hebt daar wellicht ook een plan voor.

‘Een gigantische campagne voor geboortebeperking. Het is niet rechtvaardig dat wij, die ons geboortecijfer onder controle houden, de dupe worden van de ongebreidelde bevolkingsaangroei elders. Waarom heeft Duitsland de minste werklozen? Omdat daar het minste kinderen zijn geboren.’

Dat is toch niet het gevolg van een bewuste campagne?

‘Nee, van een mentaliteit.’

Leidt welstand niet tot geboortebeperking?

‘Als je bevolking explodeert, kun je die welstand niet creëren. Als een bevolking explodeert, krijg je grotere armoede, opstanden en oorlog. Dat is ook waarom de Arabische lente is losgebroken. Syrië had in 1970 zes miljoen inwoners, in 2011 waren dat er 22 miljoen. De Arabische lente is een crisis die is ontstaan door een mislukte oogst in Rusland, waardoor er niet genoeg graan was in Noord-Afrika. Als er volgend jaar nog eens een Russische oogst mislukt, staat er ons nog iets te wachten.’

U wees net op het belang van de homogeniteit van een samenleving. Is de wereld niet sowieso complexer aan het worden?

‘Het is geen gezonde situatie wanneer je in een land groepen hebt die getto’s vormen. De Verenigde Staten waren lang een voorbeeld van een geslaagde meltingpot, maar zij krijgen een steeds grotere instroom van hispanics, waar ze ook geen antwoord op hebben.’

Die instroom is een gevolg van ongelijkheid, precies zoals de migratiedruk op Europa vanuit Afrika. U voorspelt zelf dat die niet zal afnemen. Hoe stelt u voor dat het Europa daarmee omgaat?

‘Ze moeten verdorie stoppen met de bevolking zo te laten groeien! Dat schrijf ik al dertig jaar.’

En doen ze het?

‘Neen.’

U praat graag over de situatie zoals ze is, en niet zoals ze zou moeten zijn. De Afrikaanse bevolking groeit. Wat wilt u doen, een muur bouwen om ze tegen te houden?

‘Die muur staat er al. Er wordt schande gesproken over dat hek in Hongarije, maar rond de Spaanse enclaves in Marokko staan er al lang zulke muren. Dat wordt nu omzeild met bootjes, wel, ze zullen ervoor moeten zorgen dat er niet één bootje meer vertrekt. Waarom verdrinken ze op zee? Omdat ze geloven dat er altijd wel een paar door geraken.’

Moet je dan stoppen met mensen redden, uit angst voor een aanzuigeffect?

‘Natuurlijk niet. Je redt ze, haalt de oorlogs- en politieke vluchtelingen eruit en zet de rest weer aan land waar ze vandaan komen.’

Is het op zich al niet cynisch dat echte oorlogsvluchtelingen hier pas asiel krijgen als ze hier geraken, waardoor ze met duizenden verdrinken in de Middellandse Zee?

‘Het zou al heel wat zijn als we voldoende kunnen doen voor die zes procent Syriërs die hier geraken.’

Iemand die verhongert, maar niet uit een oorlog komt, vliegt terug. Dat is op zich toch al onmenselijk?

‘Dat onderscheid is inderdaad niet humaan, maar de Conventie van Genève naleven is nu al met moeite haalbaar. Als er morgen een oorlog uitbreekt in China, zullen we de grenzen zelfs moeten sluiten voor oorlogsvluchtelingen. We hebben hier een mooi sociaal systeem opgebouwd. Als dat straks onbetaalbaar wordt, zullen de slachtoffers niet de professoren zijn die nu met een opgestoken vingertje opiniestukken schrijven. Het zullen de zwaksten zijn.’

Dan laat je in 2050 iedereen achter die muur verhongeren?

‘Je hebt altijd de morele plicht om dat leed te beperken, maar niet door je eigen bevolking in de miserie te storten. Als je de mensen dwingt om rechten af te staan, drijf je ze tot racisme en xenofobie.’

U had het in het begin van dit gesprek over goedmenende politici die hun best doen. Vindt u dat België genoeg doet?

‘Niet zolang er mensen buiten moeten slapen. Ik denk ook dat we meer mensen kunnen opvangen. Ik passeer vaak aan het station van Melle. Dat staat al jaren leeg. Met een paar aanpassingen kunnen daar drie gezinnen wonen.’

U woont ook vrij ruim.

‘Ik weet dat het duurzamer is om in de stad te leven. Ik heb het ook geprobeerd, maar ik kon niet leven met het lawaai van mijn buren. Voor mij persoonlijk is dit een zeer gezonde manier van leven, maar ik ben er mij van bewust dat je die niet kunt veralgemenen voor de hele bevolking.’

Het zou een metafoor kunnen zijn voor de situatie van Europa in de wereld.

‘Ja. Natuurlijk.’
LT
Een politiek regime moet men afrekenen op zijn methodes, niet op de gehanteerde doelstellingen. Die laatste kunnen immers op zich het resultaat zijn van manipulatie.
Edited: 201509031237
DE WITTE Ludo
Huurlingen, geheim agenten en diplomaten (voorstelling/bespreking)
Edited: 201508081700
ISBN 9789461313294.

De moord op Lumumba, over de eerste democratisch verkozen regeringsleider van Congo in 1961, deed bij verschijnen in 1999 heel wat stof opwaaien. Ludo De Witte's gedetailleerde en gedocumenteerde relaas verplichtte de Belgische politieke klasse voor het eerst de eigen historische verantwoordelijkheid te erkennen.

Het boek leidde tot de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. De commissie-Lumumba leidde wel tot degelijk onderzoek, maar slechts tussen de lijnen van zijn rapport valt voor de kritische lezer te lezen dat de toenmalige regering van Gaston Eyskens (CVP – nu CD&V) en koning Boudewijn niet zomaar toeschouwers waren bij de moord op Patrice Lumumba op 17 januari 1961.

De politieke besluiten van dat onderzoek waren ook typisch Belgisch, een compromis dat niemand tevreden stelde. Eén ding is met het boek van De Witte en de onderzoekscommissie wel veranderd. Niemand die enigszins geloofwaardig wil overkomen, stelt de gebeurtenissen van 1960-1961 nog voor als een louter interne zaak tussen Congolezen.

Vijf jaar chaos


Patrice Lumumba
Na de moord op de enige democratische leider die de Congolezen had samengebracht in al hun etnische, culturele en taalkundige verscheidenheid, volgden vijf jaren van chaos, die het land verder ten gronde richtte. Waar België schoorvoetend enige verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de moord op Lumumba, is dat nog altijd niet het geval met wat gebeurde in de periode die erop volgde en die leidde tot de dictatuur van Mobutu.

Die dictatuur duurde van 1965 tot 1997. Nog steeds zijn er politieke commentatoren die menen dat de staatsgreep van Mobutu een 'noodzakelijk kwaad' was om de vechtende Congolezen tot de orde te roepen. Zij stellen de woelige periode 1961-1965 voor als een louter interne strijd tussen Congolezen, waarbij Belgen en andere Europese ex-kolonisatoren toeschouwers waren, die slechts tussenbeide kwamen om (blanke) mensenlevens te redden. Bovendien, de eerste zes jaar van zijn regime zou Mobutu wel een 'goed' leider geweest zijn, die terug orde en rust bracht.

Goedpraten wordt terug de norm

“Aan die periode van relatieve openheid kwam echter snel een einde, en sinds een jaar of tien gaat het weer de andere kant op.” Vandaag is het terug bon ton om hoogstens kritisch te zijn over de "fouten, overdrijvingen en excessen" van het kolonialisme, de lijfstraffen, het gesegregeerde onderwijs voor de 'évolués', het beroepsverbod voor hogere functies.

Het Belgische koloniale avontuur was slechts een goedbedoelde poging om een volk te emanciperen, waarbij jammer genoeg veel fouten werden gemaakt, de Belgen te Europees dachten, geen rekening hielden met de Afrikaanse karaktertrekken, enzovoort. Weg zijn de economische belangen, het brutale racisme, de collaboratie van de kerk...

“Auteurs als Manu Ruys, Walter Zinzen en David Van Reybrouck houden hun lezers voor dat die coup (van Mobutu in 1965, nvdr) wenselijk en weldoend mag genoemd worden.” De Witte vond slechts één uitzondering op dat discours, het boek van VUB-historicus Guy Van Themsche: Congo. De impact van de kolonie op België (2007), later vertaald als Belgium and the Congo, 1885-1990 (2012)

België was nauw betrokken

Niets is minder waar, stelt Ludo De Witte. De kanker die in 1993-1997 leidde tot de ondergang van Mobutu zat in het systeem ingebakken op de dag zelf dat hij met expliciete goedkeuring van Belgische en Amerikaanse regering de macht greep. Het perscommuniqué, waarin Mobutu zijn coup uitlegde op Radio Leopoldstad1, werd geschreven door Belgisch militair attaché Van Halewijn...

Wanneer na de moord op Lumumba in het oosten van het land ongecoördineerde groepen een opstand beginnen, blijkt het door de Belgen uitgeruste en getrainde Congolese niet bereid zijn leven te wagen tegen tegenstanders die met pijl, boog en machete – tegen beter weten in – niet wegduiken voor het geweervuur van de soldaten.

De simba's ("leeuwen" in het Swahili) geloven immers dat ze onkwetsbaar zijn voor kogels. Waar ieder militair expert een eenzijdige afslachting verwachtte, zoals tijdens de Britse koloniale oorlogen of tijdens de Eerste Wereldoorlog, bleek dit bijgeloof echter een nuttig strategisch wapen.

De ongemotiveerde en nauwelijks betaalde soldaten kozen immers massaal eieren voor hun geld en dropen af voor een tientallen malen kleinere tegenmacht. Voor men in Kinshasa, Brussel en Washington goed en wel doorhad wat er gebeurde, hadden de simba's een groot deel van het land onder controle, een territorium veertig maal groter dan België. Ook de lucratieve mijnen in Katanga kwamen in gevaar.

De leiders van deze simba's, onder wie een jonge Laurent-Désiré Kabila, waren allesbehalve democraten, laat staan dat ze ook maar enige voeling hadden met het communisme. Qua politieke leegheid waren ze de gelijken van de "Binza-boys" die het na de moord op Lumumba in de hoofdstad "Kin" voor het zeggen hadden.

Een allegaartje wint het pleit

Zelfs voor het openlijk neokoloniale weekblad Pourquoi Pas? was de echte oorzaak van deze opstand niet ver te zoeken: “Het is een jacquerie2 van mensen die genoeg hebben van de miserie en de ellendige praktijken van het ANC dat rooft, verkracht en doodt (…) het staat vast dat de beweging spontaan ontstond en aanvankelijk gerechtvaardigd was.”

Het ANC staat hier niet voor de bevrijdingsbeweging van Nelson Mandela maar voor het Armée Nationale Congolaise, het Congolese leger wiens lafheid tegenover gewapende tegenstanders recht evenredig was met zijn gruwelijke roofzucht tegenover de ongewapende bevolking. Dat hun lonen werden gestolen door hun eigen officieren, hielp natuurlijk niet om enige discipline in stand te houden. Bovendien werden de soldaten systematisch gestationeerd in regio's waar ze etnisch of taalkundig geen enkele band mee hadden (een manier van aanpakken die ze van de Belgen hadden overgenomen).

Union Minière

De Belgische regering ging voor een oplossing steeds "te rade" bij de experten ter plaatse. Daar bedoelden ze geenszins Congolese politieke leiders met een basis in de bevolking mee. “Belgische ministers die het beleid in Centraal-Afrika uittekenden, ondernamen weinig zonder de goedkeuring van de bedrijfsleiders van de Union Minière.”


Ooit nog opgericht door koning Leopold II was dit mijnbedrijf onder meer verantwoordelijk voor het delven en verkopen van het uranium in de Shinkolobwe-mijn, dat als brandstof diende voor de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Die Belgische verkoop aan de VS in 1941 maakte het mogelijk dat België naast Frankrijk het enige land ter wereld werd dat volop mee mocht genieten van de Amerikaanse nucleaire knowhow. Met een ver gevolg van die geschiedenis zit België vandaag nog steeds. Geen enkel land ter wereld, na Frankrijk, heeft een dergelijk hoog aandeel in kernenergie voor zijn elektriciteitsproductie (zelfs de VS niet).

De Verenigde Naties

België toonde zich in 1961-1965 een onbeschaamd en openlijk schender van VN-resoluties. De afscheiding van de mijnprovincie Katanga werd logistiek ondersteund. Katangees leider Moïse Thsombé werd na het mislukken van die afscheiding zonder enige schroom binnengehaald als de man die de chaos na Lumumba zou redden.

Zowat heel Afrika protesteerde tegen de benoeming van deze "neokoloniale slaaf" als eerste minister. Brussel lag er niet wakker van. Even gemakkelijk liet Brussel hem vier jaar later vallen, toen een dictatuur onder leiding van stafchef van het leger Joseph Désiré Mobutu een betere optie bleek.

Historische indelingen zijn altijd enigszins arbtitrair, maar de zeven hoofdstukken waarin De Witte de periode 1961-1965 indeelt, zijn logisch. Op de periode-Thsombé volgde de Belgische organisatie van een huurlingenleger ten bate van de grote bedrijven. Het "simbarijk" was van bij het begin immers zeer broos. Het was vooral ontstaan omdat het Congolees leger zo inefficiënt en ongemotiveerd was.

Pokeren met blanke levens

In de Belgische pers werd ondertussen de trom geroffeld van de strijd tegen het communisme. Een humanitaire interventie was noodzakelijk om Belgische gijzelaars uit de handen van de simba's te bevrijden. Er waren inderdaad een aantal Belgische colons vermoord door de simba's, maar dat aantal verbleekte bij de duizenden Congolezen die systematisch werden afgemaakt door het ANC en door de door België ingezette Zuid-Afrikaanse en Rhodesische3 huurlingen.

Het klinkt sinds de oorlogen in de Balkans bekend in de oren, maar de invasie van Stanleystad (Kisangani) en Paulis (Isiro) waren geen gevolg van enige massale afslachting van Belgische en andere gijzelaars. Ze waren er de hoofdoorzaak van. De brutale wreedheden van de ingezette huurlingen waren immers niet van aard de simba's mild te stemmen, wat De Witte gevat omschrijft met de titel van het hoofdstuk 'Pokeren met blanke levens'.

"De Belgen lachen met de koude oorlog"

Washington wilde ondertussen wel helpen om de 'communisten' te bestrijden, maar zat met een 'geloofwaardigheidsprobleem'. “De VS was het enige onafhankelijke land ter wereld – afgezien van het apartheidsregime in Zuid-Afrika – waar mensen wegens hun huidskleur tweederangsburgers waren... [Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken] Dean Rusk erkende informeel dat het binnenlands racisme als een molensteen om de nek van Amerikaanse diplomaten in Afrika hing.”

Belgische bedrijfsleiders wisten ondertussen wel beter. “Tot zijn [minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak] verbazing waren ze het er over eens dat ze met de simbaleiders zaken konden doen als Congo helemaal in hun handen zou vallen.”
De Britten en de VS waren daar niet over te spreken.

“De Britse ambassadeur in Congo... Het Belgisch beleid in Congo is louter dienstig aan de belangen van het bedrijfsleven... Zij zijn niet geïnteresseerd in de Koude Oorlog en lachen met de Amerikanen omdat die achter elke struik een communist zagen.”

Niet bepaald wat in de kranten werd verteld. Bleven Moskou en Beijing afzijdig uit het conflict – al was het maar omdat ze andere interne katten te geselen hadden –, er waren echter wel degelijk 'communisten' aanwezig in het conflict.

De Cubaanse interventie onder leiding van Che Guevara himself was echter nog steeds geheim – satellieten bestonden nog niet – toen ze na enkele maanden al werd afgeblazen. Guevara moest vaststellen dat de leiders van de opstand totaal geen visie hadden op de eigen maatschappij. Het kwam erop neer dat ze zelf aan de macht wilden komen. Daarom alleen hadden ze de leiding van de spontane opstanden van de simba's overgenomen.

'Sterke man Mobutu'


Mobutu Sese Seko
Van het idee dat Mobutu de sterke man zou geweest zijn die boven de strijdende partijen stond, blijft in de analyse van De Witte zo goed als niets over. Meermaals heeft Mobutu tijdens de simba-opstand gevreesd voor zijn overleven.

Hij had ook nauwelijks gezag of controle over zijn troepen, buiten de garnizoenen in Kinshasa zelf. Dat wantrouwen tegenover het eigen leger zou ook tijdens zijn regime blijven voorbestaan. Zonder zijn goed opgeleide en rijkelijk betaalde presidentiële garde liet hij zich nooit zien.

Mobutu was allesbehalve de evidente keuze voor België en de VS, hij was eerder de minst slechte, de minst 'ongeloofwaardige'. Zijn grootste voordeel was dat hij al officieel leider was van het leger. Dat hij geen aanhang had bij de bevolking – zeker niet in de helemaal in het zuiden gelegen hoofdstad Kinshasa, Mobutu kwam uit de noordwestelijke Evenaarsprovincie – was daarbij irrelevant.

Economisch gewin

Wie het boek van De Witte leest ziet een duidelijke lijn in het beleid van de Belgische regering: alles voor het behoud van het economisch gewin, niets voor de Congolese bevolking. Elke Belgische dode was een drama, tienduizenden Congolese doden daarentegen...

De Witte ziet ook een verband met het heden: “Een kritisch onderzoek van het westers beleid inzake Afrika toont aan dat abstracte noties zoals 'de strijd tegen de verspreiding van de Sovjetinvloed' in feite codewoorden waren in de propagandaslag bij de uitbouw van stabiele neokoloniale regimes. Vandaag luiden vanuit dezelfde zorg de codewoorden 'bescherming van fundamentale mensenrechten' en 'plicht tot humanitaire interveniëren'."
Net als toen blijken die nobele principes enkel van toepassing in landen en regimes die tegen westerse economische belangen ingaan.


Ludo De Witte (1956)
Wie liever een geromantiseerd verhaal leest over hoe het goedbedoelde koloniale beschavingsproject is misgelopen kan zijn gade vinden bij vele andere auteurs. Ludo De Witte vertelt daarentegen wat er echt is gebeurd. Dat is meermaals confronterend en voor al wie nog steeds een romantisch beeld koestert van de Belgische kolonisatie onaangenaam om lezen.

Met dit boek neemt De Witte voor de tweede maal het voortouw in een strijd die dit land al zo lang had moeten voeren, voor de eerlijke erkenning van de werkelijkheid van het eigen koloniale verleden.

Ludo De Witte, Huurlingen, geheim agenten en diplomaten, Van Halewyck, Leuven, 2014, ISBN 9789461313294.

1 Leopoldstad, zoals de hoofdstad Kinshasa toen heette. Kinshasa is de naam van het oorspronkelijke dorpje aan de oever van de Congostroom.

2 'Jacquerie', een denigrerende term voor boerenopstanden.

3 Blanke huursoldaten uit de toen nog Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe.

Lode Vanoost
DE GRAUWE Paul in DS-weekblad van 25/7/2015
Citeert Keynes: 'When the facts change, I change my mind. What do you do, Sir?'
Edited: 201508011349
PDG verdedigt aldus zijn bochtenwerk.

Maar PDG vergeet een belangrijke factor in zijn redenering: hij lag mee aan de basis van de veranderde en catastrofale 'facts' die een gevolg waren van de neoliberale gedachten-diarree: afslanken, privatiseren, de minimale staat, belastingverminderingen, afwenteling van belastingen op de middenklasse, ...

Zo heeft de privatiseringsgolf van de laatste dertig jaar sleutelsectoren in handen van 'global players' terecht doen komen. De trend naar monopolisering blijkt niet meer te stoppen. We hebben gezien dat de economische structuur van gedaante gewisseld is. Waar vroeger een samengaan van (gepolitiseerde) overheidsmonopolies met privé-initiatief legio was, nemen nu private molochs de macht over. De natiestaten zijn zo zwak geworden dat een vuist maken niet meer lukt. De uitgeholde en machteloze democratie. De neo-libs hebben stelselmatig gekozen voor privatisering om op ultrakorte termijn de begrotingen sluitend te maken. Voor één jaar! Regeren noemde men dat. Ik noem dat de inboedel verkopen.

Men heeft nooit serieus overwogen om overheidsbedrijven goed te managen. Hoe kon dat ook met de politieke vriendjes die de raden van bestuur bevolkten en die het enkel om zitpenningen te doen was?

De neoliberale uitverkoop heeft ons gebracht waar we nu zijn: een wankelend Europa waar de winsten geprivatiseerd en de lasten gecollectiviseerd zijn. De staat mag nu nog enkel de miserie managen.

Het is natuurlijk makkelijk praten 'when the facts change ...' maar enige eerlijkheid valt er blijkbaar niet te verwachten van een econoom die graag in de schijnwerpers blijft staan.
LT
Embargo tegen Rusland keert zich tegen Europese boeren
Edited: 201507271231
Dat het embargo Russische tegenmaatregelen zou oproepen, was te voorzien. De fragiele Europese landbouwpolitiek blijkt niet bestand tegen het wegvallen van een belangrijke afnemer.
TESSENS Lucas
Tax shift: minimalistische interpretatie
Edited: 201507251141
Wouter Beke (voorzitter CD&V) verstaat onder een tax shift het verschuiven van lasten tussen types van belastingen.
Dat is een minimalistische interpretatie waarin de ethische component volledig ontbreekt.
Een ECHTE tax shift herverdeelt het gewicht van de belastingen en legt de zwaarste lasten op de sterkste schouders. Dat zou een vermogens- of een vermogenswinstbelasting inhouden. Beke weet dat ook wel maar neemt een hypocriete houding aan. Mocht de CD&V de absolute meerderheid hebben - aldus Beke - dan zou de tax shift er heel anders uitzien. Dat is een stelling die nooit te verifiëren valt. Politiek gewauwel dus.
LT
Greece: who was responsible in government? Who cleans up the mess?
Edited: 201507160041


De linkse Griekse regering mag onder geen beding in staat zijn de crisis te bedwingen. Een Grieks succes zou immers een linkse olievlek kunnen worden in het zuiden (Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië). Dat is de politieke kant van de tragedie.
NN
Griekenland door het slijk gehaald. Niet de kolonels maar de EU pleegt coup. De rol van Varoufakis.
Edited: 201507131308
Het akkoord over de Griekse schuld plaatst het land onder curatele.
Zelfs de realisatie van activa (privatiseringen dus) komt in handen van een buitenlands organisme. Het lijkt wel een heruitgave van de Treuhandanstalt.
Hoe Tsipras dat programma gaat verkopen in zijn eigen partij en in het parlement is de grote onbekende.
Het lijkt wel een wraak voor de onthullingen van Varoufakis (zie zijn interview met Schumann). Die legt de ware mechanismen bloot.
De gehele operatie komt erop neer dat de schuldeisers van Griekenland hun vorderingen gevrijwaard weten op de rug van de Europese belastingbetaler. Sinds de onthullingen van Luxleaks weten we wie dat is: de modale burger.
Niemand weet hoe ver we nog verwijderd zijn van een implosie van de euro.

Omdat een militaire coup zeker in Griekenland geen optie leek, koos men voor de technocratische weg om de linkse regering elke geloofwaardigheid te ontnemen.
De erfvijand Turkije, waar Duitse bedrijven enorme belangen hebben opgebouwd, kan enkel garen spinnen bij een Grieks débâcle. Bovendien kan Turkije beter dan Griekenland de rol van bufferstaat vervullen tussen Europa en het explosieve Midden-Oosten met Syrië in de frontlinie.

Hoe de Griekse politieke scene er binnen een paar maanden uitziet, is koffiedik kijken. Maar de stap terug van Varoufakis zou een aanloop kunnen zijn naar een grote linkse overwinning bij nieuwe verkiezingen in een land waar de grote meerderheid van de burgers niets te verliezen heeft. Tsipras wordt dan de pineut die de uitslag van het referendum verloochende, Varoufakis de held die de eer aan zichzelf hield. Dat het emotionele element een hoofdrol gaat spelen staat buiten kijf. Een ongezien democratisch experiment kan het gevolg zijn. In zo'n constellatie dreigt dan weer het Chileense scenario.
Wikipedia + aanvullingen LT
DEMEESTER Wivina - politieke biografie
Edited: 201507111001
Wivina C.F. Demeester-De Meyer (Aalst, 13 december 1943) is een Belgisch politica voor de CD&V.

Wivina Demeester-De Meyer is landbouwkundig ingenieur (UGent). Ze gaf eerst een zevental jaar les voor ze in 1974 voor de CVP een zetel kreeg in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, een mandaat dat ze tot mei 1995 zou blijven uitoefenen. In de periode april 1974-oktober 1980 zetelde ze als gevolg van het toen bestaande dubbelmandaat ook in de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die op 7 december 1971 werd geïnstalleerd. Vanaf 21 oktober 1980 tot mei 1995 was ze lid van de Vlaamse Raad, de opvolger van de Cultuurraad en de voorloper van het huidige Vlaams Parlement. Vervolgens bleef ze gedurende een maand lid van het Vlaams Parlement na de eerste rechtstreekse verkiezingen van 21 mei 1995, waarna ze opnieuw lid werd van de Vlaamse regering. Ze beëindigde haar parlementaire carrière met een mandaat als Vlaams volksvertegenwoordiger van juni 1999 tot juni 2004. Van 1982 tot 1992 en van 2001 tot 2006 was zij ook gemeenteraadslid van Zoersel.

In 1985 werd ze staatssecretaris voor Volksgezondheid in de regeringen Martens VI en VII. Ze maakte oorspronkelijk geen deel uit van de daaropvolgende regering-Martens VIII, maar ze verving later Herman Van Rompuy als staatssecretaris voor Financiën. Toen de Volksunie eind september 1991 uit protest tegen de wapenhandel uit die regering stapte, nam ze van Hugo Schiltz de ministerportefeuilles Begroting en Wetenschapsbeleid over (regering-Martens IX). Tijdens de lange periode van federale regeringsvorming die volgde op Zwarte Zondag, stapte ze over naar het Vlaamse niveau, waar ze van 1992 tot 1999 minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid was.

In die hoedanigheid was zij de Founding Mother van de Belastingdienst voor Vlaanderen (BVV), die in 1997 de inning van het Kijk- en Luistergeld van Belgacom overnam.



In 1999 ging de BVV ook de Onroerende Voorheffing innen. In beide gevallen werd de organisatie van de inning in outsourcing gegeven aan de intercommunale CIPAL. De efficiëntie van de BVV bereikte hoge toppen, mede door de inzet van een gedreven en vernieuwend team.

Op haar initiatief werd in december 1998 Bob Van Reeth als eerste Vlaamse Bouwmeester aangesteld. In een afscheidsbrief aan de Bouwmeester in 2000 verduidelijkt ze dat ze deze bouwmeester nodig had voor haar droom van een brug over de Schelde om de Antwerpse ring te sluiten en omdat de brug een 'kunstwerk' moet zijn, zowel technisch als architecturaal.

Buiten de politiek heeft ze zich ook actief ingezet rond de opvang van mensen met een mentale handicap, o.a. door de oprichting van Monnikenheide, een dienstencentrum voor personen met een mentale handicap. Ook hedendaagse kunst, architectuur en mode interesseren haar sterk. Zo was ze 3 jaar voorzitter van het Flanders Fashion Institute.

Wivina Demeester heeft momenteel een aantal bestuursmandaten in de gezondheids- en welzijnssector. Zo zetelt zij in de Raad van Bestuur van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Daarnaast is zij ook bestuurder van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) die instaat voor de realisatie van het Masterplan Antwerpen en de Oosterweelverbinding, de Karel de Grote Hogeschool Antwerpen, de Singel en van Dexia.

Eind mei 2011 werd bekend dat zij voorzitter wordt van het christelijk geïnspireerd impulsforum, de vzw Logia.

In 2013 nam ze afscheid als voorzitster van het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie, een functie die ze 9 jaar uitoefende.

Onderscheidingen
Op 29 september 2006 nam zij aan de KU Leuven een eredoctoraat in ontvangst voor haar inzet op het vlak van de ontwikkeling van de bio-ethiek in België.
In 2014 werd ze Ridder in de Internationale Orde der Groot Bewakers van de Vrije Schelde voor haar onverdroten inzet van onze Vrije Schelde en de Haven van Antwerpen
Op 11 juli 2015 kreeg ze het Groot Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap, dat toegekend wordt aan Vlamingen die zich gedurende lange tijd verdienstelijk maakten.

website Wivina Demeester
MARCHAL Jules [DELATHUY]
Jules Marchal over dwangarbeid in Kongo - Interview in Belang van Limburg - 23/03/2002
Edited: 201506040842

Het levend koloniaal geweten van België woont in Zuid-Limburg. Jaren leidde hij een geheim bestaan, verscholen tussen het groen in Hoepertingen en achter de schuilnaam A.M. Delathuy, die verwijst naar zijn overgrootmoeder. De hele tijd is het vuur van de heilige verontwaardiging bij Jules Marchal hevig blijven branden. Alleen wil het lichaam van de 77-jarige oud-diplomaat niet meer echt mee.
Als hij voor de derde keer een document uit zijn indrukwekkende archief haalt, botst hij tegen de boekenkast. «Last van evenwichtsstoornissen. Ik ben maar een halve man meer.» Even later, als we het over de Kongolese avonturen van Jef Geeraerts hebben, lichten de ogen guitig op. «Dat was ne hete. Iedereen in Kongo sprak over de uitspattingen van Geeraerts.»

Maar die middag staan geen wufte verhalen op het programma. Jules Marchal heeft pas de laatste hand aan het derde deel over dwangarbeid in Kongo gelegd. «Dwangarbeid voor de palmolie van Lord Leverhulme», klinkt de titel in het Nederlands - helaas is het boek enkel in het Frans beschikbaar. «Er zijn niet genoeg nederlandstalige lezers voor mijn boeken. Bovendien kunnen de zwarten mijn boeken nu ook lezen», zegt Marchal die zijn carrière als ambassadeur in Ghana, Liberia en Sierra Leone afsloot.
Het nieuwe deel in dit stuk sociale geschiedenis van de Belgische kolonie is een litanie van misbruiken en de meest grove schendingen van de rechten van de zwarte bevolking. Taaie literatuur, maar daarom niet minder uniek en meeslepend. Het onderzoek van Marchal, die een duik in de Belgische archieven nam, lag aan de basis van 'De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo' van de Amerikaanse auteur Adam Hochschild. Jules Marchal beschrijft treffend hoe de Belgische kolonisator het systeem van Leopold II gewoon overnam.

Nijlpaardpees

Jules Marchal heeft de misbruiken in de Belgische kolonie zelf meegemaakt. Van 1948 tot aan de onafhankelijkheid in 1960, was hij territoriaal ambtenaar in Lisala in de Evenaarsprovincie. «Twintig dagen per maand moesten we de brousse intrekken om de zwarten duidelijk te maken wat ze moesten doen. We overnachtten in een gîte d'étape. Die zwarten moesten weten dat wij er waren, dat we hen konden straffen. We reisden rond met zes, zeven zwarte soldaten en onze gevangenen. »

Jules Marchal- Gevangenen?
«Ja, we waren ook politierechter, we konden de zwarten die iets mispeuterd hadden ook in de bak steken. En we konden enkel gevangenen met de chicotte, een gedroogde pees van een nijlpaard laten geven. Dat was zeer vernederend. 's Morgens om zes uur moest de hele bevolking van een dorp acte de présence geven. Daarna werden de gevangenen voorgeleid.
Die mannen waren veroordeeld voor onnozele vergrijpen, maar dat was pure hypocrisie. Ze kregen cel als ze hun katoen niet haalden of als hun hut niet in een perfecte staat was (parfait état de propreté). Er mocht geen sprietje gras in de buurt staan- komaan zeg. Die gevangenen moesten dan hun broek afsteken en dan kregen ze zweepslagen op de billen. In conspectu omnium, waar iedereen bijstond. Zeer vernederend was dat.
Toen ik in '48 in Kongo arriveerde, kregen ze nog 8 slagen met de chicotte. In 1952 is dat verminderd tot 4 - maar dat was even erg. Daarom moesten we 20 dagen per maand de brousse in, om die cinema op te voeren. Dat is de grote leugen in verband met Kongo: onder Leopold II was alles slecht en tijdens de Belgische kolonisatie was alles koek en ei.»

Sunlight

Op papier leek het zo mooi. In 1911 kreeg de Britse industrieel William Lever van de Belgische koloniale overheid niet minder dan 750.000 ha Kongolese plantages in pacht. Lever bouwde op basis van palmolie, de grondstof voor zeep, een heel imperium uit. Trots als een pauw overhandigde de Britse industrieel Lever, die later als Lord Leverhulme in de adelstand werd verheven, in maart 1912 het eerste stuk Kongolese zeep verpakt in een ivoren kistje aan koning Albert I. Leverhulme, de man die de wereld Sunlight en later Lux schonk, gold als een filantroop. «Hij bouwde in de buurt van Liverpool een tuinwijk voor zijn arbeiders. Deze stad, Port Sunlight, stond model voor de tuinwijken die later in Meulenberg, Waterschei en Winterslag zijn gebouwd», zegt Jules Marchal.

Bescheidenheid was Leverhulme vreemd. Het hoofdkwartier van de Huileries du Congo Belge was gelegen in Lusanga, nabij Kikwit. Snel werd Lusanga omgedoopt tot Leverville.
Met de steun van de Kongolese Weermacht en de Belgische overheden bouwde Lever in de buurt van Kikwit immense palmolieplantages uit. Maar hoe kwam Lever, die de basis legde van de Brits-Nederlandse voedingsgigant Unilever, in Kongo terecht?
Jules Marchal: «Hij greep naast de concessies van natuurlijke palmoliebomen in Brits West-Afrika. Die werden daar door de zwarten uitgebaat, de Britten gaven geen palmbossen in concessie. Bij ons moesten de zwarten palmnoten aan Lever leveren. Ze moesten kappen, zoniet vlogen ze de gevangenis in.»

Lever kreeg van de Belgen niet alleen een monopolie, de Belgische autoriteiten leverden hem ook dwangarbeiders die voor een schijntje in zijn plantages moesten werken.
«Lever was geen uitzondering. De administratie deed dat voor iedere colon. De zwarten moesten zogezegd niet voor een loon werken, ze moesten gewoon leren werken, omdat ze lui waren. Maar die zwarten waren geen zotten, he, als ze u niet betalen, dan werkt ge ook niet.»

Orgie

De zwarte bevolking kwam ook in opstand tegen de dwangarbeid in de plantages van Lever. Bijzonder schrijnend is het hoofdstuk waarin Marchal de strafexpeditie tegen de Pende, een plaatselijke stam in het dorpje Kilamba beschrijft.
Bij de komst van territoriaal agent Edouard Burnotte in het dorpje, vluchtten alle mannen de brousse in. Burnotte liet daarop alle vrouwen in een hangar opsluiten. Die avond, op 14 mei 1931, liet Burnotte, die in het gezelschap van enkele andere blanken was, enkele kratten bier aanrukken. «De vijf begonnen te drinken en te zingen. Nadien lieten ze enkele vrouwen halen die in de hangar opgesloten zaten. Het werd een van die monsterachtige orgiën die legendarisch waren onder de blanke vrijgezellen in Kongo», schrijft Marchal.

De dag nadien eiste Matemo, de man van een van de vrouwen bij chef de poste Collignon, naar goede Afrikaanse gewoonte betaling voor het nachtje vertier. Collignon siste Matemo toe dat hij kon oprotten, waarop de zwarte hem enkele klappen verkocht en enkele keren flink beet. Uiteindelijk stuurde de gewestbeheerder zijn medewerker Maximilien Balot ter plaatse om een onderzoek uit voeren.
Op 8 juni arriveerde Balot bij Matemo. Tijdens een gevecht raakte Balot gewond en vluchtte het bos in. Daar werd hij door Matemo afgemaakt. Matemo zou het lijk van Balot in stukken gehakt hebben die hij uitdeelde aan de chefs en Pende-notabelen uit de buurt. De zaken liepen danig uit de hand en uiteindelijk werden 300 tot 500 Pende met machinegeweren afgeslacht.

Dit zou een klassiek verhaal over wilde zwarten en belaagde blanken kunnen zijn, ware het niet dat minister van Koloniën Paul Crockaert in het Belgische parlement enkele vervelende vragen over deze affaire kreeg. Daarop werd de magistraat Eugène Jungers, voorzitter van het Hof van Beroep in Kinshasa, op onderzoek uitgestuurd.
Uit het verslag van Jungers blijkt duidelijk dat de blanken zich bij de Pende absoluut onbehoorlijk gedragen hadden en dat de zwarten wel degelijk redenen hadden om zich tegen de dwangarbeid te verzetten.

Typisch voor de belabberde staat van de Belgische archieven: Jules Marchal heeft het oorspronkelijke verslag van de Jungers zending niet kunnen inkijken. Hij baseerde zich dan maar op de parlementaire tussenkomsten van de socialistische voorman Emile Vandervelde die een jaar later hierover de minister van Koloniën aan de tand voelde. Marchal speelt op: «Alles wat ik schrijf is nieuw. Mijn boeken zijn gebaseerd op archieven die nooit door iemand zijn geconsulteerd, die nooit gebruikt zijn door andere historici.»

Vandaag wordt Kongo opnieuw geplunderd, door de buurlanden Rwanda, Oeganda en Zimbabwe die hun legers naar het land gestuurd hebben. Herhaalt de geschiedenis zich?
«Union Minière en de uitbaters van de Kilo Moto-goudmijnen hebben Kongo veel meer geplunderd. Ik moet lachen met wat men nu plunderingen noemt. Onze bedrijven hebben in die mijnen miljoenen verdiend.»

Het derde deel in de reeks over dwangarbeid is pas klaar. U werkt nu aan deel vier...
«Inderdaad. Het hoogtepunt hierin is de dwangarbeid tijdens de tweede wereldoorlog, de effort de guerre (oorlogsinspanning). Wat dat betreft zijn er nagenoeg geen archieven beschikbaar. In opdracht van de gouverneur-generaal droeg de procureur-generaal de parketten in Kongo op dat ze geen documenten meer moesten bijhouden, dat alles in het teken van de 'effort de guerre' moest staan.
Weet ge dat ze de zwarten terug de bossen hebben ingejaagd, om wilde rubber te tappen? Omdat de rubberplantages in Maleisië en Indonesië door de Japanners bezet waren, was er plots veel natuurlijk rubber nodig. Maar de rubberplantages van Leopold II bestonden niet meer, dus moesten de zwarten op zoek naar natuurlijk rubber in de Kongolese bossen. Verder in dat vierde deel komen de dwangarbeid bij de aanleg van wegen, bij de exploitatie van tin in Maniema en van de teelt van katoen aan bod. Ik vrees echter dat ik dit boek niet zal kunnen afwerken...»

DS Weekend
Philipp Blom: de noodzakelijke fictie om te overleven. Je geeft de mogelijke negatieve scenario's niet zoveel gewicht als de positieve.
Edited: 201505251442
Wij hebben een welvarende, vreedzame maatschappij, maar die berust nog steeds op het geweld tegenover een andere. (...) Wij hebben het paradigma van de 17de eeuw nog niet verlaten: groei gebaseerd op exploitatie. (...) Groei is de grootste politieke fetisj. (...) Het is niet rationeel om in God te geloven. (...) We zitten in een post-ideologisch tijdperk waarin de markt wordt gezien als een natuurwet die je niet kunt tegenspreken.
TESSENS Lucas
Kadastraal inkomen: een heet hangijzer. - Een mening.
Edited: 201505171513
Better think twice, zou je dan zeggen. Maar neen, God en klein Peerke heeft er een gedacht over. Even de materie instuderen is er blijkbaar niet bij.
In een moderne federale structuur had het Kadaster (Patrimoniumdocumentatie) reeds lang gesplitst geweest. Dat zou nog eens een ECHTE bevoegdheidsoverdracht zijn.
Het heffen en invorderen van de Onroerende Voorheffing is straks 20 jaar een Vlaamse bevoegdheid. Waarom dan de basisgegevens van de belasting - het Kadaster dus - ook niet aan de gewesten toewijzen?
Enige durf in de politiek kan geen kwaad.
Kleine steekproef uitvergroot
Edited: 201504281038
Een ISPO-onderzoek peilde bij nauwelijks 1.183 kiezers naar hun overtuigingen.
De Standaard leidt daaruit af: 'Vlaming houdt weer van België'. In grote letters op de voorpagina. Het opiniestukje van Bart Sturtewagen is er ook aan gewijd. Op pagina 8 en 9 worden dan de percentages nog eens dik in de verf gezet. Voor- en achteruitgang worden door Wim Winckelmans belicht dat het een lieve lust is. Ik vraag me dan af of de redactie ooit gehoord heeft van betrouwbaarheidsgordels in sociologisch onderzoek. Hier wordt politiek bedreven.
CLERBOUT Geert
En nu gaan ze boeten! Repressie tegen zwarten in Vlaanderen na WO II
Edited: 201503200907


Pb, in-8, 222 pp.
Publicatiedatum: 20 maart 2015
Uitgever: Van Halewyck
Het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt al zeventig jaar achter ons en toch beroert die wereldbrand de gemoederen nog steeds. In ons land zorgt vooral de repressie vandaag nog voor politieke controverse. Hoewel wetenschappelijk onderzoek vele mythes al lang heeft ontkracht, houden ze toch stand. Als het op de repressie aankomt, heeft ieder duidelijk zijn eigen waarheid. In En nu gaan ze boeten! komen de mensen die het zelf hebben meegemaakt aan het woord: collaborateurs, hun kinderen, verzetsmensen, journalisten, politici, professoren, advocaten en substituten. Hun getuigenissen loodsen ons door de eerste jaren na de oorlog en voeren ons van de woelige septemberdagen van 1944, toen enkel de wet van de straat gold, over interneringskampen en gevangenissen, naar de rechtszaal. Ze vertellen over de vernederingen en de excessen, maar evengoed over hulp uit onverwachte hoek. En uiteindelijk blikken ze zelf terug: was de repressie rechtvaardig? Alle partijen hebben hun waarheid, zowel de witten als de zwarten. Historicus Geert Clerbout schreef eerder al Oorlog aan de Dijle en de twee boeken van het tv-programma Publiek Geheim.



Over Ludwine Servaes:





zie ook het boek van Frank Seberechts
TESSENS Lucas
Kloosters en abdijen als vastgoedfirma's
Edited: 201502290908
Het wereldlijke facet van kloosters en abdijen was op het einde van de XVIIIde eeuw dominant geworden. Een groot aantal van deze instellingen kunnen beschouwd worden als echte VASTGOEDFIRMA'S, beleggers en financiers. De kloosters en abdijen beschikten over zoveel grond en gebouwen, dat de politieke machthebbers - Jozef II en later de Franse revolutionairen - hun dominante positie maar al te graag aantastten. Bovendien was de clerus sterk uitgedund en miste hij een maatschappelijk draagvlak. In 2004-2005 heeft het Media Expert Research System een onderzoek uitgevoerd naar het grondbezit van kloosters en abdijen en hun vernietiging/opheffing op het einde van de XVIIIde eeuw. De grote Statenabdijen alleen al bleken 62.388 hectaren in hun bezit te hebben. Dat is omgerekend zo'n 624 vierkante kilometer, vaak van de meest productieve gronden. Tijdens de laat-Oostenrijkse periode en in de Franse Tijd kwamen al de goederen door confiscatie in staatsbezit. De Fransen voegden ze toe aan de staatsdomeinen (vooral bossen) die zij verkregen door verovering van de Oostenrijkse Nederlanden. Vervolgens onderzocht het MERS de verkoop van deze nationale goederen. Het Monasticon bleek een onmisbare bron te zijn, vooral voor de identificatie van de talloze abdijen en kloosters en opzoekingen betreffende hun oprichtingsdatum. De problematiek van de verkoop van de nationale goederen komt in het Monasticon slechts zijdelings aan bod.
Binnen de database van het Instituut voor Financiële Archeologie (IFA) zijn de kloosters en abdijen door ons gecatalogeerd als firma's omwille van hun machtige positie in de landbouweconomie.
LT
Erkende erediensten in België
Edited: 201501191158

Sinds de zogenaamde Lambermontakkoorden is Vlaanderen bevoegd voor de besturen van de eredienst. De erkenning van de erediensten en de wedden en de pensioenen van de bedienaars van de erediensten bleven wel federale bevoegdheden. In België zijn zes erediensten erkend: anglikaans, islamitisch, israëlitisch, orthodox, protestant, rooms-katholiek.



Wordt het geen tijd om 200 jaar na de val van Napoleon de handen af te trekken van erediensten en deze naar de private sfeer te verwijzen?  Napoleon sloot een Concordaat met de katholieke kerk van Rome om de rust in zijn rijk te verzekeren en om de verkoop van de 'nationale goederen' (voornamelijk kerkelijke goederen) te doen consacreren door het Vatikaan. Willen we die politiek nog steeds verder zetten? Een te voeren debat, me dunkt. 


(tekst aangepast op 20150120)

Grexit uit Eurozone niet meer uit te sluiten? - Brexit politieke chantage?
Edited: 201501041813
Zowel een gedwongen Grexit als een zelf aangestuurde Brexit lijken op politieke chantage. De eerste wegens het vermeende gevaar van een ruk naar links in Griekenland. De mogelijkheid van een Brexit wordt eveneens ingegeven door electorale overwegingen.
In beide gevallen opent dat de deur voor fiscale paradijzen aan de zijlijn van de Europese Unie.
LT
Toenadering van USA tot Cuba mogelijk politieke hoax
Edited: 201412180155
De aangekondigde toenadering van de USA - bij monde van president Obama - tot Cuba mag toch met een flinke korrel zout worden genomen. Immers, het door de republikeinen gedomineerde Congres schiet zo'n opening gegarandeerd af. De VRT-nieuwsdienst noemt het nieuws 'historisch'. Enige nuance is aan de orde, me dunkt.
Politie
De VUB-moorden: Moord op Peter De Greef : 22/11/1980 - 23/11/1980 & Daniëlle Girardin : 06/02/1993 - 07/02/1993
Edited: 201412041521
1980
Een groepje jongeren (15 à 20 personen) vanuit de regio Antwerpen, allemaal gestart aan het Atheneum van Hoboken, besluiten naar de universiteit van Brussel te gaan.
Daniëlle Girardin, ook afkomstig uit de regio Antwerpen, kwam niet van het Atheneum maar kende wel enkele van die mensen vanuit de lagere school.
Aan de VUB werd de vriendenkring nog uitgebreid met ondermeer Peter de Greef. Die was in 1980 opnieuw van plan aan de VUB te gaan studeren (hij had al enkele diploma’s op zak, o.a. licentiaat geschiedenis), Hij woonde toen nog in de omgeving van de VUB omdat hij geen afscheid kon nemen van het studentenleven.
22 – 23/11/1980 omstreeks 04.00 uur
In de nacht van zaterdag 22 op zondag 23 november 1980 werd Peter de Greef, toen 24 jaar, doodgeschoten met één kogel in het hart.
Zijn lichaam lag in de Nieuwelaan ter hoogte van n° 179 in Etterbeek.
Een politieman paste nog een hartmassage toe maar Peter was vermoedelijk op slag dood.
Hij had die avond op zijn appartement doorgebracht, samen met Linda Simons, een vriendin, in de Generaal Jacqueslaan 183 te Elsene (Etterbeek).
Rond 3 uur heeft Peter dan Linda te voet naar huis, naar haar kot gebracht 1n de Generaal Bernheimlaan n° 15. Op de terugweg van het kot van Linda naar zijn eigen appartement werd hij beschoten. Hij werd getroffen door een kogel 6.35 uit een klein vuurwapen. (de huls werd teruggevonden) Het motief is nog steeds niet gekend.
Reisweg naar appt. Van Linda (samen): Generaal Jacqueslaan - Nieuwelaan - Generaal Bernheimlaan.
1993
Mevrouw Girardin was heel erg geliefd en werkte aan de VUB van Brussel . De Filosofieprofessor Hubert Dethier kan Daniëlle Girardin goed beschrijven.
Daniëlle had haar doctoraat in de cultuurfilosofie bij hem gemaakt en ze was een tijd lang zijn assistente.
Ze was intellectueel heel erg onderlegd en leefde in de alternatieve sfeer. Zo ging ze bijvoorbeeld overal te voet naar toe, ging ze samen leven bij indianenstammen en sliep ze op de grond. Daniëlle was heel erg begaan met andere mensen.
06 - 07/02/1993 omstreeks 03.45 uur
In de nacht van zaterdag 6 februari op 7 februari 1993 werd Daniëlle Girardin, toen 34 jaar; vermoord met één messteek (in de lever, mespunt reikte tot in het hart).
Ze had net een praatavond bijgewoond over de Aka-stam (Thaise indianenstam), samen met vrienden in Antwerpen.
Iets na 4 uur 's nachts had Danielle de woning van haar vrienden in de Anselmostraat, nabij het oude justitiegebouw, verlaten om te voet terug naar huis te keren.
Ze wandelde vermoedelijk via de volgende straten : Ballaerstraat - Pyckestraat - Markgravelei - Jan van Rijswijcklaan - Populierenlaan - Kruishofstraat - Varenlaan
Danielle woonde toen in de Eglantierlaan in Wilrijk, net om de hoek van de Varenlaan, ruim een half uur stappen van de Anselmostraat.
Haar lichaam lag in de Varenlaan lag ter hoogte van het huis n° 31 en werd ontdekt door een buurtbewoner die naar zijn werk vertrok.
De nacht van de moord stond in de Varenlaan een koppeltje dubbel geparkeerd in een witte pickup. Het meisje had wel iemand op de grond zien liggen maar stond er verder niet bij stil. Buurtbewoners hoorden wel rond 04.30 uur een kreet .
OPSPORINGSVRAGEN
Misschien zijn er mensen die meer over de feiten weten, maar die al die jaren hebben gezwegen omdat ze dat toen niet konden of durfden praten. Hun levenssituatie kan veranderd zijn waardoor ze dit nu wel kunnen.

Heeft Danielle Girardin , misschien tijdens haar buitenlandse reizen, iemand leren die geen goede bedoelingen met haar had. Of heeft ze pech gehad en is ze in handen gevallen van de messentrekker die toen in Antwerpen lelijk huis hield.
Is er een link tussen de twee moorden? Dat is een vraag waar zelfs de speurders geen sluitend antwoord kunnen op kunnen geven. Het bindmiddel tussen Peter en Daniëlle zijn de jaren ‘80 en hun gemeenschappelijke vriendenkring tijdens studieperiode aan de VUB van Brussel. Alle hypotheses en vragen moeten gesteld worden om een goed onderzoek te kunnen voeren.
Het kan zijn Dat Danielle, na al die jaren plots is te weten gekomen wie Peter in 1980 heeft vermoord, maar zelf heeft ze dat tegen niemand gezegd.
Getuigenissen

Alle tips zijn welkom via het gratis telefoonnummer 0800 30.30.0. Discretie wordt gewaarborgd.

of via het emailadres opsporingen@politie.be

Dit opsporingsbericht werd uitgezonden op VTM tijdens de uitzending "TELE FACTS CRIME " op 01/02/2010
VAN SILFHOUT Marcel, VAN DEN BERG Andries
De Ontsporing. Het fiasco Fyra. Botsende ego's en verkeerde wissels.
Edited: 201412031128
Net verschenen boek. Het ontsporen van de Fyra dreunt flink na. De hogesnelheidslijn kostte onze schatkist meer dan zeven miljard euro. En nog hebben we geen snelle trein. Oud FNV-vakbondsman Andries van den Berg en onderzoeksjournalist Marcel van Silfhout kenden de NS in 2001 goed: het spoorbedrijf haalde dagelijks het nieuws met stakingen en vertragingen. Maar de verhitte strijd tussen de staatsmonopolist en het verkeersministerie om de HSL Zuid bleef onder de radar.

In de aanloop naar de parlementaire Fyra-enquête reconstrueerden ze het historische spoorfiasco aan de hand van geheime notities en vertrouwelijke interviews met NS-directeuren, medewerkers en topambtenaren. Botsende ego's, financiële hoogmoed en een worsteling van de NS met de Haagse privatiseringspolitiek leidden tot een dwaas pokerspel. Hoe kon dit ambitieuze project zo dramatisch uit de hand lopen? (bron: Bol.com)
NRC noemt het boek goed maar fel FNV-gekleurd.
MATTHIJS Herman
professor en zogenaamd begrotingsexpert Herman Matthijs bepleit verkoop Belgacom/Proximus en BPost
Edited: 201411292331
Matthijs gaat dus verder met de verkondiging van de neo-liberale nonsens: de staat moet de nog rendabele inboedel verkopen! We privatiseren al jaren wat rendabel is en we collectiviseren wat verlieslatend is. Matthijs, een expert?

Matthijs is samen met andere professoren lid van een studiegroep



Die heeft als doel, en wij citeren: "De werkgroep 'Fiscaal Correct' stelt zich tot doel te werken vanuit een volstrekte onafhankelijkheid. Objectiviteit staat hoog in het vaandel. De werkgroep wenst in geen enkel opzicht in zijn denken en werken begrensd te zijn door politieke of levensbeschouwelijke stromingen. De werkgroep is trouwens niet ontsproten als denktank van één of andere belangengroepering (noch van werkgeverszijde noch van werknemerszijde noch anderszins). Er is evenmin enige directe of indirecte band met dergelijke belangengroeperingen. Een en ander moet de werkgroep in staat stellen vanuit een volledig neutrale geestesgesteldheid te werken en voorstellen te lanceren. Er zijn geen taboes. De enige doelstelling is te komen tot een betere en correctere fiscaliteit en dit zowel ten behoeve van de ondernemer als van de burger in het algemeen."

Andere leden van dit selecte clubje: Dhr. Eddy Claesen, Familiebedrijfadviseur – bemiddelaar, Accountant – belastingsconsulent & gastdocent; Prof. Eric Spruyt, Notaris, docent KU Leuven, HUB-EHSAL en Fiscale Hogeschool; Prof. Luc Maes, Voorzitter Hogere Leergangen voor Fiscale en Sociale Wetenschappen (Fiscale Hogeschool, HUB), Docent HUB, UA en Fiscale Hogeschool; Mark Delanote, docent VUB, ESSF; Prof. Dr. Michel Maus, docent VUB, UGent en UA; Prof. Dr. Miguel De Jonckheere, Hoogleraar VUB, Bijzonder hoogleraar Erasmusuniversiteit Rotterdam; Prof. Dr. Paul Beghin, Gewoon Hoogleraar UGent; Prof. Patrick Wille, docent VUB, UG, Fiscale Hogeschool en Groep T; Mr. Victor Dauginet, advocaat.


TESSENS Lucas
affaires in België - een bibliografie in beelden
Edited: 201411292136




De hier getoonde reeks is niet exhaustief en dus voor aanvulling vatbaar. De misdaden en misdrijven zijn vermengd met white collar crime en 'regelingen in een grijze zone'. Wat te zeggen indien de wetgever zelf de lacunes in de wetgeving inschrijft? Wat te zeggen indien de criminele netwerken uitlopers hebben tot in de magistratuur, het bedrijfsleven, de controle-mechanismen, het politie-apparaat, de kabinetten, ... ? Wat te zeggen indien wordt vastgesteld dat de middelen van justitie beknot worden en dat financiën kampt met onderbemanning? Wat te zeggen over uitgelokte en gefaciliteerde verjaringsprocedures?



REICH Robert B. (1946)
De wereld aan het werk. Politiek en economie in de 21ste eeuw. (vertaling van The work of nations : preparing ourselves for 21st-century capitalism. - 1991)
Edited: 201411260026
Profetisch, hard en razend interessant. Een grensverleggend boek voor de Amerikaanse economische theorie. Over inkomensongelijkheid: "Tegelijkertijd is in de bedrijven de inkomenskloof tussen leidinggevenden en uitvoerenden voortdurend groter geworden. In 1960 verdiende de directeur van een van Amerika's honderd grootste niet-financiële bedrijven gemiddeld 190.000 dollar, ongeveer 40 maal (na belasting 12 maal) zo veel als de gemiddelde fabrieksarbeider. Aan het eind van de jaren 80 evenwel bedroeg het inkomen van de gemiddelde directeur meer dan 2.000.000 dollar - 93 maal het salaris van zijn (hoogst zelden haar) gemiddelde werknemer. Na belastingen hield de directeur nog altijd 70 maal zo veel over als de gemiddelde werknemer. Deze divergentie komt overeen met een toenemende inkomensongelijkheid bij Amerikanen in het algemeen."

zie boek 201506251655
Belga
Gewezen Vlaamse ministers die niet opnieuw in de regering zijn opgenomen kunnen nog tot 2019 elk twee medewerkers in dienst houden. Gewezen SP.A-ministers Ingrid Lieten en Freya Van den Bossche maken gebruik van die regeling. De medewerkers worden betaald door minister-president Geert Bourgeois (N-VA). De totale kostprijs loopt tegen 2019 op tot 2,5 miljoen euro. Ook op federaal niveau geldt deze regeling, zo meldt DS van 20141121.
Edited: 201411202304
Vlaamse ministers die na de verkiezingen geen nieuwe ministerpost krijgen, hebben in de volgende legislatuur recht op twee medewerkers, een staflid en een uitvoerend personeelslid. Dat staat in een besluit van de Vlaamse regering uit 2009.

Uit een antwoord van minister-president Geert Bourgeois op een vraag van Vlaams Belang-parlementslid Tom Van Grieken blijkt nu dat er twee Vlaamse ex-ministers van de regeling gebruik maken. Het gaat om gewezen SP.A-ministers Ingrid Lieten en Freya Van den Bossche. De rest van de vorige Vlaamse ministerploeg is trouwens opnieuw aan de slag als minister in de nieuwe Vlaamse regering (Geert Bourgeois, Philippe Muyters, Hilde Crevits, Joke Schauvliege en Jo Vandeurzen) of in een andere regering (Kris Peeters in de federale regering en Pascal Smet in de Brusselse regering).

De totale kostprijs voor de medewerkers voor Lieten en Van den Bossche bedraagt bijna 500.000 euro per jaar en dus bijna 2,5 miljoen tegen 2019. De medewerkers worden ook betaald vanuit het kabinet van de minister-president.

Vlaams minister-president Geert Bourgeois liet afgelopen zomer in De Tijd al verstaan dat hij niet gelukkig is met de regeling. "Je kan je inderdaad vragen stellen bij de huidige regeling. Ze wordt op dit moment onderzocht", aldus Bourgeois in het antwoord op de schriftelijke vraag.

Vraagsteller Tom Van Grieken zelf noemt de regeling "politieke zelfbediening ten top" en een "verkwisting van belastinggeld". Hij roept de Vlaamse regering op de "gunstmaatregel" af te schaffen en dringt er bij de twee ex-ministers op aan afstand te doen van hun recht.
Koningin Elisabeth over haar zoon Leopold III op 26 mei 1945
'als het de ideeën van Leopold kende, rechts zou verbaasd zijn, misschien wel afgeschrikt'
Edited: 201411151359

Marc Reynebeau brengt in De Standaard van 20141115 deze uitspraak van de 'rode' koningin in herinnering. De slotvraag van zijn column luidt: 'Is er iets wat historici nog niet weten?'

Het is een beetje aanmatigend van MR te beweren dat hij weet wat historici weten en niet weten. Maar tot daar nog aan toe.

Erger is het te moeten vaststellen dat Reynebeau blijkbaar nog geen aandachtige lezing van het 'Politieke Testament' van Leopold III heeft gedaan. Hij zou dan weten dat Leopold III tegen de schenen van het establishment durfde te schoppen. En dat is nu niet bepaald 'rechts' te noemen.

Wie enkele feiten op een rij zet, kijkt misschien anders tegen de koningskwestie aan:

1) Spaak en Pierlot, ministers op de vlucht, zetten in mei 1940 de vader van Lilian (en latere schoonvader van Leopold), Hendrik Baels, de Vlaamsvoelende gouverneur van West-Vlaanderen af omdat die zijn post zou hebben verlaten;

2) Leopold huwt Lilian Baels;

3) Leopold pleit in zijn Politiek Testament voor de erkenning van de Vlaamse eisen;

4) Leopold kon de uraniumakkoorden die de Londense regering met de Amerikanen en de Engelsen had gesloten, afkeuren;

5) De particratie wilde af van een te bemoeizuchtige koning.

Het probleem met een aantal historici is dat alle elementen van een relaas in hun interpretatie moeten passen. Dissonante feiten worden verzwegen, slechts terloops aangeraakt of niet uitgespit. Er bestaat zoiets als een stilzwijgende 'code' om te conformeren aan de gevestigde interpretatie van het korps. Ook economen en gewillig volgende politici zijn in dat bedje ziek; we voelen dat in onze portemonnee.
Leopold III
Het politiek testament van koning Leopold III
Edited: 201410091056



MEMORANDUM, GESCHREVEN OM PERSOONLIJK

EN VERTROUWELIJK AAN DE HEER PIERLOT TE WORDEN OVERHANDIGD,

VOLTOOID OP 25 JANUARI 1944

We zijn in het zesde oorlogsjaar aanbeland. Niets laat ons toe met zekerheid te stellen dat het staken van de vijandelijkheden in Europa of de bevrijding van ons grondgebied dichtbij zijn. Maar een zodanige wending van de gebeurtenissen, die een plotselinge wijziging van het bezettingsregime in België met zich zou brengen, is in de toekomst mogelijk.

Op 29 mei 1940 werd ik, op bevel van de Führer Kanselier van het Reich, van Brugge naar het kasteel van Laken overgebracht. Dat werd mijn verplichte verblijfplaats, ondanks mijn uitdrukkelijke wens om het lot van mijn leger te delen.

Het is niet uitgesloten dat de Duitse overheid mij om militaire of politieke redenen een nieuwe verblijfplaats oplegt en ditmaal buiten het koninkrijk.

Ik vind het belangrijk dat het land, in de misschien lange tussentijd tussen zijn bevrijding en mijn terugkeer uit gevangenschap, in die beslissende dagen niet verstoken zou blijven van adviezen van mijn kant over aangelegenheden van het allergrootste belang.

Dat is de reden waarom ik hier, ten gerieve van hen die de macht tijdelijk zouden uitoefenen, mijn aanbevelingen op papier zet betreffende het te volgen beleid in het hoger belang van de natie.

Om alle vooroordelen en twijfels weg te nemen, meen ik dat het nuttig is om vooraf kort uiteen te zetten welke mijn houding is geweest sedert mei 1940.

1. Vooreerst heb ik op 25 mei geoordeeld - en ik ben inmiddels nooit van gedacht veranderd - dat het strijdig geweest ware met het belang van het land als ik met de ministers naar het buitenland zou zijn vertrokken.

Het leger in de steek laten voordat de strijd beëindigd was, zou een militaire fout zijn geweest, want elke weerstand zou ogenblikkelijk zijn gestaakt.

Vluchten op het moment dat de wapens werden neergelegd, leek mij een daad die strijdig was met de eer van een legeraanvoerder.

Mijn aanwezigheid in het buitenland zonder militaire macht van betekenis, zou een louter symbolische waarde hebben gehad. Daartoe volstonden enkele ministers.

Maar, eens het grondgebied zich in de macht van de aanvaller bevond, was het belangrijk dat het staatshoofd het land slechts verliet, weggevoerd door de overwinnaar. Zijn aanwezigheid was des te noodzakelijker omdat de eenheid van het land was bedreigd door ernstig plichtsverzuim dat plotseling aan het licht was gekomen en omdat als gevolg van een noodlottige verstandsverbijstering, de meeste gezagsdragers waren gevlucht en te veel overheden hun post hadden verlaten.

Op een moment waarop de bondgenoten waren uitgeteld door een verschrikkelijk onheil en de vijand was opgewonden door militaire successen zonder voorgaande, was het door de tegenspoed van mijn leger en van mijn volk te delen dat ik de onverbrekelijke eenheid van het vorstenhuis en van de Staat bevestigde en dat ik de belangen van het vaderland behoedde, welke ook de

afloop van de oorlog zou zijn. De militaire eer, de waardigheid van de kroon en het belang van het land wezen in de dezelfde richting en maakten het mij onmogelijk om samen met de regering België te verlaten.

2. Ik heb het steeds als mijn opperste plicht beschouwd om met al mijn krachten bij te dragen tot het instandhouden van de nationale onafhankelijkheid. Net als al mijn voorgangers heb ik altijd de Grondwet nageleefd. In geen enkele omstandigheid heb ik overwogen om die te schenden. Ik neem een mogelijke herziening ervan slechts in overweging als het Belgische volk zijn wil daartoe vrij tot uitdrukking brengt.

De geruchten die de bedoeling hadden daarover twijfel te zaaien, zijn uit de lucht gegrepen en al wie ze heeft verspreid, heeft het vorstenhuis belasterd en een misdaad tegen België gepleegd.

Voor het overige heb ik me sedert 28 mei 1940 strikt gehouden aan mijn status van krijgsgevangene in handen van de vijand en heb ik geoordeeld dat het niet met de waardigheid van de kroon en met de belangen van het land strookte dat ik daar rechtstreeks of onrechtstreeks ooit van afweek.

Die afzijdigheid op het politieke vlak belette niet dat ik op het humanitaire vlak tussenkwam ten voordele van personen, groepen of zelfs de hele bevolking.

De genadeverzoeken, de vrijlating of op zijn minst de verlichting van het lot van onze krijgsgevangenen, de bevoorrading van de bevolking, daarvoor heb ik voortdurend aandacht gehad. Op dat vlak zijn mijn inspanningen gedeeltelijk met succes bekroond. Inzake de wegvoeringen en de financiële lasten stuitte ik spijtig genoeg op de weigering om terug te komen op de getroffen beslissingen.

Men heeft mij vaak verweten dat ik tussenbeide was gekomen op het administratieve vlak. Ik verklaar dat ik helemaal niets te maken had noch met de keuze noch met het beleid van de secretarissen-generaal, wie ze ook waren. Wel eis ik het initiatief op van de oprichting van de O.T.A.D.

Hiermee is dus voldoende licht geworpen op het verleden, laten we het nu hebben over de opdrachten voor de toekomst.

1. DE VERSTANDHOUDING TUSSEN VLAMINGEN EN WALEN

De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen zal de belangrijkste taak van de regering zijn. Het voortbestaan van een onafhankelijk België zal daarvan afhangen.

De historici zullen vaststellen dat België tussen 1914 en 1944 een vreselijke nationaliteitscrisis heeft meegemaakt.

Na een lange periode van ongelijkheden en onmiskenbare onrechtvaardigheden heeft ons Vlaamse volk, trots op zijn schitterend verleden en bewust van zijn mogelijkheden in de toekomst, besloten een einde te maken aan de pesterijen van een egoïstische en bekrompen leidende minderheid die weigerde zijn taal te spreken en deel te nemen aan het volksleven.

Het onbegrip van het parlement en de traagheid van de opeenvolgende regeringen om die rechtmatige

verzuchtingen te voldoen, hebben de eisers verbitterd. Sommigen zijn ertoe gekomen om zich te willen afscheiden van de Walen en om België te vervloeken. Dit lokte een Waalse reactie uit en het zou gevaarlijk zijn de draagwijdte ervan te onderschatten.

Onder het voorwendsel van cultuur en van taal, hebben extremisten, al dan niet onder de bescherming van de bezetter, bewust gewerkt aan de vernietiging van de Belgische Staat – we hebben dat gezien en gehoord.

Anderzijds is onze publieke opinie – die slecht is voorgelicht en te gevoelig is voor de sentimentele verleidingen uit het buitenland – sedert 30 jaar geneigd om te geloven dat haar veiligheid in de eerste plaats afhangt van de gevoelens van genegenheid van het buitenland. Ze schijnt te vergeten dat het behoud van de nationale onafhankelijkheid voortvloeit uit en altijd en vooral zal voortvloeien uit de geografische ligging van het land, zijn natuurlijke rijkdommen, de werklust van zijn inwoners en hun wil om vrij te blijven.

De verkondiging van dit historisch vast gegeven moet het postulaat vormen dat elke internationale samenwerking voorafgaat en die laatste kan alleen worden opgevat op basis van een billijke wederkerigheid.

Omdat ze dezelfde belangen hadden, hebben Vlaanderen en Wallonië sedert heel lang een gemeenschappelijke lotsbestemming gehad en hebben ze een eenheid gevormd die ontembaar aan alle annexatiepogingen het hoofd heeft geboden. Nooit heeft hun eenheid een crisis beleefd die ook maar bij benadering zo erg was als die van de huidige generatie.

Ik hoop dat de hevigheid van de beroering die we nu beleven de ogen van de brave burgers heeft geopend voor sommige aspecten van de werkelijkheid waarvoor ze te weinig belangstelling hadden betoond. Ik hoop dat dit bij Vlamingen en Walen de wil zal hebben aangewakkerd om zich in een nieuw België opnieuw rond de nationale driekleur te scharen en dat zij, verenigd op volstrekt gelijke voet, België met eenzelfde liefde en ijver zullen dienen. Ik reken op het doorzicht van het Brusselse gemeentebestuur opdat de hoofdstad van het koninkrijk eindelijk zijn rol van taalkundig bindteken en bicultureel uitstralingscentrum zou spelen die het nationaal fatsoen hem voorschrijft.

2. DE SOCIALE REORGANISATIE

Deze wereldoorlog is de geboorte van een nieuwe wereld. Goedschiks of kwaadschiks ontwikkelt zich, in de staten die zich beroepen op tradities van vrijheid en individualisme net als in de staten die hebben gekozen voor een autoritair regime, een economische, organieke en sociale revolutie zonder weerga die wezenlijk dezelfde is – zij het dat ze gebeurt onder verschillende vlaggen en door gebruik van uiteenlopende middelen.

Ook al kan men noch het kader noch het eindpunt van die verandering bepalen, toch heeft men het recht te verklaren dat een onomkeerbare stroom alle samenlevingsvormen naar een volkomen nieuwe toekomst meevoert.

Het komt erop aan zich niet uit te sloven om in duigen vallende normen te handhaven. Men moet zich vastberaden aan de onvermijdelijke ontwikkeling aanpassen en België de economische en sociale onderbouw bezorgen die het de nodige sterkte en doelmatigheid geeft opdat het zijn bevolking een waardige en bevredigende levensstandaard kan verschaffen. Die bevolking leeft bijeengepakt op een klein grondgebied en wordt bedreigd door een buitenlandse concurrentie die scherper en oneindig machtiger is dan weleer.

Het individualisme en het economisch liberalisme waarvoor de negentiende eeuw de gouden tijd was, zullen willens nillens plaats ruimen voor een systeem dat meer gelijkheid nastreeft. Het zal de leiders toekomen erover te waken dat onze toekomstige sociale organisatie zal zijn doordrongen van en meer in overeenstemming zal zijn met de christelijke naastenliefde en de menselijke waardigheid.

Mijn rol van grondwettelijke vorst draagt me de taak niet op om een programma van verwezenlijkingen op te stellen noch om te kiezen voor of tegen een of andere leerstelling, maar ik zou in mijn opdracht tekortschieten als ik hier niet enkele beginselen ter overweging meegaf die alleen de uitdrukking zijn van de billijkheid.

Ik beschouw ruime sociale hervormingen als dringend, want de schandalige tegenstelling tussen de armoede waarmee de oorlog tot tweemaal toe de enen heeft overladen en de buitensporige winsten die de anderen zich hebben toegeëigend, stelt de onrechtvaardigheid in het licht van een egoïstisch en kwaadaardig regime, waaraan een einde moet komen.

Zodra het land is bevrijd, zullen de regeringen de plicht hebben het recht op arbeid en de plicht daartoe te bevestigen. Door de vaststelling van rechtvaardige lonen en de uitbreiding van de verplichte verzekeringen, moeten ze de arbeiders de waardigheid en de veiligheid bezorgen die zij in het verleden al te vaak hebben moeten ontberen.

De paritaire verbondenheid van de werkgevers- en werknemersorganisaties in beroepsgroeperingen, alsook een nauwgezette en billijke herschikking tussen arbeid en kapitaal zullen het mogelijk maken in de schoot van de ondernemingen de voorwaarden voor een gezonde samenwerking te vestigen. Door in de wereld van de arbeid een sfeer van stabiliteit en welzijn te scheppen, zal deze vooruitgang een geest van sociale solidariteit doen waaien die voor het land van even wezenlijk belang zal zijn als de verstandhouding en de gelijkheid tussen Vlamingen en Walen. Op het hogere niveau komt het de staat toe het algemeen belang te vertolken, de harmonische werking van het geheel van de grote beroepsgroepen te coördineren en de organisatie van de arbeid en van de sociale verhoudingen te controleren.

Het komt de Staat ook toe de economische ontwikkeling in een richting te leiden die meer is aangepast aan de natuurlijke rijkdommen van onze bodem en aan de mogelijkheden en de levensbehoeften van onze bevolking.

Het is van belang een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de verschillende takken van de economische bedrijvigheid van het land door de landbouw, die zo belngrijk is voor ons onafhankelijk bestaan, de plaats te geven die haar toekomt.

Het is ten slotte aangewezen een billijkere verdeling van de verbruiksgoederen te verzekeren.

Arbeidsplicht, recht op arbeid en bescherming van de arbeid – herstel van de beroepseer en de beroepsbekwaamheid – nationale samenwerking en solidariteit – verstandige organisatie van de economie, ordelijke productie en consumptie – ziedaar de grondslagen van de onmiddellijke vernieuwing die een betere toekomst moet voorbereiden.

Ik reken erop dat de gezagsdragers die weg zullen inslaan en elke andere overweging dan het belang van het land en de sociale rechtvaardigheid opzij zullen schuiven.

Als ze dit zouden verzuimen, zou België tijden van gevaarlijke politieke onrust tegemoet gaan.

3. DE POLITIEKE HERVORMINGEN

Zullen de wijzigingen aan de economische en sociale structuren een hervorming van de politieke instellingen teweegbrengen? Dat lijkt onvermijdelijk.

De gebreken van de oude manier van regeren en de ongehoorde incidentendie er in 1940 het sluitstuk van waren, hebben de ogen geopend van de meest behoudsgezinde kringen. Het land zal niet aanvaarden dat men zonder meer naar deze vooroorlogse dwalingen terugkeert. Het wenst dat de macht wordt uitgeoefend door onkreukbare en bekwame mensen, die ermee ophouden het algemeen belang in te vullen op de maat van de partijbelangen. Het wenst dat die mensen de nodige macht krijgen om met gezag en continuïteit de belangrijkste en dringende problemen op te lossen.

Een Raad van State had al lang moeten zijn opgericht. Koning Albert had de oprichting ervan al aanbevolen. Het land heeft nood aan wetten en verordeningen die behoorlijk zijn opgesteld. De burgers hebben het recht te worden beschermd tegen de mogelijke willekeur van een regering waarvan de machten uitgebreider zullen zijn.

De ministeriële verantwoordelijkheid moet ophouden een abstract beginsel te zijn dat nergens in een wetboek is vastgelegd. Ze moet een juridisch werkbaar begrip worden dat het mogelijk maakt de ministers te treffen wier zware fouten de belangen van de Staat hebben geschaad.

In welke mate en op welke wijze is het nodig het politiek statuut van het koninkrijk een nieuwe inhoud te geven?

Het komt het Belgische volk toe daarover te beslissen: zodra de omstandigheden het mogelijk maken, kan het zich daarover vrij uitspreken.

4. DE HERVORMING VAN DE OPVOEDING

Ik pleit ervoor bijzondere aandacht te besteden aan de jeugd, die het lot van het België van morgen in handen houdt.

Indien het land in 1940 zijn geloof in zijn lotsbestemming tijdelijk heeft verloren, dan is dat te wijten aan het feit dat onze kinderen onvoldoende tot burgerzin worden opgevoed, wat een schuldig verzuim is. De toekomst van de natie vereist dat onze jeugd fysiek sterk is, doordrongen van edele verzuchtingen en grootmoedige idealen, gedreven door persoonlijke fierheid en sociale

solidariteit, in hart en nieren en vastberaden patriottisch. Op dat vlak staan we nog bijna nergens.

5. DE MILITAIRE REORGANISATIE

Het einde van de vijandelijkheden zou een gezagscrisis kunnen veroorzaken die weleens de vorm van geweldplegingen kan aannemen. Bij gebrek aan een gewapende macht – die op een wettelijke basis is gevormd en bestaat uit manschappen wier vanderlandsliefde buiten kijf staat en die zijn gespeend van elke partijdige passie – zou het moeilijk zijn om die te beteugelen.

Om redenen van orde en rust in het binnenland en aanzien in het buitenland, beveel ik aan zo spoedig mogelijk weer een Belgisch leger op de been te brengen, bestaande uit sterke beroepsmilitairen, aangevuld met vrijwilligers, bij voorkeur mannen die in het vuur van de strijd hebben gestaan. Met het oog daarop zullen we de onmiddelijke repatriëring moeten eisen van onze officieren en soldaten die in Duitsland gevangen zijn en van al wie zich nog in het buitenland bevindt.

6. DE ORDEHANDHAVING EN DE SANCTIES

Men moet vrezen dat het einde van de vijandelijkheden gepaard zal gaan met de ontketening van een publieke vergelding en het uitvechten van talrijke persoonlijke en groepsvetes. De voorlopige machthebbers zullen de uitingen van de publiek opinie binnen de legale perken moeten houden. Ze zullen evenwel ook de sancties moeten vorderen en toepassen in hoofde van de verantwoordelijken van aanslagen tegen de verdediging en de eenheid van het land.

De daders van deze misdaden tegen de natie hebebn hun verraad voldoende van de daken geschreeuwd, ja zelfs gevierd, opdat de noodzakelijke repressie alleen de werkelijke en grote schuldigen zou treffen.

Het past dat de straffen zonder uitstel worden uitgesproken en uitgevoerd, maar volgens de normale rechtspleging.

7. DE NOODZAKELIJKE GENOEGDOENING

Er is geen enkele patriot die sommige toespraken is vergeten die ten overstaan van de hele wereld werden uitgesproken en waarin Belgische ministers zich hebben veroorloofd, in uitzonderlijke hachelijke omstandigheden, toen de vrijwaring van de nationale waardigheid gebood een uiterste voorzichtigheid aan de dag te leggen, ondoordacht de meest ernstige beschuldigingen te uiten ten overstaan van de houding van ons leger en het optreden van de legeraanvoerder.

Die beschuldigingen die in een eigenzinnige verblindheid de eer van onze soldaten en van hun opperbevelhebber besmeurden, hebben België een onberekenbare en moeilijk te herstellen schade toegebracht.

Men zou vergeefs in de geschiedenis een ander voorbeeld zoeken van een regering die haar vorst en de nationale vlag op zo’n manier en zo ongegrond met schande heeft overladen.

Het aanzien van de kroon en de eer van het land verzetten zich ertegen dat degenen die de redevoeringen hebben gehouden nog enig gezag uitoefenen in het bevrijde België zolang ze hun beslissing niet zullen hebben betreurd en plechtig en volledige genoegdoening zullen hebben gegeven. De natie zou noch begrijpen noch ermee instemmen dat het vorstenhuis in de uitoefening van zijn taak mensen zou betrekken die datzelfde huis een belediging hebben aangedaan waarvan de wereld met ontsteltenis kennisnam

8. DE BUITENLANDSE EN KOLONIALE POLITIEK

Inzake het internationale statuut eis ik in naam van de grondwet dat België in zijn volledige onafhankelijkheid zou worden hersteld en dat het geen verbintenissen of akkoorden met andere staten zou aanvaarden, van welke aard ook, dan in volledige soevereiniteit en mits de noodzakelijke tegenprestaties.

Ik houd er ook aan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de banden tussen de kolonie en het moederland.

Ik herinner er bovendien aan dat volgens de grondwet een verdrag geen enkele waarde heeft indien het niet de koninklijke handtekening draagt.

Leopold,

Koning der Belgen,

gevangene in het kasteel van Laken



(onverkorte tekst ter beschikking gesteld door MERS Antique Books Antwerp, om te worden gevoegd bij boeken over de Koningskwestie die nalaten dit document in extenso af te drukken)
Karel de Stoute
Edited: 201408290248
Karel de Stoute zet de politiek van zijn vader door Karel de Stoute (1433-1477), zoon van Filips de Goede, zette na 1467 de centralisatiepolitiek van zijn vader verder door. Zo bracht hij de drie bestaande Rekenkamers (Rijsel, Brussel en Den Haag) samen in één enkele te Mechelen. De rechtsprekende bevoegdheid koppelde hij los van de Grote Raad en vertrouwde die toe aan het Parlement van Mechelen, later opnieuw de Grote Raad van Mechelen. Hij verplaatste eveneens officieel de hoofdstad van het hertogdom van Dijon naar Brussel omdat eigenlijk al sinds de tijd van zijn vader alle belangrijke staatszaken in de Lage Landen plaatsvonden. Ook was het logisch om in het verreweg rijkste gebied tevens de hoofdstad te hebben. Het eigenlijke kernland Bourgondië speelde nog maar een marginale rol in het geheel. In 1468 onderwierp hij het prinsbisdom Luik op bloedige wijze. Karel de Stoute steunde de prinsbisschop, maar de Luikenaars zelf kwamen daartegen in opstand. De stedelijke milities, waaronder de 600 Franchimontezen, werden daarop afgeslacht, en vele plaatsen in het prinsbisdom werden verwoest. In 1471 richtte hij de Bourgondische Ordonnantiebenden op als staand leger ter ontlasting van zijn leenmannen. Twee jaar later mislukte een poging om van Bourgondië een zelfstandig koninkrijk te maken door een veto van de Duitse keizer Frederik III. Generaties lang samenleven in de Bourgondische statenbond, met overkoepelende instellingen, samen in oorlog of in vrede, deed een supranationaal samenhorigheidsgevoel ontstaan. Boven de Henegouwse en Brabantse en Hollandse vaderlandsliefde kiemde er dus ook een Bourgondisch samenhorigheidsgevoel, dat later ook Nederlands of in het Latijn Belgisch genoemd werd. [bewerken] Hertogdom gaat verloren In 1477 sneuvelde hertog Karel in de slag bij Nancy en ging een groot deel van het Franse bezit van de Bourgondiërs, waaronder het hertogdom zelf, verloren aan de Franse kroon. Door het huwelijk van Maria van Bourgondië, enige erfgename van Karel de Stoute, met de Duitse kroonprins Maximiliaan I van Oostenrijk kwam de rest, waaronder de Lage Landen, onder de soevereiniteit van het Huis Habsburg. Maria overleed in 1482 en werd als Hertog(in) van Bourgondië opgevolgd door haar zoon Filips de Schone. Bij zijn meerderjarig worden in 1494 nam Filips zelf het bewind in handen. Hij moest echter in 1498 gedwongen afstand doen van zijn aanspraken op Bourgondië. In 1506 werd hij koning van Castilië en daarmee een Spaanse vorst. Dit markeert het aanbreken van de Spaanse tijd. http://nl.wikipedia.org/wiki/Bourgondische_tijd (20090902)
Le Peuple
Pyramide à renverser - Politieke cartoon - Piramide (1909)
Edited: 201405101448
DEHAENE Jean-Luc
Politicus
Edited: 201404261109
Studies
Oude Humaniora aan het Jezuïetencollege te Aalst
Licentiaat in de Rechten en Economie, Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix en Katholieke Universiteit Leuven
Beroepsactiviteiten
1963-1967: Verbondscommissaris voor het Vlaams Verbond van Katholieke Scouts
1965-1972: Verbonden aan de Studiedienst van het ACW

Politieke activiteiten

1967-1971 - Nationaal Ondervoorzitter van de C.V.P.-Jongeren
Sinds 1972 - Lid van het National C.V.P.-Bureau
1977-1981 - C.V.P.-Voorzitter van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde
1972-1973 - Adviseur bij het Kabinet van Openbare Werken (Minister Jos De Saeger)
1973-1974 - Adviseur bij het Kabinet van Volksgezondheid (Minister Jos De Saeger)
1974-1977 - Adviseur en daarna Kabinetschef bij het Kabinet van Economische Zaken (Ministers Oleffe en Herman)
1977-1978 - Kabinetschef bij de Minister van Vlaamse Aangelegenheden (Mevrouw Rika De Backer-Van Ocken)
1979-1981 - Kabinetschef bij de Eerste Minister (Wilfried Martens)
1981 - Kabinetschef bij de Minister van Institutionele Hervormingen (Minister Jos Chabert)

Regeringsfuncties

1981-1988 - Minister van Sociale Zaken en Institutionele Hervormingen (N) (1981-1988)
1988-1992 - Vice-eersteminister en minister van Verkeerswezen en Institutionele Hervormingen
1992-1995 - Eerste Minister (Dehaene I)
1995-1999 - Eerste Minister (Dehaene II)

Andere functies

1999-2000 - Senator
2000-2009 - Voorzitter van de Raad van Bestuur van het Europacollege
2000-2007 - Burgemeester van Vilvoorde (tot 1 augustus 2007)
2001 - Ondervoorzitter van de Europese Conventie (met ontwerptekst Europese grondwet)
2004 - Europees parlementslid
2007 - Lid van de Amatogroep (Actiecomité voor Europese Democratie)
Bestuurder van verschillende vennootschappen
DEDECKER Peter
Een zuil van zelfbediening. ACW, Arco en Dexia
Edited: 201403310925
14 februari 2013. Tijdens een persconferentie brengt N-VA-Kamerlid Peter Dedecker een aantal onregelmatigheden aan het licht die de boekhouding van de christelijke arbeidersbeweging ACW ontsieren. Die fiscale onregelmatigheden blijken op de koop toe gelinkt aan het Dexia-debacle: een heikel dossier dat Dedecker dan al een hele tijd op de voet volgt.

De persconferentie is het begin van een scherpe aanklacht tegen de toplui van een sociale beweging die teert op de inzet van duizenden hardwerkende, goedmenende vrijwilligers. De aanklacht omvat al gauw een hele waslijst aan vergrijpen, waaronder schriftvervalsing, fiscale ontwijking en fraude, misbruik van vennootschapsgoederen en belangenvermenging.

Tot grote verbazing van Dedecker zelf, overigens, die vandaag niet anders kan dan besluiten: “De toplui beloofden mensen het veiligste spaarproduct ter wereld. Maar achter hun rug speelden ze met hun spaarcenten in het casino.”

In de weken en maanden erna zat Dedecker in het oog van de storm. Terwijl de pijnlijke onthullingen elkaar maar bleven opvolgen, maakte zijn aanvankelijke verbazing langzaam maar zeker plaats voor een oprechte verontwaardiging en woede. Vanuit die gevoelens besloot hij zich aan het schrijven te zetten.

Het resultaat is ‘Een zuil van zelfbediening’. In dat boek brengt Dedecker nu een reconstructie van zijn persoonlijke ervaringen in die woelige periode, van zijn kennismaking met figuren en praktijken uit de bankwereld, en van zijn speurtocht door het labyrint dat de christelijke arbeidersbeweging blijkt te zijn. Bij gebrek aan een parlementaire onderzoekscommissie kan enkel de geschiedenis de echte (politieke) verantwoordelijkheid voor dit financiële debacle nog blootleggen. Met zijn boek biedt Peter Dedecker zelf alvast een eerste aanzet daartoe.
bron tekst: De Standaard Boekhandel
EU
Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (Salduz)
Edited: 201310221445
RICHTLIJN 2013/48/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2013

betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (het IVBPR) is het recht op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 48, lid 2, van het Handvest garandeert de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
(2)
De Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Unie worden, omdat een versterkte wederzijdse erkenning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de rechtsbescherming van het individu ten goede zouden komen.
(3)
Krachtens artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), „berust de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen …”.
(4)
De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.
(5)
Hoewel de lidstaten partij zijn bij het EVRM en bij het IVBPR, heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven alleen niet altijd zorgt voor een voldoende mate van vertrouwen in de strafrechtstelsels van andere lidstaten.
(6)
Wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de andere lidstaten adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toegepast. Versterking van wederzijds vertrouwen vereist gedetailleerde regels inzake de bescherming van de procedurele rechten en waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM en het IVBPR. Versterking van wederzijds vertrouwen vereist evenzeer, middels deze richtlijn en andere maatregelen, een verdere ontwikkeling binnen de Unie van de in het Handvest en in het EVRM vastgelegde minimumnormen.
(7)
Artikel 82, lid 2, VWEU voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Dat artikel verwijst naar „de rechten van personen in de strafvordering” als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.
(8)
Gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten leiden tot meer vertrouwen in de strafrechtstelsels van alle lidstaten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen, en tot bevordering van een cultuur van grondrechten in de Unie. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten ook belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers wegnemen op het gehele grondgebied van de lidstaten. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen te worden vastgelegd op het gebied van het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures, het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en het recht om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens die vrijheidsbeneming.
(9)
Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures („de routekaart”) (3). In de routekaart, waarin een stapsgewijze benadering wordt voorgestaan, wordt opgeroepen tot de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C), het recht te communiceren met familie, werkgever en consulaire autoriteiten (maatregel D), en bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E). In de routekaart wordt benadrukt dat de volgorde van de rechten slechts indicatief is en dat deze overeenkomstig de prioriteiten dus kan worden verlegd. De routekaart is bedoeld als een totaalpakket: pas wanneer alle onderdelen ten uitvoer zijn gelegd, zal het effect optimaal zijn.
(10)
Op 11 december 2009 verklaarde de Europese Raad zich ingenomen met de routekaart en maakte hij deze tot onderdeel van het Programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (4) (punt 2.4). De Europese Raad onderstreepte het feit dat de routekaart niet uitputtend is, door de Commissie uit te nodigen te onderzoeken welke minimale procedurele rechten verdachten en beklaagden verder kunnen worden toegekend, en te beoordelen of andere vraagstukken, bijvoorbeeld het vermoeden van onschuld, dienen te worden aangepakt om op dit gebied tot een betere samenwerking te komen.
(11)
Tot dusver zijn er twee maatregelen voortvloeiend uit de routekaart vastgesteld, met name: Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (5), en Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (6).
(12)
Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel krachtens Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (7) („procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel”) en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en het recht om met derden en met consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming. Op die manier bevordert de richtlijn de toepassing van het Handvest, met name de artikelen 4, 6, 7, 47 en 48, door voort te bouwen op de artikelen 3, 5, 6 en 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in zijn jurisprudentie, geregeld normen vaststelt betreffende het recht op toegang tot een advocaat. In die jurisprudentie is onder meer geoordeeld dat het eerlijke karakter van het proces vereist dat een verdachte of beklaagde gebruik kan maken van alle specifiek aan rechtsbijstand verbonden diensten. In dat verband moeten de advocaten van verdachten of beklaagden de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen.
(13)
Onverminderd de krachtens het EVRM op de lidstaten rustende verplichting om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, dienen procedures met betrekking tot lichte strafbare feiten die in de gevangenis zijn gepleegd, of tot in militair verband gepleegde strafbare feiten die door een bevelvoerende officier worden behandeld, in deze richtlijn niet als strafprocedures te worden aangemerkt.
(14)
Bij de uitvoering van deze richtlijn moet rekening gehouden worden met de bepalingen van Richtlijn 2012/13/EU, die voorschrijven dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over het recht op toegang tot een advocaat en dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten, met informatie over het recht op toegang tot een advocaat.
(15)
In deze richtlijn wordt verstaan onder „advocaat”, eenieder die overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen.
(16)
In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties, andere dan vrijheidsbeneming, met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een dergelijke autoriteit, en daartegen ofwel beroep kan worden ingesteld ofwel dat de zaak anderszins kan worden doorverwezen naar een in strafzaken bevoegde rechtbank, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op de procedure die bij die rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dat beroep of die verwijzing.
(17)
In sommige lidstaten zijn bepaalde lichte feiten strafbaar gesteld; het betreft met name lichte verkeersovertredingen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke verordeningen en lichte overtredingen tegen de openbare orde. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.
(18)
Het toepassingsgebied van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde lichte strafbare feiten laat de EVRM-verplichting van de lidstaten om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, daaronder begrepen het recht op rechtsbijstand van een advocaat, onverlet.
(19)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden overeenkomstig deze richtlijn, het recht hebben zonder onnodig uitstel toegang te krijgen tot een advocaat. Indien zij geen afstand hebben gedaan van het desbetreffende recht, dienen verdachten of beklaagden in ieder geval toegang tot een advocaat te hebben tijdens de strafprocedure voor een rechtbank.
(20)
Voor de toepassing van deze richtlijn geldt niet als verhoor de eerste ondervraging, door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit, waarvan het doel bestaat uit het identificeren van de betrokkenen, het controleren op wapenbezit of andere gelijkaardige veiligheidskwesties, dan wel het nagaan of een onderzoek moet worden ingesteld, bijvoorbeeld tijdens controles langs de weg, of tijdens regelmatige steekproefsgewijze controles wanneer de identiteit van een verdachte of beklaagde nog niet is vastgesteld.
(21)
In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is bevestigd, dat indien een persoon die geen verdachte of beklaagde is, zoals een getuige, verdachte of beklaagde wordt, die persoon tegen zelfincriminatie beschermd dient te worden en zwijgrecht heeft. Daarom verwijst deze richtlijn uitdrukkelijk naar de praktische situatie waarin een dergelijke persoon tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit in het kader van een strafprocedure, verdachte of beklaagde wordt. Indien tijdens een dergelijk verhoor waarin een persoon die geen verdachte of beklaagde is, verdachte of beklaagde wordt, dient het verhoor onmiddellijk te worden stopgezet. Het verhoor kan evenwel worden voortgezet indien de persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat hij verdachte of beklaagde is en hij de in deze richtlijn vastgestelde rechten ten volle kan uitoefenen.
(22)
Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke ontmoetingen, naargelang van de omstandigheden van de procedures, in het bijzonder de complexiteit van de zaak en de toepasselijke procedurele stappen. De lidstaten kunnen eveneens praktische regelingen treffen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, in het bijzonder van de advocaat en de verdachte of beklaagde, op de plaats waar dergelijke ontmoeting plaatsvindt. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.
(23)
Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvinden, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke communicatie en de daarbij gebruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van videoconferenties en andere communicatietechnologie om dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om te communiceren met hun advocaat onverlet te laten.
(24)
Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten voor bepaalde lichte strafbare feiten het recht van de verdachte of beklaagde op toegang tot een advocaat per telefoon te organiseren. Het aldus inperken van dit recht dient evenwel beperkt te blijven tot gevallen waarin een verdachte of beklaagde niet door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit wordt verhoord.
(25)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat aanwezig is en daadwerkelijk kan deelnemen aan het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, inclusief tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank. Die deelname dient te worden uitgeoefend overeenkomstig de procedures in het nationale recht die mogelijk de deelname van een advocaat regelen tijdens het verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. De advocaat kan tijdens een verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens een hoorzitting voor de rechtbank, overeenkomstig die procedures onder meer vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen, die dienen te worden geregistreerd overeenkomstig het nationale recht.
(26)
Verdachten of beklaagden hebben het recht op de aanwezigheid van hun advocaat bij onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal, in zoverre deze voorzien zijn in het toepasselijke nationale recht en in zoverre de verdachten of beklaagden verplicht zijn te verschijnen of hen dat is toegestaan. Dergelijke handelingen moeten op zijn minst meervoudige confrontaties, tijdens welke de verdachte of beklaagde naast andere personen staat om door het slachtoffer of een getuige te worden geïdentificeerd; confrontaties, tijdens welke een verdachte of beklaagde met een of meer getuigen wordt samengebracht wanneer onder deze getuigen onenigheid bestaat over belangrijke feiten of aangelegenheden, en reconstructies van de plaats van een delict in aanwezigheid van de verdachte of beklaagde, teneinde beter te begrijpen hoe en in welke omstandigheden het misdrijf is gepleegd en om de verdachte of beklaagde specifieke vragen te kunnen stellen, omvatten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de aanwezigheid van een advocaat tijdens onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal. Dergelijke praktische regelingen moeten de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van de desbetreffende rechten onverlet laten. Indien de advocaat tijdens onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal aanwezig is, dient dit geregistreerd te worden door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
(27)
De lidstaten dienen zich ertoe in te spannen om algemene informatie ter beschikking te stellen — bijvoorbeeld op een website of door middel van een folder op het politiebureau — om verdachten of beklaagden te helpen een advocaat te vinden. De lidstaten hoeven evenwel geen actieve stappen te zetten om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden waarvan de vrijheid niet is ontnomen, bijstand krijgen van een advocaat indien zij zelf niet het nodige hebben gedaan om door een advocaat te worden bijgestaan. Het dient de verdachte of beklaagde vrij te staan contact op te nemen met een advocaat, die te raadplegen en erdoor te worden bijgestaan.
(28)
De lidstaten dienen de noodzakelijke regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat, wanneer verdachten of beklaagden hun vrijheid wordt ontnomen, zij hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk kunnen uitoefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voorzien als de betrokkene er geen heeft, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelingen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de bevoegde autoriteiten in de bijstand van een advocaat voorzien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de verdachte of beklaagde zou kunnen kiezen. Dergelijke regelingen kunnen, in voorkomend geval, de regels betreffende rechtsbijstand omvatten.
(29)
De omstandigheden waaronder verdachten of beklaagden hun vrijheid wordt ontnomen, dienen volledig in overeenstemming te zijn met de voorschriften van het EVRM, het Handvest, en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het „Hof van Justitie”) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij het overeenkomstig deze richtlijn verstrekken van bijstand aan een verdachte of beklaagde wie de vrijheid is ontnomen, dient de betrokken advocaat de mogelijkheid te hebben de bevoegde autoriteiten vragen te stellen over de omstandigheden waarin de betrokkene de vrijheid is ontnomen.
(30)
Ingeval de verdachte of de beklaagde zich op grote geografische afstand bevindt, bijvoorbeeld in overzees gebied of tijdens een buitenlandse militaire operatie die door de lidstaat wordt ondernomen of waaraan deze deelneemt, mogen de lidstaten tijdelijk afwijken van het recht van de verdachte of de beklaagde op toegang tot een advocaat zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming. Tijdens een dergelijke tijdelijke afwijking mogen de bevoegde autoriteiten de betrokkene niet verhoren of geen onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal krachtens deze richtlijn uitvoeren. Indien de grote geografische afstand van de verdachte of beklaagde de onmiddellijke toegang tot een advocaat onmogelijk maakt, dienen de lidstaten in communicatie via telefoon of videoconferentie te voorzien, tenzij dit onmogelijk is.
(31)
De lidstaten dienen tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek om, in dringende gevallen, ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Zolang een tijdelijke afwijking op die grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat de verdachten of beklaagden van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor de rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schaadt. Het verhoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die essentieel is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.
(32)
De lidstaten dienen tevens tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek, indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, in het bijzonder om te voorkomen dat essentieel bewijs wordt vernietigd of veranderd, of dat getuigen worden beïnvloed. Zolang een tijdelijke afwijking op deze grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat zij van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor de rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schendt. Het verhoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die van essentieel belang is om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.
(33)
Het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen verdachten of beklaagden en hun advocaat is van essentieel belang voor de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging. De lidstaten dienen derhalve het vertrouwelijke karakter van de ontmoetingen en elke andere vorm van communicatie tussen de advocaat en de verdachte of beklaagde bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn zonder uitzondering te eerbiedigen. Deze richtlijn laat de procedures met betrekking tot de situatie waarin objectieve en feitelijke omstandigheden erop wijzen dat de advocaat ervan wordt verdacht samen met de verdachte of beklaagde bij een strafbaar feit betrokken te zijn, onverlet. Elke criminele handeling van een advocaat mag niet worden beschouwd als rechtmatige bijstand aan verdachten of beklaagden binnen het kader van deze richtlijn. De verplichting het vertrouwelijke karakter te eerbiedigen betekent niet alleen dat de lidstaten die communicatie niet mogen belemmeren noch daar toegang tot mogen hebben, maar ook dat, indien de verdachten of beklaagden hun vrijheid is ontnomen of zich op andere wijze onder de controle van de staat bevinden, de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat regelingen voor communicatie de vertrouwelijkheid daarvan handhaven en beschermen. Dit laat in detentiecentra aanwezige mechanismen om te voorkomen dat gedetineerden illegale zendingen ontvangen, zoals bijvoorbeeld het screenen van briefwisseling, onverlet, mits dergelijke mechanismen de bevoegde autoriteiten niet toestaan de communicatie tussen de verdachten of beklaagden en hun advocaat te lezen. Deze richtlijn laat tevens nationaalrechtelijke procedures onverlet op grond waarvan het doorsturen van briefwisseling kan worden geweigerd indien de verzender er niet mee instemt dat de briefwisseling eerst aan een bevoegde rechtbank wordt voorgelegd.
(34)
Een eventuele schending van het vertrouwelijke karakter als louter nevenverschijnsel van een wettige observatie door de bevoegde autoriteiten moet door deze richtlijn onverlet worden gelaten. Ook dient deze richtlijn de werkzaamheden onverlet te laten die, bijvoorbeeld, door de nationale inlichtingendiensten worden verricht met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), of die onder het toepassingsgebied vallen van artikel 72 VWEU, op grond waarvan titel V betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht bepaalt dat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet moet worden gelaten.
(35)
Verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen, moet het recht worden verleend om ten minste één door hen aangeduide persoon, zoals een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het correcte verloop van de strafprocedure tegen de betrokkene, noch aan enige andere strafprocedures. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen voor de toepassing van dat recht. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht onverlet te laten. In beperkte, uitzonderlijke gevallen moet echter tijdelijk van dat recht kunnen worden afgeweken wanneer zulks in het licht van bijzondere omstandigheden, op grond van een dwingende, in deze richtlijn bepaalde reden, gerechtvaardigd is. Indien de bevoegde autoriteiten overwegen een dergelijke tijdelijke afwijking in te stellen ten aanzien van een specifieke derde, dienen zij eerst te overwegen of een andere, door de verdachte of beklaagde aangeduide derde van de vrijheidsbeneming op de hoogte kan worden gesteld.
(36)
De verdachten of beklaagden dienen gedurende hun vrijheidsbeneming het recht te hebben zonder onnodig uitstel met ten minste één door hun aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren. De lidstaten kunnen de uitoefening van dat recht beperken of uitstellen met het oog op dwingende of proportionele operationele vereisten. Dergelijke vereisten kunnen onder meer betrekking hebben op de noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon af te wenden, de noodzaak om te voorkomen dat de strafprocedure wordt geschaad of dat een strafbaar feit wordt gepleegd, de noodzaak om een hoorzitting voor de rechtbank af te wachten en de nood om slachtoffers van een misdrijf te beschermen. Indien de bevoegde autoriteiten overwegen de uitoefening van dit recht ten aanzien van een specifieke derde te beperken of uit te stellen, dienen zij eerst te overwegen of de verdachten of beklaagden met een andere door hen aangeduide derde kunnen communiceren. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende het tijdstip, de wijze, de duur en de frequentie van contacten met derden, met het oog op het bewaren van de goede orde, veiligheid en zekerheid op de plaats waar de betrokkene wordt vastgehouden.
(37)
Het recht op consulaire bijstand van verdachten en beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen, is neergelegd in artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, waarin het wordt omschreven als een recht van staten zich in verbinding te stellen met hun onderdanen. Deze richtlijn verleent, op hun verzoek, een overeenkomstig recht aan verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen. De consulaire bescherming kan worden uitgeoefend door diplomatieke autoriteiten indien zij optreden als consulaire autoriteiten.
(38)
De lidstaten dienen de motieven en de criteria voor een tijdelijke afwijking van de bij deze richtlijn verleende rechten duidelijk in hun nationale recht vast te leggen, en zij mogen slechts beperkt gebruikmaken van die tijdelijke afwijkingen. Dergelijke tijdelijke afwijkingen dienen proportioneel te zijn, dienen een strikte geldigheidsduur te hebben, en niet uitsluitend gebaseerd te zijn op de categorie waartoe het ten laste gelegde strafbare feit behoort of de ernst ervan, en dienen het globale eerlijke verloop van de procedure niet te schenden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat, indien een tijdelijke afwijking krachtens deze richtlijn is toegestaan door een rechterlijke instantie die geen rechter of rechtbank is, het besluit tot toekenning van de tijdelijke afwijking in ieder geval tijdens de procesfase door een rechtbank moet kunnen worden beoordeeld.
(39)
De verdachten of beklaagden moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de inhoud van het betrokken recht en de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht. Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich bevinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.
(40)
De afstand van een recht en de omstandigheden waaronder deze is gedaan, worden geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Dit mag voor de lidstaten geen enkele aanvullende verplichting tot het invoeren van nieuwe mechanismen of bijkomende administratieve lasten met zich brengen.
(41)
Wanneer een verdachte of een beklaagde overeenkomstig deze richtlijn de afstand van een recht herroept, hoeft niet opnieuw te worden overgegaan tot verhoren of elke andere procedurehandelingen die zijn verricht gedurende de periode waarin de afstand van het betreffende recht gold.
(42)
Personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd („gezochte personen”), moeten in de uitvoerende lidstaat recht hebben op toegang tot een advocaat, zodat zij hun rechten op grond van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Wanneer een advocaat deelneemt aan een verhoor van een gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instantie, kan die advocaat onder meer, volgens procedures in het nationale recht, vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen. Het feit dat de advocaat heeft deelgenomen aan een dergelijke verhoor moet worden geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
(43)
De gezochte personen dienen het recht te hebben de advocaat die hen in de uitvoerende lidstaat vertegenwoordigt, onder vier ogen te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke ontmoetingen, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval. De lidstaten kunnen eveneens praktische regelingen treffen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, met name van de advocaat en de gezochte persoon, op de plaats waar de ontmoeting tussen de advocaat en de gezochte persoon plaatsvindt. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht van de gezochte personen om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.
(44)
De gezochte personen dienen het recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen in de uitvoerende lidstaat vertegenwoordigt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvinden, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van de communicatie tussen de gezochte personen en hun advocaat en de daarbij gebruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van videoconferenties en andere communicatietechnologie om dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht van de gezochte personen om te communiceren met hun advocaat onverlet te laten.
(45)
De uitvoerende lidstaten dienen de noodzakelijke regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat de gezochte personen in staat zijn hun recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat daadwerkelijk uit te oefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voorzien als de gezochte personen er geen hebben, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelingen, waaronder die betreffende rechtsbijstand in voorkomend geval, dienen door het nationaal recht te worden geregeld. Die kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de bevoegde autoriteiten in de bijstand van een advocaat voorzien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de gezochte personen kunnen kiezen.
(46)
De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat moet zonder onnodig uitstel nadat zij ervan op de hoogte is gesteld dat een gezochte persoon in die lidstaat een advocaat wil aanwijzen, informatie aan de gezochte persoon verstrekken om hem te helpen in die lidstaat een advocaat aan te wijzen. Dergelijke informatie kan bijvoorbeeld een bijgewerkte lijst van advocaten omvatten, dan wel de naam van een piketadvocaat in de uitvaardigende lidstaat, die informatie en advies kan verlenen in zaken betreffende het Europees aanhoudingsbevel. De lidstaten kunnen de desbetreffende orde van advocaten verzoeken een dergelijke lijst op te stellen.
(47)
De procedure van overlevering is van cruciaal belang voor de samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten. Het naleven van de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ vervatte termijnen is van essentieel belang voor deze samenwerking. Gezochte personen moeten in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel hun rechten krachtens deze richtlijn ten volle kunnen uitoefenen, maar die termijnen dienen derhalve wel te worden geëerbiedigd.
(48)
In afwachting van een wetgevingshandeling van de Unie inzake rechtsbijstand, moeten de lidstaten hun nationale recht inzake rechtsbijstand, dat in overeenstemming behoort te zijn met het Handvest, het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, toepassen.
(49)
Overeenkomstig het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht moeten de lidstaten passende en doeltreffende voorzieningen in rechte instellen om de bij deze richtlijn aan individuen toegekende rechten te waarborgen.
(50)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van de verklaringen die de verdachten of beklaagden afleggen of van het bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, of in gevallen waarin overeenkomstig deze richtlijn een afwijking van dat recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd. In dit verband dient de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in acht te worden genomen, waarin wordt bepaald dat de rechten van de verdediging in principe onherstelbaar zijn geschonden als belastende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden gebruikt voor een veroordeling. Dit laat onverlet het gebruik van verklaringen voor andere doelen die krachtens het nationale recht zijn toegestaan, zoals de noodzaak om spoedeisende onderzoekshandelingen uit te voeren of om het plegen van andere strafbare feiten of het optreden van ernstige negatieve gevolgen voor een persoon te voorkomen, dan wel de dringende noodzaak om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, wanneer het verlenen van toegang tot een advocaat of het vertragen van het onderzoek onherstelbare schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek naar een ernstig misdrijf. Voorts mag dit geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften of systemen inzake de toelaatbaarheid van bewijs en mag het de lidstaten niet beletten een systeem te handhaven waarbij al het bestaande bewijs in rechte mag worden aangevoerd zonder dat de toelaatbaarheid ervan afzonderlijk of vooraf wordt beoordeeld.
(51)
De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rechterlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uitoefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bijvoorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.
(52)
Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest erkende grondrechten en beginselen, zoals het verbod op foltering en onmenselijke en onterende behandeling, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op menselijke integriteit, de rechten van het kind, de integratie van mensen met een handicap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. Deze richtlijn dient overeenkomstig deze rechten en beginselen te worden toegepast.
(53)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM gewaarborgde rechten overeenkomen, worden toegepast in overeenstemming met de bepalingen van het EVRM, zoals deze zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
(54)
In deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die die minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die opgenomen zijn in het Handvest en in het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
(55)
In deze richtlijn worden de rechten van kinderen bevorderd en wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Raad van Europa over kindvriendelijke justitie, in het bijzonder met de bepalingen over de informatie die en het advies dat aan kinderen moeten worden gegeven. Deze richtlijn garandeert dat verdachten en beklaagden, waaronder kinderen, passende informatie wordt gegeven die hen in staat stelt de gevolgen van elke afstand van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht te begrijpen, en dat deze afstand op vrijwillige en ondubbelzinnige wijze wordt gedaan. Wanneer de verdachte of de beklaagde een kind is, moet de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld na de vrijheidsbeneming van het kind en moet deze op de hoogte gebracht worden van de redenen daarvoor. Indien het verstrekken van deze informatie aan de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt voor het kind ingaat tegen het belang van het kind, moet een andere in aanmerking komende volwassene, zoals een familielid, op de hoogte gebracht worden. De bepalingen van het nationale recht die voorschrijven dat de specifieke instanties, instellingen en personen, met name degene die verantwoordelijk zijn voor de bescherming en het welzijn van kinderen, in kennis worden gesteld van het feit dat een kind zijn vrijheid is ontnomen, worden hierdoor onverlet gelaten. Behoudens in de meest uitzonderlijke omstandigheden dienen de lidstaten zich te onthouden van een beperking of uitstel van het recht met een derde contact te hebben ter zake van een verdacht of aangeklaagd kind dat zijn vrijheid is ontnomen. In geval van uitstel mag het kind echter niet van de buitenwereld afgezonderd worden vastgehouden, en moet het bijvoorbeeld worden toegestaan om met een voor de bescherming of het welzijn van kinderen verantwoordelijke instelling of persoon te communiceren.
(56)
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.
(57)
Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens die vrijheidsbeneming, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel, beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(58)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Vereningd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.
(59)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in die lidstaat,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht van verdachten en beklaagden in strafprocedures en van personen tegen wie een procedure ingevolge Kaderbesluit 2002/584/JBZ loopt („procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel”), om toegang tot een advocaat te hebben en om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met derden en met consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming.
Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op de verdachten of beklaagden in een strafprocedure, vanaf het ogenblik waarop zij er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing totdat de procedure is beëindigd, dat wil zeggen totdat definitief is vastgesteld of de verdachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
2. Deze richtlijn is, in overeenstemming met artikel 10, van toepassing op personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt (gezochte personen), vanaf het moment van aanhouding in de uitvoerende lidstaat.
3. Deze richtlijn is, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in lid 1, tevens van toepassing op andere personen dan verdachten en beklaagden die in de loop van het verhoor door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit, verdachte of beklaagde worden.
4. Onverminderd het recht op een eerlijk proces is deze richtlijn, met betrekking tot lichte feiten:
a)
waarvoor krachtens de wet van een lidstaat een sanctie door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank wordt opgelegd, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een dergelijke rechtbank, kan worden ingesteld, of kan worden verwezen naar een dergelijke rechtbank, of
b)
waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd,
alleen van toepassing op de procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.
Deze richtlijn is in elk geval volledig van toepassing indien de verdachte of beklaagde zijn vrijheid is ontnomen, ongeacht de fase van de strafprocedure.
Artikel 3

Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
a)
voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
b)
wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c);
c)
zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming;
d)
indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen.
3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:
a)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;
b)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat;
c)
de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden ten minste het recht hebben hun advocaat de volgende onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen, mits het handelingen betreft waarin het nationale recht voorziet en waarbij de aanwezigheid van de verdachte of beklaagde is vereist of hem dat is toegestaan:
i)
meervoudige confrontaties;
ii)
confrontaties;
iii)
reconstructies van de plaats van een delict.
4. De lidstaten spannen zich ervoor in algemene informatie ter beschikking te stellen om verdachten of beklaagden te helpen een advocaat te vinden.
Onverminderd de bepalingen van het nationale recht betreffende de verplichte aanwezigheid van een advocaat, treffen de lidstaten de noodzakelijke regelingen om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen in staat zijn om hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk uit te oefenen, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht overeenkomstig artikel 9.
5. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van lid 2, onder c), indien de geografische afstand waarop een verdachte of beklaagde zich bevindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat onverwijld na de vrijheidsbeneming te kunnen waarborgen.
6. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, indien en voor zover, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
a)
indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
b)
indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.
Artikel 4

Vertrouwelijkheid

De lidstaten eerbiedigen het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen de verdachten of beklaagden en hun advocaat bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn. Die communicatie omvat ontmoetingen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan.
Artikel 5

Recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen het recht hebben om, indien gewenst, ten minste één door hen aangeduide persoon, bijvoorbeeld een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van hun vrijheidsbeneming.
2. Indien de verdachte of beklaagde een kind is, zorgen de lidstaten ervoor dat de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvoor, tenzij dit in strijd zou zijn met het belang van het kind, in welk geval een andere volwassene die daarvoor in aanmerking komt op de hoogte wordt gebracht. Voor de toepassing van dit lid wordt een persoon die jonger is dan achttien jaar als kind aangemerkt.
3. De lidstaten kunnen tijdelijk afwijken van de toepassing van de in de leden 1 en 2 bepaalde rechten indien, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigt:
a)
een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
b)
een dringende noodzaak om een situatie te voorkomen waarin substantiële schade aan de strafprocedure kan worden toegebracht.
4. Indien de lidstaten tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 2 bepaalde rechten, zorgen zij ervoor dat een met de bescherming en het welzijn van kinderen belaste autoriteit zonder onnodig uitstel in kennis wordt gesteld van het feit dat het kind zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 6

Recht om gedurende de vrijheidsbeneming met derden te communiceren

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben zonder onnodig uitstel met ten minste één door hem aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren.
2. De lidstaten kunnen de uitoefening van het recht bedoeld in lid 1 beperken of uitstellen op grond van dwingende of proportionele operationele vereisten.
Artikel 7

Het recht op communicatie met de consulaire autoriteiten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden die geen onderdaan zijn en wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben om, desgewenst, de consulaire autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming, en met de consulaire autoriteiten te communiceren. Verdachten of beklaagden die twee of meer nationaliteiten hebben, kunnen evenwel kiezen welke consulaire autoriteiten in voorkomend geval op de hoogte moeten worden gebracht van de vrijheidsbeneming, en met welke consulaire autoriteiten zij wensen te communiceren.
2. Verdachten of beklaagden hebben tevens het recht door hun consulaire autoriteiten te worden bezocht, zich met hen te onderhouden en met hen te corresponderen en het recht om hun vertegenwoordiging in rechte door hun consulaire autoriteiten geregeld te zien, voor zover die autoriteiten daarmee instemmen en de betrokken verdachten of beklaagden zulks wensen.
3. De uitoefening van de in dit artikel bedoelde rechten kan in het nationale recht of bij nationale procedures worden gereguleerd, mits dat recht en die procedures de verwezenlijking van de met deze rechten beoogde doelen volledig waarborgen.
Artikel 8

Algemene voorwaarden voor de toepassing van tijdelijke afwijkingen

1. Een tijdelijke afwijking op grond van artikel 3, lid 5 of 6, of uit hoofde van artikel 5, lid 3:
a)
heeft een evenredig karakter en gaat niet verder dan noodzakelijk;
b)
heeft een strikt beperkte geldigheidsduur;
c)
wordt niet uitsluitend gebaseerd op de soort of de ernst van het vermeende strafbare feit, en
d)
doet geen afbreuk aan het globale eerlijke verloop van de procedure.
2. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 3, lid 5 of 6, kunnen alleen toegestaan worden bij een naar behoren gemotiveerde en per geval genomen beslissing, die ofwel uitgaat van een rechterlijke instantie of van een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De naar behoren gemotiveerde beslissing wordt geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 5, lid 3, kunnen alleen per geval worden toegestaan, ofwel door een rechterlijke instantie of door een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing.
Artikel 9

Afstand

1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht:
a)
de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en
b)
deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.
2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk moment tijdens de strafprocedure door de verdachte of de beklaagde kan worden herroepen en dat de verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op de hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van de afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.
Artikel 10

Recht op toegang tot een advocaat in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een gezochte persoon, vanaf zijn aanhouding op grond van een Europees aanhoudingsbevel recht heeft op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat.
2. Met betrekking tot de inhoud van het recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat hebben gezochte personen in die lidstaat de volgende rechten:
a)
het recht op toegang tot een advocaat op een zodanig moment en op een zodanige wijze dat de gezochte personen hun rechten daadwerkelijk en in ieder geval zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming kunnen uitoefenen;
b)
het recht om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt en deze te ontmoeten;
c)
het recht dat hun advocaat aanwezig is bij en overeenkomstig procedures in het nationale recht deelneemt aan het verhoor van een gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instantie. Wanneer een advocaat deelneemt aan het verhoor, moet dat geregistreerd worden door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De bij de artikelen 4, 5, 6, 7, 9, en, in geval van een tijdelijke afwijking uit hoofde van artikel 5, lid 3, de bij artikel 8 bepaalde rechten zijn van overeenkomstige toepassing op de procedures ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat.
4. De bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat brengt de gezochte personen er zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming van op de hoogte dat zij het recht hebben in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van de advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rechten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen.
5. Indien de gezochte personen het recht om een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen, wensen uit te oefenen en zij nog geen dergelijke advocaat hebben, brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat hiervan terstond op de hoogte. De bevoegde autoriteit van die lidstaat verstrekt de gezochte personen zonder onnodig uitstel de informatie om hen te helpen in die lidstaat een advocaat te vinden.
6. Het recht van gezochte personen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen, laat de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ bepaalde termijnen of de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslissing te nemen over de overlevering van de betrokkene, onverlet.
Artikel 11

Rechtsbijstand

Deze richtlijn laat het nationale recht inzake rechtsbijstand, dat van toepassing is overeenkomstig het Handvest en het EVRM, onverlet.
Artikel 12

Rechtsmiddelen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden.
2. Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.
Artikel 13

Kwetsbare personen

De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.
Artikel 14

Non-regressieclausule

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM of andere toepasselijke bepalingen van het internationale recht of het recht van lidstaten en die een hoger beschermingsniveau bieden.
Artikel 15

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 november 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden door de lidstaten vastgesteld.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 16

Verslag

Uiterlijk op 28 november 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten aan deze richtlijn hebben voldaan, inclusief een beoordeling van de toepassing van artikel 3, lid 6, juncto artikel 8, leden 1 en 2, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.
Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 18

Adressaten

Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2013.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
V. LEŠKEVIČIUS
(1) PB C 43 van 15.2.2012, blz. 51.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 10 september 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 7 oktober 2013.
(3) PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1.
(4) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(5) PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1.
(6) PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1.
(7) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.
(8) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
Volkskrant van 20130424
Grootgrondbezit: Ook in Europa is landjepik populair
Edited: 201304240909
GERARD REIJN ? 24/04/13, 00:00
Grootgrondbezit wordt altijd geassocieerd met arme landen, maar vooral Oost-Europese landerijen zijn plots in trek. Het Europees landbouwbeleid speelt daar ook een rol in.

In de Europese Unie is de helft van alle landbouwgrond in handen van 3 procent van de landbouwbedrijven. Kapitaalkrachtige bedrijven, oliestaten, vreemde mogendheden en Oost-Europese oligarchen eigenen zich enorme landerijen toe, vooral in Oost-Europa.

Dat constateert een groep onderzoekers onder leiding van de Wageningse hoogleraar Jan Douwe van der Ploeg en Saturnino Borras, een Filipijnse onderzoeker van het Haagse Instituut voor Sociale Studies ISS. Vorige week publiceerden zij delen uit een onderzoek dat in de zomer klaar moet zijn, net op tijd om door het Europees Parlement te worden meegewogen als dat spreekt over het nieuwe landbouwbeleid van de EU. Want, zegt Saturnino Borras, 'het Europees landbouwbeleid stimuleert deze ontwikkeling in hoge mate. Dat wordt nog sterker als straks de agrarische subsidies per hectare zullen worden berekend, zoals in de nieuwe voorstellen het geval is.' De subsidies komen grotendeels in handen van de grootgrondbezitters. In Italië krijgt nu al 0,29 procent van de bedrijven 18 procent van de subsidies. In Hongarije strijkt 8,6 procent van de bedrijven zelfs 72 procent van de subsidies op.

Grootgrondbezit wordt altijd geassocieerd met naargeestige trekjes van Latijns-Amerikaanse landen en met plantages in Afrika en Zuidoost-Azië. Maar, schrijven de onderzoekers, 'landeigendom in Europa is erg ongelijk verdeeld, in sommige landen net zo erg als in Brazilië, Colombia en de Filipijnen'. En dat zijn landen die berucht zijn om hun grootgrondbezit en vooral de nadelen daarvan.

Het tempo van concentratie van land ligt buitengewoon hoog, stelt onderzoeker Borras. In Duitsland waren in 1966 nog 1,246 miljoen boerenbedrijven, in 2010 nog 299 duizend. Een daling van rond 3,5 procent per jaar.

In Oost-Europa gaat het nog veel harder. In Oekraïne bezitten de tien grootste agrarische ondernemingen 2,8 miljoen hectare grond. Ter vergelijking: het Nederlandse grondoppervlak is 3 miljoen hectare, daarvan is 2,2 miljoen hectare agrarische grond. Na de val van het communistische regime werd de grond verdeeld onder de boeren, maar dat gebeurde zodanig dat kleine boeren geen kans op overleven hadden. Zij verpachtten of verkochten hun land. In Roemenië en Bulgarije gebeurde iets soortgelijks.

Net als in Afrika is China een belangrijke partij in het Europese landgrab-spel. In het noorden van Bulgarije, een van de armste streken van Europa, verwierf de Tianjin State Farms Agribusiness Group 20 km2 land om er onder meer mais en melkpoeder te produceren voor China. Nog maar enkele weken geleden kondigde China aan zijn landbouwgronden in Bulgarije te zullen voorzien van een irrigatiesysteem. Qatar en Koeweit onderhandelen ook over investeringen van honderden miljoenen in Bulgarije.

In Hongarije wisten buitenlandse partijen duizenden hectares te bemachtigen, hoewel dat verboden is. Een berucht geval is dat van de Italiaanse familie Benetton, die van de kleding. Die bezit er een landgoed van 7.000 hectare, waar mais en tarwe worden verbouwd, en dat door de lokale bevolking 'Dallas' wordt genoemd, naar de tv-serie over de Texaanse familie Ewing.

De landgrab in Oost- en Midden-Europa is niet wezenlijk anders dan die in Afrika, zegt onderzoeker Borras. In West- en Zuid-Europa verloopt de concentratie langzamer, maar gestaag. 'Sluipende landroof', noemt Borras dat. Een politieke term, geeft hij toe. Maar ook een wetenschappelijke. 'Het betekent dat de controle over het land in weinig handen komt, waardoor het politieke effecten krijgt.' In sommige delen van Spanje is dat te zien. Volgens Borras wordt daar op steeds grotere schaal land bezet door landloze boeren. 'En vaak slagen ze erin die bezetting gelegaliseerd te krijgen. Ze winnen.'

Borras vindt dat een bewijs te over dat de concentratie van landeigendom gevaarlijk is. 'Het belemmert jonge mensen boer te worden. In Europa willen nog steeds mensen boer worden, maar ze kunnen het vaak niet omdat ze niet aan de grond kunnen komen. Door de concentratie van landeigendom wordt dat probleem steeds groter.'

Nederland speelt grote rol bij landgrabbing

Nederlandse financiële partijen spelen een grote rol in landgrabbing. De drie grote banken (ING, ABN Amro, Rabobank) en drie pensioenfondsen (ABP, Bedrijfstak pensioenfonds Bouw en Pensioenfonds Zorg en Welzijn) hebben samen 2,2 miljard euro geïnvesteerd in tientallen bedrijven die soms honderdduizenden hectares bezitten. In totaal hebben ze zo belangen in 14,3 miljoen hectare land. Dat is bijna vijf maal Nederland.

Dat blijkt uit onderzoek dat een jaar geleden werd verricht door het Landbouw Economisch Instituut (LEI), in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Aan het onderzoek is in de media vrijwel geen aandacht besteed. De Tweede Kamer heeft er begin dit jaar wel een hoorzitting over gehouden.

Het zijn meest onbekende plantage-bedrijven, veelal in Zuidoost- Azië, zoals Bakrie Sumatera Plantations (250 duizend hectare), Indofood Sukses Makmur (550 duizend) en China Huiyuan Group (200 duizend).

Maar ook hebben de zes institutionele bedrijven geld gestoken in papierconcerns die elk goed zijn voor honderdduizenden hectaren in vooral Oost-Azië en Latijns-Amerika. Daarbij gaat het om Nippon Paper (166 duizend hectare), Stora Enso (700 duizend) en Oji Paper (400 duizend).

Het LEI becijferde ook dat Nederlandse boeren en tuinders in totaal een half miljoen hectare land in het buitenland hebben verworven en er agrarische bedrijven op zijn begonnen. Dat is bijna een kwart van het totale Nederlandse areaal aan landbouwgrond (2,2 miljoen hectare).
SINGTON David
De financiële crisis: Waar Het Fout Ging (The Flaw)
Edited: 201112271505
Gepubliceerd op 27 dec. 2011
Wat gebeurt er als de rijken steeds rijker worden? David Sington gaat in zijn film The Flaw op zoek naar de onderliggende oorzaak van de financiële crisis. Drie jaar nadat de financiële crisis wereldwijd toesloeg, lijkt er niets veranderd te zijn.

De overheid en het huidige politieke systeem blijven in grote mate afhankelijk van de financiële sector. Een sector die niet in staat lijkt te zijn om de veranderingen door te voeren en hun zaken transparanter te maken in een wereld waarin de rijken steeds rijker worden. Filmmaker Sington wil dat er dingen veranderen. In deze film probeert hij uit te leggen wat de onderliggende oorzaak van de afgelopen crisis is.
Vander Taelen Luckas
Brussel! De tijdbom tikt verder
Edited: 201109280856
Auteur: Luckas Vander Taelen
Categorie: Mens & maatschappij
Pagina's: 216
Afwerking: paperback
ISBN: 9789089241993
Publicatiedatum: 28/09/2011
Formaat: 14 x 22
Verkoopprijs: € 18,95
Status: Uitverkocht
Van de achterflap:
Brussel is een tijdbom. In deze geactualiseerde versie van Berichten uit Brussel gaat Luckas Vander Taelen verder met zijn analyse van zijn stad. Hij wijst vooral op de problemen als gevolg van de demografische explosie, die nog zal toenemen. Nu al zijn delen van de stad onleefbaar: bedrijven trekken er weg, vrouwen kunnen ’s avonds niet meer over straat, homo’s krijgen steeds meer met agressie te maken… Sommige wijken zijn heuse no go areas geworden. En de oude politieke krokodillen kijken verlamd toe.
Er moet dringend iets gebeuren, want de huidige structuur van Brussel, met zijn 19 gemeenten en zijn loodzware bureaucratie, is niet aangepast aan de uitdagingen van deze eeuw. Een inspirerende toekomstvisie voor het multiculturele Brussel ontbreekt.
De auteur pleit voor een grootstedelijk gewest met één krachtig bestuurscollege. Vlaanderen verwijt hij dan weer onvoldoende in te zien hoezeer de problemen van de hoofdstad onvermijdelijk ook grote gevolgen hebben voor de zeer brede rand van Brussel. ‘Vanuit een goed begrepen eigenbelang zou het moeten duidelijk zijn dat de welvaart van Vlaanderen niets te winnen heeft met miserie en chaos in Brussel. Een bloeiende metropool biedt Vlaanderen meer kansen dan een bloedende grootstad. Wie nu zijn ogen sluit bezondigt zich aan schuldig verzuim. De feiten zijn gekend. We zullen later niet kunnen zeggen dat we het niet geweten hebben.’
LT
Berlusconi
Edited: 201107130155
Enkele feiten en namen.
Invloedsferen:
Immobiliën (Milano 2, Milano 3)
TV: Mediaset
Ideeëngoed: Loggia Propaganda 2 / P2 van Licio Gelli
Sport: AC Milan
Politiek: Forza Italia

Enkele betrokkenen van de Cosa Nostra:
Marcello Dell'Utri
Stefano Bontate
Francesco Di Carlo
Vittorio Mongano
Massimo Ciancimino

Magistraten contra B. en de corruptie:
Antonio Ingroia
Scarpinato
Gherardo Colombo
Antonio Di Pietro
Paolo Borsellino (1940-1992)
Giovanni Falcone (1939-1992)

Het televisie-imperium start met TeleMilano, een lokaal station.
Na deze opstart koopt B. meerdere lokale TV-stations.
Aldus komt hij tot Canale 5, een nationaal station.

Europa 7 wordt door B. tegengewerkt door het de frequentie te blijven bezetten.

Pro Memorie: uitgeverij Mondadori is in handen van B., net zoals meerdere kranten en weekbladen.


14 mei 2011: IMF-baas Dominique Strauss-Kahn (DSK) aangehouden in New York wegens seksuele agressie t.a.v. kamermeisje
Edited: 201105141261
Dit nieuws slaat in als een bom. DSK is de gedoodverfde kandidaat van de Franse Parti Socialiste voor het presidentschap. De "affaire DSK" neemt een start.
Elementen:
2003: aanranding journaliste Tristane Banon (later niet bewezen geacht);
november 2007: benoemd tot PDG van IMF in Washington;
januari 2008: IMF-medewerkster Piroska Nagy lastig gevallen;
13 mei 2011: zonder duidelijke reden maakt DSK een tussenstop in NY;
14 mei 2011: aanranding kamermeisje in Sofitel;
19 mei 2011: vrij op borg van 750.000 US$;
start van een campagne tegen het aangerande kamermeisje, Nafissatou Diallo;
28 augustus 2011: "non lieu" en vrijlating.

Op de achtergrond van de affaire DSK speelt de affaire Polanski een rol, en wellicht verklaart dit de detentie.

Het rechtstreekse gevolg van de affaire DSK was de kandidatuur van François Hollande voor de verkiezingen van 2012.

Een groot aantal getuigenissen wijzen op "une complicité tacite" tussen pers en politiek. Een methode is de "lunch off": tijdens een maaltijd vertelt een politicus allerlei zaken waarover de pers niet wordt geacht te berichten (off the record). Wie deze afspraak negeert, wordt uit de "cercle des intimes" verwijderd. De politicus houdt daardoor de touwtjes in handen en de journalist geeft een deel van zijn waakhondfunctie uit handen. De berichtgeving wordt in die context genegocieerd, verhandeld.


zie ook Sexus Politicus
Vander Taelen Luckas
Berichten uit Brussel - Leven in de hoofdstad
Edited: 201009160855

Categorie: Mens & maatschappij
Pagina's: 136
Afwerking: paperback
ISBN: 9789089241436
Publicatiedatum: 16/09/2010
Formaat: 13 x 21
Verkoopprijs: € 14,50
Status: Uitverkocht
De toekomst van onze hoofdstad
Ik woon vlakbij een buurt in Vorst die je zelfs met de meest multiculturele vooringenomenheid niet anders dan als getto kunt omschrijven. Ik fiets er elke dag door en beleef steeds een ander avontuur. Dubbelgeparkeerde auto’s, chauffeurs die een kruispunt blokkeren om met elkaar te praten, rondhangende jongeren die je bekijken alsof je op hun privédomein komt.
Probeer vooral niets te zeggen als je weer eens bijna omver gereden wordt: de laatste keer dat ik dit toch deed, werd ik de huid vol gescholden door een omstander van geen zestien jaar, die zijn beledigende tirade afsloot met de boodschap: ‘Nique ta mère!’ Dat was minder erg dan de vorige keer toen een andere jonge Maghrebijnse chauffeur zich door mijn gedrag beledigd voelde: ik had het aangedurfd mijn voorrang te nemen. Zijn eer was dusdanig gekrenkt dat hij dit blijkbaar enkel kon rechtzetten door me in het gezicht te spuwen.
In oktober 2009 schreef GROEN!-politicus Luckas Vander Taelen in De Standaard een column over de problemen waarmee hij in zijn Brusselse buurt geconfronteerd werd. Deze lokte felle reacties uit, omdat kritische bedenkingen over veiligheid en multiculturaliteit veeleer met extreemrechts geassocieerd worden.
In dit boek combineert Vander Taelen teksten over dit thema met het verhaal van zijn politiek engagement in Brussel en met bedenkingen bij de toekomst van de enige grootstad die dit land rijk is.
Wiki
ERDAL Fehriye (DHKP-C) - Koerdische
Edited: 200802070901


Fehriye Erdal (Kangal, 25 februari 1977) is een Turkse militante van het Turks Volksbevrijdingsleger (DHKP-C). Deze extreemlinkse groepering voert een gewapende strijd tegen de Turkse staat en wordt door de Verenigde Staten en de Europese Unie als een terroristische organisatie beschouwd. Erdal is spoorloos en het Belgisch gerecht vermoedt dat ze waarschijnlijk dood is.
Erdals ouders waren Koerdisch. In 1996 vluchtte ze uit Turkije waar ze verdacht wordt van medeplichtigheid aan een drievoudige moord. In 1999 werd ze in Duinbergen opgepakt.

Erdal werd op 28 februari 2006 door een Belgische rechtbank tot 4 jaar gevangenisstraf veroordeeld voor bendevorming, valse paspoorten en het bezit van illegale wapens. Toen men haar wilde oppakken, bleek ze spoorloos verdwenen te zijn, hoewel ze onder toezicht stond van de Staatsveiligheid. Dit veroorzaakte een schandaal in de Belgische politiek. Er werd zelfs de vergelijking getrokken met de ontsnapping van Marc Dutroux op 23 april 1998.

Vlaams Belang en CD&V eisten het ontslag van de minister van Justitie Onkelinx, maar zij weigerde op te stappen.[1]

Op 7 februari 2008[2] sprak het Hof van Beroep in Antwerpen Erdal vrij. Ze werd beschuldigd van het lidmaatschap van of het ondersteunen van een terroristische organisatie, vanwege haar banden met een Turkse oppositiegroep, de DHKP-C of Revolutionair Volksbevrijdingsleger. Het Hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de betrokkene in verband bracht met plannen voor terroristische aanslagen. Ook achtte het Hof niet bewezen dat de organisatie in België een criminele of terroristische organisatie zou zijn.
grootgrondbezit in Bolivië: 90% van de grond in handen van 7% van de bevolking
Edited: 200802020063
Nu de arme meerderheid aan de politieke macht is, willen de rijken Santa Cruz afscheiden. Bron: programma "Vranckx" op Canvas (oorspronkelijk programma is van Channel 4)
JANSSENS Paul Prof. Dr
Professor Paul Janssens over prinsen, markiezen en baronnendoor Danny Vileyn © Brussel Deze WeekBrussel07:00 - 28/06/2008
Edited: 200800000901
Ze heten conservatief, francofoon en koningsgezind te zijn, en verdedigers van de traditionele gezinswaarden, maar het meest bijzondere kenmerk van de adel is het vermogen om zich aan te passen. Een gesprek met de historicus Paul Janssens aan de vooravond van de Ommegang - waarin traditioneel edellieden opstappen - en de nationale feestdag van 21 juli, die al even traditioneel voorafgegaan wordt door het toekennen van adellijke titels.

Professor Paul Janssens houdt kantoor in een piepklein kamertje van het Ehsal Research Center, het pand tegenover de hoofdzetel van de Ehsal aan de Stormstraat 2, een van de campussen van de nieuwe HUB, de Hogeschool-Universiteit Brussel. Paul Janssens doceert economische geschiedenis en is gespecialiseerd in fiscale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de adel kent hij op zijn duimpje.



Zelfs de lap grond waarop de campus van de Ehsal gebouwd is, heeft een adellijk verleden - dat moet Janssens erg bevallen. "Halverwege de zeventiende eeuw, toen de Nieuwstraat nog een aristocratische straat was, kocht de markies de Berghes - de markiezen van Bergen op Zoom hadden hun naam verfranst - een aantal huizen op de grond waar nu de campus van de Ehsal is. De adel deed toen wat de banken nu doen: huizen kopen, ze platgooien en er een ander soort pand op bouwen. (Janssens doelt op de KBC, die tegenover de Ehsal panden platgooide voor een bankgebouw, DV.) Ze bouwden er een prachtig hôtel de maître, dat ze bewoond hebben tot aan de Franse Revolutie. Dan is er een cercle littéraire in getrokken, waar de leden onder andere de grote Europese kranten kon lezen, en in de negentiende eeuw kreeg het pand een commercië­le bestemming. Toen de Ehsal hier een paar decennia geleden bouwde, was het pand volledig uitgewoond."



Wij vatten de adel van vandaag voor u samen in tien stellingen.



Belgische adel is Brussels gekleurd

"Het is een merkwaardig fenomeen," legt Paul Janssens uit, "maar er bestaat wel degelijk een Brusselse adel, zeker als we 'omvang' als criterium nemen."



Terwijl in het hoofdstedelijk gewest 'maar' tien procent van de Belgische bevolking woont, heeft zowat 33 procent van de adel er zijn vaste stek. In Wallonië woont veertig procent van de adel en in Vlaanderen - met zestig procent van de bevolking - maar twintig tot 25 procent. Janssens' hypothese is dat de adel in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen met de taalwetgeving duidelijk werd dat België geen tweetalig land zou worden (de Walen hadden dat afgewezen), een deel van de Vlaamse adel (die zoals in heel Europa Franstalig was) naar Brussel, het enige tweetalige gebied, is verhuisd.



Jongere edelen zijn meertalig

Eeuwenlang waren de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse adel Franstalig. Al wie in de achttiende eeuw in Vlaanderen macht, aanzien en geld had, was Franstalig, dus ook de adel. Dat was het gevolg van een geslaagde Europese taal- en cultuurpolitiek van Lodewijk XIV. "Maar de jongere generaties, de mensen onder de vijftig, hebben begrepen dat de spelverdeling in dit land veranderd is. Ze zijn goed tweetalig, zelfs meertalig. Vaak hebben ze tijdens hun middelbareschooltijd op internaat gezeten in Vlaanderen en hebben ze nadien ook in het buitenland gestudeerd."



Figuren zoals de 75-jarige (niet-benoemde) burgemeester van de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem, François van Hoobrouck d'Aspre (MR), hebben volgens Janssens afgedaan. Ondertussen spreken de meeste edelen in Vlaanderen Nederlands, ook de in ongenade gevallen oom van prinses Mathilde, de mediagenieke Henri d'Udekem d'Acoz, die met een sappig West-Vlaams accent spreekt.



De adel is niet eeuwig

"Het is een wijdverbreid misverstand dat mensen met blauw bloed sinds de kruistochten één grote familie vormen en onder elkaar huwen," zegt Paul Janssens. De meerderheid van de adellijke families is niet ouder dan België zelf, en de samenstelling verandert voortdurend. Families behoren gemiddeld vijf tot zes generaties - of twee eeuwen - tot de adellijke stand. Omdat het adellijk statuut, net als de naam, doorgegeven wordt in mannelijke lijn, houdt het ook op als er geen mannelijke nakomelingen meer zijn. De familie de Merode behoort samen met de Croÿ, de la Faille en de Kerckhove tot de oudste adellijke families van het land en ze zijn ook goed vertegenwoordigd in de hoofdstad. De prinsen de Croÿ behoren al tot de adel sinds de vijftiende eeuw, de prinsen de Merode zelfs iets langer.



Anciënniteit is het belangrijkst

"Hoezeer edellieden ook gehecht zijn aan hun titel, de adellijke anciënniteit vinden ze nog belangrijker," vertelt Janssens.



De 'echte' titels, die voor de Franse Revolutie van 1789 toegekend werden, waren gevestigd op het familiepatrimonium. De oudste titel in ons land is die van graaf van Chimay, een stadje tegen de Franse grens en welbekend voor het bier, en hij dateert uit 1473 - het was Jean de Croÿ die de titel droeg. Deze grondgebonden adellijke titels (die na het overlijden van de vader op de oudste zoon overgingen) dienden om het fami­liaal patrimonium van de grootgrondbezitters te beschermen. Jean de Croÿ bezat de heerlijkheid Chimay en een paar heerlijkheden eromheen die samen het nieuwe graafschap vormden. "Maar de adellijke titulatuur is enorm complex, en in sommige families gaat de titel over op alle kinderen. Vandaar dat België honderden prinsen de Merode en de Croÿ telt," licht Janssens toe.



Meeste edellieden zijn titelloos

Veruit de meeste edellieden moeten het zonder titel stellen. Samen met het grootgrondbezit (de heerlijkheden) had de Franse Revolutie ook de adel afgeschaft. Na het verdwijnen van Napoleon in 1815 herstelde koning Willem I de adel in onze gewesten. Er kwam geen collectieve genoegdoening, maar edelen konden wel individueel een aanvraag indienen. Maar omdat het grootgrondbezit afgeschaft was, werd de titel niet langer aan het patrimonium gelinkt, maar aan de naam. België telt zo'n 25.000 tot 30.000 edellieden, de meesten hebben geen titel.



Zo vader, zo zoon

"Eddy Merckx is eerst in de adelstand opgenomen en nadien baron geworden," legt Janssens uit. Een titel betekent meer prestige, je wordt in de hiërarchie opgenomen. Janssens herinnert aan de verschillende adellijke titels, van hoog naar laag: prins, hertog, markies, graaf, burggraaf, baron en ridder. De eerste drie worden niet toegekend en zijn dus het voorrecht van de oude adel. "De adellijke titels die nu nog toegekend worden, zijn niet erfelijk. Axel Merckx behoort wel tot de adel omdat zijn vader ertoe behoort, maar de titel van baron heeft hij niet. Ook zijn kinderen behoren tot de adel, maar alleen de zonen geven hem door."



Van de Wolstraat naar de Woluwes

Tot halverwege de negentiende eeuw woonde de Brusselse adel binnen de stadswallen, bijvoorbeeld in de Wolstraat en de Warande. Toen in 1860 de belastingen op de invoer van consumptiegoederen werd afgeschaft, kwam de bevolking van de randgemeenten volop tot ontwikkeling. De adel begon toen uit te zwermen, eerst naar de Leopoldswijk en de Wetstraat, later naar de Woluwes, Ukkel en Elsene.



"De edelen wonen vaak in dezelfde wijken of gemeenten." Dat is, legt Janssens uit, duidelijk te zien in het Carnet Mondain, de jaarlijkse adressenlijst waarin heel de beau monde, en dus het gros van de adel, terug te vinden is. "Voor de aristocratische woningen die in de Leo­poldswijk opgetrokken werden, golden strenge voorschriften. Het stratenplan van de wijk vormt een mooi dambord," legt Janssens uit. "Maar lang is de adel niet in de Leopoldswijk gebleven. Tussen 1800 en 1900 is de Brusselse bevolking vertienvoudigd, van 75.000 naar 750.000 inwoners." Na 1860 kwamen de eerste aristocraten in de Leopoldswijk wonen, in het interbellum verlieten ze de buurt alweer. De Leopoldswijk en de Wetstraat werden opgenomen in het stadsgewoel, en daar houdt de adel niet van. Destijds was de Wetstraat een opeenvolging van prestigieuze herenhuizen met koetspoorten. "De edellieden trokken richting Tervurenlaan, Ukkel en de Woluwes." Janssens wil van de gelegenheid gebruikmaken om het wijdverbreide misverstand recht te zetten als zou de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van het aristocratische karakter van de Leopoldswijk: "In de jaren 1930 was de adel er al weg en werden de panden door kantoren en banken ingenomen; de Wetstraat is van in 1958 een autosnelweg: geen omgeving waar mensen met geld en aanzien willen wonen."



Royalistisch, kerkelijk, conservatief

De adel heet kerkelijker te zijn dan de gemiddelde Belg. Maar dat is zeer moeilijk te meten, zegt Paul Janssens. Het aantal roepingen is een slecht criterium geworden, en of de adel vaker ter kerke gaat dan de gemiddelde Belg, is niet bekend.



Kerkelijkheid impliceert meestal een traditionele gezinsmoraal, maar ook binnen de adel is scheiden niet langer een taboe. Wel hebben ze meer kinderen dan de gemiddelde Belg, maar demografisch onderzoek toont aan dat ook de adel ondertussen aan geboorteplanning doet, wat twee generaties geleden volgens Janssens nog ondenkbaar was.



Dat de gehechtheid aan de monarchie groter is dan bij de rest van de bevolking, is volgens Janssens evident. In de huiskamers van prinsen en hertogen hangen niet zelden foto's waarop de koninklijke familie samen met hen te zien is. "De afstand tussen de koninklijke familie en de rest van de adel is kleiner geworden; koningin Astrid was de laatste van koninklijken huize."



Adel is politiek conservatief

In 1830 waren de meeste edellieden vóór de Belgische revolutie en tegen Willem I, zegt Janssens. Aanvankelijk vond je zowel binnen de katholieke als binnen de liberale partij adel. Tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de eerste Schoolstrijd losbrak, schakelden de liberale edelen massaal over naar de katholieke partij. Het heeft geduurd tot het Schoolpact van 1958 (liberalen en socialisten waren ervan overtuigd dat dat pact het einde van de christen-democratie in zou luiden) voordat liberaalgezinden van binnen de christendemocratie, ten noorden é
HITCHENS Christopher
God is niet groot: Hoe religie alles vergiftigt (oorspronkelijke Engelse titel: God is not Great: How Religion Poisons Everything)
Edited: 200705011847
Dit is de titel van een non-fictieboek uit 2007, dat werd geschreven door de Brits-Amerikaanse journalist Christopher Hitchens.
Hitchens houdt in God is niet groot een ongeveer 300 pagina's durend betoog tegen de vermeende (al dan niet humanitaire) waarden van georganiseerde religie. Dit doet hij door argumenten aan te voeren waarom beweringen vanuit het georganiseerde geloof ofwel schadelijk, ofwel incorrect zijn, ofwel niet opwegen tegen de waarden van niet-religieuze tegenhangers. Door nauwkeurige analyse van belangrijke religieuze teksten komt hij tot de conclusie dat religie niet meer is dan de verbeelding van de vroege mensheid die antwoorden zocht op de grote vragen en tegenwoordig de maatschappij verziekt, oorzaak is van gevaarlijke seksuele, maatschappelijke en politieke repressie, vijandig tegenover de wetenschap en vrij onderzoek staat, een belediging van de rede is en de bakermat van de beschaving miskent.
TESSENS Lucas
Woodstock 15 augustus 1969
Edited: 200612031489
En toen was er Woodstock. De puriteinse USA wisten niet wat hen overkwam. Het protest tegen de oorlog in Viëtnam (de schrille en schrijnende klanken uit de gitaar van Jimmy Hendrix) en dus het in vraag stellen van de premissen van de Koude Oorlog, de sexuele revolutie (het naaktzwemmen en het gebruik van de pil), het afwijzen van de overconsumptie, het onderhuids verlangen naar samenhorigheid (Need a little help from my friends, Beautiful People, ...), de verzoening tussen blank en zwart, het verwerpen van nationalisme en imperialisme, ... Alles is aanwezig in de smeltkroes van die gevaarlijke generatie die tot transatlantische verstandhouding komt. Het zijn enkele jaren waarin Europa zich in Amerika herkent, en vice versa. De beweging zal echter doodlopen op de perverse, want uitgelokte of - beter - geënsceneerde, oliecrisis van 1973 (*) en de economische crisis met torenhoge werkloosheid die er het gevolg van is. Hebt u er al eens bij stil gestaan dat in 1973 niet de oliesjeiks de lakens uitdeelden in de Arabische oliestaten maar dat het de Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen waren. En bedenk eens het volgende: elke spanning die ontstaat of wordt opgewekt in het Midden-Oosten, en die automatisch de olieprijzen de hoogte indrijft, komt de Texaanse oliebaronnen ten goede. Omdat presidentsverkiezingen in de VS gewonnen worden mits de inzet van enorme geldmassa's in publiciteitscampagnes op TV, is het draineren van dollars naar deze of gene staat van kapitaal belang. De blijvende druk op de ketel van het Midden-Oosten garandeert met andere woorden het in stand houden van de republikeinse dominantie in de VS. Aldus heeft de controle over de geopolitieke spanning een rechtstreekse invloed op de binnenlandse VS-politiek.
(*) Over de oliecrisis van 1973 schreef Leonard Mosley in Grof Spel (1974) het volgende: "Het is veelbetekenend, dat terwijl het voornaamste doelwit van het Arabisch olieëmbargo de 'onvriendelijke' Verenigde Staten waren, geen van de Amerikaanse maatschappijen werd genationaliseerd en in Saoedi-Arabië, Koeweit, Aboe Dhabi, de Neutrale Zone, Bahrein en Oman bleven maatschappijen als Exxon, Gulf, Socal, Mobil en Getty haar enorme winsten maken uit de bedragen die de 'vriendelijke' Europese naties gedwongen werden te betalen voor olie uit het Midden-Oosten." (onze cursivering, pagina 465)

Op de knieën zal de generatie van 1968 moeten smeken om werk ... Enkel diegenen die in eer en geweten willen spreken over de periode vóór en na 1968 weten welke kentering er toen heeft plaats gegrepen: het bespreekbaar maken van eender welk onderwerp en het afwijzen van (vaak religieus geïnspireerde) taboes. Op sexueel vlak werd een doorbraak geforceerd en de brede emancipatie beloofde te leiden naar maatschappelijk aanvaarde volwassenheid. In die context was er ook plaats voor welbegrepen feminisme (The woman is the nigger of the world). Juist daarom is het doodjammer en schandalig dat vandaag (in 2005) de westerse maatschappij tenonder gaat in puberale excessen, uitgedragen door massamedia die het alleen te doen is om kijkcijfers en geldgewin.
Is het helemaal onbegrijpelijk dat de islam zo'n maatschappijmodel verwerpt en bestrijdt? Wat hebben de 'blanke honden' te bieden? En hoe diep zit niet de angst dat het afleggen van sluier en burka morgen overgaat in het omarmen van de holle 'cultuur' van de blote tieten en de wiegende konten? Zolang de westerse wereld geen fatsoen en geen eerlijke verdeling van de rijkdom kan bieden, zolang zal de oppositie van de harde kern aan de overzijde groeien.
Vlaanderen is ten prooi gevallen aan media-managers die openlijk het 'opleuken' van de persberichtgeving en zelfs van de informatieve programma's van de openbare omroep propageren. De strijd om de culturele ontvoogding is stil gevallen en in een scherpe U-bocht loopt nu het pad terug naar de onderdrukking die van alle tijden is. We amuseren ons kapot ... gehuld in onmondigheid.
LT
De Armeense genocide: een obstakel voor Turkije?
Edited: 200609280902
De genocide (Armeense kwestie) staat voor de moorden op ca. één miljoen Armeniërs, die in 1915-1917 gepleegd werden in het Ottomaanse Rijk ten tijde van het regime van de Jonge Turken. Westerse historici, alsmede verschillende Turkse historici, o.a. Taner Akçam, Fatma Muge Gocek en Halil Berktay, zijn het over het algemeen eens dat er een genocide was. Anderen houden het bij een deportatie, waarbij nog vaak een etnische zuivering wordt erkend. Turkije ontkent de genocide en tracht internationaal de erkenning ervan tegen te houden. Een aantal wetenschappers stelt dat te weinig bewijs is gevonden. In 1919 stelde het Britse ministerie van BuZ: "Er is niet één Turk die kan begrijpen dat een Turk opgehangen moet worden omdat hij christenen heeft vermoord."
Zolang deze kwestie niet is uitgeklaard, vormt zij naar onze mening een obstakel voor de toetreding van Turkije tot de EU. Het gaat toch niet op dat aan de conferentietafel het ene land - met name Duitsland - een open politiek voert inzake de holocaust en dat het andere land - Turkije - geen verantwoordelijkheid zou willen dragen voor een genocide. Een tijdsverschil van 25 jaar betekent immers niets in de historie van naties.
Het lijkt ons terecht dat de natie als structuur en niet het volk die verantwoordelijkheid op zich neemt.
13 februari 2006: Bourgeois vindt betrokkenheid Verhofstadt bij VTM fout
Edited: 200602134588
Premier Verhofstadt heeft een politiek-deontologische fout gemaakt toen hij 17 jaar geleden de commerciële omroep mee hielp opstarten. Dat heeft Vlaams minister van Media Geert Bourgeois maandagavond in het televisieprogramma Terzake op de VRT gezegd.
"Ik vind het absoluut niet kunnen dat je als politicus kapitaal helpt verstrekken in een dergelijk dossier", aldus Bourgeois. Bourgeois debatteerde in Terzake met de nationaal secretaris van de journalistenvereniging AVBB Pol Deltour naar aanleiding van de voorstelling van het boek van Guido Van Liefferinge "Glamour en glitter, geld en macht. Welkom in medialand". Daarin haalt de auteur zwaar uit naar de nauwe banden tussen journalisten en politici en naar de mediaconcentratie in Vlaanderen. (BAR) (Belga 06:20)

STOX Yves
Een paradoxale scheiding De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Edited: 200412320001
jura falconis, jg 41, 2004-2005, nr 1, p. 37-62

Een paradoxale scheiding
De laïcité van de Staat in de Belgische Grondwet
Yves Stox
Onder wetenschappelijk begeleiding van Prof. Dr. A. Alen en F. Judo
VOORWOORD
De Belgische Grondwet bevat met de artikels 20, 21, 22 en 181 een uitgebalanceerd systeem inzake de verhouding Kerk-Staat. Deze bepalingen werden nooit aangepast en zijn een toonbeeld van de degelijkheid van de oorspronkelijke grondwet uit 1831. De huidige laatmoderne maatschappij verschilt echter sterk van de 19e eeuwse maatschappij. Terwijl de culturele diversiteit en de religieuze heterogeniteit[1] gegroeid zijn, zijn de grondwettelijke bepalingen echter onveranderd gebleven.
De verklaring tot herziening van de Grondwet van 9 april 2003 werd door de Mouvement Réformateur aangegrepen om een strikte scheiding tussen Kerk en Staat in art. 1 G.W. op te nemen. Het voorstel werd weliswaar niet aanvaard, maar vormt de ideale aanleiding om, na een inleidende ideeëngeschiedenis, de verhouding tussen Kerk en Staat in België opnieuw voor het voetlicht te brengen. Aangezien in de “Verantwoording” van het eerste amendement bij het “Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet” uitdrukkelijk verwezen wordt naar Frankrijk, komt vanzelfsprekend ook de verhouding tussen Kerk en Staat bij onze zuiderburen aan bod. Vervolgens wordt het voorstel van de Mouvement Réformateur getoetst aan het juridische kader. Tenslotte wordt een alternatief voorstel onderzocht, namelijk de mogelijkheid van een concordaat.
1. INLEIDENDE IDEEËNGESCHIEDENIS
Op 22 en 23 februari 2003 hield de Mouvement Réformateur in Louvain-la-Neuve een congres met als titel “Engagement citoyen”. De werkgroep “Citoyenneté et Démocratie” van dit congres wees op de waardevolheid van het pluralisme. De maatschappij is een geheel van individuen en elk individu kan zijn eigen opvatting van het “goede leven” kiezen. De overheid dringt de individuen geen opvatting op, maar biedt enkel de mogelijkheid om door een democratisch debat consensus te bereiken. De overheid kan echter deze rol enkel vervullen indien alle burgers de politieke conceptie accepteren die de overheidsinstellingen beheerst. Daarom stelde de werkgroep voor om in de Grondwet de principes te bepalen die de door de overheid erkende organisaties of financieel ondersteunde partijen moeten respecteren.[2] Dergelijk voorstel kan een verregaande invloed hebben op het systeem van erkende erediensten.
Dezelfde politieke filosofie zet de Mouvement Réformateur ertoe aan om de laïcité van de overheid in de Grondwet op te laten nemen. De overheid mag geen religie of filosofische stroming begunstigen, maar moet de meningsvrijheid garanderen aan al haar burgers. Het principe van laïcité houdt in dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen: “(Le principe de la laïcité) ne signifie pas que l’Etat privilégie un courant philosophique ou religieux par rapport à un autre. Au contraire, la laïcité de l’Etat est une garantie de pluralisme des convictions philosophiques et religieuses. C’est l’autorité de l’Etat, supérieure à toute autre autorité, qui fait respecter la liberté de pensée et donc de conviction philosophique et religieuse au bénéfice de tous les citoyens. La laïcité de l’Etat, c’est l’Etat équidistant à l’égard de toutes les religions ou convictions philosophiques.”[3]
Het mag dan ook niet verwonderen dat de heer Maingain (FDF/MR) in de Kamer[4] en de heren Roelants de Vivier (MR) en Monfils (MR) in de Senaat[5] het Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet van de regering op identieke wijze trachtten te amenderen. Dit “humanisme démocratique” maakte ondanks de verwerping van het amendement deel uit van het programma van de MR voor de verkiezingen van 18 mei 2003[6].
2. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT
De verhouding tussen Kerk en Staat heeft betrekking op de relaties tussen de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en hun leden enerzijds en de overheid anderzijds, alsook op de regelgeving die deze relaties beheerst.[7] Hierbij moet opgemerkt worden dat het begrip ‘Kerk’ niet enkel verwijst naar de christelijke godsdiensten, maar ook andere confessies en zelfs niet-confessionele levensbeschouwingen.[8] Het Belgische interne recht hanteert niet het begrip ‘Kerk’, maar wel de begrippen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’. ‘Eredienst’ werd door de auteurs van de Pandectes belges beschouwd als “l’hommage rendu par l’homme à la Divinité”, waarbij vooral “l’exercice public d’une religion” benadrukt wordt.[9] Steeds zal de rechter in concreto nagaan of het om een eredienst gaat.[10] De niet-confessionele levensbeschouwing werd pas in 1993 in de Grondwet opgenomen in het financieel getinte art. 181. Het onderscheid lijkt vooral een historisch karakter te zijn. Men kan zich immers vragen stellen bij de zinvolheid van het hanteren van een al te rigide onderscheid tussen ‘eredienst/culte’ en ‘niet-confessionele levensbeschouwing’.
De houding die de overheid aanneemt ten aanzien van de verschillende levensbeschouwingen is onderhevig aan de gehanteerde politieke opvattingen. Deze houding kan resulteren in een confessioneel systeem, een laïcaal systeem of een mengvorm waarbij samenwerking centraal staat.[11] Deze onderverdeling is archetypisch en moet gerelativeerd worden.
Ten eerste kan de overheid het beginsel van eenheid gebruiken. Zowel de volledige afwezigheid van religieuze neutraliteit is mogelijk, als de positieve religieuze neutraliteit zijn mogelijk. In het eerste geval heeft ofwel de staatsoverheid een overwicht op de religieuze overheid, ofwel de religieuze overheid een overwicht op de staatsoverheid. Soms wordt deze vorm gemilderd door de oprichting van nationale kerken en spreekt men van formeel confessionalisme. In het tweede geval ontstaat een ongelijke behandeling tussen de verschillende erediensten die aanwezig zijn in een bepaalde staat door een systeem van erkenning van erediensten. De positieve religieuze neutraliteit kan men niet alleen in België terugvinden, maar ook in Frankrijk.[12]
Ten tweede kan de overheid het beginsel van scheiding gebruiken. De staat zal zich actief verzetten tegen religieuze groeperingen of zich totaal onthouden. Deze religieuze onverschilligheid beheerst Frankrijk, uitgezonderd Alsace-Moselle.[13]
Ten derde kan een samenwerking ontstaan tussen de staat en de religieuze groeperingen door een systeem van overeenkomsten en verdragen (concordaten), die de belangen van de laatste behartigen. Dit samenwerkingsmodel kan variëren van het beginsel van eenheid tot het beginsel van eerder scheiding zoals in België.[14]
Volgens Ferrari is deze driedeling verouderd. De formele aspecten in de verhouding tussen Kerk en Staat worden te sterk benadrukt, terwijl de inhoudelijke aspecten niet voldoende aan bod kunnen komen.[15] Vandaar dat zowel België als Frankrijk bij twee van de drie systemen ondergebracht kunnen worden. De onderverdeling die op het eerste zicht zeer duidelijk lijkt, blijkt tegenstrijdigheden te generen.
3. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN BELGIË
3.1. DE GRONDWETTELIJKE POSITIE VAN DE EREDIENSTEN IN BELGIË
3.1.1. Discussie in het Nationaal Congres
In het Zuiden van Koninkrijk der Nederlanden ontstonden er twee oppositiebewegingen. De katholieke oppositie verzette zich tegen de godsdienst- en schoolpolitiek van Willem I. De liberale oppositie ijverde voor een parlementair regime, een rechtstreeks verkozen wetgevende macht, het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid en de erkenning van een aantal vrijheden, waaronder de godsdienstvrijheid en de vrijheid van onderwijs. Rond aartsbisschop de Méan was een handvol mensen werkzaam die zochten naar een oplossing voor de gespannen houding tussen Kerk en Staat in de Nederlanden, “de School van Mechelen”. Deze groep vertrok van de theologische opvatting dat God niet twee Machten kan hebben ingesteld die tegenstrijdig waren met elkaar. De Kerk en Staat behoorden in de Nederlanden dus niet gescheiden te zijn, maar er moest een zekere band zijn tussen beiden. De Staat zou effectief moeten waken over het behoud van de cultusvrijheid en zo de cultussen beschermen.[16] De clerus zou ook een wedde moeten krijgen, die als een vergoeding werd beschouwd voor de aangeslagen goederen tijdens de Franse Revolutie.[17] Vanaf 1827 groeiden beide oppositiebewegingen naar elkaar toe en in 1828 was “de Unie der opposities” – het zogenaamde “monsterverbond” – een feit. Oorspronkelijk was slechts een kleine meerderheid voorstander van een afscheuring. Onder invloed van de Juli-revolutie in Parijs op 27 juli 1830 werden de gemoederen opgezweept en de beroerten in Brussel leidden tot dat wat niemand had verwacht, een politieke revolutie.[18]
Nadat het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, vatte men aan met de uitbouw van de nieuwbakken staat. Het opstellen van een grondwet was één van de belangrijkste bekommernissen. Een commissie onder leiding van baron de Gerlache redigeerde een ontwerp van grondwet en de Belgen verkozen een grondwetgevende vergadering, het Nationaal Congres. In november 1830 verscheen in Leuven een anonieme brochure[19] van “de School van Mechelen”. Er stond te lezen dat de Grondwet de godsdienstvrijheid onaantastbaar moest maken. Tevens moest de vrijheid van eredienst gegarandeerd worden. Ook kwam men op voor de vrijheid van de cultus: alleen individuen mogen worden vervolgd indien ze in het kader van een cultus de publieke orde verstoren of strafbare feiten plegen. Daarenboven werd gepleit voor een gewaarborgde vrijheid van onderwijs en voor het beginsel van niet-inmenging in kerkelijke aangelegenheden, onder andere denkend aan de briefwisseling tussen de clerus en de Heilige Stoel. Bovendien werd een wedde voor clerici noodzakelijk geacht; deze wedde werd beschouwd als een rechtvaardige compensatie voor de inbeslagname van kerkelijke goederen. Op 17 december 1830 werd in het Nationaal Congres, waarin de meerderheid bestond uit katholieken, een brief voorgelezen van aartsbisschop de Méan, waarin hij de stellingnamen van de anonieme brochure diplomatisch parafraseerde. Toen het debat in het Nationaal Congres op 21 december 1830 aanving, werd al snel duidelijk dat de vrijheden niet alleen ten aanzien van het katholicisme zouden kunnen gelden, maar ook ten aanzien van de minderheidsgodsdiensten. De niet-confessionele levensbeschouwing kwam echter helemaal nog niet aan bod. Het ontwikkelde systeem van vrijheid zou echter vooral de katholieke godsdienst ten goede komen. De ruimdenkendheid van de katholieken had dus eigenlijk weinig om het lijf. De verspreiding van de andere godsdiensten was immers uiterst minimaal.Het is interessant om de uiteindelijke tekst van de Grondwet te vergelijken met de door de Méan voorgestelde tekst: de wensen van de aartsbisschop werden in grote mate ingewilligd door het Nationaal Congres.[20]
Zowel de katholieken als de liberalen deden bij het opstellen van de Grondwet toegevingen. De afschaffing van het capaciteitskiesrecht en de voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk zijn de voornaamste toegevingen langs katholieke zijde.[21] De liberalen aanvaardden dan weer de vrijheid van eredienst, de staatswedde voor de bedienaars van de eredienst en een staatstoelage voor onderhoud en oprichting van bidhuizen. Ook de vrijheid van onderwijs werd erkend.[22]
De eensgezindheid tussen liberalen en katholieken bleek echter bijzonder broos. Reeds op 22 december viel de liberaal Defacqz het ontwikkelde systeem van vrijheid aan. Hij pleitte voor een overwicht van de Staat op de Kerk “parce que la loi civile étant faite dans l’intérêt de tous, elle doit l’importer sus ce qui n’est que de l’intérêt de quelques-uns”. Door zijn scherp verzet werpt Defacqz een helder licht op sommige van de katholieke drijfveren. Het bleef echter een kleine minderheid van combatieve anti-katholieke liberalen die oppositie voerde. [23] Uiteindelijk aanvaarde het Nationaal Congres de vrijheid van eredienst en een bijzondere scheiding tussen Kerk en Staat.[24] [25]
3.1.2. Godsdienstvrijheid in de Belgische Grondwet
a. Art 19 G.W.
Dit artikel beschermt een aantal facetten van de godsdienstvrijheid. In de eerste plaats wordt de vrijheid van eredienst sensu stricto beschermd. Deze vrijheid moet ruim worden opgevat. Niet alleen het behoren tot een geloofsovertuiging, maar ook de overgang van het ene geloof naar het andere wordt beschermd. De term ‘eredienst/culte’ toont aan dat men vooral aandacht had voor externe aspecten. Een duidelijke definitie van ‘eredienst/culte’ is niet voorhanden, al heeft men dat wel betracht.[26] Het meest belangwekkende element is zeker en vast de uitwendig en publieke manifestatie van religieuze gevoelens.[27]
In de tweede plaats wordt de vrije openbare uitoefening door de Grondwet gewaarborgd. Art. 26, tweede lid bepaald echter dat bijeenkomsten in de open lucht aan de politiewetten onderworpen blijven. Dit artikel wordt door het Hof van Cassatie geïnterpreteerd als een algemeen beginsel dat toegepast kan worden op alle rechten en vrijheden zodra die op openbare wegen en pleinen worden uitgeoefend, zodat preventieve maatregelen mogelijk zijn. De Raad van State is een andere mening toegedaan en vindt dat, behalve voor vergaderingen in open lucht de Grondwet preventieve maatregelen verbiedt. Dit verbod geldt ook voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van eredienst indien deze vrijheden op een openbare plaats uitgeoefend zouden worden.[28]
In de derde plaats waarborgt de art. 20 de vrijheid van meningsuiting, een recht dat ontegensprekelijk raakvlakken vertoont met de vrijheid van eredienst.
In de vierde plaats worden de grenzen van de godsdienstvrijheid in het laatste lid van art. 20 afgebakend. De vrijheden gelden enkel behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Zo wordt het risico vergroot dat een conflict kan ontstaan tussen aspecten van een religieus systeem en de regels die behoren tot de openbare orde van de overheid indien het gedachtegoed van dat religieus systeem afwijken van het waardepatroon van de maatschappij.[29] Ofwel geeft de overheid dan de rechter de mogelijkheid om de grondrechten ten opzichte van elkaar af te wegen, ofwel acht de overheid bepaalde waarden zo belangrijk dat het strafrecht de afdwingbaarheid van deze waarden veilig moet stellen en zo de discussie eenzijdig te beëindigen.[30]
b. Art. 20 G.W.
De negatieve formulering van deze bepaling toont dat de positieve en de negatieve godsdienstvrijheid – het verbod van dwang om zich te bekennen tot een bepaalde levensbeschouwing – onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Sinds oudsher worden in de rechtsleer een aantal concrete situaties gedetailleerd bestudeerd, dat is echter niet het onderwerp van deze studie.[31]
c. Art. 21 G.W.
Terwijl in art. 19 en 20 de godsdienstvrijheid – met een positief en een negatief aspect –abstract geformuleerd wordt, krijgt in art 21 de godsdienstvrijheid inhoudelijk gestalte. Het biedt religies de vrijheid om zich intern te organiseren zoals zij dat wensen. Deze vrijheid omvat drie concrete aspecten. Ten eerste heeft de Staat niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van enige eredienst. Ten tweede de mogelijkheid voor bedienaars van de eredienst om vrij briefwisseling te houden met hun overheid. Ten slotte wordt ook gegarandeerd dat de akten van de kerkelijke overheid openbaar mogen worden gemaakt, maar met behoud van de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking.[32]
Vrijheid van eredienst betekent dus niet alleen de eerbied voor de individuele overtuiging, maar ook het erkennen van de gemeenschapsvormen van een gelovige overtuiging. Het was mogelijk dat de Belgische grondwetgever zich enkel zou beperkt hebben tot de individuele vrijheid en –zoals in Frankrijk – zich niet ingelaten zou hebben met collectieve vormen. In België bezitten echter ook religieuze genootschappen over eigen fundamentele rechten.[33] Daar vloeit niet uit voort dat de overheid geen enkele vorm van controle mag uitoefenen.[34] Wel vloeit hier uit voort dat de profane rechter geen uitspraak mag doen over theologische vraagstukken. Toch kan men een evolutie vaststellen waarbij seculiere rechters zich meer en meer inmengen, ten nadele van de autonomie van religieuze organisaties.[35]
d. Art. 181 G.W.
Art. 181 is het laatste grondwetsartikel dat rechtsreeks van toepassing op de verhouding tussen Kerk en Staat en organiseert de financiering van de erediensten. Katholieke auteurs beschouwden de staatsbezoldiging van bedienaars van de eredienst als compensatie van de tijdens de Franse Revolutie genaaste kerkelijke goederen.[36] Liberale auteurs benadrukten vooral het sociale nut van de eredienst aan de bevolking.[37] Indien het sociale nut benadrukt wordt, dient de bedienaar van de eredienst de opgedragen taak werkelijk waar te nemen.[38] Door de grondwetsherziening van 1993 kreeg art. 181 een tweede lid, waardoor ook “morele lekenconsulenten” in aanmerking komen voor een staatswedde. Deze uitbreiding is weliswaar juridisch overbodig opdat de Staat lekenconsulenten een wedde zou kunnen toekennen, maar deze grondwettelijke erkenning benadrukt de maatschappelijke waarde van de vrijzinnigheid.[39]
Niet elke eredienst verkrijgt echter dergelijke financiering, art. 181, lid 1 geldt enkel en alleen voor de bedienaars van de erkende erediensten. De erkenning als eredienst van een geloofsovertuiging is niet steeds even vanzelfsprekend en heeft een aantal belangrijke rechtsgevolgen.
3.2. DE ERKENDE EN DE NIET-ERKENDE EREDIENSTEN
Het Nationaal Congres wou in de Grondwet geen privileges ten voordele van een eredienst toekennen, alle erediensten worden op voet van gelijkheid beschouwd. Ondanks deze principiële gelijkwaardigheid van alle erediensten zijn sommige erediensten door de overheid erkend. Deze erkenning is noodzakelijk opdat de bedienaars van de eredienst bezoldigd zouden worden door de overheid. Het Belgische systeem lijkt water en vuur met elkaar te willen verzoenen: er is een systeem van absolute gelijkheid tussen alle maatschappelijk aanvaarde godsdiensten, met een systeem van privileges voor de erkende erediensten.[40]
De erkenning gebeurt door of krachtens de wet. De wetgever moet zich hierbij onthouden van elk waardeoordeel en mag zich enkel laten leiden door de vraag of de bewuste eredienst aan de godsdienstige behoeften van (een deel van) de bevolking beantwoordt.[41] Bij de evaluatie dienen de grote christelijke kerken minstens impliciets als toetssteen. Schijnbaar atypische kenmerken van andere religies worden daardoor vaak negatief ingeschat, waardoor de erkenning niet plaatsvindt.[42]
De erkenning brengt ontegensprekelijk belangrijke voordelen met zich mee. Niet alleen verkrijgen de bedienaars van deze erediensten een wedde en nadien een pensioen, maar ook wordt de rechtspersoonlijkheid toegekend aan de openbare instellingen die zijn belast met het beheer van de goederen die voor de eredienst zijn bestemd.[43] Erediensten die niet erkend zijn mogen dan al genieten van de grondwettelijk beschermde godsdienstvrijheid, zij moeten echter een beroep doen op de vzw-techniek om rechtspersoonlijkheid te verwerven.[44]
Ook aan gemeenten en provincies worden, respectievelijk in de Gemeentewet en in de Provinciewet, verplichtingen opgelegd te voordele van de erkende erediensten. Een eerste reeks bepalingen zijn ten voordele van de bedienaars van de eredienst. Zij hebben betrekking op de huisvesting van de bedienaar van de eredienst. Een tweede reeks bepalingen handelen over het beheer van de goederen van de erkende erediensten. Zo worden financiële tekorten aangezuiverd en ontvangt men financiële steun voor de groeve herstellingen aan of de bouw van gebouwen bestemd voor de eredienst. Daarnaast zijn er nog een aantal suppletieve bepalingen in verband met aalmoezeniers in het leger en in de gevangenissen, zendtijd op de openbare omroep en de organisatie van godsdienstonderricht.[45]
De erkenning van bepaalde erediensten en de daar uit voortvloeiende toekenning van een aantal voordelen is een afwijking van het “beginsel van de gelijke behandeling van alle erediensten”. Toch neemt men aan dat het toekennen van voordelen aan erkende erediensten hieraan geen afbreuk doet. De Belgische grondwetgever beoogde immers geen absolute gelijkheid. Indien de overheid de steun zou beperken tot slechts één eredienst, dan zou men wel kunnen spreken van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel.[46] Het lijkt wel alsof er zich door de tijd heen een bijzondere vorm van het gelijkheidsbeginsel ontwikkeld heeft, waarop de ondertussen klassieke criteria van het Arbitragehof niet van toepassing zijn.
3.3. DE BURGERLIJKE RECHTER IN KERKELIJKE AANGELEGENHEDEN
3.3.1. Problematiek
De fundamentele regels die de verhouding regelen tussen de Belgische Staat en de Kerk kunnen we terugvinden in art. 19, 20, 21, 181 G.W.[47], maar ondanks de vele jurisprudentie en juridische geschriften is de problematiek van de burgerlijke rechter die gevraag wordt om tussen te komen in kerkelijke aangelegenheden gebleven.[48]
Het staat buiten kijf dat art. 21 de hoeksteen vormt van deze problematiek. De Staat mag zich niet bemoeien met de benoeming of de afzetting van de bedienaren van de eredienst. Evenmin mag de burgerlijke rechter zich niet bevoegd verklaren om een religieuze dissidentie te beslechten, de orthodoxie van een stelling te beoordelen of religieuze motieven naar waarde te schatten.[49] De rechter kan zich dus enkel uitspreken over de formele procedure. Maar deze controle is echter niet eenduidig. Men kan variëren van een louter formele toetsing van een kerkelijke beslissing tot een kwalitatief beoordelen van de kerkelijke procedure aan de hand van algemene rechtsbeginselen.[50]
3.3.2. Een formele toetsing
Aanvankelijk is de burgerlijke overheid heel terughoudend. De hoven en rechtbanken beperken hun controle van de kerkelijke beslissingen tot een louter formele toetsing. De rechterlijke macht beperkt zich in zaken van benoeming of afzetting tot de vaststelling dat dit gebeurde door de bevoegde kerkelijke overheid, zonder hierbij de wettigheid van deze beslissing te onderzoeken. [51]
Men kan echter een onderscheid maken tussen twee soorten formele toetsing en zo een minimale wijziging in de rechtspraak – in de lijn der verwachtingen – waarnemen. In principe zal de rechter alleen nagaan of de benoeming van een opvolger door de bevoegde kerkelijke overheid is gebeurd. Geleidelijk gaan de hoven en rechtbanken ook controleren of de beslissing tot herroeping door een bevoegde kerkelijke overheid is genomen.[52] Meer dan een formele toetsing blijft echter uitgesloten.
3.3.3. Een controle van de interne procedure
Deze klassieke leer wordt ter discussie gesteld met het arrest van 5 juni 1967, geveld door het Hof van Beroep van Luik. Het hof bevestigt weliswaar de klassieke 19e eeuwse leer en stelt dat de rechter mag nagaan of een bepaalde beslissing door de bevoegde kerkelijke overheid werd genomen, maar voegt hieraan toe dat deze kerkelijke overheid in alle onafhankelijkheid kan handelen overeenkomstig de eigen regels.[53] Tegen het arrest werd cassatieberoep ingesteld, maar het Hof van Cassatie verwierp het beroep met het arrest van 25 september 1975.[54] Het Hof van Cassatie deed echter geen uitspraak over het respecteren van de eigen regels, maar wees een middel af dat gericht was tegen een ten overvloede gegeven motief.[55] Een impliciete evolutie heeft plaatsgevonden. De louter formele controle wordt namelijk uitgebreider geïnterpreteerd: er vindt nu ook een controle van de interne procedure plaats, maar zonder dat deze als zodanig gekwalificeerd wordt.[56] In de rechtsleer werd echter reeds eerder gepleit voor het respecteren van de eigen regels.[57]
3.3.4. Op zoek naar kwaliteitsgaranties voor procedureregels
Het Hof van Beroep van Bergen zet met het arrest van 8 januari 1993 een nieuwe stap. De rechter mag niet alleen nagaan of de kerkelijke overheid bij het nemen van een beslissing conform de eigen regels heeft gehandeld, maar mag ook oordelen of deze regels voldoende (procedurele) garanties bieden. Hierbij verwijst het Hof naar algemene rechtsbeginselen zoals het recht van verdediging en het beginsel van tegenspraak.[58] De rechter zou zich dus niet beperken tot een louter formele toetsing van de bestreden beslissing en de controle van de kerkelijke procedure, maar zou ook een kwaliteitscontrole uitvoeren op deze procedure.[59]
Tegen dat arrest wordt echter cassatieberoep ingesteld en met het arrest van 20 oktober 1994 verbreekt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Bergen.[60] De vrijheid van eredienst (art. 21 G.W.) laat niet toe dat de hoven en rechtbanken onderzoeken of de kerkelijke procedure voldoende waarborgen biedt. Het Hof zich weliswaar niet uit of de maxime patere legem quam ipse fecisti[61] van toepassing is, maar argumenteert “dat de benoeming en de afzetting van de bedienaren van een eredienst alleen maar door de bevoegde geestelijke overheid kunnen geschieden overeenkomstig de regels van de eredienst[62], en, anderzijds, dat de godsdienstige discipline en rechtsmacht op die bedienaren van de eredienst alleen door dezelfde overheid overeenkomstig dezelfde regels kunnen worden uitgeoefend”. Hof expliciteert niet in hoeverre de toepassing van “de regels van de eredienst” onderworpen kunnen worden aan profaan rechterlijke controle, maar suggereert in ieder geval de mogelijkheid.[63] Met het arrest van 3 juni 1999, in dezelfde zaak, herhaalt het Hof – in verenigde kamers – zichzelf.[64]
De twee arresten van het Hof van Cassatie hebben er niet voor kunnen zorgen dat het onweer is gaan liggen. Een minderheid in de rechtsleer stelt dat de arresten niets verandert hebben en verdedigt de traditionele leer. Een andere minderheid is voorstander van een kwaliteitscontrole. De tussenpositie, die focust op de vraag of de kerkelijke overheden de interne regels gerespecteerd hebben en de maxime patere legem quam ipse fecisti toepassen, lijkt echter het meest voor de hand liggend.[65] [66]
3.4. KWALIFICATIE
In de Grondwet wordt nergens de verhouding tussen de overheid en de erkende erediensten of niet-confessionele levensbeschouwingen gekwalificeerd. Tijdens de voorbereidende werken werd weliswaar geopperd dat de verhouding tussen Kerk en Staat als een totale, volledige en absolute scheiding aangeduid moest worden.[67] Deze scheiding is in de praktijk nooit gerealiseerd. Elementen die enerzijds een scheiding aanduiden zijn bijvoorbeeld de afwezigheid van een staatsgodsdienst, de niet-toepasselijkheid van het canoniek recht in burgerlijke zaken, de laïcisering van de openbare ambten en ambtenaren, de niet toekenning van rechtspersoonlijkheid aan kerkelijke verengingen. Anderzijds worden de erkende erediensten door de overheid gefinancierd, wat duidt op samenwerking.[68] De rechtsleer is zich bewust van deze dubbelzinnigheid. De meeste auteurs trachten dan ook allerlei begrippen in te voeren om deze dubbelzinnigheid te verwoorden. Soms heeft men het over een “onderlinge onafhankelijkheid”, een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding”. In ieder geval kan men stellen dat de verhouding in België tussen Kerk en Staat niet bestaat in een absolute scheiding en dat België geen état laïc is.[69]
4. VERHOUDING TUSSEN KERK EN STAAT IN FRANKRIJK
In tegenstelling tot België, wordt in Frankrijk de verhouding tussen Kerk en Staat wel gekwalificeerd in de Grondwet van 1958. De huidige Grondwet is echter niet de eerste tekst waarin het fenomeen religie behandeld wordt. De eerste belangrijke wet is ontegensprekelijk die wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat. Voor de eerste keer werd in Frankrijkun régime de liberté religieuse ingevoerd.[70] De kwalificatie laïque werd echter pas ingevoerd in de Grondwet van 1946, waarbijlaïcité gedefinieerd kan worden alsle principe de la séparation de la société civile et de la religion[71].
4.1. DE WET VAN 9 DECEMBER 1905 CONCERNANT LA SÉPARATION DES EGLISES ET DE L’ETAT : EEN LAÏCITÉ DE COMBAT[72]
Voor Koubi heeft de wet van 9 december 1905 elke pertinentie verloren. Sinds het begin van de 20e eeuw heeft het principe van de laïcité immers fundamentele veranderingen ondergaan.[73] [74] Niettemin achten een aantal auteurs het praktisch belang van art. 2, waarin Frankrijk beschreven wordt als een République indivisible, laïque, démocratique et sociale, van de huidige Grondwet onderworpen aan de lezing van de wet van 1905.[75] In ieder geval biedt een bespreking van deze wet een relevante historische inleiding tot de laïcité à la française.
Voordat de wet van 9 december 1905 aangenomen werd, bevonden de katholieke[76], de protestantse en de israëlitische eredienst zich als erkende eredienst in een bijzondere positie. De bedienaars van de eredienst werden bezoldigd door de overheid, die ook deelnam aan hun benoeming. Duguit deinst er niet voor terug om het te hebben over véritables services publics. De niet-erkende erediensten étaient soumis à un régime de police d’autant plus arbitraire.[77]
Duguit haalt twee kritieken aan op deze uitwerking van de verhouding tussen Kerk en Staat. Aan de ene kant zijn de niet-erkende erediensten zijn onderworpen aan een volstrekte willekeurig stelsel. Zij zouden het recht moeten hebben om vrij hun eredienst uit te oefenen. Het stelsel van de erkende erediensten is la négation même de principe de liberté religieuse et du principe de l’Etat laïque en voor de gelovigen un empiétement intolérable de prince sur le domaine de la conscience religieuse.Aan de andere kant schendt het stelsel van erkende van de erediensten het principe de liberté religieuse omdat burgers gedwongen worden om geld uit te geven aan religies die zij niet praktiseren.[78]
De aanhangers van het principe van delaïcité hebben zich op het einde van de 19e eeuwen en in het begin van de 20e eeuw zowel politiek als filosofisch krachtdadig geprofileerd.[79] De formulering van Duguit lijkt niet meer te zijn dan een abstrahering van de strijd die zich heeft afgespeeld. Delaïcitéfrançaiseheeft vorm gekregen in de strijd die gevoerd werd door de Overheid tegen voornamelijk de katholieke Kerk.[80] De laïcité is in de eerste plaats en strijd geweest tegen het triomferende klerikalisme van de 19e eeuw. Er ontstond een ware polemiek tussen cléricauxen laïcs, die gekenmerkt werd door een haast ongekende heftigheid. Toch was het de bedoeling van de Republiek om met de wet van 9 december 1905 een compromis mogelijk te maken en zo een séparation à l’amiable te creëren.[81]
Het doel van de wet van 9 december 1905 is om godsdienstvrijheid mogelijk te maken, waarbij aan elk individu de vrije uitoefening van zijn of haar eredienst wordt verzekerd (art. 1) Hiertoe wordt een volkomen neutraliteit van de Staat noodzakelijk geacht, zodat geen enkele eredienst erkend kan worden en geen enkele eredienst een bezoldiging of subsidiëring kan verkrijgen (art. 2). Naast de bepalingen in verband met de erkenning en subsidiëring van erediensten, kunnen nog vier andere categorieën onderscheiden worden. Een aantal bepalingen handelen over de gebouwen en voorwerpen van de eredienst. Ook de rechtsovergang van kerkelijke goederen komt aan bod. Hiertoe werd in een vierde categorie bepalingen deassociations cultuelles in het leven geroepen. Een vijfde categorie handelt over de politie van de erediensten.[82]
De katholieke Kerk verzette zich echter sterk tegen deze wet en weigerde om deassociations cultuelles op te richten, maar de overheid greep niet in en liet de katholieken toe om de gebouwen van de eredienst te gebruiken zonder dat die daartoe gerechtigd waren. Langzaam maar zeker ontstond een meer serene relatie tussen de katholieke Kerk en de Staat.[83]
4.2. DECONSTITUTIONALISATIE VAN DE LAÏCITÉ[84]
De kwalificatie laïque was ook in 1946 nog altijd erg beladen.[85] Toch werd in art 1 van de Grondwet van 1946 afgekondigd dat Frankrijk een“République indivisible, laïque, démocratique et sociale” is. In de Grondwet van 1958 werd in het huidige art. 1[86] daaraan toegevoegd dat “elle assure l’égalité devant la loi de tous les citoyens sans distinction d’origine, de race ou de religion. Elle respecte toutes les croyances”.[87] De laïcité heeft haar polemisch karakter verloren en maakt deel uit van de grote vrijheden aangezien de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de vrije uitoefening van een eredienst er door beschermd worden[88]; “juridiquement, la laïcité, c’est la neutralité religieuse de l’Etat”[89].
Het Franse constitutionele recht neemt de godsdienstvrijheid van het individu in ogenschouw en niet de collectieve godsdienstvrijheid.[90] Niet de individuele godsdienstvrijheid is problematisch, maar wel de collectieve uitoefening van de eredienst. De Republiek garandeert weliswaar het pluralisme, maar door haar jacobijnse en centralistische tendensen worden intermediaire lichamen, minderheden of etnische, culturele of religieuze gemeenschappen niet (h)erkend.[91]
4.3.UNE SÉPARATION BIEN TEMPÉRÉE
Toch is de verhouding tussen Kerk en Staat veel complexer en diffuser dan dewet van 9 december 1905 en Franse Grondwet doen vermoeden. De wet van 9 december 1905 kadert in een radicaal antiklerikalisme, terwijl de huidige evenwichtsituatie nog het best omschreven kan worden als une séparation bien tempérée.[92] Terwijl de wet van 9 december 1905 de emanatie is van “la conception idéologique ou négative de la laïcité” bekrachtigen de grondwetten van 1946 en 1958 “la conception juridique ou positive de la laïcité”.[93]
Regelmatige en permanente subsidiëring van erediensten mag dan al niet mogelijk zijn (art. 2 van de wet van 9 december 1905). Toch kan de Franse staat activiteiten subsidiëren die plaatsvinden in een confessioneel kader, maar die van algemene aard zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, liefdadigheidsinstellingen, enz.). De Franse overheid moet eveneens bepaalde religieuze diensten rechtstreeks ten laste nemen (bijvoorbeeld aalmoezeniers in openbare instellingen, tehuizen en gevangenissen). Vanzelfsprekend moet de Franse overheid ook instaan voor de bezoldiging van de bedienaars van erediensten wanneer zij diensten verstrekken aan de overheid (bijvoorbeeld gemeentesecretaris, enz.). Priesters en geestelijken kunnen ook beroep doen op sociale zekerheid.[94]
Een opmerkelijk kenmerk van de laïcité in Frankrijk is dat de scheiding tussen Kerk en Staat nooit volledig en rigide is geweest. De Republiek heeft steeds een welwillende neutraliteit aan de dag gelegd. Zelfs in 1905 waren er betrekkingen tussen de Republiek en de kerken.[95]
5. VOORSTEL MAINGAIN (FDF/MR)
5.1. EXEGESE
De opstellers van amendement nr. 2 lijken aan alles te hebben gedacht. Zij schetsen niet alleen de (rechts)historische aanknopingspunten van het principe van delaïcité, maar passen het beginsel ook toe en geven de gevolgen aan van de opname in de Grondwet. Niettemin staat de verantwoording bol van contradicties.
Met de eerste zin geven de auteurs de oorsprong aan de verhouding tussen Kerk en Staat in Frankrijk, “de doorslaggevende rol van de Staat ligt aan de oorsprong van de Franse laïciteit”. De auteurs onderscheiden drie etappes in “(de wens van de politieke overheid om) de individuen en de geledingen van het maatschappelijk leven te onttrekken aan de greep van de Katholieke Kerk”. De eerste etappe is blijkbaar niet de Franse Revolutie, die nochtans door Boyer als een ommekeer beschouwd wordt[96], maar hetrégime concordatairevan Napoleon. Het Concordaat van 1802 herbevestigt echter de belangrijke positie van de Katholieke Kerk in Frankrijk, al tonen deArticles organiquesdie Napoleon unilateraal toevoegde duidelijk de macht die de overheid uitoefende. De tweede etappe wordt volgens de auteurs gevormd door “de schoolwetten van de jaren 1880 die een cursus niet-confessionele moraal organiseren”. Onderwijsvrijheid en levensbeschouwelijke vrijheid zijn weliswaar nauw bij elkaar betrokken, maar gedurende de gehele 19e eeuw zou het concordatair regime verder blijven bestaan. Daaraan komt pas een einde met de wet van 9 december 1905concernant laséparation des Eglises et de l’Etat. Deze wet vormt dan ook de derde stap, die culmineert in de Grondwet van 1958: “la France est une République indivisible, laïque, démocratique et sociale”. De volstrekte scheiding tussen Kerk en Staat was een feit. Volgens Boyer waren het echter “les radicaux qui avaient fait de l’anticléricalisme un combat et un programme espéraient arracher à l’Eglise son pouvoir politique, matériel et même spirituel”[97].
De leden van het Nationaal Congres waren volgens de auteurs vrij godsdienstig en verkozen daardoor een liberale oplossing boven het sluiten van een concordaat met de Heilige Stoel. De formulering lijkt aan te geven dat de auteurs eenrégime concordataireverkiezen boven de vooruitstrevende en innovatieve oplossing van het Nationaal Congres.
De auteurs willen niet meer of minder dan de omzetting van het beginsel van de laïcité in de Belgische Grondwet. Ze zijn zich echter bewust van de bijzondere kenmerken van ons grondwettelijk systeem. Toch zou hun voorstel aansluiten bij het opzet van de Grondwet zoals zij door het Nationaal Congres werd geconcipieerd. Het Franse en Belgische systeem verschillen echter formeel helemaal van elkaar. De Franse wet van 9 december 1905 concernant la séparation des Eglises et de l’Etat is tot stand gekomen in een sfeer van antiklerikalisme, terwijl het Nationaal Congres een meer uitgebalanceerd en pragmatisch systeem ontwikkelde. Deze misvatting kan wellicht verklaard worden doordag het Belgische systeem geheel foutief beschouwd wordt als gebaseerd op “het principe van de wederzijdse niet-inmenging tussen de Staat en de (…) erkende en vertegenwoordigde kerken”. Een aantal elementen duiden weliswaar een scheiding aan, terwijl andere elementen dan weer de samenwerking benadrukken.
De auteurs geven in hun historische schets geven aan dat het Franse en het Belgische systeem van verhouding tussen Kerk en Staat een heel andere ontstaansgeschiedenis kennen en daardoor helemaal van elkaar verschillen. Even later poneren ze dat de omzetting van de laïcité geen problemen stelt aangezien het voorstel aan zou sluiten bij het opzet van de Grondwet van 1830 (sic). In tegenstelling tot wat de auteurs beweren heeft de inschrijving van de laïcité heeft tot gevolg dat de grondwettelijke beginselen wat de betrekking tussen de religies en de overheid betreft in het gedrag komen. Daarenboven zijn ze uit het oog verloren dat de hedendaagse Franse rechtsleer een minder formalistisch uitgangspunt inneemt en de verhouding tussen Kerk en Staat beschrijft als une séparation bien tempérée.[98]
In de “Inleidende ideeëngeschiedenis” heb ik reeds aangegeven dat het principe van laïcité voor de MR inhoudt dat de overheid vanuit een dominante positie een gelijke, maar afstandelijke houding aanneemt ten opzichte van alle religies en filosofische overtuigingen.[99] Het gaat kortom om een laïcité de combat. Dergelijke visie is een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit: vanuit een scheiding pur sang moet de overheid levensbeschouwelijk neutraal zijn.
De Belgische overheid moedigt echter de vrije ontwikkeling van religieuze en institutionele activiteiten aan, zonder de onafhankelijkheid te beknotten.[100] De overheid maakt een pluralisme van levensbeschouwelijke activiteiten op actieve wijze mogelijk en handelt dus vanuit een positieve religieuze neutraliteit.[101] De opname van de laïcité in de Grondwet zou dus wel degelijk een wijziging betekenen ten opzichte van het huidige regeling.
5.2. HYPOTHETISCHE UITWERKING
De vraag welke wijzigingen zich in concreto zullen voordoen is tot nu toe onbeantwoord gebleven. De bedoeling van dit onderdeel is dan ook kort aan te geven welke gevolgen de opname van de laïcité in de Grondwet, als een uiting van een negatieve religieuze neutraliteit, zal teweegbrengen.
Indien de laïcité in art. 1 G.W. de verwoording zou zijn van een algemeen principe, zullen de regelingen van art. 19, 20, 21 en 181 G.W. slechts uitzonderingen zijn en als zodanig niet meer constituerend voor de verhouding tussen Kerk en Staat. Naast deze indirecte wijziging van de grondwettelijke bepalingen worden een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen – bijna steeds ten voordele van de erkende erediensten – op de helling gezet.
De erkenning van erediensten is weliswaar tegengesteld aan de negatieve religieuze neutraliteit, maar is verankerd in de Grondwet. Art. 181 G.W. vermeldt de erkenning echter enkel indirect in verband met de financiering. De betaling van de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de eredienst en de morele lekenconsulenten zal de enige overgebleven consequentie zijn van de erkenning.
De huisvesting van de bedienaars van de eredienst (art. 255, 12° Nieuwe Gemeentewet) , de aanzuivering van negatieve saldo’s door gemeenten en provincies (art. 255, 9° Nieuwe Gemeentewet en art. 69, 9° Provinciewet), de gratis zendtijd op de openbare omroep (radio en televisie) en de bijstand door aalmoezeniers en morele lekenconsulenten in gevangenissen en in het leger zijn uitingen van de positieve religieuze neutraliteit en zijn niet verenigbaar met gepropageerde laïcité. Ook de tussenkomst bij de bouw of het herstel van gebouwen bestemd voor de eredienst is problematisch, al zal de restauratie en onderhoudspremies voor beschermde monumenten een belangrijke indirecte financiering blijven. [102]
De rechtspersoonlijkheid van openbare instellingen die belast zijn met het beheer van tijdelijke goederen (bijvoorbeeld de kerkfabrieken) wordt wellicht niet op de helling gezet. Men zou immers een parallellisme kunnen vaststellen met de associations cultuelles van de Franse wet van 1905, die ook kaderde in een negatieve religieuze neutraliteit. Het godsdienstonderricht en het onderricht in de niet-confessionele moraal in het openbaar onderwijs staan ook haaks op het principe van de laïcité. De Schoolpactwet van 29 mei 1959 werd echter verankerd in art. 24 de G.W.[103] en zou dus ook een uitzondering vormen ten opzichte van art. 1 G.W.. Een doorgedreven uitvoering van het principe van de laïcité, geïnspireerd door een negatieve religieuze vrijheid zou dus verregaande gevolgen kunnen hebben. De welwillende houding van de overheid is immers niet alleen terug te vinden in de Grondwet, maar ook in vele andere wetten en wordt weerspiegeld in een dagdagelijkse pragmatische mentaliteit.
6. HET CONCORDAAT, GEEN ALTERNATIEF
In de wandelgangen van de Apostolische Nuntiatuur te Brussel gaan stemmen op die pleiten voor het sluiten van een Concordaat tussen de Heilige Stoel en België. Zij hebben zich blijkbaar laten inspireren door de reeks concordaten die de Heilige stoel heeft gesloten met landen uit het vroegere Oostblok[104] en zich laten aanmoedigen door L’Osservatore Romano, waarin het verdrag van Lateranen tussen de Heilige Stoel en Italië (1929) beschouwd wordt als een modelverdrag voor andere concordaten[105]. Hier wil ik aantonen dat een dergelijk initiatief onverenigbaar is met de Belgische constitutionele rechtsorde en derhalve geen alternatief kan vormen voor het voorstel Maingain (FDF/MR).
6.1. DEFINITIE
Wagnon definieert een concordaat als “une convention conclue entre le pouvoir ecclésiastique (de Heilige Stoel[106]) et le pouvoir civil (de Staat) en vue de régler leurs rapports mutuels dans les multiples matières où ils sont appelés à se rencontrer. C’est un traité bilatéral, né de l’accord des volontés des deux parties, établissant une règle de droit qu’elles sont tenues en justice de maintenir et d’observer fidèlement.”[107] De reden waarom de Heilige Stoel graag concordaten sluit kunnen we ook terugvinden bij Wagnon. Deze vervolgt zijn definitie met: “(un concordat) est un acte solennel qui instaure entre les deux autorités appelées, à des titres divers, à régir les mêmes individus, un régime d’union, de concorde et de collaboration, hautement profitable non seulement aux sujets qui en bénéficient, mais encore à la religion tout comme à la société civile elle-même”.[108]Deze definitie ademt ontegensprekelijk de geest uit van het Rijke Roomse Leven, maar bevat niettemin een aantal meer dan waardevolle elementen. Het concordaat dat de eerste consul van de Republiek, Napoleon Bonaparte en paus Pius VII op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) – Convention entre le Pape et le gouvernement français – kan getypeerd worden als “un traité diplomatique forgé par une modernité de laïcité naissante[109]”.Hoe het begrippenpaar “hautement profitable” ingevuld moet worden is dus niet altijd even duidelijk, het lijkt eerder een eventueel aangenaam gevolg te zijn dan een essentieel kenmerk. Wagnon definieert een concordaat niet als een internationaal verdrag. Nochtans kan men een concordaat als een internationaal verdrag kwalificeren. Art. 2, §1, al. a, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 omschrijft een verdrag echter als “een internationale overeenkomst in geschrifte tussen Staten gesloten[110] en beheerst door het volkerenrecht (…)”. Gewoonterechtelijk wordt een verdrag echter gedefinieerd als elk akkoord dat gesloten wordt tussen twee of meer subjecten van het volkerenrecht, met de bedoeling rechtsgevolgen teweeg te brengen en dat beheerst wordt door het volkerenrecht.[111] Deze twee definities spreken elkaar niet tegen: art. 3, Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 duidt aan dat art. 2 slechts de werkingssfeer afbakent en vermeldt uitdrukkelijk de rechtskracht van internationale overeenkomsten gesloten tussen Staten en andere subjecten van volkerenrecht.[112] Een concordaat lijkt aan uiteindelijk beide definities te voldoen. Algemeen wordt immers aanvaard dat de Heilige Stoel volkenrechtelijke rechtspersoonlijkheid heeft.[113] Wagnon hoedt er zich echter voor om een concordaat als een internationaal verdrag te kwalificeren, al hebben een concordaat en een internationaal verdrag vanzelfsprekend veel met elkaar gemeen. De verschillen mogen dan al eerder theoretisch van aard zijn, voor Wagnon zijn ze onbetwistbaar. Een concordaat is namelijk een overeenkomst tussen een Staat en de Heilige Stoel, waarbij hetzelfde volk in ogenschouw genomen wordt. Een concordaat zou ook vooral gesloten worden met het oog op morele en religieuze belangen, niet met het oog op politieke en economische belangen.[114] De verschijnselen in onze wereld zijn echter slechte een flauwe afspiegeling van de Ideeën.
6.2. DE ONGRONDWETTELIJKHEID VAN EEN NIEUW CONCORDAAT
Toen op 24 september 1830 een administratieve commissie – reeds op 26 september omgevormd tot het Voorlopig Bewind – het bestuur van de afgescheiden provincies in handen nam, werd de Belgische Staat de facto gevormd. Wagnon stelt dat “(…) il faut nécessairement conclure à la cessation du concordat, sauf renouvellement de l’accord antérieurement en vigueur, soit par un arrangement semblable à celui de 1816-1817 entre Rome et La Haye, soit, plus simplement, en vertu d’une manière d’agir concluante du Saint-Siège et du gouvernement du nouvel Etat.” Het Voorlopig Bewind liet met het decreet van 16 oktober 1830 zelfs uitdrukkelijk verstaan het Concordaat van 1801 niet te willen heraanvatten. Door de godsdienstvrijheid in de Grondwet op te nemen (art. 19 en 20) heeft het Nationaal Congres impliciet aangegeven dat de Belgische Staat zich niet meer wil beroepen op de prerogatieven die het Concordaat van 1801 toekende aan de Franse Staat en dat het régime concordataire dus opgehouden heeft te bestaan.[115] De Raad van State heeft dit, wijzend op de onderlinge onafhankelijkheid van het burgerlijke en het kerkelijke gezag, in zijn adviespraktijk uitdrukkelijk bevestigd.[116] De verhoudingen en sommige afspraken tussen de overheid en de rooms katholieke Kerk zijn echter nog op het Concordaat van 1801 gebaseerd en soms wordt er zelfs nog in KB’s naar verwezen, terwijl de Articles organiques als wetten blijven voortbestaan voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Belgische grondwetsbeginselen.[117] Het sluiten van een concordaat zou dus een grondwetswijziging vereisen. Vervolgens zou de overheid gelijkaardige overeenkomsten moeten sluiten met andere (erkende) erediensten[118], zoniet zou men gewag kunnen maken van een ongeoorloofde discriminatie. Het sluiten van een concordaat, zonder een grondwetswijziging zou in ieder geval een schending van de Grondwet inhouden.
BESLUIT
De betekenis van de titel “Een paradoxale scheiding” zou nu volledig ontrafeld moeten zijn, niettemin is een verdere verduidelijking wellicht gewenst. Bij de bespreking van de verhouding tussen Kerk en Staat in België is gebleken de scheiding tussen beiden helemaal niet volledig is. Veel auteurs hebben deze verhouding trachten te kwalificeren en evenveel kwalificaties hebben het licht gezien. Steeds wordt dezelfde paradox in de rechtsleer blootgelegd: enerzijds wordt de godsdienstvrijheid benadrukt en worden alle erediensten als gelijk beschouwd, anderzijds heeft met een systeem van erkenning ontwikkelt met belangrijke financiële gevolgen. In Frankrijk is de verhouding tussen Kerk en Staat in grotere mate een uitgesproken scheiding.Ook het Voorstel Maingain wordt gekenmerkt door een paradox. Enerzijds vult men de verhouding tussen Kerk en Staat in vanuit een Frans geïnspireerde negatieve religieuze vrijheid en lijkt men eenlaïcité de combat te recreëren. Anderzijds zou naar eigen zeggen de voorgestelde grondwetswijziging aansluiten bij het opzet van het Nationaal Congres. Deze ongerijmdheid is slechts schijn. Men wil niet raken aan de bestaande bepalingen inzake de verhouding tussen Kerk en Staat en tegelijkertijd wil men een scheiding pur sang doorvoeren, waardoor uiteindelijk deze verhouding toch helemaal wijzigt. Een nog niet uitdrukkelijk geformuleerd voorstel om opnieuw een régime concordataire in te voeren is in het geheel niet verenigbaar met de Grondwet, van een paradox is er geen sprake.
[1] Zie U.S. DEPARTEMENT OF STATE – BUREAU OF DEMOCRACY, HUMAN RIGHTS AND LABOR, International Religious Freedom Report 2003: Belgium , http://www.state.gov/g/drl/rls/irf/2003/24346.htm, 21 februari 2004, Online: “The population is predominantly Roman Catholic. According to the 2001 Survey and Study of Religion, jointly conducted by a number of the country's universities and based on self-identification, approximately 47 percent of the population identify themselves as belonging to the Catholic Church. The Muslim population numbers approximately 364,000, and there are an estimated 380 mosques in the country. Protestants number between 125,000 and 140,000. The Greek and Russian Orthodox Churches have approximately 70,000 adherents. The Jewish population is estimated at between 45,000 and 55,000. The Anglican Church has approximately 10,800 members. The largest nonrecognized religions are Jehovah's Witnesses, with approximately 27,000 baptized members, and the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormons), with approximately 3,000 members.” Zie ook DOBBELARE, K., ELCHARDUS, M., KERKHOFS, J., VOYE, L. en BAWIN-LEGROS, B., Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen, Tielt, Lannoo, 2000, 272 p.
[2] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen" – Citoyenneté et Démocratie, p 8-9.
[3] Ibid., p 6. Eigen (de)cursivering.
[4] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl. St. Kamer 2002-2003, nr. 50 2389/002.
[5] Ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet – Amendementen, Parl.St. Senaat, 2002-2003, nr. 50 2-1549/2.
[6] X, La vision et le programme des Réformateurs,http://www.mr.be/docs/du_coeur_a_l_ouvrage.pdf, 18 februari 2004, Online, 24.
[7] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 5.
[8] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[9] Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[10] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[11] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 17.
[12] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 16 en voetnoot 45.
[13] Ibid., 16 en voetnoot 47.
[14] Ibid., 16 en voetnoot 48.
[15] FERRARI, S., “Church and State in Europe. Common Patters and Challenges”, in KIDERLEN, H.-J., TEMPEL, H., TORFS, R. (ed.), Which Relationships between Churches and the European Union? Thoughts for the future, Leuven, Peeters, 1995, 33.
[16]Deze leer week af van die van de veroordeelde Franse priester Lamennais, de vader van het liberaal-katholicisme, die door een algehele scheiding tussen Kerk en Staat de vrijheid wou verwerven. WAGNON, H., “Le Congrès national belge de 1830-1837 a-t-il établi la séparation de l’Eglise et de l’Etat”, in X (ed.), Etudes d’histoire du droit canonique dédiées à Gabriel Le Bras, I, Parijs, Sirey, 1965, 761.
[17] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 39-41 enVAN GOETHEM, H., “L’église catholique et la liberté de religion et du culte en Belgique dans les constitutions de 1815 et 1831”, in VAN GOETHEM, H., WAELKENS, L., en BREUGELMANS, K. (ed.), Libertés, pluralisme et droit. Une approche historique, Brussel, Bruylant, 1995, 185-187.
[18] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 40-53.
[19] X., Considérations sur la liberté religieuse par un unioniste, Leuven, Van Linthout, 1830, 24p.
[20] VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, in UFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 42.
[21] De voorrang van het burgerlijk op het kerkelijk huwelijk lijkt wel degelijk te zijn gebruikt als pasmunt voor verregaande faciliteiten voor de erediensten. Zie AUBERT, R., “l' Eglise et l’Etat en Belgique du XIXe Siècle”, Res Publica 1968 (Spécial 2), 20-21.
[22] LUYCKX, T. en PLATEL, M., Politieke geschiedenis van België, I, Van 1789 tot 1944, Antwerpen, Kluwer, 1985, 53-54.
[23]VAN GOETHEM, H., “Het beginsel van verdraagzaamheid in de Belgische grondwet: een historische duiding”, inUFSIA, CENTRUM GRONDSLAGEN VAN HET RECHT (ed.), Recht en verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving, Antwerpen, Maklu, 1993, 44-46.
[24] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 817. Andere auteurs gewagen van een “onderlinge onafhankelijkheid van Kerk en Staat” of hebben het over een “gematigde scheiding”, een “positieve neutraliteit”, een “welwillende neutraliteit”, een “regime sui generis”, een “beschermde vrijheid” of een “genuanceerde scheiding” ZieDE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar (cf. infra).
[25] Ook buiten het Nationaal Congres was er onvrede. Laurent, Gents professor staatsrecht en liberaal, verdedigde de stelling dat alle macht bij de staat moet berusten. (BAERT, G., “Prof. François Laurent een eeuw later (1810-1887-1987)”, T.P.R. 1990, 87.) In Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique behandelt Laurent de verhouding tussen Kerk en Staat. Laurent ziet in de ideeën van Van Espen over het appel du comme d’abus en de vergelijkbare rechtsfiguur van de recursus ad principem zijn thesis bevestigd over de soevereine macht van de Staat: de Staat mag niet dulden dat een andere macht wetten uitvaardigd, zelfs al zijn die slechts in geweten bindend. Hij vindt het betreurenswaardig dat het Nationaal Congres de (bijzondere) scheiding tussen Kerk en Staat heeft aanvaard, want daardoor heeft de Staat alle macht over de Kerk verloren. (LAURENT, F., Van Espen: étude historique sur l'église et l'état en Belgique, Brussel,Lacroix en Van Meenen, 1860, 248 p.) Zie VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus”, Pro Memorie 1999, 100-114 voor de werkelijke opvattingen van Van Espen; zie Pand. b., vis Abus (Appel comme d’), Appel comme d’abus voor een onderzoek naar het voortbestaan van deze rechtsfiguur in het Belgische constitutionele recht. Voor een zoektocht naar sporen van de Recursus ad principem in de hedendaagse verhouding tussen Kerk en Staat, zie VAN STIPHOUT, M., “Legal Continuity and Discontinuity in the Low Countries in Search of a “Recursus ad principem” in Ecclesiastical Cases in the 1990s”, in COOMAN, G., VAN STIPHOUT, M. en WAUTERS, B., Zeger-Bernard Van Espen at the Corssroads of Canon Law, History, Theology and Church-State Relations – Separando certa ab incertis conciliare et explicare, Leuven, Peeters, 2003, XVIII en 498 p, waarin de arresten van het Hof van Cassatie van 20 oktober 1994 en 3 juni 1999 besproken worden, waarna de auteur vaststelt dat de vragen die rezen in het licht van Recursus ad principem in België nog steeds aan de orde zijn en aan de seculiere rechter gesteld worden (cf. infra,).
[26] Zie bijvoorbeeld Pand. b., v° Cultes, nr. 1-2.
[27] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 42-43.
[28]ALEN, A., Compendium van het Belgisch staatsrecht, I, Diegem, Kluwer, 2000, 54-55.
[29] Denk bijvoorbeeld aan het maatschappelijke debat over de gelijkheid tussen man en vrouw, euthanasie, de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, enz.
[30] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 45-47.
[31] Zie bijvoorbeeld THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 60-63 enDE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 179-219.
[32] ORBAN, O., Le droit constitutionnel de la Belgique, III, Libertés constitutionnelles et principes de législation, Luik, Dessain, 1911, 590-593.
[33] DE GROOF, J., “Schets van de grondwettelijke beginselen inzake de verhouding Kerk-Staat in België”, Jura Falc. 1979-80, 217.
[34] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 51.
[35] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 21-29 en TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium. Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 87-96.(cf. infra)
[36] THONISSEN, J.-J., La constitution belge annotée offrant sous chaque article l’état de la doctrine, de la jurisprudence et de la législation, Brussel, Bruylant, 1879, 363.
[37] GIRON, A., Le droit public de la Belgique, Brussel, Manceaux, 1884, 496.
[38] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 61.
[39] ALEN, A., Handboek van het Belgische staatsrecht, Deurne, Kluwer,1995, 823.
[40] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128.
[41] MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, Gent, Story, 1985, 554.
[42] TORFS, R., “De Belgische Grondwet over Kerk en Staat, geloof en maatschappij”, in TORFS, R. (ed.), Beheer en beleid van katholieke instellingen, Leuven, Peeters, 1990, 60-61.
[43] MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 45-46.
[44] Ibid., 43.
[45] Ibid., 46-47.
[46] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 128 en MARTENS, K., “Religie”, in DE GEEST , G., DE RIDDER , R., HOBIN, V. (ed.), Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Deurne, Kluwer, 1989 (2000), 43
[47] cf. supra
[48] Een historisch voorbeeld kan men terugvinden in VAN STIPHOUT, M., “Van de Paus of van de Koning? Zeger-Bernard Van Espen en het appel comme d’abus’, Pro Memorie 1999, 100-102. Zie ook voetnoot 26.
[49] VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 95 en VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 50.
[50]Zie de indirecte controle van de canoniekrechterlijke procedure door het EHRMin het arrest Pellegrini/Italië (n° 30882/96) van juli 2001. In dit arrest wordt Italië door het EHRM veroordeeld wegens schending van art. 6 §1 EVRM omdat de Italiaanse rechtbanken exequatur verleend hadden aan een arrest van de Romeinse Rota– een gevolg van het Concordaat – , zonder zich er van te vergewissen of het recht op een eerlijk proces tijdens de canoniekrechterlijke procedure was nageleefd.
[51] MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 22 en de verwijzingen naar rechterlijke uitspraken in voetnoot 4.
[52] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55.
[53] Luik 5 juni 1967, Jur. Liège 1967-68, 138 en MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 23.
[54] Cass. 25 september 1975, Pas. 1975, I, 111.
[55] VUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 55-56.
[56] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 88.
[57] Zie VERSTEGEN, R., Geestelijken naar Belgisch Recht. Oude en nieuwe vragen, Berchem-Antwerpen, Kluwer, 1977, 96 en LEMMENS, P., “De Kerkelijke overheid in de greep van de wereldlijke rechter”, in WARNINK, H. (ed.), Rechtsbescherming in de kerk, Leuven, Peeters, 1991, 80, die verwijst naar het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
[58]Bergen, 7 januari 1993, T.S.R. 1993, 69.
[59]TORFS, R., “De verhouding tussen Kerk en Staat op nieuwe wegen?”, (noot onder Bergen 7 januari 1993), T.S.R. 1993, 72-79 enVUYE, H., “Hoe gescheiden zijn Kerk en Staat? Interpretatiemogelijkheden omtrent art. 21 van de Grondwet”, (noot onder Cass. 20 oktober 1994), R. Cass. 1995, 56.
[60] Cass. 20 oktober 1994, Arr.Cass. 1994, 861.
[61]Volgens dit maxime zou de bevoegde kerkelijke overheid bij het nemen van de beslissing de intern voorgeschreven regels moeten respecteren.
[62] Eigen cursivering.
[63] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 90.
[64] Cass. 3 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 330 en MARTENS, K., “Het Hof van Cassatie en de interpretatie van artikel 21 G.W.: de verhouding tussen Kerk en Staat dan toch niet op nieuwe wegen?”, C.D.P.K. 2000, 215-218.
[65] TORFS, R., “Autonomy of Churches in Belgium . Status Quaestionis and Current Debate”, in WARNINK, H. (ed.), Legal Position of Churches and Church Autonomy, Leuven, Peeters, 2001, 92-96 en de verwijzingen aldaar. Zie ook de verwijzingen bij MARTENS, K., “Recours aux tribunaux belges en matière ecclésiastique – La position de la cour de Cassation belge à l’aube du troisième millénaire”, European Journal for Church and State Research 2000, 29, voetnoot 4.
[66] Opmerkelijk is hoe Procureur-general du Jardin verwijst naar Torfs (TORFS, R., “Religieuze gemeenschappen en interne autonomie. Fluwelen evolutie?”, in UFSIA (ed.), Jaarboek Mensenrechten 1998- 2000, Antwerpen, Maklu, 2002, 256-264), maar terwijl deze een gematigde tussenpositie inneemt, interpreteert du Jardin hem als een voorstander van de kwaliteitscontrole (DU JARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003 – Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, http://www.juridat.be/cass/cass_nl/p1.php, 23 maart 2003, Online, 57-58).
[67] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34 en de verwijzingen in voetnoot 106.
[68] Pand. b., v° Autorités ecclésiastiques, nr. 2.
[69] DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 34-35 en de verwijzingen aldaar.
[70] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502.
[71] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 53, vn. 1.
[72] Waarbij neutraliteit als doel heeft elke religieus of metafysisch element te weren uit de publieke orde. ZieMEERSCHAUT, K. en VANSWEEVELT, N., “De hoofddoek opnieuw uit de kast: godsdienstvrijheid op school in een democratische rechtsstaat”, in INTERUNIVERSITAIR CENTRUM MENSENRECHTEN, Mensenrechten Jaarboek 1998/2000, Antwerpen, Maklu, 2000, 66.
[73] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302. Contra BASDEVANT-GAUDEMET, B., “State and Church in France ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 122
[74] Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de wet van 9 december 1905 niet meer pertinent is. Nog in 1995 heeft men in de Assemblée Nationale een colloquium georganiseerd met als thema: “Faut-il modifier la loi de 1905?”.VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1088.
[75] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, Revue du droit public et de la science politique, 1997, 1309 en de verwijzingen in voetnoot 29. Al verwijst men in de voorbereiding van de huidige grondwet niet naar de wet van 9 december 1905.
[76] De Franse overheid en Pius VII sloten op 26 Messidor An IX (15 juli 1801) een concordaat, Convention entre le Pape et le gouvernement français. Het Concordaat werd samen met de Articles organiques de la convention du 26 messidor an IX – waartegen Pius VII zich hevig verzette – afgekondigd op 18 Germinal An X (8 april 1802). DE POOTER, P. De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 28-30 en DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 478-479. Zie Pand. b., vis Articles organiques en Concordat, waarin onderzocht wordt in welke mate beide teksten nog gelding hebben in het Belgische constitutionele bestel.
[77] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 495.
[78] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 496-497.
[79] CAPERAN, L., Histoire contemporaine de la laïcité française – La crise dus seize mai et la revanche républicaine, Parijs, Librairie Marcel Rivière et Cie, 1957, IX-XII en 30-36.
[80] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 78.
[81] Ibid., 55-61.
[82] DUGUIT, L., Traité de droit constitutionnel, V, Parijs, Librairie Fontemoing &Cie, 1925, 502-527.
[83] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 62-63.
[84] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 121.
[85] MORANGE, J., “Le régime constitutionnel des cultes en France”, in EUROPEAN CONSORTIUM FOR CHURCH AND STATE RESEARCH (ed.), Le statut constitutionnel des cultes dan les pays de l’union européenne, Parijs, Litec, 1995, 123.
[86] Na de loi constitutionnelle n° 95-880 van 4 augustus 1995, die ervoor zorgde dat het huidige art. 1 bestaat uit de eerste alinea van het oude art. 2, terwijl de andere bepalingen van het oude art. 2 nog steeds deel uitmaken van het huidige art. 2. Deze louter tekstuele verschuiving laat toe om de kenmerken van de Franse Republiek beter te benadrukken. Zie KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP1997, 1309.
[87] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 53-62.
[88] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, Presses Universitaires de France, 1993, 65. Zie ook KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1302 en 1315.
[89] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1092.
[90] KOUBI, G., “La laïcité dans le texte de la Constitution”, RDP 1997, 1312.
[91] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 75.
[92] Ibid., 19.
[93] VOLFF, J., “Régimes des cultes et laïcité”, Gaz. Pal. 2001, 1091-1092.
[94] CALEWAERT, W., DE DROOGH, L., FIVE, A., KETELAER, A.-F. en VANDERNACHT, P., Verhouding Staat, Kerk en vrijzinnigheid in Europa – Een rechtsvergelijkende studie, Brussel, Centraal Vrijzinnige Raad, 1996, 55-56.
[95] LUCHAIRE, F. en CONAC, G., La constitution de la république française, Parijs, Economica, 1987, 140.
[96] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 29-32.
[97] Ibid., 45.
[98] BOYER, A., Le droit des religions en France, Parijs, PUF, 1993, 19 en de rechtsvergelijkende bespreking in Deel III.
[99] X, Congrès de Mouvement Réformateur “Engagement citoyen” – Citoyenneté et Démocratie, p 6.
[100] TORFS, R., “State and Church in Belgium ”, in ROBBERS, G. (ed.), State and Church in the European Union, Baden-Baden , Nomos, 1996, 18.
[101] DE GROOF, J., “De bescherming van ideologische en filosofische strekkingen. Een inleiding”, in ALEN, A en SUETENS, L. (ed.), Zeven knelpunten na zeven jaar Staatshervorming, Brussel, Story-Scientia, 1988, 312.
[102] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 144-196.
[103] Idem., 385-386.
[104]Bijvoorbeeld het concordaat met Slowakije; http://www.kerknet.be, 19 december 2000.
[105] http://www.kerknet.be, 12 februari 2003.
[106] “L’organe représentatif par lequel agit l’Eglise Catholique” MINNERATH, R., L’Eglise et les Etats concordataires (1846-1981) – la souveraineté spirituelle, Parijs, Cerf, 1983, 78.
[107] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 23.
[108] Ibid., 23.
[109] DURAND, J.-P., “Echos français en droit civil ecclésiastique pour l’année universitaire 2000-2001, European Journal for Church and State Research 2001, 133.
[110] Eigen cursivering.
[111]BOSSUYT, M. en WOUTERS, J., Grondlijnen van internationaal recht, Leuven, Instituut voor Internationaal Recht – KULeuven, 2004, 57.
[112] KOCK, H.R., Rechtliche und politische Aspekte von Konkordaten, Berlijn, Duncker &Humblot, 1983, 23.
[113] Idem., 24-30 en MIGLIORE, C., “Ways and Means of the International Activity of the Holy See”, in FACULTEIT KERKELIJK RECHT – KULEUVEN (ed.), Church and State, Changing Paradigms – Monsignor W. Onclin Chair 1999, Leuven, Peeters, 1999, 32-36.
[114] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 109.
[115] WAGNON, H., Concordats et droit international, Gembloux, J. Duculot, 1935, 376-378 en DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32.
[116]Advies 4 januari 1962, Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 296/1.
[117] DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Brussel, Larcier, 2003, 32 en de voorbeelden in vn. 103.
[118]Zoals bijvoorbeeld in Italië gebeurd bij de financiering van religieuze organisaties; TORFS, R., “Should Churches Be Subsidized? Different Models. Some Perspectives”, in X (ed.), The Role of the Churches in the Renewing Societies. Lectures and Documents. Budapest Symposium, March 3-5-1997 , St. Alban’s, International Religious Liberty Association, 1998, 48.
DEMEESTER Wivina
Over communicatie, taal en branie
Edited: 200309221503
Toespraak van Wivina Demeester bij de opening van het parlementair werkjaar 2003-2004

Waarde collega’s,

In tegenstelling tot vorig jaar, zal het u vandaag niet verrassen dat ik van de gelegenheid gebruik maak om u enkele van mijn gedachten mee te geven. Wees gerust, na dertig jaar wil ik de fakkel doorgeven, het zal dus de laatste keer zijn dat ik het zittingsjaar open.

Vorige keer deed ik een oproep om in dit Glazen Huis meer spraak en tegenspraak te brengen; ik deed een oproep aan de regering om op een volwassen manier met het parlement om te gaan. Vandaag wil ik een oproep doen om de spraak te voeden door bekommernis, en te ontdoen van branie. Ik zal dit beknopt doen. Mijn beknoptheid is mijn respect voor u, uw aandacht is uw respect voor dit Huis.

Meer spraak en tegenspraak, geen omfloerste taal maar een volwaardig parlementair debat. Het heeft allemaal te maken met communicatie. “Communicatie” was een woord dat dertig jaar geleden nauwelijks bestond, of toch niet courant in de mond werd genomen. Toen had men het over “taal”. “De taalstrijd”, “talenkennis”, “symbolentaal”, het zijn woorden die allemaal veel betekenis hebben in de geschiedenis van Vlaanderen en van de Vlamingen. Vlaanderen was fier op zijn taal, en vocht ervoor. De Vlamingen maakten hun talenkennis tot economische troef.

Gaandeweg is dit gegeven aan het verschuiven. We zijn nog steeds meesters in talen, maar we kennen geen taaltechnologie, wel “speech technology”. We kennen geen “taalmeesters”, maar wel “communicatiespecialisten”. De spraak wordt minder en minder belangrijk, en wordt recht evenredig vervangen door “chatsessies”.

Zo verplaatst zich ook het debat. De spreker gaat niet meer naar het forum, maar het forum komt naar het debat. Daarom wordt de macht van de media groter. De spreker komt niet meer naar het Parlement, het Parlement moet naar de TV-studio.

Schaadt dit de democratie? Niet noodzakelijk. Vorig jaar zei ik: “Tonen en tegentonen van de tegengestelde visies vormen de harmonie van onze democratische gemeenschap”. Zolang de mensen een duidelijk zicht krijgen op de tonen en tegentonen, op de standpunten van ieder van ons, is de democratie gewaarborgd. Vanaf het moment dat standpunten niet meer worden uitgewisseld, vanaf het moment dat standpunten niet meer worden ingenomen, vervlakt onze democratie tot een soort “oligarchie van geïnteresseerden”.

Duidelijke standpunten innemen, vrijmoedig en open debatteren is noodzakelijk. Wat is hiervoor nodig? Visie en taal. De visie halen we uit onze bekommernis om de mensen. Samen met politieke gelijkgezinden nemen we standpunten in. Soms is er moed voor nodig, maar het is onze plicht om die moed te tonen.

De taal die we spreken, evolueert. Dertig jaar geleden spraken politici eerder een soort “notaristaal”. Sommigen deden dit schitterend, anderen hadden er meer moeite mee. Misschien is de slinger nu juist naar de andere kant gegaan, en spreken we vandaag teveel “showbizztaal”.

Politici moeten het juiste evenwicht vinden: verstaanbaar én correct zijn. We moeten geen communicatiespecialisten of taalmeesters zijn om dit in de praktijk te brengen. Integendeel, misschien hebben we teveel geluisterd naar (sommige) taalmeesters, die ons zo verstaanbaar maken dat sommige zaken niet meer correct kunnen voorgesteld worden en de waarheid geweld wordt aangedaan. Ook een negatieve boodschap moet kunnen gebracht worden.

We kunnen best wat leren uit andere beroepen. Ervaringen uit andere sectoren leren de politiek op een andere manier te communiceren. De “corporate governance”-plicht in grote beursgenoteerde bedrijven kan een voorbeeld zijn om ook in de politiek correcte taal te hanteren. Het taalgebruik tussen een bedrijfsleider en een werknemer in een KMO kan in de politiek heel waardevol gebruikt worden. En waar is taal belangrijker dan in de zorgsector, waar men per definitie met mensen werkt, waar men per definitie om de mensen bekommerd is?

Ik pleit voor meer bezorgdheid en minder branie. Het Vlaams Parlement moet de plaats zijn waar mannen en vrouwen zich bekommeren om het geluk van allen die in Vlaanderen leven. Laat branie niet het einde zijn. Laat bekommernis de grondstof van de politiek zijn. Ze drijft de goede politici. Ze kent geen leeftijd. Laat branie voor de woordvoerders. Ze haalt geen twee campagnes.

Waarde collega’s, deze prachtige glazen “praatkamer” moet de plaats zijn waar we samen dit parlementair jaar zinvol en genuanceerd van gedachten wisselen over het welzijn van alle mensen die in Vlaanderen leven.

Zoals ik vóór mijn politieke loopbaan hoopte dat mijn boodschap en mijn handelen in het geheugen van mijn leerlingen zou blijven hangen, hoop ik dat de boodschap die ik vorig jaar bracht, om meer spraak en tegenspraak te brengen, en de oproep en wens van vandaag voor een verstaanbare én correcte boodschap, - met bekommernis ten grondslag - ook ergens in het collectief geheugen van dit Parlement een plaats krijgt.

Zoals u ziet, ben ik een beetje lerares gebleven. Samen met die tienduizenden mannen en vrouwen die nu in onze scholen onze jonge Vlamingen vormen voor de toekomst, ben ik daar nog trots op ook.

Ik wens u allen een vruchtbaar en boeiend parlementair jaar, en daarmee verklaar ik de zitting voor geopend.

Wivina Demeester

22 september 2003

TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1944-1949
Edited: 200300194401
De regeringen
Hubert PIERLOT (26/09/1944 - 7/02/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER I (12/02/1945 - 2/08/1945) KAT-LIB-SOC-COM
Achille VAN ACKER II (2/08/1945 - 9/01/1946) SOC-LIB-COM-UDB
Paul-Henri SPAAK I (13/03/1946 - 19/03/1946) SOC
Achille VAN ACKER III (31/03/1946 - 9/07/1946) SOC-LIB-COM
Camille HUYSMANS (3/08/1946 - 12/03/1947) SOC-LIB-COM
Paul-Henri SPAAK II (20/03/1947 - 19/11/1948) PSB/BSP-PSC/CVP
Paul-Henri SPAAK III (27/11/1948 - 27/06/1949) PSB/BSP-PSC/CVP
Gaston EYSKENS I (11/08/1949 - 6/06/1950) CVP/PSC-LIB

De verkiezingen
17 februari 1946
26 juni 1949 mét kiesplicht voor vrouwen

Het oorlogskabinet Pierlot wordt, onder druk van het (vooral linkse) straatgeweld, uitgebreid met de communisten, die zich vanaf 1945 bekeerden tot het unitarisme onder Franstalig gezag. In zes jaar tijd ziet België 9 regeringen opstaan en vallen. De eerste bewindsploegen regeren zonder een mandaat van de kiezer. Daarmee wordt gewacht tot de verkiezingen van 17 februari 1946. De repressiejaren na tweede wereldoorlog zijn de schandelijkste uit onze geschiedenis. Wraak en haat, persoonlijke afrekeningen, moord en daden, opdoemend uit de laagste instinkten van de mens, kunnen gedijen in een klimaat van rechteloosheid. Het gepeupel en de 'verzetsstrijders' van het laatste uur regeren op straat en in de rechtszalen. De overheid kan, durft of wil deze wantoestanden niet onder controle brengen. Een oorlog roeit nooit het kwaad uit waartegen hij wordt gevoerd.
Er worden executies van collaborateurs verricht tussen november 1944 en 4 juni 1949.
De periode kunnen we er een noemen van anarchie en dubieuze rechtspraak. Het justitiedepartement is een heet hangijzer en wisselt veelvuldig van titularis.
In 1948 publiceerde Gerard Walschap zijn moedig 'Zwart en Wit' en dat zorgt voor heel wat herrie, ook bij Nederlandse critici. De noordelijke verontwaardiging culmineert in een artikel van Johan Van der Woude in Vrij Nederland dat Walschap een medeplichtige noemt, zijn boek een verheerlijking van de karakterloosheid en onfatsoen. Walschap is geen ogenblik bij de pakken blijven zitten en heeft zich verdedigd in een agressief ingezonden stuk aan voornoemd weekblad, waarin hij Van der Woude bestempelt als behorende tot "de blaaskaken die zich door het constateren van de evidente, menselijke realiteit beledigd en te kort gedaan achten. Het is uit dat hoovaardig slijk van de straat, vervolgt Walschap, dat jodenvervolgers, inquisiteurs, ketterjagers, onderzoekers van andermans geweten, met één woord al de ongure typen van de onverdraagzaamheid en het fanatisme zijn samengeraapt." (geciteerd in Omtrent, tijdschrift van het Gerard Walschap Genootschap, november 2005, nr 12).
De koningskwestie leidt naar een pré-revolutionaire fase. Tegen de mogelijke terugkeer van Leopold III wordt vanaf medio 1945 een persoffensief gelanceerd door zowat alle kranten, uitgezonderd de Vlaams-katholieke. De hetze is niet zozeer tegen de monarchie, dan wel tegen de figuur van Leopold gericht. Hierbij worden over en weer taktieken gebruikt die weinig met journalistiek maar alles met propaganda te maken hebben. Dit mag in feite geen verwondering wekken: tijdens de oorlogsjaren heeft men in pers- en omroepmiddens geen andere weg bewandeld dan die van de propaganda. Het vijand-denken en het ongenuanceerd culpabiliseren van de tegenpartij overheerst nog steeds in de pers, die sterk partijpolitiek gebonden is. De radio-omroep fungeert als een verlengstuk van de uitvoerende macht.
De macht van de partijpolitiek wordt in deze periode volledig gerestaureerd en naar onze mening is dat de drijvende kracht achter de gehele koningskwestie. Niet de ruzie tussen ministers en de koning omtrent de capitulatie in mei 1940, niet zijn achterblijven in België, niet diens contact met Hitler, niet zijn huwelijk met Liliane Baels ... Dat zijn slechts de drogredenen waarmee men de publieke opinie kon bewerken. Het werkelijke gevaar ligt in het zogenaamde Politieke Testament van Leopold III, een document dat hij begin 1944 had opgesteld. Het bekend raken van de inhoud ervan was dynamiet en zou zeker een oncontroleerbare kettingreactie teweeg brengen waarbij de particratie en de Franstalige bourgeoisie aan het kortste eind zouden trekken. Alhoewel het Politiek Testament reeds op 9 september 1944 aan premier Pierlot en aan Spaak werd overhandigd, zal de integrale tekst pas vijf jaar later, in 1949, bekend raken. Tegen die tijd was de positie van de drie traditionele politieke partijen stevig geconsolideerd. Het voortdurend streven van de drie grote partijen naar consolidatie van de macht is trouwens een constante in de Belgische politiek. De overlevingskansen van partijpolitieke initiatieven buiten het kader van de grote drie zijn dan ook minimaal of onbestaand.
Maar waarover handelde dan dat zgn. politieke testament ? Waarin schuilde het gevaar?
Het is wellicht niet overbodig de integrale tekst hier in herinnering te brengen. Het mag immers verwondering wekken dat gerenommeerde historici, zoals bvb. Velaers en Van Goethem, die in 1994 een boek van 1.152 bladzijden wijdden aan de koningskwestie, nalaten de lezer zelf te laten oordelen over een van de belangwekkendste teksten uit de Belgische geschiedenis.
TESSENS Lucas
Het geld van de omroep: 1930-1939: Crisisjaren - De ruk naar rechts - De massificatie - De radio wordt een massamedium, een propagandamiddel en een instrument voor volksopvoeding - De radio wordt een staatsmonopolie. De minister van PTT zit de Raad van Beheer voor - Opgenomen radioreportages worden mogelijk (klankband en montage) - Radiotaksen als bron voor financiering van de openbare omroep - Radiodistributie - Nieuwe perstitels
Edited: 200300193001
De regeringen
Jaspar II (22/11/1927-21/5/1931) KAT-LIB
Renkin (5/6/1931-18/10/1932) KAT-LIB
de Broqueville (22/10/1932-13/11/1934) KAT-LIB
Theunis II (20/11/1934-19/3/1935) KAT-LIB
Van Zeeland I (25/3/1935-26/5/1936) KAT-SOC-LIB
Van Zeeland II (13/6/1936-25/10/1937) KAT-SOC-LIB
Janson (23/11/1937-13/5/1938) KAT-SOC-LIB
Spaak I (15/5/1938-9/2/1939) KAT-SOC-LIB
Pierlot I (21/2/1939-27/2/1939) KAT-SOC
Pierlot II (18/4/1939-3/9/1939) KAT-LIB
Pierlot III (3/9/1939-10/5/1940) KAT-SOC-LIB
Verkiezingen
27 november 1932
24 mei 1936
2 april 1939

De algemene toestand
Tijdens de eerste maanden van 1930 kan de Belgische economie nog even profiteren van de gunstige effecten die uitgaan van de wereldtentoonstelling (te Antwerpen en te Luik) en de viering van het Belgische eeuwfeest. In het tweede semester doet de wereldcrisis zich echter ook bij ons ten volle voelen. De uitvoer stuikt in elkaar en zal pas in 1935 terug beginnen groeien. Vanaf 1932 maakt de regeringen gebruik van bijzondere machten en dat stelt het geloof in de parlementaire democratie zwaar op de proef. Op het sociale vlak werkt de ellende de massificatie in de hand. De uitzichtloze toestand van velen is een ideale voedingsbodem voor massabeïnvloeding en populistische propaganda, zowel van uiterst rechts als van uiterst links.
Schandalen plagen de katholieke partij. Daarvan maakt Leon Degrelle, zelf katholiek, met zijn Rexisme gebruik om zwaar uit te halen naar de ultra-conservatieve vleugel van de katholieke partij. Tijdens massameetingen en via eigen periodieken ('Rex', 'Vlan', 'Soirées', 'Foyer' en 'Crois') en dagbladen ('Le pays réel' vanaf 2 mei 1936 en 'De nieuwe Staat' vanaf 1 september 1936) vuurt hij zijn aanhangers, zowel in Wallonië als in Vlaanderen, aan om de traditionele partijen in het kieshokje vaarwel te zeggen. (De Bruyne, 1973: 71-130; Gerard, 1985: 30-33; Gerard, 1994: 75-123) De verkiezingen van 24 mei 1936 brengen een zware nederlaag voor de katholieke partij (- 10% van de stemmen) en een overwinning voor Rex. De Vlaams nationalisten en de communisten halen eveneens heel wat stemmen. De socialisten houden stand. Daarmee is de polarisatie in het land een feit. De zetelverdeling in de Kamer na de verkiezingen van 1932, 1936 en 1939 levert volgend beeld op:


De werkloosheid neemt enorme proporties aan: van nauwelijks 17.000 in 1929 naar 319.000 werklozen in 1932. Zij die nog werk hebben, zien hun uurloon tussen 1929 en 1935 met ongeveer 20% dalen. De prijzen dalen echter evenzeer zodat op het eerste gezicht de koopkracht gehandhaafd blijft. De belastingdruk is evenwel geweldig hoog zodat de privé-bestedingen kelderen.
Hieruit groeit vanzelfsprekend sociale onrust en stakingen zijn schering en inslag. Daarbij moet men bedenken dat het in vele gevallen om wilde stakingen gaat, die de vakorganisaties slechts schoorvoetend erkennen vanwege de enorme druk op hun stakingskassen.
In maart 1935 vormt Paul van Zeeland een regering van nationale unie. De socialisten drukken een groot deel van het zgn. Plan De Man (deficit spending) door. De devaluatie van 28% komt snel: op 31 maart 1935. De economie krijgt weer zuurstof en de uitvoer herneemt. Ook de gezinsconsumptie komt even overeind en de kleinhandelaars zien hun omzet stijgen. Het herstel is echter van korte duur. Naar het eind van de jaren 30 belandt de economie terug in een crisis. De inzinking op de internationale markten verzwakt de uitvoer én dus de omzet van de industrie. Om het overheidsdeficit te financieren grijpt de regering opnieuw naar belastingverhogingen.
Daardoor raakt de binnenlandse consumptie aangetast. Met die infernale cirkel is het depressieklimaat weerom aanwezig. Daar bovenop tekent de oorlogsdreiging zich vanaf 1938 duidelijk af. De generatie van de dertiger jaren gaat volledig ontgoocheld en gefrustreerd een nieuwe wereldoorlog tegemoet.

Het NIR-INR
De Wet van 14 mei 1930 (BSB 19300516) schenkt aan de staat het monopolie van de radiocommunicaties. Artikel 1 van deze wet luidt immers als volgt: "De regeering is gemachtigd de radiotelegrafie, de radiotelefonie en alle andere radioverbindingen in te richten en te exploiteren." Toch krijgen in de periode 1930-1940 nog heel wat particuliere stations de toelating om radioprogramma's uit te zenden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Deze toelatingen zijn echter herroepbaar en er ontstaan vaak hoog oplopende geschillen over. De tweede wereldoorlog zal een einde maken aan het bestaan van deze vergunningen (Van Bol, 1975: 86).
De wet van 18 juni 1930 geeft aan het Nationaal Belgisch Instituut voor Radio-Omroep (NIR/INR) zijn statuut. Artikel 11 van deze wet bepaalt hoe het NIR gefinancierd wordt:
"De inkomsten van het instituut bestaan inzonderheid uit:
a) het bedrag van giften en legaten te zijnen bate, na machtiging of goedkeuring door den Koning;
b) De leeningen die het mocht sluiten (inzonderheid door uitgifte van obligatiën) met machtiging van de regeering. Tot een bedrag van 10.000.000 frank werkelijk ontleend kapitaal, zal de regeering de rente en de delging waarborgen der leeningen welke het instituut mocht sluiten.Een koninklijk besluit bepaalt de voorwaarden van deze waarborg.
c) De jaarlijksche Staatstoelage en, meer bijzonder, een jaarlijksche toelage gelijk aan:
1° 90 t.h. van het voorzien bedrag der ontvangsten, opgeleverd door de jaarlijksche taxe, welke de Staat heft op de private radio-ontvangtoestellen;
2° Eene som gelijk aan het voorzien bedrag van de ontvangsten der belasting, welke de Staat heft op den groothandelsprijs van de electronenlampen of andere gelijkaardige toestellen voor het detecteren of het versterken van de in radio-electrische ontvangtoestellen bruikbare seinen, loodglanskristallen of andere kristallen uitgezonderd;
d) De toelagen welke openbare besturen en instellingen mochten toekennen;
e) De ontvangsten welke het zou bekomen door zijn uitgaven of naar aanleiding van contracten, door den raad van beheer afgesloten binnen de perken van de bedrijvigheid van het instituut."
Artikel 12 bepaalt dat het instituut een boekhouding moet voeren en een jaarverslag moet overmaken aan de minister van PTT.
Artikel 17 bepaalt: "Bij de gewone begroting van het dienstjaar 1930 van het Ministerie van Posterijen, Telegrafen en Telefonen wordt een crediet geopend onder volgende rubriek: Toelage aan het Belgisch nationaal Instituut voor radio-omroep (N.I.R.): 1.600.000 frank."
De openbare radio, die op 1 februari 1931 begint uit te zenden, wordt niet uit het niets opgericht maar neemt de twee zenders van 15 kW te Veltem over, die eind de jaren twintig door een associatie van Radio Belgique en van de Boerenbond (NV Radio) bij SBR besteld waren. Op het ogenblik van de overname waren beide zenders niet operationeel toen zij werden overgenomen door het INR-NIR. (X 1953:5)
Noteer dat Radio Belgique (Theo Fleischman) zijn uitzendingen stopte op de dag van de stichting van het NIR. Zijn personeel werd in de nieuwe staatsinstelling ingeschakeld (Van Pelt, 1973: 240; Boon G., 1988: 29). Men kan stellen dat Radio Belgique werd genationaliseerd met een ruime compensatie voor de eigenaar(s). Hiervoor kan het eerste jaarverslag van de NIR/INR geraadpleegd worden. In dat jaarverslag vinden we Radio Belgique en de NV Radio terug met een schuldvordering op de NIR ten belope van 1.070.011,20 BEF. Anderzijds vinden we er SBR met een schuldvordering van 95.715,50 BEF. (NIR, 1931-1932: 62) Beide schuldvorderingen samen vertegenwoordigen 91% van alle schulden die het NIR op 31 december 1931 heeft. Volgens Paul Vandenbussche, in een vraaggesprek met ons (23/10/2001), is de oprichting van de NIR-INR het directe gevolg van de financiële moeilijkheden van de S.A. Radio-Belgique. Vanuit die optiek is het ontstaan van de openbare omroep het resultaat van het mislukken van het privé-initiatief en ligt niet (alleen) een politiek verlangen maar (ook) een financieel-economisch débâcle aan de basis van het overheidsinitiatief. Hermanus plaatst de oprichting van het NIR-INR en die van de RTT in dat perspectief en wijst erop dat het dezelfde liberale ministers - Pierre Forthomme voor PTT en Paul-Emile Janson voor Justitie - zijn die zowel de oprichting van het NIR als die van de RTT in het parlement bepleiten. (Hermanus, 1990: 26) Volgens Vandenbussche speelde Prof. Arthur Boon (KU Leuven), voorzitter van de KVRO en voorzitter van de Boerenbond (geen familie van de latere directeur-generaal van de NIR) een grote rol bij de totstandkoming van het NIR-INR.
In artikel 14 van het KB van 28 juni 1930 wordt gesteld dat de "nieuwstijdingen in de vorm van persberichten" bondig moesten zijn. Duiding bij het nieuws was uitgesloten. (Goossens C., 1998: 49). Hier duikt de invloed van de dagbladpers op. Die zag namelijk in het radio-instituut een geducht concurrent. De belangen van de (partij)politieke dagbladen vielen in deze samen met die van de partijen zelf.
Verdere uitbouw van het NIR
Van 1935 tot 1938 wordt er gewerkt aan het nieuwe radiogebouw aan het Flageyplein. In 1937 komt de culturele zelfstandigheid van de Franse (o.l.v. Théo Fleischman) en de Vlaamse uitzendingen tot stand. Het jaarverslag van het NIR-INR bevat dan ook voor de eerste keer de uitgesplitste kosten voor de Franse en de Vlaamse uitzendingen, resp. 5.604.055 BEF en 5.533.911 BEF.
Radiotaks
De wet van 20 juni 1930 (BSB 19300626) en het KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) regelen o.m. de heffing van de radiotaksen voor de bezitters van een radio-ontvangsttoestel. De taks wordt op 60 BEF per jaar bepaald. Dat is 30 BEF minder dan oorspronkelijk in het wetsontwerp (18 april 1929) van minister Lippens (PTT) voorzien was. De parlementsleden brengen het bedrag terug tot 60 BEF per jaar (Goossens C., 1998: 44). Een gewoon huishoudbrood kost in 1930 2,14 centiem en voor een krant dient men 35 centiem neer te tellen. De radiotaks weegt m.a.w. flink door in het budget van het modale gezin want met die 60 frank kan het 28 broden kopen of meer dan een half jaar elke dag de krant lezen.
Een ander KB van 28 juni 1930 (BSB 19300704) bepaalt dat de radiotoestellen waarin uitsluitend kristallen (en dus geen radiolampen) gebruikt worden, belast worden met een jaartaks van 20 BEF.
Het is treffend dat zeer vele bepalingen uit de voornoemde wet de tand des tijds hebben doorstaan en tot in 1987 van kracht blijven: het betalen door middel van een storting op een postcheckrekening, de betaling die alle radiotoestellen in dezelfde woning dekt, de verplichting om een adreswijziging te melden, de vrijstellingen voor blinden en andere invaliden, voor onderwijsinstellingen en voor openbare diensten. In die tijden van grote werkloosheid gaan er stemmen op om de werklozen vrij te stellen van het betalen van de radiotaks. (Van Dyck, 1935:135)
De wetgever van 1930 is wel bijzonder streng voor ontduikers: de geldboete kon oplopen tot vijfmaal de ontdoken taks en dat met drie jaar terugwerkende kracht. Van een ontduiker kan m.a.w. een maximale boete van 900 BEF geëist worden ... een klein fortuin.
De wetgever van 1930 had zich blijkbaar goed geïnformeerd want ook de ontvangtoestellen die beelden konden ontvangen waren verplicht de taks te betalen. Zo'n bepaling verraadt de hand van de RTT-administratie, steeds goed geïnformeerd over de technologische ontwikkelingen. Vergeten we niet dat in 1930 de BBC reeds experimenteerde met de eerste openbare televisie-uitzending.
Door de wet van 27 december 1938 wordt de radiotaks van 60 op 78 BEF gebracht.
RTT int de radiotaksen
De inning van de taksen werd opgedragen aan de in 1930 opgerichte Regie voor Telefoon en Telegraaf. De oprichting van de RTT was, althans zo luidt de officiële versie, nodig om de verschillende telefoonnetwerken, tot dan toe in privé-handen, te interconnecteren. Hermanus is echter een andere mening toegedaan en stelt dat de interconnectie slechts een voorwendsel was. "En réalité, ce n'était qu'un prétexte. Les partisans du libéralisme économique défendaient l'idée de l'intervention de l'Etat uniquement dans des activités non rentables mais indispensables au bon fonctionnement de l'Etat." (Hermanus, 1990: 26)
Er zijn voldoende aanwijzingen om Hermanus' stelling voor waar te aanvaarden.
Collectiviseren van verliezen?
Privatiseren van winsten?
We kunnen dan ook vaststellen dat zowel de oprichting van de NIR-INR als die van de RTT geschiedden om verliezen te collectiviseren, naar de staat toe te schuiven. Onderzoek kan aantonen of zulks ook met andere risicodragende initiatieven binnen de communicatiesector (of andere sectoren) het geval is (geweest). Tegelijk kan men dan ook de 'spiegel-hypothese' toetsen: komen overheidsbedrijven (of stukken ervan) enkel in aanmerking om geprivatiseerd te worden wanneer de investering niet of nauwelijks risicodragend is?
Uiteraard mag men hierbij niet in een zwart-wit analyse vervallen en zal de realiteit zeer complex zijn. Dit neemt niet weg dat het een fundamenteel vraagstuk is bij het kijken naar de relatie tussen staats- en privé-initiatief. De vraagstelling heeft ook een ethische component, laat dat duidelijk zijn.
Aantal betalende vergunningen en vrijstellingen
Voor de jaren 30 beschikken we over betrouwbare cijfers uit het archief van Kijk- en Luistergeld (dat werd in 2003 vernietigd maar wij konden enkele belangrijke statistische documenten redden, LT).

In 1930 waren er 76.872 radiotoestellen vergund, in 1939 waren het er 15 maal meer.
Adreslijsten KLG en luisteronderzoek
De massa's adressen die bij de dienst radiotaksen beheerd worden, brengen sommigen op het idee om op basis daarvan te starten met een luisteronderzoek (Van Dyck, 1935: 156-157) of een referendum omtrent de omroep. Dit laatste moet gezien worden tegen de achtergrond van de onvrede met de partijpolitieke uitzendingen op het NIR. "Hoe gemakkelijk nochtans zou het voor haar (bedoeld wordt het NIR, LT) vallen, vermits zij alleen toch (met de Regie) de namen en adressen bezit van allen, die zich van hunne radiotaks kwijten. Zou het dan zoo'n enorme kosten met zich brengen om aan alle die menschen een voor het antwoord gereed gemaakte vragenlijst rond te zenden, welke na invulling vrachtvrij aan het NIR zou kunnen worden weergezonden! (...) Tevens zou door dergelijk referendum de 'Vox Populi' kunnen gekend worden omtrent het ja dan niet toelaten van politieke uitzendingen langs den omroep!" (Van Dyck, 1935: 144)
Gewestelijke verdeling van het radiobezit
Voor het jaar 1939 beschikken we over een gewestelijke verdeling van de 1.112.962 radiotoestellen waarvoor radiotaks betaald wordt: Wallonië (458.124 of 41%), Brussel (209.869 of 19%) en Vlaanderen (444.969 of 41%). De ondervertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest heeft o.i. twee oorzaken: a) de inkomensachterstand in het Vlaamse landsgedeelte, en b) de relatieve sterkte van het populaire programma-aanbod van de 12 particuliere radiostations in Wallonië en Brussel, tegenover slechts 4 in het Vlaamse landsgedeelte.


Financiering van de regionale radiostations
De wet van 14 mei 1930 moet in feite de doodsteek betekenen voor de regionale stations. Artikel 8 verbiedt immers voor alle stations het voeren van handelspubliciteit. De druk van de regionale stations - vooral Radio Schaerbeek ging heftig tekeer - op de minister was echter zo groot, dat die besloot een gedoogbeleid te voeren.
De regionale radiostations deden voor hun financiering ook een beroep op jaarlijkse lidgelden. Zo vermeldt Van Dyck (1935: 134) dat Radio Châtelineau kaarten verkocht tegen 12,50 BEF en steun- en erekaarten tegen resp. 25 en 50 BEF. Radio Antwerpen (ON4ED) verkocht kaarten van 25 BEF. De auteur noemt deze vorm van financiering onwettelijk en verwijst hiervoor naar artikel 9 van het ministerieel besluit van 28 augustus 1931.

De franstalige uitzendingen van de private radiostations haalden een hogere luisterdichtheid dan de franstalige programma's van het INR. Men kan zich voorstellen dat dit niet naar de zin was van Fleischman. Greta Boon vermeldt dan ook uitdrukkelijk: "Een van de redenen waarom de leidinggevende personen van het NIR van de oorlogsomstandigheden later gebruik maakten om die particuliere zenders na de oorlog geen uitzendvergunning meer te geven, was dit grote franstalige overwicht." (Boon G., 1988: 29-33).

De wet wordt niet toegepast
De staatstoelage vormde in de periode 1930-1940 de hoofdmoot van de inkomsten van het unitaire NIR-INR. In de wetenschappelijke literatuur wordt steevast vermeld dat het NIR-NIR 90% ontving van de opbrengst van de radiotaksen. Zo stelt Gekiere in 1983: "In de wet van 18.6.1930 tot oprichting van het N.I.R. was bepaald dat 90% van de opbrengst van het kijk- en luistergeld naar de omroep zou toevloeien. Dit principe werd jaren toegepast en gedurende enkele jaren (o.m. voor 1974), bleek de toelage aan de BRT-instituten zelfs hoger te liggen dan de netto-opbrengst." (Gekiere, 1983: 179).
Ook Greta Boon stelt in 1984: "Voor de tweede wereldoorlog ontving de omroep 90% van het luistergeld." (Boon, 1984:95).
Uit ons onderzoek blijkt dat zulks weliswaar wettelijk voorzien was, doch in de realiteit slechts één jaar gehaald werd.
De beweringen van Gekiere en van Boon, beiden op de BRT werkzaam, moeten wellicht gezien worden als een manoeuver van de BRT in zijn veelvuldige disputen in de jaren 80 met de minister omtrent de BRT-dotatie. We komen hierop terug.
In het jaarverslag van de NIR-INR over het jaar 1932 lezen we: "Over het algemeen staat het aantal ontvangtoestellen in rechtstreekse verhouding met de hoedanigheid van den dienst. Door de veldmetingen heeft men er zich rekenschap kunnen van geven dat de kracht der zenders van Veltem niet voldoende is om over gansch het grondgebied (...) een dienst te verzekeren , die wat de hoedanigheid betreft, niets te wenschen overlaat. Logisch mag dus aangenomen worden dat een merkelijke verhooging der zendkracht, bv. tot 60 of 100 kw. zeer snel een verhooging van de ontvangtoestellen en bijgevolg van de ontvangsten voor gevolg zou hebben."
Het NIR-INR geloofde dus nog in de band tussen de opbrengst van de radiotaksen en haar eigen staatstoelage. Hier wordt expliciet verwezen naar de band die er bestaat tussen het aantal radiotoestellen (200.534 eind 1931, 339.635 einde 1932) en de staatstoelage (13,4 miljoen BEF voor het werkingsjaar 1932). De simpele berekening brengt ons op 12,03 miljoen BEF (200.534 toestellen x 60 BEF). Nergens in het jaarverslag wordt de berekening expliciet gemaakt. Men mag echter veronderstellen dat de berekening van de staatstoelage op het niveau van de beheerraad, waarin de voogdijminister als voorzitter zetelde, gebeurde.
Hieronder geven wij de evolutie van de bruto-opbrengst, de inningskosten die de RTT inhield, de staatstoelage aan het NIR-INR en deze laatste uitgedrukt als een percentage van de netto-opbrengst.









De Coninck Susan
Jef Turf. Een politieke identiteit van een communist
Edited: 200206300901
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte,
voor het behalen van de graad van
Licentiaat in de Geschiedenis.

Academiejaar: 2001-2002

Universiteit Gent

Promotor: Prof. Dr. Gita Deneckere

Commissarissen: Dr. Hendrik Defoort en Dr. Jan Dumoulyn


BRUYNEEL Tineke
Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oeuvre van de negentiende-eeuwse Gentse volkszanger Karel Waeri (1842-1898)
Edited: 20020081
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte,
voor het behalen van de graad van
Licentiaat in de Geschiedenis.
Academiejaar: 2001-2002
Universiteit Gent
Promotor: Prof. Prof. Dr. G. DENECKERE
Karel Waeri blijkt een veelzijdig volkszanger te zijn geweest. Hij zong niet alleen voor een arbeiderspubliek, maar ook voor de burgerij, op feesten, banketten en in lusthoven aan de stadsrand. Bij zo’n gelegenheden putte Waeri waarschijnlijk uit zijn uitgebreide verzameling kluchtige liederen. Het spreekt vanzelf dat hij op deze momenten moeilijk zijn onvrede met het lot van de arbeidersbevolking en zijn sympathieën voor de socialistische partij kon laten horen. Toch probeerde Waeri ook in deze liedjes, hoewel eerder impliciet en in beperkte mate, zijn ideeën hieromtrent te verwerken. In verband met de liederen in het kader van de sociale strijd valt op dat Waeri enorm veel belang hechtte aan het eergevoel van het werkvolk. Waeri probeerde met zijn liedjes in te gaan tegen het minderwaardigheidsgevoel dat bij veel arbeiders leefde. Men moet dit bekijken binnen het kader van de sociale strijd. Mensen gaan pas in opstand komen tegen iets als ze zich zeker van hun stuk voelen, als ze beseffen dat de ellende die hen overkomt niet rechtvaardig is en als ze weten dat een mooiere toekomst in het verschiet ligt. We zien dan ook dat veel liedjes van Waeri een belangrijk bewustmakend element in zich dragen. Sommige liederen weerspiegelen de realiteit waarin de arbeiders zich bevinden en vertellen wat er oneerlijk aan is. De arbeiders waren zich immers niet altijd bewust dat bijvoorbeeld zoiets als kinderarbeid slecht was. Men mag ook niet vergeten dat de fysieke conditie van de arbeiders waarschijnlijk zeer slecht was en dat ze daardoor in een zekere lethargie vervielen. Het was dus nodig om het werkvolk precies uit te leggen wat hun situatie was en waarom ze ertegen moesten strijden. Waeri geeft in verschillende liedjes als het ware les. Daarnaast toonde Waeri ook de toekomst die bereikt kon worden. Een toekomst waarin iedereen vrij en gelijk zou zijn. Het was die toekomst waarvoor de arbeiders moesten vechten. Rond de politieke eisen en sociale strijdpunten heeft Waeri heel wat liedjes geproduceerd. Een zeer groot aantal handelt over de strijd voor algemeen stemrecht. Het bleek dat Waeri in deze liedjes voornamelijk de ideeën van de socialistische beweging vertolkte. Waeri moet ongetwijfeld een belangrijk onderdeel geweest zijn van de grote propagandamachine van de BWP. Toch stond Waeri soms ook verrassend onafhankelijk tegenover die partij. Dit was meerbepaald het geval toen hij een kritisch lied schreef over het meervoudig stemrecht, dat tegen de propaganda van de socialistische partij in- ging. Toch volgde Waeri bijna altijd de socialistische ideeën. Dit deed hij ook in zijn liedjes over de loting. Deze droegen ook weer dat belangrijke bewustmakende element in zich. De achturendag werd door Waeri vooral bezongen in zijn typische 1 Mei liederen
VAN NIEUWENHUYSE, K.
Een Standaard in Vlaanderen? Vlaams-katholieke krant op zoek naar kwaliteit en politieke invloed (1947-1976)
Edited: 20020018
Doctoraatsthesis KU Leuven. Noot LT: bevat naar ons gevoel toch veel onnauwkeurigheden; mist kritische zin en onzorgvuldige bronnenanalyse; jammer voor een doctoraat.

archief Standaardgroep in ARA teruggevonden
Edited: 200200000785
Archief NV De Standaard (ARA, Brussel)

"Aanvankelijk leek het erop als was dit archief vernietigd. Navraag bij verscheidene betrokkenen alsook bij de VUM leverde niets op. Uiteindelijk was het de curator van het faillissement in 1976, mr. De Ridder, die meldde dat hij het archief had overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief te Brussel. Daar werd het in een magazijn ondergebracht, waar het erg te lijden heeft gehad van waterschade. Verscheidene mappen zijn half weggerot of beschimmeld. Na verloop van tijd werd het opgeslagen in de kelders van het rijksarchief. Daar bevindt het zich nog steeds in ongeordende staat, d.w.z. zonder dat er enige magazijnstaat of (voorlopige) inventaris van bestaat. Het archief beslaat 258 strekkende meter. Vele van de dossiers hebben betrekking op de verschillende machineparken van de Standaard-groep, op het personeel van de groep (5000 personen in 1976) en op de diverse naamloze vennootschappen die deel uitmaakten van de groep. Het redactiearchief van De Standaard, met o.m. de correspondentie van de redacteurs met externe instanties en personen, bevond zich jammer genoeg niet tussen de stukken. We moeten dan ook aannemen dat dit archief is verloren gegaan.

Niettemin troffen we toch een aantal erg waardevolle stukken aan in het archief. Zo o.m. stukken betreffende de samenstelling van de redactie, de afbakening van de verschillende functies binnen de redactie, verslagen van de directieraad, nota’s en brieven van redacteurs, verslagen van redactielunches, verslagen van redactiedagen, etc."

Bron: EEN STANDAARD IN VLAANDEREN? VLAAMS-KATHOLIEKE KRANT OP ZOEK NAAR KWALITEIT EN POLITIEKE INVLOED 1947 - 1976. Karel van Nieuwenhuyse Scriptie ingediend tot het behalen van de graad van Doctor in de Geschiedenis Katholieke Universiteit Leuven academiejaar 2001-2002 Promotor: Prof. dr. E. GERARD
DS
Taboe allochtone criminaliteit sneuvelt
Edited: 200111291445
BRUSSEL -- Achteraf bekeken was het dom het onderzoek van Marion Van San naar criminaliteit en allochtone jongeren als gevaarlijk of racistisch te bestempelen. Er is niet te veel onderzoek geweest, maar te weinig: één jaar was te kort, er moet vervolgonderzoek komen.
In uiteenlopende toonaarden speelden alle fracties in de kamercommissie Justitie gisteren dit liedje. ,,De allochtone gemeenschap staat daar zelf ook achter'', zei Fauzaya Talhaoui (Agalev).

Onverwachte eensgezindheid in de kamercommissie gisteren, bij de voorstelling door Marion Van San van haar rapport naar criminaliteit onder jongeren in de vijf grootste Belgische steden.

,,INTERESSANT WAT U DAAR VERTELT, MEVROUW VAN SAN, WAT JAMMER DAT IK DAAR NIETS VAN LEES IN UW RAPPORT''

Nu ja, eensgezind. Er was een groot verschil tussen de reacties, met aan het ene uiterste het Vlaams Blok en aan het andere uiteinde PS en Ecolo. De enen bedankten -- bij monde van Gerolf Annemans -- Van San hartelijk voor het doorbreken van een taboe.

Een van de conclusies in Van Sans onderzoek is namelijk dat latent racisme onder de politie en sociaal-economische achterstand wel gedeeltelijk het grotere aandeel van allochtonen in de jeugdcriminaliteit kan verklaren, maar niet volledig.

Het percentage jonge delinquenten ligt onder Marokkanen driemaal hoger en onder Oost-Europeanen achtmaal hoger dan onder Belgen. ,,Eindelijk krijgen we gelijk dat je ook naar culturele verklaringen moet kijken'', zei Annemans. Waarop zijn partijgenoot Bart Laeremans de vraag van minister Verwilghen om een sereen en verstandig debat te houden in de wind sloeg, en de deportatie van criminele jongeren naar hun ,,land van herkomst'' bepleitte.

Niet verrassend. Wel verrassend was de reactie aan Franstalige linkerzijde. Niet dat ze er warm van worden bij PS en Ecolo maar politiek correcte verontwaardiging bleef achterwege.

,,De commotie rond dit onderzoek was niet nodig geweest, als de overheid vanaf het begin duidelijker had uitgelegd wat de bedoeling was'', meende Agalev-kamerlid Fauzaya Talhaoui. ,,Een groot deel van de allochtonen in dit land zal graag meewerken aan de uitwerking van de aanbevelingen van Van San: dat zie je aan het enthousiasme om het project van de Marokkaanse buurtvaders over te nemen.'' Talhaoui drong er wel op aan de allochtone gemeenschappen te betrekken bij de aanpak van het probleem.

Verschillende fracties noemden het rapport-Van San een gemiste kans. Er waren te weinig statistieken beschikbaar om een bruikbaar beeld te schetsen. Het onderzoek aan Franstalige zijde stelde weinig voor.

,,Uw studie komt dicht in de buurt van de overbodigheid'', zei Pieter De Crem (CD&V), ,,tenzij uw opdrachtgever u de kans geeft het werk af te maken''.

Wie duidelijk niet enthousiast was, was Diane Reynders van de Dienst voor Strafrechtelijk Beleid (DSB). Zoals verwacht zorgde haar confrontatie met Van San voor vuurwerk. Formeel steunt Reynders zich voor haar beleidsopties op het rapport-Van San. Maar eigenlijk vind ze het broddelwerk. IJzig kalm somde Reynders punten van kritiek op. De mogelijkheid om criminaliteit te registreren op grond van etniciteit is volgens haar onhaalbaar. Ze gaat wel akkoord met enkele evidente aanbevelingen zoals een betere statistische verwerking van criminaliteit.

Maar de waarde van criminaliteitsprofielen -- de kern van Van Sans onderzoek -- is volgens Reynders ,,miniem''. Ze ziet ook niet in hoe die tot specifiek strafbeleid kan leiden ,,zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden of bevolkingsgroepen te stigmatiseren''.

Met stijgende verbazing stelden de leden van de commissie de tastbare vijandigheid tussen beide dames vast. Die heeft vooral met een verschil in visie te maken, maar ook met een verschil in rol. Van San is de externe, in het buitenland werkende sociologe die een reeks praktische oplossingen voorstelt, maar daarbij weinig rekening houdt met wie in dit moeilijke land waarvoor bevoegd is.

Reynders is veel sterker aan het justitiebeleid gebonden, en valt daardoor snel terug op opmerkingen als ,,daar waren we al mee bezig'' of ,,dat is onze bevoegdheid niet''. Sommigen vermoeden bovendien sturing door minister Verwilghen, die zo onder vuur heeft gelegen van de PS en Ecolo dat hij de lont uit het rapport wil halen.

Maar Van San liet zich niet naar de slachtbank voeren. Dat draaide uit op een venijnig steekspel. ,,Dat u criminaliteitsprofielen van de hand wijst, verbaast me, mevrouw Reynders. Ik moet u toch aanraden eens wat buitenlandse boeken te raadplegen, onze buurlanden baseren zich er wél op. U wil het beleid nog steeds van bovenaf bepalen en leuke symposia houden, terwijl wij juist duidelijk maken hoe desastreus dat is. Wij willen de allochtonen zelf betrekken bij de aanpak van de criminaliteit. Het verbaast me dat u niet inziet dat dit beter werkt.''

Waarop Reynders, even afgemeten: ,,Heel interessant wat u daar vertelt, mevrouw Van San, wat jammer dat ik daar niets van lees in het rapport waar u een jaar aan gewerkt heeft.'' Enzovoort.

Reynders rondde af met de conclusie dat er verder onderzoek nodig is, gebaseerd op ,,de vele onderzoeken die er al over deze materie zijn gevoerd''.
DS
Van San in een notendop
Edited: 200111290914
Het rapport dat onderzoekster Marion Van San maakte op vraag van minister van Justitie Marc Verwilghen, is nog niet ,,af''. Ze beschouwt het als een eerste deel, een tussentijdse stand van zaken voor een onderzoek naar de oorzaken van verschillen in criminaliteit tussen bevolkingsgroepen. Daar zou ze drie jaar voor nodig gehad hebben, en niet één zoals nu. Of ze voor het vervolg nog zin heeft, is zeer de vraag.
De belangrijkste vaststellingen in een notendop. Ze werden uitgebreid -- en genuanceerder -- beschreven in deze krant van 12 november.

1. Dé allochtoon bestaat niet. Er zijn grote verschillen in crimineel gedrag tussen autochtonen en allochtonen, tussen diverse groepen allochtonen onderling en daarbinnen tussen ouderen en jongeren, jongens en meisjes.
De grootste probleemgroep vormen de Oost-Europese jongeren, wier aandeel in de statistieken in 1997 zesmaal en in 1999 zelfs tienmaal de ,,normale'' waarde overstijgt. Ook Marokkaanse jongens (meisjes niet) veroorzaken overlast.

2. Diverse groepen hebben hun specialiteiten. Jonge Oost-Europeanen zitten in diefstal, Marokkanen in ordeverstoring, Belgen in drugs, Turken in geweld, Afrikanen in oplichting...

3. De klassieke verklaringsmodellen -- selectieve registratie door de politie, sociaal-economische achterstand -- hebben hun waarde, maar kunnen niet de discrepantie tussen de diverse categorieën verklaren.

4. Toch is misdadigheid in achterstandsbuurten niet het grootste probleem, ook niet voor de ,,achtergebleven'' autochtone bevolking. Het wantrouwen tussen etnische groepen is enorm, de relatie tussen politie en jongeren verstoord. De verhalen over criminaliteit worden daardoor vaak aangedikt en komen niet altijd met de realiteit overeen. Er zijn grote inspanningen nodig om de beeldvorming rond allochtonen te verbeteren.
VAN SAN Marion
Criminaliteit en criminalisering; allochtone jongeren in België
Edited: 200111101261

Studie in opdracht van minister Verwilghen.
Samenvatting
Hoewel een meerderheid van de allochtone jeugd in België niet of nauwelijks problemen oplevert, baart het gedrag van een deel van hen zorgen. In deze studie doen Marion van San en Arjen Leerkes verslag van een onderzoek naar de aard en de omvang van de criminaliteit onder allochtone jongeren in België. Zij baseren zich daarbij voor het eerst op landelijke politiecijfers. Op grond van gesprekken met jongeren, buurtbewoners, politieagenten en straathoekwerkers in twee oude wijken van Antwerpen en Brussel gaan de auteurs daarnaast in op de beeldvorming over allochtone jeugdcriminaliteit. Het boek levert een bijdrage aan het inzicht dat allochtone jeugdcriminaliteit niet als een eenvormig verschijnsel kan worden begrepen. Groepen allochtone jongeren blijken noch in dezelfde mate, noch op dezelfde wijze bij te dragen aan de jeugdcriminaliteit.Tegelijkertijd verklaart het boek waarom het thema van de allochtone jeugdcriminaliteit niet los kan worden gezien van de strijd tussen etnische groepen om sociale status, macht en identiteit.
TESSENS Lucas / MERS
Brief aan Cas Goossens dd. 22 oktober 2001
Edited: 200110221497
Faxbericht voor Cas Goossens
015-24.37.95

2001-10-22


Cas,


Bedankt voor de cursus van Paul Vandenbussche. Ik heb morgen om 10 uur een afspraak bij hem thuis. Hij lijkt zeer geïnteresseerd.

Ik wil je nog speciaal danken voor de prettige ontvangst in Itegem.

Het jaarverslag BRT 1985 bezorg ik zo snel als mogelijk terug.

Kan je me ook de referenties bezorgen van de boekenreeks omtrent de historiek van de BBC?

Bij gelegenheid zou ik toch nog eens van gedachten willen wisselen over een groots opgezet onderzoeksproject naar de historiek van de openbare omroep.
We zijn het er over eens dat wat tot nu toe gepubliceerd is, te fragmentarisch is. De Vlaamse gemeenschap is het me dunkt aan zichzelf verplicht zo'n historiek - uitgewerkt door een multidisciplinair team - te ondersteunen.

Onlangs herlas ik enkele passages uit de referaten van het 8ste Vlaams Congres voor Communicatiewetenschap (26-27/10/1978). Mijn oog viel op het referaat van mijn diepbetreurde prof en vriend Luk Boone "Synthese en aanbevelingen voor verder onderzoek". Daarin stelt hij dat zijn collega, G. Van Parijs (RU-Gent), twaalf (sic!) jaar voordien (congres te Evian in 1966) de kenmerken van het communicatiewetenschappelijk onderzoek had beschreven.
Eén van die kenmerken was: de geringe contacten tussen (overwegend universitaire) onderzoekscentra en individuele onderzoekers.
M.i. gelden een aantal kenmerken ook vandaag nog. Dat betekent dat het onderzoek gemonopoliseerd zit bij de univ's. Bovendien slagen die "eilanden van kennis" er maar niet in met mekaar te communiceren.
Gezien de (groeiende) complexiteit van de mediasector is er m.i. samenspraak nodig tussen volgende disciplines: communicatiewetenschap, geschiedenis (onvoldragen mediahistoriek), rechten, bedrijfseconomie (de financiële implicaties van de mediabusiness zijn onderbelicht), fiscaliteit, politologie (de drijveren achter mediapolitieke beslissingen; het ontbreken van een "beleidsvisie"), sociologie (sociale draagvlakken waarop bepaalde media-uitingen drijven; de media als spiegel van de maatschappij; we hebben de media die we verdienen), ...
Daarmee is gezegd dat de kennis-basis waarop de huidige mediastudies gebaseerd zijn, te smal is.
Dit als introductie bij een discussie die ooit toch eens zou moeten gevoerd worden.

Een ander idee, dat hier niet totaal los van staat, betreft de digitalisering van het gehele NIR-BRT-BRTN-VRT-archief. In de huidige stand van de ICT-technologie behoort zulks tot de mogelijkheden. Bij de Belastingdienst voor Vlaanderen (Kijk- en Luistergeld & Onroerende Voorheffing) bijvoorbeeld wordt alle inkomende briefwisseling gecodeerd en ingescand en vervolgens verwerkt. Door digitalisering van de archieven van de omroep zouden de stukken voor meerdere gebruikers beschikbaar komen en zou het archief meteen beveiligd worden (brand, waterschade, verlies, diefstal, ...).


Met vriendelijke groeten,





Lucas Tessens
TESSENS Lucas
Afschaffing van Omroepbijdragen in Nederland. Een terugblik.
Edited: 200106221661
Deze nota vormt slechts een inleiding op een problematiek waarmee ook KLG-Aalst hoogstwaarschijnlijk geconfronteerd zal worden.

Beknopte historiek
De Dienst Omroepbijdragen bestond bijna 60 jaar.
• 1945: enkel luistergeld.
• 1956: kijkgeld wordt verplicht.
• 1969: geen luistergeld mee als men reeds kijkgeld betaalt, één keer betalen ongeacht aantal TV-toestellen.
• 1991-1992: mediacampagne "Kijk je zwart, dan zit je fout" doet registraties fors groeien (registraties +14%).
• September 1997: "zelfsturingstraject" opgestart (delegatie, meer verantwoordelijkheid op werkvloer).
• 1998: In september wordt de fiscalisering voor het eerst als mogelijkheid geopperd door de Min. van Financiën; de opvang van de inkomstenderving staat voorop, de personeelsproblematiek komt slechts zijdelings ter sprake.
• 1999: Op 29/3/1999 werd Ideeënmanagement opgestart (valorisatie van kennis bij DOB). In 1999 werd ook nog een project "Benadering zakelijke markt" in het leven geroepen. Ook de training van de buitendienst bleef doorgaan (weerbaarheid, anti-agressie en conflicthantering).
In maart 1999 geloofde Manager Peters nog in voortbestaan. In april 1999 roept Peters op tot goed blijven doorwerken en de moed erin te houden. In mei 1999 worden de jaarresultaten 1998 bekend gemaakt en die zijn uitstekend. In mei stellen de werknemers zich nog combatief en vastberaden op tegen het plan van de Staatssecretaris. Peters kiest de zijde van het personeel; het personeel schept daaruit moed en prijst de openheid in de communicatie. De samenhorigheid groeit.
In juni 2000 wordt aan het MERS opdracht gegeven om een argumentarium tegen de afschaffing te ontwikkelen.
Er werd een Task Force (6 mensen) opgericht die snel en uitgebreid met het personeel communiceerde.
Werkgroep "Phoenix" werd opgericht toen de fiscalisering onafwendbaar bleek.
Op 1 januari 2000 afgeschaft en Omroepbijdragen werden vervangen door fiscalisering.
Plan fiscalisering was opgenomen in voetnoot van regeerakkoord Paars II en goedgekeurd door Eerste Kamer op 21/12/99.
Het ging snel: op 4/1/99 voor de eerste keer aangekaart binnen DOB.


Restitutie
Na 1/1/2000 diende er restitutie (teruggave) te gebeuren: 300 miljoen gulden aan ca. 5 miljoen geregistreerden in 3 maand tijd.


Personeel
Gedurende 1999 waren er gemiddeld 245,3 werknemers in dienst bij DOB (1998: 258,6).
Alle personeel is overgegaan naar de Belastingdienst (wettelijk geregeld en na overleg vanaf eind 1999 in goede banen geleid).
Noteer dat DOB een Ondernemingsraad had.
Op 1 april 2000 zat bijna iedereen op zijn nieuwe werkplek.
Tot 1 juli 2000 zorgde kleine groep voor de afbouw. Daarvoor was een provisie aangelegd ten belope van 60,6 miljoen gulden.


Voorlopige conslusies:
- In Nederland is de afschaffing minder partijpolitiek geladen geweest.
Het lijkt erop dat één staatssecretaris op eigen houtje het dossier heeft afgehandeld. Dat gebeurde snel.
- In de periode vlak voor de afschaffing waren nog belangrijke investeringen gedaan en hervormingen doorgevoerd.
- De cohesie binnen DOB is steeds voorbeeldig geweest. De emotionele kant van de opheffing van een dienst mag niet onderschat worden.
- In Nederland was er voor al het personeel een uniform vangnet: de Belastingdienst.
- Bij DOB was er een ondernemingsraad die de oplaaiende emoties kon kanaliseren. Bovendien werd de Task Force een speerpunt in de strijd tegen de fiscalisering en - daarna - een gecontroleerde herplaatsing van het personeel.
- De afbouwoperatie werd zorgvuldig gebudgetteerd.
- De afbouw in Vlaanderen zal complexer zijn vanwege het bestaan van een outsourcingcontract en de minder grote traditie inzake gestructureerd overleg, openheid en interne/externe communicatie.

Lucas TESSENS/Consultant CIPAL/20010622
VLAAMS PARLEMENT
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Edited: 200101250908
Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening Vergadering van 25/01/2001
Interpellatie van de heer Johan Malcorps tot mevrouw Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid
De voorzitter : Aan de orde is de interpellatie van de heer Malcorps tot mevrouw Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, en tot mevrouw Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, over het beleid inzake asbest en volksgezondheid.
Minister Dua zal ook in naam van minister Vogels antwoorden.
De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, onlangs werd in ons land een vereniging voor asbestslachtoffers opgericht, in navolging van reeds bestaande verenigingen in onder meer Nederland en Frankrijk.
De vereniging vraagt dat er een volwaardig beleid inzake asbestvervuiling en volksgezondheid zou worden gevoerd. Gezien de bevoegdheidsverdelingen is dit zowel een federale opdracht als een taak voor gewesten en gemeenschappen. Zo moet op federaal vlak dringend werk worden gemaakt van het recht op schadevergoeding voor asbestslachtoffers via het Fonds voor Beroepsziekten. Ook niet-werknemers moeten een beroep kunnen doen op de regeling. Het verbod op elke vorm van asbestproductie, -handel of verwerking is een federale aangelegenheid. De uitzonderingen op het koninklijk besluit van 3 februari 1998 kunnen worden opgeheven, omdat er inmiddels voor alle toepassingen vervangproducten bestaan.
Het behoort ook tot de taak van de gemeenschappen om een sluitende inventaris op te maken van alle asbestgerelateerde aandoeningen, zoals de verschillende vormen van asbestose, mesothelioom of buikvlieskanker, asbestgerelateerde longkankers en andere kankers. Het Fonds voor Beroepsziekten levert de cijfers voor werknemers. Er is sprake van een duidelijke toename van het aantal gevallen van asbestose en de voorbije vijftien jaar meer dan een verdubbeling van het aantal gevallen van mesothelioom. Deze informatie komt uit het antwoord dat federaal minister Aelvoet vorig jaar gaf op mijn vraag terzake in de Senaat. De grootste groep van getroffen werknemers komt uit de bouw. Over het aantal asbestgerelateerde kankers bij de rest van de bevolking is geen cijfermateriaal beschikbaar. Het aantal asbestdoden ligt volgens minister Aelvoet tussen de 90 en 110 per jaar. Wellicht is dit een grove onderschatting.
Het probleem van het toenemend aantal asbest-kankerdoden verdient alle aandacht. De internationaal vermaarde specialist Julian Peto voorspelt in The British Journal of Cancer dat in West-Europa de komende 35 jaar maar liefst een kwart miljoen asbestgerelateerde kankerdoden zullen vallen. In een officiële studie in opdracht van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorspelt men 40.000 asbestgerelateerde ziekten onder Nederlandse mannen tegen het jaar 2030.
Uit de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 1998 blijkt dat er een verhoogde sterftekans is in onder meer Sint-Niklaas en Dendermonde. Minister Vogels legde de band met de vroegere asbestverwerkende industrie in de streek : de vroegere Eternit-fabriek in Schoonaarde bij Dendermonde, Eternit in Kapelle op-den-Bos en de fabriek Scheerders-Van Kerckhoven - SVK - in Sint-Niklaas. Het is mogelijk dat het niet enkel om werknemers gaat, maar ook om familieleden van werknemers en om omwonenden.
Als deze band tussen asbest en kanker er echt is, en zelfs in die mate dat hij een merkbare piek veroorzaakt in de algemene gezondheidsstatistieken, dan is dit hoegenaamd geen vrijblijvende zaak. De slachtoffers stellen met reden vragen over de verantwoordelijkheid van de betrokken bedrijven in het verleden. Ze waren al decennialang op de hoogte van het gevaar van asbest voor de gezondheid van werknemers en omwonenden. Toch namen ze te weinig voorzorgsmaatregelen. Ook de overheid zelf wordt aansprakelijk gesteld, want ze kende al jaar en dag de risico´s die verbonden zijn aan de asbestproductie, maar trad al die tijd veel te laks op.
Sinds de Tweede Wereldoorlog staat het verband tussen asbest en kanker wetenschappelijk vast. Toch duurde het tot einde van de jaren negentig vooraleer men echt optrad. Die nalatigheid heeft veel mensenlevens gekost, en zal nog veel mensenlevens kosten. In Frankrijk en Nederland wonnen de vertegenwoordigers van asbestslachtoffers in die zin al verschillende schadeprocessen. Er is een wettelijke regeling ingevoerd om tot billijke schadeloosstellingen te komen. Ook in eigen land moet er een dergelijke regeling te komen. Eens het zo ver is, zullen ook de gewestelijke overheden voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst.
In 1998 stelden de heer Stassen en mevrouw Verwimp vragen aan toenmalig milieuminister Kelchtermans over de gezondheidseffecten voor de omwonenden van de asbestbedrijven in Kapelle-op-den-Bos, Tisselt, Sint-Niklaas, Gent en Mol. Ze werden toen met een kluitje in het riet gestuurd met als argumenten : 'Het gaat om een te kleine groep mensen rond die bedrijven om daarover statistisch zinvolle uitspraken te doen ; het is praktisch onmogelijk om productspecifieke gezondheidsgegevens van burgers te verzamelen rond elke site waar met toxische of kankerverwekkende stoffen wordt gewerkt ; de gezondheidsmonitoring van potentiële asbestpuntbronnen zou slechts een 'end-of-the-pipe-benadering' zijn, die in het beste geval iets zegt over de blootstelling decennia geleden.'
Uit het grootschalig Milieu- en Gezondheidsonderzoek dat eind vorig jaar werd afgerond blijkt dat gebiedsgerichte monitoring wel degelijk relevante beleidsgegevens kan opleveren. In elk geval moet het mogelijk zijn om meer accurate gegevens te verzamelen dan mogelijk is op basis van een globaal onderzoek van gezondheidsindicatoren over heel Vlaanderen. Zo zou men alle sites in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven kunnen screenen en vergelijken met sites waar waarschijnlijk minder risico bestonden en nog bestaan op asbestbesmetting. Ook een nauwkeurig opgezet epidemiologisch onderzoek biedt uitzicht op succes, wegens de onbetwistbare band tussen mesothelioom en asbestose enerzijds en asbestvervuiling anderzijds.
Het feit dat de asbestproductie nu bijna geheel is afgebouwd, betekent niet dat er geen belangrijke opdracht meer is voor de Vlaamse milieudiensten, en meer bepaald de OVAM. Zo blijft de titanenopdracht overeind om op basis van de verplichte asbestinventarissen voor bedrijven en openbare gebouwen alle nog aanwezige asbest te verwijderen en op de meest veilige wijze te verwerken. De federale wetgeving ter bescherming van werknemers is daarbij van toepassing. Een algemene bescherming voor de burger is er dus niet, tenzij indirect. Bewoners en bezoekers van gebouwen zijn maar indirect beschermd, omdat ze ook profiteren van de bescherming van eventuele werknemers in dat gebouw. Dat is uitvoerig aangetoond door mevrouw Lieve Ponnet. Ze schreef daarover het dossier 'Asbest : stof tot nadenken', dat in 1996 werd gepubliceerd in het Arbeidsblad van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De gewesten en gemeenschappen, bevoegd voor de bescherming van privé-personen in een niet-werksituatie hebben nog geen aanvullende reglementering voor asbest in gebouwen zoals privé-woningen opgezet. In de particuliere woningbouw is weliswaar veel minder gespoten asbest gebruikt dan in openbare of industriële gebouwen. De kans op blootstelling is er veel beperkter. Toch werd heel wat spuitasbest verwerkt in grote appartementsgebouwen die zijn gebouwd tussen halfweg de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig. In België zijn hierover geen gegevens beschikbaar. Hier rijst dus een probleem voor onderhouds- of herstellingswerken die door derden of door doe-het-zelvers worden uitgevoerd. Er is te weinig bewustmaking over mogelijke gevaren en risico's.
Ten slotte is er het probleem dat bij doorverkoop of verhuur mensen zich wellicht niet bewust zijn van de aanwezigheid van asbest in een woning. In Nederland is een asbestvrij-verklaring nodig alvorens men tot de sloop van een woning kan overgaan. De invoering van een asbestvrij-attest, samen met het bodemattest, kan worden overwogen.
Verder is het nog maar de vraag of alle asbestafval - bijvoorbeeld van de sloop van gebouwen - op de juiste bestemming terecht komt. In welke mate wordt asbest van afbraakwerken van privé-personen aanvaard op containerparken, en onder welke omstandigheden? Een ander element van de problematiek is de sanering van asbeststorten. Berucht was het Broek in Willebroek, dat nu eindelijk gesaneerd is, maar dit is nog maar het begin. Denk onder meer aan de asbeststorten in de Gentse Kanaalzone, in Hofstade te Aalst en de asbestberg in Kapelle-op-den-Bos.
De eerste opdracht is de sanering van de omgeving van de vroegere bedrijfssites waar met asbest is gewerkt. In de omgeving van asbestbedrijven als Eternit in Kapelle-op-den-Bos werd immers in het verleden zeer achteloos omgesprongen met het levensgevaarlijke asbeststof.
Vrachtwagens met opwaaiend asbeststof reden door de dorpskern. Het asbeststort diende jaren als speelterrein voor jeugdbewegingen. Pas enkele jaren geleden werd het afgesloten en afgedekt. Asbestafdraaisel was gedurende vele jaren een gegeerde grondstof voor de aanleg van wegen, tuinpaden en opritten van garages.
Er moet dringend een grondige inventaris worden opgemaakt van alle grotere en kleinere black points in gemeenten als Kapelle-op-den-Bos en Tisselt, maar ook van andere sites van nog bestaande of inmiddels gesloten bedrijven die asbest verwerken of verwerkten. In Nederland werd door de VROM een subsidieregeling uitgewerkt waarbij eigenaars van asbestwegen subsidies krijgen voor werken waarbij het asbestbevattend materiaal wordt verwijderd door erkende bedrijven of waarbij het risicomateriaal wordt afgedekt met asfalt, beton of klinkers.
Op welke wijze zal Vlaanderen bijdragen aan een afdoende centrale registratie van asbestgerelateerde ziektes zoals asbestose, mesothelioom of longkanker? Op welke termijn kan een sluitende registratie worden opgezet en welke samenwerkingsverbanden met de federale overheid zijn daarvoor nodig?
Wordt er in opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen? Welke informatie is er beschikbaar? Wat is het standpunt van de Vlaamse regering in verband met de vraag naar schadeloosstelling? Zal men met het oog op de schadeloosstelling van asbestslachtoffers ook initiatieven nemen in overleg met de federale overheid?
Welke initiatieven zijn er om de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid verder in kaart te brengen voor heel Vlaanderen en specifiek voor de omgeving van bestaande of gesloten bedrijven waar asbest wordt of werd verwerkt? Is het niet wenselijk hiervan een van de speerpunten te maken van verder milieu- en gezondheidsonderzoek?
Hoe ver staat het met de studie 'Risico-evaluatie en saneringsprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' en met de beleidsnota over asbestbeheersing? Wat was het resultaat van de asbest-meetcampagne? Wanneer start de geplande sensibiliseringscampagne?
Is er een inventaris van asbeststorten in Vlaanderen? Welke prioriteit krijgt de sanering van deze storten, of kiest men eerder voor een degelijke afbakening en afdekking ervan? Wat is de stand van zaken van de asbestsanering in bedrijven en openbare gebouwen en hoe wordt dit opgevolgd? Is er voldoende verwerkingscapaciteit voor het asbest- en asbestcementafval?
Wordt werk gemaakt van een betere regeling voor de bescherming van particulieren tegen asbest in gebouwen en privé-woningen? Wordt gedacht aan de invoering van een attest 'asbestvrije woning'?
In welke mate wordt asbestafval aanvaard in containerparken? Klopt het dat we asbestcementproducten beschouwen als bouw- en sloopafval zonder vrijzittende asbestvezels, waardoor men ze in containerparken moet aanvaarden? Klopt het dat asbestplaten en isolatie van leidingen daarentegen niet aanvaard mogen worden? Zijn de werknemers in containerparken zich voldoende bewust van het gevaar van asbesthoudend sloopafval bij verbrijzeling ervan waardoor vezels kunnen vrijkomen? Is er toezicht op de naleving van de ARAB-reglementering inzake asbestblootstelling in containerparken?
Heeft men bij de OVAM zicht op de hoeveelheid asbesthoudend afval dat in het gewone huishoudelijk afval terechtkomt, zoals asbestkoord uit kachels, versleten remblokjes, asbesthoudende strijkplankjes, vlamverdelers en ovenwanten. Kunnen deze asbesthoudende afvalstoffen worden ingeleverd als KGA?
Wordt werk gemaakt van de inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere black points in de omgeving van vroegere asbestverwerkende bedrijven? Acht de minister een subsidieregeling wenselijk voor de sanering of afdekking van asbestwegen, naar het model van Twente?
De voorzitter : De heer Van Looy heeft het woord.
De heer Jef Van Looy : In Nederland is de verwijdering van golfplaten waarin asbest zit aan zeer strenge reglementering onderworpen. Arbeiders die bijvoorbeeld dergelijke platen van een dak halen, zijn gehuld in beschermende kledij. Is het product werkelijk zo gevaarlijk? Hetzelfde materiaal wordt in Nederland blijkbaar totaal anders benaderd dan in Vlaanderen.
De voorzitter : Minister Dua heeft het woord.
Minister Vera Dua : Mijnheer de voorzitter, mijnheer Malcorps, op uw eerste vier vragen geef ik het antwoord van minister Vogels.
Door de centrale registratie op federaal niveau van de minimale klinische gegevens van gehospitaliseerde patiënten en dus ook van asbestgerelateerde ziektes als asbestose en mesothelioom, zijn er gegevens over het aantal asbestslachtoffers beschikbaar. De Vlaamse regering heeft toegang tot deze gegevens. Ook via de door Vlaanderen gesteunde kankerregistratie is er zicht op de incidentie van kankers die mede veroorzaakt worden door asbest. Momenteel worden trouwens initiatieven genomen om deze registratie nog te verbeteren. Via de mortaliteitsstatistieken die door de Vlaamse administratie worden opgemaakt, zijn ten slotte ook de gegevens inzake asbestgerelateerde overlijdens bekend. Cijfers die een idee geven over asbestgebonden beroepsziekten zijn ook bekend bij het Fonds voor Beroepsziekten.
Er is momenteel niet in specifieke financiële opvang voorzien voor asbestslachtoffers in Vlaanderen. Voor patiënten met een asbestgerelateerde aandoening is er, net zoals voor andere zieken, financiële steun via de sociale zekerheid. Enkel de werknemers-asbestslachtoffers van bedrijven die een bijdrage storten bij het Fonds voor Beroepsziekten kunnen aanspraak maken op specifieke steun.
De vraag is of de Vlaamse regering of de federale overheid het initiatief moet nemen om naast de algemene steun via de sociale zekerheid ook nog in een specifieke schadevergoeding te voorzien. We doen dit voor het ogenblik ook niet voor andere ziektes. Minister Aelvoet zal de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een en ander onderzoeken. Als de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, zullen de nodige conclusies worden getrokken. Het zou ook goed zijn om eens na te gaan hoe de buurlanden deze problematiek aanpakken.
In verband met de wenselijkheid om van asbest een van de speerpunten te maken van het verder milieu- en gezondheidsonderzoek, moet worden opgemerkt dat het gevoerde onderzoek en de beleidsconclusies die daaraan gekoppeld zijn, zich toespitsen op biomonitoring van bepaalde polluenten.
Het milieu- en gezondheidsonderzoek spitst zich toe op polluenten die nog steeds in min of meer belangrijke mate in het milieu gebracht worden. Het gebruik van asbest is verboden. Asbest komt dus enkel nog vrij via bestaande asbesthoudende producten. Het beleid moet zich nu dus concentreren op een maximale inperking van de resterende vrijzetting, zolang alle asbesthoudende producten niet definitief en veilig zijn geborgen.
Voor asbest lijkt een biomonitoring medisch gezien een onuitvoerbare opdracht. Het zou neerkomen op het meten van de concentratie van asbestvezels in de longen, de zogenaamde broncho-alveolaire lavage. Die gebeurt door een bronchoscopie, waarbij men met een bronchoscoop in de longen kijkt en waarbij een kleine hoeveelheid vocht in de luchtwegen wordt gebracht en er vervolgens wordt uitgezogen voor verder labo-onderzoek.
Aan de hand van de beschikbare gegevens, bekomen via de centrale registraties, is het ook mogelijk om de asbestslachtoffers in kaart te brengen voor heel Vlaanderen. Op deze manier kunnen de effecten van asbestvervuiling op de gezondheid in principe worden nagegaan.
De studie 'Risico-evaluatie en saneringprogramma voor asbestblootstelling in Vlaanderen' werd afgewerkt in 2000. De studie wordt gebruikt als basis voor de beleidsnota over asbestbeheersing. Deze beleidsnota bevindt zich momenteel in een ontwerpfase. In de beleidsnota zullen concrete bijkomende Vlaamse maatregelen worden voorgesteld. De planning is om in de loop van 2001 van de ontwerpbeleidsnota het onderwerp te maken van een doelgroepenoverleg en van overleg met de federale overheid, die reeds betrokken was bij de studie.
Dan kom ik nu bij de kwestie van de asbest-meetcampagne. In het kader van het actief overheidsbeleid rond preventie en verwijdering van asbest en asbesthoudende stoffen was het aangewezen om kwantitatieve gegevens te verzamelen over de huidige concentratieniveaus en het vóórkomen van inadembare minerale vezels in de omgevingslucht in Vlaanderen. Op dit ogenblik bestaan er in België voor asbest in buitenmilieu geen kwaliteitseisen. Om dit beleid op een efficiënte en doelgerichte manier te kunnen voeren dient een kwantitatief referentiekader inzake risico's gedefinieerd te worden. Daarmee is men dus nu bezig.
Gedurende de periode van december 1998 tot december 1999 zijn in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek de concentratieniveaus van asbest en minerale vezels opgevolgd op een aantal typische locaties in Vlaanderen. Een totaal van 319 filters en 43 blanco filters, afkomstig van in totaal 10 meetlocaties, werden geanalyseerd tijdens deze meetcampagne. Hierbij werden 50 monsters genomen in een gebied nabij een verkeersrijke locatie, 52 monsters in een residentiële omgeving, 54 in een stedelijke achtergrond, 48 bemonsteringen in een industriële omgeving en 50 stalen in een gebied nabij een mogelijke asbestbron. Bijkomend werden 65 stalen geanalyseerd afkomstig van het meetnet 'Zware metalen' van de VMM. Vermits het gezondheidsrisico gerelateerd is aan de lengte van de asbestvezels, werd een onderscheid gemaakt tussen korte en lange vezels. De korte vezels worden als onschadelijk beschouwd, de lange vezels worden verantwoordelijk gesteld voor een nefast gezondheidseffect. Op basis van de te verwachten asbestconcentraties en de gerelateerde lokale activiteiten kunnen een aantal typen gebieden onderscheiden worden. Ik heb hier een tabel bij, die ik aan u zal laten bezorgen.
Uit de tabel blijkt duidelijk dat men nabij historische bronnen uiteraard een veel hogere concentratie krijgt. In alle gebieden - stedelijk en landelijk - zijn de verwachtingswaarden van de jaargemiddelde concentratieniveaus lager dan 350 vezels per kubieke meter. In de omgeving van een historische bron, zoals een vroegere asbestverwerkende industrie, werden lange - dus schadelijke - vezels aangetroffen. Nabij een druk verkeerskruispunt wordt eerder de korte - dus onschadelijke - fractie waargenomen. De concentraties asbestvezels liggen echter bij het merendeel van de stalen dicht in de buurt van de detectiegrens.
Wanneer we deze waarden vergelijken met metingen die werden uitgevoerd in 1983, dan is er een globale verbetering merkbaar. Voor het doorvoeren van deze vergelijking moet echter een zekere reserve in acht worden genomen aangezien de aard van de metingen verschillend is. In 1983 betrof het immers geen jaargemiddelde concentraties. Meestal ging het om steekproeven met korte monsternemingsperiodes. Ook deze gegevens staan in een tabel. Een eindrapport met al de meetresultaten zal in februari gepubliceerd en publiek bekendgemaakt worden.
Ik zeg heel kort ook iets over de sensibiliseringscampagne. Dit is inderdaad nodig, maar ik acht het opportuun om dit pas te doen na het doelgroepenoverleg en de politieke beslissing over de in voorbereiding zijnde beleidsnota.
Dan is er nog de kwestie van het afvalprobleem. De vergunde asbeststorten zijn opgenomen in een lijst bij de vergunningverlenende overheid en zijn ook beschikbaar bij de OVAM via de lijsten van erkende verwervers en verwerkers. Er is geen aparte inventaris van asbest-blackpoints in Vlaanderen. In de OVAM-databanken zitten wel een aantal dossiers waarbij asbestproductie of asbeststortactiviteiten plaatsvinden of plaatsvonden. Medio jaren negentig zijn de grotere asbestproblemen aangepakt. Meestal werd als saneringsoptie voor een isolatie gekozen. Inzake prioriteit wordt geopteerd voor een snelle aanpak indien er verspreidingsrisico aan de orde is. Door de actie van een vijftal jaar geleden zijn de bekende gevallen ofwel gesaneerd ofwel via een voorzorgsmaatregel aangepakt.
Met betrekking tot de verwerking van asbestafval dient krachtens de huidige Vlarem-regelgeving een onderscheid te worden gemaakt tussen afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten en asbesthoudend afval dat geen vrije vezels bevat, voornamelijk verharde asbestcement. Verharde asbestcement, meer bepaald golfplaten, dakleien en asbestcementen buizen, kunnen worden afgevoerd naar een categorie 3-stortplaats. Gelet op het verbod om nog asbesthoudende materialen op de markt te brengen, is ook het tweedehandsgebruik van asbestcementen materialen niet langer toegestaan, en wordt er geopteerd voor definitieve verwijdering. Er zijn in Vlaanderen een twintigtal categorie 3-stortplaatsen, zodat er voldoende capaciteit is.
Voor afvalstoffen die vrije vezels bevatten, geldt krachtens Vlarem dat ze eerst gecementeerd moeten worden vooraleer ze gestort kunnen worden op een categorie 1-stortplaats. Slechts in het geval van verpakkingsafval en plastiekafval enerzijds en niet-vershredderbaar materiaal dat met asbesthoudend materiaal bekleed of bedekt is anderzijds, kan het dubbelwandig verpakt afval rechtstreeks worden afgevoerd naar een stortplaats. Er is in het Vlaams Gewest één installatie voor de cementering van asbesthoudend afval, meer bepaald van de firma Rematt in Mol. Het gecementeerde afval gaat daarna naar de stortplaats van Indaver in Antwerpen. In de praktijk blijkt de verwerkingscapaciteit voldoende om alle asbesthoudend afval op te vangen.
Hierbij kan wel melding worden gemaakt van een alternatieve verwerkingsmethode in Frankrijk - van een firma nabij Bordeaux - waar het asbestafval wordt verglaasd. Momenteel is het evenwel afval dat vooral vanuit het Brussels Gewest via Mol naar Frankrijk gaat, dat op die manier behandeld wordt. De hoge energiekosten van het verwerkingsproces en de grote transportafstand maken deze alternatieve verwerking immers dubbel zo duur als cementering en storten, wat op zichzelf ook al een dure verwerkingsmethode is. Hoe dan ook, het is een alternatieve methode, die we zeker niet uit het oog mogen verliezen.
Ten slotte kan nog worden vermeld dat momenteel door de VITO in opdracht van de OVAM een studie wordt uitgevoerd waarbij de criteria zijn onderzocht om asbesthoudend afval verder te kwalificeren, meer bepaald met betrekking tot de kwalificatie 'vrije vezels'. Of particulieren al dan niet afdoende beschermd worden tegen asbest in openbare gebouwen waarin werknemers tewerkgesteld zijn, hangt af van de aanwezigheid van de verplichte asbestinventaris en de kwaliteit van het beheersplan en de uitvoering ervan. Dit is echter een federale materie. Ter bescherming van particulieren in privé-woningen wordt in het kader van de beleidsnota een sensibiliseringscampagne overwogen. Daarin kunnen worden opgenomen : illustraties van asbesttoepassingen die kunnen voorkomen in en rondom een woning, een beschrijving van het onderscheid tussen gevaarlijke en minder gevaarlijke toepassingen, een beschrijving van veilige verwijderingsmethoden en de plaatsen waar het afval gedeponeerd kan worden, en het aangeven dat men voor gevaarlijke toepassingen best een gespecialiseerde firma contacteert.
Een attestering 'asbestvrije woning' zoals in Nederland vereist is, alvorens tot de sloop van een woning kan worden overgegaan, zou een vergaande maatregel zijn. Dit komt immers neer op een asbestinventaris voor alle te slopen woningen, die moet worden opgesteld door een gespecialiseerd bedrijf. In Nederland blijkt dit systeem niet zo vlot te lopen : ten eerste omdat er een enorme hoeveelheid aan mensen en middelen ingezet dient te worden en ten tweede omdat de handhaving niet sluitend is. Vooraleer een dergelijk systeem in Vlaanderen ingevoerd wordt, dienen we de haalbaarheid na te gaan. Misschien moeten we inderdaad ook een differentiatie inbouwen. Hoe dan ook, deze suggestie zal meegenomen worden in het doelgroepenoverleg en in de komende beslissing over de beleidsnota Asbest.
Binnenkort start de evaluatie van het sectoraal uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. Ook binnen die procedure zullen we overwegen of de invoering van een voorafgaande inventarisatie van te slopen gebouwen op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen zoals asbest aangewezen is. Dit kan zeer nuttig zijn, want hierdoor kunnen immers ook de kwaliteit en de afzetmogelijkheden van sloopafval verbeteren.
Enkel cementgebonden asbestplaten mogen aanvaard worden op het containerpark. Die platen worden namelijk beschouwd als bouw- en sloopafval. Ze mogen evenwel niet bij het recupereerbare bouw- en sloopafval gevoegd worden. Deze platen moeten te allen tijde apart gehouden worden omdat ze niet mee gerecupereerd mogen worden. De cementgebonden asbestplaten moeten afgevoerd worden naar een klasse 3-stortplaats.
Niet-cementgebonden asbestvezels of producten die asbestvezels bevatten, mogen in geen geval aanvaard worden op een containerpark, maar dienen steeds door een erkende verwijderaar ter plaatse opgehaald en verwerkt te worden. In Vlaanderen zijn er momenteel twee bedrijven die over een milieuvergunning beschikken voor het behandelen van asbestafval. Na behandeling van het asbestafval bij deze bedrijven wordt het afgevoerd naar een klasse 1-stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen. Zoals hoger vermeld, is er ook nog het systeem van verglazing, maar dat is misschien iets wat we op langere termijn moeten bekijken. Op het cementgebonden asbest mag in geen enkel geval ter plaatse een bewerking worden uitgevoerd. Dat staat zo in de Vlarem-reglementering.
Inzake de bescherming van de werknemers op containerparken kunnen we er van uitgaan dat zij normaal gezien een opleiding hebben gekregen waardoor ze zich voldoende bewust moeten zijn van alle gevaarlijke producten waarmee zij in contact komen. Bovendien dient er, zoals bij alle professionele bedrijvigheden, een bedrijfsgezondheidskundig- en veiligheidstoezicht te zijn. Ik wil daarover bij OVAM nog eens navraag doen.
Meer informatie over asbest en asbestafval is te vinden op de website van OVAM, waar zich een document van 28 april 2000 bevindt dat de hele problematiek van verwijdering en verwerking, evenals de mogelijke voorzorgen bij de behandeling ervan, beschrijft. In het overleg tussen gewesten en gemeenten zal worden bekeken hoe gemeenten het best kunnen worden geïnformeerd over hoe om te gaan met asbestafval.
De hoeveelheid asbestkoord, remblokjes, strijkplankjes, vlamverdelers, ovenwanten, enzovoort, die als afvalstoffen ontstaan bij particulieren, is zeer klein in Vlaanderen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat particulieren deze producten niet herkennen. Wanneer ze zich van deze voorwerpen ontdoen, zullen zij ze hoogstwaarschijnlijk meegeven met het huisvuil. Indien ze niet werden verwijderd uit de toestellen waarin ze zijn verwerkt, bijvoorbeeld kachels en dergelijke, dan zullen ze ook in andere huishoudelijke afvalstromen terug te vinden zijn. Dit is een gevolg van het feit dat er geen apart inzamelkanaal voor dit soort afvalstof bestaat ten behoeve van de privé-huishoudens.
Deze afvalstoffen worden hoogstwaarschijnlijk ook niet aangeboden als Klein Gevaarlijk Afval. De mensen leggen die link niet. Trouwens, in de lijst van de KGA-afvalstoffen van het VLAREA worden ze niet expliciet vermeld. Wanneer ze toch als KGA worden aangeboden, zullen ze worden verzameld onder de noemer "KGA van gemengde samenstelling" samen met nog andere niet-identificeerbare en potentieel gevaarlijke afvalstoffen. Momenteel beschikt OVAM niet over concrete informatie met betrekking tot de aanwezigheid van asbesthoudende afvalstoffen in het KGA.
Ook over de aanwezigheid van deze afvalstoffen in het huisvuil of andere huishoudelijke afvalstromen is er momenteel geen concrete informatie beschikbaar. De beleidsnota Asbest zal aangeven hoe deze afvalstromen beter kunnen worden beheerst.
Voor de beleidsnota Asbestbeheersing worden maatregelen overwogen in verband met asbest op wegen. Mogelijkheden zijn voorlichting en sensibilisering van de bevolking. Er komt bijvoorbeeld een brochure die de gevaren en mogelijke saneringswijzen verduidelijkt en een verhoogde responsabilisering van de wegbeheerder - vaak gemeentelijke instanties - onder andere bij asbesthoudend materiaal op openbare wegen.
Bij de subsidieregeling naar het Nederlands model van Twente worden particulieren, bedrijven en instellingen een maatregel toegewezen ter sanering die dan wordt uitgevoerd door de provincie. Daaraan is subsidiëring gekoppeld. Voor een dergelijke subsidieregeling zijn momenteel nog geen budgetten ingeschreven. In het geval de veroorzaker van de verontreiniging bekend is, geldt in elk geval het principe dat de vervuiler betaalt.
Er is momenteel geen initiatief tot inventarisatie van asbestwegen en andere kleinere blackpoints. De gevallen die gemeld worden, zijn schaars. Hierbij is er niet zozeer sprake van een bodemsaneringsprobleem, maar eerder van een probleem inzake het onoordeelkundig gebruik van afvalstoffen die via opwaaiing een mogelijk gezondheidsrisico kunnen inhouden.
De voorzitter : De heer Malcorps heeft het woord.
De heer Johan Malcorps : Ik ben blij verrast dat er toch cijfers zijn over asbestgerelateerde aandoeningen. Ik had de vraag ook aan minister Aelvoet gesteld. Buiten het Fonds voor Beroepsziekten kon ze geen cijfers geven. Het is goed nieuws dat er wel zijn op Vlaamse niveau.
Wat betreft biomonitoring in bepaalde risicogebieden rond vroegere asbestbedrijven : het is uiteraard niet de bedoeling om asbestvezels in de longen te meten. Professor Pluyvers wijst er wel op dat via biomonitoring biologische effecten kunnen worden gemeten. Zo kan men preventief optreden. Dat is in gebieden waar men quasi zeker is dat bepaalde personen zware gezondheidsproblemen hebben door de blootstelling aan asbest, uitermate belangrijk.
Nog een derde opmerking in verband met concentraties van asbest in de lucht die in het verleden werden gemeten. Ik stel een verbetering vast en dat is goed nieuws. De concentratie die de WHO als gevaarlijk voor de volksgezondheid heeft vastgelegd, bedraagt 1000 vezels per kubieke meter. De metingen die aan het begin van de jaren tachtig zijn gebeurd in de omgeving van een asbestbedrijf bedroegen concentraties van 20.000 tot 640.000 vezels per kubieke meter. De latentieperiode is dertig tot veertig jaar. Dat illustreert dat we nog een en ander aan problemen kunnen verwachten. Het probleem mag dan ook niet worden onderschat, ook al is de asbestproductie nu stilgelegd.
Tot slot wil ik het nog even hebben over de asbestwegen. Ik weet niet of het probleem schaars is. In Kapelle-op-den-Bos en Tisselt is asbest op grote schaal gebruikt. Natuurlijk moet de vervuiler betalen. Ik daag OVAM echter uit om Eternit daarvoor te laten opdraaien. In elk geval moet het probleem worden opgelost. Zo niet, blijft dit aanslepen voor de volksgezondheid.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
ONDERZOEKSTER VAN VERWILGHEN ERVAART TEGENKANTING BIJ MIGRANTENSTUDIE INTERVIEW. Marion Van San weigert verband te leggen tussen allochtonen en criminaliteit
Edited: 200004070854
07 APRIL 2000 | Nadia Dala
ANTWERPEN/AMSTERDAM -- ,,In België kan ik dit onderzoek niet afwerken. Er zijn te veel tegenkantingen.'' Dat zegt onderzoekster Marion Van San. Ze werkt vanuit Nederland aan de studie over allochtone jeugdcriminaliteit, op vraag van minister van Justitie Marc Verwilghen (VLD). ,,De relatie tussen etniciteit en criminaliteit heeft nooit in mijn onderzoeksvoorstel gestaan'', zegt ze. ,,Sommige lui willen die mythe per se in stand houden.''
Het plan van minister Verwilghen om de relatie tussen allochtone jongeren en jeugdcriminaliteit te laten onderzoeken, werd van bij het begin op veel scepsis onthaald. Behalve academici, sabelden ook de groenen en de Franstalige en Vlaamse socialisten de onderzoeksopdracht neer.

Vooral de premisse ,,allochtonen en criminaliteit'' wekte aanstoot. Verwilghen zette door.

De door hem aangezochte onderzoekster Marion Van San is doctor in de Sociaal-Culturele Wetenschappen aan de universiteit van Amsterdam. Ze wil nu pas openlijk praten over haar opdracht en over de ,,misverstanden''.

Eerder deze week verklaarde een medewerkster van het kabinet van Mieke Vogels (Agalev) dat het onderzoek van Van San niet wil vlotten. ,,Marion Van San wordt overal geweerd'', verkondigde de medewerkster openlijk op een congres over allochtonen in Antwerpen. ,,Zowel universiteiten als onderzoekers weigeren haar te woord te staan.'' Van San reageert.

-- Weigeren mensen op het terrein u te helpen met uw onderzoek?

Van San: ,,Aanvankelijk wel. Ze dachten dat ik de link tussen criminaliteit en allochtonen onderzocht. Ik heb hen uitgelegd dat ze fout geïnformeerd waren. Ik onderzoek allochtone jeugdcriminaliteit, in al zijn aspecten. Nu krijg ik wel medewerking.''

-- U bestudeert allochtone jeugdcriminaliteit, zonder het verband tussen criminaliteit en allochtonen te onderzoeken?

Ik weiger die link te leggen. Toen minister van Justitie Verwilghen me vroeg de allochtone jeugdcriminaliteit te onderzoeken, antwoordde ik dat ik het ruimer wilde aanpakken.

Ik wil de context bestuderen: het onderwijs, de tewerkstelling, de misverstanden tussen buurtbewoners en de houding van de politie. Ik wil het hele plaatje bestuderen. Ik concentreer me vooral op Antwerpen en Brussel. Verwilghen ging akkoord.

-- Begrijpt u waarom uw onderzoek gecontesteerd wordt?

Neen. Sommige lui willen de mythe in stand houden dat het verband tussen criminaliteit en allochtonen wordt onderzocht. Waarom ze dat doen, weet ik niet. Al wat ik u kan zeggen, is: het is fout.

-- Werkt u daarom vanuit Nederland?

Ik woon in Nederland. Indien ik naar België zou verhuizen en in België aan dit onderzoek zou werken, kwam ik nooit tot resultaten. Ik word er te veel gehinderd door al die verdachtmakingen. In België zijn er veel taboes met betrekking tot allochtonen. In Nederland is dat anders.

Nederlanders praten openlijk over maatschappelijke problemen met allochtonen. In de Tweede Kamer loopt momenteel een debat over het multiculturele drama. Daarmee verwijst men, onder meer, naar de schoolachterstand van allochtone kinderen.

Nederlanders willen dat begrijpen en er iets aan doen.

-- Zijn er nog andere zaken die u boos maken?

In Nederland heb ik ooit een studie gemaakt over delinquent gedrag bij jongeren uit Curaçao. In België wordt gezegd dat ik in die studie sommige criminele gedragingen aan de Curaçaose cultuur toeschreef.

Dat is onjuist. Ik word er ook van beschuldigd voor de VLD te werken. In België kan men zich blijkbaar niet voorstellen dat een onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek mogelijk is, los van de politieke partijen.

-- Wanneer verschijnen de resultaten van uw onderzoek?

Ten vroegste in januari 2001.
bibliografie van Belgische schandalen en affaires
Edited: 199812314545
ALGEMENE INLEIDINGEN

Het land van de 1000 schandalen : encyclopedie van een kwarteeuw Belgische affaires / door Dirk Barrez. - Groot-Bijgaarden : Globe, 1997. 332/BARR

Het riool van België : de waarheid achter de affaires / door André Rogge ; vert. door Marijke Arijs en Karin Kustermans. - Antwerpen : Kritak, 1996. 395.66/ROGG

De walm van de Wetstraat : 20 jaar onfrisse politieke praktijken / door Eva Coeck en Jan Willems. - Antwerpen : Coda, 1994. 332/COEC

HET AGUSTA-SCHANDAAL

Agusta : overleven met een affaire / door Fons van Dyck. - Leuven : Van Halewyck, 1995. 330.91/DYCK

De Agusta-affaire : kroniek van een omstreden helikopteraankoop / door Johny Vansevenant. - Antwerpen : De Standaard, 1994. 330.91/VANS

De Agusta-crash : het jaar nul in de Wetstraat / door Rik van Cauwelaert. - Groot-Bijgaarden : Globe, 1995. 330.91/CAUW

Willy-Gate / door Ann Bats. - Antwerpen : Dedalus, 1995. 330.91/BATS

POLITIEK EN CORRUPTIE

Een Belgisch politicus / door Raf Sauviller en Danny Ilegems. - Amsterdam : Atlas, 1997. 333.2/SAUV

De doofpotten : de sabotage van het Hoog Comité van Toezicht / door Georges Timmerman. - Antwerpen : Hadewijch, 1997. 393.39/TIMM

Het leugenpaleis van VdB / door Hugo Gijsels. - Leuven : Kritak, 1990. 333.2/GIJS

Over de 'drie Guy's' en andere voornamen van de Parti Socialiste / door Guido Fonteyn. - Groot-Bijgaarden : Scoop, 1994.

Witte olifanten : de miljardenschandalen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking / door Douglas de Coninck. - Leuven : Van Halewyck, 1996. 354.72/CONI

De zaak Raoul Stuyck : fraude en corruptie in Antwerpen / door Georges Timmerman en René de Witte. - Antwerpen : Hadewijch, 1996. 346.2/TIMM

JUSTITIE

Het bos en de bomen : justitie hervormen / door Stefaan de Clerck. - Tielt : Lannoo, 1997. 393.71/CLER

Een Kafkaiaanse nachtmerrie : de Belgische Justitie : analyse & remedie / door Bruno Schoenaerts en Manuel Lamiroy ; met een woord vooraf door Rogier de Corte. - Gent : Mys & Breesch, 1995. 393.7/SCHO

De lange weg naar Neufchâteau / door Luc Huyse. - Leuven : Van Halewyck, 1996. 332/HUYS

Man bijt hond : over pers, politiek en gerecht / door Pol Deltour. - Antwerpen : Icarus, 1996. 092.2/DELT

De vierde macht : de gespannen driehoeksverhouding tussen media, gerecht en politiek / samengest. door Jan Clement en Mieke van de Putte. - Groot-Bijgaarden : Globe, 1996. 092.2/VIER

Zwartboek justitie : van halve waarheden en hele leugens / door Inge Ghijs. - Antwerpen : Icarus, 1997. 393.7/GHIJ

POLITIE- EN INLICHTINGENDIENSTEN

De staatsveiligheid : geschiedenis van een destabilisatie / door Christian Carpentier en Frédéric Moser. - Leuven : Kritak, 1994. 395.74/CARP

Netwerk Gladio / door Hugo Gijsels. - Leuven : Kritak, 1991. 399.62/GIJS

Reyniers : superflik / door Paul Koeck. - Leuven : Van Halewyck, 1998. 395.74/KOEC

De blauwe ridders : van rijkswacht tot eenheidspolitie / door Jos Vander Velpen. - Berchem : EPO, 1998. 395.74/VELP

De gewapende lieden : een historisch-kritische benadering van de Rijkswacht in een evoluerend politielandschap (1795-1995) : van militair politiekorps met civiele en militaire taken naar een civiel politiekorps met een militair karakter / door Willy van Geet. – Antwerpen : Standaard, 1996. 395.74/GEET

Gladio / onder red. van Jan Willems. - Berchem : EPO, 1991. 399.62/GLAD

Sire, ik ben ongerust : geschiedenis van de Belgische politie 1794-1991 / door Lode van Outrive, Yves Cartuyvels en Paul Ponsaers. - Leuven : Kritak, 1992. 395.74/OUTR

De weg naar de wanorde : de schokkende onthullingen van ex-geheim agent Robert Chevalier / door Jeroen Wils. - Leuven : Van Halewyck, 1996. 395.74/WILS

DE ZAAK DUTROUX

De affaire-Dutroux : van verdwenen meisjes tot de witte mars / door Mark Morren en Mike de Mulder. - Antwerpen : De Standaard, 1996. 395.66/MORR

Les cahiers d'un commissaire : les coulisses de la commission Dutroux / par Serge Kalisz et Patrick Moriau. - Bruxelles : Pire, 1997. 395.69/KALI

De Commissie-Dutroux : het rapport (met commentaar) / door Wim Winckelmans. - Leuven : Van Halewyck, 1997. 395.69/WINC

Geruchten en feiten : autobiografie / door Michel Nihoul. - Brussel : Dark & Light Publication, 1998. 395.66/NIHO

In naam van mijn zus / door Nabela Benaïssa ; onder red. van Marie-Paule Eskénazi ; vert. door Ann de Laet. - Berchem : EPO, 1997. 395.69/BENA

Kritische reflecties omtrent de zaak Dutroux : ouders, justitie, nieuwe burger, media / onder red. van Christian Eliaerts. - Brussel : VUB-Press, 1997. 395.69/KRIT

Meisjes verdwijnen niet zomaar : de zaak-Dutroux : het falen van de Belgische justitie en politie / door Fred Vandenbussche. - Utrecht : Kosmos, 1996. 395.66/VAND

Op zoek naar An en Eefje / door Paul Marchal. - Antwerpen : Hadewijch, 1997. 395.69/MARC

Rechter Connerotte : de witte ridder / door Michel Petit en Dominique Moreau. - Antwerpen : Hadewijch, 1997. 393.71/PETI

Het spaghetti-arrest : recht en democratie / door Fernand Tanghe. - Antwerpen : Hadewijch, 1997. 393.7/TANG

Het witte ongenoegen : hoop en illusie van een uniek experiment / door Marc Hooghe. - Groot-Bijgaarden : Globe, 1997. 332/HOOG

Witte stippen : de zaak-Dutroux : een reconstructie / door Anne de Graaf. - Groot-Bijgaarden : Scoop, 1998. 395.66/GRAA

De zaak-Dutroux van A tot Z / door Mike de Mulder en Mark Morren. - Antwerpen : Icarus, 1998. 395.66/MULD

DE BENDE VAN NIJVEL

De bende : een documentaire / door Paul Ponsaers en Gilbert Dupont. - Berchem : EPO, 1988. 395.66/PONS

De Bende : het rapport : het verslag van de parlementaire commissie, belast met het onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt / ingeleid door Hugo Coveliers. - Berchem : EPO, 1990. 395.66/BEND

De bende en Co : 20 jaar destabilisering in België / door Hugo Gijsels. - Leuven : Kritak, 1990. 395.66/GIJS

De Bende tapes / door Danny Ilegems, Raf Sauviller en Jan Willems. - Leuven : Kritak, 1990. 395.66/ILEG

De Bende van Nijvel : tien jaar blunders van het gerecht / door Raf Sauviller en Jan Willems. - Antwerpen : Icarus, 1995. 395.66/SAUV

Het onderzoek : een bende : over het onderzoek naar de bende van Nijvel / door Dirk Barrez. - Antwerpen : De Standaard, 1996. 395.66/BARR

Popolino : mémoires van een ex-gangster / door Léopold van Esbroeck. - Leuven : Van Halewyck, 1998. 395.66/ESBR

Twee jaar Bendecommissie : een schimmengevecht / door Hugo Coveliers. - Antwerpen : Hadewijch, 1992. 395.66/COVE

DE MOORD OP ANDRE COOLS

Maffia aan de Maas : over Luik, het Agusta-dossier en de moord op André Cools / door Johny Vansevenant. - Antwerpen : Standaard, 1993. 395.66/VANS

Wie vermoordde André Cools ? : studie van de politieke zeden in België / door Jean-Pierre van Rossem. - [s.l.] : Loempia, 1993. 395.66/ROSS

VROUWENHANDEL

'Ze zijn zo lief, meneer' : over vrouwenhandel, meisjesballetten en de bende van de miljardair / door Chris de Stoop. - Leuven : Kritak, 1992. 319.2/STOO

Boter op het hoofd / door Dirk Trioen. - Antwerpen : Hadewijch, 1993. 395.66/TRIO

FISCALE FRAUDE EN WITWASSEN

Beaulieu pleit onschuldig / door Ludwig Verduyn. - Leuven : Kritak, 1992. 386.5/VERD

De discrete charme van een Luxemburgs bankier / door Ludwig Verduyn. - Leuven : Van Halewyck, 1997. 345.4/VERD

De familie De Clerck : de verborgen miljarden / door René De Witte. - Antwerpen : Hadewijch, 1998. 346.2/WITT

Jean-Pierre van Rossem : opkomst en val van een financieel stroman / door Ludwig Verduyn. - Leuven : Kritak, 1994. 345.7/VERD

Kirschen en Co : het blauwe netwerk / door André van Bosbeke en Jan Willems. - Berchem : EPO, 1987. 346.2/BOSB

De miljarden van KS / door Ivo Vandekerckhove. - Antwerpen : CODA, 1993. 355.1/VAND

Super Club : scenario van een kaskraker / door Dirk Barrez. - Leuven : Kritak, 1991. 798.17/BARR

De val van De Prins : Super Club, Philips & Cie / door René de Witte. - Berchem : EPO, 1992. 388/WITT

Witwassen : de praktijk / door Jean Vanempten en Ludwig Verduyn. - Leuven : van Halewyck, 1995. 345/VANE

Witwassen in België : crimineel geld in de wereld van de haute finance / door Jean Vanempten en Ludwig Verduyn. - Leuven : Kritak, 1993. 345/VANE

RUIMTELIJKE ORDENING, VOEDING EN MILIEU

De hormonenmaffia / door Jaak Vandemeulebroucke. - Antwerpen : Hadewijch, 1993. 633/VAND

http://www.ieper.be/nl/bibliotheek/schandalen.htm (20051106)

In Brussel mag alles : geld, macht en beton / door Georges Timmerman. - Berchem : EPO, 1991. 719.22/TIMM

Leren om te keren : milieu- en natuurrapport Vlaanderen / onder red. van Aviel Verbuggen. - Leuven : Garant, 1994. 614.61/LERE

Milieumaffia in Vlaanderen / door Leo Verschueren en Raf Willems. - Berchem : EPO, 1991. 614.61/VERS

Moord op een veearts : het testament van Karel Van Noppen / door Paul Keysers. - Antwerpen : Icarus, 1996. 614.4/KEYS

Moorddadig milieu in Vlaanderen / door Raf Willems, Peter Cremers en Bob van Laerhoven ; foto's van Monica Gorissen. - Antwerpen : Icarus, 1997. 614.62/WILL

Het vlees is zwak / door Jaak Vandemeulebroucke en Bart Staes. - Antwerpen : Hadewijch, 1996. 633/VAND

Wat kan ik voor u doen ? : ruimtelijke wanorde in België : een hypotheek op onze toekomst / door Peter Renard. - Antwerpen : Icarus, 1995. 719.12/RENA
TESSENS Lucas
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar London, 19981119-19981120
Edited: 199811241610
Kritisch verslag van het European Licence Management Seminar
London, 19981119-19981120
Deelnemende landen (11): Austria, Belgium (VL), Denmark, Finland, Germany, Ireland, Italy, Netherlands, Norway, Switzerland, United Kingdom
Organisator: BBC

1. Op donderdagavond vond een eerste en nuttige kennismaking plaats tussen de deelnemers; het eigenlijke seminarie begon op vrijdag.

2. Uit de diverse uiteenzettingen hebben wij het volgende onthouden:

• UK (BBC): int zelf de licence fee; gooit geweldig veel research tegen de inningsactiviteit aan en gaat hierbij tot in het extreme; BBC heeft het makkelijk om campagne te voeren op de eigen TV-stations (bvb. spot met een lengte van 4,5 minuten); hun policy bestaat erin de betalingsmogelijkheden zo ruim mogelijk te maken (tailor made) teneinde de TV-houders tot registratie aan te zetten; vervolgens dirigeren zij de betalers naar een minder kostelijke inningswijze; BBC is afgestapt van een politiek waarbij steeds maar op de inningskosten bespaard wordt en lanceert zich in een policy van return on investment; daarbij wordt wel erkend dat ook in de inningsactiviteit de wet van de verminderde meeropbrengsten geldt; BBC spreekt van "selling a licence" wat aanduidt dat zij de gehele marketing-batterij afvuren op hun "klanten"; voor de bestrijding van ontduiking "on the field" worden hi-tech spionage-technieken gebruikt (BBC geeft zelfs toe hiervoor contact te hebben gezocht met inlichtingendiensten): zo kan men van op de straat detecteren waar een TV-toestel in werking is, naar welk TV-station en naar welk programma er wordt gekeken, is de betrokkene niet geregistreerd dan neemt men een foto van de voordeur van het huis met die gegevens + het uur van de controle erop afgeprint; de "continentalen" hadden hun bedenkingen bij deze inbreuk op de privacy; immers, de gebruikte techniek laat ook toe dat gesprekken binnenskamers gevolgd worden (worden wel weggefilterd, maar toch …); ten aanzien van armen en marginalen wordt een gedoogbeleid gevoerd wegens te hoge kosten bij gedwongen invordering.

• Italy (RAI): ook de RAI int zelf; de wetgeving is verouderd (1938); de databases staan niet op punt; de privacy-wetgeving speelt hen parten; de ontduiking is groot tot enorm (hoe zuidelijker, hoe mee ontduiking > zie tabellen); RAI is volop aan het investeren in een eigen mega-call-center.


• Belgium (VL): uiteenzetting met slides door L. Tessens "Fighting Tax Evasion and the use of a Call Center" (zie slides).

• Germany (GEZ)(Joerg Scholz): TV-houders worden ab initio in het bestand opgenomen en kunnen er in principe niet uit verwijderd worden; 80% van de betalingen geschiedt per domiciliëring; korte en warrige uiteenzetting wegens onvoldoende beheersing van de Engelse taal.


• Netherlands (Omroepbijdragen)(Ruud Peters): Omroepbijdragen is op zoek naar nieuw beheerssysteem en lanceert oproep om samen te investeren in een software-platform; pleit voor hechtere samenwerking, een permanente structuur en een secretariaat. Alle voorstellen van Peters worden verworpen, c.q. "gecommissioneerd". Er is enige animositeit merkbaar tussen David Lane (BBC) en Peters: Omroepbijdragen heeft getracht know how te verkopen aan BBC en zulks is mislukt.


3. In de "wandelgangen" konden we nog volgende interessante feiten optekenen:

• Denmark: worstelt met het feit dat het inzetten van een call center volgens de Europese regels van toewijzing moet gebeuren.

• Switzerland (Thomas Rudin tijdens lunch): Inninigsorganisme (Billag) heeft een verzelfstandigd statuut verkregen na decennia-lange inning door Swiss Telecom; overgeërfde database werd verminkt onder druk van privacy-wetgeving (telefoonnummers geschrapt uit het bestand); bij outsourcing dient Switzerland zich te richten naar firma's in de GATT-landen.


• Ireland (Gerry O'Brien tijdens lunch): inning geschiedt door de Irish Post; database-management is geweldig oubollig; Post redeneert zoals EDP-manager van de jaren 70 (alles is moeilijk en tijdrovend, het systeem laat dit niet toe); RTE is zeer ongelukkig met de bestaande situatie; alle hulp is welkom.

4. Permanente structuur en secretariaat
Tijdens het seminarie heeft Belgium (VL) in samenspraak met Netherlands de idee gelanceerd van een permanente structuur (met lidgeld) met een permanent secretariaat/clearing house te Aalst (CIPAL/Kijk- en Luistergeld). Dit was vrij moeilijk omdat een discussie hierover niet op het agenda voorzien was. Toch zijn wij erin geslaagd deze discussie te laten plaatsvinden.
Tijdens de rondvraag bleek Marti Partanen (Finland/YLE) gekant tegen een eigen structuur en een eigen secretariaat. Volgens MP was de opvolging van licence fee een taak voor de EBU (European Broadcasting Union), die deze problematiek sinds jaar en dag had gevolgd maar de laatste jaren de teugels vierde. We kunnen spreken van een typische RECUPERATIEREFLEX. Na de uiteenzetting van MP sloten de EBU-leden de rangen: RAI (Italy), RTE (Ireland), ORF (Austria), DR (Denmark), WDR (Germany). De BBC had zich slechts neer te leggen bij de meerderheid en trok de coördinatie-werkzaamheden en het de facto voorzitterschap voor het komende jaar naar zich toe.
Noteer dat BBC hiermee een punt scoort. Immers, BBC krijgt nu een pak know how toegeschoven.

5. Conclusies
Licence fee management wordt naar ons gevoel gekenmerkt door 3 tendenzen:
5.1. Database improvement: software om de eigen database te beheersen, matching met analoge bestanden (rijksregister, posterijen, kabel, telefonie). Hier ligt een markt voor IT-bedrijven. Moeilijkheid vormt de nationale en Europese regelgeving inzake privacy. Meerderheid worstelt met overgang van oud naar nieuw bestand in een verzelfstandigde omgeving (nood aan training en input database know how).
5.2. Marketing know how: segmentering en vorming van target groups voor inning en invordering, creatief bespelen van allerlei betalingsmogelijkheden (billing), etcetera.
5.3. Communication know how en opvang feedback: kennis van de media mix en de performantie van de ingezette middelen, capabilities van call centers, creëren van "visibility on the field" teneinde perceptie van pakkans op te voeren (vooral belangrijk in zwak bekabelde regios en niet-voorziene matching met bestanden cable subscribers).

Wij geloven niet in het aanhouden van het losse samenwerkingsverband, meer een gevolg van EBU-recuperatiereflex dan van ratio. Men gooit de oppurtuniteit van een grote "learning zone" weg. Op termijn zal blijken dat meer structuur en professionalisering zich opdringt. Wij verwachten een doorbraak na het interim-presidentschap van Italy.
Een steeds wisselende coördinator in het zgn. clearing house is een slechte zaak voor de continuïteit in de verspreiding van know how. Het is bovendien niet zeker dat voor de full digital option (alle communicatie en info over e-mail) wordt gekozen bij het managen van de informatie (nog communicatie per fax en dus op papier). Op die manier behoudt de beheerder van de digitale info in het clearing house, in casu de BBC, een voorsprong.

Bijgevolg zijn wij tot nader order aangewezen op bilaterale contacten willen wij een voorsprong opbouwen en behouden. Deze kunnen o.i. het best samen met Netherlands opgevolgd worden teneinde een platform van een zekere dimensie te vormen.
Willen we ons profileren als de aanreikers van een "total solution" dan is een verticale integratie van know how een must: mainframe, inter- en intranetworking, datawarehouse, document and information flow, communication and feedback management, call center capabilities, budgetbewaking. Het is onze overtuiging dat wie zich (in teamverband) met deze bagage het eerst Europees als problem solver profileert mooie groeikansen heeft. Deze liggen immers in het bredere veld van de tax collecting.

Lucas TESSENS - MERS (Media Expert Research System) - 1998-11-24
DE MEESTER Wivina
Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld van outsourcing met de overheid. "In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen."
Edited: 199710171465
Toespraak door Wivina Demeester,
Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid
ter gelegenheid van
het seminarie “outsourcing : ervaring en knelpunten”

“ Dienst Kijk- en Luistergeld : Een voorbeeld
van outsourcing met de overheid “
Brussel, 17 oktober 1997

Financieel Economische Tijd en
Caestecker, Lievens, Martens & Partners.

Slide 1



1) INLEIDING

De outsourcing van belastingsinning lijkt op het eerste zicht een contradictio in terminis te zijn. Wie aan de overheid denkt, denkt vrijwel onmiddellijk aan ‘belastingen’. In de perceptie van de bevolking lijkt belastinginning een typische kerntaak van de overheid te zijn. Nochtans blijkt uit de geschiedenis dat overheden pas vrij laat zelf hun belastinginning hebben georganiseerd.

De Franse historicus Fernand Braudel beschrijft hoe omstreeks het begin van de 18de eeuw vele overheden met vallen en opstaan onderzochten op welke wijze de belastingen het meest efficiënt en kosteneffectief konden worden geïnd in een maatschappij die bijzonder snel aan het veranderen was.

Land-eigendom en landopbrengsten werden stilaan verdrongen als eerste en voornaamste bron van inkomsten en dus van belastingen. De overheden moesten dan ook op zoek gaan naar andere manieren om bij hun reeds veelgeplaagde onderdanen meer belastingsgeld te kunnen vinden. Maar waar konden die nog gevonden worden in een samenleving waar vrijwel alles reeds belast was. Er bestond een vorm van wat nu in het modern jargon “road pricing” zou heten : op de drukste wegen werd het transport getaxeerd. Er bestond omzettaksen, er bestonden invoertaksen. Maar de baten waren laag. De kosten voor de inning daarentegen zeer hoog. Bovendien waren de producten, die getaxeerd werden, meestal ook levensnoodzakelijke goederen. De rest van de goederenproduktie, porselein, spiegels etc.. was immers ofwel te klein om te taxeren ofwel bestemd voor afnemers met ruime belastingvrijstellingen zoals de clerus en de adel.

Een voor de hand liggend product om te gaan taxeren was zout. Zout was in die tijd een van de belangrijkste consumptiegoederen voor de modale burger, het werd gebruikt in de meest uiteenlopende voedingswaren. De productie was bovendien relatief goed controleerbaar. Maar de belasting erop was zo hoog, dat het zout zelf zeer duur was. Zo duur dat, toen Lodewijk XIV besliste om de zoutbelasting nog maar eens te verhogen, dit leidde tot stevige rellen en boerenopstanden.

Slimme overheden gingen de weg op van wat wij in moderne taal noemen “efficiëntie-verbetering in het bestuurlijk apparaat”. Een treffend voorbeeld is de organisatie van de inning van de Engelse zoutbelasting. Ongeveer driehonderd jaar terug besliste de Engelse overheid om de inning van de zoutbelasting te ‘nationaliseren’. Voorheen werd de inning van belastingen vaak overgelaten aan het concreet initiatief van particulieren die optraden als geldschieters en financiers van de staat. Er bestonden immers vele systemen van wat wij noemen “alternatieve financiering” : wegen en bruggen bijvoorbeeld werden aangelegd en onderhouden door privé-personen, die daarvoor tol konden innen.

Op het einde van de 17e eeuw werd dat systeem in Engeland gewijzigd : voortaan zouden door de koning aangeduide, staatsambtenaren belastingen en accijnzen zelf gaan ontvangen. De bedoeling van deze nationalisatie was niet zozeer het opdrijven van de efficiëntie van de inning op zich, maar wel het stopzetten van de praktijk van de schaamteloze afroming van de inkomsten van de staat door de particuliere ontvangers. O ok vandaag durven kwatongen al eens beweren dat bv. notarissen al eens een oogje zouden dichtknijpen bij de bepaling van verkoopswaarden, zodat hun cliënt minder belastingen, maar iets meer ereloon betaalt. Blijkbaar was dit vroeger echter schering en inslag.

De nationalisering van de belastinginning in Engeland gaf automatisch aanleiding tot een fikse verhoging van de efficiëntie van de inning en dus van de belastingen, zonder de belastingdruk zelf te verhogen. Door de staatsinkomsten veilig te stellen kwam er in Engeland meer geld beschikbaar voor de koloniale oorlogvoering en de uitbouw van de infrastructuur voor de nakende industriële revolutie. Tegelijk bleef er voldoende geld in de private economie, waardoor langzaamaan de kapitalen werden verzameld, waarmee de geweldige investerings-push, die op gang kwam vanaf de jaren 1780 kon worden gefinancierd.

De andere grote staat van dat ogenblik, Frankrijk, wachtte nog veel langer om de stap tot nationalisatie te zetten. De openbare financiën hingen tot aan de Franse revolutie eveneens af van tussenpersonen die zorg droegen voor de ontvangsten. Deze belastingspachters stortten grote borgsommen, waarop zij dan rente ontvingen. Volgens de voorwaarden van hun contract betaalden zij een vast deel van hun belastingontvangsten uit aan de koning. In werkelijkheid ontving de koning slechts een fractie van de potentiële jaarlijkse inkomsten. De Franse monarchie was dan ook tot de vooravond van de Franse Revolutie overgeleverd aan particuliere belangen, omdat zij bleef vasthouden aan het principe van “outsourcing” van de belastingen.

Sinds die periode groeit bij vrijwel iedere staat de overtuiging dat belastinginning alleen door de overheid kan georganiseerd worden. En toch, tweehonderd en zeven jaar na de Franse Revolutie beslist de Vlaamse Regering om de inning van een gedeelte van haar belastinginning terug aan derden uit te besteden. Een wereldprimeur of een historische vergissing ? Hierop wil ik na deze historische inleidng wat dieper ingaan.

Eerst zou ik nader willen ingaan op de theorie van de outsourcing zelf. Vervolgens bekijken we dan de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld zelf. En ten slotte kijken we naar de toekomst en vragen ons af of de Vlaamse Gemeenschap kan doorgaan op de weg van de outsourcing.



2) DE THEORIE VAN DE OUTSOURCING

Slide 2 : zelf doen vs outsourcen

Uitbesteden is een populair begrip geworden. In feite zijn vele mensen actieve ‘uitbesteders’. We besteden onze kinderen uit aan een onthaalmoeder, steeds meer gezinnen besteden een deel van het huishouden uit aan een poetsvrouw, iemand die de was en de strijk doet, iemand die de tuin onderhoudt... Het is voornamelijk tijdsgebrek, maar soms ook een gebrek aan competentie die steeds meer mensen aanzet tot de beslissing van het uitbesteden van diverse taken.

Kijken we naar het bedrijfsleven, dan neemt het fenomeen van de outsourcing echter meer spectaculaire proporties aan. Quasi alle functies die men in een organisatie kan onderscheiden, komen voor outsourcing in aanmerking. De vraag of dit een goede zaak is, hangt vaak af van het standpunt van waaruit men naar de feiten kijkt. Voor de uitbesteder zijn er ogenschijnlijk meer voordelen van uitbesteding te onderkennen dan voor hen die de functie die uitbesteed wordt vervullen. Nochtans zou ik vandaag eveneens willen benadrukken dat outsourcing ook positieve aspecten kan hebben voor deze laatsten.

Outsourcing kan worden gedefiniëerd als "de contractuele overdracht van een welbepaalde cluster van activiteiten naar een derde partij waarbij een aanzienlijk deel van de controle over de beslissingen over deze activiteiten of diensten wordt afgestaan aan deze derde partij". Daartegenover staat ‘insourcing’. Bij insourcing blijft een groot deel van de controle over de beslissingen bij de oorspronkelijke partij die haar activiteiten of diensten overdraagt. Meestal maakt men een meer praktisch onderscheid tussen out- en insourcing door te verwijzen naar het feit of de controle over de activiteiten buiten of binnen de organisatie wordt behouden.

slide 3 : welke vormen ?

Men kan vervolgens outsourcingcontracten als aankoopfenomeen verder gaan differentiëren naar de stijl en focus. De aankoopstijl varieert tussen twee uitersten.
Aan de ene kant zijn er de zuivere transacties die men afsluit: eenmalige contracten die reeds voldoende detail bezitten om als referentiedocument te dienen. Anderzijds zijn er aankopen van relationele aard te onderkennen die minder gedetailleerd zijn, maar waarbij beide partijen er van uitgaan langere tijd met elkaar zaken te doen.

Wat de focus betreft kan het input-aspect belangrijk zijn, en dan koopt de onderneming hardware, software of kennis in. Is men echter voornamelijk op output gefocused, dan verwacht de onderneming dat de leverancier vooraf gespecificeerde prestaties zal leveren.

Beide dimensies leveren ons een classificatieschema op dat u op de slide terug vindt.

Teruggrijpend naar onze eerdere definities zal u merken dat het insourcen zich eerder links van de 'zogenaamd neutrale' in-house positie bevindt en het outsourcen aan de rechterzijde. Met dit eenvoudige schema kan u alle vormen van uitbesteden positione-ren.
Als dusdanig hebben de dimensies praktische relevantie.

Met een buy-in strategie lossen organisaties tijdelijke noden in, zoals de aanwerving van programmeurs met specifieke expertise tijdens een project. Bij een contracting-out moet de leverancier in zijn totaliteit een resultaat aanreiken. Deze strategie is meest succesvol wanneer de onderneming haar noden kan definiëren in een waterdicht en volledig gedetailleerd contract.

Met een bevoorrechte leverancier worden relaties onderhouden om gebruik te kunnen maken van zijn expertise en faciliteiten. Bijvoorbeeld, een onderneming vraagt informatici aan een leverancier enkel op het moment dat ze er nood aan heeft. Op deze wijze bespaart de onderneming kostbare tijd om offertes aan te vragen. De leverancier, die optreedt voor meerdere opdrachtgevers, is verzekerd van een quasi-continue stroom van opdrachten. Met een bevoorrechte contract-out wil men - aan beide zijden - risico's beperken door gemeenschappelijke doelen na te streven.

De organisatie van de activiteiten die binnenshuis blijven is een cruciale taak, zelfs wanneer quasi 80% van de activiteiten is uitbesteed. Ondernemingen kunnen op lange termijn serieuze problemen ondervinden wanneer de volgende expertise niet meer binnenshuis aanwezig is:
* de expertise om de toestand van het eigen IT-potentieel in te schatten
* de expertise om de IT-noden zoals ze door het top-management worden ervaren te kunnen achterhalen
* en de expertise om op een geschikte wijze naar de markt gaan, offertes en contracten inzake de IT-sourcing te specificeren en de contracten op te volgen.

Nochtans stellen we meer en meer vast dat zelfs het opstellen van offertes wordt uitbesteed aan gespecialiseerde organisaties.


Slide 4 : welke IT-systemen ?

De volgende vraag die men bij overweging van outsourcing kan stellen is uiteraard de vraag: welke activiteiten komen voor outsourcing in aanmerking. Grosso modo vallen die voor de IT-functie uiteen in drie grote groepen: beheer, ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen. Meer specifiek gaat het dan over volgende activiteiten: PC-aankoop en onderhoud, training en ondersteuning, software-ontwikkeling, back-up systemen, telecommunicatienetwerken, software onderhoud, datacenter management, systeem architecturen.

Op welke wijze deze activiteiten zouden kunnen worden ge-outsourced hangt af van twee zaken: in welke mate zijn de activiteiten kritiek voor het succes van de organisatie en in welke mate worden de activiteiten gebruikt om zich te differentiëren van anderen. Voor kritieke differentiërende systemen wordt aangeraden om selectief een aantal activiteiten binnenshuis te behouden en andere uit te besteden onder de vorm van in- of outsourcing.

Men moet hierbij oppassen de kritieke differentiërende systemen niet al te snel te vereenzelvigen met gesofisticeerde high-tech-applicaties die geen enkele andere organisaties heeft. Een goed werkend financieel systeem met een degelijke informatietechnologische ondersteuning van de bv. de boekhouding en cash management is van onschatbare waarde voor onder andere onze Vlaamse overheid.

Slide 5 : welke contracten ?

De vorm die het contract tenslotte aanneemt kan eveneens variëren in functie van de specifieke noden van de organisatie. Voor welke contractvorm uiteindelijk gekozen wordt, hangt af van het antwoord op een aantal vragen. Enkele voorbeelden zijn de volgende:

* Willen we het product of de dienst in de verre toekomst nog zelf produceren?
* Kunnen we technologie of know-verkrijgen via licenties zodat we op continue basis verzekerd zijn van een zekere output?
* Kunnen we de dienst of het product al kant-en-klaar kopen en is dit houdbaar op langere termijn?
* Kunnen we gemeenschappelijk ontwikkelingsprojecten opzetten voor producten of diensten zodat we zeker zijn dat we het beste resultaat krijgen?

Het antwoord op deze vragen is relevant, maar een andere vraag blijft nog steeds onbeantwoord : waarom is dit alles nodig ? (Moeder,) waarom sourcen we ?

In grote lijnen kan dit als volgt beantwoord worden. Vele organisaties hebben onder economische druk hun diversifcatiestrategieën die populair waren in de jaren ‘70 en begin jaren ‘80 moeten opgeven om zich meer te focussen op kerncompetenties. Als gevolg daarvan kwam onmiddellijk de IT functie onder druk te staan. Topkaders beschouwen IT vaak als een niet-kern competentie (in welke ondernemingen zetelen IT-directeurs in de directieraad?). Men is veelal van oordeel dat IT leveranciers meer schaalvoordelen en technische expertise bezitten om IT-diensten te leveren.
Op basis van die redenering, expertise en kritische massa van de eigen IT-functie binnen de onderneming, worden leveranciers meestal dan ook beoordeeld zoals volgende slide aantoont (SLIDE). Te kleine IT-afdelingen met een middelmatige tot slechte expertise, daar wil men van af, dus wordt er ge-outsourced. Beschikt men daarentegen wel over een sterk bemand en professioneel kader dan kan dat enkel maar versterkt worden door bijkomende expertise in te sourcen.

Zonder hier in detail op in te gaan zijn er verschillende factoren die de outsourcing beslissing beïnvloeden. Deze factoren hebben zowel betrekking op zakelijke aspecten (zoals return on investment, competitieve voordelen door IT, strategische heroriëntatie van de activiteiten, ed.) als op meer technologische aspecten (uitbouw van een moderne IT-infrastructuur, upgrading van het informaticapersoneel, enzovoort)..

Outsourcing moet meer zijn dan kostenbesparend. Problemen lost men niet op door ze door te schuiven. Zo moeten slecht presterende entiteiten waarvoor outsourcing overwogen wordt, tegelijkertijd fundamenteel geanalyseerd en eventueel gere-engineered worden wat betreft hun interne processen. Ook de bestaansreden op zich van bepaalde functies moeten kunnen in vraag gesteld worden.

En hiermee komen we bij het volgende deel van uiteenzetting: wat betekent dit nu concreet voor de overheid, in casu de Vlaamse overheid ?

Slide 6 : OESO-tendensen

Overheden in OESO landen worden heden ten dage geconfronteerd met vragen die dwingend zijn en moeten beantwoord worden.

Er is een toenemende tendens waarneembeer tot loskoppeling of desaggregatie van overheidsorganisaties in kleinere onderdelen. We spreken dan van privatiseringen, verzelfstandiging en ook outsourcing. Hiermee samenhangend is er ook een trend naar decentralisatie van verantwoordelijkheden waarneembaar.

Ambtenaren worden verplicht hun administraties te managen zoals hun partners in de private sector. De overheidsmanager is daarbij aansprakelijkheid voor resultaten die door zijn administratie moeten bereikt worden. Door het afsluiten van persoonlijke contracten, zogenaamde prestatie-overeenkomsten, tussen bv. directeur-generaal en een bevoegde minister worden prikkels gegeven om een noodzakelijke mentaliteitswijziging door te voeren.

In deze overeenkomsten wordt niet enkel concreet omschreven welke outputs de overheidsmanager dient te leveren maar ook wat zijn verwachte bijdrage is aan ruimere maatschappelijke problematieken zoals bv. de mobiliteit, het milieu of de gezondheid.
Het vastleggen van de outputs of prestaties, en de beslissing waar en door wie ze zullen worden gerealiseerd, blijft de primaire bevoegdheid van de minister.

OESO-experten wijzen er op dat in vele landen de grootte van het overheidsapparaat, uitgedrukt in percentage van het BNP, te groot is. Ten tweede stellen zij dat kerntaken en niet-kerntaken van de overheid dringend herbekeken dienen te worden in die zin dat de diensten die de overheid momenteel zelf verzorgt eventueel ook in partnership met andere overheden en met de private sector kunnen worden uitgevoerd of zelfs in coproductie met de burger-klant.

Om tegemoet te komen aan deze bekommernissen moet elke overheid concreet nagaan hoe ze haar interne structuur en functioneren beter kan organiseren en financieren. De introductie van prestatiegerichte managementtechnieken zowel in de beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering als de beleidsevaluatie moeten hiertoe bijdragen.

Boeken zoals ‘Reinventing Government’ hameren op professioneel management, nadruk op outputs, expliciete standaarden en prestatiemaatstaven, ene grotere competitie tussen overheden en privé en bovenal het transfereren van managementprakijken uit de publieke sector. Christopher Pollit een Oxford academicus die momenteel een sabbatical leave heeft op de KU-Leuven wijst op de gevaren van deze opvattingen die hij onder het label 'new managerialism' categoriseert. De publieke sector heeft wel degelijk differentiële karakteristieken als de private sector. Wat de IT functie betreft stelt hij dat niet enkel de normen inzake rendabiliteit van informatiesystemen wel eens durven te verschillen, het zijn vooral de politieke en wettelijke kaders die maken dat het ontwikkelen en managen van IT in overheidsorganisaties een particuliere taak is. IT managers moeten onder een andere tijdshorizon werken dan hun collega's uit de private sector. Vaak zijn zij voor ontwikkelingsprojecten gebonden aan legislaturen.

Men kan zich ook vragen stellen in welke mate overheden wel het recht hebben om overheidstaken uit te besteden aan private organisaties. Verschillende auteurs wijzen op het gevaar van uitholling van de staat wanneer een aantal essentiële taken worden uitbesteed. Voorstanders van privatisering benadrukken efficiëntie, effectiviteit en klantentevredenheid als relevante criteria voor de selectie van de wijze van dienstverlening.

Er is echter een grote ‘maar’ : burgers zijn geen klanten. Klanten kiezen tussen producten, burgers hebben rechten en plichten en beslissen bovendien ook wat de overheid concreet moet doen met de ontvangen belastinggelden. De overheid heeft in het verleden vele taken op zich genomen, juist omdat de private sector ze niet kon of niet wilde op zich nemen. Hier botsen twee waarden met elkaar, met name rechtvaardigheid versus efficiëntie.

De organisatie van het overheidsapparaat en de mate waarin men daarin wil outsourcen hangt daarom strikt samen met de visie die een regering heeft op de wijze waarop zij haar overheidsapparaat wil organisaten. Landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Nieuw-Zeeland steunen sterk op het marktprincipe. De private sector treedt in competitie met de overheid voor de uitvoering van essentiële overheidstaken, bv. het beheren van gevangenissen, hospitalen scholen, posterijen enz... .

Andere landen daarentegen steunen op andere fundamentele principes. Frankrijk is gebaseerd op een systeem van rechten. Als voorbeeld van de Latijnse traditie inzake overheidsmanagement zal het dan ook andere criteria hanteren bij outsourcing-beslissingen. België steunt eerder op een systeem van rechten en plichten. Het balanceert als dusdanig tussen verschillende alternatieve structureringswijzen.

In Vlaanderen opteert de Vlaamse regering voor ene meer marktgerichte aanpak, zonder evenwel fundamentele principes inzake rechtszekerheid van het overheidspersoneel te negeren. Toch merken we dat ook Vlaanderen meer en meer opschuift in de richting van het Angelsaksisch model met nadruk op een ‘competitive tendering en contracting’ van overheidsdiensten.

Het is hierbij uiteraard niet de bedoeling dat Vlaanderen een holle staat zou worden. Een aantal fundamentele vragen moeten we dan ook steeds voor ogen blijven houden. Deze vragen vormen ook de achtergrond voor de gevalstudie van de uitbesteding van het Kijk- en Luistergeld


3. DE OUTSOURCING VAN HET KIJK- LUISTERGELD

1. Het kijk- en luistergeld als financiële vergoeding voor een openbare dienst nl. radio en televisie

Het kijk- en luistergeld is bij iedereen bekend. Voor velen was het kijk- en luistergeld de tweede kennismaking met de fiscaliteit, na de ondertussen reeds verdwenen, fietsplaat. Toen de eerste spaarcenten aan een stereoketen werden besteed, diende tot voor de wet van 13 juli 1987, in de winkel een formulier voor het luistergeld ingevuld te worden.
Gelukkig kon vader of moeder dan wel als koper opgegeven worden zodat aan het luistergeld kon ontsnapt worden. Het Kijk- en Luistergeld is vergroeid met de medium radio en televisie. Beide zijn even oud. Radio en televisie maken was een taak die exclusief aan de overheid was voorbehouden. De financiering hiervan gebeurde door een specifieke belasting. Zo dateert de eerste wet van 20 juni 1930. In 1958, nauwelijks vijf jaar na de start van de openbare televisie, werd het luistergeld uitgebreid met het kijkgeld. Toen ook kleurentelevisie mogelijk werd begin jaren 70, werd een verhoogd bedrag voor een kleurentelevisie ingevoerd.

Het Kijk- en Luistergeld is geen louter Belgisch fenomeen. Het bestaat in de meeste Europese landen. In al deze landen was het de overheid die het initiatief nam om radio en televisie te maken. Radio en Televisie waren op het Europese Continent collectieve goederen waarvoor de Overheid moest zorgen.

In de volgende slide (SLIDE) kunt u vaststellen dat op Ijsland (heel kleine bevolking) en Oostenrijk na, België het hoogste kijk- en luistergeld heft van gans Europa.

In de Verenigde Staten waar radio en televisie steeds een privé-initiatief zijn geweest, bestaat geen Kijk- en Luistergeld. Ondertussen hebben ook in Europa radio en televisie hun statuut van collectief goed verloren. Het aantal commerciële zenders dat we ontmoeten bij het zappen, ligt hoger dan het aantal publieke omroepen. Het Kijk- en Luistergeld is dan ook verworden tot een gewone belasting. Er is geen rechtstreeks individueel aanwijsbare tegenprestatie van de overheid meer die evenredig is aan de betaalde som.

2. De eigen inning van het Kijk- en Luistergeld door de Vlaamse Gemeenschap

De inning van het Kijk- en Luistergeld werd in België toevertrouwd aan de Regie voor Telefoon en Telegrafie. Deze feitelijke toestand werd pas geregulariseerd bij Ministerieel Besluit van 31 december 1975.
De R.T.T. werd omgevormd tot “Belgacom” door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. De Vlaamse Gemeenschap was niet echt ontevreden van de prestaties van Belgacom; maar echt tevreden was zij toch ook niet. De inningskosten vertoonden de neiging om continu boven de inflatie uit te stijgen. De geleverde informatie was schaars. Er bleven twijfels over de doeltreffendheid van de inning. De klantentevredenheid - belastingbetalers zijn immers ook klanten - was niet optimaal. Allemaal klachten die zo vaak geassocieerd worden met een overheidsorgaan.

Toen Belgacom, onder druk van de buitenlandse investeerders de beslissing nam om niet langer het kijk- en luistergeld te innen voor de Gemeenschappen, had men allicht gedacht dat de Gemeenschappen het bestaande personeel, de bestaande organisatie en de bestaande procedures zonder meer zouden overnemen - en zoals zo vaak bij de overheid gebeurt - zeer zachtjes aan wat zou moderniseren. Maar de Vlaamse overheid oordeelde er anders over. De Vlaamse regering nam, eind juli 1996, amper 11 maand geleden, de beslissing om de inning van het Kijk & Luistergeld uit te besteden. Deze beslissing werd genomen vanuit het oogpunt van efficiëntie. Niet minder, maar ook niet meer. Belastingen innen is eigenlijk geen kerntaak voor de Vlaamse overheid. De kerntaak van de overheid bestaat erin de samenleving te begeleiden op de weg naar een stabiele sociaal-economische groei. Daarvoor is geld nodig, dat is juist. Maar dat geld - de belastingen - is slechts een hulpmiddel om deze overheidsfunctie waar te maken. Dus is de eerste plicht van de overheid niet een belastingsadministratie uit te bouwen, maar om de belastinginning zo efficiënt mogelijk te organiseren.

Deels tegen de zin in van haar eigen administratie, besliste de Vlaamse overheid om het kijk- en luistergeld niet door de eigen administratie te laten innen, maar op zoek te gaan naar een privé-partner. De directe reden voor deze “outsourcing” was driedubbel. Binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap was weinig know how aanwezig m.b.t. de inning van belastingen. Deze inning erbij nemen veronderstelde de uitbouw van een nieuwe structuur, die - zoals zo vaak gebeurt - dan meteen zijn eigen doelstellingen zou beginnen te volgen. Maar dat was niet de bedoeling van de Vlaamse Regering. Die was primair op zoek naar efficiëntie, doeltreffendheid en klantvriendelijkheid... elementen die weliswaar ook binnen een Ministerie kunnen uitgebouwd worden, maar er vaak langzamer tot stand komen.

Ten tweede was de informatica-omgeving van de Dienst Kijk- en Luistergeld zwaar verouderd. Er diende in elk geval een nieuwe toepassing voor de inning en invordering uitgewerkt te worden. Ook dit is een activiteit die aan een derde moet uitbesteed worden.

Ten derde wijken de personeelsstatuten van de Dienst Kijk- en Luistergeld en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zo sterk van elkaar af dat het quasi-onmogelijk was om de bestaande personeelsleden van de Dienst Kijk- en Luistergeld via de weg van geleidelijkheid te integreren binnen de bestaande structuur van de Vlaamse overheid.

Dit alles leidde tot de beslissing om de inning toe te vertrouwen aan een bedrijf, dat in staat was grote belastings-applicaties te schrijven op korte termijn, de noodzakelijke bedrijfsorganisatorische bekwaamheden in-huis had en kansen bood aan het bestaande personeel zich in een nieuwe bedrijfsomgeving en bedrijfscultuur te kunnen ontplooien.

Dit was geen makkelijke beslissing. Voor de inning van belastingen is outsourcing juridisch immers niet zo evident. Door de jaren heen is er een wetgeving en jurisprudentie gegroeid, waardoor een belasting, die terecht een prerogatief is van de wetgevende macht, quasi automatisch met een overheidstaak wordt geassocieerd. En zelfs al zou bedrijfslogica stellen dat het aangewezen is om taken over te dragen aan een contractant, de wetgeving primeert hoe dan ook.

Het recht holt wel voortdurend achter de feiten aan, maar men kan er niet omheen. De taken die de wetgevende macht uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht delegeert, komen dus niet voor outsourcing in aanmerking. Daarom zullen de aanslag, de controle, de inning zelf en de dwanginvordering dan ook niet aan een derde kunnen worden toevertrouwd. Maar wat wel kan, is deze taken limitatief te bekijken en de ondersteunende en administratieve taken, die wel door een derde kunnen waargenomen worden, binnen de wettelijke grenzen, maximaal te omschrijven. Dat is wat de Vlaamse Regering heeft gedaan : de ondersteunende taken werden zo ruim mogelijk omschreven in het bestek.

Voor deze taken diende de inschrijver bereid te zijn een resultaatsverbintenis of prestatieovereenkomst te onderschrijven. Want al is de toegevoegde waarde van de contractant relatief beperkt, ca. 500 mln F. /per jaar, de schade, die de Vlaamse Gemeenschap kan oplopen indien de contractant zijn verplichtingen niet of relatief slecht nakomt, zijn veel groter en lopen op tot 15 mld F. per jaar, dertig maal groter dan de contractwaarde. De klassieke boete, die erin bestaat een deel van de vergoeding in te houden, had dan ook geen zin. Dus moesten er strikte prestatieverbintenissen worden opgelegd, met draconische strafbepalingen als deze prestaties niet behaald worden.

Het vervolg kent iedereen. Op basis van de resultaten van harde concurrentie en al even harde onderhandelingen besliste de Vlaamse regering op 28 januari 1997, exact vijf maand na haar princiepsbeslissing om de inning te outsourcen, het contract voor een periode van 5 jaar toe te wijzen aan Cipal.

Gedurende een eerste periode van twee jaar zal de Vlaamse Gemeenschap het bestaande personeel van de Dienst Kijk- en Luistergeld “huren” van de Belgische Staat en deze personeelsleden aan Cipal ter beschikking stellen. Vanaf het derde tot en met het vijfde jaar draagt Cipal de volledige verantwoordelijkheid en moet ze zelf instaan voor de aanwerving en betaling van het personeel.

Het is uiteraard nog te vroeg om het echte resultaat van deze operatie te kunnen beoordelen. Toch spreken enkele cijfers nu reeds voor zich. Aan Belgacom diende de Vlaamse Gemeenschap in 1995 ongeveer 435,6 miljoen BEF (excl. BTW) te betalen voor de inning. Het jaar 1999 is eerste jaar dat de volledige lasten door Cipal dienen gedragen te worden. Daarbij werd met Cipal een vast bedrag overeengekomen van 346,9 miljoen BEF of zo’n 90 miljoen minder. Bovendien stegen de bedragen van Belgacom jaarlijks met om en bij de 4%. In het contract met Cipal wordt enkel de personeelskost jaarlijks geïndexeerd volgens het regime dat van toepassing is voor de personeelsleden die in openbare dienst werken. De volgende slide geeft de vergelijking tussen Cipal en Belgacom aan :



Daarenboven investeert de Vlaamse Gemeenschap in een eigentijdse IT-toepassing voor de inning van belastingen. De toepassing kan - in een latere fase - ook voor andere belastingen worden gebruikt.

U zult ongetwijfeld ook reeds gemerkt hebben dat ook de strijd tegen het zwartkijken één van de elementen is van het outsourcingscontract. Cipal kreeg op de opdracht mee om anti-fraude technieken te ontwikkelen en een mediacampagne te organiseren. In het kader van de fraudebestrijding slaagde Cipal erin met de hulp van het media-advies bureau MERS de ontduiking in Vlaanderen in kaart te brengen. Ik geef hier als voorbeeld Vlaams-Brabant (SLIDE).


De voertuigen van de controleteams werden uitgerust met een on-line verbinding met de centrale computer in Aalst. Er kan dus onmiddellijk worden vastgesteld wie betaalt en wie niet betaalt. De combinatie van de kaarten en de moderne communicatie-apparatuur maakt een doelgerichte controle mogelijk. De gemeenten met de hoogste fraudepercentages zullen eerst gecontroleerd worden. Binnen deze gemeenten kan verder gedifferentieerd worden naar de straten met de meeste ontduiking. Deze controles zijn momenteel aan de gang en zullen in de komende maanden worden opgevoerd.

Zoals u ongetwijfeld weet, loopt momenteel loopt ook een mediacampagne. In een eerste fase werd een mediamix samengesteld uit een televisiespot op de BRTN, advertenties in de dag- en weekbladen, folders en affichettes. Deze middelen zijn er in de eerste plaats op gericht de belastingplichtige te informeren en degenen die nog niet betalen aan te zetten om te betalen. Aanmelden kan via een centraal telefoonnummer. Moesten er onder u zijn die tot hiertoe “vergeten” zijn te betalen, die kunnen bellen naar het nummer : 0900-10203.



Ik wil nog wel eens benadrukken dat er geen sprake is van een formele amnestie. Wie tijdens een controle tegen de lamp loopt, betaalt de normale boete. Ook de volgende jaren zal verder gewerkt worden aan de verfijning van de controlemethoden. Er wordt naar gestreefd om de doelgerichtheid van de controle zo groot mogelijk te maken.

4) HISTORISCHE VERGISSING OF WERELDPRIMEUR ?

Ik denk dat ik mag stellen dat de outsourcing van het Kijk- en Luistergeld een succes mag genoemd worden. We zijn er in geslaagd om op zeer korte tijd nl. nu ongeveer een jaar, de dienst te outsourcen, de continuïteit werd verzekerd nl. op 1 oktober lag voor sommigen het aanslagbiljet in de bus, hetwelke nu verstuurd was door Cipal en niet meer door Belgacom; de strijd tegen de ontduiking werd beloftevol ingezet.

Met het oog op de uitvoering van de motie van het Vlaamse Parlement m.b.t. de fiscale autonomie en dan in bijzonderheid m.b.t. de inning van de eigen gewestbelastingen, wens ik binnen de Vlaamse regering concreet overleg te plegen over de mogelijkheden tot een verderschrijdende uitbesteding van de inning van Vlaamse belastingen. Zeker wanneer in een volgende staatshervorming opnieuw belangrijke delen overgeheveld worden naar de Gewesten en Gemeenschappen en mogelijk zelfs volledig nieuwe belastingscategoriën, moeten wij durven denken, hoe wij de belastinginning optimaal kunnen organiseren. Een doorgedreven informatisering, wellicht in een autonome entiteit, die aan de concurrentie moet onderworpen zijn, is wellicht een sleutelfactor in het welslagen van deze operatie. Of het helemaal op dezelfde manier moet georganiseerd worden, valt nog te bekijken. Elke belasting heeft zijn of haar kenmerken. Klakkeloos kopiëren, is steeds gevaarlijk. Zo zal er, wat bij het Kijk- en Luistergeld niet mogelijk was, moeten gestart worden met de vereenvoudiging van de belasting zelf. Het aantal vrijstellingen, verminderingen en uitzonderingen moet worden teruggedrongen of verleend worden op basis van objectieve criteria. Ik denk aan leeftijd, aantal kinderen, ... Vanuit deze vereenvoudigde belastingsstructuur moet dan gezocht worden naar de meest optimale oplossing. Hierbij moet rekening gehouden worden met alle elementen. Bij het Kijk- en Luistergeld wezen deze in de richting van outsourcing. Maar geen enkele techniek is zaligmakend op zich, ook outsourcing niet.

De Vlaamse overheid heeft opnieuw aangeknoopt bij een praktijk van voor de Franse revolutie nl. de outsourcing van belangstingsontvangsten. Deze praktijk gaat terug op de oudheid, denken we maar aan het Bijbelse verhaal van de tollenaar. Een historische vergissing was deze terugkeer naar de geschiedenis zeker niet. De outsourcing van het Kijk- en Luistergeld was een succes. De resultaten van de eerste eigen inning van de belastingen zijn positief. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse regering hebben beslist om op deze weg verder te gaan. Outsourcing zal hierbij een middel zijn, maar is geen doel op zich.

Ik dank u.
overzicht van de parlementaire onderzoekscommissies in België 1880-1997
Edited: 199700001625
chronologisch overzicht van de vraagstukken waarvoor parlementaire onderzoekscommissies werden ingesteld:
lager onderwijs (1880-1882),
militiewetgeving (1908-1909),
devaluatie (1935-1936),
Dienst van het Sekwester (Sequester) (1951 zonder eindverslag!),
onlusten in Leopoldstad in januari 1959,
sluikreclame op BRT en RTB en kabeltelevisie (1972),
ordehandhaving en privé-milities (1980-81),
Heizeldrama (1985),
wapenexport (1987-1989),
fraude inzake kernenergie-centrale Mol (SCK 1988),
banditisme en terrorisme (1988-1990),
clandestien internationaal inlichtingennetwerk (1990-1991),
mensenhandel (1992-1994),
sekten (1996-1997),
politie- en justitie en Bende van Nijvel (1996-1997),
Dutroux (1996-1998),
georganiseerde criminaliteit (1996-),
Rwanda (1997)
TESSENS Lucas
Telenet - Lange aanloop (gepubliceerd in Trends Top Informatica 1997)
Edited: 199700001001

De geboorte van Telenet is recent. Toch mogen we niet vergeten welke lange geschiedenis eraan vooraf is gegaan. In feite behoort de gehele uitbouw van de teledistributie sinds 1970 tot de aanloopperiode. Nergens ter wereld heeft men op zo'n grote schaal aan bekabeling gedaan als in België.
Het aantal abonnees van dit netwerk groeide van 213.350 abonnees in 1972 tot 3.657.648 eind 1996. In Vlaanderen zijn er vandaag zo'n 2,2 miljoen kabelabonnees, na correctie voor seizoenabonnees in de kustgemeenten geeft dit ongeveer 91 % van de huishoudens.

De groei viel vanaf de jaren tachtig onder de 5 % om sinds 1995 onder de één procent te duiken. De komst van VTM, dat sinds februari 1989 exclusief via de kabel te ontvangen is, zorgde in Vlaanderen nog voor een korte groeistoot. Tegelijk bond VTM de abonnee als het ware aan de kabelmaatschappijen. Dit is ook één van de redenen waarom privé-schotelantennes in België een randfenomeen bleven. VTM was voor de kabel een geschenk uit de hemel. Hieruit is alvast een les te trekken: inhoud is een sterk bindmiddel tussen hardware en consument.

Twee factoren verklaren kabelsucces: de kabel bracht bijkomend entertainment onder technisch voortreffelijke omstandigheden en tegen een lage prijs naar een kijker die meer dan ooit tevoren over koopkracht en vrije tijd beschikte. Een aansluiting op de kabel en het kiezen van programma's vergde van de eindgebruiker ook geen speciale vaardigheden, een voordeel wanneer men een technisch massaproduct op de markt gaat neerzetten.

In België zijn er via Belgacom zo'n 4,7 miljoen vaste telefoonaansluitingen actief. De telefoon was nuttig zonder meer maar men kon er weinig plezier aan beleven. Telefonie leverde niet meer dan een relatieve bereikbaarheid op. Ook is het opvallend dat antwoord- en faxapparaten zo traag ingang vonden in ons land. Telefonie heeft bovendien het nadeel dat een intensief gebruik ook meteen de rekening de hoogte injaagt. Na honderd jaar kent de telefoon een nieuwe boom dankzij de GSM, die mobiliteit toevoegt aan bereikbaarheid. Een paar jaar na de introductie lopen 800.000 Belgen met een zaktelefoon rond en bij de eeuwwisseling zouden het er twee miljoen kunnen zijn. Ook een zekere vorm van snobisme heeft de spectaculaire groei aangestuurd: een GSM-toestel aan de broeksband suggereert belangrijkheid van de omgorde.
De meest opvallende evolutie die bij de kabel te bemerken viel, was het stijgend aantal geleverde programma's: van negen in 1972 naar meer dan dertig vandaag. Vooral de opkomst van de satelliet-tv-stations vanaf het midden van de jaren tachtig heeft hiertoe bijgedragen.

Rond 1990 groeide bij de kabelmaatschappijen dan het besef dat de sector een saturatieniveau had bereikt. Eens de laat op gang gekomen bekabeling van Limburg achter de rug, ging de groei van het aantal abonnees zich uitdrukken in tienden van procenten. Bovendien zorgde een streng prijsbeleid, een lage inflatie en een tanende koopkracht (drop outs) voor een markt waaruit de 'rek' weg was.

De kabelmaatschappijen - over het algemeen samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, de intercommunales - waren echter niet bij machte om complementaire markten te gaan bespelen. Enerzijds ontbrak het aan strategisch inzicht, anderzijds zorgde de probleemloos geïnde kabelfrank voor een zekere gemakzucht. Een redelijke groei van de dividenden in de gemeentebegroting was meestal voldoende om 'avonturen' of nieuwe inzichten in de kiem te smoren. Bovendien waren de gas- en vooral de elektriciteitsbelangen van de intercommunales veel lucratiever. Een enkeling zoals Electrabelkabeldirecteur Norbert De Muynck was een roepende in de woestijn.

Het voorbeeld van FilmNet, sinds eind 1985 actief op de markt met een betaaltelevisiekanaal, dat maar niet op break-evenpositie geraakte, versterkte de trend van voorzichtigheid. Een segmentatie van het programma-aanbod werd uitgesteld wegens onzeker.

AL GORE. In januari 1993 zond de aantredende Vice-President Al Gore een duidelijk signaal uit. Internet, en netwerken in het algemeen, zouden de wereld veroveren. Ook Europa raakte in de ban van dit toekomstbeeld en de information highways werden constanten in toespraken. Op het Europese continent was een sterke penetratie van de breedbandige kabel enkel in de kleine, dichtbevolkte Benelux een realiteit. Hier stond men dus het dichtst bij die highways. In vele andere landen diende men nog te beginnen. Niet te verwonderen dat een echt Europees kabelbeleid in feite nooit bestaan heeft vóór het jaar 1994.

LAPPENDEKEN. In maart 1993 heeft het MERS in een rapport over de Vlaamse mediasector ("De Vlaamse Media"), opgesteld voor het Kabinet Van den Brande, gewezen op de "massale onderbezetting van de mogelijkheden van de kabel". Ook de structuur van de teledistributiesector kwam in het rapport uitgebreid aan bod. De verzorgingsgebieden van de 21 kabelmaatschappijen vormen op de kaart van Vlaanderen een 'lappendeken'.
In augustus 1997 besliste Leuven dan nog om tegen 1999 via Iverlek III een nieuw kabelnet in de stad uit te bouwen, in rechtstreekse concurrentie met het bestaande net van Radio Public. Versnippering was altijd al het meest opvallende kenmerk van de sector.
Het rapport bepleitte een interconnectie van de verzorgingsgebieden. Een signaal, te Maaseik ingespoten, zou dan in De Panne ontvangen moeten kunnen worden. Weg met de muurtjes, leve de ontsluiting!
Het Vlaamse teledistributienetwerk is ongeveer 53.000 km lang. Het zijn de kabels die men langs de gevels en op palen ziet. Slechts een klein deel ligt ondergronds. Het distributienetwerk wordt gevoed door circa 11.000 km primair net, vertrekkend vanuit de zogenaamde kopstations. De verhouding tussen beide delen van het TVD-netwerk ligt op ongeveer 5 km distributienet voor één km primair net. Het aantal abonnees per kilometer distributienet varieert enorm omdat de ene kabelmaatschappij actief is in een stedelijk gebied en de andere in een rurale streek. We hebben te maken met een vork van 31 (PBE) tot 74 (Integan) abonnees per km. Dit heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de return on investment (ROI) bij ingrepen op het net die het telefonierijp moeten maken. De fasering in de ombouw van het net (de plaatsing van terugwegversterkers, e.d.) zal normaal de ROI-logica volgen.
Statutair gezien zijn er vier soorten kabelmaatschappijen: de zuivere en de gemengde intercommunale, de privé-maatschappij en de gemeentelijke regie. Eind 1996 was zo'n 67 % van de abonnees aangesloten bij gemengde intercommunales, het samengaan van gemeenten en Electrabel. De zuivere intercommunales namen 31 % van de abonnees voor hun rekening.
Electrabel werd en wordt gedomineerd door Franse maatschappijen. Deze situatie stond haaks op de Vlaamse verzuchtingen die neergelegd waren in het zgn. 'verankeringsbeleid'. Het differentiëren van het kabelgebruik (welzijnsalarmering, telecontrole, video op aanvraag, enzovoort) zou meteen ook een versterking van de Fransen in de plots strategisch genoemde kabelsector betekenen. Anderzijds moest een kabelbeleid oog hebben voor de gemeentelijke autonomie, iets waaraan zowel de zuivere als de gemengde intercommunales sterk gehecht zijn. Een al te autoritair optreden van de Vlaamse regering of van het coördinerende GIMV tegenover de gemeenten kon vlug in het verkeerde keelgat schieten. Dansen op eieren leek een makkelijker bezigheid.

SPRAAKMAKENDE TELEFONIE. Een resem adviezen vulde het MERS-rapport van maart 1993 aan. Luc Van den Brande mag als de echte 'vader' van het Telenetproject worden bestempeld, want in oktober 1993 kondigde hij in zijn beleidsbrief de oprichting aan van een 'Studiesyndicaat Kabel'. In januari 1994 werd het MERS verzocht om een draft-opdracht voor dit studiesyndicaat uit te schrijven (zie ook onze vrije tribune in Trends van 13.1.1994 on de titel Koop de kabel ! ). Vervolgens kreeg de Gewestelijke Investeringsmaatschappij (GIMV) de taak toegewezen om de werkzaamheden van het onderzoeksteam te coördineren. De kabelsector was voor de GIMV onbekend terrein. De overheidsholding had aanvankelijk absoluut geen klare kijk op de mogelijkheden, al wil men dat vandaag niet meer toegeven. In juni 1994 kwam de werkgroep een eerste keer bijeen. In de prille beginfase lag het niet in de bedoeling om telefonie over het kabelnetwerk te gaan doen. Die optie kwam er een maand later, in juli 1994, en het is nog steeds niet uitgemaakt wie die optie heeft doorgedrukt. Een direct gevolg van die keuze was dat een vertegenwoordiger van Belgacom uit de werkgroep geweerd werd.
De 'hype' rond de liberalisering van de spraaktelefonie vanaf 1998 heeft zeer zeker bijgedragen tot het kiezen van de telefoniepiste. Het eindrapport van het Studiesyndikaat kwam er, rekening houdend met de draagwijdte van wat voorgesteld werd, ontzettend vlug. Ook de Vlaamse regering heeft qua decision making alle records gebroken, want op 26 oktober 1994 reeds was het eindrapport van het SNDKT in de Ministerraad goedgekeurd en was Telenet beleidsmaterie geworden. Vlaamse beleidsmaterie weliswaar. In telecomland was nog nooit zo hard gefietst. Ook de federale regering was op snelheid gekomen en werd onverhoeds geconfronteerd met een pril Vlaams telecombeleid dat roet in het eten kon gooien bij de gedeeltelijke privatisering van het nationale Belgacom. Telenet drukte de prijs van de Belgacomaandelen, zo werd beweerd. Het communautaire duiveltje liet zijn staart zien!

De verantwoordelijkheid die men op zich laadde was enorm: zowel de samenwerking tussen de kabelmaatschappijen als de financiering van het Telenetplan waren een uitdaging van formaat. Ook op technisch vlak diende men een wereldprimeur uit te dokteren. Het distributief opgebouwde kabelnetwerk (point - multipoint) zou drager worden van zowel televisiesignalen (het klassieke gebruik) als van spraaktelefonie, een per definitie punt-tot-punt-aangelegenheid. Dit laatste veronderstelt dat men over de kabel een zogenaamde 'terugweg' vanuit de huiskamer naar een schakelpunt creëert. De diverse schakelpunten moeten met elkaar verbonden worden door glasvezelkabels met hoog debiet.
Megacentrales worden gebouwd in volgende 7 gemeenten: Hoboken (Antwerpen), Brugge, Kortrijk, Gent, Brussegem (Asse), Leuven en Hasselt.

GEVOLGEN. Aangezien de keuze voor telefonie over de kabel zoveel aandacht en knowhow vereiste, is het verklaarbaar dat de multimediatoepassingen, waarvoor de kabel eigenlijk het meest aangewezen is, naar achter werden geschoven. De concurrentie met het federale Belgacom, inmiddels opgenomen in een internationaal consortium (met Ameritech, Singapore Telecom en Tele Danmark), stond in het brandpunt van de belangstelling. De intrede van US West, één van de Amerikaanse Baby Bell's, in Telenet moest tegelijk voor cash en voor de zo noodzakelijke technologiepush zorgen. De aanspraken van bijvoorbeeld Alcatel, met de belangrijke Bellvestigingen te Antwerpen en te Geel, waren daarmee zo goed als teruggefloten. Daar werd meteen geschermd met het zo gevoelige punt van de werkgelegenheid. Later werd Alcatel wel als leverancier aangesproken. Maar achter de schermen bleef het 'verankeringsdossier' toch een sleutelrol spelen. Bij de keuze van de telefoniepartner heeft men zeer zeker geopteerd voor een verre Amerikaan, liever dan voor een nabije Fransman. Of de knowhow van US West inzake kabeltelefonie zo uniek was, valt te betwijfelen. Immers, de ervaring die US West via haar dochter Telewest had opgebouwd in Groot-Brittannië was gestoeld op het gebruik van de klassieke telefoonkabel (twisted pair) naast de klassieke teledistributiekabel (coax). In de UK duwt men dus twee kabels bij de abonnee binnen. In feite kan men zeggen dat nooit eerder een telefonieproject op zo'n grote schaal was uitgetest waarbij televisie- én telefoniesignalen over één en dezelfde kabel getransporteerd werden. In de latere engineeringfase zou blijken dat de technische uitdaging groter was dan verwacht en dat nog veel labowerk nodig was om het netwerk effectief te doen functioneren.

FINANCIERING. De financiële inspuiting die Telenet vergde werd door het SNDKT geraamd op 47 miljard BEF, te spreiden over 15 jaar. Het project oversteeg daarmee niet zozeer de financiële slagkracht van Vlaams kapitaal, maar vooral het durfpotentieel dat in onze contreien aanwezig is. Ook de al te zwakke want versnipperde organisatie van het Vlaamse kapitaal kwam hiermee aan het licht. De gemengde kabelintercommunales hebben zich via een ingewikkeld financieringssysteem laten indekken door Electrabel. Hierdoor kunnen de gemeenten blijven rekenen op de klassieke kabeldividenden en toch meesnoepen van zodra telefonie begint op te brengen. Voor dit ontwijken van risico betalen de gemeenten natuurlijk een prijs. In feite trekt Electrabel haar dominante positie die zij in kabelland al had nu ook door binnen de kabeltelefonie. De dimensie van het investeringspakket en van de risico's moest haast onvermijdelijk leiden tot een dans tussen groten. De onderhandelingen om de aandeelhouders bijeen te krijgen hebben uiteindelijk tot september 1996 geduurd.

BELGACOM ALERT. Straks krijgt het oude en grote - maar op wereldvlak onbeduidende - Belgacom dus te maken met een Vlaamse concurrent. Bij Telenet wil men niet zoveel kwijt over hoe men die concurrentie gaat aanvatten. Men zou de nationale operator met prijsverminderingen te lijf gaan, zo werd in januari 1997 nog gezegd.
Die marketingkeuze was cruciaal én gevaarlijk. Mocht dit waar zijn geweest dan onderschatte men het ontwakingsproces dat Belgacom sinds 1992 heeft doorgemaakt. De periode van Bessel Kok mag dan turbulent geweest zijn, zij heeft aangetoond dat de revolutie niet aan Belgacom zou voorbijgaan. Ook heeft Belgacom heel wat concurrentie-ervaring opgebouwd met het GSM-dossier en heeft het bewezen snel een draadloos netwerk uit de grond te kunnen stampen. Belgacom is dus alert en kan putten uit de opbrengsten van de klassieke en de moderne mobiele telefonie. Dat Telenet en Mobistar gedoemd zijn om samen op te tornen tegen Belgacom-Proximus lijkt volgens sommigen dan ook een evidentie. Mobistar geeft toe dat er gepraat wordt.
Wat er ook van zij, met zijn 139 miljard BEF omzet in 1996 is Belgacom een geducht concurrent voor Telenet en eerstgenoemde zou wel eens een langere 'prijsadem' kunnen hebben dan Telenet.
In augustus '97 laat men een ander geluid horen. "Telenet start waar ISDN stopt", klinkt het nu. Daarmee wisselt het geweer van schouder: de diensten en de breedbandigheid worden naar het voorplan geschoven. Ook in de sfeer van de aangeboden eindapparatuur zou Telenet voor een verrassing zorgen.


BREEDBANDIGHEID EN MARKETING. Natuurlijk geeft Telenet niet al zijn troefkaarten zomaar bloot. De ultrasnelle toegang tot (een selectief gedeelte van) internet is zo'n troef. Deze dienst wordt aangeboden onder de benaming 'Pandora'. Hierbij worden een aantal databanken ingeladen in een zogenaamde proxi-server die rechtstreeks op het breedbandige fiber-coax-netwerk (HFC, hybrid fiber coax) van Telenet is aangekoppeld. De bottle neck van het smalbandige klassieke telefonienet wordt daardoor omzeild. Een maandabonnement op Pandora kost 1.500 BEF en dat bedrag dekt ook alle communicatiekosten. De eenmalige installatiekost, inclusief de kabelmodem, bedraagt 10.000 BEF. De testfase is veelbelovend. Toch komen we hier bij de sleutelkwestie rond Telenet: hoe haal je uit de breedbandigheid van het gebruikte netwerk een comparatief voordeel op Belgacom? We zitten dan dicht bij de vraag welke inhoud er in de proxi-server moet worden gestopt. Die kwestie wordt op statistische basis opgelost. Internetsites die veel geconsulteerd worden, komen bovenaan het lijstje om ingeladen te worden in de proxi-server. Het kijkcijfer gaat ook hier dus een cruciale rol vervullen. Probleem blijft de extreem lage penetratie van internet in Vlaanderen.
De proxi-server zal in feite een draaischijf worden van door derden aangeboden inhouden. De digitalisering van alle informatie-inhouden en van de gehele entertainmentproductie opent perspectieven die in het begin van de XXIste eeuw voor een ware revolutie zullen zorgen. Heel ons cultureel erfgoed en alle onderwijspakketten worden immers gemakkelijk transporteerbaar over die netwerken. Dit is geen droom. De vraag is niet meer of dat soort informatiemaatschappij eraan komt, wél hoe snel het zal gaan.
Dit facet van Telenet wordt voorlopig nog op de achtergrond gehouden. Het gehele project is nog al te zeer techno-driven om met zulke kwesties bezig te zijn.

BIG BROTHER? Een voorbeeld toont aan hoe maatschappelijk en hoe ethisch de aangelegenheid wel kan worden. Neem nu de affaire Dutroux. De wanstaltigheid ligt natuurlijk in de aard van het delict zelf. Maar ligt ze niet evenzeer in het gebrek aan communicatie? Is het verstoppertje spelen van politiediensten en parketten niet misdadig? Hoe zwaar weegt de verantwoordelijkheid op het beleid indien men de technologie niet inzet daar waar ze moet ingezet worden? Quid indien men opteert voor geslotenheid i.p.v. voor openheid in een zo essentieel dossier als de burgerlijke veiligheid?
Het al dan niet inschakelen van performante netwerken en databases is vandaag geen technologische optie, maar een maatschappelijke én dus een politieke. De trage maar gestage popularisering van internet heeft voor velen duidelijk gemaakt dat afstand niet langer een rol speelt in de informatieoverdracht. De afstand tussen Brussel en Buenos Aires is even kort als die tussen Luik en Charleroi. Na miljoenen jaren drijven de continenten terug naar elkaar toe. Nu het technische 'non possumus' van de baan is geveegd, wordt in de discussie vrij vlug geschermd met gemeenplaatsen zoals Big Brother en privacy. Maar de maatschappelijke evolutie is van die aard dat vandaag enkel criminele organisaties en financiële sjoemelaars profiteren van het niet-bestaan van goed georganiseerde computernetwerken waarin op gecontroleerde manier wordt omgegaan met vitale veiligheidsinformatie. De breedbandigheid én dus de snelheid waarmee enorme pakketten via Telenet getransporteerd kunnen worden, zijn morgen argumenten om de beleidsmakers tot creativiteit en het afleggen van verantwoording te dwingen.

ONDERWIJS EN PC-VAARDIGHEID. Een laatste teer punt ligt in het opleidingsniveau van het publiek. Waar haalt de gewone burger straks de vaardigheid vandaan om met ingewikkelde eindapparatuur om te gaan? Worden de installatieprocedures sterk vereenvoudigd? Wat investeren we in opleiding en begeleidende communicatie? Wanneer confronteren we onze kinderen met de pc: op 4, op 6 of pas op 12 jaar? Welke software maken we hen eigen? Of moet dit debat niet gevoerd worden en klaart in de markt alles vanzelf uit? De 11-juli-toespraak van Luc Van den Brande is terzake vrij radicaal. Tegen 2001 wil de Vlaamse regering alle jongeren van 12 jaar een pc-opleiding bezorgen. Het prijskaartje bedraagt 2 miljard BEF. Een peulenschil. Toch schrikken sommigen van een investering van enkele duizenden franken per leerling. Net alsof opleiding een luxe zou zijn. Allerminst. Een maatschappij in mutatie kan het zich niet permitteren eenzijdig te kiezen voor een technologiestoot zonder onderwijsverandering. Indien een bedrijf zoals Belgacom met miljarden het grootste intern herscholingsprogramma in België gaat realiseren, dan moet dat toch een niet mis te verstaan signaal zijn dat opleiding vitaal is. Telenet krijgt pas echt zin als het een rol gaat spelen in een breed sociocultureel kader. Pure telefonie met enkele ingenieuze toeters en bellen vormt een te smalle basis om de markt te bekoren.
TESSENS Lucas
Beknopte historiek van De Persgroep (tot 1995) - Uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling'
Edited: 199511001461
Beknopte historiek :

Op 7.6.1888 wordt te Brussel het dagblad Het Laatste Nieuws gesticht ter gelegenheid van de wetgevende verkiezingen van 12.6.1888. Het blad, dat slechts twee pagina's telde, wordt verkocht tegen een prijs van 2 cent ("centenblaadje"). De eerste nummers verschenen onder leiding van een comité onder wie Julius Hoste sr (°Tielt, 25.1.1848 - +Brussel, 28.3.1933). Onmiddellijk na de verkiezingen zet vader Hoste de publikatie van het nieuwe dagblad alleen verder. Daarin polemiseerde hij hevig tegen de klerikalen, de franskiljons en het sociale onrecht. In 1897 wordt het dagblad De Nieu¬we Gazet gesticht. In 1900 richt Julius Hoste te Brussel het dagblad 'Vlaamsche Gazet' op, bedoeld voor de liberale intelligentsia. In 1914 verdwijnt dit dagblad. Tijdens WO I vallen ook de persen van Het Laatste Nieuws stil. Na de eerste wereld¬brand wordt vader Hoste opgevolgd door zijn zoon, Julius Hoste junior. Hoste jr had aan de VUB rechten gestudeerd en deed er zich door zijn welsprekendheid opmerken in de Vlaamsgezinde kringen. Hij gaf de krant een volkser en gematigder karakter en mede daardoor steeg de oplage pijlsnel (van 63.000 in 1919 naar 285.557 in 1939). Julius Hoste jr wordt in 1936, als extra-parlementair, minister van Onderwijs in de regering Van Zeeland; in 1937 treedt hij in de regering Janson; tijdens WO II hij als staatssecretaris in de regering Pierlot te Londen. Na WO II wordt hij liberaal senator tot aan zijn plotse overlijden op 1.2.1954. Slechts dan wordt de NV Uitgeverij Hoste opgericht en dit onder leiding van dhr Albert Maertens. Voordien was Het Laatste Nieuws immers de persoonlijke eigendom van Julius Hoste jr. Op 3.5.1955 komt ook de "Stichting Het Laatste Nieuws" tot stand; die stichting moet - aldus de wens van de overledene - waken over het behoud van de geest en het eigen karakter van het blad. De schoonzoon van Julius Hoste jr., dhr Frans Vink, treedt aan en wordt weldra directeur-generaal van de uitgeverij.

Op 7.11.1957 koopt Uitgeverij Hoste 90 % van de aandelen van De Nieuwe Gazet (Antwerpen), die tot dan toe in handen waren van de Burton Uitgeverij NM (familie Burton), en vertrouwt de leiding van De Nieuwe Gazet toe aan dhr Frans Grootjans.
Op 12.12.1958 wordt Zondag¬nieuws door Uit¬geverij Hoste gelanceerd. Op 1.5.1962 lan¬ceert men het week¬blad Kwik. Op 12.7.1963 versmelt de Burton Uitgeverij De Nieuwe Gazet volledig met de NV Uitgeverij Hoste. Op 7.1.1967 wordt het Franstalig weekblad Sport door Hoste gelanceerd. Op 18.1.1967 verschijnt de nederlandstalige tegenhanger Sport. In 1969 wordt het weekblad Telstar door Het Laatste Nieuws gelanceerd. In 1971 grijpt een fusie plaats tussen twee weekbladen van de Hoste-groep: Telstar wordt opgeslorpt door Zondagnieuws. In 1976, na het faillissement van de Standaard-groep, kan de groep Maertens-Van Thillo-Brébart, een aantal weekbladtitels kopen van de curatoren. Hieronder Ons Volk, Chez Nous, Echo de la Mode, e.a. Aanvankelijk had deze groep ook voorstellen gedaan om, parallel aan de redding van de dagbladen van de Standaardgroep door dhr A. Leysen en co, een oplossing te zoeken voor de weekblad-poot, inclusief personeelsovername, 677 man, en koop van de infrastructuur. Voor de weekbladen kon toen echter geen 'waterdicht schot' met het verleden worden gecreëerd wegens panden op titels. In de jaren daarna gaat het niet goed met de Uitgeverij Hoste. Het Laatste Nieuws lijkt een beetje ingedommeld en is duidelijk aan een herpositionering toe tegenover Het Nieuwsblad van de Standaardgroep. Over het boekjaar 1984 lijdt Hoste zelfs plots een recordverlies van 117 miljoen BEF. Ook de weekblad-poot Het Rijk der Vrouw/Femmes d'Aujourd'hui wordt continu geplaagd door hoge verliezen (-164 miljoen in 1983, -347 miljoen in 1984, -17 miljoen in 1985) en genereert bijgevolg geen enkele return voor Hoste. (zie onze balansanalyse van eind oktober 1986 zoals medegedeeld aan de voorzitter van de NFIW)
In de jaren tachtig verzet Uitgeverij Hoste zich heftig tegen elk plan om commerciële tv in Vlaanderen op te starten. Dit niettegenstaande het feit dat binnen de Vlaamse Executieve de liberale coalitiepartner hard aan de kar duwt om het project doorgang te doen vinden. Door toedoen van de familie Van Thillo en op aandringen van niet aflatend protagonist Jan Merckx wordt de uitgeverij toch bij de plannen van de Vlaamse Media Maatschappij betrokken en op 28.11.1987 behoort de groep dan toch tot de medeoprichters van VTM. Ondertussen werd wel op 15.11.1984 het weekblad Dag Allemaal door de NV Sparta op de markt gebracht. Dit weekblad zou gaandeweg, en parallel met VTM, tot een succes zonder voorgaande uitgroeien. In januari 1989 neemt de groep Hoste De Morgen op. Deze overname wordt volbracht onder het mandaat van dhr Rik Duyck, directeur-generaal. Op 17.9.1989 fusioneren Dag Allemaal en Zondag Nieuws inhoudelijk. Op 5.9.1990 gaan de titels Het Rijk der Vrouw en Femmes d'Aujourd'hui over in handen van de Internationale Uitgeversmaatschappij (IUM). Tengevolge hiervan stopt Publicité d'Aujourd'hui vanaf 1.1.1991 met zijn aktiviteiten. Kiosk, behorend tot de groep IP-Havas, neemt de regie van Dag Allemaal en van Joepie in handen (verder verzorgt Kiosk de acquisitie van reklame voor Le Moniteur de l'Automobile/Autogids, Ciné Télé Revue, Téléstar, 7 Extra, Top Santé, Goed Gevoel, Time en Madame Figaro). De keuze van deze regie is strategisch van aard en heeft alles te maken met de druk op de magazine-tarieven vanwege de aankoopcentrales voor publiciteit ('centrales d'achat') die in de jaren tachtig ook in België tot wasdom zijn gekomen. Ook het aanbieden van een nationale dekking - een klassieke vraag van de adverteerders - is een belangrijke drijfveer geweest. In 1990 verkoopt Frans VINK zijn 33%-aandeel in de groep Hoste aan de Van Thillo's. In hetzelfde jaar vervangt de zeer jonge Christian Van Thillo Rik Duyck aan het hoofd van de groep. Op 20.6.1991 wordt de ASAR-drukkerij met 320 werknemers op bekentenis failliet verklaard na een ingewikkelde herstruktureringspoging tussen Aurex, Finimco, Edibel en met hulp van de GIMB (Brussels Gewest). De laatste jaren gaat het goed met de groep en worden er voor Het Laatste Nieuws/De Nieuwe Gazet oplagestijgingen genoteerd (zie bijlage). Op 19.2.1993 wordt het verlieslatende Lotus Reizen - reisagent met 23 kantoren - verkocht was aan United Professionals rond de Antwerpse investeerder Paul Pierre. Hoste bevestigt hiermee de wil om zich uitsluitend op de 'core business' te richten. Medio november 1993 komt hoofdredacteur Karel Anthierens over van Het Volk (zie aldaar).
De vennootschap raakte eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Belgian Multimedia' (Hoste, Belgian Media Holding, Concentra, Rossel-Le Soir, telecom-groep US West ) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar Belgacom besliste zelf als uitgever te gaan optreden. Begin mei 1994 stopt De Persgroep het project "De Week" (weekendkrant genre Sunday Times) in de koelkast. Tijdens het WK-voetbal '94 (juni-juli) verkoopt HLN zijn Limburgse editie aan 20 i.p.v. aan 26 BEF hetgeen bij Het Belang van Limburg uiteraard niet in goede aarde valt. In augustus 1994 verklaart De Persgroep geïnteresseerd te zijn in samenwerkingsverbanden met 'Het Volk'. In september 1994 start HLN in de provincie Oost-Vlaanderen met een grootscheepse promotiecampagne, ondersteund door VTM-spots, waarbij men stafkaarten van de provincie in het dagblad aantreft.

De NV De Nieuwe Morgen, opgericht op 15.1.1987, is de uitgever van het dagblad 'De Morgen', gesticht op 1.12.1978 door NV De Roos, een uitloper van het faillissement van 'Volksgazet' . De vennootschap groeide uit het faillissement van de SV De Morgen die op 30.10.1986 de boeken neerlegde. De SV De Morgen had op 1.6.1981 al de aktiviteiteiten van de NV De Roos overgenomen en werd tot 19.3.1985 op de persen van Het Licht te Gent gedrukt. Op die datum komt het dagblad uit in tabloid-formaat en wordt gedrukt op de persen van Nevada-Nimifi. Tengevolge daarvan moet Het Licht eind 1985 de boeken neerleggen. Het noodlijdende dagblad werd midden januari 1989 door Hoste overgenomen en verschijnt sinds 1.1.1991 op groot formaat aangezien het gedrukt wordt op de persen van Hoste. De onderhandelingen daarover dateren van medio 1988 toen eens temeer gebleken was dat de financiële toestand fel achteruitging. De helft van de titel, in het bezit van de NV Studin werd op 16.1.1989 overgedragen aan de NV De Nieuwe Morgen voor een symbolische frank. De tweede helft van de titel, in het bezit van de CV D.O.P. werd op 19.12.1989 omgezet in kapitaal (inbreng in natura) ten belope van 4 miljoen frank. Op 1.7.1991 werd de editie 'Vooruit' (°1884) opgegeven. Op 4.12.1991 neemt Dhr Paul Goossens ontslag als hoofdredacteur maar blijft editorialist. Dhr Piet Piryns volgt hem op. Eind 1992 ontstonden moeilijkheden tussen de leiding van Hoste en de redactie over het afsluitingsuur van de kopij (dead-line). Sindsdien is er van de NV Drukkerij Het Volk een aanbod gekomen om de krant te gaan drukken. De gesprekken hierrond zijn nooit gefinaliseerd (noteer dat het samenwerkingsverband tussen Hoste en De Morgen liep tot eind 1993). Ondertussen heeft de hoofdredactie ontslag genomen en werd redacteur Walter De Bock aangesteld tot hoofdredacteur a.i. 1993 was niet goed voor De Morgen. De Morgen ging stelselmatig achteruit qua betaalde verspreiding en de merkreklame stagneerde op een te laag peil (zie grafiek in de bijlagen). In 1993 hebben wij dan ook volgende stelling naar voor gebracht : "Naar onze mening zou De Morgen overigens beter af zijn in een WEEKBLADFORMULE. De redactionele aanpak leent zich ook uitstekend om die stap te zetten. De opiniewaaier hangt immers niet - zoals traditionalisten onterecht menen - samen met de periodiciteit van een medium. Reeds in november 1986, ten tijde van het faillissement van De Morgen, hadden wij deze idee gelanceerd. Als overgangsmaatregel zou men de perssteun die De Morgen nu geniet kunnen blijven uitkeren. Bedrijfseconomisch lijkt ons de weekbladformule veel haalbaarder omdat het break-even-point veel lager ligt dan in de dure dagbladformule." Begin 1993 heeft De Morgen aan Andersen Consulting een beleidsadvies gevraagd. Het is onbekend of deze doorlichting veel resultaat heeft opgeleverd.

Tegenover ons bevestigde het management van De Persgroep medio februari 1994 nogmaals dat de verkoopintentie voor De Morgen gehandhaafd blijft. Hoste houdt De Nieuwe Morgen overigens buiten de consolidatiekring omdat "de aandelen uitsluitend gehouden worden met het oog op latere vervreemding" .
Terwijl de andere dagbladen op 1.10.1993 hun prijs voor een los nummer verhoogden bleef De Morgen staan op 30 BEF. Op 12.10.1993 houdt de 'Antwerpse De Morgen' (°1.3.1983) op te bestaan. De overnamegesprekken raakten in het slop.
Voor de eerste drie maanden van 1994 meldt De Morgen een licht gestegen verkoopcijfer (23.783 ex.), voornamelijk te wijten aan een stijging van het aantal abonnementen. Medio september 1994 verklaart dhr Christian Van Thillo dat de verkoop van De Morgen geen prioriteit meer is voor de Persgroep. Terzelfdertijd raakt bekend dat de krant per 1.10.1994 een nieuwe hoofdredacteur krijgt : Humo-journalist Yves Desmet (°1960), die vroeger ook al bij De Morgen werkte als politiek verslaggever .
Sindsdien gaat het qua verkoop beter met De Morgen. In de periode juli 1994 - juni 1995 werden gemiddeld 27.161 ex. verkocht. Het dagblad moet echter een relatief hoge gedrukte oplage (39.455 ex.) in de markt zetten om de verkoop te ondersteu¬nen. Met een verspreidingspercentage dat op 68,8 % ligt scoort De Morgen het laagst van alle Vlaamse dagbladen. Gezien de gestegen papierprijzen is dit een kwalijke zaak. De vastgestelde zwakte kan vele oorzaken hebben maar wijst toch in de richting van een moeilijk verlopende fidelisering van de lezer.


Noot over het faillissement van Volksgazet:
Op 14.7.1978 waren de vennootschappen Excelsior en Ontwikkeling, resp. drukkerij en uitgeverij van het socialistische dagblad 'Volksgazet' (°3.6.1914 - +18.7.1978) in faling verklaard. De rechtbank van koophandel bracht bij vonnis van 27.7.1978 de datum van staking van betaling op 14.1.1978, de klassieke 6 maanden. Een nieuwe vennootschap 'De Roos', opgericht enkele dagen na het faillissement kreeg van de curatoren de toelating om de uitgave verder te zetten tot 15.9.1978. Problemen met de overname van personeel en het niet vrijgeven van de titel leidden echter tot de definitieve stopzetting van de uitgave op 18.7.1978. (uit : X, De teleurgang van Volksgazet, in : De Pers/La Presse, nr 98, Brussel, BVDU/ABEJ, juli 1978, blz. 7). Zie ook : VAN WASSENHOVE, Ph., (De) Volksgazet, (onuitgegeven verhandeling), RITCS, Brussel, 1979, 248 blz. (dit goed gedocumenteerde werk, geschreven kort na het verdwijnen van 'Volksgazet', bevat bovendien een uitgebreid bronnenoverzicht) (ref MERS 19790426).
TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
Beknopte historiek van de Standaardgroep (1914-1994) en Het Volk (1891-1994)
Edited: 199411100901


DE STANDAARD

Op 2.5.1914 wordt de NV De Standaard opgericht. Wegens WO I kan het eerste nummer van De Standaard slechts op 4.12.1918 verschijnen. Op 28.7.1919 koopt De Standaard een gebouw aan de E. Jacqmainlaan te Brussel. Vanaf 11.7.1921 laat de uitgeverij te Antwerpen het dagblad 'De Morgenpost' (1921-1940) verschijnen. In 1924 koopt de NV De Standaard de SA Imprimerie Nationale, omgedoopt tot NV Periodica. In 1927 verwerft Gustaaf Sap de meerderheid van de aandelen van de NV De Standaard n.a.v. een kapitaalsverhoging. In 1929 start men met de polulaire editie 'Het Nieuwsblad'. In datzelfde jaar wordt Sap volledig meester van NV De Standaard. In 1937 slorpt Het Nieuwsblad 'Sportwereld' op. In 1940 overlijdt Gustaaf Sap en tijdens WO II verschijnen de kranten van de groep niet. Na het lichten van het sekwester op Periodica kan 'De Nieuwe Standaard' opnieuw verschijnen op 10.11.1944 maar ditmaal onder verantwoordelijkheid van een groep mensen rond Tony Herbert . In 1947 slagen de erven Sap erin de controle terug te krijgen en op 1 mei 1947 verschijnt 'De Standaard' opnieuw. De schoonzoon van Gustaaf Sap, Albert De Smaele, neemt de leiding op zich. In 1957 slorpt 'De Standaard' 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad' op. In mei 1957 verwerft de Standaardgroep 'Het Handelsblad' (8.12.1844-1979) uit Antwerpen. In 1962 koopt de groep de dagbladen 'De Gentenaar' (1879-heden) en 'De Landwacht' (1890-1979) op en schakelt de inhoud van 'Het Handelsblad' gelijk met die van 'Het Nieuwsblad'. In 1966 laat men twee titels vallen : 'Het Nieuws van den Dag' en 't Vrije Volksblad', subtitels geworden van 'Het Nieuwsblad'. In 1969 richten NV De Standaard en NV De Vlijt op paritaire basis de NV Perexma op die het tv-blad 'TV-Ekspres' zal gaan uitgeven. Tegelijk verwerft De Standaard de exploitatierechten op het weekblad ZIE van De Vlijt. Vanaf 1970 gaat de groep zich echt interesseren voor haar inmiddels uitgebouwde aktiviteiten in Frankrijk. In 1972 neemt de NV Periodica twee drukkerijen over van de groep Lambert. In 1974 en daarna gooit de Standaardgroep zich op de touroperator-sektor. In 1975 richten De Vlijt, Concentra en De Standaard samen de Groep I Dagbladen NV op; de samenwerking tussen deze drie voor de gezamelijke acquisitie van nationale themareklame bestond al van in 1968. In 1975 komt de dépistage-dienst van de Rechtbank van Koophandel te Brussel zware financiële moeilijkheden van de Standaardgroep op het spoor. De ministerraad van de regering Tindemans bespreekt de moeilijkheden van drukkerij Periodica en de Standaardgroep op volgende vergaderingen: 5, 12 en 15 december 1975, 27 februari, 5 maart en 14 juni 1976. PDG De Smaele slaat de raad van zijn invloedrijke en uitstekend geïnformeerde hoofdredacteur, dhr Manu Ruys, om de gezonde kranten uit het concern te lichten voor het te laat is, in de wind. Op 19 mei 1976 wordt de NV Periodica, grootste drukkerij van de groep, ambtshalve in faling verklaard. De rest van de groep wordt meegesleurd in dé mega-faling van de Belgische pers. Na mislukte concordataire plannen van de aandeelhouders, politieke interventies, nachtelijke beraadslagingen, komt dhr André Leysen met een reddingsplan. Hij slaagt erin een waterdicht schot te slaan tussen de gefailleerde vennootschappen en de toekomst van de dagbladen, waarvan hij - weliswaar na een justitiële procedure over de waardebepaling - de titels voor 52 miljoen van de curatoren kan kopen. De weekbladen-poot van de groep gaat grotendeels over in de handen van de zgn. groep Maertens-Van Thillo-Brébart. De sociale kost van het faillissement is enorm hoog : meer dan duizend werknemers staan op straat. Voor de dagbladen wordt de oplossing op 26.6.1976 gevonden en op 29 juni 1976 verschijnen ze onder verantwoordelijkheid van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij - afgekort VUM - een vennootschap met een kapitaal van 120 miljoen BEF. De aandeelhouders situeerden zich in de Antwerpse zakenwereld en de scheepvaart. De stroomopwaartse bindingen van de redders van de Standaardgroep stonden toen niet ter discussie. Reeds in 1977 is de VUM winstgevend en dat niettegenstaande de voortdurende weigering van VUM om de directe perssteun te aanvaarden. Op 15.2.1979 laat de VUM Het Handelsblad verdwijnen. In 1979 laat de VUM, als eerste een onderzoek doen dat gaat in de richting van redactionele marketing. Op 30.5.1979 wordt beslist om zowel de maatschappelijke zetel als de administratieve zetel van de VUM over te plaatsen van Antwerpen naar Groot-Bijgaarden. In 1980 trekt de VUM zich terug uit de publicitaire pool Groep I Dagbladen. In 1981 boekt de VUM een rekordwinst van 87 miljoen BEF. Vanaf 1982 begint VUM met een nieuw opmaaksysteem voor de kranten. In 1982 staat dhr Verdeyen, directeur-generaal, aan de wieg van Mediatel, een onderzoekscel van de BVDU, die moet speuren naar de nieuwe mogelijkheden van electronic publishing voor dagbladen. In oktober 1982 verklaart de VUM niet meer mee te willen zoeken met de andere uitgevers naar mogelijkheden voor commerciële tv in Vlaanderen. Op 26.5.1982 beslist de buitengewone algemene vergadering van de VUM bij eenparigheid van stemmen om het kapitaal terug te brengen van 200 miljoen tot 100 miljoen BEF. In juni 1984 sticht VUM samen met Het Belang van Limburg, de Financieel Ekonomische Tijd, Electrafina en Gevaert de vennootschap Onafhankelijke Televisie Vlaanderen. De rest van de Vlaamse pers sticht een CV Vlaamse Media Maatschappij, eveneens erop gericht om in Vlaanderen een commercieel station op te zetten. In 1984 brengt dhr André Leysen een boek uit waarin hij, sprekend over de winstcapaciteit van de VUM, stelt : "We stellen nu vast dat de belasting die we op onze winst betalen, ongeveer overeenkomt met de overheidssteun aan de Vlaamse pers. We voelen ons dan ook de weldoeners van de andere kranten." Die arrogantie zet veel kwaad bloed bij de collegae-uitgevers. Op 20.9.1984 start de VUM, via haar dochter Infotex, met een tabloïd volksdagblad '24 uur' dat echter reeds op 26.10.1984 haar uitgave moet staken; het dagblad werd zwaar geboycot door de dagbladverkopers die het niet namen dat het dagblad ook buiten hun circuit gedistribueerd werd. Op 4.11.1985 beslist OTV bij monde van DG Verdeyen om niet meer deel te nemen aan de zgn. Astoria-gesprekken (de gesprekken tussen de Vaste Commissie van de BRT en VMM en OTV met als thema de overdracht van het tweede BRT-net aan de uitgevers); OTV is van mening dat alleen een volledige privatisering van dat net een volwaardig alternatief is voor een commercieel net. Tussen OTV en VMM komt het uiteindelijk ook niet tot een akkoord om samen zo'n commercieel TV-station op te zetten; ook politieke druk brengt geen aarde aan de dijk. Op 11.7.1986 verpreidt het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven een strooibiljet met daarop de kop van De Standaard en de tekst "Alles voor Leysen, Leysen voor RTL. Leysen toont de weg. VUM - GBL - Frère - Generale - RTL", daarmee doelend op die stroomopwaartse binding. Op 17.10.1986 creëert de VUM winstbewijzen voor het personeel en wil het daarmee belonen voor hun bijdrage tot het resultaat van de onderneming. In 1987 schrijft dhr Leysen in een boek : "We hebben ook een tijdlang in commerciële tv geloofd, maar onze ambities op dat vlak zijn nu merkelijk afgekoeld". De VUM is er dan ook niet bij wanneer op 27.10.1987 VTM wordt opgericht. Concentra, met het Belang van Limburg, had zich tevoren losgemaakt van OTV en de overstap gedaan naar VMM en participeerde zodoende wél in het tv-station. In juli 1988 verlaat dhr Piet Antierens, commercieel direkteur van de VUM, de vennootschap om dezelfde funktie te gaan waarnemen bij de nog op te starten VTM. Op 15.3.1990 verkoopt VUM de belangrijkste produkten en aktiviteiten van de NV Sydes en de NV Infotex aan Delaware Computing NV; het personeel wordt door deze laatste overgenomen. In juni 1990 beslissen BRTN en VUM om samen een publiciteitsregie op te richten voor radioreklame, de VAR. In juli 1990 koopt de VUM het tweetalige blad voor kaderleden 'Intermediair/Intermédiaire' over van Diligentia Business Press. In december 1990 zegt VTM-Voorzitter J. Merckx over een toetreding van de VUM tot de VTM : "VTM est une maison close, mais pas un bordel". In 1991 weigert de VUM haar medewerking aan een sectoriële doorlichting van de pers door Ernst & Young, uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse economie-minister De Batselier. Op 14.11.1991, in een interview in Humo zegt dhr Leysen : "Ik heb me vergist inzake het commercile succes van VTM op korte termijn. Maar ik ben nog altijd blij met onze beslissing omdat De Standaard het boegbeeld zou geworden zijn van die VTM, en ik vreesde dat het cultureel niveau zo laag zou zijn, dat ik niet graag had dat de Standaard-lezer daarmee verbonden werd. En dat gevoel heb ik nog altijd : de programma's zijn niet bijzonder hoogstaand. En ik zou ook vandaag niet participeren." Op 17.3.1992 antwoordt dhr Leysen, in een vraaggesprek met de lezers van De Standaard, op de vraag of onze cultuur in een Europees verband niet in de verdrukking dreigt te komen : "De vervlakking van de Vlaamse cultuur vindt niet zozeer plaats door Engelse of Franse invloeden, als wel door de VTM." Op 20.5.1992 deelt de VUM via haar dagblad De Standaard mee dat, voor de eerste keer in haar geschiedenis, haar omzet gedaald was (-3,61 % in 1991 tegenover 1990). Volgens een mededeling van VUM (DS, 5.6.1993) bedroeg de nettowinst over 1992 148 miljoen tegen 110 miljoen over 1991; de omzet zou gestegen zijn tot 3,74 miljard; terwijl de verkochte oplage van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de populaire bladen van de VUM, daalde, steeg de verspreiding van De Standaard met 1,7 procent in 1992; VUM betaalde over het exploitatiejaar 1992 111 miljoen frank belastingen; het bedrijf investeerde in een derde moderne Wifag-pers. Op 29.1.1993 lanceert VUM Standaard-magazine, een gratis bijlage op vrijdag bij De Standaard. Standaard Magazine wordt gedrukt op de persen van Concentra (Belang van Limburg). Wellicht door deze gratis bijlage steeg de verkochte oplage van De Standaard over de eerste vier maanden van 1993 met 5.000 ex. tot 76.000 ex., aldus een mededeling van VUM. Voor de tweede helft 1993 kondigde de VUM een weekbladinitiatief maar op 3 juli 1993 wordt dit project afgeblazen omdat het bedrijfseconomisch niet haalbaar zou zijn. Verder wordt er in 1993 een vierde Wifag-pers geïnstalleerd (in gebruik sinds juli 1993) en investeert men 250 miljoen in electronische pagina-opmaak. Op 1 oktober 1993 verhoogt De Standaard zijn losse verkoopprijs van 25 naar 28 frank terwijl Het Nieuwsblad en De Gentenaar van 25 naar 26 frank stijgen. De Standaard doet daarmee 3 zaken : het bevestigt zijn karakter van elitekrant, doorbreekt het sinds WO II bestaande prijskartel van de dagbladen en rekent op de inelasticiteit van de vraag naar kranten (zie ook de grafiek betreffende de evolutie van de dagbladprijs sinds 1947 in de bijlagen). De vennootschap raakt eind 1993 betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wilde gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In februari 1994 komt De Standaardgroep met de Het Volk tot een akkoord om een gezamenlijke reklameregie - 'Scripta Plus' (later omgedoopt tot Scripta) - uit te bouwen tegen het najaar. De VUM neemt een aandeel van 50 % voor zijn rekening. Ook Concentra en Roularta Media Group (RMG) sluiten aan en het aandeel van ieder wordt op 25 % gebracht. Daarmee is, na de totstandkoming van 'Full Page', een tweede grote dagbladregie gecreëerd. Op 5 maart 1994 lanceert 'Het Nieuwsblad' een vaste weekendbijlage 'Zaterdag' (16 blz. tabloïd-formaat, life-style en culturele onderwerpen). Op 4 mei 1994 bevestigt Directeur-Generaal Verdeyen dat er gesprekken over samenwerking aan de gang zijn met SBS, de groep die een commercieel tv-net, naast VTM, wil opstarten in Vlaanderen (zie verder); toch draagt de mogelijkheid van reklame op de BRTN-tv de voorkeur van VUM weg; een participatie van VUM in VTM zou niet meer actueel zijn, aldus de DG. Eind mei 1994 treedt de Concentra-groep met Het Belang van Limburg toe tot de regie Scripta Plus. Tijdens de zomervakantie biedt de VUM Het Nieuwsblad aan de Belgische kust aan tegen een prijs van 15 BEF . Eind augustus 1994 treedt de VUM, in samenspraak met de Roularta-groep, op in de overnamegesprekken voor Het Volk. Ook De Persgroep en De Vlijt waren in de running. Op 4.11.1994 neemt de VUM de NV Drukkerij Het Volk over. In een aantal perscommentaren werd gesteld dat er politieke tussenkomsten waren gevraagd door VUM om Het Volk te kunnen inkopen. In een opiniestuk in De Standaard van 10 november 1994 reageert dhr Leysen, VUM-Voorzitter, hierop als volgt, en wij citeren : "Wij kregen de voorkeur omdat we een betere offerte deden, ook wat de tewerkstelling in Oost-Vlaanderen betreft. Dura veritas, sed veritas." In hetzelfde artikel herneemt dhr Leysen zijn stelling uit 1984 betreffende perssteun en belastingen : "Wij hebben als enige dagbladgroep nooit subsidies aanvaard en hebben meer belasting betaald dan alle andere dagbladgroepen samen, de Belgische weekbladgroepen waarschijnlijk incluis." Prosperitate rerum in vanitatem uti!
(...)
Vanaf 30 september 1999 verdwijnt het AVV-VVK-symbool van de front(sic!)pagina.

(...)
In 2005 lanceert VUM een pulpdagblad onder de titel 'Espresso'. Het blad wordt weldra van de markt gehaald.





HET VOLK
Het Volk is steeds het dagblad in de handen van de Christelijke Arbeidersbeweging geweest en werd gesticht in 1891. In 1928 neemt Het Volk het Brusselse 'De Tijd' over. Na WO II wordt Het Volk geherkapitaliseerd door Adolf Peeters, een Mechels handelaar die zich in 1950 terugtrekt; zijn inbreng wordt vervangen door een lening bij de BAC. Op 9.8.1950 wordt de rotatie geteisterd door brand maar kan blijven verschijnen door hulp van 'De Gentenaar'. Vanaf midden september 1950 wordt 'De Nieuwe Gids' (met het kopblad 'De Antwerpse Gids') gedrukt op de persen van Het Volk. In juni 1951 lanceert Het Volk in Kongo het weekblad "De Week", gedrukt op de persen van "Le Courrier d'Afrique"; De Week is het eerste en enige Vlaamse weekblad in Kongo. Op 1.3.1952 lanceert Het Volk het weekblad 'Zondagsblad'. Op 29.4.1962 lanceert Het Volk 'Spectator'. Op 15.11.1983 brengt de uitgeverij het populair-wetenschappelijk maandblad 'EOS' op de markt. Op 2.3.1985 wordt bij Het Volk een nieuwe coldset rotatie (Colorman) in gebruik genomen en wordt het tabloid-formaat verlaten voor het Belgisch formaat. In augustus 1985 verlaat dhr Van Tongerloo, directeur-generaal, het bedrijf om als directeur-generaal in dienst te treden bij De Vlijt. Hoe raar het ook mag klinken: de overstap van Van Tongerloo was bedisseld door Jan Merckx en werd aan de goedkeuring van o.a. Het Laatste Nieuws voorgelegd tijdens een diner in restaurant 'L'Oasis' te Brussel. In 1986 treedt dhr Antoon Van Melkebeek in dienst als directeur-generaal. Als op 28.10.1987 VTM wordt opgericht participeert NV Drukkerij Het Volk voor 11,11 % in het kapitaal. In februari 1989 komt de uitgeverij met 'TV-Gids' op de markt, een rechtstreekse concurrent voor 'TeVe-Blad' van Perexma. In 1990 voert Het Volk het Electronisch Redactioneel Systeem (ERS) in. In juni 1991 verlaat dhr Antoon Van Melkebeek de uitgeverij. Hij wordt tijdelijk vervangen door een driemanschap bestaande uit de verantwoordelijke van de technische directie (dhr De Geeter), van de redactie (dhr E. Van Den Bergh) en van de administratie (dhr Vandenbussche). Per 16.1.1992 komt dhr Elmar Korntheuer (°1942), voorheen management consultant, in dienst als directeur-generaal en werkt samen met de Direktieraad een strategisch plan uit voor 1992-1996. Dit plan wordt op 25.9.1992 unaniem goedgekeurd door de veelkoppige Raad van Bestuur. Het doel is de oplagedaling om te buigen en de bedrijfsexploitatie opnieuw rendabel te maken; men zal zich concentreren op uitgeven (Het Volk, De Nieuwe Gids, Zondagsblad, TV-Gids, EOS, Jommeke-strips) en drukken in rotatie-offset terwijl andere aktiviteiten die niet tot de core-business behoren zullen worden afgebouwd (8 boekhandels, boekendistributie/grossierderij en de distributie van tijdschriften voor derden). Op 1.7.1992 komt Mevr. M. Moonen (ex-VUM) in dienst als commercieel direkteur. Per 1.1.1993 neemt dhr Karel Anthierens, voordien hoofdredacteur van het weekblad 'Panorama/De Post', de hoofdredactie van Het Volk op zich. Vanaf 16.3.1993 worden de lay-out (Phill Nesbitt, USA) en de redactionele formule van Het Volk gewijzigd. Een en ander gaat gepaard met een dure promotiecampagne die zijn sporen nalaat in de exploitatierekening. In de opmaak is er een belangrijke evolutie : de pagina's komen full-page uit de computer. Voor de drukkerij worden ook in 1992/93 grote investeringen gedaan ter vervanging van de 32 p. heatset rotatiepers. In 1992 werden op het industrieterrein van Erpe-Mere gebouwen aangekocht en wordt er een nieuwe heatset rotatie geïnstalleerd die in november 1993 operationeel werd. Bijkomende investeringen : encartagesysteem voor publicitaire folders, aanpassing van de verzendingszaal en informatisering. Totaal investeringsbedrag 1992-1994 : 850 miljoen BEF geprogrammeerd, 900 miljoen BEF geïnvesteerd. Tegen eind 1993 moest een personeelsinkrimping van 600 naar 550 gerealiseerd zijn (115 afvloeiïngen, waarvan 2/3 door brugpensioen en 65 aanwervingen voor voornamelijk nieuwe funkties). Tijdens het tweede trimester van 1993 neemt Het Volk deel aan de herschikking van de VTM-aandelen in het kader van de oprichting van de Vlaamse Media Holding (VMH). Dit komt per saldo neer op een desinvestering in VTM (van 11,11 % naar onrechtstreeks 7,8 %) hetgeen de financiële struktuur van de uitgeverij ten goede komt (al is die nooit slecht geweest en bleef de solvabiliteit altijd op een meer dan behoorlijk peil) en haar zware investeringen helpt te financieren.

uittreksel uit 'De Vlaamse Media. Een sector in de stroomversnelling' (1994)
Enkele aanvullingen betreffende de vergaderingen van de ministerraad (20180110)
Tessens Lucas
Roularta: een beknopte historiek (tot 1994)
Edited: 199408000961
Het ritme waarmee de Roularta-groep ingrijpt in de eigen structuur, samenwerkingsverbanden smeedt, zelf titels lanceert of in joint venture, ze opkoopt, samen¬voegt of afvoert, is opmerkelijk.

De beknopte historiek illustreert dit ten overvloede :

De Roularta-groep ontstond bescheiden in januari 1954 uit het samengaan van 'De Roeselaarse Weekbode' (300 ex.) en 'Advertentie' (10.000 ex.), twee lokale weekbladen die werden overgeno¬men door Dr. Jur. Willy De Nolf (°Eine, 28.12.1917 +Leuven, 6.10.1981). Vandaag is de groep aktief in volgende sektoren : drukkerij, nieuwsmagazi¬nes in beide landstalen, weekbla¬den voor managers en bedrijfsleiders, magazines voor de industrie, sportbladen, seniorentijd¬schriften, jaarboeken, tijdschriften die zich richten tot jonge gezinnen met kinderen, betalende regionale weekbladen, gratis huis-aan-huis-bladen die een quasi volledige dekking van Vlaande¬ren ver¬zekeren, boekenuitge¬verij en boekenclub, evenementen-organisatie, media-research en media-advies, publiciteitsregie voor de eigen bladen en die van derden, regionale televisie.

In 1955 wordt gestart met twee nieuwe edities 'Izegem' (13.000 ex.) en 'Tielt' (14.000 ex.) naast de inmiddels omgedoopte editie 'Advertentie Roeselare' (25.000 ex.). In 1956 is de 'Roeselaarse Weekbode' uitgegroeid tot buiten de stadsgrenzen en wordt de naam gewijzigd in 'Weekbode'; een tweedehands-typo-rotatiepers wordt aangekocht. In 1957 wordt het concurre¬rend lokale weekblad 'De Mandelbode' overgenomen. In 1958 start de 4de editie van 'Adverten¬tie' : Ieper (21.000 ex.). De capaciteit van de drukkerij wordt opgevoerd door de aankoop van een tweede typo-rotatiepers. In 1960 wordt het weekblad 'De Oude Thorhoutenaar' overgeno¬men en omge¬vormd tot de 5de streekeditie. In 1963, na jaren van groei, wordt besloten een nieuwe drukkerij te bouwen aan de Meiboomlaan te Roeselare, ook vandaag nog het hoofdkwar¬tier van de groep.
In 1964 wordt 'Advertentie Groot-Antwerpen' (178.000 ex.) gelanceerd en daarmee treedt Roularta voor het eerst buiten haar geboortegrond West-Vlaanderen. Begin 1965 wordt met de uitgave van 'Advertentie Groot-Gent' (87.000 ex.) gestart. Tussen 1965 en 1971 worden nog volgende edities uitgebouwd van de groep huis-aan-huisbladen die toen de naam GROEP E3 - verwijzend naar deze belangrijke verkeersader, thans E17 - kregen opgeplakt : E3 Diksmuide (1966; 9.000 ex.), E3 Veurne (1967, 16.500 ex.), E3 Groot-Brugge (80.000 ex.), Waasland (75.000 ex.), Eeklo (29.000 ex.), Zuid-Vlaanderen (90.000 ex.), Vlaamse Ardennen (1968). In 1969 bereikt de wekelijkse oplage van deze bladen meer dan 1 miljoen exemplaren. In 1970-1971 worden de resterende streken afgedekt : Groot-Aalst, Dendermonde, Ninove, Geraardsber¬gen, Leuven, Mechelen, Oostende. Parallel worden regionale bureaus opgericht die instaan voor de publiciteitsacquisitie. Het spreekt vanzelf dat de bestaande regionale weekbladen uit de veroverde streken deze opgang met node aanzien. Een tweede bemerking is deze : via de uitgave van een zeer dicht netwerk van huis-aan-huis-bladen in geheel Vlaanderen ontwikkelt Roularta een diepgaande know-how van de publici¬teitsmarkt en van het economisch weefsel van het gewest.
Met de overname van 'Het Ypersch Nieuws' verovert 'De Weekbode' een belangrijk nieuw territorium. De drukkerij wordt dan ook uitgebreid met nog een nieuwe rotatiepers, ditmaal met kleurmogelijkheid. Het kapitaal wordt daartoe overigens opgetrokken tot 25 miljoen BEF.

In februari 1971 wordt 'Knack' gelanceerd. Vanaf 1972 neemt de zoon van dhr Willy De Nolf, dhr Rik De Nolf, de magazine-poot van Roularta onder zijn hoede. Ook diens zwager, dhr Leo Claeys, zoon van Louis Claeys uit Zedelgem, treedt aan in de groep en neemt de technische zaken van de drukkerij ter harte. 'Knack' vestigt zich te Brussel en, eveneens in de hoofdstad, wordt een bureau voor nationale reklameregie geopend. 'Knack' wordt de springplank naar de nationale uitbouw van Roularta. Tegelijkertijd (1972) wordt de drukkerij uitgebreid met offset-kleurenpersen (rotatie- en vellendruk) en wordt het kapitaal op 110 miljoen BEF gebracht.
Op 15.3.1975 wordt Trends, een financieel-economisch veertiendagelijks blad, op de markt gebracht. In 1976 verschijnt de franstalige tegenhanger 'Tendances'. Het betreft echter geen vertaling van 'Trends'. Beide bladen hebben onafhankelijke redacties en kunnen daardoor de verschillende gevoeligheden van de beide landsdelen ook beter bespelen. Daarmee zet Roularta de eerste stap over de taalgrens, wat toen zeker geen evidentie was. 1976 is ook het jaar van de lancering van 'Family' (h-a-h, vierkleuren, magazineformaat, 1,1 miljoen ex.). Ook de Weekbode-groep wordt aangevuld met een Tieltse editie : 'De Zondag'.
In 1977 wordt er weer gebouwd : een produktiehall van 5.000 m² en voorzieningen voor het personeel, ondertussen reeds 350 man te Roeselare. De drukkerij is volledig overgegaan van lood naar fotografisch zetwerk. In maart 1978 wordt een nieuwe Harris-kleurenrotatiepers voor o.a. de magazines in gebruik genomen. In 1979 wordt verder geïnvesteerd in fotografische zetap¬paratuur en wordt de administratie voorzien van een geïntegreerd computernetwerk. Ook in 1979 krijgen de oude 'Advertentie'-bladen een nieuwe 'look' en wordt de titel gewijzigd in 'De Streekkrant'. De oplage ligt dan op 2,1 miljoen exemplaren, gespreid over 44 edities en 10 lokale kantoren in Vlaanderen. De Weekbode-groep wordt uitgebreid met een 8ste editie via de overname van 'De Zeewacht' en in 1981 neemt dit weekblad het 'Nieuwsblad van de Kust' over. Inmiddels was op 20.3.1980 "Sport Magazine" gelanceerd. Twee nieuwe Harris-offset krantenpersen worden geïnstalleerd zodat alle edities van 'De Streekkrant' in eigen huis kunnen gedrukt worden. In het begin van de jaren 80 begint de groep aan de juridische opsplitsing van haar structuren. In 1981 wordt gestart met een wekelijkse extra-bijlage bij 'Knack', een city-magazine voor Antwerpen : 'Knack-Antwerpen'. In februari 1981 lanceert Roularta een franstalige tegenhanger van 'Sport Magazine'. In september 1981 lanceert Roularta 'De Sportkrant', een sportweekblad voor West-Vlaanderen. Op 6 oktober 1981 ontvalt de stichter van de Roularta groep, dhr Willy De Nolf, aan de familie en aan het bedrijf; hij wordt onder massale belangstel¬ling ten grave gedragen : plots wordt duidelijk welke invloed uitgaat van de groep. Zijn echtgenote, Marie-Thérèse De Clerck, neemt echter de rol van mater familias in de beste Westvlaamse industriële traditie over. Begin 1982 wordt 'De Nieuwe Boekenkrant' gelanceerd. In mei 1982 wordt het 'Belang van West-Vlaanderen' opgericht : het gaat hier om een samenwerkingsakkoord voor de werving van merkreklame tussen Roul¬arta en het 'Brugsch Handelsblad' (van de familie Herreboudt; niet alle leden van deze familie zijn even blij met deze samenwerking waarin zij enkel de voorbode zien van een dreigende overname). Later zal deze benaming gecontesteerd worden door 'Het Belang van Limburg' (Concentra) en wordt de naam gewijzigd in 'Krant van West-Vlaanderen' (september 1982). Op 24 februari 1983 wordt een franstalig nieuwsweekblad, 'Le Vif Magazine', op de markt gebracht dat het instituut 'Pourquoi Pas ?' van Marc Naegels naar de kroon steekt op de Brusselse markt . In maart 1984 wordt 'Industrie Magazine' gelanceerd in samenwerking met de uitgeverij Biblo. Daarmee slaat de groep een nieuwe weg in : deze van de joint-ventures. In 1984 wordt ook het kwaliteitsblad 'Culinair' overgenomen, dat twee jaar later zou overgaan in het hernieuwde VTB-blad 'Uit' (1986). In 1985 is 'De Weekbode'-groep nogmaals aan uitbreiding toe met de overname van 'De Torhoutse Bode' (°1860) van de familie Becelaere. Het blad wordt samengesmolten met 'De Torhoutenaar'.

In februari 1986 sluit 'Le Vif' een samenwerkingsakkoord met de Franse groep L'Express en wordt de titel gewijzigd in 'Le Vif-L'Express'; het weekblad wordt bovendien aangevuld met een bijlage 'Weekend L'Express'. Daarmee volgt 'Le Vif' het voorbeeld van 'Knack' dat in 1984 ook zo'n gekoppelde bijlage kreeg (gegroeid uit de zelfstandige uitgave 'Weekendblad' die op 3.1.1983 op de markt was gebracht). Ook 'Sport Magazine' (°1980) ondergaat in 1986 een gedaanteverwisse¬ling : via een samenwerking met Hoste, toen nog in handen van de 'groep Vink', wordt het omgewerkt tot Sport 80, later Sport 90, dat wekelijks verschijnt. In 1990 wordt de participatie van uitgerij Hoste overgenomen, en in 1992 leidt een nieuwe samenwer¬king met het grote Rossel (Le Soir) tot het ontstaan van twee magazines : 'Sport Magazine' voor de algemene sport, en 'Voetbalmagazine' (°5.8.1992) als gespecialiseerde evenknie. Beide bladen verschijnen in de twee landstalen. In 1987 nemen 'Trends' en 'Tendances' de wekelijkse periodiciteit aan. In datzelfde jaar wordt de formule 'Deze week in ..." uitgewerkt, gericht op de grote Vlaamse steden. Op 28 oktober 1987 wordt de NV Vlaamse Televisie Maatschap¬pij (VTM) voor de notaris opgericht en daarin neemt Roularta een participatie van 11,11 %. In 1988 ontstaat het adviesbureau 'Top Consult' (zie verder). In 1988 wordt 'Pourquoi Pas ?' (°1910) overgenomen, volgens het vakblad 'Pub' voor 360 miljoen BEF. Het blad had het aartsmoeilijk gekregen door de onverbiddelijke concurrentie van 'Le Vif/L'Express' ('PP ?' wordt op 6.1.1989 gekoppeld aan 'Le Vif'). Deze overname zet in franstalig België veel (politiek) kwaad bloed (en het is zeer wel mogelijk dat deze overname de rechtstreekse aanleiding is geweest tot de latere politiek geïnspireerde lancering van 'L'Instant' op 7 september 1991 - zie onze bespreking van de groep TVV/EFB). Eveneens in 1988 wordt 'Baby' overgeno¬men en lanceert Roularta in samen-werking met het Parijse Bayard Presse de dubbeltitel 'Onze Tijd' en 'Notre Temps', een maandblad voor senioren, op de Belgische markt. En aan de overnames - vooral van regionale bladen - lijkt geen eind te komen : 'De Aankondiger' (1989), het Turnhoutse huis-aan-huis-blad 'Ekspres' (1990, 71.000 ex.), ''t Reklaam' (1991), het Kempense 'Het Zoeklicht' (1991), 'Uw Annoncenblad' (1992), 'Vilvoordse Post' (1992). Ook 'Belgian Business' wordt opgeslorpt (februari 1992, samen met 'Industrie' versmolten tot het maandblad 'Belgian Business & Industrie').
In 1990 nemen Roularta, tapijtfabrikant Beaulieu, de Bank van Roesela¬re, de vzw Kristelijke Zieken-fondsen en de immobiliënmaatschappij Dandi¬mo van de groep Bouc¬quillon het regio¬nale televisiestation RTVO uit Kortrijk over.
Vanaf eind november 1991 turnt Roularta de tele¬visiekaternen van het 'Weekend L'Express' en van 'Weekend Knack' om tot volwaar¬dige televisiemagazines : beter papier en uitge¬diepte redaktionele informatie met portretten en achtergrondge¬gevens, 'Télévif' en 'Teleknack'. Ze blijven beide echter een onderdeel van de zgn. weekend bijlage en zijn dus niet zonder het hoofdmagazine verkrijg¬baar. Met de overname in 1990 van het 'Brugsch Handelsblad' (°23.6.1906), en het 'Kortrijks Handelsblad' verwezenlijkt Roularta een jarenlange droom : de aanwezig¬heid met de Weekbode-groep op de belangrijke stedelijke Brugse markt. De oplage stijgt hierdoor ook uit tot boven de 100.000 ex. Door die aanwezigheid in de Westvlaam¬se hoofdstad concreti¬seert de 'Krant van West-Vlaanderen' immers nu pas tenvolle haar identiteit.
Rond de uitgaven worden ook allerlei initiatieven ontwikkeld, zoals Roularta Books (boekenuitge¬ve¬rij, 1989), Mediaclub (lezersservice) en Roularta Events (organisatie van evenementen, 1990). Mede daardoor wordt de Roularta-groep 'incontournable'.
Door de gestage schaalvergroting diende eens temeer de drukcapaciteit uitgebreid : in 1991 een magazinepers (Harris M 4000) en een hybride krantenpers (Harris M 1600); in 1993 nog een Mitsubishi-magazinepers. Verder worden de prepress-activiteiten verder geïntegreerd en geïnforma¬tiseerd (modemlijnen, DTP, duplicaatdia rechtstreeks vanuit diatheek op film).
In februari 1992 wordt 'Style' gelanceerd, een maandelijks life-style supplement voor Trends. Augustus 1992 brengt een joint venture tussen Roularta en de groep Rossel in de uitgave van twee nieuwe sportbladen 'Sportmagazine' en 'Voetbal/Foot', waarin het oude 'Sport 90' overgaat.

Sinds 14.1.1993 wordt 'Talent' (per¬soneelsadver¬tenties) wekelijkse als bijlage aan 'Trends' toegevoegd. Het betreft hier een joint venture die volgende uitgeverijen verenigt rond het initiatief : Tijd, Roularta, La Libre Belgique en Editeco (L'Echo).
In het najaar van 1993 raakt de groep betrokken bij de alliantie 'Mediabel' (Nynex-USA, Déficom, Roularta, VUM) die de uitgave van de 'Gouden Gids' wil gaan realiseren maar uiteindelijk besliste Belgacom de uitgave in eigen beheer te nemen. In oktober 1993 lekt uit dat tussen de groep en de VUM plannen bestaan om samen een goedkoop (15 BEF) dagblad, gecentreerd op het televisiege-beuren, uit te brengen. Eind december wordt dit plan echter afgeblazen. In maart 1994 raakt bekend dat Roularta samen met VUM en de Financieel Ekonomische Tijd electronisch uitgeven aan het bestuderen is. Vanaf 30 mei 1994 verschijnen de weekbladen Trends en Tendances op maandag; dit heeft te maken met de fusie van het weekblad 'Kapitaal' en het 'Beleggen'-katern van Trends tot 'Cash ! Trends' (tabloïd-bijlage van ca. 32 blz. op roze papier à la 'Financial Times'). In augustus 1994 start Roularta, aan de zijde van VUM, onderhandelingen over de overname van de groep Het Volk en verklaart in oktober niet geïnteresseerd te zijn in het dagblad, wél in de drukkerij en in de weekbladen .

Roularta heeft zich toegelegd op 'narrow casting' of doelgroepen-media (RMG zelf spreekt van 'the targeted media' ) en blijft daardoor ook weg uit de zuigkracht die het nog steeds oprukken¬de televisiemedium teweegbrengt .
boek Dewael o.a. over voorbereiding VTM (citaten) - commentaren LT
Edited: 199100000465
DEWAEL, P., De warme hand, Cultuur maakt het verschil, Kritak, Leuven, 1991, 182 blz.

Citaten uit dit boek :

blz. 121 : "Poma is erin geslaagd drie belangrijke doorbraken te forceren. Naast het decreet op de vrije radio's en het installeren van een mediaraad was hij een boogscheut verwijderd van de goedkeuring van het kabeldekreet waarin de oprichting van een eigen, Vlaams, commercieel televisiestation naar voren werd geschoven. Toch tekenden zich binnen de PVV en de grotere liberale familie verschillende motieven af voor het opstarten van een commercieel televisiestation. Hierbij kwam een duidelijk verschil in benadering aan het licht tussen de pragmatici en de jongere generatie. Voor deze laatste primeerde ideologische zuiverheid. Financieminister Willy de Clercq vond het allemaal prima zolang het hem geen centen kostte. De uitgeversgroep Hoste was bang voor een ideologisch?filosofische minorisering in het Vlaamse krantenlandschap. Adriaan Verhulst, toen nog voorzitter van de Raad van Bestuur van de BRT, pleitte voor meer centen voor de openbare omroep vooraleer er sprake kon zijn van een commercieel station. De groep rond de broers Verhofstadt en ikzelf vertrok vanuit een puur ideologische stelling : de monopoliepositie was onhoudbaar en stond bovendien haaks op de technologische innovaties en de televisie?evolutie in de wereld. Onze visie werd zeker niet door de hele partij gedeeld. Net zoals bij de CVP leefde in onze parij vooral onvrede met het BRT?nieuws."(...)"De groep Hoste dacht aan bedreigde middelen en vreesde voor een moeilijke toekomst van de krant Het Laatste Nieuws."(...)

Blz. 123 : "Met een boutade zou men kunnen stellen : de BRT heeft de CVP ertoe gedwongen het mediadossier open te gooien."

Blz. 123-124 : "Verschillende denkpistes deden de ronde. Sommigen wilden het tweede BRT?televisiekanaal opengooien voor zendgemachtigde verenigingen naar Nederlands model." Bedoeld PDW hier niet de zogenaamde 'derden'? Dat was toch een idee van Dirk Verhofstadt !

"Een idee dat vooral in partijpolitieke kringen enthousiast werd onthaald en het gelukkig niet heeft gehaald : een emanatie van de jarenoude verzuilingspolitiek kon Vlaanderen in dit dossier naar mijn gevoel missen als kiespijn. Vervolgens kwamen de uitgevers van de schrijvende pers op het toneel. Twee kandidaat?initiatiefnemers dienden zich aan. André Leysen, afgevaardigd?bestuurder van de Standaard?groep, die in zijn kielzog ook het Limburgse Concentra, uitgever van Het Belang van Limburg, en de FET (Financieel?Ekonomische Tijd) had meegetrokken. Aan de andere kant stond Jan Merckx, voorzitter van de VMM (Vlaamse Media Maatschappij), een brede paraplu waaronder alle andere uitgevers beschutting zochten. De groep Hoste, uitgever van Het Laatste Nieuws, bleek het minst enthousiast. De waarschuwing van Frans Grootjans (voormalig hoofdredakteur van de zusterkrant De Nieuwe Gazet en eminence grise van de Vlaamse liberalen) ? 'We hebben maar één gazet' ? zou de komende maanden nog vaak in gesprekken opduiken. Later zou overigens blijken dat de groep Hoste door VMM het veld werd ingestuurd om de kastanjes voor de hele VMM?groep uit het vuur te halen. Hiervoor huurde VMM, op vraag van de groep Hoste, Dirk Verhofstadt in, die op twee maanden tijd een omvangrijke studie maakte over de mogelijke invoering van commerciële televisie in Vlaanderen. In de loop van de jaren groeide Dirk als vanzelf naar een verantwoordelijke functie bij de nieuwe zender, hierin aangemoedigd door voorzitter Merckx. Maar hij werd omwille van zijn familienaam opzij geschoven."

Blz. 125 : "Toen ik in december 1985 achter mijn bureau plaatsnam, had ik de nodige voorkennis om me in het mediadossier vast te bijten. Bovendien speelde mijn ministeriële maagdelijkheid op dat moment in mijn voordeel. Het gerommel in de uitgeverswereld had ik echt niet van nabij gevolgd. Bij de diverse onderhandelingsrondes was ik nooit rechtstreeks betrokken en het voortdurend lobbyen was aan mij voorbijgegaan. Niet voor lang evenwel. Onmiddellijk na mijn installatie zochten de uitgevers mij op. Opnieuw bleek de grote angst van de groep Hoste om aan invloed te verliezen en in de raad van bestuur van de nog op te richten zender in de minderheid te worden gesteld. Tijdens informele gesprekken haalden socialisten dit argument ook aan. Ze beschreven apocalyptische scenario's waarin de uitgevers van katholieke signatuur de hele commerciële zender naar hun hand zouden zetten. In dit verband moet ik eveneens een informele ontmoeting aanhalen in het Knokse hotel 'La Reserve' op 8 november 1986 waar naast de top van de liberale uitgeversgroep Hoste, met Frans Grootjans, Frans Vinck (PDW spelt de naam verkeerd want het is Frans Vink, LT) en Carlo Gepts, ook Annemie en Freddy Neyts, de kopstukken van het Liberaal Vlaams Verbond Camille Paulus en Piet Van Brabant, Roland Lommé (wiens aanwezigheid mij niet helemaal duidelijk was) de broers Guy en Dirk Verhofstadt en ikzelf rond de tafel zaten. Ik voelde er in elk geval niets voor een wettelijke beveiliging soortgelijk of identiek aan de Cultuurpaktwet in te bouwen wanneer het om de raad van bestuur van een commercieel station gaat. Eén BRT leek me ook toen al voldoende. Ik heb aandachtig naar hun verzuchtingen geluisterd maar voor Guy Verhofstadt en mezelf stond het vast : de commerciële zender komt er."
TESSENS Lucas - Media Expert Research System (MERS)
1985-1988: de socialisten overal buiten spel - een tijdlijn
Edited: 198800000903
Het Vlaams decreet aangaande de commerciële televisie (19870128), de wet op de handelspubliciteit op televisie (19870206), de oprichting van VTM (19871028) en het tienjarig contract tussen het Vlaams Gewest en de uitgevers (19871123) ... al deze gebeurtenissen grepen plaats tijdens een korte periode tijdens dewelke de socialistische partij geen enkel machtscentrum in handen had.
De Vlaamse uitgevers wisten die unieke periode ruimschoots te verzilveren, zowel politiek als financieel. Het ondernemersrisico van VTM werd aldus herleid tot zero.

Anton Brand (in: Nieuwsblad van het Noorden 16 augustus 1985)
Recensie van: Jacques Presser – Louter verwachting, Autobiografische schets 1699-1919. Arbeiderspers, Amsterdam, 174 blz.
Edited: 198508160959
Wie de betrekkelijkheid der dingen kan inzien, bezit een groot vermogen: genuanceerde oordelen zijn veelal gebaseerd op het inzicht dat elke medaille twee kanten heeft. Wie dat inzicht min of meer absoluut maakt en toepast op elke ervaring of uitspraak, loopt echter een groot gevaar: hij kan niets meer beweren zonder in één adem ook het tegendeel te zeggen. Gaat het om zaken die van ondergeschikt belang zijn, dan kan dat over-relativeren behoorlijk irritant worden.

Jacques Presser (1899-1970), historicus en schrijver, bezat het vermogen en ontsnapte niet aan het gevaar: alom gewaardeerd als een van de belangrijkste geschiedkundigen van deze eeuw — met Huizinga, Romein en Geyl —, was hij ook omstreden. Zijn overtuiging dat tegenover ieder ‘enerzijds’ een ‘anderzijds’ stond, leidde ertoe dat hij al te vaak niet aan een oordeel toekwam – en wie daarop zat te wachten, raakte teleurgesteld of geïrriteerd.

Als iets kenmerkend is voor Louter verwachting, de ‘autobiografische schets’ die Presser van zijn jeugdjaren schreef, dan is het dat bodemloze relativeren. Ook, of misschien wel juist, waar het ogenschijnlijk onbeduidende voorvallen betreft. Zo herinnert Presser zich dat hij als kind er eens op uit gestuurd werd om een portie maag te halen — voedsel, ‘gelig van vet’, dat hem met een ‘afgronddiepe walging’ vervulde. Onderweg werd hij gevolgd ‘door snuffelige en opdringerige straathonden’. Hij concludeert: ‘Misschien moet ik daaraan mijn ambivalente houding tegenover deze beste vrienden des mensen toeschrijven, misschien ook niet.’ Het is Presser ten voeten uit en tekent de manier van redeneren en argumenteren in de ‘autobiografische schets’.

Het neemt allemaal niet weg dat Presser wel degelijk oordelen had: zijn socialistische overtuiging, marxistisch geïnspireerd, bleef hij een leven lang trouw (maar hij werd nooit lid van een politieke partij). Het antisemitisme en het fascisme, waaronder hijzelf zwaar te lijden kreeg, heeft hij in woord en geschrift emotioneel bestreden. En hoe hij zijn kennis van de geschiedenis moest overdragen, wist hij beter dan menigeen: als docent en later als hoogleraar was hij een erudiet verteller en een voortreffelijk pedagoog. Al vonden sommigen ‘dat je er niets aan had’.

Omzichtig
Presser begon aan zijn autobiografische schets in 1963, toen de eerste versie van Ondergang – zijn monumentale werk over ‘de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, 1940-1945’ – gereed was. Verschillende malen moest hij het schrijven eraan voor andere werkzaamheden onderbreken, en zo waren er bij zijn dood op 30 april 1970 maar twee hoofdstukken af: herinneringen aan zijn jeugd in Amsterdam en Antwerpen, aan familieleden, zijn schooltijd, zijn eerste werkkring op een Amsterdams effectenkantoor.

Presser werd op 24 februari 1899 aan het Waterlooplein geboren, de zoon van een joodse diamantbewerker, die in 1903 besloot zijn geluk in Antwerpen te beproeven. Van het vierjarige verblijf daar herinnert Presser zich nog dat zijn naam ‘Jaak’ in ‘Jacques’ veranderde — weinig meer. Terug in Amsterdam kwam het gezin in de Transvaalbuurt terecht. Presser bezocht er de lagere school, de vijfjarige hbs en — nadat hij in de derde klas bleef zitten — de Openbare Handelsschool.

Na zijn eindexamen, in 1917, belandde hij op het effectenkantoor. Hij voelde zich er in een gevangenis en verzwijgt dus de echte naam van het kantoor. ‘Kopperlith & Feekel’ noemt hij het, deels ontleend aan Multatuli’s Woutertje Pieterse. Het mag, denk ik, kenmerkend zijn voor de manier waarop Presser mensen beschrijft en typeert: omzichtig, terugdeinzend voor een oordeel. De geschiedenis, en ook de muziek en de literatuur, waren hem minstens of in elk geval net zo lief. Dat was voor de oorlog al zo en meer nog daarna: Dé Appel, de vrouw met wie Presser in juli 1936 trouwde, werd in 1943 opgepakt en meteen op transport naar Sobibor gesteld. Haar dood heeft Pressers leven dramatisch beïnvloed. Na de oorlog hoopte hij nog op haar terugkeer, en – zo ontleen ik aan een recent artikel van Presser-biografe Nanda van der Zee in de Haagse Post – hij hield zichzelf voor dat Dé aan geheugenverlies leed en de weg niet kon terugvinden. Eerst in augustus 1960 trouwde hij opnieuw. Ondergang, dat in 1965 verscheen, werd zijn afrekening met de oorlog – voor zover het ooit tot een afrekening is gekomen.

Veelzijdig
Presser dankt zijn naam natuurlijk vooral aan zijn grootste werken als historicus: Ondergang, Napoleon (in 1946 verschenen, maar al in 1940 geschreven) en Amerika (1949). Maar hij schreef ook proza en poëzie, en het is juist in de veelzijdigheid van zijn oeuvre dat zijn vele talenten, maar ook zijn vele gezichten naar voren komen.

De eerste gedichten verschenen — los van enige uitgaven in eigen beheer — na de oorlog: Orpheus en Ahasverus (1945), product van de periode waarin Presser was ondergedoken. In 1957 publiceerde hij De nacht der Girondijnen, een novelle over het doorgangskamp Westerbork, die met de Van der Hoogtprijs werd bekroond en spoedig alom werd vertaald. Maar hij schreef ook detectives: Moord in Meppel (1953), Moord in Moordrecht (1962), Moord in de Poort (1965).

Opvallend is het grote aantal pseudoniemen waarvan hij zich bediende — niet, lijkt het, om aan verschillende stijlen recht te doen, meer door de omstandigheden of door zichzelf gedwongen. De Tachtigjarige Oorlog, een studie die Presser onder meer met Jan Romein schreef, kon in 1941 alleen verschijnen doordat Presser zich achter de naam B.W. Schaper verschool. Maar toen hij in 1948 een bijdrage leverde aan een bundeltje School-Idyllen was zijn schuchterheid doorslaggevend: hij noemde zichzelf ‘J. Drukker’ om het bezwaar te ondervangen ‘dat men de door mij genoemde school zou herkennen’. Weliswaar schrijft hij in zijn autobiografie dat hij achteraf zijn ‘geremdheid van toen’ niet begrijpt -, het neemt niet weg dat jarenlang, voor het laatst in 1959, ook achter J. van Wageningen, Janus, J. van Dam en Haggi Mami Reis (de naam waaronder hij Moord in Meppel schreef) Jacques Presser schuilging.

Het is de vraag of Presser, had hij langer geleefd, zijn autobiografie ten einde zou hebben geschreven. Een autobiografie gaat over mensen, per definitie, en Presser was er de man niet naar om zijn ervaringen met hen makkelijk te verwoorden, zeker na de oorlog niet. Homo homini homo luidt het motto dat hij — vrij naar Thomas Hobbes — aan De nacht der Girondijnen meegaf: de mens is voor de mens een mens. Erger dan een wolf. Veelzeggender kan het niet.
VMM
29 april 1985: Verslag van de Raad van Bestuur VMM
Edited: 198504291465
Franstalige kranten bereiken akkoord met RTL, waardoor RTL aan politieke invloed wint.
De situatie wordt nog ingewikkelder ...
JANSEN Yves
Vlaanderen ziet sterren, in: Kapitaal, herfst 1984
Edited: 198409001465
Afgelopen twee jaar hebben de verschillende politieke families al dan niet ronkende verklaringen afgelegd over het mediabeleid en over de invoering van reklame op radio en televisie in het bijzonder. Maar het medialandschap roerde zich even, om nadien zijn oude plooi terug te vinden. Kapitaal&Busines smaakt een round-up en onderzoekt in welke mate reklame op de provinciale onafhankelijke televisie mogelijk is. Wij kwamen tot de onthutsende vaststelling dat de politici geen kaas hebben gegeten van cijferwerk. Reklame op de OTV is niet haalbaar. K & B heeft noch oor noch oog gehad voor RTL, neen wij hebben ons doelbewust beperkt tot Vlaanderen en kijken geregeld bij de STER binnen omdat de Nederlandse omroepen een goede penetratie hebben in de Vlaamse huiskamers en omdat de reklamespotjes geregeld appeleren aan de Vlaamse kijker. Een verkenning door het Vlaamse medialandschap met fokus op de toekomst en de satelliettelevisie.

VMM
Vergadering van de voorlopige Raad van Bestuur op woensdag 25 juli 1984: ontwerp van statuten VMM - studie-opdracht voor Tessens en Verhofstadt
Edited: 198407251363


Noteer de eerste aanwezigheid van Dirk Verhofstadt op een vergadering van de VMM. Daardoor kreeg de studievennootschap een politiek tintje.
Wiki
Idris I van Libië - liever water dan olie - rijke elite
Edited: 198305250901
Idris I van Libië (Arabisch: إدريس الأول), geboren als Sajjid Moehammad Idris bin Sajjid Moehammad al-Mahdi al-Senoessi (Jaghbub, 12 maart 1889 - Caïro, 25 mei 1983), was de enige koning van het Koninkrijk Libië. Idris I leidde Libië naar de onafhankelijkheid in 1951 en regeerde het land tot hij in 1969 werd afgezet na een machtsgreep door Moammar al-Qadhafi.

Levensloop
Idris was een kleinzoon van Moehammad ibn Ali as-Senoessi, stichter van de Senoessi, een Libische soefi-orde en nomadische stam. Na het aftreden van zijn oom als regent in 1916 werd Idris hoofd van de Senoessi.

Na de Eerste Wereldoorlog erkenden de Britten hem als emir van Cyrenaica, het oostelijke deel van Libië. In 1920 werd Cyrenaica officieel een kolonie van Italië; de Italianen erkenden hem hierbij ook als emir van Cyrenaica. In 1922 werd hij tevens erkend als emir van Tripolitania, het noordwestelijk deel van Libië. Idris vestigde een regering en parlement en kreeg financiële steun van de Italianen om de kolonie Libië als semi-autonome heerser te besturen.

Idris probeerde te onderhandelen met de Italianen over onafhankelijkheid van Cyrenaica. Toen dit niet lukte, trok hij zich terug in Egypte en leidde hij een Libische guerrillastrijd tegen het gewelddadige Italiaanse koloniale bewind. Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde hij de Britten en vocht hij met zijn Libische guerrillastrijders tegen de Italianen en Duitsers.

In 1944, na de geallieerde overwinning in Noord-Afrika, kwam hij uit ballingschap in Caïro en vestigde zijn regering in Benghazi, de hoofdstad van Cyrenaica.

Na de Tweede Wereldoorlog
In het vredesverdrag met de geallieerden in 1947 gaf Italië al zijn aanspraken op Libië op. Tevens gaf Frankrijk zijn aanspraken op de door Franse troepen bezette Libische regio Fezzan op. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam in 1949 een motie aan dat Libië voor 1 januari 1952 onafhankelijk moest worden, als een van de eerste landen in Afrika. Met de voorbereiding werd de Nederlandse adjunct-secretaris-generaal Adriaan Pelt belast, die als Hoge Vertegenwoordiger het bestuur voerde. Idris leidde de verdere onderhandelingen met Pelt. Libië verkreeg op 23 december 1951 zijn onafhankelijkheid als constitutionele monarchie met erfopvolging. Idris werd de eerste koning van het land als Idris I van Libië. De regering werd verdeeld over twee steden: Tripoli was de zetel van het parlement en Benghazi was de zetel van het hof en kabinet van Idris I.

Het beleid van Idris I was gematigd en prowesters. Tot woede van de anti-westerse panarabisten bleef hij zelfs na de Suezcrisis in 1956 de Britten en Amerikanen steunen en stond hij hen toe om luchtmachtbases op Libisch grondgebied te vestigen. Een andere dreiging voor het regime waren de enorme oliereserves die in 1959 werden ontdekt. Hierdoor ontstond een rijke elite in het land die volop profiteerde van de olie, terwijl de meeste Libiërs straatarm bleven. De eerste reactie van Idris op de ontdekking was, dat hij liever had gezien dat er water was ontdekt. Een verdere dreiging voor Idris was dat hij geen mannelijke erfgenaam had.

Getroffen door ziekte besloot Idris per 2 september 1969 af te treden ten gunste van zijn neef Hasan as-Senoessi. Hij vertrok naar Turkije voor medische behandeling. Voordat Hasan as-Senoessi kon aantreden als nieuwe koning greep een groep officieren onder leiding van Moammar al-Qadhafi (Kadhafi) op 1 september 1969 de macht in Libië. De monarchie werd afgeschaft en de socialistische republiek Libië werd uitgeroepen.

De koning verliet Turkije per schip naar Kamena Vourla in Griekenland, waarna hij in Egypte in ballingschap ging en politiek asiel kreeg. In november 1971 werd hij door het Libische volksgerecht bij verstek tot de doodstraf veroordeeld. Tot zijn dood op 94-jarige leeftijd woonde hij in Caïro. Hij ligt begraven op Jannatul Baqi, Medina, Saoedi-Arabië.
TESSENS Lucas (coördinatie uitgifte postzegel)
24th World Congress of international Federation of Periodical Press - Periodieke Pers - Presse Périodique (FIPP)
Edited: 198303190928

Date of issue: 19th of March 1983.
OBC/COB numbers: 2084
Created by: Composition : Louis Van Besouw /De Schutter
Perforation: 11 1/2
Size: 35 mm x 24 mm
Composition of the sheets: 30
Printing Process: Screendeepprint
Number of plates: 1-2
Printing Run: 3.000.000ex
Paper: P5 (see paper Types)
2084 -20F - Allegory
Louis Van Besouw werkte toen bij de Tijdschriften Uitgevers Maatschappij (TUM), de Belgische dochtermaatschappij van VNU.
De lancering van de postzegel kon rekenen op de steun van de filatelistische kringen en veel goodwill van het kabinet van Paula d'Hondt.
Er waren 5 voorverkopen: Dendermonde (De Voorpost/Uitgeverij De Cyuper), Brussel (Postmuseum op de Zavel), Antwerpen (lokalen TUM), Verviers (Télépro), Charleroi (Dupuis).
De gehele briefwisseling aangaande de uitgifte van deze postzegel berust in het archief van het Media Expert Research System (MERS).
De allegorie werd overgebracht op twee grote schilderdoeken. Die dienden ter versiering van de conferentiezalen in het Brussels Hilton Hotel.
Het congres ging door van 9 tot 11 mei 1983 o.l.v. Congress Director L. Tessens.


Begeleidende tekst:
De Internationale Federatie van de Periodieke Pers (F.I.P.P.) werd in 1925 opgericht en wordt door de UNESCO als gesprekspartner aanvaard. In dat kader vertegenwoordigt F.I.P.P. de nationale verenigingen van de tijdschriftenpers en ook individuele uitgeverijen. De Federatie, met haar gespecialiseerde commissies, houdt zich bezig met alle vragen die de periodieke publicaties aanbelangen en waarvoor op internationaal vlak een oplossing dient te worden gevonden. De doelstellingen van de Federatie zijn meer bepaald: – de vrijheid van de nieuwsverspreiding, de ideeën en de kennis ondersteunen; – de ethische en materiële belangen van de tijdschriften pers verdedigen; – het vertrouwen van het publiek in de periodieke pers verstevigen en haar waarde als medium voor mondiale en inter-personele communicatie doen erkennen; – het gebruik van de periodieke pers als efficiënt middel voor de marketing en de publiciteit van goederen en diensten promoveren; – gelegenheden voor haar leden creëren waarbij zij hun kennis, hun ervaringen en hun ideeën kunnen uitwisselen. De organisatie van internationale officiële contacten waarop die uitwisseling kan gebeuren; – in voorkomend geval optreden voor de belangen van allen. Het wereldcongres van de F.I.P.P. vindt dit jaar plaats te Brussel van 11 tot 13 mei 1983. De Nationale Federatie der Informatieweekbladen (N.F.I.W.) nodigt de uitgevers van de Periodieke Pers uit elkaar te ontmoeten. De N.F.I.W. vertegenwoordigt 47 weekbladtitels in België. Op bijzondere wijze leveren deze uitgaven een grote bijdrage aan de verscheidenheid van de opinies, de attitudevorming en de verbreiding van ideeën, en dat in een steeds ingewikkelder maatschappij. De 47 titels van de N.F.I.W. bereiken wekelijks meer dan 9 miljoen lezers in België. Hun zakencijfer van ongeveer 7 miljard frank bewijst zeker dat ook de economische waarde van de weekbladpers niet onderschat mag worden. In een periode van versnelde technologische ontwikkeling en van internationalisering van het mediabeleid is de N.F.I.W. zeer verheugd uitgevers van de gehele wereld te kunnen verwelkomen in het hart van Europa, België.


Noot Lucas Tessens: De organisatie van dit congres moest ook zorgen voor een erkenning van de weekbladpers op binnenlands politiek vlak. De aanloop tot en het congres zelf situeerden zich in de context van de discussie rond de toetreding van de pers tot de commerciële omroep in Vlaanderen. Zonder notoriëteit en politieke geloofwaardigheid zouden de weekbladen in deze discussie geen rol toebedeeld krijgen. Het organisatie van het congres door de N.F.I.W. moet uitdrukkelijk in dat élan worden bekeken.
PINSON C.
Het kiesstelsel
Edited: 198100630108
Aanplakbrief van de B.W.P. (Belgische Werkliedenpartij) getekend door Rik, voor de wetgevende verkiezingen van 1929. Hij wordt bewaard in het Mundaneum te Brussel.

Meer over politieke affiches vindt u hier op onze site. (selectie)
We merken op dat de politieke affiches vóór Wereldoorlog II veel bijtender waren.


HIRAUX F.
Leopold III
Edited: 198100630103
Over Congo: 'In 1925 en in 1933 ging Leopold III naar Congo en bij zijn terugkeer wees hij telkens op de onvolkomen heden en vergissingen van de Belgische koloniale politiek.'
Noot LT: opvallend dat dit in een vulgariserend werk vermeld wordt; de gevolgen van die mening en de opinie van de koloniale trusts worden vanzelfsprekend niet belicht. De zienswijze van Leopold in 1933 was heel scherp geformuleerd.

BOONE Luk prof. dr
Ophefmakende falingen in de perswereld, in: Res Publica, Bundel XXI, nr 2, 1979, pp. 229-242
Edited: 197900004783
In dit artikel peilt Boone naar de politieke achtergronden van de falingen, cq. reddingen, van De Standaard en Volksgazet. Hij verwijst ook terloops naar het verwijnen van 'De Krant' in maart 1976.


Diegenen die de geschiedenis schrijven van de naoorlogse Nederlands^
talige Belgische dagbladpers, zullen ongetwijfeld de tweede helften van
de jaren vijftig en zeventig als terzake bijzonder woelig weerhouden.
De periode tussen 1955 en 1959 zal geboekstaafd blijven als het tijdperk
van de concentraties. In 1957 besloten Het Laatste Nieuws en De Nieuwe
Gazet te gaan samenwerken. Twee jaar later kocht de Standaard-groep
de Gentse titels De Gentenaar en De Landwacht op.
De jaren zestig zouden het decennium van de stabilisering kunnen
worden genoemd. Het enige meldenswaardige feit is de oprichting, begin
1968, van de Financieel-Ekonomische Tijd.
De tweede helft van de jaren zeventig zöu men als titel de ophef
makende faillissementen kunnen meegeven. Begin maart 1976 verdween
de begin oktober 1975 opgerichte De Krant. Deze titel diende zich aan
als een onafhankelijk, objectief, Vlaams, zelfstandig, niet partijgebonden
dagblad, dat recht naar de mensen toeschrijft, in een klare, duidelijke taal,
met een vinnige new. sound en een fris, modern uitzicht . Zoals steller
elders reeds betoogde, verbijsterde het eerste nummer de minst kritische
waarnemers. Het betrof, in feite, een tabloïd zonder enige oorspronke
lijkheid die het midden hield tussen de Londense avondkranten en de
meest stofferige provinciebladen. (...). De langzame doodstrijd van D?
Krant-eindigde in de grootste verwarring en in de financiële en morele
ontreddering van een groot aantal medewerkers... (1).
Deze faling was echter slechts een voorsmaak. In mei-juni 1976 ging de
prestigieuze Standaard-gtoep over de kop, en twee jaar later hield Volks
gazet definitief op met verschijnen.
(...)


Summary : Sensational failures in the newspaper industry.
In the post war history of the Dutch-language daily press in Belgium,
the late fifties, marked by a trend towards concentration, and the latter
part of the seventies, notorious by the bankrupties of several newspapers,
stand out as eras of turbulence. It is two particularly significant events
occurring during the latter period, i.c. the 1976 insolvency of the prestigeous
Standaard papers and that of Volksgazet two years later, which this article focuses upon. In his analysis of causes and suggested/chosen solutions, the author highlights the political rather than the economie dimension of the events and their aftermaths, given that each of the faïling neuwspapers — and hence their survival — mattered pólitically, i.c. to the Christian Democrats and the Socialist party respectivély. Central to this is the question of the measures considered/taken by the Belgian c.q. Flemish /pólitical authorities for having
the newspapers. The course of events in each case is examined and the
differences in terms of causal factors and measures taken/omitted are
noted. In the final analysis, the question arises as to the relationship
between certain political figures or groups on the one hand, and government
agencies, which both Volksgazet and particularly the Standaard titles were heavily indebted to, on the other hand.




9 mei 1978: lijk Aldo Moro gevonden
Edited: 197805090915
16/3/1978 (ontvoering) tot 9/5/1978 (vinden van het lijk in een R4).

Noot LT: De ontvoering van AM door de Rode Brigades was een van de grootste trauma's uit de Italiaanse politieke geschiedenis en zeker voor de Democrazia Cristiana. In zijn politieke uitwerking volgen zulke daden steeds de logica van de cirkel: extreem geweld van ultra-links dient de belangen van ultra-rechts en vice versa; de politionele, politieke en juridische behandeling van zulke zaken is dan ook steeds een afwegen van belangen en zgn. 'fouten' in de afhandeling of in het onderzoek zijn soms niets anders dan een gewilde manipulatie van de publieke opinie.
LENTZEN E.
De belangen van de familie Van Thillo in de pers (1978) - Organogram
Edited: 197805001961


Noot LT: (1) Dit schema moet 'gelezen' worden in samenhang met het organogram van Femmes d'Aujourd'hui en dat van Hoste.

(2) Over Afrifina: Tussen het zestigtal strategische participaties – vaak minderheidsparticipaties – die van Cotoni op het einde van 1976 en na de opdeling van gebieden in der minne met de Generale zat een pakket aandelen voor ongeveer 20% van het aandelenkapitaal van een kleine, ex-koloniale vennootschap met de naam Afrifina. Deze vennootschap was genoteerd op de beurs van Brussel maar was maar weinig bekend bij het grote publiek.

Deze vennootschap werd opgericht in 1929 onder de naam Bamboli Cultuur Maatschappij en had als doel om in de oostelijke provincie van de kolonie heveaplantages – de hevea is een rubberboom – op te richten. De oprichters kwamen in hoofdzaak uit dynamische kringen van de middenklasse en enkele Antwerpse bankiers die dicht stonden bij de politieke beweging die vandaag de partij CD&V belichaamt.

Bamboli zag ook alles in Afrika verloren gaan na 1960. Verrassend genoeg slaagde zij in een industriële reconversie en richtte in Nijlen, in de Antwerpse Kempen, een filiaal met de naam Artilat op, gespecialiseerd in schuimrubberen artikelen. Bamboli, dat Afrifina was geworden, slaagde erin de industriële ervaring die zij in de laatste jaren in de kolonie had opgedaan in Nijlen in de praktijk te brengen.

Tijdens vele jaren bleef Brederode nauw verbonden met de Antwerpse families die de vennootschap hadden opgericht en beheerden alvorens de belangen die zij hadden van hen af te kopen. Artilat droeg lang bij tot de positieve resultaten van de groep Brederode, maar ook dit industriële filiaal ging achteruit, waardoor de groep het in 2005 aan een industriële overnemer verkocht nadat de groep zich veel inspanningen had getroost met het oog op economisch herstel.

Intussen was Afrifina in 2003 gefuseerd met Brederode .
CRAEYBECKX Jan
De agrarische depressie van het einde der XIXde eeuw en de politieke strijd om de boeren, in: BTNG, 1974, 1-2, pp. 181-225
Edited: 19730076
Belangrijk artikel dat wijst op het onvermogen van de socialisten om de boeren aan te spreken. In de aanhef van het artikel vinden we volgend citaat: "Er moeten zoveel mogelijk kleine eigenaars ontstaan, want anders kan degene die niets bezit gehoor geven aan de dwaze en misdadige, doch verleidelijke droombeelden van de socialistische volksbedriegers." (De Landbouw, weekblad van de Landbouwersbond van Oost-Vlaanderen, 8 januari 1893)



Tweede deel
LT
De verkeerd begrepen boodschap van Hugo Claus
Edited: 197000000909
Het leven en de werken van Leopold II. 29 Taferelen uit de Belgische Oudheid - Een bespreking

Dit toneelstuk werd oorspronkelijk geschreven in opdracht van de Vereniging Nederlands Toneelverbond voor haar 100-jarig bestaan in 1970. Toneelstuk verhaalt de collusie van Kerk, Kapitaal en Koning inzake Congo. Sommige critici vonden het toneelstuk burlesk ... Claus weerom misbegrepen! Wie de geschiedenis van de Congostaat, Belgisch Congo en Zaïre nog maar een beetje kent, weet dat Claus de historische feiten op de voet volgt. De ludieke verpakking bevat een bloedserieuze gruwel en de hele Belgische 'santeboetiek' moet er aan geloven, inclusief de Société Générale en de VS, die Leopold verkracht. Vanaf de 26ste scene neemt Claus een loopje met het tijdselement en speelt de chronologie geen enkele rol meer: zowel de tijd als de actoren zijn onbelangrijke details in een zich steeds herhalend cynisch proces van bedrog, haat, onverschilligheid en vooral ongetemde hebzucht. De banaliteit van de gevoerde politiek is een schertsvertoning die de werkelijke drijfveren maskeert. Altijd is er de koehandel, met de kardinaal en natuurlijk de paus als mediatoren in een deal met een niet al te geïnteresseerde God, die wel belooft maar gauw vergeet. Op p. 49 maakt Claus duidelijk hoe de grote buurlanden België bekijken: Duitslands beschermeling, de lijfeigene van Frankrijk, de voet aan het Europese vasteland voor de Engelsen.
ARENDT Hannah
Eichmann in Jerusalem: a Report on the Banality of Evil (1963)
Edited: 196313141516
De thema’s van denken en oordelen komen ook terug in Eichmann in Jerusalem: a Report on the Banality of Evil (1963). Ze bestudeert hier de processen van Eichmann, die de hoofdrol speelde in Hitlers Endlösungsprogramma. Het was, zo zegt Arendt, niet de aanwezigheid van kwade bedoelingen, maar de afwezigheid van kritisch denkvermogen en de kritiekloze opvolging van bevelen van hogerhand die ertoe hebben geleid dat zo veel Joden het leven verloren in de structurele vernietigingspolitiek van de nazi's. (src=wiki)
5 juli 1963: taalfaciliteiten in Brusselse rand goedgekeurd
Edited: 196307051475
akkoord tussen regering en politieke partijen op Hertoginnedal

KVB 920

zie ook: JVDE: goedgekeurd op Hertoginnedal; toch veel protest tegen taalfaciliteiten in Brusselse rand.
wiki
16 oktober 1954: Georges Duplat overleden. R.I.P.
Edited: 195410160961
Georges François Duplat (Sint-Joost-ten-Node, 25 oktober 1882 - Etterbeek, 16 oktober 1954) was een Belgisch volksvertegenwoordiger.
Duplat promoveerde tot doctor in de rechten en tot doctor in de politieke en sociale wetenschappen. Hij werd advocaat in Brussel. Van 1912 tot 1914 was hij voorzitter van het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel. Hij werd ook redacteur bij Het Nieuws van de Dag, een krant waar hij en zijn familie nauw mee verbonden waren.

In mei 1919 volgde hij de overleden Jean de Jonghe d'Ardoye op als katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Brussel. Hij behield het mandaat slechts tot aan de wetgevende verkiezingen van november 1919.

Hij was ook gemeenteraadslid van Brussel, van 1919 tot 1926.
Voor de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij veel over juridische onderwerpen, vooral over zaken die de pers aanbelangden. Hij was immers getrouwd met Maria Huyghe, dochter van Jan Huyghe (1856-1906), de stichter van het Brusselse dagblad Het Nieuws van de Dag (1885-1965). Hij stond de weduwe Huyghe, geboren Maria de Myttenaere (overleden in 1932) en nadien haar zus Georgina De Myttenaere bij, die na de vroege dood van Huyghe opeenvolgend de leiding namen. Het boek dat hij over de pers schreef was lang een standaardwerk en is nog steeds te koop, in de formule 'on demand'.

Op het Congres van de Belgische pers in 1912 in Oostende, bracht hij kritiek uit op de grote bedragen voor morele schadevergoeding die door rechtbanken en hoven werden toegekend ten nadele van persorganen en van individuele journalisten.

In 1940 onderhandelde hij, namens zijn vrouw die de leiding over het blad had genomen, met de Duitse bezetter over het verder verschijnen van het Nieuws van de Dag. Nadien verdween hij uit de krant, toen hij en zijn vrouw uit elkaar gingen. De krant werd na de oorlog geleid door hun zoon, advocaat Jan Duplat (1909-2000), en dit tot aan de opslorping ervan door De Standaard - Het Nieuwsblad. Jan Duplat was getrouwd met Yvonne Colson (1912-2001) en ze kregen negen kinderen, van wie de oudste, advocaat Jean-Louis Duplat (1937), voorzitter werd van de Handelsrechtbank van Brussel en gedurende twaalf jaar voorzitter was van de Belgische Bankcommissie.
Publicaties[bewerken]
Le journal. Sa vie juridique, ses responsabilités civiles, Parijs, 1909.
La critique et le droit. Etude de philosophie juridique. in: Revue catholique de droit, 1908.
La politique scolaire en Hollande, in: La Revue générale, 1910.
Le jury civil en matière de presse, Leuven, 1913.
Le cours de religion a l'école primaire. Le droit des chefs de famille, Brussel, 1913.
La classe moyenne. Son role social, son action politique, sa situation économique, les reformes urgente, Brussel, 1914.
La loi scolaire de 1914 et ses nouvelles applications, Brussel, 1914.
Le Président Wilson et son programme politique, in: La Revue générale", 1914.
Les classes moyennes pendant la crise, Brussel, 1915.
Le journal. Sa vie juridique, ses responsabilites civiles. Le droit de réponse, Brussel, 1929.
CIA
Mossadeq elimination in Iran - TPAJAX project - Secret
Edited: 19530500


Mohammad Hedayat Mossadeq of Mossadegh (Teheran, 19 mei 1882 - Ahmad Abad, 4 maart 1967) was de democratisch verkozen premier van Iran van 1951 tot 1953, toen zijn regering omver werd geworpen in een staatsgreep die georkestreerd werd door de Britse MI6 en de Amerikaanse CIA

Als auteur, advocaat en vooraanstaand parlementair introduceerde zijn administratie een reeks progressieve sociale en politieke hervormingen zoals sociale zekerheid, huurbescherming en landhervormingen. Het meest opmerkelijke beleid van zijn regering was echter de nationalisatie van de Iraanse olie-industrie, die onder Britse controle was sinds 1913.

Mossadeq werd afgezet in een staatsgreep op 19 augustus 1953, georganiseerd en uitgevoerd door de CIA op vraag van de MI6, die Iraans generaal Fazlollah Zahedi koos om Mossadeq op te volgen. Mossadeq werd voor drie jaar opgesloten en daarna tot zijn dood onder huisarrest geplaatst. Hij werd begraven in zijn eigen huis om politieke oproer te vermijden. (bron: wiki) Noot: vergelijk met de eliminatie van Lumumba.
Marc Ernest Elisabeth Robert Juliette Verwilghen (Dendermonde, 21 september 1952) is een Belgisch VLD-politicus uit Vlaanderen.
Edited: 195209210917

Biografie[bewerken]
Hij liep Latijn-Griekse Humaniora in het Koninklijk Atheneum te Dendermonde, behaalde een kandidatuur in de Rechten (VUB) en een Licentiaat in de Rechten aan de RUG. Hij is advocaat (sedert 1975) en Doctor Honoris Causa aan de Universiteit Gent (1999).

Hij was van 1983 tot 1999 gemeenteraadslid van Dendermonde, waar hij van 1995 tot 1999 schepen was. Van 1991 tot 1999 was hij lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. In deze functie was hij lid van de Parlementaire Onderzoekscommissie "Mensenhandel", voorzitter van de Kamercommissie "Justitie", voorzitter van de Onderzoekscommissie Dutroux-Nihoul en van de Onderzoekscommissie "Vermoorde en Vermiste Kinderen" (1996-1998) en onderhandelaar bij het Octopusakkoord en de Wet voor een Geïntegreerde politie (7 december 1998).

In de regeringen Verhofstadt I en Verhofstadt II vervulde hij verschillende ministerfuncties. Zo was hij van 12 juli 1999 tot 11 juli 2003 minister van Justitie, van 12 juli 2003 tot 17 juli 2004 minister van Ontwikkelingssamenwerking en van 18 juli 2004 tot 20 december 2007 minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. Vervolgens verhuisde hij naar Knokke-Heist, waar hij in 2007 voor enkele maanden gemeenteraadslid was. Van 2007 tot 2010 zetelde hij als rechtstreeks verkozen senator in de Belgische Senaat.

Sinds 6 juni 2010 is hij grootofficier in de Leopoldsorde
UNO - VN - Verenigde Naties
volledige tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zoals hij op 10 december 1948 door de Verenigde Naties werd aangenomen.
Edited: 194812100925
Preambule
Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;

Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens;

Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking;

Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen;

Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;

Overwegende, dat de Staten, welke Lid zijn van de Verenigde Naties, zich plechtig verbonden hebben om, in samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties, overal de eerbied voor en inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen;

Overwegende, dat het van het grootste belang is voor de volledige nakoming van deze verbintenis, dat een ieder begrip hebbe voor deze rechten en vrijheden;

Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten die Lid van de Verenigde Naties zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:

Artikel 1
Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Artikel 2
Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat.

Artikel 3
Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

Artikel 4
Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.

Artikel 5
Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Artikel 6
Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.

Artikel 7
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.

Artikel 8
Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet.

Artikel 9
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.

Artikel 10
Een ieder heeft, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.

Artikel 11
Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend.

Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

Artikel 12
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.

Artikel 13
Een ieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke Staat.

Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.

Artikel 14
Een ieder heeft het recht om in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging.

Op dit recht kan geen beroep worden gedaan ingeval van strafvervolgingen wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 15
Een ieder heeft het recht op een nationaliteit.

Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit worden ontnomen, noch het recht worden ontzegd om van nationaliteit te veranderen.

Artikel 16
Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan.

Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.

Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

Artikel 17
Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.

Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.

Artikel 18
Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.

Artikel 19
Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Artikel 20
Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering.

Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.

Artikel 21
Een ieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.

Een ieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.

De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.

Artikel 22
Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

Artikel 23
Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.

Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.

Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.

Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.

Artikel 24
Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Artikel 25
Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.

Artikel 26
Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.

Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.

Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.

Artikel 27
Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.

Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.

Artikel 28
Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

Artikel 29
Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.

In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.

Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 30
Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.
OVERHANDIGING POLITIEK TESTAMENT LEOPOLD III AAN PIERLOT
Edited: 194409092061
"Daags na de aankomst van de regering in België vroegen de magistraten Jamar en Cornil een onderhoud aan bij de eerste minister 'om een uiterst dringende mededeling namens de koning te kunnen doen'. Nog diezelfde avond om negen uur ging het onderhoud door. Jamar en Cornil overhandigden Pierlot het Politiek Testament en gaven daarbij de volgende toelichting: de eerste minister moest eerst de andere ministers kennisgeven van hoofdstuk 7 over de 'noodzakelijke genoegdoening'. Slechts wanneer de ministers bereid waren de daarin gestelde voorwaarden te aanvaarden, mocht de eerste minister hen het hele document meedelen. Dan kon de regering oordelen of het onder haar verantwoordelijkheid openbaar kon worden gemaakt. Ging de regering niet in op de voorwaarden, dan moest de eerste minister het document weer overmaken aan eerste voorzitter Jamar. Pierlot vroeg of hij het hele document niet al meteen ook mocht meedelen aan minister van Buitenlandse Zaken Spaak, aan wiens oordeel hij bijzonder veel belang hechtte. De twee magistraten zouden daarmee hebben ingestemd. Nog in de nacht van 9 op 10 september telefoneerde Pierlot naar Spaak. Deze kwam onmiddellijk naar de Wetstraat 16, de ambtswoning van de eerste minister. Beiden lazen het Politiek Testament door en waren ten zeerste ontdaan. Spaak getuigde later: 'We hebben naar elkaar gekeken, droef en ontmoedigd, en zeiden tot elkaar: zie wat hij ons antwoordt na alles wat we hebben gedaan om een debat te vermijden en dat terwijl onze brief de uitdrukking was van loyale en oprechte mannen, van goede dienaars van de koning. 'Het was een van de hardste slagen die ik in de politiek heb geïncasseerd', aldus nog Spaak. 'We hadden nog maar net terug contact genomen met onze familie en met België. Nog maar net hadden onze vrienden die in het land waren gebleven ons hun hoop op een nationale verzoening uitgedrukt! En zie wat er die tweede nacht nog overbleef van die grote nationale verzoening.' Pierlot en Spaak waren er het hart van in." (VELAERS en VAN GOETHEM, 1994: 879) Zie ook Raskin 1998: 175.

Commentaar LT: wat een pathetisch gedoe !
20 maart 1933: EERSTE CONCENTRATIEKAMP = DACHAU
Edited: 193303202517
20 maart 1933. SA (Sturmabteilung) opent in Dachau het eerste concentratiekamp voor politieke gevangenen.

Am 21. März 1933 gab Heinrich Himmler die Errichtung eines Konzentrationslagers in Dachau in Auftrag. Damit begann in Dachau ein Terrorsystem, das mit keinem anderen staatlichen Verfolgungs- und Strafsystem verglichen werden kann. Im Juni 1933 wurde Theodor Eicke zum Kommandanten des Konzentrationslagers ernannt. Er entwickelte ein Organisationsschema sowie ein Reglement mit detaillierten Bestimmungen, wie sie später für alle Konzentrationslager gültig wurden. Auch die Einteilung der Konzentrationslager in zwei Bereiche, das von vielfältigen Sicherungsanlagen und Wachtürmen umgebene Häftlingslager einerseits und den sogenannten Kommandanturbereich mit Verwaltungsgebäuden und Kasernen für die SS andererseits, stammte von ihm.



Eicke wurde später zum Inspekteur für alle Konzentrationslager ernannt, das KZ Dachau machte er zum Modell für alle übrigen Lager und zur Mörderschule für die Angehörigen der SS.

http://www.kz-gedenkstaette-dachau.de/german/frame/geschichte.htm (20030924)



Voor een lijst van alle concentratiekampen, zie: http://www.fmd.asso.fr/web/index.php?id_contenu=47&lang=lang1 (20030924)

Zie ook lijst van concentratiekampen met gaskamer (extermination camps): http://www.nizkor.org/ftp.cgi/orgs/german/ifz/ifz.report (20030924)
LT
Stefan Zweig brengt in 1929 de biografie van Joseph Fouché (1759-1820)
Edited: 192909010909
Zweig, Oostenrijks schrijver (Wenen 1881-Petropolis, Brazilië 1942), schreef de biografie van Fouché (21/5/1759-26/12/1820), de politiechef van Frankrijk, niet toevallig in 1929. De visionaire Zweig belicht deze geboren intrigant op meesterlijke wijze. Hij toont aan hoe Fouché zich als tegenspeler of medespeler van Robespierre, Napoleon en Talleyrand onder verschillende regimes weet te handhaven. Daarmee staat Fouché niet alleen in de geschiedenis ... er zijn andere voorbeelden, zowel in Europa, Zuid-Amerika en de VSA. Topbeambten van een politioneel repressie-apparaat (interne veiligheidsdiensten) wisten zich meermaals te onttrekken aan zuiveringen. Ofwel maken ze zich op tijd uit de voeten, ofwel worden ze als nuttige 'instrumenten' en als 'rugdekking' opgenomen in het volgende regime. Vaak beschikken zij in beveiligde en gedupliceerde geheime archieven over vitale informatie over de oude en de nieuwe (kandidaat-)machthebbers. Naast de autobiografie belichtten o.a. Madelin (1930), Tulard (1997) en - recenter - de Waresquiel (2014) deze figuur. Ook Rigotard schreef een interessante studie over de Parijse politie. Voor een encyclopedische benadering van de Franse politie kan met terecht bij Michel Aubouin.

meer ...
De leefomstandigheden in een diamantmijn in Zuid-Afrika (1923)
Edited: 192300000907

Over de diamantmijnen in Zuid-Afrika:
De kleurlingen blijven gedurende den ganschen duur van hun werkkontrakt in het kamp opgesloten. Zij hebben gezamenlijke keukens en spijszalen; hunne winkels, hun bijzondere politie. Zij mogen het kamp nooit verlaten, behalve voor het werk in de mijn, dan bij het einde van hun kontrakt. Vooraleer naar huis te keeren worden zij in een bijzondere afdeeling opgesloten, waar hunne eerlijkheid op de proef wordt gesteld. Men voorziet hunne handen van ijzeren handschoenen, met een slot voorzien en dient hen een goede dosis buikzuiverende wonderolie toe. (foto's V. Bruyneel)
9 november 1910: koning Albert wil ministerraad over spoorlijn Bas-Congo naar Katanga
Edited: 191011091489
De koning wilde een spoorlijn vanuit Katanga die geheel over Congolees grondgebied liep.
Renkin was hier tegen.
De koning had, via bemiddeling van Ingenbleek, zich van de steun van Helleputte verzekerd.
THIELEMANS Marie-Rose & VANDEWOUDE Emile 1982: 373

cfr. Benguela-spoorlijn over Angola
De politieke logica botste dus met de economische.
Le Peuple
Pyramide à renverser - Politieke cartoon - 1909
Edited: 190900000901
Banning Emile
Edited: 18980713
Émile Théodore Joseph Hubert Banning (Luik, 12 oktober 1836 - Elsene, 13 juli 1898) was een Belgisch ambtenaar, diplomaat, schrijver en journalist.
Banning was doctor in de Wijsbegeerte en Letteren en werd journalist bij het dagblad L'Echo du Parlement waarvoor hij de politiek op de voet volgde. In 1861 werd hij eveneens archivaris bij de Koninklijke Bibliotheek. Banning werd opgemerkt door Charles Rogier, de minister van Buitenlandse Zaken, die hem in 1863 aantrok binnen het departement als archivaris, bibliothecaris, schrijver, vertaler en rechterhand van toponderhandelaar Auguste Lambermont. Banning bleef deze functies uitoefenen tot aan zijn dood in 1898.

Het voorbereidende werk van Banning in 1863 zorgde ervoor dat de onderhandelingen met Nederland in verband met het afschaffen van de Scheldetol succesvol afliepen. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken specialiseerde hij zich in het schrijven van allerlei verhandelingen over wereldkwesties en trok zo de aandacht van koning Leopold II. Een aantal artikels van Banning over Centraal-Afrika in L'Echo du Parlement inspireerden de koning om in 1876 in Brussel een eerste conferentie over Afrika te houden.

Banning werd één van de naaste medewerkers van de koning en was een vurig propagandist van de expansiedrang van België. Tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1884 was hij één van de vertegenwoordigers van België. Hij was mede-onderhandelaar maar schreef ook de voorbereidende teksten, alsook de verslagen van de meetings, voor Auguste Lambermont, die algemeen redacteur van de conferentie was. De conferentie was voor België een succes en Kongo-Vrijstaat werd opgericht.

Émile Banning was een groot tegenstander van de nog bestaande slavenhandel en was één van de mede-organisators van de conferentie tegen de slavenhandel van 1890 in Brussel, waarop hij samen met Lambermont België vertegenwoordigde. Na deze conferentie was Banning er voorstander van om Kongo-Vrijstaat, persoonlijk bezit van de koning, door België te laten annexeren en was het niet meer eens met de economische politiek die Leopold II voerde in Kongo. Door zijn publicaties in 1890-1892 kwam hij meermaals in botsing met de koning. Aanvankelijk kon Auguste Lambermont de gemoederen nog sussen maar vanaf 1893 viel Banning volledig in ongenade bij de koning.
Literatuur:
Marcel WALRAET, Emile Banning. Un grand Belge (1836-1898), Office de Publicité, Bruxelles, 1945.
A. DE BURBURE, Emile Banning, in : L'Essor économique belge. Expansion coloniale, Brussel, 1932
Marcel WALRAET, La jeunesse austère et studieuse d'un grand commis de Léopold II, in: La Revue nationale, 1945.
J. BRUHAT, Emile Banning in : Les techniciens de la colonisation (XIX®-XXe siècles), Presses Universitaires de France, Parijs, 1946.
Louis DE LICHTERVELDE, Émile Banning, in: {Revue générale belge, Brussel, 1946.
C. NEYZEN, Émile Banning et l'État Indépendant du Congo, doctoraatsthesis in koloniale wetenschappen (onuitgegeven), ULB, 1946.
Marcel WALRAET, Les papiers d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1950.
G. D. PERIER, Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
Marcel WALRAET, Les «Réflexions morales et politiques» d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
G. D. PERIER, Émile Banning mourait le 13 juillet 1898, in: Revue coloniale belge, Brussel, 1948.
Liane RANIERI, La collaboration personnelle de Lambermont et de Banning avec Léopold II, licentiaatsthesis geschiedenis (onuitgegeven), ULB,
N. LAUDE, La reconnaissance de la 30° promotion: Émile Banning. Discours du Directeur de l'Institut Universitaire des Territoires d'OutreMer, Antwerpen, 1951.
N. LAUDE, in: Problèmes d'Afrique centrale, Brussel, 1952.
R.-J. CORNET, A propos de deux dossiers: le dossier diplomatique de l'Ubangi et le dossier Degrelle-Rogier sur l'Ubangi, in: Bulletin. I. R. C. B., Brussel, 1953.
R. P. A. ROEYKENS, Les réunions préparatoires de la délégation belge à la Conférence géographique de Bruxelles en 1876, in: Zaïre, Brussel, 1953.
A. COSEMANS, Les Archives générales du Royaume au point de vue de la documentation historique coloniale, in: Bulletin I.R. C. B., Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Banning et la Conférence géographique de Bruxelles en 1896, in: Zaïre, Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Les débuts de l'œuvre africaine de Léopold II (1875-1879), Brussel, 1955.
Jean STENGERS, Textes inédits d'Émile Banning, in: A. R. S. C., Cl. des Sc. mor. et pol., Brussel, 1955.
Marcel WALRAET, Emile Banning, in: Biographie coloniale Belge, T. I 1948 & T. IV, 1955.
bron: wiki
WALTER W.G.E. (ps. LOVELING Virginie)
In onze Vlaamsche gewesten - Politieke schetsen
Edited: 187700001419
De eerste uitgave is die van 1877. De tweede uitgave verscheen in 1882.
Loveling hekelt de totale overheersing van de geestelijkheid op het Vlaamse platteland.
geciteerd door De Weerdt
Charles Hermans (1839-1924)
Bij dageraad (1875) - de bourgeoisie en de mijnwerkersfamilie - sleutelwerk in het Belgische realisme - niet politiek geladen?
Edited: 187505060600
Charles Hermans zag het in 1875 zo (Bij dageraad):


Maurice Sulzberger in Guide Illustré de Bruxelles, Tome II, Les musées, Touring Club de Belgique, 1917, p. 37-38. Oorspronkelijke tekst: Le grand succès du Salon de Bruxelles en 1875, marque une date aussi, plus significative. Ce fut, en Belgique, le manifeste de "l'école du gris" (c'est à dire du jour diffus et du plein air) et aussi de la modernité revendiquant ses droits contre la peinture d'histoire. Mais le meilleur commentaire de ce tableau tout à fait remarquable a été donné par l'auteur lui-même. Résumons-le d'après un de ses biographes. M. de Taeye, qui le publie dans les Artistes belge contemporaines : "J'ai cherché à être aussi sincère que possible, tout en évitant d'être à la fois trop sentimental et trop réaliste. Je me suis mis en quelque sorte à la place des ouvriers de l'avant-plan qui, frais et dispos, se rendent paisiblement au travail le matin, alors que les débauchés, en habit noir, sortent bruyamment des bouges dorés où ils ont passé la nuit. Je me suis même, un lendemain de carnaval, levé avant le soleil pour assister au défilé de mes acteurs. J'ai reproduit la scène absolument comme elle a fait impression sur mon imagination, me contentant de rester aussi simple que possible. On a prétendu que mon tableau avait une portée socialiste. C'est une erreur. Je n'ai jamais songé à ennoblir l'ouvrier en montrant la décadence du débauché. Et c'est même pour cela que j'ai renoncé à mon idée première de faire de l'une des grandes vicieuses sortant du cabinet particulier la sœur de l'ouvrière marchant à côté de son mari. L'exécution de cette idée aurait, en effet, nécessité un jeu de physionomie qui me paraissait légèrement sentimental et trop romantique. Maurice Sulzberger, Critique d'art à "l'Étoile belge"



olie op doek, 248x317cm, KMSK, Brussel
src: 19950068:51
MILL John Stuart (1806-1873): politieke economie, vrijheid en gezag
Edited: 180605204545
John Stuart Mill (20 mei 1806 – 8 mei 1873) was een Engels filosoof en econoom, en de meest invloedrijke vrije denker van de 19e eeuw. Hij was een voorstander van het utilitarisme, de ethische theorie die voorgesteld werd door zijn peetvader Jeremy Bentham.

John Stuart Mill werd geboren in zijn vaders huis in Pentonville, Londen, als de oudste zoon van James Mill. Hij kreeg zijn onderwijs van zijn vader, met advies en assistentie van Jeremy Bentham en Francis Place. Hij kreeg een strenge opvoeding en werd nadrukkelijk afgeschermd van andere jongens van zijn leeftijd. Zijn vader, een navolger van Bentham, had als zijn specifieke doel om een genieus intellect te creëren dat de doelen en uitvoering van het utilisme zou doen verder leven na de dood van Bentham en hemzelf.

Tegen de tijd dat hij drie was kon hij het Griekse alfabet opnoemen, en toen hij acht werd had hij Aesopus' 'Fabels' gelezen en wist hij van Plato. In 1818 begon hij aan een studie logica en het jaar erop kreeg hij te maken met politieke economie.

Hij publiceerde zijn eerste belangrijke boek in 1842, The system of logic. Een van de belangrijkste theorieën is het beginsel van causaliteit – Als A altijd door B wordt gevolgd, kan worden verondersteld dat dit in de toekomst ook altijd zo zal zijn.

In 1869 publiceerde hij Subjection of Women, waarin hij de vrouwenrechten verdedigde. Hij was dan al vier jaar parlementslid waar hij eveneens ijverde voor het vrouwenkiesrecht en de vooruitstrevende liberalen steunde. Zijn vrouw Henriëtte, die in 1858 stierf, zou het boek geschreven hebben, maar op haar naam mocht het niet worden uitgegeven. Tot op de dag van vandaag staat het boek officieel op naam van John Stuart Mill.

http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Stuart_Mill (20070226)

Writings by John Stuart Mill

[books / book excerpts]

· The Logic of the Moral Sciences. Excerpted from A System of Logic. London, 1843, 8th ed. 1872. [French translation]

· Essays on Some Unsettled Questions of Political Economy. London, 1844.

· Principles of Political Economy. London, 1848, 7th ed. 1871.

· On Liberty. London, 1859. [French translation]

· Dissertations and Discussions. London, 1859, 4th ed. 1882.

· Considerations on Representative Government. London, 1861.

· Utilitarianism. London, 1863. Reprinted from Fraser's Magazine, 1861. [French translation]

· Auguste Comte and Positivism. London, 1865. Reprinted from Westminster Review, 1865. [French translation]

· An Examination of Sir Hamilton's Philosophy. London, 1865.

· The Subjection of Women. London, 1869. [French translation] [Spanish translation]

· Autobiography. London, 1873. [French translation]

· Three Essays on Religion [Nature + Utility of Religion + Theism]. London, 1874.

· Chapters on Socialism. Fortnightly Review, 1879.

[articles]

· Free Discussion (1). Morning Chronicle, 1823.

· Free Discussion (2). Morning Chronicle, 1823.

· Free Discussion (3). Morning Chronicle, 1823.

· A Defense of Bentham. Excerpted from 'Whewell on Moral Philosophy'. Westminster Review, 1836.

· Note on N. W. Senior's Political Economy. In Senior's Outline of the Science of Political Economy, London, 1836.

· The Negro Question. Fraser's Magazine, 1850.

· Bentham. 1838, 2nd ed. 1859.

· The Contest in America. Fraser's Magazine, 1862.

· Inaugural Address. Delivered to the University of St. Andrews, 1867.

· Meetings in Royal Parks. Delivered in Parliament, 1867.

· Speech in Favour of Capital Punishment. Delivered in Parliament, 1868.

· Thornton on Labour and its Claims. Fortnightly Review, 1869.

· Theism. In Three Essays on Religion, London, 1874.

· Nature. In Three Essays on Religion, London, 1874.

· Utility of Religion. In Three Essays on Religion, London, 1874.

[letters]

· To James Mill. April 25, 1821.

· To ? March 18, 1840.

· To Gustave D'Eichthal. January 10, 1842.

· To ? May 13, 1865.

· To a Gentleman in Ohio. September 1, 1865.



--------------------------------------------------------------------------------



Writings about John Stuart Mill

[dictionary / encyclopaedia entries]

· John Stuart Mill. The Cambridge History of English and American Literature.

· John Stuart Mill. The Columbia Encyclopedia.

· John Stuart Mill. The Concise Encyclopedia of Economics.

· John Stuart Mill. Encyclopædia Britannica.

· John Stuart Mill. Encyclopædia Britannica (1911).

· John Stuart Mill. Internet Encyclopedia of Philosophy.

· John Stuart Mill. Island of Freedom.

· John Stuart Mill. The Johns Hopkins Guide to Literary Theory & Criticism.

· John Stuart Mill. The Literary Encyclopedia.

· John Stuart Mill. The Penguin Dictionary of Philosophy.

· John Stuart Mill. Spartacus Educational.

· John Stuart Mill. The Stanford Encyclopedia of Philosophy.

· John Stuart Mill. Wikipedia.

[other writings]

· Law Reform in England. The United States Democratic Review, 1851.

· John Stuart Mill and his Residence. Anonymous. Littell's Living Age, 1868.

· John Stuart Mill. By G. M. Towle. Appleton's Journal, 1870.

· John Stuart Mill. By M. D. Conway. Harper's New Monthly Magazine, 1873.

· The Reality of Duty. Anonymous. Littell's Living Age, 1876.

· John Stuart Mill (I). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill (II). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill (III). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill and the Destruction of Theism. By President Shairp. Princeton Review, 1878.

· James and John Stuart Mill. Littell's Living Age, 1882.

· John Stuart Mill and the London and Westminster Review. By C. Marion D. Robertson Towers. The Atlantic Monthly, 1892.

· A Letter to John Stuart Mill. By Winthrop More Daniels. The Atlantic Monthly, 1900.

· John Stuart Mill. By Leslie Stephen. In The English Utilitarians. London, 1900, vol. III.

· Variations in the Editions of J. S. Mill's Principles of Political Economy. By M. A. Ellis. Economic Journal, 1906.

· Biography. By O. M. W. Sprague. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· John Stuart Mill: Traditional and Revisionist Interpretations. By John Gray. Literature and Liberty, 1979.

· Early Buddhism and John Stuart Mill's Thinking. By Vijitha Rajapakse. Philosophy East and West, 1987.

· J. S. Mill: the Utilitarian Influence in the Demise of laissez-faire. By Ellen Frankel Paul. Journal of Libertarian Studies, 1978.

· Wallace's Campaign to Nationalize Land. By M. Gaffney. The American Journal of Economics and Sociology, October 1, 1997.

· Utility and Preferences. By Soshichi Uchii. October 25, 1998.

· The Worm at the Root of the Passions: Poetry and Sympathy in Mill's Utilitarianism. By L. A. Paul. Utilitas, 1998.

· The Carlyle-Mill "Negro Question" Debate. ca. 2000.

· Mill, Liberty, and the Facts of Life. By Shannon C. Stimson and Murray Milgate. 2001.

· Mill's "Proof" of the Principle of Utility. By Geoffrey Sayre-McCord. Social Philosophy and Policy, 2001.

· J.S. Mill and the Diversity of Utilitarianism. By Daniel Jacobson. Philosophers' Imprint, 2003.

· Mill between Aristotle & Bentham. By Martha C. Nussbaum. Daedalus, March 22, 2004.

· The Ethics of Identity. By Kwame Anthony Appiah. The New York Times, June 12, 2005.

· The Influence of Mary Bentham on John Stuart Mill. By Catherine Pease-Watkin. Journal of Bentham Studies, 2006.

· Narrative, Imagination, and the Religion of Humanity in Mill's Ethics. By Colin Heydt. Journal of the History of Philosophy, 2006.

· Mill, Bentham and 'Internal Culture'. By Colin Heydt. British Journal for the History of Philosophy, May, 2006.

[reviews]

· Autobiography. New Englander and Yale Review, 1874.

· Autobiography. New Englander and Yale Review, 1874.

· Autobiography. Scribner's Monthly, 1874.

· Autobiography. North American Review, 1874.

· Autobiography. Littell's Living Age, 1874.

· Autobiography and Three Essays on Religion. New Englander and Yale Review, 1875.

· Considerations on Representative Government. New Englander and Yale Review, 1862.

· Dissertations and Discussions, Vols. I-III. New Englander and Yale Review, 1866.

· Dissertations and Discussions, Vol. IV. New Englander and Yale Review, 1867.

· Dissertations and Discussions, Vol. I. North American Review, 1865.

· Dissertations and Discussions, Vol. IV. North American Review, 1868.

· Examination of Sir Hamilton's Philosophy. New Englander and Yale Review, 1865.

· Inaugural Address at the University of St. Andrew's. North American Review, 1865.

· On Liberty. North America Review, 1863.

· On Liberty. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· The Philosophy of Auguste Comte. New Englander and Yale Review, 1866.

· Principles of Political Economy. The Prospective Review, 1848.

· Principles of Political Economy. North American Review, 1848.

· Principles of Political Economy. North American Review, 1864.

· Principles of Political Economy. DeBow's Review, 1867.

· Principles of Political Economy. New Englander and Yale Review, 1872.

· Principles of Political Economy. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· The Subjection of Women. North American Review, 1869.

· The Subjection of Women. New Englander and Yale Review, 1869.

· A System of Logic. North American Review, 1854.

· A System of Logic. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· Three Essays on Religion. North American Review, 1875.

· Utilitarianism. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

http://www.utilitarian.net/jsmill/ (20070226)
LT
Het einde van de Middeleeuwen - periodisering
Edited: 150000000001
Het bepalen van zoiets als 'het einde van de middeleeuwen' is aan discussie onderhevig:

> 1453, het jaar van de val van het Constantinopel , kan als politiek einde gelden. Het Ottomaanse Rijk (lees: de islam, LT) zou nog eeuwenlang op de Balkan en rond de Middellandse Zee zijn invloed uitbreiden. Ook kwam er in dat jaar een einde aan de Honderdjarige Oorlog. De traditie heeft lange tijd een voorkeur gehad voor dit jaartal en wellicht was dat idee niet zo slecht.
> 1492, het jaar waarin Columbus Amerika ontdekte , is ook het jaar waarin een einde kwam aan de Spaanse Reconquista ten koste van het islamitische rijk in West-Europa: Granada viel als laatste bolwerk in handen van de Spaanse koning Ferdinand II van Aragón.
> de culturele en intellectuele Renaissance, waarin een nieuwe visie op de Klassieke Oudheid, de mens en de natuur ontstonden; (in Italië begon die al in de veertiende eeuw met de dichter Petrarca en de schilder Giotto); 'Het Narrenschip' van Brant en 'De Lof der Zotheid' van Erasmus omsluiten als het ware het jaar 1500: de mensen zijn dwazen en lachen is toegestaan.
> op religieus vlak was 1517 van groot belang, het jaar van de breuk tussen de hervormde en rooms-katholieke kerk: stellingen van Maarten Luther.
> 1566 is voor de Nederlanden een late, maar aanvaardbare grens. De Beeldenstorm, waarmee de doorbraak van het calvinisme gepaard ging, zorgde in veel steden niet alleen op godsdienstig, maar ook op politiek vlak voor een breuk. Niet alleen raakte de katholieke kerk haar monopoliepositie kwijt, ook de macht van de koning kwam ter discussie te staan. De gewesten eisten hun uit de Bourgondische tijd stammende traditionele bestuurlijke autonomie op, nu niet alleen met betrekking tot belastingheffing en benoeming van bestuurders, maar ook op godsdienstig terrein.

De bovenstaande tekst bulkt van verwijzingen naar godsdienstige aangelegenheden. Een scheiding in de geesten heeft - na een chaos van jewelste en natuurlijk heel veel bloed - een scheiding in het territorium tot gevolg. Met de onvermijdelijke grensconflicten, op te ruimen enclaves en gettovorming. Het kleine Europa vormde de draaischijf en het labo van al die ontwikkelingen en vandaag is dat niet anders.
[Bron: wiki en aanvullingen LT]