VAN WERVEKE H. Dr Prof.
Geschiedenis van België en van Belgisch Congo
Syllabus/cursustekst RU Gent, faculteit W&L, gestencild, 163 pp. eenzijdig bedrukt.
De titel dekt de lading niet. In Hoofdstuk III schetst Van Werveke de geschiedenis van de Etat Indépendant du Congo op iets meer dan drie (sic!) bladzijden. Zijn cursustekst stopt met de vermelding van de annexatie in 1908.
Het beleid in Belgisch(sic!)-Congo komt dus niet ter sprake.
We kunnen geredelijk veronderstellen dat in 1951 in de colleges van VW ook niet veel gedoceerd werd over Belgisch-Congo, 'le royaume du silence'.

Hieronder geven wij de integrale tekst van het derde hoofdstuk.
Hoofdstuk III
DE GESCHIEDENIS VAN BELGISCH CONGO.
De monding van de Congos troom werd in 1482 door de Portugees Diego Cam ontdekt, en de benedenloop verkend tot aan het Kristalgebergte. Het Portugees gezag dat er werd gevestigd verdween weer in de 18e eeuw. In de 19e was het gebied een niemandsland.
In het binnenland van Belgisch Congo klimt de geschiedenis nauwelijks hoger op dan ca. 1875. Alleen tekenden de blanken die het toen verkenden mondelinge overleveringen op betreffende de landverhuizingen van de negerstammen in de 19e eeuw. Ce. 1875 rukten de Soedanezen in N.o.Congo op, terwijl Arabische of gearabiseerde slavenhandelaars het 0. teisterden.
Onder Leopold I, en met zijn medewerking, vielen reeds pogingen tot kolonisatie van Belgische zijde aan te stippen : Guatemala (1841), Brazilië (1844), Rio Nunez (westkust van Afrika, 1848). Alle liepen zij op een mislukking uit.
Meer nog dan zijn vader was Leopold II voor dergelijke ondernemingen gewonnen. Als kroonprins was hij sedert 1853 van rechtswege lid van de Senaat. Ieder jaar sprak hij er een rede uit waarin hij op expansie en kolonisatie aandrong.
Hij wist do hand te leggen op geschikte medewerkers (Brialmont, Lambermont, Banning). Aan expansie deed hij tot aan het einde van zijn regering o.a. ten opzichte van China. De kolonisatie ging na aanvankelijke aarzelingen de richting van Afrika uit.
Sedert ca. 1850 waren meer en meer ontdekkingsreizigers in Afrika doorgedrongen, echter niet in het centrum, in het congo bekken. Livingstone bereikte in 1870 de oostoever van het Tanganjikameer. Stanley zocht hem daar op, en ondernam vervolgens een tocht dwars door het Congo bekken, van oost naar west.
Ondertussen had Leopold II in 1876 in het Paleis te Brussel een Aardrijkskundige Conferentie belegd, waarop de in Europa aanwezige
ontdekkingsreizigers waren uitgenodigd. Er werd een Association internationale pour l'exploration et la civilisation de l'Afrique gesticht, met de bedoeling bestendige posten op te richten. Zij bestond uit nationale comité's, waarvan het Belgische het actiefst was.
Na Stanley's terugkeer uit Afrika, stelde Leopold II hem voor in zijn dienst te treden. Stanley aanvaardde nadat hij noch te Washington, noch te Londen medewerking had gevonden. Hij ondernam toen nieuwe reizen voor rekening van Leopold II, van de westkust vertrekkend, en stichtte posten langs heen de stroom. Daarop werd de Association internationale du Congo gesticht, die het land in bezit nam, na met de inlandse hoofden verdragen te hebben afgesloten.
Portugal, dat door Engeland en door Frankrijk gesteund werd, verwekte toen moeilijkheden. Bismarck en de Verenigde Staten daarentegen erkenden in 1884 de Association. In Dec. 1884 werd te Berlijn een internationale conferentie geopend, waarop vraagstukken van economische en juridische aard betreffende de Congo- en Nigerbekkens werden behandeld. Niet op de conferentie, maar in margine ervan, werd door de afgevaardigden van de aldaar vertegenwoordigde mogendheden de onafhankelijke Congostaat erkend, met Leopold II als souverein. Het Belgisch parlement machtigde de koning die waardigheid te aanvaarden, hoewel het zelf weinig belangstelling voor de onderneming had. Van zijn kant liet de vorst de Onafhankelijke Congostaat per testament aan België na (1889).
In de nu volgende jaren werd Congo volledig verkend en zijn grondgebied af gebakend. Daarbij werden de grens gebieden breed uitgemeten, wat zeer gelukkig uitkwam, want de belangrijkste mijnen bleken juist daar te liggen (koper van Katanga, goud van Kilo, diamant van Kasar). Door de veldtochten van Dhanis (1892-'94) werd een einde gesteld aan de slavenhandel van de Arabieren (zij waren sedert 1840 in Oost-Afrika doorgedrongen).
Leopold II zocht ook de hand te leggen op de bovenloop van de Nijl. Veldtochten werden met dat doel door Francqui en Dhanis ondernomen. Hij stuitte echter op het verzet van Frankrijk en van Engeland. Het enige dat hij bereikte was, het Lado-district voor de duur van zijn leven te mogen be zetten.

Tot 1890 bestreed de koning zelf alle uitgaven. In dat jaar sprong de Belgische staat, dank zij minister Beernaert, de Congostaat door een lening bij. Toen deze in 1894 opnieuw voor grote financiële moeilijkheden stond, was er een eerste maal ernstig sprake van een overname door het moederland. Maar de openbare mening was er nog niet rijp voor, en men gaf de voorkeur aan een tweede lening. Verder schaften belastingen in rubber, door de inboorlingen op te brengen, en concessies aan vennootschappen de gewenste uitkomst. Eerst na de voltooiing van de spoorweg Matadi-Leopoldstad (om de versnellingen van het Kristalgebergte heen) gaven de financiële kringen in België blijk van grote belangstelling.
Tevens kwamen er echter misbruiken aan het licht. De ambtenaars, die voordeel hadden bij een hoog opgevoerde productie, buitten de inlanders uit. Een heftige campagne werd in Engeland tegen de Congostaat gevoerd. Om ze te ontzenuwen, zond Leopold II een enquête-commissie naar Congo (1904-05). Haar besluiten bevestigden evenwel voor een deel de aangeklaagde feiten. Zij deden de overtuiging in brede kringen ingang vinden dat alleen een vervroegde naas ting door België een uitkomst kon bieden.
Ook kwamen sommige inzichten van Leopold II aan het licht, die de openbare mening niet kon aanvaarden, hoe goed zij ook bedoeld waren. De koning had het voornemen een Congolees kroondomein af te zonderen en het onder het beheer van een stichting te plaatsen, waarvan de autonome beheerraad over grote inkomsten zou beschikken, buiten alle contrôle van de regering on. Daarmede zouden, ook na 's konings dood, in België grootse openbare werken worden uitgevoerd, in de aard van de nog tijdens zijn leven tot stand gebrachte Tervurenwijk te Brussel. België zou nochtans verantwoordelijk zijn voor de ganse Congolese politiek. Vandaar conflicten tussen de openbare mening en de koning, die zich niet beloond achtte voor het groots werk dat hij in het voordeel van het land had ondernomen.
De Congostaat werd den ten slotte door België genaast zonder dat de stichting tot stand kwam (1908). Voortaan was Congo een Belgische kolonie, die onder het gezag van de minister van Koloniën ressorteerde. De oude koloniale politiek werd opgegeven. Tevens begon het gebied zich economisch met reuzenschreden te ontwikkelen.






€ 20.0

Bestel