Search our collection of 8.422 BOOKS

Author
Title
Publisher
Keywords
Booknr

Search our 3.820 News Items

INDEX AUTHORS


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

We found 0 books

We found 135 news item(s)

gva & wiki
Mediahuis (Standaard, etc.) wil Ierse krantengroep Independent News & Media (INM) kopen voor 145.600.000 Euro
Edited: 201905020845
The company was formed as Independent Newspapers Limited in 1904 by William Martin Murphy, as the publisher of the Irish Independent.

In 1973 (Sir) Tony O'Reilly acquired 100% of the "A" shares of the company from the Murphy and Chance families, and was later forced to bid for the "B" (non-voting) shares. The company was subsequently floated on the Irish Stock Exchange and London Stock Exchange. The group expanded overseas, acquiring interests in the UK, Australia, New Zealand, and South Africa.

In 1999, the company name was changed to Independent News and Media plc.

O'Reilly was CEO until early 2009, one of his sons, formerly COO, Gavin O'Reilly, became CEO in early 2009, and two others were non-executive directors for many years. O'Reilly himself resigned as CEO on 19 April 2012 and was replaced by Vincent Crowley. O'Reilly had come under pressure in recent months from two of INM's largest shareholders, billionaire Denis O'Brien and financier Dermot Desmond.

As of May 2012, Irish entrepreneur Denis O'Brien holds a 29.9% stake in the company,[8] making him the largest shareholder. This compares to O'Reilly's family stake of around 13% (June 2012).[9] 5% of the holding company is held by Clear Channel Communications, transferred in return for control of a South African outdoor advertising firm.

On 26 April 2013, INM announced it had concluded a deal with its bankers to exchange part of its debt for up to 20 per cent of equity. The deal was subject to the sale of its South African newspapers, a reduction in staff levels of 10%, a capital raising, and the restructuring of the company's pension plan.

In 2019, it was reported that INM was up for sale. According to reports, suitors include Schibsted, Sanoma Media and a private equity firm.

In April of 2019 it was reported that INM had accepted an ownership bid of €145.6 million from Belgian media group Mediahuis. The offer is subject to acceptance by shareholders, competition authority approval and government approval.

more info on the site of INM
LT
Macron rijdt zich vast op het ronde punt van de Gilets Jaunes
Edited: 201901171030
Macron krijgt geen krediet meer van de meerderheid van de Franse bevolking.
De wurging van de werkende (midden)klasse heeft kwalijke effecten voor de 'président des riches'. En zijn arrogantie kent blijkbaar geen grenzen.
De haatgevoelens richten zich niet enkel op de functie of de gevoerde politiek maar nu ook op de persoon en zijn entourage en dat maakt elk gesprek, c.q. compromis, veel moeilijker. De toegevingen die de president deed worden kruimels genoemd.

RIC
Stilaan worden de eisen van de GJ duidelijk: een référendum d'initiative citoyenne (RIC) is wel de belangrijkste eis.

ISF
Macron blijft de afschaffing van de ISF (Impôt de Solidarité sur les Fortunes) verdedigen met de gekende drogredenen, ook tegenover de inderhaast bijeengeroepen vergadering van brave burgemeesters van Normandië op 15 januari 2019.
Door die afschaffing klopte de begroting niet meer en wilde hij het tekort dichtrijden met een verhoging van de accijnzen op brandstoffen, verpakt als ecologische maatregel. Al te doorzichtig.
Het cadeau aan de rijken moest dus door de SMIC-ards betaald worden.

MATRAQUAGE FISCAL
De lopende discussies concentreren zich nu snel op de onrechtvaardige en ongelijke FISCALE behandeling van de burgers en de groeiende tekorten in de verzorgende sectoren (hospitalen, scholen, ...) en in de gezinsbudgetten (de lege koelkast op de 20ste dag van de maand).
De kloof tussen Parijs (het centrum van de macht en de dure woonplaats van de 'bobo's') en de provincie wordt nu wel heel duidelijk. In Londen doet zich overigens hetzelfde voor.
Het klassieke antagonisme tussen links en rechts maakt plaats voor een strijd tussen arm en rijk, de basis en de top van de piramide. Zelfs de werkenden kunnen de eindjes niet meer aan mekaar knopen. Dat is trouwens een fenomeen dat zich wereldwijd voordoet.

DIVIDEND-ECONOMIE
De strijd in Frankrijk opent de ogen voor de misdaden van het perfide neo-liberalisme waaronder de verkoop van de Staatsparticipaties in winstgevende sleutelsectoren en de bijna complete desindustrialisatie van een groot land.
Dat daarbij ook gewezen wordt naar de technokraten in Brussel die met boekhoudkundige dwangmaatregelen (3%-regel bijvoorbeeld) de naties dirigeren, is onvermijdelijk. De Europese Unie heeft nooit een sociaal Europa willen of kunnen zijn, verblind door een politiek van concurrentie wat zou leiden tot lagere prijzen voor de consument. In de realiteit werd de maximalisatie van de dividenden het hoofddoel, 'le financiarisation de l'économie mondiale'.

MOBILITEIT
De verlaging van de maximumsnelheid naar 80 km/uur, verkocht als veiligheidsmaatregel, wordt door de burgers geïnterpreteerd als een truuk om de radar-inkomsten (de zogenaamde 'tirelire radar automatique') te verhogen. Bovendien swingen de tarieven van de péage op de geprivatiseerde snelwegen de pan uit. Vele vrachtwagenchauffeurs kiezen daarom voor het gebruik van de gewone wegen en de tijdsdruk op de onderbetaalde chauffeurs zorgt er voor meer onveiligheid. Ook het rijbewijs met punten krijgt veel kritiek want het verlies van punten is een bedreiging van de job. MOBILITEIT is een knelpunt maar niet in het goed bedeelde Parijs waar de investeringen geconcentreerd zijn.

Vele Fransen ontdekken hun GESCHIEDENIS: de Franse Revolutie, de vernedering van de katholieke Vendée, de onderdrukking van de Commune, de verovering van sociale voordelen in 1936 (Front Populaire), de uitbouw van de sociale zekerheid na WO II, de clash van 1968, de quasi permanente crisissfeer na 1973, de schandalen en het profitariaat aan de top.

De leidende kaste heeft getracht zich in te dekken door een 'main mise' van welgeteld 9 miljardairs op de MEDIASECTOR, waar een gerichte aanwervingspolitiek nu al jaren journalisten met het 'juiste profiel' aan het roer brengt. Het internet en de alomtegenwoordigheid van GSM's met hoogwaardige camera's heeft er echter voor gezorgd dat de gekleurde verhalen van journalisten voortdurend gecorrigeerd worden door een golf van pakkende beelden van de realiteit op bvb. het YouTube-platform.

GEWELD
Het wordt duidelijk dat het GEWELD tijdens manifestaties van drie kanten komt:
1) van ingehuurde 'casseurs' die - heel raar - ondanks controles toch met wapens (hamers, bijlen, ijzeren staven) in de betogingen kunnen infiltreren, 2) van radeloze manifestanten en
3) van een gefrustreerde politiemacht die in toenemende mate de gevaarlijke 'flash balls' (1) (reeds 14 mensen raakten een oog kwijt) gebruikt.
De media hebben geprobeerd de nadruk te leggen op het geweld en de bedoeling was: het in discrediet brengen van de beweging van de Gilets Jaunes door individuele gevallen uit te vergroten en te projecteren op de gehele beweging. Die tactiek is mislukt omdat de beelden die de GJ zelf maken aantonen dat de manifestaties doorgaans pacifistisch zijn. Beelden van de laatste manifestaties in Parijs tonen hoe de politiekorpsen de manifestanten naar de Place de l'Etoile loodsen, dan alle uitgangen blokkeren en vervolgens de massa met traangas bestoken.
Het is de gekende tactiek van de 'voie sans issue' zoals die meermaals door de Engelsen werd gebruikt bij de onderdrukking van de manifestanten in India ten tijde van Gandhi. Bij repressie gebeurt weinig zonder instructies van bovenaf en dat roept vragen op naar de graad van perversie van de machthebbers. Instructies van bovenaf moet je ook heel letterlijk nemen: de ingezette helicopters dienen wel degelijk om de bewegingen van de grondtroepen te sturen en te coördineren.
De Franse aanpak van manifestaties is die van confrontatie en niet van begeleiding van een betoging. De toegebrachte kwetsuren roepen onvermijdelijk haatgevoelens op bij de getroffenen en zo wordt een geweldspiraal op gang gebracht.

Ook bij het LEGER zijn frustraties aanwezig na de vernedering van de generale staf en het ontslag van het hoofd daarvan. De impact daarvan is verdoken maar reëel. Ondertussen is generaal De Villiers een succesauteur geworden met boeken die nauwelijks verhulde kritiek op Macron bevatten: een goede leider luistert naar diegenen die hij leidt, zo stelt hij.

De gebeurtenissen in buurland Frankrijk worden nauwelijks opgevolgd door de VLAAMSE MEDIA. Ook dat roept vragen op naar de nog resterende journalistieke onafhankelijkheid en de druk op de agenda-setting. Nochtans, wat in Frankrijk aan de gang is raakt onze samenleving evenzeer. De politieke bewustwording van 60 miljoen buren zal - net zoals tijdens de Franse Revolutie van 1789 - sporen nalaten in onze geesten.

(1) De flash balls worden geproduceerd door de Franse firma VERNEY-CARRON SECURITY, 54, Bd Thiers, BP 80072, 40002 Saint-Etienne Cedex 1, France.
En 1990, la commercialisation d'une toute nouvelle arme défensive appelée «Flash-Ball» a été lancée et a depuis été adoptée par plusieurs services de police et d'application de la loi. En 1999, un nouveau Flash-Ball destinée au secteur de la sécurité, baptisée «Super Pro», deviendra peu à peu l'une des armes de base de la police nationale française et attend d'être équipée par la police municipale. (wiki, 20190126)
France Gall
France Gall (°Paris, 9 oktober 1947 Paris, +7 januari 2018) overleden. R.I.P.
Edited: 201801071000
Et je porte le deuil ...



France Gall volgens Wiki

Op 8 januari 2018 bracht journaliste Valerie Droeven in De Standaard een ondermaats bericht bij het overlijden van Gall. Ook de foto's bij dat artikel getuigen van een onbekendheid met de carrière, de diepgang van de teksten en het engagement van de artieste.
nws
Wouter Vandenhaute haalt Lance Armstrong als eregast naar de Ronde van Vlaanderen. Arrogantie kent geen grenzen.
Edited: 201712151034



Wouter Vandenhaute is de partner van Catherine Van Eylen, het sportanker van de VRT-nieuwsdienst.
Het nieuwsitem werd verschoven naar het algemene nieuws om Van Eylen niet te verplichten over haar eigen partner te berichten.
USA laat Puerto Rico in de steek - Het zijn letterlijk tweederangsburgers
Edited: 201709301308
TESSENS Lucas
Wikipedia heeft uw steun nodig
Edited: 201709251224
Volg het voorbeeld van MERS en doneer een bedrag aan Wikipedia.
Zij verdienen dat!
Turkish government
wikipedia blocked in Turkey
Edited: 201704300325
wiki
PAN renaît
Edited: 201703111267
PAN était un hebdomadaire satirique belge en langue française paraissant le mercredi à Bruxelles. Le 11 mars 2017, son propriétaire a annoncé sa reparution à partir du 15 avril 2017. Il paraîtra désormais le vendredi.

Créé en 1945 sur le modèle du Canard enchaîné dont il avait gardé les couleurs, le rouge et le noir, mais en quatre pages seulement, Pan paraissait le mercredi et abordait avant tout les questions politiques belges sous l'angle de la satire. Au contraire du Canard, toutefois, les journalistes de Pan ne signaient leurs articles que d'un pseudonyme - comportant le mot "pan" (Pandémonium, Pantalon, Pandecte, Pan Bagnat, etc.) Parmi les fondateurs, le chansonnier Léo Campion, libre-penseur, anarchiste et franc-maçon. Mais celui-ci dut assez vite se séparer du journal, sa carrière de chansonnier l'emmenant à Paris.

Cependant, en partant, Léo Campion léguait à Pan un esprit irrévérencieux qui ne quitta jamais le journal. Malgré cela, ou sans doute à cause de cela, les hommes politiques se plongeaient tous les mercredis dans les quatre pages de Pan où foisonnaient les caricatures, les plaisanteries et les jeux de mots (certains inspirés par le dialecte bruxellois, ce qui les rendait compréhensibles d'une catégorie restreinte d'initiés). Dans ses dernières années, Pan dut affronter une dissidence qui se mit à publier Père Ubu. Sans doute, pour garder sa prééminence, Pan se mit alors à organiser chaque année la cérémonie de remise des "Pandores", des prix qui allaient aux diverses têtes de turc que le journal s'était choisies. C'est de bonne grâce que les victimes se pressaient à cette parodie des Oscars et autres Césars, car être cité dans Pan était un brevet de célébrité. Ce phénomène est le même que celui qui faisait se précipiter la classe politique et le public sur le Pourquoi Pas?, autre hebdomadaire satirique, représentatif d'une presse belge qui n'avait pas encore subi l'influence du style "international".

En 2004, Pan fut racheté par Dominique Janne. Il se sépara rapidement du rédacteur en chef André Gilain, et le journal redéfinit sa ligne éditoriale avec l'arrivée de Nicolas Crousse, un ex-journaliste du quotidien progressiste Le Matin disparu en 1998. Par la suite, Crousse laissera sa place de rédacteur en chef à Thomas-Pierre Gerard.

Le 14 mai 2010, l'hebdomadaire belge Trends-Tendances annonçait le rachat de Pan par son concurrent Père Ubu et la fusion des deux titres en un seul, à savoir Père Ubu, sous le slogan "Père UBU, l'hebdo qui fait PAN dans le mille tous les jeudis". Le titre se modifia ensuite en "Père Ubu - Pan"

Le 11 mars 2017, le propriétaire des marques Père Ubu et Pan a annoncé qu'il mettait fin à l'hebdo Ubu-Pan qu'il n'était « jamais parvenu à débarrasser […] de cette image d’extrême droite anti-PS et anti-immigrés » et qu'il relançait le magazine PAN, désormais aussi en numérique, à partir du 15 avril, sous la direction de l'écrivain, blogueur, chroniqueur et scénariste Marcel Sel.

voir notre collection Pan et le livre sur l'histoire de Pan


Pan selon le CRISP
Statista / ASDA'A Burson-Marsteller
Alarmerende resultaten van recent onderzoek: 13 procent van de arabische jongeren arabieren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika steunen ISIS/DAESH
Edited: 201604131925
Why Young Arabs Are Joining The Islamic State

A recent poll spanning 16 nations across the Middle East and North Africa has found that most young Arabs are against the so-called Islamic State and believe it will ultimately fail to establish a caliphate. The 2016 Arab Youth Survey revealed that 77 percent of Arabs aged 18 to 24 are concerned about the terror group’s rise with 50 percent considering it the biggest obstacle facing the Middle East. Only 13 percent of young Arabs feel they could support the group, even if it was less violent.
Commentaar LT: De interpretatie van Statista is discutabel. Statista spreekt van "only 13 percent". Wij vinden dit een alarmerend percentage! In absolute cijfers: 26 miljoen jongeren steunen ISIS/DAESH !

The poll also examined the primary reasons people are joining the terror group with a major lack of jobs in the region proving a driving factor. Across the countries polled, employment and few opportunities for young people proved a bigger draw than religious extremism or the presence of Western troops in the region.

Infographic: Why Young Arabs Are Joining The Islamic State | Statista



ASDA'A Burson-Marsteller behoort tot de WPP-groep van Sir Martin Sorrell
Guardian / Wiki
Panama Papers: David Cameron heeft uiteindelijk toegegeven dat hij profiteerde van de in Panama gelegen offshore Blairmore Investment Trust, opgezet door zijn overleden vader.
Edited: 201604081228
zie de lijst van tot nu toe vrijgegeven namen

Koningen, staatshoofden, regeringsleiders, zakenmensen, aandeelhouders, sportvedetten, drugsbaronnen en andere criminelen. De vis rot van de kop af.
Wikipedia
List of Islamist terrorist attacks (1980-2016)
Edited: 201603291414
dinsdag 8 maart: Internationale Vrouwendag - affiche Wikipedia
Edited: 201603080901
RT news
Sergey Lavrov beroept zich op de geschiedenis en pleit voor Eurasian Economic Union
Edited: 201603031314
Western attempts to exclude Russia from shaping European and global affairs have led to countless historical tragedies over the centuries, according to Russia’s foreign minister, who added lasting stability can only be reached through cooperation.

In an article for the Russia in Global Affairs magazine, Foreign Minister Sergey Lavrov outlines the historical importance of Russian foreign policy over the course of the last 1,000 years, arguing that Russian policy has always been based on preserving the fragile balance of peace and stability in international relations. Any attempts to isolate Moscow as a major world power have led to historical defeats and countless deaths, he says.

“During at least the past two centuries any attempts to unite Europe without Russia and against it have inevitably led to grim tragedies, the consequences of which were always overcome with the decisive participation of our country,” Lavrov wrote.

Being the largest country on earth with a unique “cultural matrix,” Russia has always followed its own national interests, Lavrov argues. Yet at the same time it has served as a bridge between the East and the West, while Russians have always welcomed and respected numerous religions and cultures.

While welcoming Western ideas and applying them to modernize Russia, Moscow has never allowed itself to be consumed by Western culture. At the same time Moscow has always advocated working with the West to achieve common objectives.

Lavrov stressed the constructive role Moscow has played in European affairs, especially during the Napoleonic Wars, as well as in First and Second World Wars. The influence of the Soviet Union in shaping modern Western values should also not be underestimated, the minister argues, highlighting the USSR’s role in decolonization and shaping the European socio-economic system.

“The Soviet Union, for all its evils, never aimed to destroy entire nations,” Lavrov said. “Winston Churchill, who all his life was a principled opponent of the Soviet Union and played a major role in going from the World War II alliance to a new confrontation with the Soviet Union, said that graciousness, i.e. life in accordance with conscience, is the Russian way of doing things,” he added.

The post-Soviet world, Lavrov argues, offered the unique opportunity for European states to unite with Moscow and work towards a wider and more solid security mechanism in Europe – a mechanism that would enable long-lasting peace on the wider continent.

“Logically, we should have created a new foundation for European security by strengthening the military and political components of the Organization for Security and Cooperation in Europe (OSCE),” the minister wrote.

Instead of uniting, some European countries chose to ally themselves with NATO and Washington, and once again embarked on the centuries-old matrix of trying to isolate Russia and expand the military alliance’s borders further east, while pursuing a global agenda of regime change and ‘color’ revolutions.

“It is notable that George Kennan, the architect of the US policy of containment of the Soviet Union, said that the ratification of NATO expansion was ‘a tragic mistake,’” Lavrov said.

Rather than serving as architects of peace, NATO and its member states, Lavrov said, continued to engage in destructive policies that threaten international stability and have already led to the collapse of states, starting from the bombings of Yugoslavia, to the invasions of Iraq and Libya.

Arguing that the liberal system of globalization has failed, the minister stressed that the world is standing at crossroads, where a new system of international relations is taking shape. At such an important historical junction, Lavrov says it is wrong to accuse Russia of “revisionism” just because Moscow refuses to bow or close its eyes to NATO’s policies.

“A reliable solution to the problems of the modern world can only be achieved through serious and honest cooperation between the leading states and their associations in order to address common challenges,” Lavrov wrote.

The most pressing issue in the modern world is the threat of terrorism, which can only be defeated by a united front, he added.

The foreign minister stressed that Russia is not seeking any “confrontation” with the US or the EU. On the contrary, Moscow is and has always been open to “the widest possible cooperation with its Western partners.”

Russia continues to support the notion that the best way to ensure the interests of Europeans would be “to form a common economic and humanitarian space from the Atlantic to the Pacific, so that the newly formed Eurasian Economic Union could be an integrating link between Europe and Asia Pacific.”


biography Sergey Lavrov
WikiLeaks Press Release / Julian Assange
NSA luisterde wereldleiders af om oliebelangen te beschermen
Edited: 201602231344
Today, 23 February 2016 at 00:00 GMT, WikiLeaks publishes highly classified documents showing that the NSA bugged meetings between UN Secretary General Ban Ki-Moon's and German Chancellor Angela Merkel, between Israel prime minister Netanyahu and Italian prime minister Berlusconi, between key EU and Japanese trade ministers discussing their secret trade red-lines at WTO negotiations, as well as details of a private meeting between then French president Nicolas Sarkozy, Merkel and Berlusconi.

The documents also reveal the content of the meetings from Ban Ki Moon's strategising with Merkel over climate change, to Netanyahu's begging Berlusconi to help him deal with Obama, to Sarkozy telling Berlusconi that the Italian banking system would soon "pop like a cork".

Some documents are classified TOP-SECRET / COMINT-GAMMA and are the most highly classified documents ever published by a media organization.

WikiLeaks editor Julian Assange said "Today we showed that UN Secretary General Ban KiMoon's private meetings over how to save the planet from climate change were bugged by a country intent on protecting its largest oil companies. We previously published Hillary Clinton orders that US diplomats were to steal the Secretary General's DNA. The US government has signed agreements with the UN that it will not engage in such conduct against the UN--let alone its Secretary General. It will be interesting to see the UN's reaction, because if the Secretary General can be targetted without consequence then everyone from world leader to street sweeper is at risk."

RT News
WikiLeaks lekt recent rapport over vluchtelingencrisis en mogelijke EU-interventie in Lybië
Edited: 201602171502
WikiLeaks has released a classified report detailing the EU's military operations against refugee flows in Europe. It also outlines a plan to develop a "reliable" government in Libya which will, in turn, allow EU operations to expand in the area.
The leaked report, dated January 29, 2016, is written by the operation's commander, Rear Admiral Enrico Credendino of the Italian Navy, for the European Union Military Committee and the Political and Security Committee of the EU.

The document gives refugee flow statistics and details of performed and planned operation phases of the joint EU forces operating in the Mediterranean.

zie ook het eerdere bericht waarin de Lybische regering een directe interventie afwijst

Vooral Frankrijk houdt zijn ogen gericht op de Lybische overbuur en de steun van een Italiaanse admiraal komt dan ook niet ongelegen.
Benieuwd of Bernard-Henri Lévy ook nu weer een rol gaat spelen zoals in 2011.
het gebeurde op 7 februari ...
Edited: 201602070118
1561: eerste steenlegging van het stadhuis van Antwerpen, voltooid op 15650227; zie in dit verband Antwerpen & de scheiding der Nederlanden; zie ook het referentiewerk van Soly

1831: Belgische grondwet wordt afgekondigd te Brussel; voor een grondige bespreking van de grondwet verwijzen wij naar het werk van Wouter Pas, e.a.

1833: Griekse koning Otto I, verkozen op 18320830, doet zijn plechtige intrede in Griekenland, te Nauplia; hij een zoon van koning Lodewijk I van Beieren; Griekenland was in 1832 onafhankelijk verklaard door het Congres van Londen; ook de Nederlandse prins Frederik kreeg de Griekse troon aangeboden, maar hij bedankte voor de eer; Otto moest in 1862 gedwongen afstand doen van de troon.

1856: Engeland annexeert Voor-Indië (koninkrijken Agra en Oudh)

1921: tijdens een conferentie te Parijs bepalen de geallieerden de Duitse herstelbetalingen: 11,3 miljard £ sterling; lees in deze context De Zwarte Obelisk van Erich Remarque

1942: Japanse troepen landen te Singapore, dat zich overgeeft op 19420215

1943: Amerikaanse troepen veroveren Guadalcanal eiland (sleutelpositie in de Pacific) op de Japanners

1962: mijnramp te Völklingen, in het Saargebied, waarbij 299 doden en 70 gewonden vallen; de oorzaak van de ramp in de mijn van Luisenthal was de ontploffing van opgehoopt methaangas; Wiki heeft een uitgebreide Duitse pagina over de Grübe Luisenthal.
BAUWENS Michel
De wereld redden, door Michel Bauwens, in herdruk. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving. Aanbevolen.
Edited: 201512251330
Onze samenleving steunt op het absurde idee van materiële overvloed en immateriële schaarste. We doen alsof de planeet oneindig is en plegen er dermate roofbouw op dat het overleven van de menselijke soort in gevaar komt. Anderzijds bouwen we via auteursrechten en patenten artificiële muren rond menselijke kennis om sharing en samenwerking zo moeilijk mogelijk te maken.
Het peer-to-peermodel, geïnspireerd door open source zoals Wikipedia, wil die logica omdraaien. Michel Bauwens ziet in nieuwe fenomenen zoals de samenwerkingseconomie, peer-to-peernetwerken, open source, crowdsourcing, fab labs, microfabrieken, de makersbeweging en stadslandbouw een weg naar een postkapitalistische samenleving, waarbij de markt zal onderworpen worden aan het algemeen belang.
Net zoals het feodalisme ontstond binnen de schoot van de Romeinse slavenmaatschappij en het kapitalisme binnen het feodalisme, groeit ook binnen het kapitalisme het embryo van een nieuwe samenleving. Om de wereld te redden, dringt zich een herlokalisering van de productie op en een uitbreiding van globale samenwerking op vlak van kennis, code en design.
De pers over De wereld redden
'De wereld redden is een boek dat het waard is gelezen te worden. Michel Bauwens slaagt erin om verschillende fenomenen aan elkaar te linken en aan te tonen dat ze eigenlijk deel uitmaken van één grote omwenteling die momenteel aan de gang is. Daarbij denkt hij door en probeert hij zich een beeld te vormen over hoe de toekomst er zou kunnen uitzien. Verder bezondigt hij zich zeker niet aan het naïeve optimisme dat bij het begin van het internet opgang maakte en dat verkondigde dat alle mensen broeders zouden worden door het internet. Integendeel, hij waarschuwt dat de overgang van de kapitalistische naar de postkapitalistische samenleving met veel onrust en turbulentie gepaard kan gaan, net zoals bijvoorbeeld de overgang van de feodale naar de industriële samenleving mede aan de basis lag van de Franse Revolutie. Nochtans toont De wereld redden dat die transitie ook op een andere manier kan gebeuren en dat die er uiteindelijk toe kan leiden dat de mens het misschien materieel met minder zal moeten stellen, maar dat hij er immaterieel met grote schreden op vooruit kan gaan.' Lieven Monserez, Liberales.
De herdruk verschijnt in januari 2016 bij VBK/Houtekiet. Wij houden u op de hoogte.
Ondertussen kunt u hier het interview lezen dat op 12 december 2015 in De Standaard Weekblad verscheen.
Wikipedia - LT (correcties en aanvullingen)
geschiedenis: Sykes-Picotverdrag, de val van het Ottomaanse Rijk, nieuwe monarchieën
Edited: 201512141458
Het Sykes-Picotverdrag was een geheime overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in mei 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was opgesteld door de Franse onderhandelaar Georges Picot (Paris, 18701221 – 19510620) en de Brit Mark Sykes (18790316 – 19190216). De Italianen en de Russen gingen ermee akkoord.

Volgens dit verdrag zouden de Fransen de kuststrook van Noord-Syrië en Libanon krijgen, met de grote steden Beiroet, Aleppo en Damascus, en de Britten het gebied aan de kop van de Perzische Golf, met als grootste stad Basra. Het binnenland, de eindeloze woestijn, zou worden verdeeld in ‘invloedssferen’, waar een van de beide landen een monopolie op exploitatie van natuurlijke rijkdommen en advisering van lokale potentaten zou hebben. Het zuiden van Syrië tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, dat voor Europeanen met hun Bijbelse opvoeding als ‘Palestina’ een speciale betekenis heeft, zou onder internationaal bestuur komen. Ze besloten ook dat de onafhankelijkheid van de Arabische staten door Frankrijk en Engeland niet erkend zou worden, als het Ottomaanse rijk als verliezer uit de bus zou komen. Een derde macht was in het gebied niet toegestaan.

Op 2 november 1917 had de Britse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour (18480725 – 19300319) ook nog een brief gestuurd aan Lord Lionel Walter Rothschild (18680208 – 19370827), een Joodse bankier die een voorstander was van het Zionisme. In deze brief, die ook wel de Balfour-verklaring wordt genoemd, beloofde hij de steun van de Engelse regering bij de stichting van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina.
His Majesty's government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.

Al deze onderhandelingen waren prematuur, want het Ottomaanse rijk bestond nog en zijn leger vormde een geduchte tegenstander. De Britten hadden al vroeg in de oorlog een expeditieleger aan wal gezet aan de kop van de Perzische Golf, en dit was geleidelijk opgerukt in de richting van Bagdad. Maar in juli 1916 werd de complete Britse voorhoede, 13.000 man sterk, bij al-Koet tot overgave gedwongen. Dit vertraagde de opmars naar Bagdad met bijna een jaar. Na twee mislukte pogingen om door het Ottomaanse front in het zuiden van Palestina heen te breken, veroverden de Britten met Kerstmis 1917 Jeruzalem. In oktober 1918 zakte de Ottomaanse verdediging uiteindelijk in elkaar en konden de Britten, samen met de Arabische opstandelingen, doordringen tot Aleppo en Mosoel in het noorden. Met de wapenstilstand van Mudros op 31 oktober 1918 was de militaire strijd definitief gewonnen, maar de diplomatieke problemen begonnen nu pas goed.

Arabische nationalisten riepen in Damascus de emir Faisal (1885-1933), de feitelijke leider van de Arabische opstand, uit tot koning van een onafhankelijk Arabië (Arab Kingdom of Syria). De Britten waren geneigd de aanspraken van hun protégé Faisal te erkennen. De Fransen wilden echter van geen wijken weten. Syrië moest en zou Frans worden zoals voorzien in de Sykes-Picot-overeenkomst, en uiteindelijk gaven de Britten toe. De overeenkomst werd bezegeld tijdens een aantal vergaderingen van de vredesconferentie begin 1920 in het Italiaanse San Remo. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon, en toen de Arabische nationalisten hiertegen in opstand kwamen, werd die opstand met grof geweld onderdrukt. Faisal ging in augustus 1920 in ballingschap in de UK.

De beloning die de Britten voor hun steun aan Frankrijk bedongen, was aanzienlijk. Het Verenigd Koninkrijk kreeg Zuid-Syrië (dat werd opgedeeld in Palestina en Transjordanië) en de drie Ottomaanse provincies van Mosoel, Bagdad en Basra in het oosten, het gebied dat nu ‘Irak’ werd genoemd. Ook de familie van de Sjarief kreeg zijn deel, al bestond dat uit een serie troostprijzen en niet uit het oorspronkelijk beloofde grote Arabische koninkrijk. De Sjarief (de vader van Faisal) - Hussein ibn Ali al-Hashimi (18540000 – 19310604) - zelf werd koning van de Hejaz (met het dichtbevolkte Jeddah en de heilige steden Mekka en Medina) en zijn zoon Abdullah (18820200 – 19510720) besteeg in het woestijnstadje Amman de troon als emir (vanaf 1946 koning van Jordanië) van Transjordanië. De Britten installeerden de monarchie in Irak en Faisal kreeg in augustus 1921 de troon, nadat het land was ‘gepacificeerd’, een proces waarin Gertrude Bell (18680714 – 19260712) een aanzienlijke rol speelde.

In 1924 versloeg stamhoofd Abdulaziz ibn Saud (18750115 – 19531109) zijn rivaal Hussein ibn Ali al-Hashimi, die eerst naar Cyprus en dan naar Transjordanië vluchtte, waar zijn zoon Abdullah als emir op de troon zat. Abdulaziz legde de grondvesten van het Saoudische Koninkrijk, dat we vandaag kennen. President Roosevelt zou op het einde van WO II met Abdulaziz een akkoord sluiten over de olierijkdommen van het koninkrijk. Voor een biografie van Ibn Saud (Séoud in het Frans) verwijzen wij naar ons boeknummer 19615.

Ook de situatie in Palestina werd onhoudbaar door de verschillende Britse voorstellen die niet verenigbaar waren. Het vertrouwen van zowel de joden als de Arabieren in de Britse regering was verdwenen. Het Verenigd Koninkrijk werd gezien als een zwakke politieagent die niet in staat was de situatie in de hand te houden. De dubbelzinnige Britse houding in de periode tussen 1920 en 1948 tegenover de problemen van Palestina wordt daarom ook gezien als een belangrijke oorzaak van het Palestijns-Israëlisch conflict.

Het Britse mandaat over Irak bleek even impopulair bij de bevolking als het Franse over Syrië. Ook in Irak brak in de zomer van 1920 een heftige volksopstand uit, geleid door een coalitie van stamhoofden, soennitische notabelen en sjiitische geestelijken. De opstand werd met behulp van de Britse Royal Air Force (RAF) in bloed gesmoord. Met name terreurbombardementen van de Britse luchtmacht tegen de inheemse burgerbevolking bleken hierbij zeer effectief, mede door het gebruik van mosterdgas. Dit maakte grote indruk op de militaire experts van die tijd en leidde ertoe dat het bombarderen van burgerdoelen overal in Europa als de strijdwijze van de toekomst werd gezien (cfr. de bombardementen van de Luftwaffe op London en de tapijtbombardementen van de USAF en de RAF op Duitsland tijdens WO II).
BAUWENS Michel (interview in De Standaard Weekblad 20151212)
‘De Belgische regering kiest voor een trek-uw-plansamenleving’
Edited: 201512120903
CYBERFILOSOOF MICHEL BAUWENS EN DE ECONOMIE NA HET KAPITALISME
12 DECEMBER 2015 | Yurek Onzia, foto’s Fred Debrock
Het laatste boek dat wijlen Jean-Luc Dehaene cadeau deed aan zijn partijvoorzitter Wouter Beke, was De wereld redden van Michel Bauwens. Dat is de Belgische peetvader van de peer-to-peerbeweging – een vraag-aanbodeconomie tussen particulieren – vooralsnog niet gelukt, maar zijn alternatieve model maakt wel opgang. ‘Ja, ik ben een wereldverbeteraar.’
Een maandagmiddag in het Grand Café van het Antwerpse kunstencentrum deSingel. Michel Bauwens drinkt een espresso in het gezelschap van vier dames van Actueel Denken en Leven, een vereniging die sinds de jaren 70 voordrachten voor vrouwen organiseert over tendensen in de samenleving. Bauwens is voor deze lezing overgevlogen vanuit Berlijn, waar hij een van de hoofdgasten was op UnICommons, een tweedaagse rond gemeengoed. Straks vertrekt hij voor een tournee naar Nieuw-Zeeland en Australië, in het voorjaar is hij gastdocent aan de universiteit van Madison in de Amerikaanse staat Wisconsin.

Vandaag verwacht Bauwens maar ‘een man of 50, wat oké is, want ik spreek ook graag voor kleinere groepen’. Blijkt dat de Blauwe Zaal bomvol zit, 750 bezoekers, allemaal vrouwen. Ze smullen van zijn met voorbeelden gelardeerde verhaal over de peer-to-peer-economie, met als pijlers open en gedeelde kennis, duurzaamheid en solidariteit. En zij niet alleen. Bauwens’ boek De wereld redden is ook een Franse bestseller, de Engelse en Spaanse vertalingen staan op stapel. Verwante geesten als Jeremy Rifkin en Douglas Rushkoff steken hun appreciatie niet onder stoelen of banken. En in 2012 al nam het Post Growth Institute Bauwens op in de (En)Rich List, een lijst met de 100 meest inspirerende figuren voor een duurzame toekomst. Hij staat er te blinken naast Vandana Shiva, Mahatma Gandhi en Martin Luther King.

Terug naar het Grand Café, waar het gesprek geanimeerd is, jolig bij momenten. Bauwens is zijn bescheiden-charmante zelf, met anekdotes en grapjes over de boeddhistische gewoontes in Thailand. Hij woont al vijftien jaar in Chiang Maimet zijn Thaise vrouw en hun twee kinderen. Vandaaruit trekt hij de wereld rond om zijn visie op een nieuw maatschappijmodel uit te dragen. ‘Mijn vrouw begrijpt het allemaal niet zo goed’, lacht hij. ‘Telkens als ik vertrek, vraagt ze hoe het mogelijk is dat er mensen naar mij komen luisteren en daar nog voor willen betalen ook.’

Op het tandvlees

Het engagement van Michel Bauwens wortelt in de late jaren 90. Terwijl hij kampte met een burn-out, zag hij ook hoe het helemaal verkeerd ging met de wereld. Meer ongelijkheid, meer ecologische problemen. ‘Het leek alsof ons systeem er maar niet in slaagde om daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Dertig jaar geleden hadden we een ozonprobleem. Dat hebben we grotendeels opgelost, dankzij het Montrealprotocol van 1987 en de belofte van 197 landen om geen ozonschadelijke stoffen meer te produceren. Maar een gezamenlijke aanpak van de opwarming van de aarde en de klimaatverandering, dat lukt blijkbaar niet.’

Er was nog een motivatie. Bauwens had gewerkt als kaderlid voor British Petroleum en als e-business-strateeg voor Belgacom, had gezien hoe het er daar aan toe ging, hoeveel stress en burn-outs er waren en hoe kortzichtig het beleid van grote bedrijven was geworden. ‘Een verziekte werksfeer waar zelfs de elite van het kapitalisme vandaag niet aan ontsnapt’, zegt hij. ‘Vijftig jaar geleden gingen de Engelse aristocraten vrolijk naar de gentlemen’s clubs, om te socializen. Nu werkt een kaderlid 80 uur per week. Mensen zitten op hun tandvlees, ze zijn niet gelukkig.’

Bauwens dacht: dit kan toch niet het model voor de toekomst zijn? En ook: was hij een deel van het probleem of van de oplossing? ‘Het antwoord was duidelijk’, zegt hij. ‘Binnen zo’n structuur bleef ik een deel van het probleem. Ik heb toen beslist om me actief bezig te houden met systeemveranderingen. Ik nam een sabbatical, trok twee jaar uit om te lezen, onder meer over de val van het Romeinse Rijk, en reisde een halfjaar rond om dingen van nabij te bestuderen. De neerslag daarvan werd De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, het boek dat ik schreef met Jean Lievens.’

Peer-to-peer is een begrip dat oorspronkelijk uit de computerwereld komt, het betekent ‘van gelijke tot gelijke’. Wellicht was Bauwens niet de eerste, hij denkt aan het werk van iemand als Yochai Benkler, maar hij was wel een van de eersten die het p2p-principe hebben toegepast als sociale structuur op andere vlakken van de samenleving. Fundamenteel gaat het over de capaciteit van mensen om als gelijken onder elkaar samen waarde te creëren, via speciale licenties die het delen mogelijk maken. Het internet en de nieuwe technologieën laten meer dan ooit toe om makkelijk met elkaar in contact te komen en samen te werken. Zonder de normale hiërarchische structuren, maar door onderlinge coördinatie, op een globale schaal. ‘Peer-to-peer is dus niet zomaar een spelletje’, zegt Bauwens. ‘Het is het verhaal dat onze planeet nodig heeft.’

Parasitaire P2P

Centraal in dat verhaal staat het begrip commons, gemeengoed. Bauwens legt uit. ‘In de middeleeuwen al hadden boeren vaak een gemeenschappelijk stuk eigendom. Daarover maakten ze afspraken, om bijvoorbeeld op bepaalde tijdstippen vruchten te plukken.Commons is geen privaat goed en ook geen eigendom van de overheid, maar wordt beheerd door een gemeenschap van burgers, gebruikers en producenten, die er de voordelen of gevolgen van ondervinden.’

‘In de westerse wereld heeft het kapitalisme dat gemeengoed proberen af te breken. Het evenwicht tussen privé- en gemeenschappelijk bezit werd, zeker in de voorbije decennia, steeds ernstiger verstoord. Maar via het internet is het doodeenvoudig om samen op grote schaal gemeengoed te realiseren. Op die manier komencommons opnieuw in de kijker. En leiden ze naar een nieuwe manier van denken en aanpakken.’

zie onze nota over eigendom en staat

Kunt u daar voorbeelden van geven?

‘Eerst was er de vrije software, Linux. Een groep mensen creëerde die nieuwe software, maar privatiseerde hem niet en begon hem met iedereen te delen. Eén voorwaarde: als je er gebruik van maakt en er iets aan verandert, moet je die verbetering ook delen met de andere gebruikers. Wikipedia is nog een voorbeeld: een digitale bundeling van kennis op basis van vrijwillige bijdragen, die de oude encyclopedieën zo goed als overbodig heeft gemaakt.’

‘Momenteel evolueren we van een kapitalistische economie, gebaseerd op arbeid en kapitaal, naar een p2p-economie, gebaseerd opcommons en een vrijere taakverdeling. Maar omdat het allemaal nog gefragmenteerd is, zien mensen het volledige plaatje niet. Als onderzoeker kijk ik met de P2P Foundation naar die nieuwe initiatieven en vormen waarmee mensen bezig zijn, probeer er de onderliggende structuur en logica van te begrijpen en die inzichten naar het grote publiek te brengen.’

Commons, samenwerken, deeleconomie: het klinkt allemaal goed. Maar wat met bedrijven als Uber en Airbnb? Ze laten uitschijnen dat ze deel uitmaken van die sociaal gedreven p2p-economie, maar zijn evengoed gericht op winstmaximalisatie en beurswaarde.

‘Dat is inderdaad een probleem. In de nieuwe deeleconomie overheersen Uber en Airbnb, en Facebook zwaait de plak over de sociale media. Vandaag heeft het 1,3 miljard actieve gebruikers en het verandert de samenleving door de manier waarop het, via peer-to-peercommunicatie, mensen met elkaar in contact brengt. Maar zonder gebruikers heeft Facebook geen waarde. Het maakt gigawinsten door onze aandacht, het schaarste-element, te verkopen aan andere bedrijven. Wij creëren dus 100 procent van de marktwaarde, maar de opbrengsten gaan integraal naar Mark Zuckerberg. In het kapitalistische systeem betaal je de mensen tenminste nog voor hun arbeid, de toegevoegde waarde. Airbnb en Uber faciliteren, maar voegen zelf niets toe en nemen geen enkele verantwoordelijkheid. Op die manier werken ze veel goedkoper dan hotels en taxibedrijven, kunnen ze de markt innemen en grote winsten maken. Zo’n systeem kan niet blijven werken, want het is parasitair, ook voor het kapitalisme zelf. De p2p-dynamiek kan het huidige maatschappijmodel dus ook enorm verstoren.’

Coalition of the Commons

Hoe los je dat op? Michel Bauwens kijkt naar de politiek. Partijen en overheden die de kracht van het nieuwe model inzien en ermee aan de slag gaan. ‘Zo kun je in Gent of Antwerpen perfect een eigen gemeengoedversie van Uber oprichten en de winst ervan verdelen onder de chauffeurs. Waarom doen we dat niet? De rol van stedelijke overheden kan daarbij cruciaal zijn, door als facilitator van een deeleconomie op te treden.’

Bauwens stelt een Coalition of the Commons voor. ‘Door de digitalisering wordt traditionele arbeid steeds schaarser en kunnen we geen sociale compromissen meer sluiten enkel op basis van klassieke loonarbeid. Het moet wel mogelijk zijn om een nieuwe sociale en politieke meerderheid te creëren rond het idee van de commons. Je hebt het succes van de Piratenpartijen – in IJsland worden ze volgens recente peilingen de grootste partij – die de digitale cultuur vertegenwoordigen. Je hebt de Groenen, die de natuur als gemeengoed vertegenwoordigen. Je hebt nieuwe progressieve partijen, zoals het Griekse Syriza en het Spaanse Podemos en Barcelona en Comù (‘Barcelona Samen’, nieuw burgerplatform dat bij de laatste verkiezingen een meerderheid behaalde en met Ada Colau de nieuwe burgemeester leverde, red.), die zijn voortgekomen uit de Occupy-, de 15 mei- en Syntagma Squarebewegingen: allemaal groeperingen die sterk de peer-to-peer-principes hebben toegepast. Ik denk ook aan de grote mobilisatie die politici als Bernie Sanders in de VS en Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië teweegbrengen en aan nieuwe burgerbewegingen zoals Hart Boven Hard/Tout Autre Chose in België.’

(op dreef) ‘We hebben vandaag een negatief sociaal contract. Wat is onze belofte aan onze jongeren? Dat je, áls je een geschikte job vindt, harder en langer zal moeten werken. Dat studeren steeds duurder zal worden, dat je je volwassen leven zult beginnen met schulden. Dat je geen huis zult kunnen kopen, als je geen rijke ouders hebt. De huidige Nederlandse en Britse regering, en ook de Belgische, kiest voor een trek-uw-plansamenleving. Een gevaarlijk model, want het vernietigt in ijltempo de solidariteitsmechanismen en het sociale weefsel. Het nefaste Europese austeritybeleid, gedicteerd door dezelfde grootbanken die ons met hun roekeloze gespeculeer en hebzucht in de crisis hebben gestort, drijft landen naar de bedelstaf. Willen we dat veranderen, dan zullen we, zoals de arbeiders ooit een arbeidersbeweging hebben opgebouwd, een commonsbeweging moeten creëren.’

Ziet u dat zonder slag of stoot gebeuren?

‘Dat moet uiteraard op een democratische manier gebeuren, maar het gaat wel om radicaal andere politieke keuzes – je kunt die niet alleen bewerkstelligen door op je eentje microfabrieken te bouwen. Je moet dan denken aan het grondig veranderen van instituties en instellingen, aan méér democratie en burgerparticipatie. Of dat een gewelddadig proces is of niet, hangt niet van ons af. Wel van het feit of het systeem soepel genoeg is om die innovaties te accepteren. Een systeem wordt pas gewelddadig, als het niet meer kan veranderen zónder geweld. Dat moeten we absoluut vermijden. Ik pleit voor evolutie en samenwerking, in plaats van voor revolutie en onderlinge verdeling.’

Dat de veranderingen volop bezig zijn, toont u in uw boek aan via een reeks succesvolle cases.

‘Ja, ik denk aan Fora do Eixo, een groot p2p-cultuurnetwerk in Brazilië dat erin is geslaagd een grote alternatieve muziekeconomie te creëren. Je hebt er ook Curto Café, een alternatieve koffiegemeenschap die heel wat peer-to-peer-principes gebruikt: openheid in de productie en de boekhouding, een open recept en wie investeert, wordt terugbetaald met gratis koffie. Of het Broodfonds in Nederland, een mooi voorbeeld van onderlinge solidariteit bij ziekte of ongeval tussen kleine zelfstandigen, freelance kenniswerkers en kleine ondernemingen – het nieuwe precariaat, dat zouden de vakbonden dringend moeten beseffen. En in Zwitserland heb je WIR, een p2p-organisatie van 62.000 ondernemers die werkt als een soort ‘nieuwe gilde’ en haar leden helpt en versterkt door kredietverstrekking via een alternatieve munt, de WIR franc, buiten de traditionele banken om. Allemaal dingen die de arbeidersbeweging in de 19de eeuw al deed, maar nu in een nieuw technologisch jasje zitten.’

VAN TINA NAAR TAPAS

U reist vanuit uw thuisbasis in Thailand vrijwel continu de wereld rond, met een onvermoeibare, haast apostolische bevlogenheid. Wat houdt u gaande?

‘Als je iets wilt veranderen, moet je mensen hoop geven en die energie mobiliseren. Misschien lukt het niet, maar als je begaan bent met sociale rechtvaardigheid en de planeet, en iets wilt bereiken, kun je gewoon niet anders. Tijdens mijn burn-out werd het me duidelijk dat een engagement met mijn medemens, van gelijke tot gelijke, een essentieel deel van mijn leven moest zijn. Het peer-to-peer verhaal was daar de logische uitkomst van.’

‘In The Varieties of Religious Experienceheeft Harvard-filosoof William James het over de ‘once born’ en de ‘twice born’. Er zijn mensen die geboren worden en onmiddellijk hun plaats vinden. Je hebt er ook die een strijd moeten leveren, een crisis doormaken. Als die erin slagen, zegt James, om later in hun leven erbovenop te komen, zijn dat de mensen die de wereld veranderen. Ik was als jongeman niet gelukkig. Vond mijn plaats niet, heb moeten worstelen om zingeving te creëren. En dan gebeurt er iets waardoor alles samenvalt en je weet: dit is mijn weg. Ik doe dit dus omdat ik het móét doen.’

Beschouwt u uzelf als een wereldverbeteraar?

(resoluut) ‘Ja.’

Ik vraag het omdat het een woord is dat mensen nauwelijks nog in de mond durven nemen.

‘Ja, maar dat is net het probleem. Dat heersende cynisme, in combinatie met het dominante neoliberale denken. Sommige politici proberen de mensen wijs te maken dat er geen andere opties zijn dan het beleid dat we nu voorgeschoteld krijgen. Dat is een verschrikkelijke onderdrukking van de mens en van het menselijke potentieel. Ik zeg het vaak: we moeten van TINA (There Is No Alternative, red.) naar TAPAS (There Are Plenty of Alternatives’, red.), want er zijn wel degelijk alternatieven.’

‘Momenteel zijn miljoenen mensen hun leven aan het veranderen. Ze accepteren steeds minder het dominante neoliberale economische denken en willen ethisch, duurzaam en solidair handelen. Uit een onderzoek in Finland is gebleken dat maar liefst 95 procent van de Finse designstudenten wil meewerken aan duurzaamheidsinitiatieven. Mensen zetten zich in voor hun wijk en voor natuurbehoud, organiseren repair cafés, zetten coworking spaces en FabLabs op, delen hun wagens en materiaal, en produceren alternatieve energie, geïnspireerd door de succesvolle burgercoöperatieven in Duitsland, waar 96 procent van de hernieuwbare energie wordt geproduceerd buiten de energiemaatschappijen om. Op die manier ontstaat er een tegenmacht die de bestaande macht uitdaagt, met solidariteit, duurzaamheid en gedeelde kennis als belangrijkste pijlers.’

Er is nog hoop?

‘Er is zeker hoop. En het is belangrijk om hoop te hebben. Niet omdat mensen die de wereld willen verbeteren, daar altijd volledig in slagen. Maar beeld je in dat je zelfs niet meer probeert. Dan boer je zeker achteruit.’
RTS - Radio Télévision Suisse
Interview 2012 avec Jean Ziegler, un homme vrai et sincère - A REVOIR !
Edited: 201512120054


Ziegler témoigne entre autre sur:
La faim dans le monde;
2,2 million d'enfants en Espagne ont faim;
L'argent de sang dans les banques suisses;
Le rôle du Crédit Suisse;
L'argent et les crimes de Mobutu au Congo;
L'argent criminelle placé en Suisse;
Son passage au Katanga (1962);
L'Egypte et l'argent de Mubarak (682 millions de FS);
L'argent du Yemen en Suisse;
Les crimes d'Assad ("l'incarnation du mal") en Syrie;
Le rôle du Conseil Fédéral en Suisse;
etcetera.

A propos du procès HSBC-Suisse (SwissLeaks): Hervé Falciani fut condamné par défaut à 5 ans de prison le 20151127.

"En Suisse on est passé de la négation à la répression (les procès) et puis à l'arrogance sans masque vis-à-vis la fraude fiscale et l'argent criminelle."
"La jungle avance en Europe."

Pour information, voici comment le système politique suisse fonctionne. On peut dire qu'il prend la forme de Directoire.
Le Conseil fédéral est l'organe exécutif de la Confédération suisse. Il est formé de sept membres, élus ou réélus — le même jour mais l'un après l'autre — pour un mandat de quatre ans renouvelable par l'Assemblée fédérale. Traditionnellement, un conseiller fédéral est réélu jusqu'à sa démission et les cas de non-réélection sont extrêmement rares (quatre entre 1848 et 2007).

Chacun des membres du Conseil est responsable de l'un des sept départements de l'administration fédérale mais le conseil lui-même fonctionne selon le principe de la collégialité. Le président de la Confédération est élu en son sein par l'Assemblée fédérale pour un an. Celui-ci est un primus inter pares avec un simple rôle de représentation. Son élection se fait traditionnellement par rotation (tournus) sur base de l'ancienneté entre les membres. (src: wiki, 20151212)
Le Monde
Bernard Tapie moet 404 miljoen euro terugbetalen in de zaak Adidas maar maakte nog vlug al zijn activa over aan een gerechtelijk beheerder
Edited: 201512080900
Le Monde révèle mardi matin qu'il avait pris soin, avant la décision de la Cour d'appel de Paris, de confier l'ensemble de ses actifs à un administrateur judiciaire dans le cadre d'une procédure de sauvegarde. (MetroNews)
La procédure de sauvegarde est une procédure collective qui protège les entreprises en difficulté en suspendant le paiement de dettes à l'ouverture de la procédure. Elle a été introduite en droit français par la loi 2005-845 du 26 juillet 2005. (wiki)
Wiki 20151202
Leden van de Arabische Liga
Edited: 201512030126
Leden met jaar van toetreding:
Egypte (1945)
Irak (1945)
Jemen (1945)
Jordanië (1945)
Libanon (1945)
Saoedi-Arabië (1945)
Syrië (1945)
Libië (1953)
Soedan (1956)
Tunesië (1958)
Marokko (1958)
Koeweit (1961)
Algerije (1962)
Bahrein (1971)
Oman (1971)
Qatar (1971)
Verenigde Arabische Emiraten (1971)
Mauritanië (1973)
Somalië (1974)
Palestina (1976)
Djibouti (1977)
Comoren (1993)
Wiki
Turkse Republiek Noord-Cyprus
Edited: 201511150349
1) Rauf Denktaş (Paphos, 27 januari 1924 – Lefkoşa, 13 januari 2012) was een Turks-Cypriotisch politicus. Hij was in 1975 de oprichter van de Nationale-eenheidspartij (UBP) en was van 1983 tot 2005 president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Internationaal werd hij sinds 1973 erkend als vicepresident van de republiek Cyprus. Cyprus heeft namelijk als staatshoofd een Grieks-Cypriotische president, die gekozen wordt door de bevolking van Grieks-Cyprus, en een Turks-Cypriotische vicepresident die door de bevolking van Turks-Cyprus gekozen wordt. Sinds 1974 is de vicepresident echter al niet meer verkozen.

Op 15 november 1983 verklaarde vicepresident Rauf Denktaş de Turkse zone eenzijdig soeverein en onafhankelijk. De nieuwe staat werd alleen door Turkije erkend. Hij noemde zichzelf sindsdien 'president van de Turkse Republiek van Noord-Cyprus'. Sinds 1985 heeft Turks-Cyprus een eigen uit vijftig leden bestaand parlement.

In april 2005 kwamen er voor het eerst in lange tijd verkiezingen in Turks-Cyprus, omdat de inmiddels tachtigjarige Denktaş het tijd vond om zijn positie over te dragen aan een opvolger. Deze opvolger werd Mehmet Ali Talat, de voormalige vicepresident van Turks Cyprus.

2) Mehmet Ali Talat (Kyrenia, 6 juli 1952) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van april 2005 tot april 2010 was hij president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus (TRNC). Deze republiek wordt door geen enkel land behalve Turkije erkend. De president van de TRNC wordt evenwel door de VN geaccepteerd als vertegenwoordiger van de Turks-Cypriotische gemeenschap in onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het eiland.

Nadat Talat, destijds leider van de linkse Turkse Republikeinse Partij, tijdens de (vice)presidentsverkiezingen op 17 april 2005 met een meerderheid van 55% tot (vice)president was verkozen volgde hij op 25 april Rauf Denktaş op als machtigste man van Noord-Cyprus. Degene die de presidentsfunctie van de TRNC vervult, moet zijn partijpolitieke binding opgeven.

Op 18 april 2010 werd hij bij de presidentsverkiezingen verslagen door de rechts-nationalistische Derviş Eroğlu van de Nationale-eenheidspartij, die hem op 24 april opvolgde.

Zijn zoon Serdar Denktaş is de Turks-Cypriotische minister van buitenlandse zaken.
3) Derviş Eroğlu (Famagusta, 1938) is een Turks-Cypriotisch politicus. Van 24 april 2010 tot 30 april 2015 was hij de 3e president van de Turkse Republiek Noord-Cyprus. Hij was van 1983 tot 2006 politiek leider van de Nationale-eenheidspartij en werd dat opnieuw in 2008.

Derviş Eroğlu werd in 1938 in de Oost-Cypriotische kuststad Famagusta (Turks: Gazimağusa of Mağusa) geboren. Na de lagere school daar doorlopen te hebben ging hij naar Turkije om er hoger onderwijs te volgen. In de jaren zestig studeerde hij geneeskunde aan de Universiteit van Istanboel.

Tijdens zijn studie ontpopte Eroğlu zich als een Turks-Cypriotisch nationalist. Dit nadat Cyprus in 1960 onafhankelijk was geworden van het Verenigd Koninkrijk en in de jonge republiek etnische onlusten tussen Grieks- en Turkstalige Cyprioten uitbraken.

In 1963, na het behalen van zijn graad in de geneeskunde, keerde hij terug naar Cyprus. In zijn geboortestad Famagusta beoefende hij vijf jaar lang de geneeskunst. Hierna vertrok hij opnieuw naar Turkije, ditmaal om zich in de hoofdstad Ankara te specialiseren in urologie.

In de zomer van 1974 viel het Turkse leger zijn geboorteland binnen als reactie op een Griekse staatsgreep. De Turken veroverden een groot, noordelijk deel van het eiland en riepen er de Turkse Republiek Noord-Cyprus uit. Zo'n 200.000 Turken uit Turkije vestigden zich hierna in deze republiek, die tot op de dag van vandaag internationaal niet erkend wordt. Ook Eroğlu ging weer naar Noord-Cyprus en hij werd er politiek actief.

In 1976 werd hij parlementslid voor de in oktober 1975 door Rauf Denktaş opgerichte Nationale-eenheidspartij, vervolgens in 1976-1977 minister voor onderwijs, cultuur, jeugd en sport. In 1983, het jaar waarin Denktaş Noord-Cyprus soeverein had verklaard en zichzelf tot president had uitgeroepen, werd Eroğlu politiek leider van de UBP. Dit zou hij tot 2005 blijven en vanaf 2008 weer worden. In die eerste periode was hij driemaal minister-president (van 1985 tot 1994 en van 1996 tot 2004; in de tussentijd was hij oppositieleider) en in de tweede periode (vanaf mei 2009) werd hij dat opnieuw.

Op 18 april 2010 nam hij deel aan aan de presidentsverkiezingen. Deze won hij van zijn rivaal, zittend president Mehmet Ali Talat. Deze kreeg 42,8 procent van de stemmen tegenover 50,4 voor Eroğlu. Hij werd op 24 april 2010 geïnstalleerd.

In tegenstelling tot de pro-Europese Talat, die een federatief Cyprus voorstond, is Eroğlu voorstander van een tweestatenoplossing (wat de de facto situatie van Cyprus is), die door Grieks-Cyprus en de internationale gemeenschap wordt verworpen. Evenwel had hij aangegeven ‘niet weg te zullen lopen’ van vredesonderhandelingen met de Grieks-Cyprioten. In september 2008 waren deze onderhandelingen heropend onder toezicht van de Verenigde Naties.

In 2015 deed Eroğlu opnieuw mee aan de presidentsverkiezingen. Op 26 april nam hij het in de tweede ronde op tegen de als gematigd te boek staande Mustafa Akıncı. Deze won het van de zittend president en werd op 30 april beëdigd als diens opvolger.

Eroğlu is getrouwd en heeft vier kinderen.

4) Mustafa Akıncı (Limasol, 28 december 1947) is de vierde president van de eenzijdig uitgeroepen en niet erkende Turkse Republiek Noord-Cyprus.

Hij was tussen 1976 en 1990 de burgemeester van het Turks-Cypriotische deel van de hoofdstad Nicosia. Daar werkte hij nauw samen met zijn Griekse tegenhanger van de gedeelde stad. Daarna was hij afgevaardigde in het parlement.

In de verkiezingen van 2015 was hij presidentskandidaat en won hij het in de tweede ronde met 60,3 procent van de stemmen van de zittend president Derviş Eroğlu. Akıncı wordt gezien als een gematigd politicus die zich verzoeningsgezind opstelt tegenover de Grieken in Cyprus.

News / Lucas Tessens
Armageddon start in Parijs - ca. 130 doden - tientallen zwaargewonden in kritieke toestand
Edited: 201511140250
Terreuraanslagen van ISIS/DAESH houden Parijs in een wurggreep. Zeven daders blazen zichzelf op, één gedood door politie.
Opvallend en onverklaard is dat drie zelfmoordterroristen met bommengordels zich opblazen aan het Stade de France en - buiten zichzelf - slechts één slachtoffer maken. In de concertzaal 'Bataclan' worden 89 mensen vermoord.
President Hollande spreekt van 'une barbarie'. Hij kondigt de noodtoestand af, legt drie dagen nationale rouw op en sluit de grenzen. Het openbare leven in Parijs valt stil.

De aanslagen worden gezien als een vergelding voor de luchtaanvallen van de Franse luchtmacht op stellingen van Isis in Syrië. Het lijkt erop dat een verhoging van de druk op de militaire poot van Isis in Syrië de jihadistische terreurcellen in West-Europa activeert. Communicerende vaten, dus.

Ooggetuigen aarzelen wanneer zij spreken over de daders: 'Ce n'était pas un grand blond.' (France 2)

Geopolitiek. De absolute expert Marc Trévidic (van 12 juni 2006 tot eind augustus 2015 juge d'instruction au Tribunal de grande instance de Paris au pôle antiterrorisme) zegt in de studio van France 2 dat de aanslagen ook diplomatieke gevolgen moeten hebben: 'nu omarmen we de staten die het terrorisme steunen en Frankrijk doet dat om de olieleveringen veilig te stellen'. Letterlijk: 'le wahabisme a diffusé cette idéologie sur la planète depuis le conflit de l'Afghanistan. (...) La politique américaine vous savez ce que c'est? On adore les fondamentalistes religieux s'ils sont libérales économiquement. C'est comme ça depuis des années. C'est leur crédo! C'est super les saoudiens, c'est super le Qatar, parce qu'ils commercent, ils sont libérales économiquement. C'est tout ce qui nous intéresse. Donc ils aiment les fondamentalistes religieux. On est dans un paradoxe total.' Commentaar: Dat is een duidelijke verwijzing naar het wezen van het (neo)kolonialisme: het plunderen van bodemrijkdommen door de grote oliemaatschappijen (The Seven Sisters), het installeren en koesteren van een corrupte bovenklasse (clans met hiërarchische familiale banden) in artificiële natiestaten, geen ontwikkeling van de bevolking in de gekoloniseerde staten; dat vormt de ideale voedingsbodem voor radicaal salafisme. Trévidic doet een merkwaardige verspreking: enerzijds vernoemt hij 'la politique américaine', anderzijds zegt hij 'nous'. Net daarin ligt de verklaring: de Amerikaanse politiek van de bovenklasse verschilt niet wezenlijk van die van de Europese of de Russische of de Aziatische bovenklasse. De essentie van het (neo)kolonialisme is de misdadige collusie van particuliere belangen. Het kolonialisme is geen fenomeen tussen staten maar een feitelijk verbond van particuliere groepen die zich van een staatsstructuur bedienen en die misbruiken.
Sociale psychologie. Het ontbreken van de mogelijkheid tot sublimering van driften (onderwijs, wetenschap, kunst, muziek, werk, ...) laat ruim de plaats voor de verheerlijking van oerdriften: seks en geweld. Het vertrek naar oorlogsgebied (Syrië) kadert in die logica.
Vrijdag 13 november 2015 is een trieste datum in de Franse geschiedenis. [Of de uitgekozen datum ook een symbolische betekenis heeft is niet duidelijk: op vrijdag de dertiende oktober 1307 werden in Frankrijk alle Tempeliers op bevel van Philips de Schone gearresteerd, op grond van valse beschuldigingen; dat was de start van de uiteindelijke vernietiging van de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, beter bekend als de Tempeliers. (wiki)]
Westerse staatshoofden zenden de klassieke solidariteitsbetuigingen.
Het is tijd om stil te staan bij de woorden van Malraux: 'Une vie ne vaut rien, mais rien ne vaut une vie.'

laatst aangepast op 20151116, 15:10
wiki
Historique du Groupe Rossel - Le Soir
Edited: 201511111111
Historique
1887 : Pierre-Émile Rossel, avec trois amis, crée à Bruxelles un journal gratuit appelé "Le Soir".
1920 : « Rossel & fils » devient « Rossel & Cie ».
1921 : « L'Agence Rossel » (régie publicitaire) s'installe rue Royale à Bruxelles.
1957 : le siège social est installé 120 rue Royale à Bruxelles.
1966 : Rossel devient un groupe avec l'acquisition des titres de presse de «La Meuse» («La Meuse», «La Lanterne», «La Flandre libérale» et «Le Matin»).
1968 : acquisition des titres de presse de «La Gazette de Charleroi» («La Nouvelle Gazette» et «La Province»).
1970 : le groupe Rossel acquiert la marque «Vlan».
1983 : Robert Hersant entre au conseil d'administration du groupe.
1987 : Robert Hurbain succède à la présidence du groupe Rossel.
1987 : Socpresse (Robert Hersant, France) acquiert 40% du capital du groupe.
1987 : participation dans RTL Belgium (alors TVI SA) au travers d'Audiopresse.
1999 : constitution de la société Sud Presse SA (regroupant les titres La Meuse, La Capitale, La Nouvelle Gazette de Charleroi, et La Province).
2000 : Rossel met un premier pied dans « La Voix du Nord ».
2001 : Patrick Hurbain succède à Robert Urbain.
2003 : en Belgique, lancement du quotidien gratuit Metro en collaboration avec Concentra Media.
2004 : rachat avec De Persgroep de «l’Echo».
2004 : Sud Presse rachète Nord Eclair sur la Belgique.
2005 : prise de contrôle du groupe de presse «La Voix du Nord».
2005 : rachat avec De Persgroep de «De Tijd».
2005 : rachat des 40% du groupe détenus par la Souplesse.
2006 : Sudpresse lance l'hebdomadaire gratuit «7Dimanche ».
2006 : le groupe investit dans l’Internet en rachetant les sites de services www.netevents.be,www.ticketnet.be et www.cinenews.be.
2007 : Rossel déménage au 100 rue Royale à Bruxelles.
2007 : le groupe Vlan lance Fulai à Shanghai.
2007 : rachat du 1er site de rencontre en ligne belge www.rendez-vous.be et lancement d'un site consacré à l’automobile www.carchannel.be.
2008 : Rossel lance sa régie web interne.
2010 : le groupe Rossel acquiert Belgium-iPhone.
2011 : S²media rejoint le groupe Rossel.
2013 : acquisition des journaux français «l’Union», «l’Ardennais», «Est Eclair», «Libération Champagne», «l'Aisne Nouvelle» et de la radio «Champagne FM» auprès du groupe Hersant Media (GHM)4.
2014 : rachat de dix titres de presse à Lagardère Active, France, au sein du consortium 4B Media par Groupe Rossel et Reworld Media 5,6 : Psychologies magazine et Première reviennent à Rossel.
2015 : rachat de 50% de 20 Minutes, quotidien gratuit national français.
SCHUMANN Harald
De Europese pers heeft een probleem: niemand legt de puzzelstukken bij elkaar
Edited: 201511071651


Wikipedia definieert de 'trojka' als volgt:
De Trojka is een samenwerkingsmandaat dat in 2010 werd ingesteld tijdens de Europese staatsschuldencrisis. Ze moet namens de Europese Unie, de Europese Centrale Bank en het Internationale Monetaaire Fonds toezicht houden op de door deze instellingen verstrekte kredieten aan noodlijdende Europese lidstaten.
De trojka bestaat uit afgevaardigden van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank (ECB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en moet tijdens de Europese staatsschuldencrisis onderhandelingen voeren met lidstaten van de eurozone die hun staatsschuld niet binnen de Europese richtlijnen hebben gehouden. Tijdens deze onderhandelingen biedt de Trojka veelal financiële noodsteun aan in ruil voor bezuinigingen.

Documentairemaker Harald Schumann wilde een onderzoek doen naar de democratische controle op de 'trojka' maar geen van de instanties wilde uitleg geven. Het Europees Parlement kan geen controle uitoefenen.
Harald legt het mechanisme bloot waarmee Griekenland werd gechanteerd: niet toegeven betekende een drooglegging van de kredietmarkt.
Omdat de pers de puzzelstukken niet bij elkaar legt deed hij zelf dan maar het grondige onderzoek.
We geven een hallucinant voorbeeld:
1. De verkoop van Duitse goederen aan Griekenland wordt gefinancierd door gulle bankkredieten die niet afhankelijk zijn van solvabiliteit;
2. Griekenland kan niet aan zijn verplichtingen voldoen en de bank dreigt overkop te gaan;
3. Mits nieuwe kredieten (bvb. 4 miljard euro) op de kap van de staat wordt de bank gered en genationaliseerd;
4. De trojka biedt een noodkrediet aan maar in een MOU (Memorandum of Understanding) wordt gestipuleerd dat de bank moet geprivatiseerd worden en dat het snel moet gaan;
5. Op die manier komt er slechts één bieder opdagen en die heeft dan vaak ook nog voorkennis; onder normale omstandigheden wordt de verkoop dan afgeblazen; echter niet in dit geval want de staat heeft het mes op de keel; de bank wordt verkocht voor 500 miljoen euro; de staat (de belastingbetaler) lijdt een verlies van 3,5 miljard euro.
LT
Wat is een taboe ?
Edited: 201510071446
Een taboe is iets dat wordt beschouwd als ongepast om te gebruiken, te doen of over te spreken. Het woord taboe is afkomstig uit het Tongaans van Polynesië (tapu of tabu), waar het stond voor een religieus verbod op bepaalde plaatsen, voorwerpen, personen of acties. Het woord komt, conform de klankwetten voor de Polynesische talen, terug als tapu, kahu etc.

Het schenden van een taboe in een bepaalde cultuur kan leiden tot reputatieschade, sociale uitsluiting of andere vormen van repercussie. Soms kan het schenden van een taboe leiden tot rechterlijke vervolging.
Taboes kunnen betrekking hebben op:

- het dieet (bijvoorbeeld halal/koosjer, boeddhistisch vegetarisme, hindoeïstisch vegetarisme of het verbod op kannibalisme),
- seksuele activiteiten of relaties (bijvoorbeeld tussen rassen, homoseksualiteit, incest, bestialiteit, pedofilie, necrofilie),
- lichamelijke beperkingen of ongewoon lichamelijk functioneren (bijvoorbeeld winderigheid), gewoonten met betrekking tot lichaamsfuncties (bijvoorbeeld neuspeuteren of in het openbaar winden laten),
- drugsgebruik,
- de aanwezigheid van ongeschonden geslachtsorganen (bijvoorbeeld besnijdenis of vrouwenbesnijdenis),
- het ontbloten van lichaamsdelen (bijvoorbeeld enkels in de Victoriaanse tijd, de haren van vrouwen in de Islam, naaktheid in de VS),
- bepaald taalgebruik (bijvoorbeeld politiek incorrect taalgebruik en dirty talk),
- religie (sommige gelovige mensen zullen kritiek of spot met hun god(en) of religieuze leiders als beledigend ervaren),
- ziektes en handicaps (praten over kanker of aids ligt bij sommige mensen gevoelig), of
- het spreken tegen bepaalde familieleden (bij de Aboriginals, zie onder).
Taboes in een sollicitatiegesprek, zoals het bespreken van zwangerschap, seksuele geaardheid, kinderwens, etc.
Andere voorbeelden van taboes in de westerse cultuur zijn de dood of zelfmoord.

Wat een taboe is, wordt bepaald door de culturele, religieuze of politieke context.

In westerse landen dook het begrip taboe op in maatschappelijke discussies rondom politieke correctheid. Ook wordt het gebruikt om strategieën in meer dagelijks taalgedrag te verklaren (zoals eufemistische en pregnante uitdrukkingen). De zogeheten taboes in de westerse cultuur zijn echter meestal geen echte taboes in de antropologische zin van het woord, maar onderwerpen of discussies die over het algemeen gemeden worden bijvoorbeeld omdat ze gênant of pijnlijk zijn of tot ruzies kunnen leiden. Een voorbeeld van een algemeen voorkomend taboe in de Westerse samenleving in de antropologische zin van het woord is het incesttaboe.

Behalve bij de Polynesiërs staan vooral ook de Australische Aboriginals bekend om een streng en uitgewerkt taboesysteem. In de meeste Australische culturen was of is het verboden binnen bepaalde familierelaties, bijvoorbeeld schoonzoon-schoonmoeder, met elkaar te spreken; men behelpt zich met gebarentaal of, als het niet anders kan, met een speciaal soort taal die grammaticaal gelijk is aan de gewone taal maar heel andere, niet belaste woorden gebruikt. (bron: wiki, 20151007)
DELCOL Roland
... and then I realised it wasn't HER finger ...
Edited: 201509301129



potloodtekening, 30x40cm, ca. 1970, gesigneerd RO,
Delcol Roland (°Bruxelles 19420124), privé-verzameling, onze betiteling.
Find more ...



Roland Delcol on wiki
William Pfaff on the Middle East
The Wrath of Nations - 1993
Edited: 201509161527
'There is no Arab nation, as such. The historical experience and reference of the region is not to nation but to religion, commune, empire, caliphate. The states which exist there today do so because it is now considered appropriate that people live in nation-states, not in multiconfessional and multinational empires.' (111)
'The identification of religion with civilization in Islamic society blocks a solution to its contemporary problems.' (123)




link to website William Pfaff does not function anymore

William Pfaff (December 29, 1928 – April 30, 2015) was an American author, op-ed columnist for the International Herald Tribune and frequent contributor to The New York Review of Books. (wiki)
wiki
Mustang is a 2015 internationally co-produced drama film directed by Turkish-French film director Deniz Gamze Ergüven.
Edited: 201509060061
The film starts with Lale, the youngest of the five sisters and the protagonist, bidding an emotional farewell at school to her female teacher, who is moving to Istanbul. The sisters decide to walk home instead of taking a van, to enjoy the sunny day. Along the way, they play in the water at the beach with their classmates. For one game, they sit on boys' shoulders and try to knock each other off. When they reach home, their grandmother scolds and hits them for their having this kind of bodily contact with boys and thus "pleasuring themselves" with them. Their uncle Erol is equally furious. From then on, the girls are forbidden from leaving the house, even for school.

The sisters feel stifled in their home as their grandmother tries to make them suitable for marriage. When in public they must now dress in drab, conservative clothing. Instead of attending school, they must stay home, where they are taught how to cook, clean and sew by their female relatives. Even so, the oldest sister, Sonay, sneaks out occasionally to meet her lover, and Lale looks for various ways to escape.

Lale, who loves football, is forbidden from attending Trabzonspor matches. She resolves to go to a match from which men have been banned due to hooliganism. A friend tells her that the girls in the village are going together on a bus. The sisters, who are happy for an opportunity to leave the house, sneak out of the house with Lale. When they miss the bus, they hitch a ride with a passing truck driver, Yasin, who helps them catch up to it. They’re ecstatic in the exuberant atmosphere of the all-female crowd cheering for their team. Back home, their aunt catches a glimpse of them at the match on TV, just as their uncle and other village men are about to tune in. To prevent the men from finding out, she cuts the house's, and then the whole village's, electricity.

When the girls return, their grandmother decides to start marrying the sisters off. They’re taken to town, ostensibly "to get lemonade", which is actually an opportunity to show them off to potential suitors. Soon enough, a suitor and his family arrive to meet them. Sonay vows to only marry her lover and refuses to meet the prospective suitor and his family. Selma is sent instead and becomes engaged. Sonay gets engaged a short while later to her lover. At the two sisters' joint wedding, Sonay is clearly happy while Selma is not. On the night of her wedding, Selma's in-laws come to view the bed sheets in a traditional ritual to establish that Selma was a virgin before her wedding night. Because there is no blood on the sheet, her in-laws take her to a physician to have her virginity tested.

Next in line for marriage is Ece. It’s revealed that her uncle is sexually abusing her at night. In Lale’s words, she starts acting “dangerously.” When the three remaining girls stop with their uncle near a bank, Ece allows a boy to have sexual contact with her in their car. She makes jokes at the lunch table, inciting loud laughs from her sisters, and is told to go to her room, where she shoots herself and dies. The surviving sisters and their family attend the funeral.

Now it is just the two youngest sisters, Nur and Lale, at home. Lale continues sneaking out. On one impulsive attempt to walk to Istanbul alone she is encountered by Yasin, the truck driver, who is kind to her. At Lale's request, he later teaches her how to drive. When she is caught on the way back into her house, the house is again reinforced to try to make it impossible for them to leave.

It becomes evident that the uncle starts abusing Nur and that their grandmother knows about it. She says that now it is time for her to be married off. Though she is young, she is found a suitor and engaged to be married. On the night of Nur's wedding, Lale convinces her to resist, and the girls bar themselves inside the house while the whole wedding party is outside, much to the embarrassment of their family. As the wedding party disperses, their uncle violently tries to get inside. Lale finds the phone hidden in a cupboard and plugs it in to call Yasin for help. The girls gather up money and a few supplies, grab the uncle's car keys, and sneak out of the house. They manage to escape in the car, crashing it close to their house. They hide and wait for Yasin, who picks them up and takes them to the local bus station. The girls take the bus to Istanbul, where they find their former teacher, who greets them warmly.
Wikipedia
Denemarken : Struensee
Edited: 201507252331
Johann Friedrich Struensee (Halle, 5 augustus 1737 – Kopenhagen, 28 april 1772) was een Duitse arts die enkele jaren de macht uitoefende in het koninkrijk Denemarken.

Struensee werd geboren als zoon van een piëtistisch theoloog, maar onttrok zich tijdens zijn studie geneeskunde aan de strenge geloofsopvoeding. Hij werd aanhanger van de ideeën van de Verlichting.

Hij vestigde zich in 1757 te Altona, in het Deense hertogdom Holstein, in die jaren een bolwerk van de Verlichting. Struensee oefende de geneeskunst uit ten bate van het gewone volk. Hij zette zich met name in voor de ongehuwde moeders en hun kinderen, en voor de vaccinatie tegen pokken.

In 1768 werd Struensee door het Deense hof aangetrokken om de jonge geesteszieke koning Christiaan VII te vergezellen op een toer langs de Europese hoofdsteden. Zo werd hij 's konings lijfarts. Christiaan VII verhief Struensee later in de adelstand, hij werd graaf.

De invloed van Struensee op Christiaan leidde ertoe, dat Struensee vanaf 1770 de feitelijke alleenheerschappij in het land uitoefende. De ministerraad kwam niet meer bijeen en de lijfarts verkreeg van de koning volmacht om decreten uit te vaardigen. Deze strekten tot vrijheid van drukpers en godsdienstvrijheid, tot afschaffing van het "scherp onderzoek" ofwel marteling, en tot bestemming van de tolgelden voor de Sont voor de Rijkskas in plaats van voor het Hof.

In hofkringen groeide het verzet tegen de verlichtingsideeën van Struensee. Ook zijn haast openlijke verhouding met de jonge koningin Caroline Mathilde wekte grote weerstand. Het verzet bundelde zich onder de leiding van de koningin-weduwe Juliana Marie en Guldberg, leraar van haar zoon (de halfbroer van de koning).


De arrestatie van graaf Struensee op 17 januari 1772. Uit: Fabricius illustretet Danmarkshistorie for folket, 1915
Op 17 januari 1772 vond een staatsgreep plaats. Struensee werd gearresteerd. Ook de koningin werd geïnterneerd. Guldberg vestigde een reactionair bewind en maakte alle moderniseringen uit de tijd van Struensee ongedaan.

Struensee werd op 27 april 1772 ter dood veroordeeld en de volgende dag onthoofd.

Louise Augusta, de dochter die hij kreeg bij koningin Caroline Mathilde, werd later de moeder van Caroline Amalia, de tweede gemalin van Christiaan VIII. En zo werd de onthoofde lijfarts alsnog voorvader van vele leden van Europese vorstenhuizen.
Wikipedia + aanvullingen LT
DEMEESTER Wivina - politieke biografie
Edited: 201507111001
Wivina C.F. Demeester-De Meyer (Aalst, 13 december 1943) is een Belgisch politica voor de CD&V.

Wivina Demeester-De Meyer is landbouwkundig ingenieur (UGent). Ze gaf eerst een zevental jaar les voor ze in 1974 voor de CVP een zetel kreeg in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, een mandaat dat ze tot mei 1995 zou blijven uitoefenen. In de periode april 1974-oktober 1980 zetelde ze als gevolg van het toen bestaande dubbelmandaat ook in de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die op 7 december 1971 werd geïnstalleerd. Vanaf 21 oktober 1980 tot mei 1995 was ze lid van de Vlaamse Raad, de opvolger van de Cultuurraad en de voorloper van het huidige Vlaams Parlement. Vervolgens bleef ze gedurende een maand lid van het Vlaams Parlement na de eerste rechtstreekse verkiezingen van 21 mei 1995, waarna ze opnieuw lid werd van de Vlaamse regering. Ze beëindigde haar parlementaire carrière met een mandaat als Vlaams volksvertegenwoordiger van juni 1999 tot juni 2004. Van 1982 tot 1992 en van 2001 tot 2006 was zij ook gemeenteraadslid van Zoersel.

In 1985 werd ze staatssecretaris voor Volksgezondheid in de regeringen Martens VI en VII. Ze maakte oorspronkelijk geen deel uit van de daaropvolgende regering-Martens VIII, maar ze verving later Herman Van Rompuy als staatssecretaris voor Financiën. Toen de Volksunie eind september 1991 uit protest tegen de wapenhandel uit die regering stapte, nam ze van Hugo Schiltz de ministerportefeuilles Begroting en Wetenschapsbeleid over (regering-Martens IX). Tijdens de lange periode van federale regeringsvorming die volgde op Zwarte Zondag, stapte ze over naar het Vlaamse niveau, waar ze van 1992 tot 1999 minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid was.

In die hoedanigheid was zij de Founding Mother van de Belastingdienst voor Vlaanderen (BVV), die in 1997 de inning van het Kijk- en Luistergeld van Belgacom overnam.



In 1999 ging de BVV ook de Onroerende Voorheffing innen. In beide gevallen werd de organisatie van de inning in outsourcing gegeven aan de intercommunale CIPAL. De efficiëntie van de BVV bereikte hoge toppen, mede door de inzet van een gedreven en vernieuwend team.

Op haar initiatief werd in december 1998 Bob Van Reeth als eerste Vlaamse Bouwmeester aangesteld. In een afscheidsbrief aan de Bouwmeester in 2000 verduidelijkt ze dat ze deze bouwmeester nodig had voor haar droom van een brug over de Schelde om de Antwerpse ring te sluiten en omdat de brug een 'kunstwerk' moet zijn, zowel technisch als architecturaal.

Buiten de politiek heeft ze zich ook actief ingezet rond de opvang van mensen met een mentale handicap, o.a. door de oprichting van Monnikenheide, een dienstencentrum voor personen met een mentale handicap. Ook hedendaagse kunst, architectuur en mode interesseren haar sterk. Zo was ze 3 jaar voorzitter van het Flanders Fashion Institute.

Wivina Demeester heeft momenteel een aantal bestuursmandaten in de gezondheids- en welzijnssector. Zo zetelt zij in de Raad van Bestuur van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Daarnaast is zij ook bestuurder van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) die instaat voor de realisatie van het Masterplan Antwerpen en de Oosterweelverbinding, de Karel de Grote Hogeschool Antwerpen, de Singel en van Dexia.

Eind mei 2011 werd bekend dat zij voorzitter wordt van het christelijk geïnspireerd impulsforum, de vzw Logia.

In 2013 nam ze afscheid als voorzitster van het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie, een functie die ze 9 jaar uitoefende.

Onderscheidingen
Op 29 september 2006 nam zij aan de KU Leuven een eredoctoraat in ontvangst voor haar inzet op het vlak van de ontwikkeling van de bio-ethiek in België.
In 2014 werd ze Ridder in de Internationale Orde der Groot Bewakers van de Vrije Schelde voor haar onverdroten inzet van onze Vrije Schelde en de Haven van Antwerpen
Op 11 juli 2015 kreeg ze het Groot Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap, dat toegekend wordt aan Vlamingen die zich gedurende lange tijd verdienstelijk maakten.

website Wivina Demeester
Libération 20150630
En collaboration avec WikiLeaks, «Libération» et «Mediapart» révèlent comment la NSA s'est penchée, dès 2002, sur les intérêts commerciaux français.
Edited: 201506301328
Après les écoutes politiques, l’espionnage économique. Les nouveaux documents publiés par WikiLeaks, en partenariat avec Libération et Mediapart, dévoilent l’ampleur des opérations menées par les services de renseignement américains contre les intérêts français. Cinq rapports de synthèse de l’Agence nationale de sécurité (NSA) montrent que des responsables et diplomates ont été espionnés entre 2004 et 2012, notamment Pierre Moscovici et François Baroin lors de leur passage à Bercy. Une stratégie offensive qui apparaît dans un document secret fixant les objectifs prioritaires des Etats-Unis dans le domaine économique. Baptisée «France : développements économiques» et datée de 2012, cette note constitue la doctrine de la NSA en la matière. Elle vise à recueillir toutes informations pertinentes sur les pratiques commerciales françaises, les relations entre Paris et les institutions financières internationales, l’approche des questions liées au G8 et au G20 ou encore les grands contrats étrangers impliquant la France. Ce dernier point, un des plus sensibles, est détaillé dans une sous-section intitulée «Contrats étrangers-études de faisabilité-négociations». Il s’agit de récupérer toutes les informations possibles sur les contrats d’envergure impliquant des entreprises françaises, notamment ceux dépassant les 200 millions de dollars. Des révélations qui risquent de jeter un froid sur les négociations autour du Tafta, le traité de libre-échange entre l’Europe et les Etats-Unis, dont le prochain round est prévu mi-juillet, à Bruxelles. La plupart des secteurs stratégiques sont visés par la NSA : technologies de l’information, électricité, gaz, pétrole, nucléaire, transports, biotechnologies, etc. Toutes les informations recueillies sont ensuite partagées avec les principales administrations américaines : département de la Sécurité intérieure, département du Commerce, département de l’Energie, agence de renseignement de la Défense, Réserve fédérale, Trésor et même commandement des forces américaines en Europe. Jamais la preuve d’un espionnage économique massif de la France, orchestré au plus haut niveau de l’Etat américain, n’avait été établie aussi clairement.
Libération 20150623
NSA sans scrupules. Top Secret
Edited: 201506232328
Une série de documents que publie Libération en collaboration avec WikiLeaks révèle que ce sont trois présidents successifs, Jacques Chirac, Nicolas Sarkozy, et François Hollande — et certains de leurs collaborateurs — qui ont été espionnés, sur une période allant au moins de 2006 à mai 2012, juste après l'installation à l'Elysée de François Hollande.

Les cinq rapports d'analyse que Libé publie émanent de la NSA. Ils sont tous classifiés «Top Secret».
PETRY Yves
Het verlangen om te bestaan
Edited: 201506160055
(...) Filosofie is een wijze van spreken, een manier om je te verhouden tot een werkelijkheid waar op een zuiver exacte manier weinig van existentieel belang over te zeggen valt. (...)
DSL, 20150612, L12
Foto: wiki
BALZAC Honoré de
romans van Balzac waarin de 'Bande Noire' ter sprake komt
Edited: 201504150050
↑ Modeste Mignon, La Pléiade, t.I, p. 677, Madame Firmiani, La Pléiade, t.II, p. 148, Le Cousin Pons, La Pléiade, t.VII, p. 490, Les Paysans, La Pléiade, t.IX, p. 146, Le Curé de village, t.IX, p. 643-645
Bron: wiki
wiki
Kabel en teledistributie in België
Edited: 201503201101
In België zijn volgende spelers bekend:

Telenet in gans het Vlaamse gewest (met uitzondering van Voeren, Wemmel en Drogenbos), de gemeenten Schaarbeek, Etterbeek, Jette, Vorst, Koekelberg, Sint-Agatha-Berchem en Ganshoren van het Brusselse gewest en Komen in het Waalse gewest
Numéricable in de gemeenten Anderlecht, Brussel, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Laken, Haren, Neder-Over-Heembeek en Watermaal-Bosvoorde van het Brusselse gewest en Wemmel en Drogenbos in het Vlaamse gewest
VOO in gans het Waalse gewest met uitzondering van de gemeenten Froidchapelle, Couvin (uitsluitend de voormalige gemeenten Aublain, Brûly-de-Pesche, Cul-des-Sarts, Dailly, Gonrieux, Brûly-de-Couvin, Pesche, Petite-Chapelle, Presgaux) en Komen, in de gemeenten Elsene, Sint-Gillis, Evere, Sint-Pieters-Woluwe, Oudergem en Ukkel van het Brusselse gewest, en Voeren in het Vlaamse gewest
Wolu-TV in de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe van het Brusselse gewest (i.s.m. Telenet)
AIESH in de provincie Henegouwen met name de gemeenten Froidchapelle en Couvin (uitsluitend de voormalige gemeenten Aublain, Brûly-de-Pesche, Cul-des-Sarts, Dailly, Gonrieux, Brûly-de-Couvin, Pesche, Petite-Chapelle, Presgaux)

src=wiki op 20160320
Prix Goncourt
Prix Goncourt - Le Palmares (1903-2016)
Edited: 201501012311


Le Palmarès
2016 Leïla Slimani, Chanson douce
2015 Mathias Enard Boussole Actes Sud
2014 Lydie Salvayre Pas pleurer Seuil
2013 Pierre Lemaitre Au revoir là-haut Albin-Michel
2012 Jérôme Ferrari Le sermon sur la chute de Rome Actes Sud
2011 Alexis Jenni L'Art français de la guerre Gallimard
2010 Michel Houellebecq La Carte et le Territoire Flammarion
2009 Marie NDiaye Trois Femmes puissantes Gallimard
2008 Atiq Rahimi Syngué Sabour. Pierre de Patience POL
2007 Gilles Leroy Alabama Song Mercure de France
2006 Jonathan Littell Les Bienveillantes Gallimard
2005 François Weyergans Trois jours chez ma mère Grasset
2004 Laurent Gaudé Le soleil des Scorta Actes Sud
2003 Jacques-Pierre Amette La maîtresse de Brecht Albin Michel
2002 Pascal Quignard Les ombres errantes Grasset
2001 Jean-Christophe Rufin Rouge Brésil Gallimard
2000 Jean-Jacques Schuhl Ingrid Caven Gallimard
1999 Jean Echenoz Je m'en vais Minuit
1998 Paule Constant Confidence pour confidence Gallimard
1997 Patrick Rambaud La Bataille Grasset
1996 Pascale Roze Le Chasseur zéro Albin Michel
1995 Andreï Makine Le Testament français Mercure de France
1994 Didier Van Cauwelaert Un aller simple Albin Michel
1993 Amin Maalouf Le rocher de Tanios Grasset
1992 Patrick Chamoiseau Texaco Gallimard
1991 Pierre Combescot Les filles du calvaire Grasset
1990 Jean Rouaud Les champs d'honneur Minuit
1989 Jean Vautrin Un grand pas vers le Bon Dieu Grasset
1988 Erik Orsenna L'exposition coloniale Seuil
1987 Tahar Ben Jelloun La nuit sacrée Seuil
1986 Michel Host Valet de nuit Grasset
1985 Yann Quéffelec Les noces barbares Gallimard
1984 Marguerite Duras L'amant Minuit
1983 Fréderick Tristan Les Egarés Balland
1982 Dominique Fernandez Dans la main de l'ange Grasset
1981 Lucien Bodard Anne-Marie Grasset
1980 Yves Navarre Le jardin d'acclimatation Flammarion
1979 Antonine Maillet Pélagie la charette Grasset
1978 Patrick Modiano Rue des boutiques obscures Gallimard
1977 Didier Decoin John l'Enfer Seuil
1976 Patrick Grainville Les Flamboyants Seuil
1975 Emile Ajar La vie devant soi Mercure de France
1974 Pascal Laîné La dentellière Gallimard
1973 Jacques Chessex L'ogre Grasset
1972 Jean Carrière L'Epervier de Maheux J-J. Pauvert
1971 Jacques Laurent Les Bétises Grasset
1970 Michel Tournier Le roi des Aulnes Gallimard
1969 Félicien Marceau Creezy Gallimard
1968 Bernard Clavel Les fruits de l'hiver Laffont
1967 André Pieyre de Mandiargues LaMarge Gallimard
1966 Edmonde Charles-Roux Oublier Palerme Grasset
1965 Jacques Borel L'adoration Gallimard
1964 Georges Conchon L'état sauvage Albin Michel
1963 Armand Lanoux Quand la mer se retire Julliard
1962 Anna Langfus Les bagages de sable Gallimard
1961 Jean Cau La pitié de Dieu Gallimard
1960 prix attribué à Vintila Horia et non décerné à cause du passé politique de l'auteur, inopinément révélé (zie fascistische Ijzeren Garde)
1959 André Schwart-Bart Le dernier des justes Seuil
1958 Francis Walder Saint-Germain ou la négociation Gallimard
1957 Roger Vailland LaLoi Gallimard
1956 Romain Gary Les racines du Ciel Gallimard
1955 Roger Ikor Les eaux mêlées (T.II Les fils d'Avrom) Albin Michel
1954 Simone de Beauvoir Les Mandarins Gallimard
1953 Pierre Gascar Les Bêtes Le temps des morts Gallimard
1952 Beatrix Beck Léon Morin, prêtre Gallimard
1951 Julien Gracq Le rivage des Syrtes J.Corti
1950 Paul Colin Les jeux sauvages Gallimard
1949 Robert Merle Week-end à Zuydcoote Gallimard
1948 Maurice Druon Les grandes familles Julliard
1947 Jean-Louis Curtis Les forêts de la nuit Julliard
1946 Jean-Jacques Gautier Histoire d'un fait divers Julliard
1945 Jean-Louis Bory Mon village à l'heure allemande Flammarion
1944 Elsa Triolet Le premier accroc coûte deux cents francs Gallimard
1943 Marius Grout Passage de l'homme Gallimard
1942 Marc Bernard Pareils à des enfants Gallimard
1941 Henri Pourrat Vent de Mars Gallimard
1940 Francis Ambrière Les grandes vacances Nouvelle France
1939 Philippe Hériat Les enfants gâtés Gallimard
1938 Henri Troyat L'araigne Plon
1937 Charles Plisnier Faux-passeports CorrÍa
1936 Maxence Van der Meersch L'empreinte de Dieu Albin Michel
1935 Joseph Peyré Sang et Lumière Grasset
1934 Roger Vercel Capitaine Conan Albin Michel
1933 André Malraux La condition humaine Gallimard
1932 Guy Mazeline Les loups Gallimard
1931 Jean Fayard Mal d'amour Fayard
1930 Henri Fauconnier Malaisie Stock
1929 Marcel Arland L'ordre Gallimard
1928 Maurice Constantin-Weyer Un homme se penche sur son passé Rieder
1927 Maurice Bedel Jérôme, 60° latitude nord Gallimard
1926 Henry Deberly Le supplice de Phèdre Gallimard
1925 Maurice Genevoix Raboliot Grasset
1924 Thierry Sandre Le chèvrefeuille Gallimard
1923 Lucien Fabre Rabevel ou le mal des ardents Gallimard
1922 Henri Béraud Le vitriol de lune et Le Martyre de l'obèse Albin Michel
1921 René Maran Batouala Albin Michel
1920 Ernest Pérochon Nêne Clouzot (puis Plon)
1919 Marcel Proust A l'ombre des jeunes filles en fleurs Gallimard
1918 Georges Duhamel Civilisation Mercure de France
1917 Henri Malherbe La flamme au poing Albin Michel
1916 Henri Barbusse Le feu Flammarion
1915 René Benjamin Gaspard Fayard
1914 Adrien Bertrand L'appel du sol Calmann-Lévy
1913 Marc Elder Le peuple de la mer Calmann-Lévy
1912 André Savignon Filles de Pluie Grasset
1911 Alphonse de Chateaubriant Monsieur de Lourdines Grasset
1910 Louis Pergaud De Goupil à Margot Mercure de France
1909 Marius-Ary Leblond En France Fasquelle
1908 Francis de Miomandre Ecrit sur l'eau Emile-Paul
1907 Emile Moselly Terres lorraines Plon
1906 Jérôme et Jean Tharaud Dingley, l'illustre écrivain Plon
1905 Claude Farrère Les civilisés Flammarion
1904 Léon Frapié La maternelle Albin Michel
1903 John-Antoine Nau Force ennemie La Plume
Zweden handhaaft arrestatiebevel tegen Wikileaks-oprichter Julian Assange
Edited: 201411211202
het gaat om een zaak van vermeende seksuele agressie. Via een arrestatie in Zweden zou Assange direct aan de USA worden uitgeleverd. Assange zit al sinds juni 2012 in de Ecuadoraanse ambassade in London.
Rolling Stone, Huffpost, USA Today, wiki, a.o.
Ex-JPMorgan Chase lawyer Alayne Fleischmann tells what really happened at the bank
Edited: 201411091931
The marketing of toxic mortgage investments like those that contributed to the national financial crisis of 2008, was not accidental, Fleischmann states in an interview with Huffpost Live (20141107). Fleischmann is the 9 billion $ wistleblower in this affair and so far a secret witness.

Attorney General Eric Holder said in May 2014 that no company that breaks the law should be considered too large or too profitable to be immune from criminal prosecution. But Holder also said prosecutors should coordinate with regulators to avoid damaging the economy when major financial institutions are hit with criminal charges.

Fleischmann considered that, since there was a settlement with JP, she had to come out with the truth.

President Obama nominated Loretta Lynch, the current United States Attorney for the Eastern District of New York, to succeed Holder as the next Attorney General of the United States on November 8, 2014. The Senate has to confirm her appointment.
YELLEN Janet L., Chair Federal Reserve Board
The extent of and continuing increase in inequality in the United States greatly concern me
Edited: 201410192014
"The past several decades have seen the most sustained rise in inequality since the 19th century after more than 40 years of narrowing inequality following the Great Depression. (...) The distribution of wealth is even more unequal than that of income, and the SCF shows that wealth inequality has increased more than income inequality since 1989. The wealthiest 5 percent of American households held 54 percent of all wealth reported in the 1989 survey. Their share rose to 61 percent in 2010 and reached 63 percent in 2013." ...
Read the full text of this most important speech here

See her accompanying dataset here

For her biography look here

In fact, Yellen follows the findings of Thomas Piketty. Let's see where this brings us and the US ...

Zaman
Cengiz Çandar: Media in Turkey either bowing or kowtowing to Erdoğan - The situation in Turkey from a historical perspective -
Edited: 201410141748


De volgende link naar het interview met çadar op de website van Zaman doet het niet meer sinds begin maart 2016. We laten de link evenwel staan uit protest tegen het fnuiken van de persvrijheid door Erdogan. Blijkbaar heeft die de 'edge of fascism' overschreden.



bio çandar (°1948)


the meaning of kowtowing
wiki
Lijst van de Belgische regeringen (1830 - heden)
Edited: 201410110961
Karel de Stoute
Edited: 201408290248
Karel de Stoute zet de politiek van zijn vader door Karel de Stoute (1433-1477), zoon van Filips de Goede, zette na 1467 de centralisatiepolitiek van zijn vader verder door. Zo bracht hij de drie bestaande Rekenkamers (Rijsel, Brussel en Den Haag) samen in één enkele te Mechelen. De rechtsprekende bevoegdheid koppelde hij los van de Grote Raad en vertrouwde die toe aan het Parlement van Mechelen, later opnieuw de Grote Raad van Mechelen. Hij verplaatste eveneens officieel de hoofdstad van het hertogdom van Dijon naar Brussel omdat eigenlijk al sinds de tijd van zijn vader alle belangrijke staatszaken in de Lage Landen plaatsvonden. Ook was het logisch om in het verreweg rijkste gebied tevens de hoofdstad te hebben. Het eigenlijke kernland Bourgondië speelde nog maar een marginale rol in het geheel. In 1468 onderwierp hij het prinsbisdom Luik op bloedige wijze. Karel de Stoute steunde de prinsbisschop, maar de Luikenaars zelf kwamen daartegen in opstand. De stedelijke milities, waaronder de 600 Franchimontezen, werden daarop afgeslacht, en vele plaatsen in het prinsbisdom werden verwoest. In 1471 richtte hij de Bourgondische Ordonnantiebenden op als staand leger ter ontlasting van zijn leenmannen. Twee jaar later mislukte een poging om van Bourgondië een zelfstandig koninkrijk te maken door een veto van de Duitse keizer Frederik III. Generaties lang samenleven in de Bourgondische statenbond, met overkoepelende instellingen, samen in oorlog of in vrede, deed een supranationaal samenhorigheidsgevoel ontstaan. Boven de Henegouwse en Brabantse en Hollandse vaderlandsliefde kiemde er dus ook een Bourgondisch samenhorigheidsgevoel, dat later ook Nederlands of in het Latijn Belgisch genoemd werd. [bewerken] Hertogdom gaat verloren In 1477 sneuvelde hertog Karel in de slag bij Nancy en ging een groot deel van het Franse bezit van de Bourgondiërs, waaronder het hertogdom zelf, verloren aan de Franse kroon. Door het huwelijk van Maria van Bourgondië, enige erfgename van Karel de Stoute, met de Duitse kroonprins Maximiliaan I van Oostenrijk kwam de rest, waaronder de Lage Landen, onder de soevereiniteit van het Huis Habsburg. Maria overleed in 1482 en werd als Hertog(in) van Bourgondië opgevolgd door haar zoon Filips de Schone. Bij zijn meerderjarig worden in 1494 nam Filips zelf het bewind in handen. Hij moest echter in 1498 gedwongen afstand doen van zijn aanspraken op Bourgondië. In 1506 werd hij koning van Castilië en daarmee een Spaanse vorst. Dit markeert het aanbreken van de Spaanse tijd. http://nl.wikipedia.org/wiki/Bourgondische_tijd (20090902)
wiki
Philippe Dasnoy (1934-2014) overleden. R.I.P.
Edited: 201407121488
Philippe Dasnoy
Sauter à la navigationSauter à la recherche
Page d'aide sur l'homonymie Pour les articles homonymes, voir Dasnoy.
Philippe Dasnoy
une illustration sous licence libre serait bienvenue
Biographie
Naissance
1er mars 1934
Décès
12 juillet 2014 (à 80 ans)
Nationalité
Belge
Activité
Journaliste
modifier - modifier le code - modifier WikidataDocumentation du modèle

Philippe Dasnoy (1er mars 1934 à Bruxelles-12 juillet 2014) est un journaliste de radio-télévision, auteur de documentaires et écrivain belge francophone.


Sommaire
1 Biographie
2 Filmographie
3 Publications
4 Notes et références
5 Liens externes
Biographie
Philippe Dasnoy est le fils du peintre et écrivain Albert Dasnoy.

Son enfance se déroule à Uccle, dans le quartier du Kamerdelle et du Crabbegat, au sein d'un milieu artistique qui lie d'amitié avec la sienne les familles des peintres Rodolphe Strebelle et son épouse, du sculpteur Charles Leplae et de l'illustrateur Hubert Olyff notamment. Au sortir de ses humanités (collège Saint-Pierre, Athénée royal d'Uccle et jury central) il s'associe à des expériences originales d'arts du spectacle comme le "Théâtre flottant" de Maurice Huisman, ou en tant que héraut du cirque De Jonghe en tournée au Congo belge qu'il sillonne pendant deux ans.

Il rentre à l'INR (RTBF) en 1957 comme commentateur radio. Il couvre l'expo 58 avec l'émission quotidienne "Étoile 58"1. Son reportage radiophonique sur "Sercq, la dernière féodalité d’Occident" gagne le Prix Italia 1963 du documentaire2.

Dans les années soixante il présente un temps le journal télévisé3, anime des émissions d'information spéciales4, interviewe des personnalités de la littérature et du spectacle5 autant que des quidams pittoresques6, présente des caméras cachées ("Sans rancune"7), crée le personnage de sketch "swanzeur" bruxellois Serge-Jean-Michel Serge8, et réalise de grands reportages d'actualité, notamment au Congo, en Israël9, à Cuba10 et en Union Soviétique (série de portraits sur "Les Soviétiques"), ainsi que des émissions historiques11 et des reportages sur des sujets de société12.

En 1971, il conçoit une série de 25 émissions historiques consacrées aux actualités cinématographiques diffusées sous contrôle allemand dans les cinémas de Belgique de 1941 à 1944 ("Sous l'occupation")13; il sera ensuite l'auteur d'une série de documentaires commémorant le bicentenaire de l'indépendance des USA ("USA 200"), et, en quatre-vingt, d'une série sur le monachisme bénédictin ("Des moines et des hommes").

Au sein de l'administration de la RTB(F), il occupe les fonctions successives de secrétaire de rédaction du journal télévisé, de responsable des magazines culturels14, et, pour terminer, de directeur de la radio (1986-1994). Il a aussi présidé la Communauté des radios publiques de langue française (CRPLF) et la Commission radiophonique de l'Union européenne de radio-télévision (UER), et a été membre du Conseil consultatif des programmes d'Arte.

Ses écrits se partagent entre l'histoire et l'art du xxe siècle belge.

Il aimait à se retirer dans le petit village ardennais de Nobressart avec son épouse, ses deux enfants et, plus tard, ses deux petits-enfants, amateur des longues promenades et de la cueillette des champignons dans la forêt d'Anlier15.

Il est décédé le 12 juillet 201416.

Filmographie
1967-69 : "Les Soviétiques", série de documentaires (avec Jean Antoine [archive] réal.) : 13 portraits (d'une vingtaine de minutes) de personnes représentatives de la société de l'U.R.S.S. (un instituteur - "Hovhannès, instituteur en Arménie", archive Sonuma [archive] et extrait sur Euscreen [archive] -, une actrice - "Ludmilla Savelieva, actrice de cinéma à Moscou" -, une médecin - "Liana Assatiani, médecin à Tbilissi", archive Sonuma [archive] -, un ingénieur - "Hassan Goumbatov, pétrolier à Bakou", extrait en version anglaise sur Euscreen [archive] -, un gymnaste, un directeur d'usine, une mannequin de mode - "Laïla Kompan, mannequin en Ukraine", archive Sonuma [archive] -, un militaire - "Vladimir Makkaveev, aspirant officier", extrait sur Euscreen [archive] -, un berger, une étudiante vétérinaire, un kolkhozien - "Tarkhil Marti, kolkhozien à Douripche", archive Sonuma [archive] -, un pope de l'Église Orthodoxe - "Arkadie Titchouk, archiprêtre à Vladimir" -, un pilote de ligne - "Alexandrov Agnaïev, pilote de ligne", archive Sonuma [archive] -) : présentation sur Euscreen [archive]
1969 : "L'Inde, la danse et Maurice Béjart", documentaire (Jean Antoine réal.).
1970 : "La Pologne entre deux airs", documentaire (avec Jean Antoine réal.) : sur les juifs expulsés de Pologne, réfugiés sur un bateau dans le port de Copenhague (visible sur Euscreen [archive]).
1975 : "Dans l’île du Mont-Désert chez Marguerite Yourcenar", documentaire (avec Jean Antoine réal.), extrait sur Sonuma [archive]. (publ. vidéo VHS, Ateliers de Diffusion audiovisuelle, 1994).
1976-77 : "USA 200: itinéraires historiques", série de 7 documentaires (avec Jean Antoine réal.) : "Premier voyage - Un retour aux sources"; "Deuxième voyage - Les sentiers de la liberté"; 'Troisième voyage - Vers un nouveau Sud"; "Quatrième voyage - En Louisiane"; "Cinquième voyage - La fin de la frontière"; "Sixième voyage - Le tournant du siècle"; "Septième voyage - La dixième génération ou la recherche du bonheur".
1980 : "Des moines et des hommes", série de 4 documentaires (avec Paul Roland réal.) : "Saint Benoît, homme de Dieu" (extrait sur Sonuma [archive] et sur Euscreen, partie 1 [archive] partie 2 [archive]); "Une règle de vie" (extraits sur Euscreen, partie 1 [archive] partie 2 [archive] partie 3 [archive]); "Du côté des moniales" (archive Sonuma [archive], et extraits sur Euscreen, partie 1 [archive] partie 2 [archive] partie 3 [archive] partie 4 [archive] partie 5 [archive]); "Saint Benoît parmi nous" (archive Sonuma [archive], et extraits sur Euscreen, partie 1 [archive] partie 2 [archive] partie 3 [archive] partie 4 [archive]). (publ. vidéo VHS, Citel Vidéo, 1996).
1981 : "Double portrait chez Albert Dasnoy", documentaire (avec Jacques Cogniaux réal.).
1981 : "Georges Le Brun ou la volonté d'être soi", documentaire (avec Jacques Cogniaux réal.).
1982 : "La note de service", faux reportage (avec Jacques Cogniaux réal.) sur le musicien Justin Capable (joué par l'auteur) : extrait sur Euscreen [archive].
Intervenant dans :

1973 : "Les reporters (n° 4:) Philippe Dasnoy", interview (réal. Jean-Marie Delmée) - extraits sur Euscreen, partie 1 [archive] partie 2 [archive]
2000 : "Ce tant bizarre Monsieur Rops", documentaire (réal. Thierry Zéno), où il joue le rôle du peintre Félicien Rops - fiche technique : site Cinergie [archive]
Date d'intervention à préciser : "Archives" d'Élodie de Sélys.
2009 (8 janvier) : "Cinquante degrés nord" d'Éric Russon (interviewé avec Olivier Strebelle à propos du livre consacré à celui-ci).
2011 : "Mémoire des anciens", interview (réal. Lionel Dutrieux) - extrait sur Sonuma [archive]
Publications
1958 : Anacharsis à l'Exposition: Textes d'Amédée, t. 1 (illustré par J. Plas) et t. 2 (avec photographies de Pierre Cordier), Bruxelles: Éditions Jeune Belgique (présentation des lettres imaginaires lues par l'humoriste Amédée alias Philippe de Chérisey dans le cadre de l'émission radio "Étoile 58" [archive]).
1965 : (texte pour le) Souvenir program (du spectacle) The Birds (Les Oiseaux, de Maurice Béjart), Bruxelles: Théâtre royal de la Monnaie.
1972-73 : avec Jean-Léon Charles, Les Dossiers secrets de la police allemande en Belgique: la Geheime Feldpolizei en Belgique et dans le Nord de la France, t. 1: 1940-1942, t. 2: 1942-1944, Bruxelles: Éditions Arts et voyages.
1973 : "Préface" à Frédéric Vandewalle et Jacques Brassinne, Les Rapports secrets de la Sûreté congolaise: 1959-1960, Bruxelles: Éditions Arts et voyages.
1974 : avec Jean-Léon Charles, Les Secrétaires généraux face à l'occupant: Procès-verbaux des réunions du Comité des Secrétaires généraux (1940-1944), Bruxelles: Éditions Arts et voyages.
1977 : Vingt millions d'immigrants: New-York 1880-1914 en photos, Paris - Bruxelles: Elsevier-Sequoia.
1978 : "Introduction" à André Vanrie, Bruxelles en gravures, Bruxelles: Éditions Erasme.
1981 : Contribution dans Hommage à Albert Dasnoy : Musées Royaux des Beaux-Arts: 13.11.1981-3.1.1982 (Catalogue d'exposition), Bruxelles: Musées Royaux des Beaux-Arts.
1990 : Charles Leplae, Knokke-le-Zoute: Willy D'Huysser Gallery.
2000 : "Introduction" à la réédition d'Albert Dasnoy, Les dieux et les hommes, Bruxelles: Le Cri.
2001 : Versailles disparu: une vision argumentée, gouaches et dessins de Thierry Bosquet, Lausanne: Acatos.
2001 : Strebelle à Paris: Histoires de sculptures, Lier: Antilope Art Books.
2006 : Contribution dans Philippe Beaussant et al., Le temps de l'arbre, illustré par Gabriel Belgeonne et al., Paris: L'abri aux ifs.
2007 : "Avant-Propos" à Pierre Cordier, Le chimigramme (the chemigram), Bruxelles: Éditions Racine.
2008 : Olivier Strebelle: Histoires de Sculptures, avec la collaboration de Pierre Moreau, photographe, Bruxelles: Fonds Mercator.
Divers :

Scénario de ballet : "Les Oiseaux" de Maurice Béjart (1965), sur une musique de Manos Hadjidakis, Théâtre royal de la Monnaie. Cf. Vinyl double LP 33t Odeon-EMI - 33GCX 109-110.
Livret d'opéra : "Gulliver, ou, Le doyen fou" de Guy Barbier (1966), Théâtre royal de la Monnaie et Cirque Royal (1967).
Adaptation de (politique-)fiction pour la radio : "La Grande Peur de 1989" de Max Gallo (1966), RTB; extrait sonore sur Sonuma [archive].
Adaptation de drame pour la télévision : "Agamemnon" d'Eschyle (1967), RTB (BRT).
6 april 2014: Boek over Paul Otlet verschenen
Edited: 201404068827
The dream of capturing and organizing knowledge is as old as history. From the archives of ancient Sumeria and the Library of Alexandria to the Library of Congress and Wikipedia, humanity has wrestled with the problem of harnessing its intellectual output. The timeless quest for wisdom has been as much about information storage and retrieval as creative genius.

In Cataloging the World, Alex Wright introduces us to a figure who stands out in the long line of thinkers and idealists who devoted themselves to the task. Beginning in the late nineteenth century, Paul Otlet, a librarian by training, worked at expanding the potential of the catalog card, the world's first information chip. From there followed universal libraries and museums, connecting his native Belgium to the world by means of a vast intellectual enterprise that attempted to organize and code everything ever published. Forty years before the first personal computer and fifty years before the first browser, Otlet envisioned a network of "electric telescopes" that would allow people everywhere to search through books, newspapers, photographs, and recordings, all linked together in what he termed, in 1934, a réseau mondial—essentially, a worldwide web.

Otlet's life achievement was the construction of the Mundaneum—a mechanical collective brain that would house and disseminate everything ever committed to paper. Filled with analog machines such as telegraphs and sorters, the Mundaneum—what some have called a "Steampunk version of hypertext"—was the embodiment of Otlet's ambitions. It was also short-lived. By the time the Nazis, who were pilfering libraries across Europe to collect information they thought useful, carted away Otlet's collection in 1940, the dream had ended. Broken, Otlet died in 1944.

Wright's engaging intellectual history gives Otlet his due, restoring him to his proper place in the long continuum of visionaries and pioneers who have struggled to classify knowledge, from H.G. Wells and Melvil Dewey to Vannevar Bush, Ted Nelson, Tim Berners-Lee, and Steve Jobs. Wright shows that in the years since Otlet's death the world has witnessed the emergence of a global network that has proved him right about the possibilities—and the perils—of networked information, and his legacy persists in our digital world today, captured for all time.
wiki
De Bank Degroof - La Banque Degroof
Edited: 201309300961
Opgericht in 1871

Als onafhankelijke bank wordt Bank Degroof gecontroleerd door haar management. Zij is niet beursgenoteerd.

Cijfers per 30 september 2013

1. Cobepa nv, CLdN Finance sa en families Philippson, Siaens, Schockert en Haegelsteen 62,21%
2. Management en personeel, andere dan hierboven 12,76%
3. Financiële partners 18,91%
4. Autocontrole 6,12%
wiki
Gasfabriek in Algerije aangevallen. Gijzeling werknemers.
Edited: 201301160916
The In Amenas hostage crisis began on 16 January 2013, when al-Qaeda-linked terrorists affiliated with a brigade led by Mokhtar Belmokhtar took expat hostages at the Tigantourine gas facility near In Amenas, Algeria.[4] One of Belmokhtar's senior lieutenants, Abdul al Nigeri, led the attack[5] and was among the terrorists killed.[6] After four days, the Algerian special forces raided the site, in an effort to free the hostages.[7]

At least 39 foreign hostages were killed along with an Algerian security guard, as were 29 militants.[8] A total of 685 Algerian workers and 107 foreigners were freed.[1][9] Three militants were captured.[8]

It was one of many attacks in the Maghreb carried out by Islamist groups since 2002.

read more
Hannah Arendt - 2012
Edited: 201213141516
In 2012 kwam een Duitse film in de roulatie met als titel Hannah Arendt, onder regie van Margarethe von Trotta, en met Barbara Sukowa in de hoofdrol. De film concentreert zich op de rol van Hannah Arendt in het Adolf Eichmannproces en de controverse rond het boek dat zij naar aanleiding van dat proces schreef. In die tijd werd haar boek veelal verkeerd begrepen als een verdediging van Eichmann en een aanklacht tegen de joodse leiders (zoals die van de Joodse Raad) voor hun rol in de Holocaust. Daarnaast bevat de film flashbacks naar eerdere momenten in haar leven. (wiki)

Uit één van de dialogen: "Ik hou niet van een volk, ik hou van mensen, van individuen, ik hou van jou."
Als de uitgever van The New Yorker haar aanmaant bepaalde dingen niet te schrijven, antwoordt zij: "Maar die zijn gebaseerd op feiten."
Schoeller Pierre
Cinema: sortie de L'Exercice de l'Etat, un film politique à couper le souffle
Edited: 201110260745
Plus d'informations sur ce film politique extraordinaire
Le cynisme, les coups durs, les adversaires, le peuple, la privatisation, la perception, les médias, les collaborateurs, les comptes à règler, la solitude, ...
Le pouvoir politique est une crocodile qui avale les plus belles choses.

wiki
Res Publica (denkgroep en debatkring) opgericht in 2009
Edited: 200912310928
Res Publica is een Vlaamse denkgroep van politici, academici, intellectuelen en opiniemakers, opgericht in 2009, die ijveren voor Vlaamse onafhankelijkheid, los van de Belgische context.

De groep sluit aan bij andere Vlaamsgezinde denktanks zoals Pro Flandria en de Gravensteengroep, maar onderhoudt ook contacten met de drie zogenaamde "V-partijen": (Nieuw-Vlaamse Alliantie, Vlaams Belang en Lijst Dedecker). Politici van deze drie formaties zijn lid.

Kernleden van de groep zijn onder meer: filosoof Ludo Abicht, publicist Brecht Arnaert, sociaal-activist Julien Borremans, LDD-politicus Boudewijn Bouckaert, Pro Flandria-voorzitter Guy Celen, journalist Frans Crols, filosoof Koenraad Elst, journalist Mark Grammens, N-VA-politicus Jan Jambon, filosoof-publicist Johan Sanctorum, jurist Matthias Storme, linksflamingant Jef Turf en VB-politicus Bruno Valkeniers.

Toen ACV-vakbondsvoorzitter Luc Cortebeeck , in de aanloop van de Belgische federale verkiezingen van 13 juni 2010, advies gaf om niet op "Vlaamse zweeppartijen" te stemmen, publiceerde de groep een open protestbrief, mede ondertekend door onder anderen filmregisseur Jan Verheyen en filosoof Etienne Vermeersch.

Sinds augustus 2011 is in de schoot van de denkgroep ook een debatkring opgericht met dezelfde naam. Deze ijvert voor een open debatcultuur, in de context van het Vlaamse onafhankelijkheidsstreven. De kring opende op 29 september 2011 met een geanimeerd debat over "de Islam in Vlaanderen", waarin o.m. Filip Dewinter (Vlaams Belang) en Abu Imran (Sharia4Belgium) tegenover elkaar stonden.
src= wiki (geconsulteerd op 20160319)
Wiki
ERDAL Fehriye (DHKP-C) - Koerdische
Edited: 200802070901


Fehriye Erdal (Kangal, 25 februari 1977) is een Turkse militante van het Turks Volksbevrijdingsleger (DHKP-C). Deze extreemlinkse groepering voert een gewapende strijd tegen de Turkse staat en wordt door de Verenigde Staten en de Europese Unie als een terroristische organisatie beschouwd. Erdal is spoorloos en het Belgisch gerecht vermoedt dat ze waarschijnlijk dood is.
Erdals ouders waren Koerdisch. In 1996 vluchtte ze uit Turkije waar ze verdacht wordt van medeplichtigheid aan een drievoudige moord. In 1999 werd ze in Duinbergen opgepakt.

Erdal werd op 28 februari 2006 door een Belgische rechtbank tot 4 jaar gevangenisstraf veroordeeld voor bendevorming, valse paspoorten en het bezit van illegale wapens. Toen men haar wilde oppakken, bleek ze spoorloos verdwenen te zijn, hoewel ze onder toezicht stond van de Staatsveiligheid. Dit veroorzaakte een schandaal in de Belgische politiek. Er werd zelfs de vergelijking getrokken met de ontsnapping van Marc Dutroux op 23 april 1998.

Vlaams Belang en CD&V eisten het ontslag van de minister van Justitie Onkelinx, maar zij weigerde op te stappen.[1]

Op 7 februari 2008[2] sprak het Hof van Beroep in Antwerpen Erdal vrij. Ze werd beschuldigd van het lidmaatschap van of het ondersteunen van een terroristische organisatie, vanwege haar banden met een Turkse oppositiegroep, de DHKP-C of Revolutionair Volksbevrijdingsleger. Het Hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de betrokkene in verband bracht met plannen voor terroristische aanslagen. Ook achtte het Hof niet bewezen dat de organisatie in België een criminele of terroristische organisatie zou zijn.
BATTRO Antonio M.
Half a Brain is Enough - The Story of Nico
Edited: 200611061451

Part of Cambridge Studies in Cognitive and Perceptual Development
AUTHOR: BATTRO, Argentine Academy of EducationDATE PUBLISHED: November 2006AVAILABILITY: Available FORMAT: Paperback
ISBN: 9780521031110
Half A Brain Is Enough is the moving and extraordinary story of Nico, a little boy who at the age of three was given a right hemispherectomy to control intractable epilepsy. Antonio Battro, a distinguished neuroscientist and educationalist, charts what he calls Nico's 'neuroeducation' with humour and compassion in an intriguing book which is part case history, part meditation on the nature of consciousness and the brain, and part manifesto. Throughout the book Battro combines the highest standards of scientific scholarship with a warmth and humanity that guide the reader through the intricacies of brain surgery, neuronal architecture and the application of the latest information technology in education, in a way that is accessible and engaging as well as making a significant contribution to the current scientific literature. Half A Brain Is Enough will be compulsory reading for anyone who is interested in the ways we think and learn.

Fascinating and moving account of one boy's recovery and education following major brain surgery
Explores topics such as evolution of the brain, the way the brain works, consciousness, the use of computers in education
Complex science yet written in an engaging and accessible way will appeal to academics and professionals, as well as the general reader.

Ziehier de berichtgeving van TROUW:
In het boek ’Half a brain is enough’ beschrijft de arts Antonio Battro het geval van het jongetje Nico. Nico had heftige epileptische aanvallen in de rechterhersenhelft. Zo heftig, dat er voor zijn overleving niets anders op zat dan een ingrijpende hersenoperatie.
Nico was bij de operatie drie jaar en zeven maanden oud. Eerst werd zijn volledige slaapkwab weggehaald. Wat er van zijn rechterhersenhelft nog overbleef, werd losgesneden van de linkerhersenhelft en van de hersenstam. Dit deel werd niet verwijderd, maar functioneerde niet meer. Als volwassene zal hij het moeten doen met de helft van de normale 1400 gram hersenen.
Na de operatie kon Nico in eerste instantie niet lopen. Maar vijf jaar later rent en speelt hij vrij normaal, alleen een beetje trekkebenend. Wel beweegt zijn linkerarm moeilijk en ziet hij niks in de linkerhelft van zijn gezichtsveld. Met die relatief kleine handicaps kan hij echter goed omgaan. Maar dan het opmerkelijke: Nico’s cognitieve, sociale en emotionele vermogens verschillen niet wezenlijk van die van zijn leeftijdgenoten. Zijn talige vermogens –typisch een vermogen van de linkerhersenhelft– liggen zelfs ruim boven het gemiddelde.
De crux zit in het aanpassingsvermogen van Nico’s overgebleven hersenhelft. Hoe dat precies werkt, is nog onbekend. Specifieke training is wel essentieel. Vermogens die typisch worden geassocieerd met de weggehaalde rechterhersenhelft –onder andere wiskunde, beeldende kunst, muziek– zijn overgenomen door de overgebleven linkerhersenhelft. En hoewel Nico voor die vaardigheden geen speciale aanleg heeft, is hij er ook niet slechter in dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Nico had het geluk dat hij op zo’n jonge leeftijd werd geopereerd. Dat beperkte zijn functieverlies nog enigszins.
Wereldwijd zijn er ongeveer honderd patiënten bij wie vanwege heftige epilepsie een hersenhelft is verwijderd. Ook de Duitser Philipp Dörr leed zo zwaar aan epilepsie dat artsen geen andere oplossing zagen dan het verwijderen van de rechterhelft van zijn grote hersenen. Dörr was bij de operatie al elf jaar. Net na de operatie waren alle functies die vroeger door de rechterhelft werden gedaan, verdwenen. Drie jaar revalideerde Dörr na de operatie in het ziekenhuis, een veel langere revalidatieperiode dan bij Nico. Maar ook bij de Duitser bleek de flexibiliteit van het brein verrassend groot.
Hoewel Dörr veel herinneringen mist uit de jaren vóór de operatie, bleken zijn intellectuele vaardigheden nauwelijks onder de verwijdering van de rechterhersenhelft te hebben geleden. Zijn IQ is normaal. Praten en schrijven kan hij nog steeds. Hij schaakt en leest romans. Alleen als zijn brein veel taken tegelijk moet verwerken, heeft hij daar duidelijk moeite mee.
Ja, je kunt dus leven met één hersenhelft. Wat trouwens niet betekent dat er geen functies verloren gaan, of dat we, zoals een hardnekkige mythe beweert, maar de helft of zelfs maar 10 procent van onze hersenen zouden gebruiken. Het betekent wel dat de flexibiliteit van onze hersenen groter is dan we lang hebben gedacht.

wikipedia en Espagnol


see also Awakenings
Henckel von Donnersmarck Florian
Première van Das Leben der Anderen (2006)
Edited: 200603231964
HASQUIN Hervé
21 augustus 2005: Le Soir: Hervé Hasquin verdedigt zijn heteroseksualiteit
Edited: 200508210987
"Il n’y a pas de développement de l’humanité sans conjonction de l’homme et de la femme. Je revendique haut et fort mon hétérosexualité. Ce qui, dans l’ambiance du moment, me paraît parfois nécessaire. Il faut pouvoir s’affirmer. Sans complexe. Et je le fais parce que je n’aime pas les atmosphères de décadence comme celle de l’Empire romain."

Vertaald: "Er is geen ontwikkeling in de mensheid zonder het verbond tussen man en vrouw. Ik claim met klem mijn heteroseksualiteit. Wat mij, gegeven het klimaat van deze tijd, soms nodig lijkt. Men moet ergens voor durven staan. Zonder complexen. En ik doe het omdat ik niet houd van een klimaat van decadentie zoals in het Romeinse Rijk."

bron: wiki (201801070312)
SEITZMAN Michael
North Country: film over sexuele intimidatie (early metoo)
Edited: 200500009882
North Country is een Amerikaanse dramafilm uit 2005, geregisseerd door Niki Caro. Het scenario van Michael Seitzman is gebaseerd op het boek "Class Action: The Story of Lois Jenson and the Landmark Case That Changed Sexual Harassment Law", van Clara Bingham en Laura Leedy Gansler, dat de eerste, langlopende rechtszaak over seksuele intimidatie in de VS beschreef.

Hoofdrolspeelster Charlize Theron en voornaamste bijrolspeelster Frances McDormand werden beide genomineerd voor zowel een Academy Award maar tijdens de prijsuitreiking op 6 maart 2006 konden deze nominaties niet verzilverd worden. Verder waren er nominaties voor een Golden Globe, een Bafta Award, een Screen Actors Guild Award, een Satelite Award en een BFCA Critics Choice Award. McDormand won de Las Vegas Film Critics Society Award voor haar rol.

De film was commercieel niet erg succesvol, maar vertoningen ervan in het Amerikaanse Congres hebben er volgens de producent toe bijgedragen dat de "Violence Against Women Act" in 2006 succesvol hernieuwd werd.

source: wiki
bibliografie en web-links i.v.m. wreedheden Leopold II in Congo
Edited: 200404011499
Histories - Links en bibliografieBlanke koning, rood rubber, zwarte dood. Deel 1 - uitzending 1 april 2004

Over Leopold II

http://www.monarchie.be/site/nl/mon_his_leopold_II.html

http://en.wikipedia.org/wiki/Leopold_II_of_Belgium



De wandaden in Congo op het web

http://www.moreorless.au.com/killers/leopold.html

http://www.boondocksnet.com/congo/index.html



Buiten België ontstond een brede verzetsbeweging tegen de wreedheden in Congo. Hieronder de online versies van protestliteratuur uit die tijd

Marc Twain:

http://www.boondocksnet.com/congo/kls/index.html

Joseph Conrad:

http://www.boondocksnet.com/congo/congo_heart.html



Arthur Conan Doyle:

http://www.boondocksnet.com/congo/congo_crime.html



Over Henry Morton Stanley

http://www.kirjasto.sci.fi/hstanley.htm

http://www.factmonster.com/ce6/people/A0846502.html

http://www.litencyc.com/php/stopics.php?rec=true&UID=1040





E. D. Morel begon een wereldwijde campagne tegen Leopold II

http://www.spartacus.schoolnet.co.uk/TUmorel.htm

http://www.fordham.edu/halsall/mod/1903blackburden.html



Bibliografie

BRAECKMAN, C., GASIBIREGE, S., KESTERGAT, J., Congo - Zaïre: la colonisation, l'indépendance, le régime Mobutu, et demain ? Bruxelles, GRIP, 1990, 166 pp.

COOLSAET, R., België en zijn buitenlandse politiek. 1830-1990. Leuven, Uitgeverij Van Halewijck, 1998, 670 pp.

HOCHSCHILD, A., De geest van koning Leopold II en de plundering van de Kongo. Amsterdam, J.M. Meulenhoff bv., 1998, 359 pp.

NZIEM, I.N., Histoire du Zaïre. De l'héritage ancien à l'âge contemporain. Louvain-la-Neuve, Duculot, 1997, 918 pp.

SCHALBROECK, I., Belgisch Kongo. De dekolonisatie van een kolonie. Tielt, Lannoo, 1986, 176 pp.

STENGERS, J., Congo : mythes et réalités : 100 ans d'histoire. Gembloux, Duculot, 1989, 283 pp.

STENGERS, J., De koning der Belgen. Van Leopold I tot Albert II. Leuven, Davidsfonds, 1997, 387 pp.

VANGROENWEGHE, D., Leopold II en Kongo. Brugge, 1985, 403 pp.

VANGROENWEGHE, D., Rood Rubber, Leopold II en zijn Kongo. Elsevier, 1985, 351 pp.
Wiki
Koerdische Vrijheidsvalken - Kurdistan Freedom Falcons
Edited: 200400001251
De Vrijheidsvalken van Koerdistan (afgekort als TAK) is een afsplitsing van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK).
De TAK is opgericht in 2004 en via een volksopstand strijden ze voor de vrijlating van Abdullah Öcalan.
Tegenwoordig wordt de TAK door de EU alsmede door de VS als terroristische groep beschouwd. De TAK zet echter haar acties voort.


wiki
8 mei 2002: aanslag Sheraton Karachi - Pakistan
Edited: 200205081361
L'attentat-suicide du 8 mai 2002 a eu lieu à Karachi, dans la province du Sind au Pakistan, et a provoqué la mort de 14 personnes, dont 11 employés français de la Direction des constructions navales (DCN). Le bus militaire qui les transportait a été pulvérisé devant l’hôtel Sheraton de Karachi par un kamikaze au volant d’un faux taxi. Jusqu’en juin 2009, l’attentat était attribué à Al-Qaïda ; depuis, les juges français chargés de l’affaire privilégient l’hypothèse de représailles à l'encontre de la France, organisées par une partie des services secrets pakistanais. Le sujet même de ces représailles est encore soumis à débat. La justice pakistanaise, qui elle aussi avait d'abord privilégié la piste islamiste, a remis en liberté les principaux suspects en 2009.

L'attentat a donné son nom à l'affaire judiciaire liée à la vente de frégates à l'Arabie saoudite et de sous-marins au Pakistan, qui aurait donnée lieu a des rétrocommissions pour financer illégalement la campagne présidentielle de 1995 d’Édouard Balladur.
(src: wiki)
CLANCY Tom (based on the novel of -)
Clear and Present Danger - 1994
Edited: 199408024455
Clear and Present Danger (film)
From Wikipedia, the free encyclopedia
Directed by Phillip Noyce
Produced by
Mace Neufeld
Robert Rehme
Screenplay by
John Milius
Donald E. Stewart
Steven Zaillian
Based on Clear and Present Danger
by Tom Clancy
Starring
Harrison Ford
Willem Dafoe
Anne Archer
James Earl Jones
Music by James Horner
Cinematography Donald McAlpine
Edited by Neil Travis
Production
companies
Paramount Pictures
Mace Neufeld Productions
Distributed by Paramount Pictures
Release date
August 3, 1994
Running time
141 minutes[1]
Country United States
Language English
Budget $62 million[2]
Box office $215.9 million[2]
Clear and Present Danger is a 1994 American spy thriller film directed by Phillip Noyce[3] and based on Tom Clancy's novel of the same name. It was preceded by the 1990 film The Hunt for Red October and the 1992 film Patriot Games, all three featuring Clancy's character Jack Ryan. It is the last film version of Clancy's novels to feature Harrison Ford as Ryan and James Earl Jones as Vice Admiral James Greer, as well as the final installment directed by Noyce.

As in the novel, Ryan is appointed CIA Acting Deputy Director, and discovers he is being kept in the dark by colleagues who are conducting a covert war against a drug cartel in Colombia, apparently with the approval of the President. The film premiered in theaters in the United States on August 3, 1994, and was a major financial success, earning over $200 million at the box office.[2]

Plot
The discovery of the murder of an American businessman, Peter Hardin, and his family, outrage U.S. President Bennett, Hardin's personal friend. When Hardin is found to have been connected to a Colombian drug cartel, from which he skimmed over $650 million, Bennett tells James Cutter, his National Security Advisor, that the cartels represent a "clear and present danger" to the U.S., tacitly instructing him to use illegal force against the men responsible for his friend's murder. Jack Ryan, appointed acting Deputy Director of Intelligence after Vice Admiral Jim Greer is stricken with cancer, asks Congress for increased funding for ongoing CIA operations in Colombia, believing the funds to be for advisory purposes only.

Keeping Ryan in the dark, Cutter turns to the CIA's Deputy Director of Operations Bob Ritter to take down the cartel. Ritter assembles a black operations team with the help of John Clark. The team inserts itself into Colombia, with Clark running logistics and Captain Ricardo Ramirez leading the squad on the ground in clandestine search-and-destroy missions against the drug cartel. Meanwhile, Bennett sends Ryan to Colombia to investigate Hardin's cartel connection.

The cartel leader responsible for Hardin's murder, Ernesto Escobedo, is enraged when the U.S. attempts to claim the $650 million that was stolen from him, and has his intelligence officer, Félix Cortez, try to retrieve the funds. Bennett sends FBI Director Emil Jacobs to meet Ryan in Colombia and negotiate for the money, and when Cortez discovers this, he plans an ambush, engineering it so that suspicion will fall on Escobedo. Ryan barely escapes the ambush, but the rest of the entourage is killed. Escobedo then calls a meeting with other cartel leaders, which Clark's team hits with an airstrike, but Escobedo is late arriving and survives.

Cortez discovers the U.S.'s involvement in the strike, and meets with Cutter to broker a deal. Cortez will assassinate Escobedo and take over the cartel, promising to reduce drug shipments to the U.S. and allow American law enforcement to make regular arrests to make it appear as if the U.S. is winning the drug war. In exchange, Cutter will shut down all U.S. operations in Colombia and allow Cortez to hunt down Clark's soldiers. Cutter agrees and orders Ritter to get rid of all evidence of their operations and cut off the troops in Colombia from all support. Ryan is played a recording of the conversation between Cutter and Cortez. He hacks Ritter's computer and discovers the conspiracy unfolding in Colombia.

The black-ops team is ambushed in Colombia by Cortez's men. Ryan arrives and convinces Clark to allow him to help. They find the team's sniper, Chavez, who tells them that Ramirez and a squadmate have been captured and the rest have been killed. Ryan visits Escobedo's mansion and shares his intelligence on Cortez. Enraged, Escobedo confronts Cortez, but is killed by Cortez's associate. Ryan, Clark and Chávez rescue the prisoners, kill Cortez, and escape.

Ryan confronts the President and tells him he intends to inform the Congressional Oversight Committee about the conspiracy despite the damage it could do to his career. As he walks out of the Oval Office, Cutter asks to speak with him, but Ryan ignores him. Ryan then begins his testimony to Congress.
Henry Mancini overleden. R.I.P.
Edited: 199406140932
HASQUIN Hervé
12 januari 1990: Hervé Hasquin in Le Soir over vreemdelingen en non-integratie
Edited: 199001121987
Hervé Hasquin verklaarde letterlijk in een vrije tribune in de krant Le Soir van 12 januari 1990:

"On ne peut nier, tout particulièrement en Région bruxelloise, que la densité d’étrangers extra-européens, très éloignés de nos traditions culturelles et philosophico-religieuses, posent d’autant plus de problèmes que beaucoup d’entre eux ne sont pas soucieux de s’intégrer dans nos populations (…). Le "seuil de tolérance" (…) a été atteint à maints endroits"

Vertaald: "Men kan niet ontkennen dat, in het bijzonder in de Brusselse regio, de sterke aanwezigheid van buiten-Europese vreemdelingen, die erg ver van onze culturele en filosofisch-religieuze tradities staan, bijzonder veel problemen creëert doordat velen van hen zich er niet voor willen inspannen om zich in onze bevolking te integreren (...). De tolerantiedrempel (...) is op verschillende plaatsen overschreden".

(bron: wiki)
NN
Zeebrugge, 6 maart 1987: Herald of Free Enterprise kapseist: 193 doden
Edited: 198703061824
Tessens Lucas (foto)
21 september 1984: Dirk Verhofstadt en Victor Claeys aan Beauport Park Hotel in Hastings tijdens bezoek aan TV-expo in Brighton. Studiereis voor de Vlaamse Media Maatschappij (VMM/VMMa)
Edited: 198409211261



Enkele weken later gebeurde dit:
The Brighton hotel bombing was a Provisional Irish Republican Army (IRA) assassination attempt against the top tier of the British government that occurred on 12 October 1984 at the Grand Brighton Hotel in Brighton, England. A long-delay time bomb was planted in the hotel by IRA member Patrick Magee, with the purpose of killing Prime Minister Margaret Thatcher and her cabinet, who were staying at the hotel for the Conservative Party conference.[2] Although Thatcher narrowly escaped injury, five people were killed including a sitting Conservative MP, and 31 were injured.
Patrick Magee had stayed in the hotel under the pseudonym Roy Walsh during the weekend of 14–17 September 1984. During his stay, he planted the bomb under the bath in his room, number 629, one floor above Thatcher's suite for the conference.[2] The device was fitted with a long-delay timer made from videocassette recorder components and a Memo Park Timer safety device. IRA mole Sean O'Callaghan claimed that 20 lb (9 kg) of Frangex (gelignite) was used. The device was described as a 'small bomb by IRA standards' by a contemporary news report and may have avoided detection by sniffer dogs by being wrapped in cling film to mask the smell of the explosive. (wiki)
De bom lag er dus toen wij het Grand Brighton Hotel bezochten voor de expo.
Wiki
Idris I van Libië - liever water dan olie - rijke elite
Edited: 198305250901
Idris I van Libië (Arabisch: إدريس الأول), geboren als Sajjid Moehammad Idris bin Sajjid Moehammad al-Mahdi al-Senoessi (Jaghbub, 12 maart 1889 - Caïro, 25 mei 1983), was de enige koning van het Koninkrijk Libië. Idris I leidde Libië naar de onafhankelijkheid in 1951 en regeerde het land tot hij in 1969 werd afgezet na een machtsgreep door Moammar al-Qadhafi.

Levensloop
Idris was een kleinzoon van Moehammad ibn Ali as-Senoessi, stichter van de Senoessi, een Libische soefi-orde en nomadische stam. Na het aftreden van zijn oom als regent in 1916 werd Idris hoofd van de Senoessi.

Na de Eerste Wereldoorlog erkenden de Britten hem als emir van Cyrenaica, het oostelijke deel van Libië. In 1920 werd Cyrenaica officieel een kolonie van Italië; de Italianen erkenden hem hierbij ook als emir van Cyrenaica. In 1922 werd hij tevens erkend als emir van Tripolitania, het noordwestelijk deel van Libië. Idris vestigde een regering en parlement en kreeg financiële steun van de Italianen om de kolonie Libië als semi-autonome heerser te besturen.

Idris probeerde te onderhandelen met de Italianen over onafhankelijkheid van Cyrenaica. Toen dit niet lukte, trok hij zich terug in Egypte en leidde hij een Libische guerrillastrijd tegen het gewelddadige Italiaanse koloniale bewind. Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde hij de Britten en vocht hij met zijn Libische guerrillastrijders tegen de Italianen en Duitsers.

In 1944, na de geallieerde overwinning in Noord-Afrika, kwam hij uit ballingschap in Caïro en vestigde zijn regering in Benghazi, de hoofdstad van Cyrenaica.

Na de Tweede Wereldoorlog
In het vredesverdrag met de geallieerden in 1947 gaf Italië al zijn aanspraken op Libië op. Tevens gaf Frankrijk zijn aanspraken op de door Franse troepen bezette Libische regio Fezzan op. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam in 1949 een motie aan dat Libië voor 1 januari 1952 onafhankelijk moest worden, als een van de eerste landen in Afrika. Met de voorbereiding werd de Nederlandse adjunct-secretaris-generaal Adriaan Pelt belast, die als Hoge Vertegenwoordiger het bestuur voerde. Idris leidde de verdere onderhandelingen met Pelt. Libië verkreeg op 23 december 1951 zijn onafhankelijkheid als constitutionele monarchie met erfopvolging. Idris werd de eerste koning van het land als Idris I van Libië. De regering werd verdeeld over twee steden: Tripoli was de zetel van het parlement en Benghazi was de zetel van het hof en kabinet van Idris I.

Het beleid van Idris I was gematigd en prowesters. Tot woede van de anti-westerse panarabisten bleef hij zelfs na de Suezcrisis in 1956 de Britten en Amerikanen steunen en stond hij hen toe om luchtmachtbases op Libisch grondgebied te vestigen. Een andere dreiging voor het regime waren de enorme oliereserves die in 1959 werden ontdekt. Hierdoor ontstond een rijke elite in het land die volop profiteerde van de olie, terwijl de meeste Libiërs straatarm bleven. De eerste reactie van Idris op de ontdekking was, dat hij liever had gezien dat er water was ontdekt. Een verdere dreiging voor Idris was dat hij geen mannelijke erfgenaam had.

Getroffen door ziekte besloot Idris per 2 september 1969 af te treden ten gunste van zijn neef Hasan as-Senoessi. Hij vertrok naar Turkije voor medische behandeling. Voordat Hasan as-Senoessi kon aantreden als nieuwe koning greep een groep officieren onder leiding van Moammar al-Qadhafi (Kadhafi) op 1 september 1969 de macht in Libië. De monarchie werd afgeschaft en de socialistische republiek Libië werd uitgeroepen.

De koning verliet Turkije per schip naar Kamena Vourla in Griekenland, waarna hij in Egypte in ballingschap ging en politiek asiel kreeg. In november 1971 werd hij door het Libische volksgerecht bij verstek tot de doodstraf veroordeeld. Tot zijn dood op 94-jarige leeftijd woonde hij in Caïro. Hij ligt begraven op Jannatul Baqi, Medina, Saoedi-Arabië.
Mirella Gregori (born October 7, 1967) mysteriously disappeared from Rome in May 1983, about 40 days before the disappearance of Emanuela Orlandi, a citizen of Vatican City. Both vanishings are unsolved as of today.
Edited: 198305071688
During a visit of the Pope to a Rome parish, on December 15, 1985, Gregori's mother recognized a man in the papal escort as the person who often came to pick up her daughter at the house.[4] The man was identified as Raoul Bonarelli.[5][6] (wiki)
ARAGON Louis
Bibliographie de Louis Aragon (1897-1982)
Edited: 198212240904
Feu de joie (1920), gedichtenbundel
Anicet ou le Panorama (1921), roman
Les Aventures de Télémaque (1922), roman
Le Libertinage (1924), roman
Le Paysan de Paris (1926), roman (De boer van Parijs, vert. Rokus Hofstede, Historische Uitgeverij, 1998)
Le Mouvement perpétuel (1926), gedichtenbundel
Traité du style (1928), essay
Persécuté persécuteur (1930)
La Peinture au défi (1930), essay
Les Cloches de Bâle (1934), roman
Hourra l’Oural (1934), gedichtenbundel
Pour un réalisme socialiste (1935), essay
Les Beaux Quartiers (1936), roman
Le Crève-cœur (1941), gedichtenbundel
Cantique à Elsa (1941), gedichtenbundel
Les Yeux d’Elsa (1942), gedichtenbundel
Brocéliande (1942), gedichtenbundel
Les Voyageurs de l’impériale (1942), roman (De reizigers op de imperiaal, vert. Hannie Vermeer-Pardoen, Van Gennep, 2014)
Le Musée Grévin (1943), gedichtenbundel
Aurélien (1944), roman
La Diane française (1945), gedichtenbundel
Le Nouveau Crève-coeur (1948), gedichtenbundel
Les Communistes (1949-1951), roman
Les Yeux et la mémoire (1954), gedichtenbundel
A la Lumière de Stendhal (1954), essay
Littératures soviétiques (1955), essay
Le Roman inachevé (1956), gedichtenbundel
La Semaine sainte (1958), roman
Elsa (1959), gedichtenbundel
Le Fou d’Elsa (1963), gedichtenbundel
La Mise à mort (1965), roman
Blanche ou l’Oubli (1967), roman
Je n’ai jamais appris à écrire (1969), essay
Les Chambres (1969), gedichtenbundel
Matisse (1971), roman
Théâtre/Roman (1974)
Le Mentirvrai (1980), novellebundel
Les adieux et autres poèmes (1982), gedichtenbundel
(Source Wiki 201601312033)
LASSWELL Harold D. (1902-1978)
"Propaganda is the expression of opinions or actions carried out deliberately by individuals or groups with a view to influence the opinions or actions of other individuals or groups for predetermined ends through psychological manipulations."
Edited: 197800004578
Lasswell made these contributions to the field of communication study:

His five-questions model of communication led to the emphasis in communication study on determining effects. Lasswell’s contemporary, Paul F. Lazarsfeld, did even more to crystallize this focus on communication effects.
He pioneered in content analysis methods, virtually inventing the methodology of qualitative and quantitative measurement of communication messages (propaganda messages and newspaper editorials, for example).
His study of political and wartime propaganda represented an important early type of communication study. The word propaganda later gained a negative connotation and is not used much today, although there is even more political propaganda. Propaganda analysis has been absorbed into the general body of communication research.
He introduced Freudian psychoanalytic theory to the social sciences in America. Lasswell integrated Freudian theory with political analysis, as in his psychoanalytic study of political leaders. He applied Freud's id-ego-superego via content analysis to political science problems. In essence, he utilized intraindividual Freudian theory at the societal level.
He helped create the policy sciences, an interdisciplinary movement to integrate social science knowledge with public action. The social sciences, however, generally resisted this attempt at integration and application to public policy problem.
src: wiki 20180329
wiki
26 augustus 1976: kunstenaar Jan Cockx vermoord in zijn woning te Boechout
Edited: 197608261045
Jan Cockx (Boechout, 1891 - Boechout, 26 augustus 1976) was een Belgisch kunstschilder en keramist. Hij begint als schilder, waarbij zijn vroege werk is beïnvloed door het fauvisme. Hij gebruikt uitbundige kleuren en houdt van grote vlakken.

Biografie
Tijdens de Eerste Wereldoorlog moet hij zijn studie aan de Antwerpse Academie onderbreken en wijkt hij uit naar de streek van Diest. Hij gaat meer de kubistisch-abstracte richting uit. Hij sluit zich aan bij diverse kunstkringen zoals Moderne Kunst, Ca Ira en Doe Stil Voort.

Hij exposeerde onder meer in Parijs (1920), Antwerpen (1922) en Genève (1923).

Vanaf 1924 legt hij zich toe op avant-gardistische keramiek en wordt de eerste zelfstandige keramist van Vlaanderen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij om den brode voor de Duitse Organisatie Todt, wat hem in kunstkringen na de oorlog zeer kwalijk wordt genomen.

In 1950 keert Cockx terug naar Boechout. Hij is een veelzijdig kunstenaar en vervaardigt ook lino- en houtsneden, ontwerpt tapijten en meubels en maakt monumentale muurschilderingen.

Op zaterdag 28 augustus 1976 wordt hij vermoord aangetroffen in zijn woning te Boechout. Hij blijkt te zijn doodgeschoten aan zijn tafel. Hij is dan 85. Deze moordzaak werd nooit opgehelderd.

De gemeente Boechout heeft zijn naam verbonden aan een tweejaarlijkse prijs voor schilderkunst, uitgereikt aan kunstenaars onder de dertig jaar.

SACKS Oliver
Awakenings (1973)
Edited: 197304051311
30 april 1970: Historicus Prof Dr Jacques Presser overleden. R.I.P.
Edited: 197004300917
Jacob (Jacques) Presser (Amsterdam, 24 februari 1899 – aldaar, 30 april 1970) was een Nederlandse historicus, schrijver en dichter die vooral bekend is geworden door zijn boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 over de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hij is de bedenker van de term egodocument (rond 1955).

Bibliografie:
- Das Buch 'De Tribus Impostoribus' (Von den drei Betrügern) (proefschrift - 1926)
- 'Anatole France en de geschiedenis'. In: Historische opstellen, opgedragen aan prof. dr. H. Brugmans (1929), p. 234–255. Ook in: J. Presser, Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 7–28.
- 'Het antisemitisme als historisch verschijnsel'. In: Antisemitisme en Jodendom. Een bundel studies over een actueel vraagstuk onder redactie van Dr. H. J. Pos (1939), p. 1–18. Herdrukt in: J. Presser, Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 29–48.
- De Tachtigjarige Oorlog (1941 - onder eigen naam 1948; 6de druk 1978)
- Napoleon. Historie en legende (1946; 7de druk 1978). Duitstalige uitgaven onder de titel Napoleon. Das Leben und die Legende (1977, 1979, 1990, 1997)
- 'Beeldbaarheid en beeldvorming in de jongste Amerikaanse historie' (Openbare les. Universiteit van Amsterdam, 11 februari 1947). Ook in: Schrijfsels en schrifturen (1961), p. 54–74.
- Amerika. Van kolonie tot wereldmacht (1949; 4de, herziene druk 1976, met een Naschrift over de periode na 1965 door dr. R. Kroes.): een vaak bijtende analyse van de Amerikaanse samenleving en de imperialistische tendenzen.
- Historia hodierna (Inaugurele rede. Universiteit van Amsterdam, 2 oktober 1950). Ook in: Uit het werk van dr. J. Presser (1969), p. 209–225.
- Gewiekte wielen. Richard Arkwright (1951)
- Schrijfsels en schrifturen (1961)
- Antwoord aan het kwaad. Getuigenissen 1939–1945, samengesteld door prof. dr. J. Presser (1961)
Europa in een boek (1963)
- Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (twee delen - 1965; 8ste druk 1985). Engelstalige uitgaven onder de titel Ashes in the Wind. The destruction of Dutch Jewry (Britse editie, 1968, herdruk 2010, met een nawoord van dr. Dienke Hondius; Amerikaanse heruitgave 1988) en The Destruction of the Dutch Jews (Amerikaanse uitgave 1969)
- Uit het werk van dr. J. Presser (1969; afscheidsbundel met 32 essays van zijn hand)
Gesprekken met Jacques Presser (1972; een egodocument in de vorm van de volledige tekst van de gesprekken die Philo Bregstein in 1969-1970 met Presser voerde ter voorbereiding van de documentaire film Dingen die niet voorbijgaan)
- Louter verwachting. Autobiografische schets 1899-1919 (1985; met de tekst van zijn rede voor de herdenking van 25 jaar bevrijding, 5 mei 1970, en een bibliografie van al zijn werk)


biografie
wiki
Ford sewing machinists strike of 1968 - Ford Dagenham
Edited: 196806071401
From Wikipedia, the free encyclopedia

The Ford sewing machinists strike of 1968 was a landmark labour-relations dispute in the United Kingdom. It was a trigger cause of the passing of the Equal Pay Act 1970.

Strike action
The strike, led by Rose Boland, Eileen Pullen, Vera Sime, Gwen Davis, and Sheila Douglass, began on 7 June 1968, when women sewing machinists at Ford Motor Company Limited's Dagenham plant in London walked out, followed later by the machinists at Ford's Halewood Body & Assembly plant. The women made car seat covers and as stock ran out the strike eventually resulted in a halt to all car production.

The Dagenham sewing machinists walked out when, as part of a regrading exercise, they were informed that their jobs were graded in Category B (less skilled production jobs), instead of Category C (more skilled production jobs), and that they would be paid 15% less than the full B rate received by men. At the time it was common practice for companies to pay women less than men, irrespective of the skills involved.

Following the intervention of Barbara Castle, the Secretary of State for Employment and Productivity in Harold Wilson's government, the strike ended three weeks after it began, as a result of a deal that immediately increased their rate of pay to 8% below that of men, rising to the full category B rate the following year. A court of inquiry (under the Industrial Courts Act 1919) was also set up to consider their regrading, although this failed to find in their favour.[5] The women were only regraded into Category C following a further six-week strike in 1984 (source BBC documentary broadcast 9 March 2013).[6]

Impact
Inspired by their example, women trades unionists founded the National Joint Action Campaign Committee for Women's Equal Rights (NJACCWER), which held an 'equal pay demonstration' attended by 1,000 people in Trafalgar Square on 18 May 1969.

The ultimate result was the passing of the Equal Pay Act 1970, which came into force in 1975 and which did, for the first time, aim to prohibit inequality of treatment between men and women in terms of pay and conditions of employment.[8][2][4][9][10] In the second reading debate of the bill, the machinists were cited by MP Shirley Summerskill as playing a "very significant part in the history of the struggle for equal pay".[11] Once the UK joined the European Union in 1973, it also became subject to Article 119 of the 1957 Treaty of Rome, which specified that men and women should receive equal pay for equal work.

Popular culture
A film dramatisation of the 1968 strike, Made in Dagenham, was released in 2010. A musical adaptation of the film was premièred in London in 2014. In January 2015 it was announced that the musical would close in April 2015.
(src= wiki = retrieved 20170308)



see also womens strike at FN Herstal (Belgium) in 1966
Che Guevara vermoord. R.I.P.
Edited: 196710090916
Wikipedia
Congo: Stanleystad/Stanleyville: Operatie Rode en Zwarte Draak
Edited: 196411240918
Rode Draak (Frans: Dragon Rouge) en Zwarte Draak (Dragon Noir) waren twee militaire operaties die in 1964, ten tijde van de Congocrisis, in Congo-Kinshasa werden uitgevoerd om westerse gegijzelden te bevrijden uit Stanleystad (nu Kisangani) en Paulis (nu Isiro).

De beide operaties vonden respectievelijk plaats op 24 en 26 november 1964, tijdens de opmars van de 'Ommengang' door de tijdens de Simbaopstand door Simba's veroverde gebieden van het net onafhankelijke Congo-Kinshasa. Ze werden uitgevoerd door Belgische en Amerikaanse troepen, ondersteund door Congolese huursoldaten. De operaties vonden in het geheim plaats en leidden tot de redding van ongeveer 2.300 mensen. Ongeveer 60 gegijzelden kwamen om en ongeveer 350 mensen werden geëxecuteerd tussen beide operaties, waaronder 300 Congolezen op 25 november 1964 in Paulis. Over het aantal doden onder de Simba's is niets bekend. De operaties staan bekend als zeer succesvol. Volgens Odom (1986) was het de eerste en in veel opzichten de meest complexe multinationale operatie ter bevrijding van gijzelaars van de Koude Oorlog.

Naast Rode Draak en Zwarte Draak waren vooraf nog twee operaties gepland; Witte Draak (Dragon Blanc) in Bunia en Groene Draak (Dragon Vert) in Watsa. Deze operaties werden op bevel van de Amerikaanse president Johnson niet uitgevoerd.

lees verder op wiki

website paracommando's
ARENDT Hannah
Eichmann in Jerusalem: a Report on the Banality of Evil (1963)
Edited: 196313141516
De thema’s van denken en oordelen komen ook terug in Eichmann in Jerusalem: a Report on the Banality of Evil (1963). Ze bestudeert hier de processen van Eichmann, die de hoofdrol speelde in Hitlers Endlösungsprogramma. Het was, zo zegt Arendt, niet de aanwezigheid van kwade bedoelingen, maar de afwezigheid van kritisch denkvermogen en de kritiekloze opvolging van bevelen van hogerhand die ertoe hebben geleid dat zo veel Joden het leven verloren in de structurele vernietigingspolitiek van de nazi's. (src=wiki)
12 augustus 1963: Lucien Cooremans (1899-1985), burgemeester van Brussel (1956-1975)
Edited: 196308121501
MILGRAM Stanley (1933-1984)
Behavioral study of obedience (Gedragstudie van gehoorzaamheid)
Edited: 196300001201
Het experiment van Milgram is een opzienbarend wetenschappelijk experiment in de sociale psychologie. Het experiment werd voor het eerst beschreven door Stanley Milgram, een psycholoog aan de Yale University in een artikel getiteld Behavioral study of obedience (Gedragstudie van gehoorzaamheid) dat in 1963 werd gepubliceerd. Later werd het experiment samengevat in zijn boek Obedience to Authority: An Experimental View (Gehoorzaamheid aan autoriteit: een experimentele benadering) uit 1974. Het was bedoeld om de bereidheid te meten van een deelnemer om gehoor te geven aan opgedragen taken van een gezaghebbende die strijdig zijn met het persoonlijke geweten van de deelnemer.

meer weten
wiki
Camps de transit et de reclassement pour les harkis
Edited: 196206001473
Dans le contexte de la fin de la guerre d'Algérie, une petite partie des anciens harkis et de leurs familles, menacés en Algérie, ont été rapatriés en France à partir de l'été 1962. C'est l'armée française qui a été chargée de leur transfert, de l'hébergement et de l'encadrement de l'ensemble des opérations. Pour cela, elle a utilisé différentes structures (dont certaines ont fonctionné successivement, d'autres simultanément) appelées généralement camp de transit et de reclassement, au nombre de sept : Bias (Lot-et-Garonne), Bourg-Lastic (Puy-de-Dôme), La Rye - Le Vigeant (Vienne), Larzac-La Cavalerie (Aveyron), Saint-Maurice-l'Ardoise (Gard), Rivesaltes (Pyrénées-Orientales)1.

Plusieurs de ces structures avaient servi de lieux d'internement ou d'assignation pour différentes personnes : réfugiés espagnols républicains, juifs, tziganes, prisonniers de guerre allemands, Algériens suspectés d'appartenir au FLN, rapatriés asiatiques ou eurasiens d'Indochine...


Sommaire
1 Le «rapatriement» des harkis
2 Rôle des camps
3 Ouverture (et fermeture) des deux premiers camps
4 Les autres camps : vers des fonctions distinctes
5 Les conditions de vie dans les camps
6 Fermeture progressive et définitive des camps, reclassement, dispersion
7 Notes et références
7.1 Notes
7.2 Références
8 Bibliographie
9 Voir aussi
9.1 Article connexe
Le «rapatriement» des harkis
Selon Pierre Messmer, ministre des Armées en 1962 qui a alors tenté d'interdire l'arrivée des Harkis en France2, 21 000 harkis et leur famille sont accueillis dans les camps en 1962, 15 000 en 1963, 5 000 en 1964 et 1965, soit 41 000 au total. La France n’avait pas prévu de structures d’accueil idoines, et les anciens supplétifs et leur famille seront accueillis dans des conditions très difficiles, souvent dans des lieux qui ont auparavant servi de lieu de regroupements.

Rôle des camps
Il n'a été précisé officiellement qu'en septembre 1962, par une note du ministre des Rapatriés qui précise: Le camp doit répondre à un double but :

1) Hébergement temporaire des familles en attendant leur dispersion vers une destination définitive ;

2) Triage des nouveaux débarqués en instance d'acheminement vers d'autres lieux.

La note précise On devra donc se borner à faire des travaux qui assurent la vie communautaire (en chambrées), à l'exclusion de tout aménagement visant à la création de logements familiaux.

Ouverture (et fermeture) des deux premiers camps
Les premiers camps ouverts au cours du mois de juin 1962 seront ceux du Larzac (Aveyron), puis de Bourg-Lastic (Puy-de-Dôme). Dans un premier temps, entre le 20 et le 26 juin 1962, 5 620 personnes sont accueillies dans le camp du Larzac, 4 000 le seront en juillet, soit 12 000 au total entre juin et septembre. Chacun de ces deux camps est composé de centaines de tentes, chacune comprenant une à trois familles, soit six à quinze personnes sur 20 m2.

Choisis dans la précipitation, surchargés, situés dans des zones où un hiver rigoureux rend très difficile leur utilisation, ces deux camps sont fermés en octobre 1962. Les populations sont transférées au camp Joffre de Rivesaltes pour les résidents du camp du Larzac et au camp de Saint-Maurice-l’Ardoise pour les résidents du camp de Bourg-Lastic. Cependant, dans certains cas, ce transfert se fait en séparant les familles.
Massacre du 17 octobre 1961 à Paris: ca. 200 morts
Edited: 196110172001
Les événements généralement qualifiés de massacre du 17 octobre 1961 sont le fait de la répression meurtrière, par la police française, d'une manifestation d'Algériens organisée à Paris par la Fédération de France du FLN.

Préparée en secret, la manifestation est un boycott du couvre-feu nouvellement appliqué aux seuls Nord-Africains. Alors que les attentats du Front de libération nationale (FLN) frappent les forces de l'ordre depuis plusieurs mois, l'initiative, non déclarée aux autorités, se veut cependant pacifique. Le FLN, qui y voit un moyen d'affirmer sa représentativité, y appelle tous les Algériens, hommes, femmes et enfants, et leur interdit le port d'armes. Les défilés nocturnes sur les grandes artères de la capitale donnent lieu à des affrontements au cours desquels des policiers font feu. La brutalité de la répression, qui se poursuit au-delà de la nuit du 17 dans l'enceinte des centres d'internement, fait plusieurs centaines de blessés et un nombre de morts qui reste indéterminé, de plusieurs dizaines selon les estimations les moins élevées.

Le 17 octobre 1961 et ses suites ne sont longtemps perçus que comme l'un des nombreux épisodes liés à la guerre d'Algérie. À partir des années 1990, ils font l'objet d'un traitement médiatique, puis politique plus important à la suite de la publication d'études historiques, de romans, d'un recueil photographique et surtout du retentissant procès de Maurice Papon, préfet de police de Paris au moment des faits, pour ses actes sous l'occupation allemande. En 2012, à l'occasion du 51e anniversaire de la manifestation, le président français François Hollande « reconnaît avec lucidité », au nom de la République, la « sanglante répression » au cours de laquelle ont été tués « des Algériens qui manifestaient pour le droit à l'indépendance ».

L'importante communauté immigrée venue d'Algérie penche majoritairement en faveur de l'indépendance. Elle est fermement structurée par le FLN, organisation nationaliste insurrectionnelle qui, en 1958, a décidé d'élargir la lutte armée anti-coloniale à la France métropolitaine, jusque dans la capitale.

Pendant l'été 1961, la guerre d'Algérie entre dans une phase critique. Les négociations entre le gouvernement français et le gouvernement provisoire de la République algérienne (GPRA)), émanation du FLN, en vue de la prochaine indépendance algérienne, provoquent des dissensions dans chaque camp. Les groupes ultra de l'OAS et les partisans de l'Algérie française au sein de l'appareil d'État tentent de contrecarrer le processus, alors que du côté du FLN se joue entre courants internes l'accès au pouvoir du futur État algérien.

Fin août, le FLN reprend plus intensément ses attaques contre les policiers, amplifiant la frustration de ces derniers qui désapprouvent la « lenteur » et l'« indulgence » de la justice à l'égard des commandos appréhendés précédemment

mots clefs: harki, police, GPRA


le massacre analysé par wikipédia
wiki
18-24 april 1955: Bandung Conference
Edited: 195504180861
From Wikipedia, the free encyclopedia
Jump to navigationJump to search

This article needs additional citations for verification. Please help improve this article by adding citations to reliable sources. Unsourced material may be challenged and removed.
Find sources: "Bandung Conference" – news · newspapers · books · scholar · JSTOR (April 2012) (Learn how and when to remove this template message)

The venue in 1955

The building in 2007; now it is a museum of the conference
The first large-scale Asian–African or Afro–Asian Conference—also known as the Bandung Conference (Indonesian: Konferensi Asia-Afrika)—was a meeting of Asian and African states, most of which were newly independent, which took place on 18-24 April 1955 in Bandung, Indonesia. The twenty-nine countries that participated at the Bandung Conference represented nearly one-quarter of the Earth's land surface and a total population of 1.5 billion people, roughly 54% of the Earth's population at the time.[1][2] The conference was organised by Indonesia, Burma (Myanmar), Pakistan, Ceylon (Sri Lanka), and India and was coordinated by Ruslan Abdulgani, secretary general of the Indonesian Ministry of Foreign Affairs.

The conference's stated aims were to promote Afro-Asian economic and cultural cooperation and to oppose colonialism or neocolonialism by any nation. The conference was an important step toward the Non-Aligned Movement.

In 2005, on the 50th anniversary of the original conference, leaders from Asian and African countries met in Jakarta and Bandung to launch the New Asian-African Strategic Partnership (NAASP). They pledged to promote political, economic, and cultural cooperation between the two continents.


Contents
1 Background
2 Discussion
3 Participants
4 Declaration
5 United States involvement
6 Outcome and legacy
6.1 Asian-African Summit of 2005
6.2 Other anniversaries
7 See also
8 References
8.1 Bibliography
9 Further reading
10 External links
Background
The conference of Bandung was preceded by the Bogor Conference (1949). The Bogor Conference was the seed for the Colombo Plan and Bandung Conference. The 2nd Bogor Conference was held 28-29 December 1954.[3]

The Bandung Conference reflected what the organisers regarded as a reluctance by the Western powers to consult with them on decisions affecting Asia in a setting of Cold War tensions; their concern over tension between the People's Republic of China and the United States; their desire to lay firmer foundations for China's peace relations with themselves and the West; their opposition to colonialism, especially French influence in North Africa and its colonial rule in Algeria; and Indonesia's desire to promote its case in the dispute with the Netherlands over western New Guinea (Irian Barat).

Sukarno, the first president of the Republic of Indonesia, portrayed himself as the leader of this group of states, which he later described as "NEFOS" (Newly Emerging Forces).[4] His daughter, Megawati Sukarnoputri headed the PDI-P party during both summit anniversaries, and the President of Indonesia Joko Widodo during the 3rd summit was a member of her party.

On 4 December 1954 the United Nations announced that Indonesia had successfully gotten the issue of West New Guinea placed on the agenda of the 1955 General Assembly,[5] plans for the Bandung conference were announced in December 1954.[6]

Discussion

Plenary hall of the conference building
Major debate centered around the question of whether Soviet policies in Eastern Europe and Central Asia should be censured along with Western colonialism. A memo was submitted by 'The Moslem Nations under Soviet Imperialism', accusing the Soviet authorities of massacres and mass deportations in Muslim regions, but it was never debated.[7] A consensus was reached in which "colonialism in all of its manifestations" was condemned, implicitly censuring the Soviet Union, as well as the West.[8] China played an important role in the conference and strengthened its relations with other Asian nations. Having survived an assassination attempt on the way to the conference, the Chinese premier, Zhou Enlai, displayed a moderate and conciliatory attitude that tended to quiet fears of some anticommunist delegates concerning China's intentions.

Later in the conference, Zhou Enlai signed on to the article in the concluding declaration stating that overseas Chinese owed primary loyalty to their home nation, rather than to China – a highly sensitive issue for both his Indonesian hosts and for several other participating countries. Zhou also signed an agreement on dual nationality with Indonesian foreign minister Sunario.

Participants

Countries represented in the Asia-Africa Conference in Bandung, Indonesia in 1955. Twenty-nine independent countries were present, representing over half the world's population. Vietnam is represented twice by both North Vietnam and the State of Vietnam, which became South Vietnam.

Member states of the Non-Aligned Movement (2012). Light blue states have observer status.
Afghanistan Kingdom of Afghanistan
Burma
Cambodia Kingdom of Cambodia
Dominion of Ceylon
People's Republic of China
Cyprus1
Egypt Republic of Egypt
Ethiopian Empire
Gold Coast
India
Indonesia
Iran Iran
Kingdom of Iraq
Japan
Jordan
Laos Kingdom of Laos
Lebanon
Liberia
Libya Kingdom of Libya
Nepal Kingdom of Nepal
Dominion of Pakistan
Philippines
Saudi Arabia
Syria Syrian Republic
Sudan Republic of the Sudan
Thailand
Turkey
South Vietnam State of Vietnam
Democratic Republic of Vietnam
Yemen Mutawakkilite Kingdom of Yemen
1 A pre-independent colonial Cyprus was represented by [the] eventual first president, Makarios III.[9]

Some nations were given "observer status". Such was the case of Brazil, who sent Ambassador Bezerra de Menezes.

Declaration
A 10-point "declaration on promotion of world peace and cooperation," incorporating the principles of the United Nations Charter was adopted unanimously:

Respect for fundamental human rights and for the purposes and principles of the charter of the United Nations
Respect for the sovereignty and territorial integrity of all nations
Recognition of the equality of all races and of the equality of all nations large and small
Abstention from intervention or interference in the internal affairs of another country
Respect for the right of each nation to defend itself, singly or collectively, in conformity with the charter of the United Nations
(a) Abstention from the use of arrangements of collective defence to serve any particular interests of the big powers
(b) Abstention by any country from exerting pressures on other countries
Refraining from acts or threats of aggression or the use of force against the territorial integrity or political independence of any country
Settlement of all international disputes by peaceful means, such as negotiation, conciliation, arbitration or judicial settlement as well as other peaceful means of the parties own choice, in conformity with the charter of the United Nations
Promotion of mutual interests and cooperation
Respect for justice and international obligations.[10]
The final Communique of the Conference underscored the need for developing countries to loosen their economic dependence on the leading industrialised nations by providing technical assistance to one another through the exchange of experts and technical assistance for developmental projects, as well as the exchange of technological know-how and the establishment of regional training and research institutes.

United States involvement
For the US, the Conference accentuated a central dilemma of its Cold War policy: by currying favor with Third World nations by claiming opposition to colonialism, it risked alienating its colonialist European allies.[11] The US security establishment also feared that the Conference would expand China's regional power.[12] In January 1955 the US formed a "Working Group on the Afro-Asian Conference" which included the Operations Coordinating Board (OCB), the Office of Intelligence Research (OIR), the Department of State, the Department of Defense, the Central Intelligence Agency (CIA), and the United States Information Agency (USIA).[13] The OIR and USIA followed a course of "Image Management" for the US, using overt and covert propaganda to portray the US as friendly and to warn participants of the Communist menace.[14]

The United States, at the urging of Secretary of State John Foster Dulles, shunned the conference and was not officially represented. However, the administration issued a series of statements during the lead-up to the Conference. These suggested that the US would provide economic aid, and attempted to reframe the issue of colonialism as a threat by China and the Eastern Bloc.[15]

Representative Adam Clayton Powell, Jr. (D-N.Y.) attended the conference, sponsored by Ebony and Jet magazines instead of the U.S. government.[15] Powell spoke at some length in favor of American foreign policy there which assisted the United States's standing with the Non-Aligned. When Powell returned to the United States, he urged President Dwight D. Eisenhower and Congress to oppose colonialism and pay attention to the priorities of emerging Third World nations.[16]

African American author Richard Wright attended the conference with funding from the Congress for Cultural Freedom. Wright spent about three weeks in Indonesia, devoting a week to attending the conference and the rest of his time to interacting with Indonesian artists and intellectuals in preparation to write several articles and a book on his trip to Indonesia and attendance at the conference. Wright's essays on the trip appeared in several Congress for Cultural Freedom magazines, and his book on the trip was published as The Color Curtain: A Report on the Bandung Conference. Several of the artists and intellectuals with whom Wright interacted (including Mochtar Lubis, Asrul Sani, Sitor Situmorang, and Beb Vuyk) continued discussing Wright's visit after he left Indonesia.[17][18]

Outcome and legacy
The conference was followed by the Afro-Asian People's Solidarity Conference in Cairo[19] in September (1957) and the Belgrade Conference (1961), which led to the establishment of the Non-Aligned Movement.[20] In later years, conflicts between the nonaligned nations eroded the solidarity expressed at Bandung.

Asian-African Summit of 2005
To mark the 50th anniversary of The Summit, Heads of State and Government of Asian-African countries attended a new Asian-African Summit from 20–24 April 2005 in Bandung and Jakarta. Some sessions of the new conference took place in Gedung Merdeka (Independence Building), the venue of the original conference. Of the 106 nations invited to the historic summit, 89 were represented by their heads of state or government or ministers.[3] The Summit was attended by 54 Asian and 52 African countries.

The 2005 Asian African Summit yielded, inter-alia, the Declaration of the New Asian–African Strategic Partnership (NAASP),[21] the Joint Ministerial Statement on the NAASP Plan of Action, and the Joint Asian African Leaders’ Statement on Tsunami, Earthquake and other Natural Disasters. The conclusion of aforementioned declaration of NAASP is the Nawasila (nine principles) supporting political, economic, and socio-cultural cooperation.

The Summit concluded a follow-up mechanism for institutionalization process in the form of Summit concurrent with Business Summit every four years, Ministerial Meeting every two years, and Sectoral Ministerial as well as Technical Meeting if deemed necessary.

Other anniversaries
On the 60th anniversary of the Asian-African Conference and the 10th anniversary of the NAASP, a 3rd summit was held in Bandung and Jakarta from 21–25 April 2015, with the theme Strengthening South-South Cooperation to Promote World Peace and Prosperity. Delegates from 109 Asian and African countries, 16 observer countries and 25 international organizations participated.[3]

See also
Asian–African Legal Consultative Organization
Five Principles of Peaceful Coexistence
Sino-Indonesian Dual Nationality Treaty
Third World
References
geographer, Matt Rosenberg Matt Rosenberg is a professional; book, writer with over 20 years of experience He is the author of both a geography reference; contests, a guide to winning National Geography Bee. "Current World Population and Future Projections". ThoughtCo. Retrieved 10 February 2019.
Bandung Conference of 1955 and the resurgence of Asia and Africa Archived 13 May 2012 at the Wayback Machine, Daily News, Sri Lanka
"Asian-African Conference timeline". The Jakarta Post. Retrieved 8 September 2017.
Cowie, H.R. (1993). Australia and Asia. A changing Relationship, 18.
United Nations General Assembly, Report of the First Committee A/2831
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 156.
Schindler, Colin (2012). Israel and the European Left. New York: Continuum. p. 205. ISBN 978-1441150134.
"Bandung Conference - Asia-Africa [1955]". Encyclopedia Britannica. Retrieved 10 February 2019.
Cyprus and the Non–Aligned Movement Archived 2016-03-03 at the Wayback Machine, Ministry of Foreign Affairs, (April, 2008)
Jayaprakash, N D (June 5, 2005). "India and the Bandung Conference of 1955 – II". People's Democracy – Weekly Organ of the Communist Party of India (Marxist). XXIX (23). Archived from the original on 11 March 2007. Retrieved 2007-02-07.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 154. "... Bandung presented Washington with a geopolitical quandary. Holding the Cold War line against communism depended on the crumbling European empires. Yet U.S. support for that ancien régime was sure to earn the resentment of Third World nationalists fighting against colonial rule. The Eastern Bloc, facing no such guilt by association, thus did not face the choice Bandung presented to the United States: side with the rising Third World tide, or side with the shaky imperial structures damming it in."
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 155.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), pp. 157–158.
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 161. "An OCB memorandum of March 28 [...] recounts the efforts by OIR and the working group to distribute intelligence 'on Communist intentions, and [on] suggestions for countering Communist designs.' These were sent to U.S. posts overseas, with instructions to confer with invitee governments, and to brief friendly attendees. Among the latter, 'efforts will be made to exploit [the Bangkok message] through the Thai, Pakistani, and Philippine delegations.' Posts in Japan and Turkey would seek to do likewise. On the media front, the administration briefed members of the American press; '[this] appear[s] to have been instrumental in setting the public tone.' Arrangements had also been made for USIA coverage. In addition, the document refers to budding Anglo-American collaboration in the 'Image Management' effort surrounding Bandung."
Parker, "Small Victory, Missed Chance" (2006), p. 162.
"Adam Clayton Powell Jr". United States House of Representatives. Retrieved February 1, 2015.
Roberts, Brian Russell (2013). Artistic Ambassadors: Literary and International Representation of the New Negro Era. Charlottesville: University of Virginia Press. pp. 146–172. ISBN 0813933684.
Roberts, Brian Russell; Foulcher, Keith (2016). Indonesian Notebook: A Sourcebook on Richard Wright and the Bandung Conference. Durham: Duke University Press. ISBN 0822360667.
Mancall, Mark. 1984. China at the Center. p. 427
Nazli Choucri, "The Nonalignment of Afro-Asian States: Policy, Perception, and Behaviour", Canadian Journal of Political Science / Revue canadienne de science politique, Vol. 2, No. 1.(Mar., 1969), pp. 1-17.
"Seniors official meeting" (PDF). MFA of Indonesia. Retrieved 2012-10-01.
Bibliography
Parker, Jason C. "Small Victory, Missed Chance: The Eisenhower Administration, the Bandung Conference, and the Turning of the Cold War." In The Eisenhower Administration, the Third World, and the Globalization of the Cold War. Ed. Kathryn C. Statler & Andrew L. Johns. Lanham, MD: Rowman & Littlefield, 2006. ISBN 0742553817
Further reading
Asia-Africa Speaks From Bandung. Jakarta: Ministry of Foreign Affairs, Republic of Indonesia, 1955.
Ampiah, Kweku. The Political and Moral Imperatives of the Bandung Conference of 1955 : the Reactions of the US, UK and Japan. Folkestone, UK : Global Oriental, 2007. ISBN 1-905246-40-4
Brown, Colin. 2012. "The Bandung Conference and Indonesian Foreign Policy", Ch 9 in Anne Booth, Chris Manning and Thee Kian Wie, 2012, Essays in Honour of Joan Hardjono, Jakarta: Yayasan Pustaka Obor Indonesia.
Dinkel, Jürgen, The Non-Aligned Movement. Genesis, Organization and Politics (1927-1992), New Perspectives on the Cold War 5, Brill: Leiden/Boston 2019. ISBN:978-90-04-33613-1
Kahin, George McTurnan. The Asian-African Conference: Bandung, Indonesia, April 1955. Ithaca: Cornell University Press, 1956.
Lee, Christopher J., ed, Making a World After Empire: The Bandung Moment and Its Political Afterlives. Athens, OH: Ohio University Press, 2010. ISBN 978-0896802773
Mackie, Jamie. Bandung 1955: Non-Alignment and Afro-Asian Solidarity. Singapore: Editions Didier Millet, 2005. ISBN 981-4155-49-7
Finnane, Antonia, and Derek McDougall, eds, Bandung 1955: Little Histories. Melbourne: Monash Asia Institute, 2010. ISBN 978-1-876924-73-7
External links
Modern History Sourcebook: Prime Minister Nehru: Speech to Asian-African Conference Political Committee, 1955
Modern History Sourcebook: President Sukarno of Indonesia: Speech at the Opening of the Asian-African Conference, 18 April 1955
"Asian-African Conference: Communiqué; Excerpts" (PDF). Egyptian presidency website. 24 April 1955. Archived from the original (PDF) on 2011-04-23. Retrieved 23 April 2011.
wiki
16 oktober 1954: Georges Duplat overleden. R.I.P.
Edited: 195410160961
Georges François Duplat (Sint-Joost-ten-Node, 25 oktober 1882 - Etterbeek, 16 oktober 1954) was een Belgisch volksvertegenwoordiger.
Duplat promoveerde tot doctor in de rechten en tot doctor in de politieke en sociale wetenschappen. Hij werd advocaat in Brussel. Van 1912 tot 1914 was hij voorzitter van het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel. Hij werd ook redacteur bij Het Nieuws van de Dag, een krant waar hij en zijn familie nauw mee verbonden waren.

In mei 1919 volgde hij de overleden Jean de Jonghe d'Ardoye op als katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Brussel. Hij behield het mandaat slechts tot aan de wetgevende verkiezingen van november 1919.

Hij was ook gemeenteraadslid van Brussel, van 1919 tot 1926.
Voor de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij veel over juridische onderwerpen, vooral over zaken die de pers aanbelangden. Hij was immers getrouwd met Maria Huyghe, dochter van Jan Huyghe (1856-1906), de stichter van het Brusselse dagblad Het Nieuws van de Dag (1885-1965). Hij stond de weduwe Huyghe, geboren Maria de Myttenaere (overleden in 1932) en nadien haar zus Georgina De Myttenaere bij, die na de vroege dood van Huyghe opeenvolgend de leiding namen. Het boek dat hij over de pers schreef was lang een standaardwerk en is nog steeds te koop, in de formule 'on demand'.

Op het Congres van de Belgische pers in 1912 in Oostende, bracht hij kritiek uit op de grote bedragen voor morele schadevergoeding die door rechtbanken en hoven werden toegekend ten nadele van persorganen en van individuele journalisten.

In 1940 onderhandelde hij, namens zijn vrouw die de leiding over het blad had genomen, met de Duitse bezetter over het verder verschijnen van het Nieuws van de Dag. Nadien verdween hij uit de krant, toen hij en zijn vrouw uit elkaar gingen. De krant werd na de oorlog geleid door hun zoon, advocaat Jan Duplat (1909-2000), en dit tot aan de opslorping ervan door De Standaard - Het Nieuwsblad. Jan Duplat was getrouwd met Yvonne Colson (1912-2001) en ze kregen negen kinderen, van wie de oudste, advocaat Jean-Louis Duplat (1937), voorzitter werd van de Handelsrechtbank van Brussel en gedurende twaalf jaar voorzitter was van de Belgische Bankcommissie.
Publicaties[bewerken]
Le journal. Sa vie juridique, ses responsabilités civiles, Parijs, 1909.
La critique et le droit. Etude de philosophie juridique. in: Revue catholique de droit, 1908.
La politique scolaire en Hollande, in: La Revue générale, 1910.
Le jury civil en matière de presse, Leuven, 1913.
Le cours de religion a l'école primaire. Le droit des chefs de famille, Brussel, 1913.
La classe moyenne. Son role social, son action politique, sa situation économique, les reformes urgente, Brussel, 1914.
La loi scolaire de 1914 et ses nouvelles applications, Brussel, 1914.
Le Président Wilson et son programme politique, in: La Revue générale", 1914.
Les classes moyennes pendant la crise, Brussel, 1915.
Le journal. Sa vie juridique, ses responsabilites civiles. Le droit de réponse, Brussel, 1929.
CIA
Mossadeq elimination in Iran - TPAJAX project - Secret
Edited: 19530500


Mohammad Hedayat Mossadeq of Mossadegh (Teheran, 19 mei 1882 - Ahmad Abad, 4 maart 1967) was de democratisch verkozen premier van Iran van 1951 tot 1953, toen zijn regering omver werd geworpen in een staatsgreep die georkestreerd werd door de Britse MI6 en de Amerikaanse CIA

Als auteur, advocaat en vooraanstaand parlementair introduceerde zijn administratie een reeks progressieve sociale en politieke hervormingen zoals sociale zekerheid, huurbescherming en landhervormingen. Het meest opmerkelijke beleid van zijn regering was echter de nationalisatie van de Iraanse olie-industrie, die onder Britse controle was sinds 1913.

Mossadeq werd afgezet in een staatsgreep op 19 augustus 1953, georganiseerd en uitgevoerd door de CIA op vraag van de MI6, die Iraans generaal Fazlollah Zahedi koos om Mossadeq op te volgen. Mossadeq werd voor drie jaar opgesloten en daarna tot zijn dood onder huisarrest geplaatst. Hij werd begraven in zijn eigen huis om politieke oproer te vermijden. (bron: wiki) Noot: vergelijk met de eliminatie van Lumumba.
Wiki
Volksraadpleging over de terugkeer van Leopold III
Edited: 195003120900
In vijf jaar (1944-1949) volgden tien regeringen elkaar in snel tempo op, zonder tot een akkoord te komen over de toekomstige rol van Leopold III. De CVP won de Belgische verkiezingen 1949 - de eerste waaraan ook vrouwen konden deelnemen - met de terugkeer van Leopold III in haar programma. Ze kwam maar één zetel tekort voor een absolute meerderheid. Eerste minister Gaston Eyskens van de katholiek/liberale regering-G. Eyskens I schreef ter oplossing van de koningskwestie een niet-bindende volksraadpleging uit op 12 maart 1950. De vraag luidde: "Zijt U de mening toegedaan dat Koning Leopold III de uitoefening van zijn grondwettelijke machten zou hernemen ?"
57,68% stemde "Ja"; in Vlaanderen was de meerderheid overweldigend met 72%, in Wallonië en Brussel echter was meer dan de helft tegen terugkeer. Toen Eyskens conform de uitslag van de volksraadpleging de koning wilde doen terugkeren, stapten de liberale ministers uit de regering, zodat de regering viel en nieuwe verkiezingen uitgeschreven werden.





(wiki + aanvulling LT)
1950-1960: Nederland bouwt luchtwachttorens om laagvliegende vliegtuigen van Oostblok te spotten.
Edited: 195000007829
wiki
28 April 1949: The London Declaration: Commonwealth of Nations
Edited: 194904280917
The London Declaration was a declaration issued by the 1949 Commonwealth Prime Ministers' Conference on the issue of India's continued membership in the Commonwealth of Nations after its transition to a republican constitution. It was made in London on 28 April 1949 and marked the birth of the modern Commonwealth. The declaration had two main provisions: It allowed the Commonwealth to admit and retain members that were not Dominions, so including both republics and indigenous monarchies, and it changed the name of the organisation from the British Commonwealth to the Commonwealth of Nations, reflecting the first change. The Declaration recognised King George VI as Head of the Commonwealth. Following his death, the Commonwealth leaders recognised Queen Elizabeth II in that capacity.

The London Declaration
The Governments of the United Kingdom, Canada, Australia, New
Zealand, South Africa, India, Pakistan and Ceylon, whose countries are
united as Members of the British Commonwealth of Nations and owe a
common allegiance to the Crown, which is also the symbol of their free
association, have considered the impending constitutional changes in
India.
The Government of India have informed the other Governments of the
Commonwealth of the intention of the Indian people that under the new
constitution which is about to be adopted India shall become a sovereign
independent republic. The Government of India have however declared
and affirmed India’s desire to continue her full membership of the
Commonwealth of Nations and her acceptance of The King as the symbol
of the free association of its independent member nations and as such the
Head of the Commonwealth.
The Governments of the other countries of the Commonwealth, the basis
of whose membership of the Commonwealth is not hereby changed,
accept and recognise India’s continuing membership in accordance with
the terms of this declaration.
Accordingly the United Kingdom, Canada, Australia, New Zealand,
South Africa, India, Pakistan and Ceylon hereby declare that they remain
united as free and equal members of the Commonwealth of Nations,
freely co-operating in the pursuit of peace, liberty and progress.
26 April 1949
France GALL, artiestennaam van Isabelle Gall (Parijs, 9 oktober 1947), is een Franse zangeres.
Edited: 194710091003
wiki
De pogrom van Kielce
Edited: 194607040900
De pogrom van Kielce vond op 4 juli 1946 plaats in het Poolse stadje Kielce. Van 200 Poolse Holocaust-overlevenden werden er 41 vermoord en 82 verwond toen zij terugkeerden na het eind van de oorlog.
wiki
1/1/1946: Hector Carlier pleegt zelfmoord te Kalmthout
Edited: 194601010161
Hector Carlier (?, 1884 - Kalmthout, 1 januari 1946), bankier en industrieel was de zoon van bankier Jean Baptiste Ferdinand Carlier en Marie De Roy. Hij was gehuwd met Amelia Goossens.

Petrofina
Hector Carlier heeft samen met broer Ferdinand de Compagnie d'Anvers opgericht. In verband met de bankenwetgeving is deze later opgesplitst in Banque d'Anvers en Compagnie d'Anvers. Jean-Baptiste, zijn vader, was gedurende 30 jaar directeur van de Nationale Bank in Antwerpen.

In 1920 richtte hij samen met zijn broer Fernand en de toenmalige minister en latere premier Aloys Van de Vyvere de oliemaatschappij Petrofina op. Ze haalden hun olie in Roemenië, nadat ze eerst de Duitse rechthebbenden op die olie hadden vergoed.

Aan het succes kwam met de Tweede Wereldoorlog een abrupt einde. De raffinaderij in Duinkerke, de belangrijkste van Petrofina, werd verwoest. Na de oorlog werden de Carliers gezocht voor economische collaboratie. Hector pleegde zelfmoord op 1 januari 1946 op zijn landgoed De Boterberg in Kalmthout, broer Fernand vluchtte naar Brazilië.

Hector was in 1933 in Dover, in Groot-Brittannië, getrouwd met de 23 jaar jongere Nederlandse Amelia Goossens (overleden in 1989) uit Woensdrecht. Samen hadden ze drie kinderen, Amalia (+2001), Ferdinand (1935-1986) en Marie-Antoinette (1934-2007) die allen ongehuwd bleven.

De zusters Carlier leefden na de dood van hun moeder een eerder sober bestaan in het kasteel De Boterberg in Kalmthout.

Koning Boudewijnstichting
Marie Antoinette overleed in 2007 en schonk het ganse familiefortuin aan enkele particuliere erfgenamen en aan de Koning Boudewijnstichting in de vorm van een duolegaat.

Fusie
Petrofina ging later op in Total S.A. en nog later in Elf Aquitaine om dan de naam te veranderen in Total.
bron: wiki 20170417
LT/MERS
28 december 1945: Belgavox opgericht
Edited: 194512282187
Oprichting van Belgavox, de eerste Belgische firma voor gefilmde actualiteit. Bronnen: KVB 861 en 865.




Histoire:
En 1937, Georges Fannoy fonde la Société belge de distribution cinématographique (SBDC) et distribue dans les salles des films de longs métrages mais également les actualités françaises Éclair Journal. La société Belgavox fut fondée en 1945 pour répondre au besoin que ressentaient les Belges de posséder leurs propres canaux d’information.

Entre 1945 et 1994, les actualités cinématographiques Belgavox, diffusées dans les salles de cinéma belges, ont proposé au public un panorama national et international de l’actualité.

En 1956, Georges Fannoy fonde l’Association internationale de la presse filmée (INNA) réunissant l’ensemble des producteurs d’actualités filmées du monde entier. Belgavox a toujours exercé en son sein un rôle actif, ce qui a permis à la société d’échanger régulièrement des reportages provenant du monde entier avec les autres membres de l’association.

En 1955, Belgavidéo est créée pour assurer la programmation internationale des journaux télévisés belges de la RTB (maintenant RTBF) et la BRT (maintenant VRT).

Pierre Fannoy crée en 1965 la Télévision congolaise (RTNC) et Congovox, l’équivalent africain de Belgavox. Pierre Fannoy est aussi l'inventeur de la télévision à la demande (1960). La VOD s'appelait alors la Sélévision.

En 1985, avec l’aide de ses fils Philippe et Vincent il fournit à la télévision camerounaise naissante (la CRTV-Télé) les équipes nécessaires à la production de ses programmes.

L’avènement de la télévision et son rôle croissant en tant qu’instrument d’information ont amené Belgavox à changer la formule de ses actualités : les actualités diffusées dans les salles de cinéma ont été progressivement remplacées par des magazines.

Belgavox a aujourd’hui quitté les salles obscures pour se consacrer notamment à la réalisation de programmes de types émission thématique et film documentaire. Belgavox est aussi très active dans la recherche pour l'amélioration de la gestion des archives tant d'un point de vue support que d'un point de vue sémantique.

Les images de Belgavox sont aujourd'hui accessibles via le site de la SONUMA.
src=wiki
6 augustus 1945: USA gooit uranium-atoombom op Hiroshima
Edited: 194508061012
Het eerste kernwapen dat in oorlogstijd werd ingezet was de uraniumbom Little Boy, die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Verenigde Staten op 6 augustus 1945 boven de Japanse stad Hiroshima tot ontploffing werd gebracht. Het vliegtuig waarmee de bom naar Hiroshima werd gevlogen heette Enola Gay. De bom had een explosieve kracht die equivalent was aan ongeveer 15 kiloton TNT en maakte 78.000 directe slachtoffers. Door de na-effecten als gevolg van de ioniserende straling liep het dodental uiteindelijk op tot ongeveer 140.000 eind 1945. Op 9 augustus 1945 werd Nagasaki aangevallen met een plutoniumbom: Fat Man. De explosieve kracht van deze tweede bom was groter (21 kiloton). Er vielen 27.000 directe doden. Dat waren er minder dan bij de eerste bom, doordat de bom wegens te veel bewolking niet boven het oorspronkelijk geplande punt was afgeworpen. Het dodental in deze stad liep uiteindelijk op tot zeker 70.000 eind 1945.
Bij beide explosies kwam ook een grote hoeveelheid radioactiviteit vrij, die nog tot lang na de Tweede Wereldoorlog stralingsziekten veroorzaakte, waardoor vele doden zijn gevallen. Volgens opgave van de Japanse autoriteiten, die ook de slachtoffers registreerden die jaren later vielen door bijvoorbeeld kanker als gevolg van straling, kostten de bommen aan totaal ruim 240.000 mensen het leven.
(wiki 20160311)
Massacre de Sétif, Guelma et Kherrata en Algérie
Edited: 194505081445
wiki
1 september 1944: François Van Aerden vermoord
Edited: 194409010088
François Van Aerden, né le 19 septembre 1882 à Anvers et mort assassiné dans des circonstances non élucidées le 1er septembre 1944 (à 61 ans) à Lougé-sur-Maire (Orne), est un diplomate belge.


Sommaire
1 Biographie
1.1 Rânes
1.2 Organisation Todt
1.3 Libération
1.4 Enlèvement
2 Références
3 Annexes
3.1 Bibliographie
Biographie
Rânes
Vice-consul de Belgique au Havre avant la Seconde Guerre mondiale, l'Anversois François Van Aerden et sa famille se réfugient dans l'Orne, à Rânes, sous l'Occupation.

Organisation Todt
Jacques Foccart fonde — en 1941 — avec une relation datant de son service militaire, Henri Tournet, une importante affaire d'exploitation de bois à La Forêterie, lieu-dit dans la partie nord-est de la commune de Rânes, du département de l'Orne. Pour la coupe de soixante hectares de bois, il fait travailler une équipe importante : le bois est en particulier destiné à la production du charbon de bois, carburant des véhicules à gazogène, indispensable pendant cette époque de restriction. L'entreprise travaille d'abord avec Citroën afin d'alimenter ses gazogènes, et étend son domaine forestier avec cent hectares supplémentaires, achetés à un minotier, puis avec l'achat d'une grande coupe de bois, vendue par le châtelain local en proie à des difficultés financières.

À l’automne 1942, Foccart commence, par l'entremise du collaborateur Georges Desprez, à travailler pour les Allemands : deux convois sont livrés chaque semaine — grâce à des intermédiaires — à l'Organisation Todt, avec laquelle il a établi des relations commerciales.

François Van Aerden, qui connaît les langues allemande et française, est engagé de force comme interprète de l'Organisation Todt pour le commerce de bois, et travaille au lieu-dit la Forêterie.

Libération
Au moment de la Libération, plusieurs obus tombent sur la maison où loge la famille Van Aerden, qui s'est relogé dans la maison d'Emilien Coupry. Depuis quelques semaines, les résistants lui « mènent la vie dure » : pendant et après la bataille de Rânes, on l'a chargé de creuser des tombes pour y ensevelir les nombreux morts. Le fils de Van Aerden, Claude, le pousse à quitter la région, mais il s'y refuse.

Enlèvement
Van Aerden est enlevé le 1er septembre 1944, et exécuté le matin même, criblé de balles dans la carrière de Villeneuve à Lougé-sur-Maire, à environ cinq kilomètres au nord de Rânes. Dans le contexte trouble de la Libération où l'État de droit n'est pas encore rétabli, la bande incriminée du village voisin de Joué-du-Plain prétexte, pour justifier cette exécution, une illusoire dénonciation de dépôt d'armes au lieu-dit la Noëve qui, après enquête, s'avère fallacieuse.

À l'époque, tout le bourg, gendarmes compris, connaît les auteurs de l'assassinat, lesquels s'en sont vantés. Cependant, chacun se tait, par peur de représailles.

Soixante-dix ans après, sa mort reste un mystère, malgré une enquête tardive de la police judiciaire de Rouen dont le commissaire Reclus conclut en 1953 que Jacques Foccart et son associé Henri Tournet sont les bénéficiaires de cette disparition, Van Aerden étant un témoin gênant du commerce illicite de l'entreprise forestière. D'autres témoins ont été séquestrés et intimidés à la Libération1, comme le coiffeur chez qui Foccart et Van Aerden passaient les appels téléphoniques à destination de l'Organisation Todt de Saint-Malo, dont dépendait le détachement de Rânes.
wiki
Hungarian troops crossed the Yugoslav border
Edited: 194104111053
Hungary occupied and annexed territories during World War II that it had lost to Yugoslavia in the Treaty of Trianon after World War I. On 11 April 1941, 80,000 Hungarian troops crossed the Yugoslav border to join the German-led Axis invasion. Despite only sporadic resistance, Hungarian troops killed many civilians during the invasion. The Hungarian authorities deported tens of thousands of Serbs from the territories, re-settling Hungarians from other parts of Hungary.
Resistance to the occupation began in the latter half of 1941, and in January 1942 the Hungarian military conducted retaliatory raids that killed over 3,300 people, mostly Serbs and Jews. In March 1944, when Hungary began to negotiate with the Allies, Germany invaded and took control of Hungary, including the annexed territories. The remaining Jews were collected and transported to extermination camps, where 85 per cent of those from the occupied territories died. The territories were restored to Yugoslav control as the Germans were pushed out of the region in late 1944 and 1945.
Marie Laurencin
Italienne (dans Illustration Noël 1939)
Edited: 193912251045


Marie Laurencin (Parijs, 31 oktober 1885 – 8 juni 1956) was een Frans schilderes en grafica.

Laurencin behoorde tot de avant-garde van de kring rond Pablo Picasso in Parijs aan het begin van de twintigste eeuw. Ze was destijds een van de weinige vrouwelijke kubistische schilders, waarbij ze zich onderscheidde door het gebruik van pasteltinten en rondere vormen. Ze had enige tijd een liefdesrelatie met de dichter Guillaume Apollinaire. (src=wiki)

DRIAN (1885-1961)
Femmes - l'Illustration 1936
Edited: 193612260908


Drian, de son vrai nom Adrien Désiré Étienne, est un illustrateur français.
Drian est né le 3 octobre 1885 à Bulgnéville, en Lorraine, où son père était brigadier de gendarmerie1. Il fait ses études à l'Académie Julian à Paris.
Il participe, au début du xxe siècle, entre autres à la Gazette du Bon Ton et à Le Journal des dames de Tom Antongini. Après la guerre, on retrouve ses illustrations de mode en France dans L'Illustration et Femina de Pierre Lafitte, mais également dans Harper's Bazar en 1921. Il illustre également des romans ou des contes, participe à la création de vitrines aux États-Unis, à la décoration du bureau de Molyneux, ou des fresques pour Elsie de Wolfe. Outre ses illustrations, il est également l'auteur de peintures à l'huile : il termine sa carrière comme portraitiste, Wallis Simpson fut l'un de ses modèles.
Il meurt en 1961; René Gruau dira de lui qu'« il est le plus grand3 ». (src: Wiki)
11 oktober 1936: Joseph Jacquemotte overleden. R.I.P.
Edited: 193610110101
Joseph Jacquemotte (Brussel, 22 april 1883 – aldaar, 11 oktober 1936) was een Belgisch politicus die na de Eerste Wereldoorlog voor een afscheuring zorgde in de BWP Op 29 mei 1921 tijdens het derde congres van de BWP besliste Jacquemotte en zijn vrienden van het tijdschrift L'Exploité uit de BWP te stappen en samen met War Van Overstraeten de Kommunistische Partij van België te stichten. Hij vond de toenmalige BWP-koers veel te reformistisch en vond aansluiting bij de Derde Internationale.

Joseph Jacquemotte, secretaris van de socialistische bediendenbond (de huidige BBTK), zit de nieuwe partij voor. Hij had zijn functie als vakbondssecretaris neergelegd in 1923 en werd in april 1925 verkozen tot volksvertegenwoordiger. Hij speelde een belangrijke rol in de grote stakingen van 1932. Hij bleef het werkvolk verdedigen tot hij eind 1936 overleed.
bron: wiki
wiki
2 augustus 1933: inhuldiging van het Belomorkanaal - verbindt de Witte Zee met de Baltische Zee
Edited: 193308021015

Inauguration 2 août 1933

Le canal de la mer Blanche (en russe : Беломо́рско-Балти́йский кана́л, Belomorsko-Baltiski kanal, en abrégé ББК, BBK) est un canal reliant la mer Blanche à la mer Baltique près de Saint-Pétersbourg.

Son nom d’origine était Belomorsko-Baltiski Kanal imeni Stalina (« le canal de la mer Blanche à la mer Baltique du nom de Staline ») et il était connu sous l’abréviation Belomorkanal. La réalisation de ce canal fut supervisée par le tchékiste Naftali Frenkel et réalisée par des prisonniers du Goulag, les zeks.

Anne Applebaum avance que 170 000 détenus y travaillèrent1 et qu'environ 25 000 y moururent, mais certains estiment qu'environ 30 000 personnes sur 300 000 zeks périrent au cours de sa construction. Dans L'Archipel du Goulag, Alexandre Soljenitsyne estime, quant à lui, que la construction du Belomorkanal a coûté la vie à 250 000 hommes.

Le Belomorkanal fut inauguré le 2 août 1933 lors d’une visite de Staline.
wiki
2 augustus 1933: inhuldiging van het Belomorkanaal - verbindt de Witte Zee met de Baltische Zee
Edited: 193308021015

Inauguration 2 août 1933

Le canal de la mer Blanche (en russe : Беломо́рско-Балти́йский кана́л, Belomorsko-Baltiski kanal, en abrégé ББК, BBK) est un canal reliant la mer Blanche à la mer Baltique près de Saint-Pétersbourg.

Son nom d’origine était Belomorsko-Baltiski Kanal imeni Stalina (« le canal de la mer Blanche à la mer Baltique du nom de Staline ») et il était connu sous l’abréviation Belomorkanal. La réalisation de ce canal fut supervisée par le tchékiste Naftali Frenkel et réalisée par des prisonniers du Goulag, les zeks.

Anne Applebaum avance que 170 000 détenus y travaillèrent1 et qu'environ 25 000 y moururent, mais certains estiment qu'environ 30 000 personnes sur 300 000 zeks périrent au cours de sa construction. Dans L'Archipel du Goulag, Alexandre Soljenitsyne estime, quant à lui, que la construction du Belomorkanal a coûté la vie à 250 000 hommes.

Le Belomorkanal fut inauguré le 2 août 1933 lors d’une visite de Staline.
wiki
15 december 1931: Gustave Le Bon overleden (1841-1931). R.I.P.
Edited: 193112158352
Gustave Le Bon
Gustave Le Bon (Nogent-le-Rotrou, 7 mei 1841 – Parijs, 15 december 1931) was een Frans socioloog en psycholoog. Hij studeerde voor arts en oefende dat beroep ook vele jaren uit, en publiceerde daarnaast boeken en artikelen.

Zijn beroemdheid had hij te danken aan zijn in 1895 gepubliceerde werk La Psychologie des foules (De psychologie der massa's). Le Bon vertolkte hierin de opvatting, dat de individuele persoon, ook als hij lid is van een cultureel hoog ontwikkelde samenleving, in de massa zijn kritische vermogens verliest en zich dan affectief, en vaak ook primitief-barbaars, gedraagt. Een dergelijke massa kan al ontstaan bij een handjevol mensen. In massaal verband treedt de mens eerder op conform de intelligentie van de mínst intelligenten in de groep. In de massasituatie is de individuele persoon lichtgeloviger en ook vatbaar voor propaganda en massapsychoses. Dat heeft tot gevolg dat de massa vaak blind achter een leider aanloopt. Dit verschijnsel zou ook een verklaring zijn voor de populariteit van populistische partijen en demagogen en voor het optreden van volksgerichten en lynchpartijen.

Le Bon zag drie mechanismes die dit collectieve gedrag of deze groepsgeest bewerkstelligden:

anonimiteit, hierdoor voelt men zich minder verantwoordelijk voor het gedrag;
besmetting, emoties verspreiden zich door de massa als besmettelijke ziekte;
suggestibiliteit, in een massa accepteert men suggestie eerder als waar zijnde. Zo is de massa gemakkelijker te leiden door haar een vijandsbeeld voor te houden, dan door een logische gedachte uiteen te zetten.
De theorieën van Le Bon hebben veel invloed gehad op politici als Hitler en Mussolini.
(wiki, 20190512)

Gustave Le Bon, né le 7 mai 1841 à Nogent-le-Rotrou et mort le 14 décembre 19311 à Marnes-la-Coquette, est un médecin, anthropologue, psychologue social et sociologue français.

Polygraphe, il est l'auteur de nombreux ouvrages dans lesquels il aborde le désordre comportemental et la psychologie des foules, dans son oeuvre principale Psychologie des foules parue en 1895.

Le Bon reste une personnalité controversée. Il véhicule une image pseudo-raciste, qui renvoie à « l’idéologie coloniale de son époque2 », liée à des tendances anticléricales, et compte au nombre des anti-colonisateurs.


Sommaire
1 Biographie
2 Psychologie sociale
2.1 Influence
3 Etude des phénomènes révolutionnaires
4 Etude des civilisations
5 La Première Guerre mondiale
6 Redécouverte à l'époque moderne
7 Œuvres
7.1 Ouvrages médicaux
7.2 Voyages, histoire et psychologie
7.3 Recherches scientifiques
8 Articles scientifiques
9 Bibliographie
10 Notes et références
10.1 Notes
10.2 Références
11 Voir aussi
11.1 Liens externes
11.2 Articles connexes
Biographie

Gustave Le Bon en 1929.
Né en 1841 à Nogent-le-Rotrou, Eure-et-Loir, où son père, Jean Marie Charles Le Bon, est conservateur des hypothèques, Gustave Le Bon fait ses études au lycée de Tours. Il entre ensuite à la faculté de médecine de Paris, mais en sort sans avoir obtenu son diplôme3.

Il parcourt l’Europe, l'Asie et l'Afrique du Nord entre les années 1860 et 18804. Il écrit des récits de voyage, des ouvrages d’archéologie et d’anthropologie sur les civilisations de l’Orient4 et participe au comité d'organisation des expositions universelles.

En 1879, il fait une entrée remarquée au sein de la Société d'anthropologie de Paris qui lui décerne l’année suivante le prix Godard pour son mémoire « Recherches anatomiques et mathématiques sur les lois de variation du volume du cerveau et sur leur relation avec l’intelligence »5. En 1888, il démissionne et rompt tout contact avec cette société peu ouverte à ses approches psycho-sociologiques novatrices ; pour lui, « il n'y a pas de races pures dans les pays civilisés »6 et il entend le terme de « race », à l'instar de Taine ou Renan, comme un synonyme de « peuple », c'est-à-dire « un agrégat d'hommes appartenant au même milieu et partageant la même culture (langue, tradition, religion, histoire, coutumes vestimentaires, alimentaires, etc.) ».

« Les classifications uniquement fondées sur la couleur de la peau ou sur la couleur des cheveux n'ont guère plus de valeur que celles qui consisteraient à classer les chiens d'après la couleur ou la forme des poils, divisant, par exemple, ces derniers en chiens noirs, chiens blancs, chiens rouges, chiens frisés, etc.6 »

Au chapitre de la colonisation, Le Bon partage avec l’anthropologue Armand de Quatrefages une position hétérodoxe : le rôle de la puissance colonisatrice devait se borner à maintenir la paix et la stabilité, à prélever un tribut, à nouer ou à développer des relations commerciales, mais en aucun cas ne doit s’arroger le droit d’imposer sa civilisation à des populations réticentes7.

Son premier grand succès de librairie en sciences sociales est la publication en 1894 des Lois psychologiques de l'évolution des peuples, ouvrage qui se réfère aux lois de l'évolution darwinienne en les étendant de la physiologie à la psycho-sociologie.


Tombe au cimetière du Père-Lachaise.
L'année suivante, il écrit Psychologie des foules8, pour lequel il est félicité par Mussolini9.

Le Bon participe par la suite activement à la vie intellectuelle française. En 1902, il crée la Bibliothèque de philosophie scientifique chez Flammarion, qui est un vrai succès d'édition, avec plus de 220 titres publiés et plus de deux millions de livres vendus2 à la mort de Le Bon en 1931. À partir de 1902 il organise une série de « déjeuners du mercredin 1 » auxquels sont conviées des personnalités telles que Henri10 et Raymond Poincaré10, Paul Valéry, Émile Picard, Camille Saint-Saëns, Marie Bonaparte, Aristide Briand, Henri Bergson, etc. Il convie également à ces déjeuners la comtesse Greffulhe, icône de la Belle-Époque et inspiratrice de Proust pour À la recherche du temps perdu, avec qui il entretient une correspondance aussi abondante que familière11.

Il est inhumé au cimetière du Père-Lachaise (89e division).

Psychologie sociale
Gustave le Bon a étudié l'influence du déterminisme social et sociologique pour expliquer des comportements sociaux humains.

Dès ses premiers ouvrages, notamment La Vie, physiologie humaine appliquée à l'hygiène et à la médecine et L'Homme et les sociétés, leurs origines et leur histoire, Gustave le Bon recherche les causes des actions des hommes. Il détermine plusieurs causes: les causes biologiques, les causes émotionnelles, les causes rationnelles, les causes collectives et les causes mystiques. Cette analyse de la psychologie humaine va lui permettre d’interpréter des événements historiques et des faits divers restés jusque-là irrationnels et incompréhensibles.

D’une part, à une époque où la méthode devient importante, son « amateurisme » gêne ses contemporains tels que Emile Durkheim2, sans réelle incidence sur son début de carrière.

En 1895, il publie son oeuvre principale, Psychologie des foules, en s'inspirant des théories de la suggestion et l'imitation de Gabriel Tarde. En comparaison, sa théorie des comportements collectifs est plus ambivalente : selon Gustave Le Bon, les foules peuvent être manipulées et ont une capacité destructrice. Dans un même temps, elles sont aussi un moyen pour mener des changements politiques et sociaux12.

A partir de grands événements historiques, il décrit l'action des hommes par le seul fait qu'ils sont en groupe. Les principes qu'il expose dans cet ouvrage formeront les bases d'une nouvelle discipline scientifique : la psychologie sociale. Dans cet ouvrage, il expose une idée fondamentale : les foules sont composées d'asociaux et sont potentiellement « criminelles » comme le pensait Tarde, mais aussi capables d'amour, de sacrifice, d'héroïsme.

Influence
En 2010, Psychologie des foules est choisi par Le Monde et Flammarion comme l'un des « 20 livres qui ont changé le monde »13.

Les idées contenues dans Psychologie des foules jouèrent un rôle important au début du xxe siècle. Si les praticiens du totalitarisme, Mussolini, Hitler, Staline et Mao, passent pour s'être inspirés (ou plus exactement, avoir détourné les principes) de Gustave Le Bon14, beaucoup de républicains – Roosevelt, Clemenceau, Poincaré, Churchill, de Gaulle, etc. – s'en sont également inspirés.


Le visage de Theodore Roosevelt, vingt-sixième président des États-Unis de 1901 à 1909, a été sculpté au Mount Rushmore : deuxième visage en partant de la droite, entre Thomas Jefferson et Abraham Lincoln
« Je n'eus l’occasion de le rencontrer que deux mois avant la guerre, à un déjeuner qui lui était offert par mon éminent ami, Hanotaux, ancien ministre des Affaires étrangères. M. Roosevelt avait désigné lui-même les convives qu'il désirait voir à ses côtés. […] Après avoir parlé du rôle des idées dans l'orientation des grands conducteurs de peuples, Roosevelt, fixant sur moi son pénétrant regard, me dit d'une voix grave : — Il est un petit livre qui ne m'a jamais quitté dans tous mes voyages et qui resta toujours sur ma table pendant ma présidence. Ce livre est votre volume : Lois psychologiques de l'évolution des peuples. »

— Gustave Le Bon, Le Déséquilibre du Monde, page 226, Flammarion

Charles de Gaulle emprunte dans son livre à la gloire de « l'homme de caractère » (Le Fil de l'épée) l'essentiel des thèses de Le Bon, tendant notamment à considérer la suggestion comme le fait élémentaire et irréductible expliquant tous les mystères de la domination. Comme le père de la psychologie des foules, il entend profiter de la crise que l'autorité est réputée traverser pour en saisir l'essence. Cette crise correspond à une évolution par laquelle le principe d'autorité s'adapte à la modernité. Le diagnostic des deux auteurs est le même : l'autorité traditionnelle, attachée à la fonction, est en passe d'être remplacée par la suggestion pure, qui permettra aux chefs de se faire obéir des masses par la seule force de leur personnalité, de plus en plus indépendamment des cadres établis. « Pour de Gaulle comme pour Le Bon, la magie du social tient en un mot : le prestige. » Jean-Baptiste Decherf, De Gaulle et le jeu divin du héros. Une théorie de l'action15.

Dans sa préface, Mathieu Kojascha écarte l’idée que l’ouvrage ait pu faire le lit du fascisme et conclut : « Contribution définitive à la psychologie collective, à la compréhension du phénomène mystérieux qu’est la foule, Psychologie des foules de Gustave Le Bon doit aussi son immense succès au fait que ce personnage étonnant, intrigant, a su exprimer l’inquiétude de ses contemporains, leur perplexité devant certains aspects de la modernité. Perçu comme un texte fondateur de la psychologie sociale, ce livre est donc un formidable document d’histoire. » Ses découvertes lui permirent par ailleurs d'avertir dans un article intitulé De l’évolution de l’Europe vers diverses formes de dictature dès 1924 du fait que la montée du fascisme en Italie n'était pas un phénomène isolé mais risquait au contraire de s’étendre, par le même mécanisme d’un meneur de foules prenant, à la faveur d’événements violents, les rênes du pouvoir et les confisquant ensuite à son seul profit. Sur ce sujet, on se reportera aux ouvrages de Moscovici, Rouvier, Decherf et Korpa.

De fait, Le Bon n’a fait qu’analyser des phénomènes de croyance et de mobilisation collective qui peuvent servir à une rhétorique de conviction démocratique comme à une propagande totalitaire, mettant particulièrement en garde contre les risques de manipulation de l’opinion. Il est connu pour avoir été le premier penseur à avoir pointé du doigt le danger de la mystique de la supériorité de la race aryenne et condamné par avance la montée du nazisme : « L’Allemand moderne est plus dangereux encore par ses idées que par ses canons », écrit-il en 1918 dans Hier et demain. « Le dernier des Teutons reste convaincu de la supériorité de sa race et du devoir, qu’en raison de cette supériorité, il a d’imposer sa domination au monde. Cette conception donne évidemment à un peuple une grande force. Il faudra peut-être une nouvelle série de croisades pour la détruire. »

Ses travaux sur la psychologie des foules furent utilisés dans la première moitié du xxe siècle par des chercheurs en sociologie des médias tels que Hadly Cantril ou Herbert Blumer pour décrire les réactions des groupes face aux médias.

Sigmund Freud, malgré quelques réserves16, indiqua que « par l’accent qu’elle met sur le rôle inconscient de la vie psychique, la psychologie de M. Le Bon se rapproche considérablement de la nôtre »17 Dans son ouvrage Psychologie collective et analyse du moi, paru en 1921, Freud s’appuie sur une lecture critique de Psychologie des foules, il y mentionne les travaux de Le Bon notamment sur « les modifications du Moi lorsqu’il est au sein d’un groupe agissant », et écrit « je laisse donc la parole à M. Le Bon18. »

Dans une étude publiée par le journal anglais The Naval and military Gazette le 8 mai 1909, l'auteur s'exprime ainsi :

« On n'a jamais donné une meilleure définition de l'éducation que celle due à Gustave Le Bon : l'éducation est l'art de faire passer le conscient dans l'inconscient. Les chefs de l'état-major général anglais ont accepté ce principe comme la base fondamentale de l'établissement d'une unité de doctrine et d'action dans l'éducation militaire, dont nous avions si besoin. »

L'auteur de cette étude montre l'application des principes de Gustave le Bon dans les nouvelles instructions de l'état-major anglais : l'instinct et non la raison fait agir sur le champ de bataille, d'où la nécessité de transformer le rationnel en instinctif par une éducation spéciale. De l’inconscient surgissent les décisions rapides. « L'habileté et l'unité de doctrine doivent, par une éducation appropriée, être rendues instinctives ».

Etude des phénomènes révolutionnaires
Gustave Le Bon fournit les analyses psychologiques suivantes :

«

La première phase d'une révolution est consacrée à combattre les nécessités économiques et sociales qui régissent la vie des peuples. L'expérience prouvant bientôt que ces nécessités dominent les volontés, l'ancienne organisation reparaît sous des noms nouveaux. Ainsi se terminera nécessairement la révolution russe.
Les révolutions ne durent jamais longtemps parce qu'elles se heurtent bientôt au mur des nécessités économiques et sociales qui dominent le monde. Percevant alors l'impuissance des théoriciens, la foule se détourne d'eux. Avant d'arriver à cette dernière phase, bien des ruines sont accumulées. La Russie en fait aujourd'hui l'expérience.
D'après tous les enseignements de l'histoire des révolutions, l’extrémisme en politique a comme terminaison nécessaire soit la destruction de la civilisation, soit l'anarchie et la dictature.
Ce n'est pas d'une révolution, mais d'une transformation profonde des idées que résultent les réformes durables.
»

— Les Incertitudes de l'heure présente, 1923

Concernant la Révolution française :

« …Les blessures d’amour-propre sont celles dont le souvenir s’efface le moins. Le Tiers-État en avait supporté beaucoup. À une réunion des États Généraux de 1614 où ses représentants s’étaient vus obligés de rester à genoux tête nue, un membre du Tiers ayant osé dire que les ordres étaient comme trois frères, l’orateur de la noblesse répondit : « qu’il n’y avait aucune fraternité entre elle et le Tiers, que les nobles ne voulaient pas que les enfants de cordonniers et de savetiers les appelassent leurs frères ». »

— Révolution Française et la Psychologie des Révolutions

« La soif d'inégalité semble un besoin irréductible de la nature humaine. On sait avec quelle ardeur les Conventionnels échappés à la guillotine sollicitaient de Napoléon des titres nobiliaires. Le rêve égalitaire qui les avait conduits à tant de massacres n'était donc en réalité qu'un violent désir d'inégalité à leur profit. L'histoire n'a pas encore cité, d'ailleurs, de pays où régnât l'égalité. »

— Les Incertitudes de l'heure présente

Etude des civilisations
Le Bon ne soutient pas la théorie d’une hiérarchisation des civilisations, mais admet des différences au niveau des stades de développement, et soutient la théorie du biologiste darwinien allemand Ernst Haeckel (1834-1919)2. Il consacre un gros volume illustré à la Civilisation des Arabesn 2, et il envisageait l’éveil à venir d'une Afrique encore sous-développée au début du xxe siècle. Après une mission aux Indes, il publie, en 1887, un autre ouvrage majeur, Les Civilisations de l’Inde2. Il se différencie en cela fortement d'Arthur de Gobineau et dénonce à plusieurs reprises dans ses œuvres le « mythe de la race aryenne », mettant en garde contre les visées suprémacistes du national-socialisme dès 1924.
La Première Guerre mondiale
Gustave Le Bon a prédit que la Première Guerre mondiale serait meurtrière car il s’agirait de guerre de conscrits et non plus de professionnels. Ainsi dans Psychologie du socialisme (1898), il écrivait que « les prochaines luttes entre nations seront de véritables luttes pour l'existence ne pouvant se terminer que par l'écrasement complet de l'un des combattants. » Ses idées sur la psychologie ont influencé l'École de guerre, chargée de préparer les officiers. Le Bon a aussi analysé le conflit dans des livres comme Premières conséquences de la guerre (1917).

Voici ce qu'écrit Gustave Le Bon au lendemain de Première guerre mondiale:

« Les peuples ne se résignent pas à la défaite quand ils se croient supérieurs à leurs vainqueurs. Une tentative de revanche germanique peut donc être considérée comme un des plus sûr événements de la future Histoire. »

— Les Incertitudes de l'heure présente, 1923

Redécouverte à l'époque moderne
 Cette section a besoin d'être recyclée (mai 2010).
Une réorganisation et une clarification du contenu sont nécessaires. Améliorez-le ou discutez des points à améliorer.
Il a été redécouvert en France grâce à Serge Moscovici lors du cinquantenaire de la mort du sociologue en 1981 avec L'Âge des foules qui traite des précurseurs de la psychologie sociale, à savoir Gustave Le Bon, Gabriel Tarde et Sigmund Freud. Pour Moscovici, Le Bon (en qui il voit le « Machiavel des sociétés de masse ») est celui qui, le premier, a saisi l'importance du rôle (potentiellement destructeur) des masses dans le processus historique et en a esquissé la typologie.

En 1977, Catherine Rouvier, après son mémoire soutenu en 1976 avec Roger-Gérard Schwartzenberg à l'université de Paris 2 Panthéon Assas sur « la personnalisation du pouvoir en France de 1875 à 1958 » faisait porter ses recherches en histoire sur la psychologie politique sur Le Bon et montrait que ce dernier était en réalité mal compris car victime d'une confusion courante entre masses et foules.

En effet, l'apport de Le Bon à la psychologie sociale ne concerne nullement les masses — concept très général peu susceptible d'une approche expérimentale. Son véritable sujet d'étude est la foule, définie comme une réunion momentanée d'individus soumis à une émotion forte à la suite d'un événement et/ou d'un discours ou d'une image provoquant la peur, la haine, ou, au contraire, l'enthousiasme et l'amour. Ces découvertes de le Bon s'inscrivent en effet clairement dans le débat qui agite les historiens du xixe siècle sur les causes de la violence et du caractère subit des révolutions, celle de 1789, bien sûr, mais aussi celles de 1830, 1848 et 1870. Cela est donc bien distinct de ce qui sera développé plus tard par Wilhelm Reich, par exemple sur « la psychologie de masses du fascisme ».


Gustave Le Bon par Jean Geiser vers 1880 à Alger
L'état de suggestibilité de la foule est très précisément décrit par ce médecin passionné par les expériences en tout genre, de Charcot sur la guérison de l'hystérie par l'hypnose à la Salpetrière ainsi que par la technique (au départ fondée sur l'hypnose) de la guérison des névroses par Sigmund Freud, avec lequel il correspondit grâce à leur amie commune Marie Bonaparte.

Le concept de horde chez Freud est, du reste, à rapprocher — mais non à confondre — avec celui de foule chez Le Bon. Dans les deux cas, est décrit le phénomène du meneur, qui est celui qui va répondre à l'expectative du groupe, foule ou horde. Mais tandis que la horde est un groupe soumis en permanence aux directives de son chef, la foule n'est éminemment suggestible et donc vulnérable à tout mot d'ordre exprimé avec force que pendant le temps que dure l'excitation due à l'évènement — ou à la mise en scène fictive d'un évènement.

L'intérêt majeur de cette théorie, dite de la « psychologie des foules », est précisément d'introduire, dès la fin du xixe siècle, dans la réflexion politique le concept de plus en plus utilisé en ce début de xxie siècle de quotient émotionnel.

Comme beaucoup de savants provenant des sciences de la nature, il a émis sans précautions oratoires des idées sur la psychologie collective qui parurent choquantes :

la tendance des groupes à la soumission à l'autorité se trouve démultipliée dès lors que des événements sont théâtralisés, orchestrés et utilisés par des leaders pour pousser à l'action un groupe, qui, alors, devient « foule ».
Ce groupe peut être les participants à une assemblée générale, à une manifestation, mais aussi à un jury d'Assises ou à toute autre forme institutionnelle de réunion.
Voilà qui ne pouvait que déplaire à des sociologues qui, comme le notera plus tard Pierre Bourdieu, ont tendance à légitimer parfois au-delà du raisonnable leur objet d'études : la classe politique — qui, pourtant, était confrontée à cette époque au spectacle délétère de débats à l'Assemblée nationale, où, parfois, on criait « À mort ! » (contre Ferry dans l'affaire du Tonkin, par exemple).

Les idées de Le Bon se sont trouvées largement vérifiées, ainsi la tendance des masses à se plier à la servitude volontaire. « Le fait que le régime totalitaire, écrit Hannah Arendt à ce sujet, malgré l’évidence de ses crimes, s’est appuyé sur les masses, est profondément troublant. » (Les origines du totalitarisme, Éditions du Seuil, 1950).

Le Bon peut aussi être considéré comme le précurseur de la notion de « public », aujourd'hui utilisée en sociologie des médias. En effet, une « foule », au sens psycho-sociologique du terme, peut ne pas être réunie physiquement (ainsi les téléspectateurs ou les internautes) ; ses membres forment, à un moment donné, une communauté qui participe à une même activité et partage les mêmes émotions. Mort en 1931, il a pourtant pu mesurer l'impact futur que seraient appelés à avoir les mass-media : « Avec les moyens actuels de publicité, consignait-il en 1924, une opinion ou une doctrine peut être lancée comme un produit pharmaceutique quelconque. »

Œuvres
Bibliographie établie d'après celle présente dans la réédition de 1984 de Psychologie du socialisme [archive] par Les Amis de Gustave Le Bon (cf. pages 415 [archive]-416 [archive]).
Ouvrages médicaux
La mort apparente et inhumations prématurées (1866) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Traité pratique des maladies des organes génitaux-urinaires (1869)
La vie (Traité de physiologie humaine) (1874) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Voyages, histoire et psychologie
Voyage aux Monts-Tatras (1881)
L'Homme et les sociétés - Leurs origines et leur histoire (1881). Réédition : Jean-Michel Place, 1988 (ISBN 2-85893-099-6)
La Civilisation des Arabes (1884). Réédition : Éditions de la Fontaine au Roy, Collection "Images et Traditions", 1990 (ISBN 2-84132-005-7)
Voyage au Népal (1886)
Histoire des Civilisations de l'Inde (1886, edit. Firmin-Didot)
Les Premières Civilisations de l'Orient (1889) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Les Civilisations de l'Inde (1893)
Les Monuments de l'Inde (1893)
Les lois psychologiques de l'évolution des peuples, Paris, Félix Alcan, coll. «Bibliothèque de philosophie contemporaine» (1894)
Psychologie des Foules (1895). Réédition : Paris, Presses universitaires de France, Collection Quadrige, 1988 (ISBN 2-13054-297-2) Lire en ligne sur Gallica [archive]
Psychologie du socialisme, Paris, Félix Alcan, coll. «Bibliothèque de philosophie contemporaine» (1898). Réédition : Deterna, Collection "Politiquement incorrect", 2008 (ISBN 2-91304-479-4)
Psychologie de l'éducation (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1902). Réédition : Deterna, Collection "Politiquement incorrect", 2009, préface par Pierre Chaunu (ISBN 2-91304-493-X)
La Psychologie politique et la défense sociale (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1910). Réédition : Deterna, Collection "Politiquement incorrect", 2009 (ISBN 2-91304-492-1) Lire en ligne [archive], lire en ligne sur Gallica [archive]
Les Opinions et les croyances (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1911)
La Révolution française et la psychologie des révolutions (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1912). Réédition : Deterna, Collection "Politiquement incorrect", 2008 (ISBN 2-91304-480-8)
Aphorismes du temps présent (1913)
La Vie des vérités (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1914). Réédition : Deterna, Collection "Politiquement incorrect", 2008 (ISBN 2-91304-494-8)
Enseignements psychologiques de la guerre européenne (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1915). Réédité sous le titre Psychologie de la Guerre, Paris, Éditions du Trident, 2006
Premières conséquences de la guerre: transformation mentale des peuples (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1916)
Hier et demain. Pensées brèves (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1918) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Psychologie des temps nouveaux (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1920)
Le Déséquilibre du monde (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1923)
Les Incertitudes de l'heure présente (1924)
L'évolution actuelle du monde, illusions et réalités (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1927)
Bases scientifiques d'une philosophie de l'histoire (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1931) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Recherches scientifiques
La Méthode graphique et les appareils enregistreurs (1878)
Recherches anatomiques et mathématiques sur les variations de volume du cerveau et sur leurs relations avec l'intelligence (1879)
La Fumée du tabac (1880) Lire en ligne sur Gallica [archive].
Les Levers photographiques (1888) Lire en ligne sur Gallica [archive].
L'Équitation actuelle et ses principes. Recherches expérimentales (1892) Lire en ligne sur Gallica [archive].
L'évolution de la matière (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1905) Lire en ligne sur Gallica [archive]. Lire en ligne sur la BNAM [archive]
La naissance et l'évanouissement de la matière (1907) Lire en ligne sur Gallica [archive]. Lire en ligne sur la BNAM [archive]
L'évolution des forces (Flammarion - Bibliothèque de philosophie scientifique - 1907) Lire en ligne [archive]. Lire en ligne sur la BNAM [archive]
Articles scientifiques
« Sur l'utilisation des forces naturelles et leur transport », Revue Scientifique, 20 août 1881
« Les Forces de l'avenir », Revue Scientifique, 8 octobre 1881
« L'Électricité et les forces de l'avenir », Revue Scientifique, 5 novembre 1881
« L'Anthropologie actuelle et l'étude des races », Revue Scientifique, 17 décembre 1881
« Sur la formation actuelle d'une race dans les monts Tatras », Revue Scientifique, 18 mars 1882
« La Civilisation des arabes et l’étude scientifique de l’histoire », Revue Scientifique, 1er décembre 1883
« L'Inde moderne. Comment on fonde une colonie, comment on la garde et comment on la perd », Revue Scientifique, 20 novembre 1886
« Influence de l’éducation et des institutions européennes sur les populations indigènes des colonies », Revue Scientifique, 24 août 1889
« La Psychologie des femmes et les effets de leur éducation actuelle », Revue Scientifique, 11 octobre 1890
« Les Recherches récentes sur la noix de Kola », Revue Scientifique, 22 octobre 1893
« La Psychologie des foules », Revue Scientifique, 6 & 20 avril 1895
« La Luminescence invisible », Revue Scientifique, 28 janvier 1899
« De la transparence des corps opaques pour des radiations lumineuses de grande longueur d’onde », Revue Scientifique, 11 février 1899
« Le Rayonnement électrique et la transparence des corps pour les ondes hertziennes », Revue Scientifique, 29 avril 1899
« L’Uranium, le radium et les émissions métalliques », Revue Scientifique, 5 mai 1900
« Les Formes diverses de la phosphorescence », Revue Scientifique, 8 & 15 septembre 1900
« La Variabilité des espèces chimiques », Revue Scientifique, 22 décembre 1900
« La Matérialisation de l'énergie », Revue Scientifique, 15 octobre 1904
« La Dématérialisation de la matière », Revue Scientifique, 12 et 19 novembre 1904
« Le Monde intermédiaire entre la matière et l'éther », Revue Scientifique, 10 et 17 décembre 1904
« La Dématérialisation de la matière comme origine de la chaleur solaire et de l’électricité », La Nature, no 1699 - 16 décembre 1905
« L'Édification scientifique de la connaissance », Revue Scientifique, 1er & 8 février 1908
« Le Rôle de la vitesse dans les phénomènes », La Nature, no 1855 - 12 décembre 1908
« La Renaissance de la magie », Revue Scientifique, 26 mars & 2 avril 1910
« Le Spiritisme et la science », La Nature, no 1962 - 31 décembre 1910
« Programme d’expériences permettant de résoudre d’une façon définitive le problème de la baguette divinatoire », La Nature, no 2085, 10 mai 1913
« Transformations apparentes des peintures en sculpture », La Nature, no 2847, 15 décembre 1930
Bibliographie
Raymond Queneau, Gustave Le Bon, Sixtus Éditions, Limoges, 1990, "Petite Bibliothèque Quenienne" n°4 (texte définitif établi par Mary-Lise Billot, Marc Bruimaud & Marcel Troulay).
Elias Canetti, Masse et Puissance (1960)
Serge Moscovici, L'Âge des foules, Fayard, coll. « LITT.GENE. », 2005 (ISBN 978-2213628073)
Catherine Rouvier,
Les idées politiques de Gustave le Bon ou la mesure de l'irrationnel en politique. PUF 1986, préface d'Edgar Faure.
Gustave Le Bon, clés et enjeux de la psychologie des foules, Editions Terra Mare, Coll. Les Classiques, 2012
Benoît Marpeau, Gustave Le Bon : Parcours d'un intellectuel, CNRS Éditions, 2000.
Vincent Rubio, « La Psychologie des foules de Gustave Le Bon. Un savoir d'arrière-plan », Sociétés, Revue des sciences humaines et sociales, 2008/2, no 100.
Vincent Rubio, « Le regard sociologique sur la foule à la fin du xixe siècle », Mil Neuf Cent. Revue d’Histoire intellectuelle, no 28, p. 13-33.
Korpa, Gustave Le Bon hier et aujourd'hui, Éditions France-Empire, 2011 (préface de Claude Imbert) (ISBN 9782704810871)
Catherine Rouvier et Paul-Marie Coûteaux, Gustave Le Bon, clés et enjeux de la psychologie des foules, édition revue et augmentée, Terra Mare, coll. « LES CLASSIQUES », 2012 (ISBN 978-2918677178)
Psychologie Du Socialisme (1905), Kessinger Publishing, 2010 (ISBN 978-1167699030)
Psychologie des foules, 9e édition, Presses Universitaires de France, coll. « Quadrige », 2013 (ISBN 978-2130620624)
Psychologie politique et défense sociale, UltraLetters, 2013 (ISBN 978-2930718460)
Psychologie de l'éducation, UltraLetters, 2013 (ISBN 978-2930718477)
GERVEX Henri
Peintre
Edited: 192906071265
Henri Gervex (Paris 10 December 1852 – 7 June 1929) was a French painter who studied painting under Alexandre Cabanel, Pierre-Nicolas Brisset and Eugène Fromentin.

Rolla

Au printemps 1878, un mois avant l'inauguration du Salon, Rolla est brutalement exclu de la manifestation par l'administration des Beaux-Arts. Henri Gervex, est pourtant un peintre reconnu. Agé de 26 ans seulement, il a déjà été médaillé au Salon, ce qui le rend en théorie "hors concours", dispensé des délibérations du jury chargé de choisir les oeuvres exposées. Cette fois les autorités en décident autrement, en raison du caractère jugé "immoral" de la scène.

Gervex s'inspire d'un long poème d'Afred de Musset (1810-1857), paru en 1833. Le texte retrace le destin d'un jeune bourgeois, Jacques Rolla, sombrant dans une vie d'oisiveté et de débauche. Il rencontre Marie, adolescente qui se prostitue pour fuir la misère. On voit ici Rolla, ruiné, se tenant à coté de la fenêtre, les yeux tournés vers la jeune fille endormie. Il va bientôt mettre fin à ses jour en avalant du poison.
Si la scène est jugée indécente, ce n'est pas en raison de la nudité de Marie, qui ne diffère en rien des autres nus canoniques de l'époque. L'attention des contemporains se porte en réalité sur la nature morte constituée d'un jupon, d'une jarretière, d'un corset dégrafé à la hâte, surmonté par un chapeau haut-de-forme. C'est Degas qui aurait conseillé à Gervex de mettre "un corset par terre" pour que l'on comprenne que cette femme "n'est pas un modèle". En effet, cette disposition, la nature des vêtements, dessinent clairement le consentement de Marie et son statut de prostituée. De plus, la canne jaillissant des sous-vêtements agit comme une métaphore de l'acte sexuel.

Après son exclusion du Salon, Rolla est exposé trois mois chez un marchand de tableaux parisien. Le scandale, dont la presse se fait largement l'écho, attire les foules. Bien des années plus tard, dans des entretiens parus en 1924, Gervex raconte le plaisir qu'il eu à voir le "défilé ininterrompu de visites", sans que l'on sache si il avait anticipé la réaction des autorités et provoqué volontairement la polémique.

Rolla poème complèt

Sacco en Vanzetti op de elektrische stoel ter dood gebracht na schijnproces - song by Joan Baez, music Ennio Morricone
Edited: 192708230905
sacco en vanzetti



(Lyrics by Joan Baez, Music by Ennio Morricone)
Father, yes, I am a prisoner
Fear not to relay my crime
The crime is loving the forsaken
Only silence is shame
And now I'll tell you what's against us
An art that's lived for centuries
Go through the years and you will find
What's blackened all of history
Against us is the law
With its immensity of strength and power
Against us is the law!
Police know how to make a man
A guilty or an innocent
Against us is the power of police!
The shameless lies that men have told
Will ever more be paid in gold
Against us is the power of the gold!
Against us is racial hatred
And the simple fact that we are poor
My father dear, I am a prisoner
Don't be ashamed to tell my crime
The crime of love and brotherhood
And only silence is shame
With me I have my love, my innocence,
The workers, and the poor
For all of this I'm safe and strong
And hope is mine
Rebellion, revolution don't need dollars
They need this instead
Imagination, suffering, light and love
And care for every human being
You never steal, you never kill
You are a part of hope and life
The revolution goes from man to man
And heart to heart
And I sense when I look at the stars
That we are children of life
The workers, and the poor
For all of this I'm safe and strong
And hope is mine
Rebellion, revolution don't need dollars
They need this instead
Imagination, suffering, light and love
And care for every human being
You never steal, you never kill
You are a part of hope and life
The revolution goes from man to man
And heart to heart
And I sense when I look at the stars
That we are children of life
Death is small
Wikipedia
Treaty of Jeddah (19270520)
Edited: 192705200901
The 1927 Treaty of Jeddah superseded the Treaty of Darin (1915) and was signed on May 20, 1927, between King Abdul Aziz and the United Kingdom, recognized the sovereignty of King Abdul Aziz over what was then known as the Kingdom of Hejaz and Nejd; these regions were unified into the Kingdom of Saudi Arabia in 1932. In return, King Abdul Aziz would hold back his forces from attacking and harassing neighboring British Protectorates.
Serebriakova (1884-1967)
Jeune fille couché (date: avant 1928)
Edited: 192700000201

Zinaïda Evguenievna Serebriakova (en russe : Зинаи́да Евге́ньевна Серебряко́ва), née Lanceray le 12 décembre 1884 à Neskoutchnoïe et morte le 19 septembre 1967 à Paris, est une artiste peintre russe. Son nom de jeune fille, d'origine française Lanceray, se transcrit parfois directement du russe en Lansere (Лансере).

Elle signait habituellement ses toiles : Z. Serebriakova en caractères latins ou cyrilliques. Elle se faisait aussi appeler à l'ancienne manière française de transcription des noms russes (usitée jusque dans les années 1960) Serebriakoff avec deux f1. Ses intimes l'appelaient affectueusement Zika ou Zina2. Elle fut la première femme russe à être reconnue comme peintre important.

Elle est enterrée au cimetière russe de Sainte-Geneviève-des-Bois, à côté de Paris.
Zinaïda Serebriakova naquit dans la propriété familiale de Neskoutchnoïe (littéralement Sans-Souci), près de Kharkov, aujourd'hui en Ukraine. Les Lanceray, d'ancienne famille d'origine française, étaient alliés aux Benois, célèbre dynastie d'artistes russes émigrée de France au xviiie siècle. Son grand-père maternel était l'architecte Nicolas Benois, son oncle le peintre Alexandre Benois, fondateur du Mir Iskousstva. Sa mère, née Benois, dessinait avec adresse et son père Eugène était sculpteur. Ses frères étaient aussi doués : Eugène Lanceray fut un sculpteur, peintre et graphiste de talent et Nikolaï Lanceray un architecte reconnu.

Après être sortie du lycée féminin en 1900, elle entra à l'école d'art fondée par la princesse Maria Tenicheva, dont la propriété à Talachkino était un rendez-vous d'artistes, et fut l'élève de Répine.

Elle voyagea en 1902-1903 en Italie et s'établit à Paris en 1905-1906, où elle étudia à l'Académie de la Grande Chaumière, elle venait alors d'épouser son cousin germain, Boris Anatolievitch Sérébriakov, futur ingénieur des chemins de fer de l'Empire russe. Leur fils Alexandre Serebriakov et leur fille Catherine Serebriakova furent également des peintres de renom.
src= wiki
24 juli 1923: Verdrag van Lausanne: vredesverdrag beëindigt Grieks-Turkse oorlog
Edited: 192307242488
De Vrede van Lausanne is een vredesverdrag uit 1923, waarmee de Grieks-Turkse Oorlog van 1921-1922 werd beëindigd. Het verdrag werd op 24 juli gesloten in het Palais Rumine in Lausanne na vredesonderhandelingen die vanaf november 1922 hadden geduurd. De verdragspartijen waren Turkije enerzijds en Griekenland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Japan, Roemenië en het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen anderzijds. De voornaamste onderhandelaren waren Eleftherios Venizelos namens Griekenland en Ismet Pasja, de latere Inönü, namens Turkije.

Het verdrag verving de voor Turkije veel ongunstiger Vrede van Sèvres van 1920, die door de Turkse nationalisten niet geaccepteerd werd. Het betekende ook de erkenning van de Turkse regering van Mustafa Kemal, de latere Atatürk.

De Vrede van Lausanne legde zowel in het westen als in het zuidoosten de grenzen van Turkije vast. Turkije herkreeg Oost-Thracië en Izmir en omgeving, die in Sèvres aan Griekenland waren toegewezen en in de Grieks-Turkse Oorlog op dat land waren veroverd. Cyprus kwam aan de Britten en de Dodekanesos aan de Italianen, die de respectievelijke eilanden al langere tijd bezet hadden. In het zuidoosten werd de thans nog geldende Turkse grens met het destijds Franse Syrië vastgelegd. De status van Mosoel (nu in Irak) was in het verdrag niet opgenomen.

De Vrede van Lausanne bezegelde het einde van de Griekse aanwezigheid in de stad Izmir (Smyrna) en elders in Anatolië. De Grieken waren daar duizenden jaren aanwezig maar werden nu "gerepatrieerd" naar een vaderland dat ze niet kenden. In ruil haalden de Turken hun volksgenoten weg uit de stad Saloniki en omgeving. Zo werd in het verdrag van Lausanne een van de eerste etnische zuiveringen in de twintigste eeuw gesanctioneerd.



http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrede_van_Lausanne (20070521)

Tekst van het verdrag: zie http://net.lib.byu.edu/~rdh7/wwi/1918p/lausanne.html
wiki
1921-1927: République du Rif
Edited: 192107210834
La République du Rif (en berbère : ⵜⴰⵊⴷⵓⴷⴰ ⵏ ⴰⵔⵔⵉⴼ Tagduda n Arrif), officiellement République confédérale des tribus du Rif, désigne le régime républicain qui s'est établi sur le Rif entre 1921 et 1927. La monnaie de la République était le Riffan.
Les Rifains résistent violemment aux intrusions espagnoles et françaises au Maroc.

Mohamed Abdelkrim El Khattabi, dit Abd el-Krim qui fut précédemment juge, devient chef des Rifains.
Après avoir créé un commandement et une structure de pouvoir, Abd el-Krim bat les Espagnols de nombreuses fois et les repousse dans leurs avant-postes côtiers. Après la bataille d'Anoual, en 1921, les espagnols abandonnent l'arrière pays à Abd el-Krim lui permettant de fonder la République du Rif.
Il attend ensuite de créer un état stable pour les Rifains afin de leur donner un répit après de longues années de guerre. Abd el-Krim envoie des représentants diplomatiques à Londres et à Paris pour essayer d’établir des liens diplomatiques avec l'Europe. Cela ne fonctionne pas très bien à cause de l'anxiété des Français face à la montée en puissance de la jeune république d'Abd el-Krim, qui peut alors envahir les possessions françaises au Maroc, si elle a le temps de rassembler des hommes et des armes. De plus, le discours d'Abd el-Krim, qui prône la liberté pour tous les peuples n'est pas bien accueilli par les puissances coloniales européennes.

Hubert Lyautey pressentant qu'Abd el-Krim cherchera à obtenir le ralliement des tribus rifaines du Maroc français de l'envoi de renfort qui lui permettent de former 3 groupes d'infanterie et 9 escadrilles d'avions.

Au printemps 1925 Mohamed Abdelkrim El Khattabi, dit Abd el-Krim il décide de lancer une offensive, après être parvenu à rallier plusieurs tribus, en vue d'atteindre l'oued Ouergha qu'il considère comme la frontière de sa république.
Le 22 avril, il passe à l'attaque en direction de Fez. Pour l'arrêter les Français dispose du 3e bataillon du 15e régiment de tirailleurs algériens qui garde le gué et le bac de l'Ouergha. Le bataillon repousse les assauts durant 4 jours avant d'être dégagé le 28 mais les Rifains continuent d'attaquer les petits postes. Ceux de Beni Derkoul et du douar de Mostitef succombent le 13 juin.

Fin 1925, la France et l'Espagne créent une force commune d'un peu moins de 200 000 soldats appuyés par des chars et des avions. Ils bombardent massivement les territoires de la nouvelle république, parfois avec des armes chimiques de modèle allemand utilisés par l'armée espagnole. La République du Rif s'effondre en mai 1926.

Prés d'un siècle passé sur les évènements de la guerre du Rif, l'Espagne continue à refuser de reconnaître ses responsabilités malgré les sollicitations de plusieurs organisations et associations pour les droits de l'homme1, on sait seulement que les habitants du Rif demeurent actuellement les plus touchés par le cancer selon des statistiques officielles sur les cas enregistrés dans le pays.

oorlog tussen Griekenland en Ottomaanse Rijk (Turkije)
Edited: 192100008979
http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrede_van_Lausanne (20070521)
Oorlog duurde van 1921 tot 1922
Wikipedia
Treaty of Darin between UK and The House of Saud
Edited: 191512260901
From Wikipedia, the free encyclopedia
The Treaty of Darin, or the Darin Pact, of 1915 was between the United Kingdom and Abdul-Aziz Al Saud (sometimes called Ibn Saud) ruler of Nejd, who would go on to found the Kingdom of Saudi Arabia in 1932.

The Treaty was signed on the island of Darin[1] (also known as Tarout Island) in the Persian Gulf, on 26 December 1915 by Abdul-Aziz and Sir Percy Cox on behalf of the British Government.[2]

Terms
The Treaty made the lands of the House of Saud a British protectorate and attempted to define its boundaries.[3] The British aim of the treaty was to guarantee the sovereignty of Kuwait, Qatar and the Trucial States.[4] Abdul-Aziz agreed not to attack these British protectorates, but gave no undertaking that he would not attack the Sharif of Mecca[5] Also, he agreed to enter the war against the Ottoman empire (the Middle Eastern theatre of World War I) as an ally of Britain.[2]

Significance
The Treaty was the first to give international recognition to the fledgling Saudi state. Also, for the first time in Nejdi history the concept of negotiated borders had been introduced.[4] Additionally, although the British aim was to secure its Gulf protectorates, the Treaty had the unintended consequence of legitimising Saudi control in the adjacent areas.[4] The Treaty was superseded by the Treaty of Jeddah (1927).
Bellocq
Girl on the wicker chaise longue (ca. 1913)
Edited: 191300001445
intrigerende foto is nr 337 Bellocq, E.J. (USA, 1873-1949): Girl on the wicker chaise longue (ca. 1913), Storyville, New Orleans, ca. 1913, afdruk op daglichtpapier door Lee Friedlander, naar het oorspronkelijke negatief, 203x253, PMF Antwerpen: FP 74/17. Het naakte meisje lijkt wel versteend in haar pose. Foto (of negatief) lijkt beschadigd.




Storyville
20 juni 1912: Voltairine de Cleyre overlijdt. R.I.P.
Edited: 191206200950
Voltairine de Cleyre (Leslie (Michigan), 17 november 1866 – Chicago 20 juni 1912) was een Amerikaans anarchiste, feministe en publiciste.

Voltairine de Cleyre
wiki
28 september 1911: Lodewijk Pincoffs (1827-1911) overlijdt te New York. R.I.P.
Edited: 191109288911
Lodewijk Pincoffs (Rotterdam, 7 juni 1827 – New York, 28 september 1911) was een Rotterdams zakenman die een belangrijke rol speelde in de totstandkoming van de Rotterdamse havens op het toenmalige eiland Feijenoord.

Pincoffs speelde een belangrijke rol met de door hem opgerichte Rotterdamsche Handelsvereeniging (RHV). Hij zat in de gemeenteraad, in de Provinciale Staten en in de Eerste Kamer en kreeg enkele hoge onderscheidingen, maar viel van zijn voetstuk door frauduleus handelen. Hij vluchtte naar Amerika, en werd in Nederland bij verstek veroordeeld.

In de jaren negentig van de twintigste eeuw werd Pincoffs min of meer weer in genade aangenomen met enkele vernoemingen en een standbeeld.
Tragische week in Catalonië
Edited: 190907260954
De Tragische Week (Catalaans: la Setmana Tràgica, Spaans: la Semana Trágica) (25 juli-2 augustus 1909) is de naam van een serie bloedige confrontaties tussen het leger en de arbeiders van Barcelona en andere steden in Catalonië gesteund door anarchisten, socialisten en republikeinen, in de laatste week van juli 1909.

de tragische week




vrijdenker Francisco Ferrer werd op 13 oktober 1909 geëxecuteerd
wiki
1909: Tragic Week in Barcelona
Edited: 190907251461
Tragic Week (in Catalan la Setmana Tràgica, in Spanish la Semana Trágica) (25 July – 2 August 1909) is the name used for a series of violent confrontations between the Spanish army and radicals of the working classes of Barcelona and other cities of Catalonia (Spain), assisted by anarchists, socialists and republicans, during the last week of July 1909. It was caused by the calling-up of reserve troops by Premier Antonio Maura to be sent as reinforcements when Spain renewed military-colonial activity in Morocco on 9 July, in what is known as the Second Rif War.

Minister of War Arsenio Linares y Pombo called up the Third Mixed Brigade of Cazadores (Light Infantry), which was composed of both active and reserve units in Catalonia. Among these were 520 men who had completed active duty six years earlier, and who had not anticipated further service. One could hire a substitute if one did not wish to fight, but this cost 6,000 reales which was beyond the means of most laborers. (Most workers did not receive more than 20 reales or 5 pesetas a day.) The incident began when "a party of conscripts boarded ships owned by the marques de Comillas, a noted Catholic industrialist, en route for Morocco. The soldiers were accompanied by patriotic addresses, the Royal March, and religious medals distributed by pious well dressed ladies. Spain's narrow social construction was thus on display for all to see, an affluent Catholic oligarchy impervious to the rise of secular mass politics. As the crowd jeered and whistled, emblems of the Sacred Heart were thrown into the sea." [1]

These actions, coupled with anarchist, anti-militarist, and anti-colonial philosophies shared by many in the city (Barcelona later became a stronghold for the anarchists during the Spanish Civil War), resulted in the union Solidaridad Obrera - directed by a committee of anarchists and socialists - calling a general strike against Maura's call-up of the reservists on Monday 26 July 1909. Although the civil governor Ángel Ossorio y Gallardo had received ample warning of the growing discontent, acts of vandalism were provoked by elements called the jóvenes bárbaros (Young Barbarians), who were associated with the Radical Republican Party (Partido Republicano Radical) of Alejandro Lerroux. By Tuesday workers had occupied Barcelona, halting troop trains and overturning trams. By Thursday, there was street fighting, with a general eruption of riots, strikes, and the burnings of convents.

Many of the rioters were antimilitarist, anticolonial and anticlerical. The rioters considered the Roman Catholic Church to form part of the corrupt bourgeois class whose sons did not have to go to war, and much public opinion had been turned against the Church by anarchist elements within the city. Thus not only were convents burned, but sepulchers were profaned and graves were emptied.[2] Of 112 buildings set fire to during the disturbances, 80 were church-owned or associated.

After disturbances in downtown Barcelona, civil guards and police shot at demonstrators in Las Ramblas, resulting in the construction of barricades in the streets and the proclamation of martial law. The government, declaring a state of war, sent the army to end the revolt. Barcelonan troops stationed in the city, many of whom had working class origins, refused to shoot workers and so troops were brought in from Valencia, Zaragoza, Pamplona and Burgos; these finally ended the revolt, causing dozens of deaths.
wiki
Bulletin officiel de l'État indépendant du Congo (1885-1908) - aantal bladzijden
Edited: 190812316521
De volgende statistiek toont de omvang van de Bulletin officiel de l'État indépendant du Congo in de vorm van het aantal bladzijden. Met een gemiddelde omvang van ongeveer 350 bladzijden per jaargang, zijn de jaargangen 1906 en 1907 uitschieters. Eventuele bijlagen (de Annexe au Bulletin officiel de l'État indépendant du Congo) zijn niet meegeteld.



De jaren 1906 en 1907 zijn cruciaal in de voorbereiding van de annexatie van Congo door België.
Door een verregaande privatisering van het grondgebied, en dan vooral in 'le Congo Utile' (Katanga, Kassaï), zorgden Leopold en de 'trusts' ervoor dat België een 'uitgeklede kolonie' in handen kreeg.
Eens temeer zouden de winsten naar private personen gaan en de kosten op de schouders van de collectiviteit worden geladen.
Het is dé grote constante in de geschiedenis van het kapitalisme.
DAENS Adolf
14 juni 1907: Adolf Daens overlijdt. R.I.P.
Edited: 190706141561
Adolf Daens

Adolf Daens
Adolf Daens (Aalst, 18 december 1839 – aldaar, 14 juni 1907) was een Belgisch geestelijke en politicus. Hij gaf (samen met zijn broer Pieter) zijn naam aan het daensisme, een sociaal-vlaamsgezinde christendemocratische richting en beweging, waaruit een onafhankelijke partij werd opgericht, m.n. de Christene Volkspartij, waarvan hij ook het programma schreef.

Biografie[bewerken]
Hij volgde klassieke humaniora bij de paters jezuïeten in het Sint-Jozefscollege van zijn geboortestad Aalst. Nadat een poging om jezuïet te worden mislukte, werd hij priester. Getroffen door de mensonwaardige omstandigheden in de fabrieken van Aalst, ging hij zich interesseren voor het lot van de arbeiders en riep de daensistische beweging in het leven. Als uitvloeisel hiervan werd in 1893 de flamingantische Christene Volkspartij opgericht, daarbij geïnspireerd door de pauselijke encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII. De Christene Volkspartij streefde het democratiseren en het radicaliseren van de Katholieke Partij na.

Hij was van 1894 tot 1898 volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Aalst en van 1902 tot 1906 volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Brussel, maar kreeg tegenwerking van de traditionele Katholieke Partij, de burgerij en de kerkelijke overheid. Uiteindelijk werd hij uit zijn ambt van priester ontzet.

108 jaar na zijn overlijden - 6 juni 2015 - kreeg hij eindelijk eerherstel van kerkelijke zijde. Mgr. André-Joseph Léonard, aartsbisschop van Mechelen-Brussel ging voor in de jaarlijkse mis ter herdenking van deze grote Aalstenaar.[1]Later op de dag legde hij bloemen op zijn graf.

Hij zei o.a.:Ik ben hier vandaag voor eerherstel. Spijtig genoeg werd priester Daens niet ondersteund door de bisschop en de aartsbisschop. Ze hebben hem niet geholpen maar veroordeeld. Hadden ze hem begeleid, wat een kans was dat geweest voor het geloof in de streek. Vandaar dat ik hier vandaag ben als aartsbisschop om Daens in ere te herstellen. Beter laat dan nooit.[2]

in zijn strijd voor het arme volk nochtans behield hij altijd zijn geloof en is hij trouw gebleven aan de leer van de Kerk. De priester voerde een goede strijd voor de arbeiders, die schandelijk werden uitgebuit. Ze werden blootgesteld aan de misbruiken van hun bazen en aan de arrogantie van hun volksvertegenwoordigers, die hun taal – het Vlaams – misprezen.[3]

Literaire verwerking[bewerken]
Louis Paul Boon publiceerde in 1971 de documentaire roman Pieter Daens, waarin Pieter Daens, de broer van Adolf, de vertelfiguur is. Dit boek diende als basis van de toneelbewerking (1979) voor het NTG door Frans Redant en Walter Moeremans (met onder anderen Roger Bolders en Herman Coessens) en achteraf de film Daens door Stijn Coninx uit 1992 (met onder andere Jan Decleir als Adolf Daens).

Door het boek van Boon en vooral door de film werd het historisch belang van de broers Daens enigszins uitvergroot. Hoewel figuren als Henri Carton de Wiart eigenlijk belangrijker waren voor de vroege christendemocratie, zijn de broers Daens vergroeid geraakt met het symbool van de vroege christendemocratie.

In oktober 2008 ging de musical Daens, gebaseerd op het boek en de film, in première in het oude postsorteercentrum X te Antwerpen, België. Door het onverwachte succes van deze Studio 100-productie werden de voorstellingen verlengd tot in februari 2009.

Daens eindigde in 2005 op de vijfde plaats in de Nederlandstalige versie van de De Grootste Belg-verkiezing. Zijn broer Pieter strandde op de 152ste plaats.
bron = wiki

SCHEMA MERS:
Banning Emile
Edited: 18980713
Émile Théodore Joseph Hubert Banning (Luik, 12 oktober 1836 - Elsene, 13 juli 1898) was een Belgisch ambtenaar, diplomaat, schrijver en journalist.
Banning was doctor in de Wijsbegeerte en Letteren en werd journalist bij het dagblad L'Echo du Parlement waarvoor hij de politiek op de voet volgde. In 1861 werd hij eveneens archivaris bij de Koninklijke Bibliotheek. Banning werd opgemerkt door Charles Rogier, de minister van Buitenlandse Zaken, die hem in 1863 aantrok binnen het departement als archivaris, bibliothecaris, schrijver, vertaler en rechterhand van toponderhandelaar Auguste Lambermont. Banning bleef deze functies uitoefenen tot aan zijn dood in 1898.

Het voorbereidende werk van Banning in 1863 zorgde ervoor dat de onderhandelingen met Nederland in verband met het afschaffen van de Scheldetol succesvol afliepen. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken specialiseerde hij zich in het schrijven van allerlei verhandelingen over wereldkwesties en trok zo de aandacht van koning Leopold II. Een aantal artikels van Banning over Centraal-Afrika in L'Echo du Parlement inspireerden de koning om in 1876 in Brussel een eerste conferentie over Afrika te houden.

Banning werd één van de naaste medewerkers van de koning en was een vurig propagandist van de expansiedrang van België. Tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1884 was hij één van de vertegenwoordigers van België. Hij was mede-onderhandelaar maar schreef ook de voorbereidende teksten, alsook de verslagen van de meetings, voor Auguste Lambermont, die algemeen redacteur van de conferentie was. De conferentie was voor België een succes en Kongo-Vrijstaat werd opgericht.

Émile Banning was een groot tegenstander van de nog bestaande slavenhandel en was één van de mede-organisators van de conferentie tegen de slavenhandel van 1890 in Brussel, waarop hij samen met Lambermont België vertegenwoordigde. Na deze conferentie was Banning er voorstander van om Kongo-Vrijstaat, persoonlijk bezit van de koning, door België te laten annexeren en was het niet meer eens met de economische politiek die Leopold II voerde in Kongo. Door zijn publicaties in 1890-1892 kwam hij meermaals in botsing met de koning. Aanvankelijk kon Auguste Lambermont de gemoederen nog sussen maar vanaf 1893 viel Banning volledig in ongenade bij de koning.
Literatuur:
Marcel WALRAET, Emile Banning. Un grand Belge (1836-1898), Office de Publicité, Bruxelles, 1945.
A. DE BURBURE, Emile Banning, in : L'Essor économique belge. Expansion coloniale, Brussel, 1932
Marcel WALRAET, La jeunesse austère et studieuse d'un grand commis de Léopold II, in: La Revue nationale, 1945.
J. BRUHAT, Emile Banning in : Les techniciens de la colonisation (XIX®-XXe siècles), Presses Universitaires de France, Parijs, 1946.
Louis DE LICHTERVELDE, Émile Banning, in: {Revue générale belge, Brussel, 1946.
C. NEYZEN, Émile Banning et l'État Indépendant du Congo, doctoraatsthesis in koloniale wetenschappen (onuitgegeven), ULB, 1946.
Marcel WALRAET, Les papiers d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1950.
G. D. PERIER, Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
Marcel WALRAET, Les «Réflexions morales et politiques» d'Émile Banning, in: Revue Nationale, Brussel, 1947.
G. D. PERIER, Émile Banning mourait le 13 juillet 1898, in: Revue coloniale belge, Brussel, 1948.
Liane RANIERI, La collaboration personnelle de Lambermont et de Banning avec Léopold II, licentiaatsthesis geschiedenis (onuitgegeven), ULB,
N. LAUDE, La reconnaissance de la 30° promotion: Émile Banning. Discours du Directeur de l'Institut Universitaire des Territoires d'OutreMer, Antwerpen, 1951.
N. LAUDE, in: Problèmes d'Afrique centrale, Brussel, 1952.
R.-J. CORNET, A propos de deux dossiers: le dossier diplomatique de l'Ubangi et le dossier Degrelle-Rogier sur l'Ubangi, in: Bulletin. I. R. C. B., Brussel, 1953.
R. P. A. ROEYKENS, Les réunions préparatoires de la délégation belge à la Conférence géographique de Bruxelles en 1876, in: Zaïre, Brussel, 1953.
A. COSEMANS, Les Archives générales du Royaume au point de vue de la documentation historique coloniale, in: Bulletin I.R. C. B., Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Banning et la Conférence géographique de Bruxelles en 1896, in: Zaïre, Brussel, 1954.
R. P. A. ROEYKENS, Les débuts de l'œuvre africaine de Léopold II (1875-1879), Brussel, 1955.
Jean STENGERS, Textes inédits d'Émile Banning, in: A. R. S. C., Cl. des Sc. mor. et pol., Brussel, 1955.
Marcel WALRAET, Emile Banning, in: Biographie coloniale Belge, T. I 1948 & T. IV, 1955.
bron: wiki
wiki
13 januari 1897: Arcadie Claret, minnares Leopold I, overlijdt. R.I.P.
Edited: 189701131466
Arcadie
Marie Anne Arcadie Eugénie Claret (Elsene, 30 mei 1826 – Monheim, 13 januari 1897), vanaf 1863 barones von Eppinghoven, was gedurende meer dan twintig jaar de minnares van de Belgische koning Leopold I.


Inhoud
1 Levensloop
2 De 'clan' Claret
3 Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
4 Liefde
5 Na Leopold
6 Literatuur
7 Stamboom familie von Eppinghoven
8 Externe links
Levensloop
Arcadie Claret was de dochter van de Brusselse majoor Charles-Joseph Claret (1789-1867), oudgediende in het leger van Napoleon, penningmeester binnen het Ministerie van Oorlog van de Kas voor Weduwen en Wezen van het Belgisch Leger, die afzwaaide met de graad van luitenant-kolonel, wiens familie eertijds de heerlijkheid Viescourt bezat in de omgeving van Tubeke. Charles was getrouwd met Henriette Neetesonne (1795-1881) uit Gent, ze kregen dertien kinderen van wie er acht in leven bleven. Het gezin bewoonde een groot herenhuis midden een aanzienlijk park gelegen op wat de 'Etterbeekse Velden' werd genoemd.

Leopold I leerde Arcadie Claret kennen in 1842 of ten laatste in 1844. Ze was toen amper zestien of achttien en werd bijna onmiddellijk zijn minnares. Hij installeerde haar luxueus in een patriciërswoning, Koningsstraat, Sint-Joost-ten-Node (thans nummer 312). Omdat het liefdesleven van de koning niet onopgemerkt bleef en uitvoerig aan bod kwam in de pers, organiseerde hij in 1845 een schijnhuwelijk tussen Claret en zijn dienaar en vriend, de Coburger Ferdinand Meyer (Coburg 1808 - Karlsruhe 1864), die vervolgens de kinderen die de koning bij zijn minnares had verwekt als de zijne erkende. Meyer was weduwnaar van Virginie Wouters (1819-1841) van wie hij drie kinderen had.

De twee zonen van Leopold, Georg, geboren in Luik in 1849 en Christian, geboren in Laken in 1852, werden in de akten van de burgerlijke stand als Meyer ingeschreven.

De 'clan' Claret
De koning bekommerde zich niet alleen om Arcadie, maar om het ganse gezin Claret. Hij zorgde ervoor dat de vader officier in de Leopoldorde werd. Drie broers van Arcadie werden militair en de koning volgde hun carrière en stak een handje toe waar nodig.

Zoon Edmond Claret (1828-1876) was pas zeventien toen hij in 1845, op voorspraak van Leopold, deel mocht uitmaken van de expeditie die met de schoener Louise-Marie naar Santo-Thomas in Guatemala voer. Hij bleef er tien jaar en toen hij in 1857 terugkwam was het opnieuw de koning die ervoor zorgde dat hij als onderluitenant onmiddellijk in het leger werd ingelijfd. Dankzij dezelfde voorspraak trok Edmond naar Mexico, in dienst van de onfortuinlijke keizerin Charlotte, dochter van Leopold. In 1866 kwam hij terug en hij nam zijn intrek in Duitsland bij Arcadie, waar ook zijn moeder en andere leden van het gezin verbleven. Daar zou hij, weduwnaar geworden, in 1870 een voornaam huwelijk aangaan met gravin Hildegard von Bocholt-Meschede (°1845).

Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
In 1849 baarde Arcadie discreet haar eerste zoon in het klooster Saint-Joseph des Filles de la Croix, rue Louvrex, in Luik en keerde daarop naar Brussel terug. De kritiek op haar en haar opzichtige levensstijl was toen zo algemeen geworden dat ze begin oktober 1850, tegen de zin van de koning, naar Duitsland vertrok. Het is waarschijnlijk dat ze zich in Wiesbaden installeerde. Enkele dagen later overleed koningin Louise-Marie. Einde 1851 kwam Arcadie naar Brussel terug en zou voortaan wat discreter gaan leven.

Ze werd, met Leopold als geldschieter, eigenares van het kasteel van Stuyvenberg op twee stappen van het paleis van Laken, waar ze aan de koning de mogelijkheid van een nieuw huisgezin en van passende huiselijkheid kon bieden. Het met een nieuwe vleugel uitgebreide Stuyvenberg bood ook onderdak, zoals dat in de Koningsstraat het geval was geweest, aan de 'clan' Claret, in de eerste plaats haar moeder, en een paar van haar broers en zussen.

Arcadie was een goede pianiste en de koning luisterde graag naar haar vertolkingen. In september 1852 werd haar tweede zoon op Stuyvenberg geboren. In de daaropvolgende jaren kregen de twee jongens een prinselijke opvoeding, verstrekt door huisleraars. Leopold bracht een groot deel van zijn namiddagen, soms zelfs ganse dagen bij Arcadie en de kinderen door. Ze vergezelde hem vaak op zijn veelvuldige reizen of verbleef met hem in kuuroorden, zoals in Wiesbaden. In zijn oude dag werd ze zijn verzorgster en stond ze hem bij in zijn laatste ziekte.

Ze besefte dat ze na de dood van de koning onmogelijk op Stuyvenberg kon blijven wonen: pas had hij de geest gegeven of ze vertrok ijlings met de kinderen naar Duitsland. Ook haar moeder, een paar van haar broers en zussen, en een neefje dat wees was geworden, verhuisden met haar. Ze verkocht het kasteel aan een stroman van Leopold II en het werd later ondergebracht bij de eigendommen van de Koninklijke Schenking.

Liefde
De twintig jaar durende verhouding tussen Leopold I en Arcadie Claret is zonder twijfel van een grote intensiteit geweest. Na 1850 was zij, tot aan zijn dood in 1865, de enige vrouw in zijn leven, ook al waren er geruchten dat hij af en toe nog eens een korte relatie had met andere vrouwen. Arcadie bleef al die jaren in zijn onmiddellijke omgeving, zowel in Laken als tijdens zijn vele reizen en verblijven in het buitenland.

De nazaten hebben kattebelletjes bewaard die de koning naar Arcadie stuurde en die geen twijfel laten over de intensiteit van zijn verliefdheid. Hij ondertekende deze briefjes met een 'L' en een hartje, zoals een verliefde tiener zou doen. Zo'n briefje luidt: Arcadie, ik bemin en aanbid je («Arcadie, je t’aime et je t’adore »).

In een agenda van Arcadie voor het jaar 1854 kan men vaststellen dat hij een liefdevolle minnaar was. De korte zinnen die ze aan hun relatie wijdde laten hierover geen twijfel. Zo schrijft ze: Vandaag zag ik mijn vriend driemaal, hij is zo goed geweest voor me («J’ai vu trois fois mon ami, il a été si bon pour moi»); Heel groot feest. Passie («Très grande fête. Passion») ; Groot feest, zeer wellustig (« Grande fête, très voluptueux»); Zijn bezoek vanmorgen heeft me gelukkig gemaakt, hij was zeer liefhebbend («Le matin, sa visite m’a rendue heureuse, il était bien aimant»); Ochtendbezoek met camelia's, namiddagbezoek met een heerlijke ruiker. Tedere beloften («Visite le matin, camélias, visite l’après-midi, bouquet délicieux. Doux serments»); Heerlijk! Liefde vol passie ( «Délicieux! Amour passion »).

Einde 1864 - begin 1865 verbleef Leopold in Engeland en Arcadie reisde hem achterna. In verschillende buitenlandse kranten werd bericht dat het paar tijdens die reis een morganatisch huwelijk was aangegaan. Het Hof hield zoals steeds de stelling aan niet te antwoorden op dergelijke berichten, maar toch werd na enige tijd een uitzondering gemaakt en werd in het Staatsblad van 4 mei 1865 een logenstraffing gepubliceerd. Zo kregen de kranten in België, die tot dantoe discreet waren gebleven, de gelegenheid om op dit bericht te reageren en enig scepticisme te verwoorden. 'Il y a dans toute cette affaire un mystère qui nous paraît inexpliquable, schreef Gazette de Liège.

Na Leopold

Wapenschild von Eppinghoven
Leopold had vooraf haar toekomst en die van hun twee zonen veilig gesteld, zowel materieel als sociaal.

In 1851 had hij aan Arcadie één van zijn eigendommen geschonken, een tot chique residentie omgebouwde hoeve in Monheim (Duitsland) op een domein van 180 ha. Het was oorspronkelijk een oude abdijhoeve, genaamd "Eppinghoven". Waarschijnlijk werden de gebouwen te bescheiden gevonden door Arcadie, die paleizen en luxehotels gewoon was geworden en in 1863 liet ze op de plek genaamd 'Katzberg' een aanzienlijk kasteel bouwen, waar ze na 1865 de rest van haar leven doorbracht. De zonen verkochten het later en in 1928 werd het kasteel afgebroken.

Het was onder de naam Eppinghoven dat Arcadie en haar zonen werden geadeld, zij in 1863, haar zonen al in 1862. In 1861 was ze in Coburg gescheiden van Meyer, drie jaar voor diens dood, wat de weg opende om zelf, alsook haar twee zoons, in de adelstand te worden opgenomen. Dit gebeurde niet zonder slag of stoot. Leopold had eigenlijk aangedrongen om ze in de Belgische adel op te nemen, maar, zo schreef minister van Binnenlandse Zaken Alphonse Vandenpeereboom in zijn dagboek: Nous nous y sommes énergiquement opposés. Er bleef de koning niets anders over dan beroep te doen op zijn neef, de hertog van Saksen-Coburg, die de opnamen in de Coburgse adel regelde. Langs die omweg dacht de koning zijn geliefde en zijn zonen toch nog in de Belgische adel te krijgen. Hij reageerde dan ook furieus, zo schreef opnieuw Vandenpeereboom, toen de regering weigerde een vroeger Koninklijk Besluit in te trekken waarin bepaald werd dat buitenlandse adellijke titels in België niet erkend werden.

De koning had ook nog, via een door hem opgerichte en gespijsde Coburgse 'Leopoldstiftung für Krankenpflege' de materiële toekomst van Arcadie en haar zoons gewaarborgd. Onder die naam, die de indruk gaf dat het om een weldadigheidsactiviteit ging, schuilde het aanzienlijke kapitaal dat Leopold voor zijn vriendin en voor hun kinderen bestemde. De kostbare levensstijl van Arcadie, die haar koninklijke minnaar 31 jaar overleefde, de speelzucht van Georg en - voor wat betreft Arthur - de hollende inflatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, maakten dat na één generatie het spaargeld als sneeuw voor de zon was gesmolten.

In 1870 had Arcadie voor haar zoons ook het Domein Langfort in Langenfeld aangekocht, dat tot in 1804 aan de adellijke familie de Velbrück had toebehoord. Vanaf 1913 kreeg het domein een landbouwbestemming. In 1922/23 werd er aan het bestaande gebouw uitbreiding gegeven om er een echt boerenerf van te maken en er werd ook een toren aangebouwd met een kleine beiaard. Vanaf 1936 was het goed een proefstation voor het kweken van zaden. In 1961 werd de stad Düsseldorf eigenaar en in 1981 de stad Langenfeld. Het was ondertussen omgebouwd voor de ruiterssport, wat in 2001 de "Landes-Reit und Fahrschule Rheinland" geworden is. De Von Eppinghovens verkochten het domein waarschijnlijk in 1913 of zo niet ten laatste in 1922.

Literatuur
Carlo BRONNE, Leopold Ier et son Temps, Brussel, 1947
E. MEUSER & F. HINRICHS, Geschichte der Monheimer Höfer, Monheim, 1959
P. VERMEIR, Leopold I, Mens, Vorst en Diplomaat, 2dln., Dendermonde, 1965 en 1965
Albert DUCHESNE, Charles-Joseph Claret, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 81-85
Albert DUCHESNE, Edmond Claret de Viescourt, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 85-87
Albert DUCHESNE, Chaussée de Wavre. Là où un couvent a remplacé la propriété du colonel Claret, in: Mémoire d'Ixelles, septembre-décembre 1986.
Rolf MÜLLER, Stadtgeschichte Langenfeld, Verlag Stadtarchiv Langenfeld, 1992, ISBN 978-3-929365-01-6.
Jean STENGERS, L'Action du Roi en Belgique depuis 1831. Pouvoir et influence, Paris - Louvain-La Neuve, 1992
Alphonse VANDENPEEREBOOM (met M. BOTS, uitg.), La fin d'un règne, notes et souvenirs, Gent, Liberaal archief, 1994
Victor CAPRON, La descendance naturelle de Leopold Ier, Brussel, 1995
Victor CAPRON, Le domaine du Stuyvenberg à Laeken, Brussel, 1995
Gustaaf JANSSENS & Jean STENGERS (dir.), Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het Archief Goffinet, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1997.
Genealogisches Handbuch des Adels. Freiherrlichen Häuser, Band XXI. C. A. Starke, 1999, pp. 101–3.
Henriette CLAESSENS, Leven en liefdes van Leopold I, Lannoo, Tielt, 2002
Victor CAPRON, Sur les traces d'Arcadie Claret: le Grand Amour de Léopold Ier, Brussel, 2006
Michel DIDISHEIM, Tu devais disparaître. Le roman d'une enfant royale cachée, Ed. Alphée, 2008.
Bram BOMBEECK, A bas le Sexe Cobourg? Een mentaliteitshistorische en politieke benadering van de seksschandalen van het Belgisch koningshuis in de lange 19de eeuw, Universiteit Gent, masterproef geschiedenis, 2009.
Stamboom familie von Eppinghoven










Leopold I van België

Arcadie Claret













































Georg von Eppinghoven

Anna Brust





Arthur von Eppinghoven

Anna Lydia Harris

















































Henriette-Marianna von Eppinghoven

Heinrich-Georg von Eppinghoven

Anna Lintermann

Claude Eric Tebbitt

Arcadie von Eppinghoven

Louise-Marie von Eppinghoven



































Alarich von Eppinghoven

Anna Margarete Ziggert

Jürgen von Eppinghoven

























Armin von Eppinghoven

Peri Olga Schleining

Ralph von Eppinghoven

Elizabeth Fricker






























Alexander von Eppinghoven



Konrad von Eppinghoven

Derek von Eppinghoven
Externe links
wiki
13 januari 1897: Arcadie Claret, minnares Leopold I, overlijdt. R.I.P.
Edited: 189701131466
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

Arcadie
Marie Anne Arcadie Eugénie Claret (Elsene, 30 mei 1826 – Monheim, 13 januari 1897), vanaf 1863 barones von Eppinghoven, was gedurende meer dan twintig jaar de minnares van de Belgische koning Leopold I.


Inhoud
1 Levensloop
2 De 'clan' Claret
3 Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
4 Liefde
5 Na Leopold
6 Literatuur
7 Stamboom familie von Eppinghoven
8 Externe links
Levensloop
Arcadie Claret was de dochter van de Brusselse majoor Charles-Joseph Claret (1789-1867), oudgediende in het leger van Napoleon, penningmeester binnen het Ministerie van Oorlog van de Kas voor Weduwen en Wezen van het Belgisch Leger, die afzwaaide met de graad van luitenant-kolonel, wiens familie eertijds de heerlijkheid Viescourt bezat in de omgeving van Tubeke. Charles was getrouwd met Henriette Neetesonne (1795-1881) uit Gent, ze kregen dertien kinderen van wie er acht in leven bleven. Het gezin bewoonde een groot herenhuis midden een aanzienlijk park gelegen op wat de 'Etterbeekse Velden' werd genoemd.

Leopold I leerde Arcadie Claret kennen in 1842 of ten laatste in 1844. Ze was toen amper zestien of achttien en werd bijna onmiddellijk zijn minnares. Hij installeerde haar luxueus in een patriciërswoning, Koningsstraat, Sint-Joost-ten-Node (thans nummer 312). Omdat het liefdesleven van de koning niet onopgemerkt bleef en uitvoerig aan bod kwam in de pers, organiseerde hij in 1845 een schijnhuwelijk tussen Claret en zijn dienaar en vriend, de Coburger Ferdinand Meyer (Coburg 1808 - Karlsruhe 1864), die vervolgens de kinderen die de koning bij zijn minnares had verwekt als de zijne erkende. Meyer was weduwnaar van Virginie Wouters (1819-1841) van wie hij drie kinderen had.

De twee zonen van Leopold, Georg, geboren in Luik in 1849 en Christian, geboren in Laken in 1852, werden in de akten van de burgerlijke stand als Meyer ingeschreven.

De 'clan' Claret
De koning bekommerde zich niet alleen om Arcadie, maar om het ganse gezin Claret. Hij zorgde ervoor dat de vader officier in de Leopoldorde werd. Drie broers van Arcadie werden militair en de koning volgde hun carrière en stak een handje toe waar nodig.

Zoon Edmond Claret (1828-1876) was pas zeventien toen hij in 1845, op voorspraak van Leopold, deel mocht uitmaken van de expeditie die met de schoener Louise-Marie naar Santo-Thomas in Guatemala voer. Hij bleef er tien jaar en toen hij in 1857 terugkwam was het opnieuw de koning die ervoor zorgde dat hij als onderluitenant onmiddellijk in het leger werd ingelijfd. Dankzij dezelfde voorspraak trok Edmond naar Mexico, in dienst van de onfortuinlijke keizerin Charlotte, dochter van Leopold. In 1866 kwam hij terug en hij nam zijn intrek in Duitsland bij Arcadie, waar ook zijn moeder en andere leden van het gezin verbleven. Daar zou hij, weduwnaar geworden, in 1870 een voornaam huwelijk aangaan met gravin Hildegard von Bocholt-Meschede (°1845).

Het 'gezin' van Leopold en Arcadie
In 1849 baarde Arcadie discreet haar eerste zoon in het klooster Saint-Joseph des Filles de la Croix, rue Louvrex, in Luik en keerde daarop naar Brussel terug. De kritiek op haar en haar opzichtige levensstijl was toen zo algemeen geworden dat ze begin oktober 1850, tegen de zin van de koning, naar Duitsland vertrok. Het is waarschijnlijk dat ze zich in Wiesbaden installeerde. Enkele dagen later overleed koningin Louise-Marie. Einde 1851 kwam Arcadie naar Brussel terug en zou voortaan wat discreter gaan leven.

Ze werd, met Leopold als geldschieter, eigenares van het kasteel van Stuyvenberg op twee stappen van het paleis van Laken, waar ze aan de koning de mogelijkheid van een nieuw huisgezin en van passende huiselijkheid kon bieden. Het met een nieuwe vleugel uitgebreide Stuyvenberg bood ook onderdak, zoals dat in de Koningsstraat het geval was geweest, aan de 'clan' Claret, in de eerste plaats haar moeder, en een paar van haar broers en zussen.

Arcadie was een goede pianiste en de koning luisterde graag naar haar vertolkingen. In september 1852 werd haar tweede zoon op Stuyvenberg geboren. In de daaropvolgende jaren kregen de twee jongens een prinselijke opvoeding, verstrekt door huisleraars. Leopold bracht een groot deel van zijn namiddagen, soms zelfs ganse dagen bij Arcadie en de kinderen door. Ze vergezelde hem vaak op zijn veelvuldige reizen of verbleef met hem in kuuroorden, zoals in Wiesbaden. In zijn oude dag werd ze zijn verzorgster en stond ze hem bij in zijn laatste ziekte.

Ze besefte dat ze na de dood van de koning onmogelijk op Stuyvenberg kon blijven wonen: pas had hij de geest gegeven of ze vertrok ijlings met de kinderen naar Duitsland. Ook haar moeder, een paar van haar broers en zussen, en een neefje dat wees was geworden, verhuisden met haar. Ze verkocht het kasteel aan een stroman van Leopold II en het werd later ondergebracht bij de eigendommen van de Koninklijke Schenking.

Liefde
De twintig jaar durende verhouding tussen Leopold I en Arcadie Claret is zonder twijfel van een grote intensiteit geweest. Na 1850 was zij, tot aan zijn dood in 1865, de enige vrouw in zijn leven, ook al waren er geruchten dat hij af en toe nog eens een korte relatie had met andere vrouwen. Arcadie bleef al die jaren in zijn onmiddellijke omgeving, zowel in Laken als tijdens zijn vele reizen en verblijven in het buitenland.

De nazaten hebben kattebelletjes bewaard die de koning naar Arcadie stuurde en die geen twijfel laten over de intensiteit van zijn verliefdheid. Hij ondertekende deze briefjes met een 'L' en een hartje, zoals een verliefde tiener zou doen. Zo'n briefje luidt: Arcadie, ik bemin en aanbid je («Arcadie, je t’aime et je t’adore »).

In een agenda van Arcadie voor het jaar 1854 kan men vaststellen dat hij een liefdevolle minnaar was. De korte zinnen die ze aan hun relatie wijdde laten hierover geen twijfel. Zo schrijft ze: Vandaag zag ik mijn vriend driemaal, hij is zo goed geweest voor me («J’ai vu trois fois mon ami, il a été si bon pour moi»); Heel groot feest. Passie («Très grande fête. Passion») ; Groot feest, zeer wellustig (« Grande fête, très voluptueux»); Zijn bezoek vanmorgen heeft me gelukkig gemaakt, hij was zeer liefhebbend («Le matin, sa visite m’a rendue heureuse, il était bien aimant»); Ochtendbezoek met camelia's, namiddagbezoek met een heerlijke ruiker. Tedere beloften («Visite le matin, camélias, visite l’après-midi, bouquet délicieux. Doux serments»); Heerlijk! Liefde vol passie ( «Délicieux! Amour passion »).

Einde 1864 - begin 1865 verbleef Leopold in Engeland en Arcadie reisde hem achterna. In verschillende buitenlandse kranten werd bericht dat het paar tijdens die reis een morganatisch huwelijk was aangegaan. Het Hof hield zoals steeds de stelling aan niet te antwoorden op dergelijke berichten, maar toch werd na enige tijd een uitzondering gemaakt en werd in het Staatsblad van 4 mei 1865 een logenstraffing gepubliceerd. Zo kregen de kranten in België, die tot dantoe discreet waren gebleven, de gelegenheid om op dit bericht te reageren en enig scepticisme te verwoorden. 'Il y a dans toute cette affaire un mystère qui nous paraît inexpliquable, schreef Gazette de Liège.

Na Leopold

Wapenschild von Eppinghoven
Leopold had vooraf haar toekomst en die van hun twee zonen veilig gesteld, zowel materieel als sociaal.

In 1851 had hij aan Arcadie één van zijn eigendommen geschonken, een tot chique residentie omgebouwde hoeve in Monheim (Duitsland) op een domein van 180 ha. Het was oorspronkelijk een oude abdijhoeve, genaamd "Eppinghoven". Waarschijnlijk werden de gebouwen te bescheiden gevonden door Arcadie, die paleizen en luxehotels gewoon was geworden en in 1863 liet ze op de plek genaamd 'Katzberg' een aanzienlijk kasteel bouwen, waar ze na 1865 de rest van haar leven doorbracht. De zonen verkochten het later en in 1928 werd het kasteel afgebroken.

Het was onder de naam Eppinghoven dat Arcadie en haar zonen werden geadeld, zij in 1863, haar zonen al in 1862. In 1861 was ze in Coburg gescheiden van Meyer, drie jaar voor diens dood, wat de weg opende om zelf, alsook haar twee zoons, in de adelstand te worden opgenomen. Dit gebeurde niet zonder slag of stoot. Leopold had eigenlijk aangedrongen om ze in de Belgische adel op te nemen, maar, zo schreef minister van Binnenlandse Zaken Alphonse Vandenpeereboom in zijn dagboek: Nous nous y sommes énergiquement opposés. Er bleef de koning niets anders over dan beroep te doen op zijn neef, de hertog van Saksen-Coburg, die de opnamen in de Coburgse adel regelde. Langs die omweg dacht de koning zijn geliefde en zijn zonen toch nog in de Belgische adel te krijgen. Hij reageerde dan ook furieus, zo schreef opnieuw Vandenpeereboom, toen de regering weigerde een vroeger Koninklijk Besluit in te trekken waarin bepaald werd dat buitenlandse adellijke titels in België niet erkend werden.

De koning had ook nog, via een door hem opgerichte en gespijsde Coburgse 'Leopoldstiftung für Krankenpflege' de materiële toekomst van Arcadie en haar zoons gewaarborgd. Onder die naam, die de indruk gaf dat het om een weldadigheidsactiviteit ging, schuilde het aanzienlijke kapitaal dat Leopold voor zijn vriendin en voor hun kinderen bestemde. De kostbare levensstijl van Arcadie, die haar koninklijke minnaar 31 jaar overleefde, de speelzucht van Georg en - voor wat betreft Arthur - de hollende inflatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, maakten dat na één generatie het spaargeld als sneeuw voor de zon was gesmolten.

In 1870 had Arcadie voor haar zoons ook het Domein Langfort in Langenfeld aangekocht, dat tot in 1804 aan de adellijke familie de Velbrück had toebehoord. Vanaf 1913 kreeg het domein een landbouwbestemming. In 1922/23 werd er aan het bestaande gebouw uitbreiding gegeven om er een echt boerenerf van te maken en er werd ook een toren aangebouwd met een kleine beiaard. Vanaf 1936 was het goed een proefstation voor het kweken van zaden. In 1961 werd de stad Düsseldorf eigenaar en in 1981 de stad Langenfeld. Het was ondertussen omgebouwd voor de ruiterssport, wat in 2001 de "Landes-Reit und Fahrschule Rheinland" geworden is. De Von Eppinghovens verkochten het domein waarschijnlijk in 1913 of zo niet ten laatste in 1922.

Literatuur
Carlo BRONNE, Leopold Ier et son Temps, Brussel, 1947
E. MEUSER & F. HINRICHS, Geschichte der Monheimer Höfer, Monheim, 1959
P. VERMEIR, Leopold I, Mens, Vorst en Diplomaat, 2dln., Dendermonde, 1965 en 1965
Albert DUCHESNE, Charles-Joseph Claret, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 81-85
Albert DUCHESNE, Edmond Claret de Viescourt, in: Biographie nationale de Belgique, T. XVIII, 1973, col. 85-87
Albert DUCHESNE, Chaussée de Wavre. Là où un couvent a remplacé la propriété du colonel Claret, in: Mémoire d'Ixelles, septembre-décembre 1986.
Rolf MÜLLER, Stadtgeschichte Langenfeld, Verlag Stadtarchiv Langenfeld, 1992, ISBN 978-3-929365-01-6.
Jean STENGERS, L'Action du Roi en Belgique depuis 1831. Pouvoir et influence, Paris - Louvain-La Neuve, 1992
Alphonse VANDENPEEREBOOM (met M. BOTS, uitg.), La fin d'un règne, notes et souvenirs, Gent, Liberaal archief, 1994
Victor CAPRON, La descendance naturelle de Leopold Ier, Brussel, 1995
Victor CAPRON, Le domaine du Stuyvenberg à Laeken, Brussel, 1995
Gustaaf JANSSENS & Jean STENGERS (dir.), Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het Archief Goffinet, Brussel, Koning Boudewijnstichting, 1997.
Genealogisches Handbuch des Adels. Freiherrlichen Häuser, Band XXI. C. A. Starke, 1999, pp. 101–3.
Henriette CLAESSENS, Leven en liefdes van Leopold I, Lannoo, Tielt, 2002
Victor CAPRON, Sur les traces d'Arcadie Claret: le Grand Amour de Léopold Ier, Brussel, 2006
Michel DIDISHEIM, Tu devais disparaître. Le roman d'une enfant royale cachée, Ed. Alphée, 2008.
Bram BOMBEECK, A bas le Sexe Cobourg? Een mentaliteitshistorische en politieke benadering van de seksschandalen van het Belgisch koningshuis in de lange 19de eeuw, Universiteit Gent, masterproef geschiedenis, 2009.
Stamboom familie von Eppinghoven










Leopold I van België

Arcadie Claret













































Georg von Eppinghoven

Anna Brust





Arthur von Eppinghoven

Anna Lydia Harris

















































Henriette-Marianna von Eppinghoven

Heinrich-Georg von Eppinghoven

Anna Lintermann

Claude Eric Tebbitt

Arcadie von Eppinghoven

Louise-Marie von Eppinghoven



































Alarich von Eppinghoven

Anna Margarete Ziggert

Jürgen von Eppinghoven

























Armin von Eppinghoven

Peri Olga Schleining

Ralph von Eppinghoven

Elizabeth Fricker






























Alexander von Eppinghoven



Konrad von Eppinghoven

Derek von Eppinghoven
Externe links
MANDUAU Edouard
De beschaving in Congo, 1884
Edited: 18840199
olieverf op doek, 45x60,5 cm, Collectie KMMA Tervuren


Edouard Jean Marie Manduau (Elsene, 1855 - Nieuwpoort, 1938) was een Belgische landschapschilder en aquarellist die vooral bekend is om zijn werk in Kongo-Vrijstaat en zijn afbeeldingen van de landschappen rond Brussel.

Manduau werd geboren te Elsene en studeerde in kunstacademiën in Londen en Brussel (1871), waar hij een klasgenoot en vriend was van James Ensor. Hij nam deel aan de Exposition générale des Beaux-Arts (1881), maar bleef op gebied van schilderen eerder een dilettant. Hij werd kapitein op een zeilschip van de Engelse marine. In 1884 sloot hij zich aan bij de Association internationale du Congo, waar hij als luitenant expedities en publieke projecten leidde. Zijn tekeningen en schilderijen, zowat 70 stuks, vormen een waardevol verslag van Congo en het Congolese volk. In maart 1885 keerde hij uitgeput door ziekte naar België terug. Zijn collectie, waar nodig geretoucheerd door Edouard-Henri Navez, was te bezichtigen in Brussel op een private tentoonstelling (L'Exposition du Congo in het Alhambra). Hij kreeg veel positieve reacties en werd door kunstcriticus Lucien Solvay zelfs uitgeroepen tot stichter van de schildersschool van Congo. Het kritische schilderij La Civilisation au Congo was echter niet vermeld op de lijst van tentoongestelde werken. Uit protest tegen de "beschavingsmethodes" die in Congo werden toegepast, ging Manduau aan de slag ging bij de oppositiekrant Le Moniteur du Congo. Het tweede nummer bracht zijn subversieve Civilisation au Congo als gravure op de voorpagina. Later verzoende hij zich met de koloniale machten en kreeg hij verschillende decoraties. In 1898 werd hij tekenaar voor het tijdschrift Mouvement géographique. In 1933 stelde hij zijn werken tentoon in de Salon des Artistes congolais. Manduau overleed in Nieuwpoort in 1938. Zijn oeuvre wordt vandaag bewaard in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. (src=wiki)
1877-1878: oorlog tussen Rusland & bondgenoten en Turkije
Edited: 187704240094
Guerre russo-turque de 1877-1878

Un article de Wikipédia, l'encyclopédie libre.

Aller à : Navigation, Rechercher

Ce conflit, qui oppose l'Empire ottoman à la Russie, la Roumanie, la Serbie et le Monténégro, est le premier ayant comme toile de fond le panslavisme, assignant à la Russie le devoir de libérer les peuples slaves encore sous la domination turque et de constituer une confédération panslave qui irait de l'Elbe à l'Adriatique.





Monument Plevna commémoratif de la guerre russo-turque, situé à Kitai-gorod, quartier d'affaires de Moscou.Sommaire [masquer]

1 Contexte

2 La conférence d'Istanbul

3 Les alliances

4 Les opérations

5 Le traité de San Stefano

6 Le Congrès de Berlin

7 Sources







Contexte [modifier]

Le mouvement panslaviste avait commencé à se développer quelques années auparavant mais il prend véritablement de l'ampleur avec la révolte de la Bosnie-Herzégovine en 1875, et surtout de la Bulgarie en avril 1876, réprimée dans le sang. 15 000 Bulgares sont en effet massacrés par les bachi-bouzouks turcs. On s'émeut non seulement en Russie mais aussi en Europe. William Gladstone en Grande-Bretagne et Victor Hugo en France protestent solennellement.

La crise éclate à Istanbul. Le sultan Abdulaziz est renversé, auquel succède Abdülhamid II.

Le gouvernement russe tente d'en profiter. Il envoie à Belgrade le général Tchernaiev, héros des guerres de l'Asie centrale, y commander les troupes de Serbie qui s'empresse, en juin, de déclarer la guerre à la Turquie. Les armées serbe et monténégrine pénètrent en territoire turc mais ni les Bosniaques, ni les Bulgares, échaudés, n'osent se soulever. Tchernaiev s'avère un mauvais stratège et les troupes serbes sont finalement repoussées.

Les puissances européennes obtiennent un armistice vite rompu par la Serbie. Les troupes turques prennent la direction de Belgrade mais un ultimatum russe les fait reculer. Un nouvel armistice est décrété le 3 novembre.

La conférence d'Istanbul [modifier]

Un mois plus tard, débute la conférence d'Istanbul à laquelle participent la Russie, l'Autriche et la Grande-Bretagne. Les deux premières exigent l'autonomie des territoires chrétiens, sinon elles provoqueront de nouveaux soulèvements qui mèneront à un nouveau démembrement.

Encouragé par Gladstone, le gouvernement turc s'octroie une nouvelle Constitution le 23 décembre. Une monarchie constitutionnelle est créée et on y affirme l'indivisibilité de l'empire.

Dépitée, la Russie décide de préparer sa revanche. À l'hiver, Alexandre II rencontre François-Joseph et promet de lui obtenir la Bosnie-Herzégovine s'il proclame sa neutralité dans la guerre qu'il prépare. L'empereur d'Autriche accepte. Le 24 avril 1877, la Russie déclare la guerre à la Turquie.

Les alliances [modifier]

Durant l'hiver, la Russie a également négocié une alliance avec les pays chrétiens des Balkans. La Roumanie accepte d'entrer en guerre à condition d'obtenir une reconnaissance internationale de son indépendance. Elle veut aussi une indemnité de guerre et exige qu'on lui cède en compensation le delta du Danube et la Dobroudja.

La Serbie est plus réticente. Elle est contre la cession de la Bosnie-Herzégovine à l'Autriche et craint l'indépendance bulgare. Elle n'entrera en guerre finalement que le 10 décembre.

La Grèce est également sollicitée mais, encouragée secrètement par le gouvernement de Londres, fait traîner les négociations en longueur, ce qui fait qu'elle n'y participera pas.

Les opérations [modifier]

La Russie mène la guerre sur deux fronts, dans le Caucase et dans les Balkans.

L'offensive caucasienne est menée par Loris-Melikov. Il s'empare d'abord de la forteresse d'Ardagan, puis entre en Arménie et marche sur Erzeroum. Il assiège la ville de Kars mais une défaite le contraint à reculer. Ce n'est qu'en janvier 1878 que, doté de nouvelles troupes, il réussit à prendre Kars et reprend sa marche vers Erzeroum.



En juin 1877, la principale armée russe franchit le Danube, traverse le nord de la Bulgarie puis vient s'empêtrer dans les cols des Balkans où les Turcs tentent de les arrêter. À l'automne, les troupes roumaines font leur jonction avec les Russes qui entreprennent d'assiéger Pleven, laquelle capitule le 7 décembre. En janvier, ils débouchent dans la plaine et commencent à se diriger vers Istanbul. Le 19 janvier, les Turcs, à bout de souffle, signent un armistice à Andrinople. En février, des négociations sont entreprises à San Stefano, petit village situé près d'Istanbul.





Le traité de San Stefano [modifier]

Le 3 mars 1878, les belligérants signent le traité de San Stefano-Hagios Stéphanos, quartier de Constantinople, qui reconnaît de facto la suprématie de la Russie dans les régions slaves et orthodoxes des Balkans. Comme gains territoriaux, elle remet la main sur le sud de la Bessarabie, perdu lors de la guerre de Crimée vingt ans auparavant. Dans le Caucase, elle acquiert Batoum, Kars, Ardagan et Bajazet. Elle occupera militairement la Bulgarie pendant deux ans.

Celle-ci, que les troupes turques doivent quitter, devient une principauté autonome de la mer Noire à la mer Egée (la "Grande Bulgarie"). Cette date est la fête nationale bulgare, qui rappele l'indépendance, acquise grâce aux Russes.



La Roumanie, la Serbie et le Monténégro obtiennent leur complète indépendance. La Roumanie acquiert, comme elle le désirait, le delta du Danube et la Dobroudja mais doit cependant céder à la Russie le sud de la Bessarabie. Le Monténégro double son territoire vers le nord-ouest et n'est plus séparé de la Serbie que par une petite enclave autrichienne.



Ces pays ont signé le traité avec quelques réticences. La Roumanie a été obligée de céder la Bessarabie à contrecœur. La Serbie juge qu'elle a obtenu trop peu de territoires. Le Monténégro est mécontent parce qu'il n'a aucun débouché sur la mer.





Le Congrès de Berlin [modifier]



L'apothéose de la guerre, par Vassili Vereshchagin (1871 - Galerie Tretiakov). Le peintre participa à la guerre de 1877. L'opinion publique russe fut scandalisée de voir ses soldats sacrifiés pour rien alors que la dynamique diplomatique des Empires renversait lors du congrès de Berlin les acquis du conflit.La Grande-Bretagne juge que les clauses du traité met l'équilibre de l'Europe en péril. Pour elle, la Russie est devenue trop puissante face à une Turquie affaiblie. Elle voit également ses intérêts menacés dans la région. Durant la guerre, elle a même fait pénétrer sa flotte en mer de Marmara pour protéger Istanbul, menacée par l'armée russe.



De son côté, l'Autriche s'estime spoliée parce qu'on ne lui a pas donné la Bosnie-Herzégovine , qu'on lui avait promise.



Bismarck offre alors ses services et invite à Berlin les puissances européennes et la Turquie pour négocier un nouvel accord de paix. Le congrès se tient en juin et juillet 1878. Les États balkaniques ne sont pas représentés mais peuvent envoyer des émissaires pour y plaider leurs causes.



Un nouvel accord est signé le 14 juillet, mettant fin au projet de Grande-Bulgarie. Celle-ci est coupée en deux: au nord, elle devient la principauté autonome de Bulgarie avec Sofia comme capitale; au sud, la Roumélie orientale, semi-autonome, reste occupée par la Turquie. La Thrace et la Macédoine reviennent dans le giron ottoman.



La Russie et la Roumanie gardent à peu près tous leurs gains territoriaux acquis à San Stefano, sauf dans le Caucase où Bajazet est rendue à la Turquie. La Serbie voit son territoire agrandi. Le Monténégro obtient moins qu'à San Stefano mais acquiert son débouché sur la mer.



Clause importante, l'Autriche-Hongrie met la main sur la Bosnie-Herzégovine et sur le sandjak de Novi Pazar, un enclave situé entre la Serbie et le Monténégro. Cette prise de possession sera une source de conflit grandissante avec la Serbie, qui aboutira à long terme à l'assassinat de François-Ferdinand et au début de la Première Guerre mondiale en 1914.



Une dernière clause place Chypre sous administration britannique.



L'opinion russe est scandalisée par les clauses du traité de Berlin et y voit une trahison de l'Allemagne, car elle la croit responsable du recul de la Russie dans la région. Il s'ensuivra un relâchement des liens germano-russes dans les années suivantes.





Sources [modifier]

Michel Heller, Histoire de la Russie et de son empire, Plon, 1997.

Georges Castellan, Histoire des Balkans, Fayard, 1999.

Récupérée de « http://fr.wikipedia.org/wiki/Guerre_russo-turque_de_1877-1878 » (20070306)
dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria: Maria kwam zonder de erfzonde ter wereld
Edited: 185412081288
Onbevlekte Ontvangenis

De Onbevlekte Ontvangenis, geschilderd in 1630-35 door Francisco de Zurbarán (Museo del Prado, Madrid)De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is een dogma van de Rooms-katholieke Kerk dat op 8 december met een hoogfeest gevierd wordt. Het dogma bevestigt de bijzondere status van Maria door te stellen dat zij ter wereld kwam zonder door de erfzonde te zijn belast. Zij ontving, met andere woorden, een onbevlekte ziel. Op haar ziel werd door God reeds tevoren de zuiverende werking van de toekomstige Verlossing door haar Zoon Jezus Christus toegepast.

Het dogma werd op 8 december 1854 afgekondigd door Paus Pius IX en zette onder Rooms Katholieken een nieuwe golf van Mariaverering in gang.

Omdat het dogma niet expliciet vermeld wordt in de bijbel, wordt het door de protestantse kerken afgewezen. Katholieken wijzen daarop dat er in de Bijbel een passage staat, waarin God zegt dat "niets dat onrein is de Tempel zal binnen gaan". Het menselijk lichaam wordt in de Bijbel vaak genoemd als tempel van de Heilige Geest. Volgens deze zienswijze kan ook de Heilige Geest nergens komen of binnentreden waar onzuiverheid heerst. Aangezien Jezus Christus, aldus de R.K. Kerk, waarlijk God en waarlijk mens was, kon ook Hij pas incarneren als de plek van incarnatie ook zuiver was.

Het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis wordt vaak verward met een ander dogma: dat van Maria Boodschap.

In veel landen, waaronder Italië, Spanje, Portugal, Oostenrijk en Zwitserland is het Feest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria een vrije dag. In het Franse Lyon wordt het hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria sinds 1852 jaarlijks gevierd door de huizen en de stad te verlichten ter ere van Maria (Les Illuminations of Fête des Lumières).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Onbevlekte_Ontvangenis (20070120)

In het volksgeloof wordt vaak aangenomen dat Jezus zonder sex werd verwekt, dus zonder penetratie. De moeder kon dus maagd zijn.
wiki
Louis Dreyfus Company - LDC
Edited: 185108011465
Louis Dreyfus Company is a global merchant company that is involved in agriculture, food processing, international shipping, and finance. It also owns and manages hedge funds, ocean vessels, develops and operates telecommunications infrastructures and is involved in real estate development, management and ownership.[1] Louis Dreyfus is one of the "ABCD" quartet of companies - alongside Archer Daniels Midland, Bunge and Cargill - that dominates world agricultural commodity trading.[2]

Dreyfus makes up about 10% of the world's agricultural product trade flows. They also are the world's largest cotton and rice trader.[3] They are also regarded by many as the second-largest player in the world's sugar market.[4]

The company Louis Dreyfus Holding BV has its headquarters in the World Trade Center Amsterdam in Amsterdam.[5]

Louis Dreyfus companies are present in more than 100 countries, with 72 offices. Major offices are located in Geneva, London, Beijing, Buenos Aires, Paris, São Paulo, Singapore, New York City and Connecticut.[6]

Aggregate average annual gross sales in recent years have exceeded $120 billion. The company employs more than 22,000 people globally at peak season.

In 1851, the company was founded in the Alsace region of France by Léopold Dreyfus, the 18-year-old son of a farmer from Sierentz, under the name of his father, Louis Dreyfus. Léopold purchased wheat from local farmers in Alsace and transported it to Basel in Switzerland, 13 kilometres (8 mi) away.[7] Léopold developed a fortune whilst still a teenager through cross border cereal trading. He rapidly diversified across shipping, weapons manufacturing, agriculture, oil and banking, thus establishing one of the wealthiest dynasties in Europe.[8] His descendants still own the company to this day. By the early 20th century, the Louis-Dreyfus family was described as one of the "five great fortunes of France". However, as a Jewish family during the Second World War much of the family assets were confiscated by the Vichy government and some members of the family fled to America.[9]

Leopold Louis-Dreyfus's great-grandson, Gérard Louis-Dreyfus, was chairman of Louis Dreyfus Energy Services, a subsidiary of the group involved in crude-oil trading, gas investments and infrastructure. Gérard is also the father of American actress Julia Louis-Dreyfus, the Emmy-winning star of Seinfeld. Another branch of the dynasty, based in Paris, was headed by Robert Louis-Dreyfus (who was also the CEO of Adidas) until his death in 2009. It is currently overseen by his widow, Russian-born Margarita Bogdanova Louis-Dreyfus.[10] A third branch of the family's business is headed by Philippe Louis-Dreyfus (born 1945) and is concerned primarily with offshore industrial activities and freight shipping operations.[11]

read more
Beethoven: dodenmasker
Edited: 182703271001
11 april 1822: Turken richten bloedbad aan op eiland Chios: 30.000 inwoners afgeslacht - een vergeten genocide
Edited: 182204110966
In 1822 vielen de inwoners ten prooi aan een van de bloedigste slachtingen uit de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog, die het jaar daarvóór uitgebroken was. De Chioten hadden het Turkse garnizoen op hun eiland omsingeld en meenden de overwinning reeds behaald te hebben toen de Sultan op bijzonder gewelddadige wijze het eiland met zijn vloot belegerde en heroverde op de opstandelingen. De hoofdstad en 40 dorpen werden geplunderd, 30.000 inwoners afgeslacht en bijna het dubbele aantal gevangengenomen en tot slaaf gemaakt. Deze tragedie opende de ogen van Europa voor de wreedheden van het Ottomaanse Rijk: Victor Hugo's elegie L'Enfant de Chios (1828) en Eugène Delacroix' schilderij "Les Massacres de Scio" (1923-1924) (zie de monografie van Maurice Sérullaz, afbeelding 33, olie op doek, 417 x 354, bewaard in het Louvre en pagina's 2-3, 17, 18-19, 20 gaven de Filhellenen weer moed. De overgebleven inwoners mochten hun gewone activiteiten weer oppakken. Chios had zich nog maar deels hersteld van zijn wonden, toen een aardbeving in 1881 enorme schade aanrichtte. Het eiland bleef onder Ottomaans bewind tot 1912, toen het zich definitief aansloot bij het Griekse Koninkrijk. (src=Wiki, door ons aangevuld en verbeterd)
L’Enfant
Victor Hugo
Les turcs ont passé là. Tout est ruine et deuil.
Chio, l’île des vins, n’est plus qu’un sombre écueil,
Chio, qu’ombrageaient les charmilles,
Chio, qui dans les flots reflétait ses grands bois,
Ses coteaux, ses palais, et le soir quelquefois
Un chœur dansant de jeunes filles.

Tout est désert. Mais non ; seul près des murs noircis,
Un enfant aux yeux bleus, un enfant grec, assis,
Courbait sa tête humiliée ;
Il avait pour asile, il avait pour appui
Une blanche aubépine, une fleur, comme lui
Dans le grand ravage oubliée.

Ah ! pauvre enfant, pieds nus sur les rocs anguleux !
Hélas ! pour essuyer les pleurs de tes yeux bleus
Comme le ciel et comme l’onde,
Pour que dans leur azur, de larmes orageux,
Passe le vif éclair de la joie et des jeux,
Pour relever ta tête blonde,

Que veux-tu ? Bel enfant, que te faut-il donner
Pour rattacher gaîment et gaîment ramener
En boucles sur ta blanche épaule
Ces cheveux, qui du fer n’ont pas subi l’affront,
Et qui pleurent épars autour de ton beau front,
Comme les feuilles sur le saule ?

Qui pourrait dissiper tes chagrins nébuleux ?
Est-ce d’avoir ce lys, bleu comme tes yeux bleus,
Qui d’Iran borde le puits sombre ?
Ou le fruit du tuba, de cet arbre si grand,
Qu’un cheval au galop met, toujours en courant,
Cent ans à sortir de son ombre ?

Veux-tu, pour me sourire, un bel oiseau des bois,
Qui chante avec un chant plus doux que le hautbois,
Plus éclatant que les cymbales ?
Que veux-tu ? fleur, beau fruit, ou l’oiseau merveilleux ?
– Ami, dit l’enfant grec, dit l’enfant aux yeux bleus,
Je veux de la poudre et des balles.

8-10 juillet 1828
Victor Hugo, Les Orientales

Hieronder het schilderij van Eugène Delacroix


lees het uitstekende artikel op wiki
MILL John Stuart (1806-1873): politieke economie, vrijheid en gezag
Edited: 180605204545
John Stuart Mill (20 mei 1806 – 8 mei 1873) was een Engels filosoof en econoom, en de meest invloedrijke vrije denker van de 19e eeuw. Hij was een voorstander van het utilitarisme, de ethische theorie die voorgesteld werd door zijn peetvader Jeremy Bentham.

John Stuart Mill werd geboren in zijn vaders huis in Pentonville, Londen, als de oudste zoon van James Mill. Hij kreeg zijn onderwijs van zijn vader, met advies en assistentie van Jeremy Bentham en Francis Place. Hij kreeg een strenge opvoeding en werd nadrukkelijk afgeschermd van andere jongens van zijn leeftijd. Zijn vader, een navolger van Bentham, had als zijn specifieke doel om een genieus intellect te creëren dat de doelen en uitvoering van het utilisme zou doen verder leven na de dood van Bentham en hemzelf.

Tegen de tijd dat hij drie was kon hij het Griekse alfabet opnoemen, en toen hij acht werd had hij Aesopus' 'Fabels' gelezen en wist hij van Plato. In 1818 begon hij aan een studie logica en het jaar erop kreeg hij te maken met politieke economie.

Hij publiceerde zijn eerste belangrijke boek in 1842, The system of logic. Een van de belangrijkste theorieën is het beginsel van causaliteit – Als A altijd door B wordt gevolgd, kan worden verondersteld dat dit in de toekomst ook altijd zo zal zijn.

In 1869 publiceerde hij Subjection of Women, waarin hij de vrouwenrechten verdedigde. Hij was dan al vier jaar parlementslid waar hij eveneens ijverde voor het vrouwenkiesrecht en de vooruitstrevende liberalen steunde. Zijn vrouw Henriëtte, die in 1858 stierf, zou het boek geschreven hebben, maar op haar naam mocht het niet worden uitgegeven. Tot op de dag van vandaag staat het boek officieel op naam van John Stuart Mill.

http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Stuart_Mill (20070226)

Writings by John Stuart Mill

[books / book excerpts]

· The Logic of the Moral Sciences. Excerpted from A System of Logic. London, 1843, 8th ed. 1872. [French translation]

· Essays on Some Unsettled Questions of Political Economy. London, 1844.

· Principles of Political Economy. London, 1848, 7th ed. 1871.

· On Liberty. London, 1859. [French translation]

· Dissertations and Discussions. London, 1859, 4th ed. 1882.

· Considerations on Representative Government. London, 1861.

· Utilitarianism. London, 1863. Reprinted from Fraser's Magazine, 1861. [French translation]

· Auguste Comte and Positivism. London, 1865. Reprinted from Westminster Review, 1865. [French translation]

· An Examination of Sir Hamilton's Philosophy. London, 1865.

· The Subjection of Women. London, 1869. [French translation] [Spanish translation]

· Autobiography. London, 1873. [French translation]

· Three Essays on Religion [Nature + Utility of Religion + Theism]. London, 1874.

· Chapters on Socialism. Fortnightly Review, 1879.

[articles]

· Free Discussion (1). Morning Chronicle, 1823.

· Free Discussion (2). Morning Chronicle, 1823.

· Free Discussion (3). Morning Chronicle, 1823.

· A Defense of Bentham. Excerpted from 'Whewell on Moral Philosophy'. Westminster Review, 1836.

· Note on N. W. Senior's Political Economy. In Senior's Outline of the Science of Political Economy, London, 1836.

· The Negro Question. Fraser's Magazine, 1850.

· Bentham. 1838, 2nd ed. 1859.

· The Contest in America. Fraser's Magazine, 1862.

· Inaugural Address. Delivered to the University of St. Andrews, 1867.

· Meetings in Royal Parks. Delivered in Parliament, 1867.

· Speech in Favour of Capital Punishment. Delivered in Parliament, 1868.

· Thornton on Labour and its Claims. Fortnightly Review, 1869.

· Theism. In Three Essays on Religion, London, 1874.

· Nature. In Three Essays on Religion, London, 1874.

· Utility of Religion. In Three Essays on Religion, London, 1874.

[letters]

· To James Mill. April 25, 1821.

· To ? March 18, 1840.

· To Gustave D'Eichthal. January 10, 1842.

· To ? May 13, 1865.

· To a Gentleman in Ohio. September 1, 1865.



--------------------------------------------------------------------------------



Writings about John Stuart Mill

[dictionary / encyclopaedia entries]

· John Stuart Mill. The Cambridge History of English and American Literature.

· John Stuart Mill. The Columbia Encyclopedia.

· John Stuart Mill. The Concise Encyclopedia of Economics.

· John Stuart Mill. Encyclopædia Britannica.

· John Stuart Mill. Encyclopædia Britannica (1911).

· John Stuart Mill. Internet Encyclopedia of Philosophy.

· John Stuart Mill. Island of Freedom.

· John Stuart Mill. The Johns Hopkins Guide to Literary Theory & Criticism.

· John Stuart Mill. The Literary Encyclopedia.

· John Stuart Mill. The Penguin Dictionary of Philosophy.

· John Stuart Mill. Spartacus Educational.

· John Stuart Mill. The Stanford Encyclopedia of Philosophy.

· John Stuart Mill. Wikipedia.

[other writings]

· Law Reform in England. The United States Democratic Review, 1851.

· John Stuart Mill and his Residence. Anonymous. Littell's Living Age, 1868.

· John Stuart Mill. By G. M. Towle. Appleton's Journal, 1870.

· John Stuart Mill. By M. D. Conway. Harper's New Monthly Magazine, 1873.

· The Reality of Duty. Anonymous. Littell's Living Age, 1876.

· John Stuart Mill (I). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill (II). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill (III). By Lyell Adams. New Englander and Yale Review, 1877.

· John Stuart Mill and the Destruction of Theism. By President Shairp. Princeton Review, 1878.

· James and John Stuart Mill. Littell's Living Age, 1882.

· John Stuart Mill and the London and Westminster Review. By C. Marion D. Robertson Towers. The Atlantic Monthly, 1892.

· A Letter to John Stuart Mill. By Winthrop More Daniels. The Atlantic Monthly, 1900.

· John Stuart Mill. By Leslie Stephen. In The English Utilitarians. London, 1900, vol. III.

· Variations in the Editions of J. S. Mill's Principles of Political Economy. By M. A. Ellis. Economic Journal, 1906.

· Biography. By O. M. W. Sprague. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· John Stuart Mill: Traditional and Revisionist Interpretations. By John Gray. Literature and Liberty, 1979.

· Early Buddhism and John Stuart Mill's Thinking. By Vijitha Rajapakse. Philosophy East and West, 1987.

· J. S. Mill: the Utilitarian Influence in the Demise of laissez-faire. By Ellen Frankel Paul. Journal of Libertarian Studies, 1978.

· Wallace's Campaign to Nationalize Land. By M. Gaffney. The American Journal of Economics and Sociology, October 1, 1997.

· Utility and Preferences. By Soshichi Uchii. October 25, 1998.

· The Worm at the Root of the Passions: Poetry and Sympathy in Mill's Utilitarianism. By L. A. Paul. Utilitas, 1998.

· The Carlyle-Mill "Negro Question" Debate. ca. 2000.

· Mill, Liberty, and the Facts of Life. By Shannon C. Stimson and Murray Milgate. 2001.

· Mill's "Proof" of the Principle of Utility. By Geoffrey Sayre-McCord. Social Philosophy and Policy, 2001.

· J.S. Mill and the Diversity of Utilitarianism. By Daniel Jacobson. Philosophers' Imprint, 2003.

· Mill between Aristotle & Bentham. By Martha C. Nussbaum. Daedalus, March 22, 2004.

· The Ethics of Identity. By Kwame Anthony Appiah. The New York Times, June 12, 2005.

· The Influence of Mary Bentham on John Stuart Mill. By Catherine Pease-Watkin. Journal of Bentham Studies, 2006.

· Narrative, Imagination, and the Religion of Humanity in Mill's Ethics. By Colin Heydt. Journal of the History of Philosophy, 2006.

· Mill, Bentham and 'Internal Culture'. By Colin Heydt. British Journal for the History of Philosophy, May, 2006.

[reviews]

· Autobiography. New Englander and Yale Review, 1874.

· Autobiography. New Englander and Yale Review, 1874.

· Autobiography. Scribner's Monthly, 1874.

· Autobiography. North American Review, 1874.

· Autobiography. Littell's Living Age, 1874.

· Autobiography and Three Essays on Religion. New Englander and Yale Review, 1875.

· Considerations on Representative Government. New Englander and Yale Review, 1862.

· Dissertations and Discussions, Vols. I-III. New Englander and Yale Review, 1866.

· Dissertations and Discussions, Vol. IV. New Englander and Yale Review, 1867.

· Dissertations and Discussions, Vol. I. North American Review, 1865.

· Dissertations and Discussions, Vol. IV. North American Review, 1868.

· Examination of Sir Hamilton's Philosophy. New Englander and Yale Review, 1865.

· Inaugural Address at the University of St. Andrew's. North American Review, 1865.

· On Liberty. North America Review, 1863.

· On Liberty. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· The Philosophy of Auguste Comte. New Englander and Yale Review, 1866.

· Principles of Political Economy. The Prospective Review, 1848.

· Principles of Political Economy. North American Review, 1848.

· Principles of Political Economy. North American Review, 1864.

· Principles of Political Economy. DeBow's Review, 1867.

· Principles of Political Economy. New Englander and Yale Review, 1872.

· Principles of Political Economy. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· The Subjection of Women. North American Review, 1869.

· The Subjection of Women. New Englander and Yale Review, 1869.

· A System of Logic. North American Review, 1854.

· A System of Logic. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

· Three Essays on Religion. North American Review, 1875.

· Utilitarianism. The Cambridge History of English and American Literature, Cambridge, 1921.

http://www.utilitarian.net/jsmill/ (20070226)
28 april 1799: verkoop (openbare -) Sint-Donaaskathedraal te Brugge en vervolgens afbraak
Edited: 179904289952
Sint-Donaaskathedraal (Brugge)

Van Wikipedia

(Doorverwezen vanaf Sint-Donaaskathedraal)

Ga naar: navigatie, zoek

De Sint-Donaaskathedraal te Brugge was van 1559 tot 1799 de bisschopszetel van het bisdom Brugge, genoemd naar de patroonheilige, Donatianus van Reims. De collegiale Sint-Donaaskerk was vroeger de belangrijkste kerk in Brugge en stond op de (omwalde) Burg, tegenover het stadhuis.

[bewerk] Geschiedenis

In 1127 werd in deze kerk de graaf van Vlaanderen, Karel de Goede, vermoord. Vermoedelijk werd hier ook Karel de Stoute begraven. Zijn praalgraf is echter te bezichtigen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

In 1559 richtte de paus veertien nieuwe bisdommen in in de Nederlanden, daaronder Brugge, en daarmee werd deze monumentale kerk een kathedraal.

Tussen 1794 en 1815 tijdens Franse bezetting verjoegen Fransgezinde Bruggelingen de bisschop uit de Sint-Donaaskerk. Op 28 april 1799 werd de kathedraal door het Franse regime openbaar verkocht en in het daaropvolgende jaar helemaal afgebroken. Zij werd niet heropgebouwd. Hetzelfde lot ondergingen de Sint-Michielsabdij in Antwerpen, de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Gent en de Sint-Lambertuskathedraal in Luik.

In 1834 werden de relikwieën van Donatianus (niet verwarren met Donatus) overgebracht naar de Sint-Salvatorkerk, die tot kathedraal verheven werd.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Donaaskathedraal (20070608)
1 januari 1797: uitdrijving abdij Drongen
Edited: 179701017823
De Oude Abdij van Drongen is een abdijcomplex, gelegen aan de Leie in Drongen, een deelgemeente van Gent. Het hele domein, met inbegrip van de tuin, is sinds 1998 als monument beschermd. De abdij herbergt thans een bezinningscentrum, een communauteit van (bejaarde) jezuïeten en enkele gezinnen. De na een brand heropgebouwde abdijkerk uit 1734, achtkantig, in witte steen met een busvormige, kleine koepel, doet dienst als parochiekerk van Drongen-Centrum (zie Sint-Gerolfkerk).

Geschiedenis

De abdij werd vermoedelijk gesticht in de 7e eeuw, dezelfde tijd als de Sint-Baafs- en de Sint-Pietersabdij in Gent, de tijd van Amandus van Gent. De eerste geestelijken waren seculiere kanunniken (koorheren). De Noormannen verwoestten de abdij maar onder Boudewijn II de Kale, graaf van Vlaanderen en heer van Drongen, werd zij heropgericht.

Norbertijnen

In 1136 stichtte Iwein, graaf van Aalst, heer van Waas, Drongen en Liedekerke, een abdij te Salegem (Vrasene, Beveren). Twee jaar later, in 1138, werd de abdij overgebracht naar Drongen, waar de kanunniken de regels van de Premonstratenzers of de Norbertijnen overnamen.

In 1566 had de abdij te lijden onder de Beeldenstorm en in 1578, tijdens de Gentse Republiek, werden de paters verdreven naar een refugehuis Hof van Drongen te Gent. De bezittingen kwamen in handen van Willem van Oranje maar werden door diens erfgenamen in 1609 teruggegeven.

In de 17e eeuw werd de abdij voltooid, ongeveer zoals ze er nu nog staat.

In 1796, onder de Franse bezetting, werden de paters opnieuw verjaagd en werd de abdij verkocht. Lieven Bauwens installeerde er in 1804 een katoenspinnerij, maar die ging failliet in 1836. Er kwam ook een fabriek voor kleurstroffen uit meekrapwortel.

Jezuïeten

In 1837 kochten de jezuïeten een deel van de abdij en vestigden er hun noviciaat; in 1848 kochten zij ook de rest van het domein. De opleidingen blijven er meer dan een eeuw tot laatste verdwijnt in 1968. De bezinningen en de retraites, individueel of in groep, blijven. Zo wordt de abdij een bezinningscentrum. Omdat ook oudere jezuieten er blijven wonen, wordt de abdij ook een rusthuis.

Kadoc-KUL (red.), De Oude Abdij van Drongen, elf eeuwen geschiedenis, 2006, 528 blz.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Oude_Abdij (20070514)

On 1 January 1797 the canons were driven out of their abbey by the civil commissars of the French Republic. The buildings and surrounding lands were confiscated and sold off in lots. From 1797 until 1822 they were in the hands of the ambitious Ghent businessman, Lieven Bauwens, who set up a cotton spinning mill in the abbey.

externe link naar Kadoc (20070514)

20060054: 291
ROZET Benoît
Véritable origine des biens écclésiastiques. Fragmens historiques & curieux, contenant des différentes voies par lesquelles le Clergé séculier et régulier de France s'est enrichi. Accompagnés de Notes historiques & critiques. Rédigés par M. Rozet.
Edited: 17900010
NOT FOR SALE
link
de la page 396:

"Les plaintes renouvellées ne firent aucune impression sur les évéques, ils restèrent dans l'inaction: enfin, en 1750, ayant été pressés de nouveau à l'occasion du vingtième, ils déclarèrent par la bouche de leurs agens, malgré leurs assurances de respect pour le roi, d'empressement de lui plaire, & d'obéissance à ses ordres, que leur biens étant exempts, DE DROIT DIVIN, de toutes charges et contributions, ils ne devoient point y être assujétis; & ils se retirèrent en insérant dans leur procès-verbal une protestation publique contre tout ce qui pourroit se faire au préjudice des leurs prétendues immunités ou privilèges; ainsi il ne fut plus question de déclaration."


Rozet (ca. 1732-1794) fut un libraire.
link
Originaire de Lyon, Benoît Rozet, libraire parisien, est l’auteur de plusieurs ouvrages publiés pendant la Révolution. Dans sa Véritable origine des biens ecclésiastiques..., il retrace en quelques lignes l’histoire de l’ordre du Temple et témoigne, à cette occasion, d’une certaine retenue dans l’exposé des faits. S’il donne crédit à la pseudo-malédiction prononcée par Jacques de Molay en mars 1314, il ne le fait qu’en se retranchant derrière la parole de « quelques historiens ». Quant aux crimes qu’on reprocha aux frères du Temple, ils sont « si abominables, que l’histoire même, en les rapportant, laisse à douter de leur réalité ». On ne pourra que louer cette modération de ton, malgré les approximations et erreurs, après tout assez fréquentes chez les auteurs du temps.


« L’ordre des templiers commença par une simple association de sept gentilshommes français [neuf si l'on en croit Guillaume de Tyr, plus encore pour Michel le Syrien] qui s’unirent pour servir d’escorte aux pèlerins de la Terre-Sainte. Le concile de Troyes, tenu sous le pape Honorius II, en fit un ordre religieux et militaire, et Saint Bernard [non : le concile] leur donna une règle, l’habit blanc et la croix rouge [apparaîtra plus tard]. Cette nouvelle milice s’accrut considérablement en très peu de temps. Les princes, les seigneurs, tout ce que la chrétienté avait de plus illustre voulut combattre sous son habit et sous ses enseignes. On leur donna le nom de templiers parce que leur première habitation était près le temple à Jérusalem. Bientôt ils devinrent si puissants, que leur fortune égala celle des souverains ; mais ces richesses furent les causes de leur malheur et de leur perte. L’orgueil, la fierté, l’indépendance, l’esprit du monde, le luxe, la volupté infectèrent tout l’ordre. Le proverbe ancien, boire comme un templier, fait voir quelle était leur réputation sur ce dernier article. Ils ne reconnaissaient de supérieur que leur grand maître. Les crimes qu’on leur imputa sont si abominables, que l’histoire même, en les rapportant, laisse à douter de leur réalité ; et les rétractations de ceux qui en étaient convenus, dans les tortures, rendent la chose plus indécise. Quoi qu’il en soit, les templiers, qui étaient en France, furent tous arrêtés, en un seul jour, par ordre de Philippe le Bel. Le procès dura quatre ans. Enfin, au mois de mai 1311 [non : en mars 1312, par la bulle Vox in Excelso], le pape Clément V, siégeant alors à Avignon [non : lors du concile de Vienne], les supprima de son chef, contre l’avis de tous les évêques de France, d’Italie, d’Espagne, d’Angleterre, d’Allemagne et de Danemark, assemblés pour juger cette grande affaire. On n’en excepte qu’un seul prélat italien et trois français, les archevêques de Reims, de Sens et de Rouen, qui furent de l’avis du pontife. Le grand maître, les principaux chevaliers et une multitude infinie de membres de l’ordre furent brûlés vifs à Paris ou ailleurs. Leurs biens immenses furent saisis et confisqués dans tous les pays où ils avaient des possessions ; l’ordre de Malte [s'appelle alors ordre de l'Hôpital de Saint-Jean de Jérusalem], ainsi que plusieurs autres ordres militaires, en obtinrent une grande partie. Ce qu’il y eut d’assez extraordinaire, selon quelques historiens, c’est que le grand maître, au milieu des flammes, n’ayant plus que la langue de libre, et presque étouffé de fumée, ayant ajourné le pape, en l’appelant juge inique et cruel bourreau, à comparaître dans quarante jours devant le tribunal du souverain juge, et Philippe dans un an [version infirmée par les rares témoins] ; la mort de ce prince et celle du pape arrivèrent précisément dans les mêmes termes. On pense assez généralement aujourd’hui que les immenses richesses des templiers, l’indépendance et le mépris qu’ils témoignaient pour toutes les autres puissances, furent les seules causes de leur destruction ; mais, malgré l’ignorance et la barbarie de ces temps, il ne fallait pas moins que des délits aussi graves de leur part, vrais ou supposés, pour sévir contre eux avec tant de rigueur. »


Note : [texte en italique entre crochets] : précisions, commentaires.

Texte modernisé par l’auteur, tiré de : Rozet (Benoît), Véritable origine des biens ecclésiastiques : Fragments historiques et curieux, contenant les différentes voies par lesquelles le clergé séculier et régulier de France s'est enrichi ; accompagnés de notes historiques et critiques, Paris, Desenne et Rozet, 1790, p. 216-218.
source
wiki
1652: Onze-Lieve-Vrouw van Steenbergenkapel ingewijd te Oud-Heverlee
Edited: 165200001645
In het begin van de 16e eeuw hingen de bewoners van de omgeving een houten Mariabeeldje op aan een eik. Gelovigen die er kwamen bidden, zouden genezen van de moeraskoorts. Hierdoor trok het beeldje heel wat bedevaarders, wat omstreeks 1606 aanleiding gaf tot het bouwen van een eerste houten kapel.
In opdracht van Hendrik van Dongelberghe, ridder van Herlaer, Zillebeke en Vaalbeek en heer van Korbeek-Dijle en Steenbergen, werd de huidige stenen kapel gebouwd en in 1652 ingewijd door Jacobus Boonen, de aartsbisschop van Mechelen. Het wapenschild van Hendrik van Dongelberghe prijkt boven de ingang. De daaropvolgende jaren en eeuwen werd de kapel verder verfraaid. Het hoofdaltaar, de twee zijaltaren en het doksaal dateren van 1715. Ook de vensters lijken uit de 18e eeuw te stammen.

De kapel kwam vervolgens in handen van de familie van Herkenrode en in 1759 van Karel Maria Raymond van Arenberg, de hertog van Arenberg, die in de omgeving van de kapel de vijvers van het Zoet Water liet uitgraven. In 1783 werd de "Gilde van Onze-Lieve-Vrouw van Steenbergen" opgericht, die tot 1920 een jaarlijkse bedevaart naar de kapel organiseerde.

Tijdens de Franse Revolutie werd de kapel gespaard, maar ze werd steeds minder gebruikt, zodat ze vanaf de 19e eeuw begon te vervallen. Vanaf 1918 werd de kapel staatseigendom, wat niet voor beterschap zorgde
Rubens koopt kasteel te Elewijt
Edited: 163009051415
De schilder Peter Paul Rubens kocht het kasteel in 1631 en liet vier jaar werken aan de restauratie. In 1634 nam hij er zijn intrek samen met zijn tweede echtgenote, de toen 20-jarige Helene Fourment. Rubens zelf was 57. Hij zou in het kasteel wonen tot aan zijn dood, vijf jaar later. Rubens kocht het voor 93.000 gouden carolussen. (bron: DRB & wiki)
29 november 1530: WOLSEY Thomas (1471-1530), staatsman en rooms-katholiek kardinaal, overlijdt. R.I.P.
Edited: 153011291469
Bron: Wiki

Volgens de serie 'The Tudors' (BBC) detourneerde Wolsey fondsen van de afgeschafte kloosters
wiki
Westerschelde: De Sint-Felixvloed van 4 november 1530
Edited: 153011040961
De Sint-Felixvloed van 1530 was een watersnood in het stroomgebied van de Westerschelde die plaatsvond op zaterdag 5 november, de naamdag van Sint-Felix (eigenlijk 4 november). Deze dag zou later bekend komen te staan als quade saterdach (= slechte zaterdag).

Grote delen van Vlaanderen en Zeeland werden weggespoeld. Het gebied ten oosten van Yerseke, Oost-Watering, overstroomde geheel. In dit gebied lagen 18 dorpen en de stad Reimerswaal. Alleen een klein stukje van de stad dat hoger lag bleef behouden. Het gebied is niet meer terug gewonnen van de zee en heet nu het Verdronken land van Zuid-Beveland.

Bij de Sint-Felixvloed overstroomden ook Noord- en Zuid-Beveland: van Noord-Beveland was alleen nog de kerktoren van Kortgene te zien. In de jaren na 1530 werd Noord-Beveland langzaam maar zeker weer op de zee herwonnen.

Verdronken dorpen[bewerken]
Assemansbroek, verdronken dorp tegenover Bergen op Zoom op de westelijke oever van de Schelde (rivier)
Bakendorp (ook Badickedorp), verdronken dorp ten zuiden van Baarland
Campen, na de herdijking van Noord-Beveland ontstond op de plek van Campen het huidige Kamperland
Dyxhoecke, verdronken dorp op Noord-Beveland in de buurt van Wissenkerke
Edekinge (ook Ekingen), verdronken dorp op Noord-Beveland
Everswaard (ook Eversweerde), verdronken dorp en parochie ten noorden van Bath
Mare, verdronken dorp ten noordwesten van Rilland
Nieuw-Everinge, rond 1500 stichtten de bewoners van het verdronken Oud-Everinge, op Zuid-Beveland, een nieuw dorp. Dat dorp liep bij de stormvloed van 1530 onder water en moest worden ontruimd. Rond 1600 verdween het voorgoed in de Westerschelde
Nieuwkerke, verdronken dorp in het Verdronken Land van Zuid-Beveland
Oostkerke, verdronken dorp op het voormalige eiland Borssele
Ouderdinge, verdronken dorp in het Verdronken Land van Zuid-Beveland
Oud-Kats, verdronken dorp op Noord-Beveland
Oud-Krabbendijke, verdronken dorp ten noorden van het huidige Krabbendijke op Zuid-Beveland
Oud-Rilland, dorp aan de oever van de Westerschelde, in de buurt van het huidige Rilland
Oud-Wissenkerke, dorp in de Torenpolder
Sint-Jooskapel, verdronken gehucht in het Verdronken Land van Zuid-Beveland
Vinkenisse, verdronken dorp op Zuid-Beveland
Vinninge, verdronken dorp ten zuiden van Biezelinge in de Westerschelde
Vliete (ook Nyenvliet), ten westen van Wijtvliet op Noord-Beveland
Weele, verdronken dorp op Noord-Beveland ten noorden van Wissenkerke
Welle, verdronken dorp op Noord-Beveland in de latere gemeente Colijnsplaat
Westkerke (ook Raaskerke), verdronken dorp op het voormalige eiland van Borssele
Wolfertsdorp, verdronken dorp op het voormalige eiland Borssele
15 mei 1525: Slag bij Frankenhausen beëindigt Boerenoorlog
Edited: 152505151501
De Duitse Boerenoorlog (Duits: Deutscher Bauernkrieg) was een opstand van boeren en lage edelen in het Zwarte Woud (destijds gelegen in het Heilige Roomse Rijk), die plaatsvond in 1524/1525. De opstandelingen verzetten zich tegen de eisen die hun gesteld werden in geld en diensten. Begin 1525 nam het aantal opstandelingen toe. Ze beriepen zich op de Bijbel en op Maarten Luthers leus over de vrijheid van de christen. De boeren rekenden op hemelse bijstand, zoals Thomas Müntzer die op grond van Daniël 7 aankondigde. Toen de vorstelijke legers aanvielen (Slag bij Frankenhausen, 15 mei 1525) boden ze geen weerstand en werden ze uitgemoord. Müntzer kreeg de doodstraf.
src= wiki
LT
Het einde van de Middeleeuwen - periodisering
Edited: 150000000001
Het bepalen van zoiets als 'het einde van de middeleeuwen' is aan discussie onderhevig:

> 1453, het jaar van de val van het Constantinopel , kan als politiek einde gelden. Het Ottomaanse Rijk (lees: de islam, LT) zou nog eeuwenlang op de Balkan en rond de Middellandse Zee zijn invloed uitbreiden. Ook kwam er in dat jaar een einde aan de Honderdjarige Oorlog. De traditie heeft lange tijd een voorkeur gehad voor dit jaartal en wellicht was dat idee niet zo slecht.
> 1492, het jaar waarin Columbus Amerika ontdekte , is ook het jaar waarin een einde kwam aan de Spaanse Reconquista ten koste van het islamitische rijk in West-Europa: Granada viel als laatste bolwerk in handen van de Spaanse koning Ferdinand II van Aragón.
> de culturele en intellectuele Renaissance, waarin een nieuwe visie op de Klassieke Oudheid, de mens en de natuur ontstonden; (in Italië begon die al in de veertiende eeuw met de dichter Petrarca en de schilder Giotto); 'Het Narrenschip' van Brant en 'De Lof der Zotheid' van Erasmus omsluiten als het ware het jaar 1500: de mensen zijn dwazen en lachen is toegestaan.
> op religieus vlak was 1517 van groot belang, het jaar van de breuk tussen de hervormde en rooms-katholieke kerk: stellingen van Maarten Luther.
> 1566 is voor de Nederlanden een late, maar aanvaardbare grens. De Beeldenstorm, waarmee de doorbraak van het calvinisme gepaard ging, zorgde in veel steden niet alleen op godsdienstig, maar ook op politiek vlak voor een breuk. Niet alleen raakte de katholieke kerk haar monopoliepositie kwijt, ook de macht van de koning kwam ter discussie te staan. De gewesten eisten hun uit de Bourgondische tijd stammende traditionele bestuurlijke autonomie op, nu niet alleen met betrekking tot belastingheffing en benoeming van bestuurders, maar ook op godsdienstig terrein.

De bovenstaande tekst bulkt van verwijzingen naar godsdienstige aangelegenheden. Een scheiding in de geesten heeft - na een chaos van jewelste en natuurlijk heel veel bloed - een scheiding in het territorium tot gevolg. Met de onvermijdelijke grensconflicten, op te ruimen enclaves en gettovorming. Het kleine Europa vormde de draaischijf en het labo van al die ontwikkelingen en vandaag is dat niet anders.
[Bron: wiki en aanvullingen LT]
wiki
The Battle of Barnet (14 April 1471)
Edited: 147104140702
The Battle of Barnet (14 April 1471) during the Wars of the Roses, followed by the Battle of Tewkesbury, secured the throne for Edward IV of England and launched fourteen years of Yorkist rule. Near Barnet, then a small Hertfordshire town north of London, Edward led the House of York against Richard Neville, 16th Earl of Warwick, and the House of Lancaster, which backed Henry VI for the throne. The battle began in a thick fog at dawn. While the main forces struggled, John de Vere, 13th Earl of Oxford, and his Lancastrian troops routed the Yorkists under Lord William Hastings, chasing them up to Barnet. On their return to the battlefield, Oxford's men were erroneously shot at by his allies commanded by John Neville, 1st Marquess of Montagu. The Lancastrians lost the battle as cries of treason spread through their line and many abandoned the fight. While retreating, Warwick was killed. Historians regard the battle as one of the most important clashes in the Wars of the Roses, bringing about a decisive turn in the fortunes of the two houses.
wiki
1452: Bul Dum Diversas uitgevaardigd door paus Nicolaas V: koloniale slavenhandel gelegitimeerd; in 1455 bevestigd en uitgebreid door Bul Romanus Pontifex
Edited: 145200008862
In het jaar 1452 vaardigde paus Nicolaas V een bul uit, getiteld Dum Diversas ('Doctrine van Ontdekking'), waarmee de prins van Portugal Hendrik de Zeevaarder het recht kreeg Saracenen, heidenen en andere ongelovigen tot slaaf te maken, hun nakomelingen inbegrepen. Deze bul legitimeerde de koloniale slavenhandel. Rond die tijd begonnen de expedities naar India, die werden gefinancierd met slavenhandel. Deze goedkeuring van de slavernij werd in zijn Bul Romanus Pontifex in 1455 opnieuw bevestigd en uitgebreid.
In de bul van 1455 zijn de woorden 'PERPETUAM SERVITUTEM' cruciaal.